Categorie: Uitgeverij Ploegsma

  • Het begin verklaart in heldere linosneden

    Een fabel schreef Octavie Wolters en ze maakte daarbij de illustraties. Gutste uit linoleum het bos en de dieren. Als alter ego nam zij een haas. Een haas die zich afvraagt waar hij vandaan komt. Dat is een levensvraag die de mens zich weleens stelt. Wolters in elk geval wel. En door een dier als hoofdpersoon te nemen kan de retorische vraag beantwoord zijn. Want wanneer dieren de diepte ingaan, worden grote existentiële kwesties eenvoudig uit de doeken gedaan. Waar de mens blijft steken en de idee vastzet in een vicieuze cirkelgedachte, breekt het dier door de vraag heen en komt op een natuurlijk beredeneerd antwoord. Een antwoord waarvan achteraf bezien gezegd zal worden: ja natuurlijk, dat ik daar niet aan gedacht heb!

    Mijn begin, dat ben jij

    De haas in het prentenboek van Octavie Wolters is gebaseerd op Haassie. Een zachtroze pluchen knuffelhaasje op haar tweede verjaardag gekregen van tante Els. Het markeert het begin van haar leven. “Het stamt uit een tijd waarin ik nog amper mens was, mijn eigen prehistorie“, verklaart Octavie zich nader. Daarom heeft het boek de titel ‘Jij bent mijn begin‘ gekregen. Die haas, daar begon het mee. En die haas vraagt zich af waar zijn begin is, waar hij vandaan komt. Waar alles wat hij om zich heen ziet vandaan komt. “Alles wat leeft komt uit de lente”, zegt moeder haas cryptisch. Want wat weet de kleine haas van de lente, in de winter. Een nieuwe vraag komt bij hem omhoog: waar ligt de lente. Zijn vader wijst hem de weg, want Haassie gaat op zoek. Hij rent mee met de draaiing van de aarde naar waar de zon opkomt. De rivier zal het hem wijzen, zo is gezegd. En overal waar hij komt vraagt hij de dieren of hij al in de lente is. De reis is lang en gaat vanuit de winter door de herfst naar de zomer om uiteindelijk in de lente aan te komen. De fabel draait de klok terug, Haassie komt bij zijn oorsprong. Hij ziet zichzelf in het spiegelende water van de terugtrekkende rivier, want natuurlijk ze zijn bij de bron. De jonge haas kijkt om en overziet het land waarvan hij komt. De rivier stroomt daar breed en diep, haar einde was pas haar begin. In de verte hoort hij zijn moeder roepen en hij rent terug naar waar hij vandaan kwam, vooruit in de tijd. En wat is de moraal van dit verhaal? ‘Ik ben waar ik begonnen ben‘, zei Haassie. Zijn moeder knikte. ‘Mijn begin, dat ben jij.

    Begrijpelijk en geloofwaardig

    Ach, nu vertel ik al het verhaal en verklap het slot. Wat een spoiler om de clou weg te geven! Maar daar kraait vast geen haan naar, daarmee is het hek niet van de dam. Wolters heeft namelijk het verhaal zelf al heel helder geschreven, beter dan mijn flauwe uittreksel. Ze schreef het begrijpelijk voor kinderen, geloofwaardig voor ouderen. Het is een prentenboek voor jong en oud, ontroerend. Ter lering ende vermaeck. Kinderen worden door de platen in het verhaal getrokken nog voor er een letter is (voor)gelezen. Aangenaam is het dat het boek een groot formaat heeft, zodat de meeste aandacht uitgaat van de tekeningen. Want Octavie Wolters is vooral beeldend kunstenaar, waarbij de tekst van ondergeschikt belang is. Het beeld moet de indruk geven, de woorden zijn daarvan de uitdrukking, ter illustratie.

