Category: Van Spijk Art Books

  • Een fanboek van verzamelaars voor kunstenaar Theo Wolvecamp

    Verzamelaars zijn belangrijke factoren in de kunstwereld. Zonder verzamelaars zou het bijvoorbeeld welhaast onmogelijk zijn een museum te stichten en in stand te houden. Maar het verzamelen is tevens een belangrijk element voor het welzijn van kunstenaars. Vooral wanneer de betreffende kunstenaar zo bij een bepaalde collectioneur in de smaak valt dat deze hem of haar gaat volgen en uit de verschillende stadia in het oeuvre werk aankoopt. En op een zeker moment zelfs vriendschappelijke betrekkingen aangaat. Kind aan huis wordt, bij wijze van spreken. Regelmatig dan het atelier en tentoonstellingen bezoekt. En het er met de kunstenaar over heeft, omdat smaak en gevoel overeenkomen. De ware verzamelaar gaat echter niet bepalen welk werk er gemaakt gaat worden, maar laat de kunstenaar vrij om een eigen weg te gaan.

    De verzamelaar kan mecenas zijn. Hij of zij kan de kunstenaar financiële zekerheid bieden door werk aan te kopen zonder tussenkomst van een galerie. Het stelt de kunstenaar in staat zich te richten op het creatieve werk, zonder zich zorgen te maken over het brood op de plank. Culturele filantropie is het behoud van de kunst. Van betekenis is de vriendschap die de verzamelaar met de kunstenaar opbouwt. De kunstenaar die via zijn werk door de verzamelaar wordt ontdekt. Van het oeuvre verdwijnt over het algemeen een aanmerkelijk deel in de verzameling. In de vriendschap heeft de verzamelaar een wezenlijk aandeel door de kunstenaar op te merken en verder te helpen, het werk uiteindelijk onder de mensen te brengen via tentoonstellingen van de collectie. Werk te schenken aan musea of in een bijzonder geval rond de collectie zelf een museum op te richten.

    Theo Wolvecamp

    Exoperimenteel in afzondering

    De verzamelaars van het werk van Theo Wolvecamp zijn zover gegaan dat ze de tijd rijp vinden om zijn oeuvre te boekstaven. Daarbij vooral nader op zijn kunstenaarschap en zijn leven als mens in te gaan. Hem voor de eeuwigheid vast te leggen. Zijn werk te tonen, maar niet minder belangrijk, een inkijk in zijn leven te geven. De dialoog tussen de kunstenaar en zijn materiaal. Voor deze uitgave is er natuurlijk al over Wolvecamp geschreven en is zijn werk al onder de mensen gekomen, maar de verzamelaars vinden het belangrijk de vriendschap te benadrukken. De kunst vanuit de hoek van de sympathie voor de kunstenaar te bekijken. Niet dat het daardoor een betere kwaliteit heeft of van meer belang is voor de kunstwereld, maar dat het is opgemerkt en van waarde is door de mens erachter te leren kennen. ‘Zeg me wie je vrienden zijn en ik zeg je wie jij bent.’

    De uitgave “Theo Wolvecamp – experimenteel in afzondering” is een fanboek te noemen. De kunstliefhebbers en -verzamelaars Gerhard Roetgering en Lex Schrama zijn bewonderaars van het werk van Wolvecamp. Door verschillende werken en series van hem aan te kopen konden ze een vriendschap aanknopen. Bij het honderdste geboortejaar van de kunstenaar, in 2025, wilden ze extra aandacht aan hem besteden door middel van het boek. De kunstenaar en zijn kunst, het waarom en hoe. Wie was hij en wat is zijn werk. Hij wordt geschaard bij de CoBrA-groep, maar van kindertekeningen en volkskunst – onder meer kenmerkend voor deze schilders – moest hij niets weten. “Dat is toch waanzin. Daar heb ik nooit in geloofd.” Hij was een individualist die experimenteel met de kunst omging. In zijn stijl van werken spelen vorm en kleur een ondergeschikte rol.

    Theo Wolvecamp

    De afbeelding is het belangrijkste

    Hij hield zich het liefst afzijdig van de kunstwereld, maar ging er bij tijd en wijle toch wel met plezier op in. Hij had het niet graag over zijn eigen werk, maar sprak honderduit over het werk van anderen. In zijn zichzelf opgelegde isolement zijn prachtige werken ontstaan, althans wanneer men interesse heeft in de experimenteel abstracte en over het algemeen non-figuratieve kunst. Roetgering en Schrama hebben dat, en met hen vele anderen. In het boek passeren meerdere bewonderaars de revue. Daarin of daaruit blijkt ook waarom het werk van Wolvecamp verwondert en wordt bewonderd. De speciale plaats die hij in de kunstwereld inneemt.

    Daar hij hoge eisen aan zichzelf stelde, had hij gerede twijfel aan zijn eigen kunnen. “Het komt van binnen uit en toch gaat het buiten je om.” De schilder zag ertegenop aan een nieuw maagdelijk wit doek te beginnen. Hoe herkenbaar voor de kunstenaar en zijn heilig moeten, zou je zeggen. Wolvecamp schilderde daarom wel oude en door hemzelf afgekeurde werken over. Dan had hij een begin om op verder te gaan. Zo zijn er vele van zijn werken verloren gegaan, maar ook vernietigde hij uit onzekerheid werk; hij trapte dwars door de doeken. Hij experimenteerde met vorm en kleur op verschillende manieren om de realiteit te symboliseren. Versimpelde de werkelijkheid op zijn gevoel in een weloverwogen enkel gebaar, een embleem, een vignet waaraan het zijn te herkennen is. Een gebaar evenwel dat werd herhaald naargelang dat voor de spiegeling van de gedachte noodzakelijk bleek. En die weerslag van het denkbeeld kreeg vorm zonder daaraan een naam te verbinden. De meeste werken van zijn hand bestaan in zichzelf, hebben geen uitleg nodig, zijn ‘compositie’ en ‘zonder titel’. Zo kan de beschouwer onbevangen zien en kijken. “Een goed schilderij hoeft geen gekunstelde titel te hebben. Het moet aanspreken door zijn harmonie en zijn kracht, zijn individualiteit. In feite hoeft de titel helemaal niet. Eerst schilder ik, en dan vind ik de associaties. Als ik er geen vind, noem ik de afbeelding enkel ‘schilderij’ of ‘compositie’. De afbeelding is het belangrijkste.”

    Theo Wolvecamp

    Beeld en gedachte

    In het boek komt de kunstenaar zelf aan het woord. Kan hij zichzelf plaatsen en beelden naast het bestaan van zijn werk. In een tweegesprek wordt summier de biografie van Wolvecamp doorgenomen. Waar hij vandaan komt en wat hem heeft gevormd. Maar vooral hoe hij naar de buitenwereld keek waarin hij zich noodgedwongen zo nu en dan moest bewegen. Door zijn antwoorden op de vragen leert de lezer de kunstenaar kennen en zijn werk begrijpen. Want dit werk heeft niet altijd een gemakkelijke ingang. De materie is psychisch geladen en dat komt niet over wanneer de beschouwer op een andere golflengte zit. Beeld en gedachte dienen op elkaar afgestemd te zijn om de vorm te herkennen.

    “Uitgaande van de materie tracht ik te komen tot een levensexpressie in de vorm van een schilderij dat niet alleen een bouwsel is van kleur en lijnen, maar waarin een spontaan humaan sentiment een overwinning is op de materie en ieder esthetisch begrip”, want wie kan beter de bedoeling uitleggen dan de kunstenaar zelf. Kunsthistorici proberen het in de voortgang van de tijd te plaatsen, maar slaan de plank weleens mis. Verbinden grote woorden en zalvende opmerkingen aan het hoe en waarom. Weten wat de kunstenaar gedacht moet hebben, doorzien zijn beweegredenen. Maar kennen zij de maker van iets uit niets echt? “Mijn werk is het resultaat van een zéér persoonlijk ontstaansproces. Het duurt soms wel negen jaar en tachtig lagen verf voordat een doek klaar is, alvorens ik via de materie het doek een ziel heb gegeven, de mijne.”

    Theo Wolvecamp

    Dierbare vriendschap

    De dierbare vriendschap is liefdevol beschreven. Het is niet vanuit kunsthistorisch perspectief geschreven, maar gezien als vriend, als fan, geïnteresseerd in de mens achter zijn kunst. De tekst in het boek is in opdracht van de samenstellers geschreven, de verzamelaars die een hartelijke band met Wolvecamp hadden. Niet zij schreven echter de onpartijdige teksten; het is een derde die het in perspectief uit monden van vrienden optekent. Dus min of meer als buitenstaander, niet te romantisch, objectief. De uitgave houdt daardoor het midden tussen een biografie en een portret. Het naschrift, ergens verstopt in het slot van het boek, zegt alles:

    “De kunstschilder Theo Wolvecamp overleed op 11 oktober 1992 in Amsterdam. Hij werd 67 jaar oud. Vanaf het eerste uur was hij nauw betrokken bij CoBrA, met o.a. Karel Appel, Constant en Corneille, die in het naoorlogse Parijs als ‘uitgelaten schoolkinderen’, zoals Corneille het noemde, elke schilderkunstige regel aan hun laars lapten. De abstract-expressionist Wolvecamp leefde meer teruggetrokken dan zijn collega’s, schilderde moeizamer en weerbarstiger dan zij, vernietigde ook eigen werk. ‘Je veroorzaakt iets vanuit een vaag idee. Het komt van binnen uit en toch gaat het buiten je om’, zei Wolvecamp in een van de sporadische interviews die hij gaf.”

    Theo Wolvecamp – experimenteel in afzondering. Samenstelling: Gerhard Roetgering en Lex Schrama. Uitgave Van Spijk Art Books, 2025.

    Theo Wolvecamp
  • Jolanda Meulendijks zweeft door haar wereld van kunst

    Gaat een kunstenaar het werk van een collega duiden, dan lijkt het commentaar op een andere golflengte te komen te liggen. Er verschuift iets in de manier waarop dat werk wordt benaderd. Het is alsof de interpretatie zich in een andere dimensie bevindt. De kunstenaar raakt mogelijk een andere snaar, met een andere resonantie dan de drieklanken, tertsen en intervallen van kunsthistorici en recensenten. Niet zozeer hoger of beter, maar anders gestemd.

    Waar het werk vaak wordt geplaatst binnen stijl, ontwikkeling en context, kijkt een kunstenaar vanuit het maken zelf. Alsof hij gevoeliger is, of beschikt over een extra zintuig om door de lagen van zichtbaarheid heen te breken. Dat levert een lezing op waarin minder wordt geordend en verklaard, en meer wordt herkend. In het werk van de ander wordt iets gevoeld dat verwant is aan de eigen praktijk. Niet omdat stijl of techniek overeen hoeven te komen, maar omdat het zoeken, het twijfelen en het nemen van beslissingen voor iedere kunstenaar herkenbaar terrein zijn.

    Die benadering is geen correctie op andere manieren van kijken, maar zet er een andere blik naast. Een perspectief dat ontstaat vanuit ervaring en het werk van binnenuit lijkt te benaderen. Het is een manier van kijken die dichter bij de kern beweegt, juist omdat zij voortkomt uit het proces van het maken. Vanuit die positie lijkt de waarde van het werk soms anders te worden ingeschat, omdat de kunstenaar herkent waar het werk zijn oorsprong heeft.

    Jolanda Meulendijks

    Lichtvoetig los te komen van gewicht

    “Een kunstenaar denkt deels met de handen”, schrijft Olphaert den Otter in het boek dat het werk van Jolanda Meulendijks toont. “De bron van dat handelen is een idee”, vervolgt de schilder, zanger, schrijver en spreker (een multiman). Hij legt het werk van Meulendijks langs een cultureel-filosofische lat en ziet dat het goed is. Dat haar maakproces zich laat opdelen in ‘denken’, ‘doen’ en ‘ding’. “In het ideale geval leidt het zien van een kunstwerk de kunstkijker terug naar die bron.”

    In zijn essay ontleedt Den Otter haar werk. Dat werk laat van niets iets worden. Eerder gebruikte materialen en dragers — bedrukte bladen uit een atlas bijvoorbeeld — krijgen een nieuwe functie in het overbrengen van een verhaal. Maar ook koper, draad, karton, natuursteen en keramiek dragen zichzelf als mededeling. Soms op wezensvreemde plekken, soms karakteristiek aan de wand bevestigd of een ruimte vullend.

    Het verhaal van Jolanda Meulendijks maakt zij door middel van de beeldende kunst kenbaar en brengt het de wereld in. In of door haar werk lijkt zij te zweven, lichtvoetig los te komen van gewicht. Haar werk wordt wel tentoongesteld alsof het op lucht drijft. Alsof zintuiglijke krachten de objecten en installaties losmaken van de zwaartekracht. Lichtheid, het figuurlijk zweven, leidt tot speelsheid. “Het zoeken is naar een evenwicht, tussen het lichte en het zware, tussen het stille en het beweeglijke.”