    De zwart-wit lino’s die de fabel in beeld brengt tonen in eenvoud de pracht van de natuur. De natuur, de bron van inspiratie voor Octavie Wolters. Vandaar komt haar kunst, de natuur is haar begin. Het is niet alleen het decor voor haar grafische tekeningen, het vormt tevens het onderwerp. In eenvoudig opgezette illustraties laat ze in een enkele oogopslag zien wat de inhoud is. De tekeningen hebben weinig detail, maar net genoeg finesse om aan te spreken. Omdat er geen kleur is geven arceringen de hazenvacht en het verenpak aan. De tekeningen zijn daarnaast dynamisch opgezet en laten het bewegen in en van de tijd zien. Je zou het de klare lijn kunnen noemen, de stijl waarin Wolters haar verhaal uitdrukt.

    Makkelijk lezen, eenvoudig bekijken

    De tekeningen hebben een heldere uitdrukking, waar kleur de indruk niet stoort. Deze lijken daardoor hard en somber, omdat ze wit en zwart zijn of andersom. Maar de manier waarop Wolters de dieren in hun omgeving zet is zo speels en kleurrijk, dat ik bij het doorkijken van het boek vergeet dat het kleurloos is. De linosneden staan deze beleving geenszins in de weg. En mist het kind toch het geel en het groen, het blauw en het rood, dan kan deze de platen zelf inkleuren. Dan is ‘jij bent mijn begin’ niet alleen een prentenboek, maar kan het ook een kleurboek zijn. De beschouwing is wel dat het een kunstboek is. Maar Wolters zal er denkelijk niets op tegen hebben dat de (kleine) lezer de platen een eigen sfeer geeft.

    Aan het slot, na het verhaal, brengt Octavie Wolters haar eigen begin in beeld. Van een foto uit de oude doos is een lino gesneden. Een kind ligt in de armen van de moeder. Een Madonna. Een plaat met een diepere bodem als betekenis. Het lijkt wel een bidprentje. Ter nagedachtenis aan haar jeugd, haar begin. Het kind is Octavie, de vrouw zal haar moeder zijn maar kan ook tante Els zijn waarvan ze de knuffel kreeg die hoofdpersoon van het voorgaande verhaal werd. In de tekst onder de plaat verantwoordt de kunstenaar zich. Het nu oorloos en hologige haasje is haar gevoel van troost en vertrouwen, van liefde en warmte. Met diezelfde liefde en warmte is het verhaal geschreven.

    Het prentenboek laat zich makkelijk lezen en eenvoudig bekijken. De schrijfstijl is helder, de linotechniek duidelijk. Het verhaal is zonneklaar, er zijn geen dubbele bodems of een vervormde betekenis. De vraag van Haassie is evident, of er een antwoord op komt is aan de lezer. Deze puurt eruit wat erin zit. Want het is een puur verhaal, zuiver neergezet door een naïeve haas. Het toont de basis van het bestaan, de grond van het zijn. Beeld bij woord maken de levensvraag aanschouwelijk. De fabel is geen sprookje. Het is geen verzinsel, de waarheid is fantastisch onder woorden gebracht en met beelden uitgedrukt. De boekenkast heeft meer van deze glasheldere uitgaven nodig. Het is een verrijking van taal en teken. Het staat te boek voor kind en jeugd, maar daarmee is het werk van Octavie Wolters tekort gedaan. Het is een boek voor alle leeftijden. Niet alleen leeft de jeugd van tegenwoordig in beelden, voor ouderen wordt het leven meer duidelijk door het in beeld te brengen. Wolters heeft beide technieken in een eigen stijl onder de knie. Zwart op wit.

    Jij bent mijn begin. Octavie Wolters, tekst & illustraties. Alle prenten in het boek zijn linosneden. Uitgeverij Ploegsma, Amsterdam, 2025.