    Het opmerken van materie die door een ander als niet ter zake doende wordt gezien, werkt bevrijdend. Je hoeft niet krampachtig het penseel vast te houden om details uit te werken of met de kwast het grote gebaar te maken, maar kunt waarnemen dat afwijkend materiaal in de kunst her- en opgewaardeerd wordt. Onooglijk niets kan zichtbaar iets worden.

    Jolanda Meulendijks is in die zin een hergebruiker. In haar kunst recyclen onbruikbare voorwerpen tot kunstzinnige objecten. Zij werkt op gevoel; intuïtief slaat zij aan op vormen omdat zij voortdurend aanstaat om ze op te merken. Laat ik ze achteloos zwerven, zij zet ze op een voetstuk zodat ik er wel acht op moet slaan.

    “Het sublieme tastbaar maken is een paradox”

    “In het werk van Jolanda Meulendijks buitelen verschillende waarden door elkaar.” Daardoor struikelt mijn concentratie soms en leiden details mij af van het geheel. Maar juist die bijzonderheden maken voor mij het werk af. Een glans op koper, een kleurnuance op karton, een knoop in touw. Die finesse vraagt aandacht. Een kleine den op een groen eiland in een installatie fluistert om gezien te worden. Het zijn eigenaardigheden die de blik vangen zonder antwoord te geven op de gestelde vraag.

    De intuïtie van Meulendijks vergelijkt Den Otter met doendenken, of populair gezegd: spiergeheugen. “Je weet wat je moet doen, zonder het te weten.” Laat de rede het dan afweten op het moment dat het kunstwerk zichzelf maakt? Dat de gedachte doet wat eerder is gedaan, zich herinnert te doen? De rede lijkt dan op automatische piloot te gaan en de handeling voert zich als vanzelf uit. In theorie kan dat zo zijn. Maar mij dunkt dat, wanneer inspiratie het voortouw neemt, de kunstenaar bij de les moet blijven om het meest sublieme resultaat te bereiken. “Het sublieme tastbaar maken is een paradox. Het kan niet, maar het moet.”

    Een kunstwerk kan zichzelf niet maken; het heeft geen eigen boodschap die zonder de kunstenaar wordt gemengd. Wel kan de kunstenaar plots het juiste doen, het goede beeld aanbrengen of intuïtief de gepaste woorden vinden. “De kunstenaar handelt in overeenstemming met zijn of haar kern”, stelt Den Otter kijkend naar het werk van Meulendijks en zijn eigen werk voor ogen houdend. “In dat handelen zit geschiedenis, biografie, groei. De beslissingen over je werk zijn eerder genomen, of minstens voorbereid; nú kan je handelen en er ontstaat iets vanzelfsprekends. Iets volgroeids.”

    Maar kunst lijkt mij niet vanzelfsprekend. Wel wanneer het kunstje beheerst wordt en dertien werken in een dozijn verschijnen – variatie op variatie tot in het oneindige. De kunstenaar kan gerijpt zijn, de kunst volwassen geworden. Volgroeid, maar niet uitgegroeid. Zij kan altijd nog boven zichzelf uitstijgen. En dat zie ik gebeuren in het oeuvre van Jolanda Meulendijks. Voortdurend ontsluit zij een nieuw facet van de wereld waarvan ik het bestaan niet kende.

    Geknoopt, geslagen, gekleurd en gevormd

    Den Otter raakt ook daaraan: “(Een wereld) waarin alles er niettemin toe doet. Maar wat niet met het verstand te vatten is.” Het werk ondergaan lijkt meer op herinneren dan op begrijpen. Jawel, niet altijd begrijp ik wat ik zie, maar het herinnert mij aan wat ik eerder zag. Dat handvat maakt het werk niet plaatsbaar, maar wel beter te doorzien. “Ze geeft dingen ten geschenke aan het oog (…). Zo hebben ogenschijnlijk eenvoudige dingen een hoge taak meegekregen.”

    Die opdracht is erin geknoopt, geslagen, gekleurd en gevormd. Zo wordt het werk een middel om mijn nieuwsgierige geest te overtuigen van zijn bestaanswaarde. Het moet er zijn, als het er is. Het is er om het verhaal. De vertelling die de wereld in moet.

    swing. jolanda meulendijks. between everything and all. Tekst Olphaert den Otter. Uitgave Van Spijk Art Books, 2025.

    Jolanda Meulendijks, Van Spijk Art Books
  • Geen enkele dag is hetzelfde in het werk van Riki Mijling

    Het klinkt paradoxaal. Every day is the same. Terwijl Riki Mijling in en door haar werk juist benadrukt dat geen dag hetzelfde is. In het boek over haar werk van de laatste jaren, 2019 tot 2025, zal ik ongetwijfeld de duiding vinden. Curator/schrijver Antoon Melissen en journalist/filosoof Jonathan Janssen buigen zich over de non-figuratie waarin abstracte monochromie de boventoon voert. In het najaar van 2016 trof ik het werk van Mijling aan in Jubbega. Kunstlokaal No. 8 koppelde daar haar vloerobjecten aan het wandwerk van Aimée Terburg onder de titel “Formeel en ferm”.

    Terugkijkend kan ik mezelf citeren: “Vooral de meetkundige objecten van Mijling hebben ruimte nodig om rust te ervaren. In zichzelf gekeerd nemen ze hun plek in. Grote volumes grijpen langs elkaar en gaan de strijd met de ruimte daardoor niet aan. Maar de delen in deze interactieve kunst kunnen van elkaar worden genomen. Ze gaan dan schuiven of laten zich stapelen om de ruimte in positieve zin geweld aan te doen. Zo kan het beeld in iedere gewenste verhouding worden herschapen. Het bruine cortenstaal dwingt om betast te worden, aangeraakt, gestreeld. (…) Maat wordt genomen en afmeting bepaald in open vierkanten die weerkaatsen in een massief blok staal. Het lijken celdelingen, waarbij de ene kubus ontstaat uit en door de andere. Een experiment verder wordt de ruimte tot vlak om met delen te schuiven en openingen te laten kieren, als een spatie tussen woorden. Een ruimte om op adem te komen.”

    Mathematisch uitgangspunt

    De stalen, metalen en cortenstalen objecten van Riki Mijling lijken eender van vorm te zijn, maar hebben ieder een eigen uitstraling. Geen enkel is hetzelfde, geen twee zijn er gelijk. Niets is wat het lijkt. Daarom die schijnbare tegenstelling in titel en object. Hoewel deze vormen machinaal ogen, dragen ze sporen van handmatige makelij. De verschijning is eender, langs de meetlat gelegd en waterpas gemaakt, maar de gevlamde structuur van de egale huid geeft ieder voorwerp een eigen signatuur. Mijling stoeit met het vierkant en de rechthoek. Op het eerste gezicht geeft dit mathematisch uitgangspunt de vormen een gelijkmatige aard. Maar bij nader inzien geeft de bewerking van het pantser, dat de inhoud bij wijze van spreken veilig stelt, het ding een persoonlijk karakter.

    Wanneer dan de multiples zich tot elkaar gaan verhouden, de volumes zich stapelen tot een nieuw object, tezamen tot een andere vorm, en de wandobjecten in een tegengesteld tableau worden gehangen, dan is geen dag hetzelfde. Iedere dag kan er een andere samenhang worden gemaakt. De opstelling kan worden gewijzigd. Dat is mogelijk in de ruimte waarbinnen het driedimensionale zich afspeelt. Waar een spel met verhoudingen gespeeld kan worden. Dat kan de kunstenaar doen, maar ook de eigenaar van het samengestelde object en zelfs de toeschouwer kan zich erin mengen. Maar is het een vlak werk en beweegt het zich in de tweede dimensie, dan ligt het figuur vast.

    Een metafoor voor de dag

    De objecten zijn weloverwogen samengesteld. De delen verhouden zich correct tot elkaar. Door de samenstelling te wijzigen ontstaan nieuwe verhoudingen. Dat ordenen en schikken doet de kunstenaar eenmalig, daarna kan de kijker of de eigenaar naar believen schuiven en herschikken. Zo is het object een metafoor voor de dag. Hoewel iedere dag met de handelingen en bezigheden daarin routineus op de vorige en de volgende lijkt, is er toch altijd een verschil te ontdekken. Die diversiteit zit niet in de eerste blik; door oppervlakkig te kijken lijkt iedere vorm op de andere – every day is the same. Maar door beter te kijken, strenger op te letten, ontdek ik minieme verschillen in uitvoering. Het raamwerk van de dag, van het jaar, van de tijd, kent weinig verschillen, nauwelijks diversiteit. Maar in detail is variatie te ontdekken. Dat is de kern van het werk van Riki Mijling. Op het oog geen verschil, de vorm herhaalt zich. Op details verandert iedere eenheid in herhaling.

    Mijling heeft haar eigen blokkendoos geconstrueerd. Met de bouwstenen is naar wens te stoeien. Met de geometrische abstractie kunnen figuren worden gecomponeerd. De objecten schijnen statisch, echter door te reorganiseren komt er beweging. Niet op het moment, maar in de tijd. Gezien de veranderlijke aard van haar modulaire werken — de vrijheid om deze te herschikken en te wijzigen — voltooi ik bij wijze van spreken de laatste fase van haar schepping. Ben ik tot medewerker geworden in plaats van dat ik een onafhankelijke waarnemer ben, vindt Antoon Melissen. “Haar werk is verlost van versiering en verhaal. De vorm is eerder ingetogen en fijngevoelig dan indrukwekkend”, schrijft hij. Het wil minimaal aanwezig zijn met een warme uitstraling. Het verwerkte staal is koel en schijnt emotieloos, maar door de patina wordt het warm en lijkt het kwetsbaar. Geometrische abstractie, ofwel minimal art, neemt afstand van het persoonlijke, sluit emotie en lichamelijkheid uit. Juist dat individuele element is voor Mijling een belangrijke bron; daar bij die bron begint haar werk. Haar werken getuigen van een diepe innerlijke betrokkenheid bij vorm, ruimte en materie. Ze zoekt de leegte om deze te bewerken, de ruimte om deze te vullen. Het maakproces zelf daarbij is essentieel, niet het resultaat ervan. De werken hebben geen origineel, geen voorgeschreven uitkomst, geen onveranderlijk eindproduct. De objecten kunnen voortdurend wijzigen en binnen de compositie andere relaties tot elkaar leggen.

    Hoewel ons leven een stabiel stramien schijnt te volgen, dag in dag uit, herinneren Mijlings veranderlijke werken ons eraan dat herhaling een illusie is. Wat er gebeurt, herhaalt zich nooit helemaal op dezelfde manier, lees ik in de uitgave. Mijlings werk ademt de ruimte tussen erkenning en verwachting. “Het werk vereist concentratie, een andere manier van kijken: niet naar wat er is, maar naar wat is veranderd. (…) Wie de tijd neemt, zal zien dat wat eerst verscheen als uniform, zich als veelvoudig openbaart. De verschillen en nuances ontstaan door de geraffineerde verschillen binnen die herhaling.

    Herhaling is de basis van ons leven

    Jonathan Janssen is van mening dat wij mensen herhaling associëren met routine, monotonie en verveling. Dat zal zo zijn wanneer je in een patroon zit dat je niet leuk vindt. “Maar herhaling kan ook spannend zijn en innovatief.” Janssen haalt hierbij als voorbeeld de Griekse mythe over het figuur Sisyphus aan. Het leven lijkt soms zinloos of herhalend, maar de mens kan toch betekenis vinden door het werk te accepteren en door te gaan. “Herhaling is de basis van onze levens. Iedere dag doen we dezelfde dingen, lijkt het wel, dag na dag. Maar geen twee dagen zijn hetzelfde. Herhaling veronderstelt verandering. Want wanneer niets verandert, kan niets zich herhalen — alles blijft bij hetzelfde. Tegelijk scherpt herhaling onze zintuigen aan voor wat er verandert.” Met deze wetenschap, deze denkwijze, kijk ik op een andere manier naar de werken van Riki Mijling en zie dat niets hetzelfde is. Dat haar modellen dynamische tekeningen zijn, schetsen die een metafoor zijn voor en van het leven.

    Riki Mijling. Every Day is the Same. Teksten Antoon Melissen en Jonathan Janssen. Uitgave Van Spijk Art Books, 2025.