  • Op excursie door het leven met Octavie Wolters

    Octavie Wolters is graag in de natuur. Tussen wollegras, kroontjeskruid en onder bramenstruiken, populieren ligt haar tweede natuur. Daar is zij geaard, op die grond gedijt ze goed. Dat wezen van buitenleven en natuurschoon beschrijft zij liefdevol en gedetailleerd. Zittend aan de keukentafel met haar boek “Dit gaat nooit voorbij” geopend voor me liggend heb ik het idee dat ik met haar in dat veld ben. Want zij is geen bosmens. Octavie Wolters is van de horizon, van de open velden, de akkers. Bossen zijn haar te nauw, dan kan ze niet van zich afkijken en voelt zich opgesloten. In mijn fantasie bij haar verhaal wandel ik met haar, draaft de Friese hond die kan slootjespringen voor ons uit en zwijgt W. W is haar levensgezel die de natuur met haar deelt. Ik ben daarbij, wanneer ik mijn ogen sluit en haar teksten in mij om laat gaan.

    Zij is geen wereldreiziger. Zij houdt van haar kleine, nabije omgeving. Het land dat ze zo goed kent en dat haar iedere dag weer iets nieuws laat zien. Octavie hoeft niet ver te gaan, daar in dat open veld vindt ze haar antwoorden. En haar vragen. “Ik weet nooit wat het doel is van alles, van de mens, de wereld, het leven. Of van mij.” De scholeksters halen hun gevederde schouders op en zeggen: “Dat hoeft je toch ook niet te weten?” En Wolters is het daar mee eens toch: het is goed zo – alles is er, dat is reden genoeg. Ze kan het geluk aanraken. Het gaat als een vogeltje op haar wijsvinger zitten. De essentie van geluk is de vogel, de liefde ervoor. “Dat gaat nooit voorbij”, denkt ze hardop.

    Vereenzelvigen met de gevederde vrienden

    Die gedachte werd de titel van haar nieuwste uitgave, waarin zij spreekt met de vogels die ze treft op haar wandelingen. Ze vraagt zich af hoe vogels tegen de dingen aan kijken. In die fantasie zou het mooi zijn om met hen te kunnen praten. Octavie Wolters praat natuurlijk niet werkelijk met de merel, de kievit en de kokmeeuwen. Maar het woord is gewillig en het beeld volgzaam. Want niet alleen beschrijft Wolters haar gesprek en de omgeving waarin die samenspraak plaats vindt, ze maakt ook een afbeelding van de gesprekspartners. Dit doet zij door de plaat uit te snijden in linoleum en deze vervolgens kleurig af te drukken. Het spreken met de mezen, de zwaluwen en de ekster doet zij in gedachten. Die denkbeelden schrijft ze op en tekent ze uit, zodat het wel lijkt of de vogels net mensen zijn. De bever zwijgt, maar de mus, de kleine zwartkop en de blauwborst voeren het hoogste woord.

    In gedachten spreekt ze feitelijk met zichzelf. Geeft zichzelf weerwoord of diepzinnige antwoorden op gelaagde vragen. Levensbeschouwelijk, bespiegelend, contemplatief. Ze is graag in de natuur, houdt van de vogels. En kan daarom hun verenpak aantrekken. En die jas past haar goed, al is de coupe en de stijl afwijkend. Ze observeert zo dikwijls en dermate intensief, dat ze zich met de gevederde vrienden kan vereenzelvigen. In haar gedachten vindt ze troost bij de vogels, in zichzelf. Het is als bidden. Moeiten en zwarigheden uitspreken en deze als het ware op het bordje van een hogere macht leggen. Bij Octavie Wolters is die macht de natuur, zijn dat de vogels. Bidden is net zo goed praten in jezelf, met een denkbaar persoon in gedachten discussiëren. Die iemand is ergens geloof je, maar zeker weten doe je het niet. Wolters gelooft in de vogels, vertrouwt op de natuur. Legt haar gemoed en gevoel bij hen neer in de fantasie van het verhaal. En ze krijgt antwoord, waar de goede god schijnbaar zwijgt.