  • Kleurenwaaier Ine Vermee telt enkel witten

    Vraag ik in de verfwinkel naar de kleur wit, dan blijken daar een legio nuances in te bestaan. Een zuiver wit zou niet bestaan, hoewel het wereldwijd toepasbare kleurcoderingssysteem RAL het nummer 9010 als zodanig aanduidt. De uniforme kleuridentificatie garandeert universeel dezelfde kleur bij verf. Maar er is dan nog 9001, 9003 en 9016: crèmewit, signaalwit en verkeerswit. Er bestaat geen ‘mooier’ wit, want smaak is persoonlijk. Het zuiver wit is helderder en frisser, ideaal voor een moderne uitstraling, terwijl crèmewit warmer en klassieker aandoet door de gelige/beige ondertoon.

    witten, kleurenwaaier, Sikkens

    Voor de wanden van Museum Belvédère gebruikten wij, in mijn tijd als collectiebeheerder en daarvoor, 9010 als standaard. Op dat wit komt de kunst uitstekend uit, dachten we. Nu wordt vaak gekozen voor 9001, omdat deze vriendelijker oogt, en zelfs wordt gebruikgemaakt van diverse kleuren. Wit is een kleur van licht: de kunst licht op, de kleuren worden intenser en details beter zichtbaar. Een kleur uit het spectrum kan het gevoel en de nadruk van het kunstwerk veranderen.

    Is het schilderij wit, effen en zonder figuratie, dan stelt het letterlijk niets voor. Maar net zoals wit alle kleuren samenvoegt (in verf al het licht reflecteert), combineert het niets van het schilderij alle figuraties. Het drukt emoties en nuances uit, het geeft een positief dan wel negatief gevoel. Wit is, net als de egale kleuren rood, blauw en geel, door de nul-groep omarmd. Ook zwart en goud zijn voor het herbegin in de kunst geliefde tinten.

    Ine Vermee, witten, monchromie

    In ZERO is wit niet zomaar een kleur

    Monochroom gebruikt, met accenten in structuur en verfbehandeling, wensten de ZERO-kunstenaars een ‘nieuw begin’ in de kunst te creëren: bij nul beginnen als reactie op de chaos en vernietiging van de Tweede Wereldoorlog. Het wilde zich losmaken van emotionele, figuratieve kunst uit het verleden. Zich focussen op licht, ruimte, beweging, materie en herhaling. Kunst laten ervaren in plaats van vertellen. Kunst resetten en zuiveren van oude conventies, met nadruk op essentie en perceptie.

    In ZERO is wit niet zomaar een kleur; het is een middel om kunst te zuiveren, licht en ruimte voelbaar te maken en de kijker een directe ervaring te laten hebben zonder afleiding van vorm of verhaal. Ine Vermee volgt dat pad, treedt in de voetsporen van Otto Piene, Leo Erb en Piero Manzoni, maar raakt vooral geïnspireerd door Jan Schoonhoven. Wit is niet leeg, maar actief: het reflecteert licht, benadrukt ruimte en maakt het werk perceptueel dynamisch.

    Vermee laat naast het licht de tijd het werk doen. Wit verandert namelijk van intensiteit, verschiet van kleur, door een andere lichtval en het verloop van de tijd. In het werk Tijd als kleur uit 2024 registreert de kunstenaar het veranderende licht op de hele uren van middernacht tot middernacht – het resulteert in een 25-delig kunstwerk. “Het toont ons hoe wit zich gedurende een etmaal onttrekt aan zijn neutraliteit – of hoe die neutraliteit slechts een illusie is”, schrijft Antoon Melissen in de tekst van de uitgave Light Space Time. Het boek belicht Vermees onderzoek naar de beeldende potentie van licht en wit. De publicatie maakt haar oeuvre van de afgelopen twintig jaar toegankelijk en plaatst het in een bredere kunsthistorische traditie.

    Ine Vermee, witten, monchromie

    Wit is niet enkel RAL 9010

    Op diverse manieren kan wit worden ervaren. In witten speelt Ine Vermee met ruimte en tijd, licht en emotie. Op diverse materialen experimenteert ze met deze ‘non-kleur’, terwijl de observatie van wit in al haar vormen startte met zwart. Enkele van deze werken in die tint toont het boek, enigszins krampachtig nog, op zoek naar een juiste vorm. De ontspanning is echter af te lezen in de witte monochrome werken. Daarin zit het plezier om de wereld te laten zien dat het nulpunt als begin een legio aan ijkpunten heeft.

    Wit is niet enkel RAL 9010. Al zou het dat wel zijn, dan verkleurt het in de tijd, op diverse dragers en door verschillende materialen. Door panelen langs elkaar te laten schuiven, werpen schaduwen een ander licht. Steeds is het vlak glad en kan de omgeving zich erin spiegelen. Ook mengen beige en grijs zich. Wat flauw denkend aan vijftig tinten grijs, hoewel het hier meer dan dertig tinten wit betreft.

    En dan treedt structuur binnen het vlak, als rimpels in door wind opgewaaid zand. Het geeft een vernieuwde kijk op het thema. Het wit verhoudt zich anders tot zichzelf. Het is een volgend experiment dat door Vermee ongebruikte handelingen inluidt. Een zijweg om in te slaan, zoals de Franse ZERO-kunstenaar Bernard Aubertin structuur bracht in zijn monochrome werken voordat hij aan de slag ging met spijkers, lucifers en vuur. Zal het voor Ine Vermee ook een voorbode zijn van een andere bewerking van de materie? Slechts één werk is daarvan in het boek opgenomen, daterend uit 2025, dus voor dit moment is dat onzeker. Het brengt enig rumoer in de stilte. Een afleiding in de waarneming.

    Ine Vermee, witten, monchromie

    Dit is de kunst ten voeten uit

    Zelf zegt Vermee daarover: “Je probeert iets te maken dat ertoe doet. En heel af en toe heb je iets te pakken waar je echt enthousiast van wordt.” Het is een minimale non-figuratie met een maximale beleving.

    “Haar wit is een fluïde veld waarin tijd zich aftekent, ruimte ademt en de toeschouwer zich bewust wordt van zijn eigen aanwezigheid”, besluit Antoon Melissen zijn relaas. “Inderdaad: er is geen noodzaak iets te zeggen, het is voldoende te bestaan.” Staand voor het werk van Ine Vermee valt een beschouwende blik stil, omdat de composities zwijgzaam zijn. Ze manen tot inkeer, contemplatie. Het schijnbare niets reflecteert het totale iets.

    Dit is de kunst ten voeten uit: het doet een beroep op de emotie, het daagt de kijker uit zelf een persoonlijke invulling te geven aan wat hij of zij ziet. Dit is kunst zoals het zou moeten zijn: geen recreatief gebeuren, maar een interactieve bezigheid. Geen decoratie, maar een essentieel beeld. Het vergt noodzakelijke concentratie; je loopt er niet zomaar aan voorbij om het af te doen als “onmogelijk dat dit kunst is”. Juist door de spaarzame inzet van beeldende middelen ontstaat een rijke schakering aan nuances en tonaliteiten – een spanningsveld dat bijzonder aanspreekt.

    Light Space Time. Ine Vermee. Tekst Antoon Melissen. Uitgave Van Spijk Art Books, 2025.

    Ine Vermee, witten, monchromie
  • De wolk, het meest schilderkundig deel van het landschap

    Hoe vang je het licht. Het is vluchtig als vuur. Sluit je het op, is het weg. Zonder licht is niets zichtbaar. In het duister zie je geen hand voor ogen. Maar kijkend in het licht moet je de hand voor ogen houden. Want zon is licht. Zonder zon verdwijnen kleuren, vervagen vormen, komt de dag tot rust in de nacht. Dat licht vang je met de ogen, maar je kunt het niet opslaan en bewaren voor het duister. Want licht is niets, door er te zijn maakt het iets. Kunstenaars vangen licht in hun werk, bewaren het in verf op doek. Want zonder licht te schilderen staat er niets op de drager. De compositie wordt zichtbaar wanneer het licht als onderdeel van de uiting is gebruikt.

    Maar hebben ze dan het licht gevangen? Zit het licht gevangen in verf, opgesloten in het beeld? Het licht is de abstracte inbreng waar de kleur een realistische toevoeging is. Want licht kun je niet vangen en vasthouden. Het schilderij suggereert dat wel, maar dat is schijn. Het schilderij is een illusie. Het kopieert de werkelijkheid maar is dat niet. Het is een moment, die ene seconde kan even later uitgeteld zijn. Dan is het voorbij en is de echtheid afgedaan. De tijd is net als het licht niet te vangen, al helemaal niet te verzamelen. De illusie zet de tijd stil. De film hapert, de waarheid breekt. Toch zet de kunstenaar zich ertoe dat moment in het licht te vatten. De werkelijkheid na te bootsen. Het is onbegonnen werk. Het zal er op lijken maar het nooit zijn. Het realistische wezen kan enkel in een abstract zijn worden verbeeldt. Een afgietsel van wat is.

    Sketches of Spring 4

    Hoog Sammie kijk omhoog

    Terug naar het licht, want daar staat of valt de tastbare zichtbaarheid mee. Het licht is op welke andere plek dan waar de schilder is anders. Iedere plaats heeft een eigen licht. Elke dag en ieder seizoen draagt een individueel licht, het personifieert zich in dat perspectief. Om dat licht juist te vatten kun je eigenlijk enkel maar een abstracte omgeving componeren. Het landschap, in stad dan land of langs dorp en meer, is derhave te gewoon om speciaal te zijn. Het waarlijke licht bevindt zich boven ooghoogte, met de neus in de lucht. Hoog Sammie kijk omhoog.

    De wolken, die vangen het licht. Zoals wolkenveldschilder Sebastiaan Spit dat in een gesprek met Werner van den Belt verwoordt: “Ik vind de wolk het meest schilderkundig deel van het landschap want ze verandert iedere keer.” En daar is niet alles mee gezegd, hij gaat daarop verder met zijn waarheid: “Amorf, abstract, ze reflecteert licht, het zijn alleen maar waterdruppeltjes. Ze kan oplossen. Ze is helemaal niets. Dat vind ik heel interessant, ze is alleen maar een reflectie van licht.” En de meest belangrijke conclusie als een motto: “Dan hebben we het over schilderkunst, dat is schilderen.” Schilderen is niets, het wordt iets door de reflectie van licht. Het pigment in de verf heeft een bepaalde waarde waardoor het licht opneemt en teruggeeft, de hoeveelheid opname en afgifte bepaald de tint, de gradatie van kleur. Zo is licht belangrijk om het kunstwerk te beschouwen.

    Meijendel Beach 2

    Schetsen om te scherpen

    De kunsthistoricus Van den Belt heeft het erover met de kunstenaar Spit. Waar en hoe hij inspiratie opdoet voor zijn sferisch abstracte schilderijen. Zijn manier om geïnspireerd te raken zijn de wandelingen door duingebied Meijendel, dan is de wolkenlucht zijn raadgever. Deze formaties, cumulus en stratus, zijn voortdurend in beweging en kunnen nauwelijks realistisch gevat worden. “Het is verf op doek dat zo georganiseerd is dat we daar een wolk in willen herkennen.” Maar het gaat Spit niet om de herkenbaarheid, veeleer om het gevoel bij de plek die niet plaats bepalend is.

    Op pad neemt hij een schetsboek mee om de emotie te tekenen, maar deze is geen directe aanleiding om daar een schilderij van te maken. “Schetsen is voor mij een manier om mijzelf te scherpen. (…) Ik heb structuur uit de natuur nodig om mijn schilderijen te maken.” Daarom maakt Spit foto’s in zwartwit om structuren te herkennen en gebruiken. Want een foto is niet wat je gezien hebt, vindt hij, je gebruikt deze als een soort referentiekader. Daarmee is de structuur van de afbeelding voorzichtig op te zetten, daarna laat hij deze gaan om losser te werken. Maar die letterlijke structuur dient eerst duidelijk te zijn, van daaruit raakt in figuurlijke zin de realiteit uit beeld. Maar foto’s van wolken maakt hij niet meer, want hij schildert geen wolken. Hij doet in lichtvlekken, licht en donker, en gebruikt de structuur van de omgeving.

    Dutch De-light 1

    Geen gedetailleerde weergave

    De poëzie vormt zich nadat de ordening van vlak en kleur klaar is. “De nuchterheid verplaatst steeds verder naar de achtergrond. De verwondering komt steeds eerder.” Daaruit kan iets onverwachts ontstaan, dat hem raakt en mij later ontroert wanneer het werk getoond wordt. Hoewel Spit specifieke plekken bezoekt die hem inspireren, koppelt hij zijn werk niet zichtbaar aan een bepaalde plek. Indrukken die hij onderweg opdoet kunnen in een enkel werk in elkaar overlopen. Spit geeft niet weer, hij laat de gesteldheid van het licht doorschemeren. Hij verwondert zich over dit verschillende licht, dat iedere keer weer een ander gevoel oproept. Het licht aan en over zee heeft al menig schilder geïnspireerd. Nog voor het impressionisme als stijl is uitgevonden schilderde men de wolkenlucht al op een impressionistische manier door een indruk van het moment te maken met de nadruk op licht en kleur. Geen gedetailleerde weergave veeleer de emotie bij de plek. De wolken werden schilderachtig geanalyseerd, maar het bleven wolken hoewel het gevoel er al wel in doordrong. Spit trekt dat door. In zijn werk is het licht te herkennen echter zijn de wolken in een losjes gehanteerde structuur niet te bepalen. De titels van de werken geven de hint ernaar verder te zoeken en staan een objectief beleven daardoor in de weg.