    “Sommige dingen gebeuren gewoon”

    Haar verhalen zijn fabels, de vogels krijgen het gemoed van mensen. Geleerde mensen, want ze geven beschouwelijke antwoorden op de vragen van het leven. De vragen in het leven waarmee Octavie worstelt. Ze filosofeert over het zijn, bepeinst het wezen. Probeert een vinger achter het bestaan te krijgen, het aanwezig zijn hier en nu te vatten. Ze verbaast zich over dingen die zomaar gebeuren zonder dat iemand het opmerkt. “Sommige dingen gebeuren gewoon”, zegt de winterkoning. “Soms valt er iets voor zonder dat iemand op de wereld ervan weet”, denkt Wolters. Is het dan wel echt gebeurd wanneer niemand het opgemerkt heeft, filosofeert ze verder. “We kunnen soms alleen maar een verhaal verzinnen.” Dat beaam ik en sla de bladzijde om.

    De verhalen zijn uiterst persoonlijk. Voor de vogels, en door de vertellingen dus ook voor mij, opent zij haar ziel. Ze heeft angsten, net als ieder mens. Wolters is bang dat zonder angst zij ophoud te bestaan. De angst is bij haar gaan horen, is een deel van haar geworden, een onmisbaar orgaan. Lang heeft ze zich vastgeklampt aan hoop, aan een verwachting, aan de gedachte dat alles ergens goed voor is. Ze denkt aan alle paden en wegen in haar hoofd, de herinneringen, toekomstdromen, alles in het hier en nu, waar ze aan werkt of mee bezig is. In het gladde wateroppervlak waarin de wolken voorbijdrijven ziet ze de reflectie van zichzelf. De visjes flitsen door haar heen alsof deze haar gedachten zijn. Het is een wereld van beelden, woorden zijn er niet nodig.

    “Iets kan er tegelijkertijd zijn en niet zijn”

    Het zijn gedachten waarmee een ieder die serieus in het leven staat wel worstelt. ’s Nachts van wakker ligt. Troost zoekt overdag. Het zijn universele levensvragen die antwoorden verdienen, die om raad smeken en een uitweg zoeken. “Troost is er als al het andere al lang vervlogen is”, zeggen de mezen. Haar levensverhaal smeert Octavie Wolters uit over de seizoenen, deelt deze op in de maanden van het jaar. De winter, de lente, de zomer en de herfst, alle hebben een eigen karakter en signatuur. Het gemoed valt zwaar wanneer de blaadjes vallen bijvoorbeeld. In september denkt ze aan haar kindje dat er zo hartverscheurend niet meer is maar daardoor een nieuw soort aanwezigheid vormt. “Iets kan er tegelijkertijd zijn en niet zijn.” Gemis is nooit weg, vindt ze. Maar de pijn van de leegte kan wel gevuld worden. Ware woorden, de mees had het niet beter kunnen bedenken.

    Dit gaat nooit voorbij’ is een prentenboek voor volwassenen, maar in de platen kunnen kinderen zich ook heel goed vinden. De vertellingen verhalen over levensvragen en het vinden van troost in de kleine wonderen van de natuur. Die vragen zijn te groot voor kinderen, wel lijken me de beschrijvingen van de omgeving aan te sluiten bij hun beleving. Volwassenen zullen bij de platen, portretten van vogels in weelderige flora, zelf een verhaal voor kinderen kunnen fantaseren. Deze platen hebben een klare lijn zonder veel omhaal van vlak en kleur. Duidelijk en essentieel, helder het karakter van de vogel in zijn habitat verbeeldend. Daarbij improviseren de verbeeldingskracht en het voorstellingsvermogen als vanzelf een verhaal. “De zon schijnt en de lucht voelt ineens warmer vandaag, al is het een wat schijnheilige warmte met een ondertoon van tochtige vrieskou. (…) De randen van de dagen worden langzaam zachter, het licht dimt, het lawaai verstomt.” De ekster vliegt op, maakt een rondje om de boomkruin en krast me gedag.

    Dit gaat nooit voorbij. Octavie Wolters, tekst en illustraties. Uitgeverij Ploegsma, 2024.