    Spit laat zich leiden door de luchten van de Haagse School, deze zijn het meest puur Nederlands. De kleuren die hij gebruikt staan in nauw contact met die van schilders als Schelfhout, Roelofs en Mesdag. Schilders die net als Spit geëmotioneerd raakten door het licht dat over zee aan land komt. In een versimpelde uitvoering geeft Spit de wolken weer zoals hij ze ziet in plaats van dat hij deze bedenkt. Het is overigens niet de zichtbare werkelijkheid maar de ontroering die hij een beeld geeft, dat wat hem treft maakt hij tastbaar.

    Winter Light at the Beach of The Hague 4

    “Licht is niet te grijpen. (…) Wolken als handvat om meer grip te krijgen op licht.” De wolkenluchten van Sebastiaan Spit zijn poëtisch abstract. Een losse structuur houdt kleuren vast, omdat wolken ook een schat aan tinten met zich dragen. In zijn werk kun je niet meteen wolken herkennen, omdat het schilderij emotie uitdrukt. En emotie moet je aanvoelen zonder te begrijpen wat je ziet. Kijk ik langer en dring ik dieper het werk in, schuif ik fysiek figuurlijk druipers en vegen aan de kant om mentaal mijn geest te laven aan de kleurige vlakken.

    Een doek vol kleur

    Zoals de jazz van Miles Davis Spit grijpt en meeneemt naar de gemoedstoestand waarheen hij wil, raak ik in de flow bij het beschouwen van zijn werk dat in druk een slap aftreksel is van de werkelijke schilderijen. Deze zal ik moeten zien in een tentoonstelling of expositie, om het driedimensionale van de structuur met de ogen te betasten en de geur van olieverf op doek op te snuiven. Want het ligt er dik bovenop en ruikt naar meer. Terug naar Davis die in zijn muziek allerlei stijlen mengt, zoals Spit dat in zijn schilderijen doet. Funk, jazz en soul; Haagse School, De Stijl en abstract expressionisme. Een muur van geluid, een doek vol kleur. Spit vindt zelf dat hij in een traditie staat, die van de Nederlandse schilderkunst in het schilderen van wolken, het licht.

    In de uitgave “Het mysterie van Hollands Licht” wordt dat licht niet opgehelderd. Gelukkig blijft het een geheimzinnig raadsel, een verborgen feit dat het zo inspirerend kan werken. Dat het zo plattelands anders is als op de velden van Engeland, in de heuvels van Frankrijk en onder de hooggebergten van Noorwegen. En dat de wolkenpartijen in die hoge luchten herinneringen oproepen aan een schilder als Van Ruisdael, maar ook aan de penseelvoering van Turner en Constable. De lyrische schilderijen van Spit reflecteren die traditie, het gebruik van verf om een gemoedstoestand uit te drukken. De tinten in dit Hollandse licht is dermate sentimenteel dat daarmee ontroerende composities gemaakt kunnen worden. De wolkenlucht noopt abstract te werken.

    Clouds over Amsterdam

    Wie serieus de klassieke wolkenluchten beschouwt zal opmerken dat deze versimpeld zijn weergegeven, een abstract beeld geven in een verder realistische vormgeving. Vooral wanneer de werkelijke vorm wordt losgelaten en een bedachte indruk krijgen. Spit bedenkt dat niet, zijn stijl geeft hem ruimte om te experimenteren en improviseren. Hij stelt zo variaties op een thema vast, een serie met eenzelfde uitgangspunt. Het benadert de sfeer van dat Hollands licht, vooral boven strand en duinen terwijl het boven bos en heide weer een andere uitval heeft. Maar Spit neemt dat wat naast de deur is, in het zicht onder handbereik. En misschien is dat daar op die plek ook wel het meest pure Hollandse licht. Is hij een onvervalst schilder van Nederlandse luchten. De uitgave toont daarvan legio voorbeelden die feitelijk Spitse werelden zijn. Het gevoel van en de gedachte bij het kijken naar de lucht beeld geven, meer dan dat deze kopieën zijn van de werkelijkheid. En zo dien ik de schilderijen tegemoet te treden, met een ‘open mind’.

    Het mysterie van Hollands Licht. Sebastiaan Spit, schilderijen. Tekst Werner van den Belt. Uitgave Van Spijk Art Books / Galerie Mia Joosten, 2025.

    Sketches of Spring 1

  • De stilte proeven, de emotie smaken

    Bladerend door het boek proef ik de stilte. Ontdek ik de ontbladerde leegte die vol lijkt van ervaring en inspiratie. Het is de magie van de kunstenaar om het niets van de omgeving het iets van mijn emotie te maken. Door licht in het duister te laten schijnen heldert het zware gemoed op. In de stoffelijke gelaagdheid van het werk ligt een mentale verdieping. In zijn schilderijen probeert Rob Regeer de ongrijpbare, serene magie van het landschap vast te houden. De stille kracht van de natuur met mij te delen. Bladzij na bladzij overkomt mij eenzelfde gevoel als dat ik had bij het beschouwen van zijn tentoonstelling in Heerenveen. In de museum galerie betrad ik toentertijd een mysterieus bos, een magisch woud. “Maar is het wel een boomgaard dat ik zie, een veld met oprijzend gewas”, vroeg ik mij destijds af. “Ik kijk in de donkerte van de duisternis, de nachtelijke uren waarin de betovering van het onzichtbare op een hoogtepunt is. Want er is niets te zien achter de stakerige boomstammen, zo zolang het niet wordt aangelicht. Zo zolang er geen lichtpunt is die de omgeving waarneembaar maakt.”

    De stilte proeven is het spektakel smaken

    In het boek “Walk with me” merk ik dezelfde composities op, bekijk ik de zaalfoto’s van de in april 2024 bezochte kunstruimte. Maar er is meer in de uitgave te vinden wanneer ik in gedachten wandel met Regeer en me over zijn schouder kijkend verwonder over de bossen en de bergen, het water en de weide. De stilte is dramatisch aanwezig tussen de verflijnen, het ligt als een deken over de sfeer en als een gordijn voor de compositie. Dat zwijgen van de structuur weerhoudt een objectief kijken, sluit mijn gevoel buiten. Die vredigheid moet me wel overkomen, het werk legt me dat op wanneer ik er oog voor heb. Maar dat schijnbaar onverstoorde karakter is zo breekbaar als één nacht ijs. Het lijkt een stilte voor de storm, een natuurlijke kalmte waarachter een menselijk rumoer schuilt. De stilte proeven is het spektakel smaken. Het is een vreedzaam moment in de tijd, waarvoor het heibel was en waarna de hel losbarst. Welhaast een hof van eden waar geen geween is en geen tandengeknars, maar de hel op aarde is de ergste duisternis. En daarvoor sluit Regeer zijn ogen niet, hij probeert in gedachten de surrealistische schoonheid binnen te halen in de gedachteloze willekeur de aarde naar ’s mensen hand te zetten.

    De uitspraak van Marcel Proust voor in het boek, nog voor de werken mij onder ogen komen, zegt veel over hoe Rob Regeer de bezochte omgeving ervaart: “The real voyage of discovery consist not in seeing new sights, but in looking with new eyes”. De kunstenaar vult dat zelf aan: “ik kijk en ik zoek naar hoe ik de wereld zoals ik die zie kan tonen”. Regeer geeft mij die nieuwe ogen, zet mij een andere bril op de neus, zodat ik geen nieuwe omgeving ontdek maar er met andere ogen naar kijk en het met een ander gevoel ervaar zodat het een nieuw karakter lijkt te hebben: “de natuur is er altijd, het bos, de bomen, of wat daarvoor kan doorgaan. geen bladeren, geen realisme, alleen vormen”. Kijk ik naar de composities denk ik wel een werkelijkheid te zien, echter is het geen realistische echtheid. Het zouden bomen kunnen zijn, het kunnen bergen zijn, het is een boomhut omdat het die vorm heeft. Mogelijk, het is echter de inbeelding, de verbeelding, waarmee de kunstenaar speelt om zijn verhaal te schrijven. Waarmee hij volgens kunstjournalist Mark van der Voort een schaduwwereld ontvouwt. “Hier vechten licht en duisternis hun eeuwige strijd uit. (…) Rob Regeer schildert filmische beelden die op je netvlies blijven branden.”

    De ijle lucht beklemt de sfeer

    De kunstenaar verleidt de kijker in eerste instantie met schoonheid. “Maar het werk is ook een spiegel voor degene die ervoor staat”, vindt hijzelf. “Het is een droomwereld die zich iedereen kan toe-eigenen, maar wel een wereld die prikkelt en vragen oproept.” Rob Regeer maakt niet zomaar ondefinieerbare platen van de realiteit. De kunstenaar wil mijn verbeelding prikkelen door ongerijmde voorstellingen te maken. Mij op een verkeerd been zetten zodat ik ga nadenken over wat ik zie. Mij ga bezinnen op de actualiteit. Hij trekt mij zijn magische wereld in. Daar ervaar ik de schoonheid die niet schijnt te kloppen. De verbeelding krijgt er de ruimte zich te uiten. Het werk ontroert op een onbestemde manier. Het past esthetisch juist, maar achter die luister klinkt een duister geluid. Het gebeelde mysterie is onheilspellend.

    Het Regeerbos lijkt doods transparant, de boomstammen laten licht door of weerkaatsen het. De takken zijn kaal, er is geen blad te bekennen. Het zijn staketten, pilaren in een ecologische kathedraal. De bladen komen later in een ander thema op de proppen, daar dwarrelen kroonbladeren door en voor kreupelhout. Dan wanneer Regeer het licht laat zijn komt er leven in de brouwerij, gaat er een onheilspellend wezen vanuit het zijn. De kunstenaar speelt met het licht in de atmosferische ambiance. Door dat schijnsel ontstaat een beklemmende sfeer, een unheimische stemming. Het meer tussen de bergen kent vele variaties blauwen die de rotsformaties in tegenlicht zwart doen helderen. Het doet me veronderstellen dat er meer moet zijn achter die flanken over het water. Ik zou daar willen wandelen om over de rand te kijken in een iets dat vermoedelijk niets blijkt te zijn. Zo zoals het seriematig silhouet van een berghut, waar het licht – is het de zon – in wisselende weersomstandigheden vanachter schijnt. De ijle lucht beklemt de sfeer, bedwelmd het zicht. In dergelijke series experimenteert Regeer met het beeld, daagt het licht uit en zoekt de waarde van de kleur.

    Het licht is een belangrijke metgezel

    De hutten verraden een teken van leven in de verlaten bossen. Er schijnt licht door de ramen. Wat gebeurt daarbinnen, wordt er teruggekeken wanneer ik tussen de stammen dwaal en gluur. Mijn ogen de kost geef, mijn blik voed. En dan stuit ik op talloze lichtpunten die door de schepper tussen de stammen zijn gestrooid. Die oplichtende punten lijken vuurvliegjes, die het licht van de dag aten om het uit te spuwen in de nacht. Het daglicht klinkt zo door in de nachtelijke duisternis. Echter blijken het bij nader inzien en betere beschouwing geen puntjes te zijn, maar putjes in de compositie. “Wie het werk tot op armlengte nadert”, schreef ik bij de tentoonstelling, “ontdekt dat de schildering eigenlijk een reliëf is. De materie ligt dik op het doek. De stammen verheffen zich waarin de putjes verf zich verlagen. De vuurvliegjes blijken kleine klankschalen. Het licht echoot zo geluidloos door het bomenbos.” Maar dat driedimensionale karakter wordt in het boek niet opgemerkt, daarvoor moet het werk live bezocht en bekeken worden.

    Met Regeer bestijg ik toppen en daal af naar bergweiden. Ik loop met hem op stap voor stap, wandel in zijn landschap dat warm oplicht in een waterkoude rilling. Het licht is een belangrijke metgezel, het wijst als een gids de weg. Hoewel de schilderijen vol van abstract leven zijn, is er geen beweging te bekennen. Aan het slot van het boek nodigt Rob Regeer mij daadwerkelijk uit met hem op pad te gaan. Ik bestudeer zijn reisfoto’s, herinneringen van onderweg. De wandelingen vastgelegd als inspiratie voor in het atelier. En dan bemerk ik dat Regeer deze beelden heeft bevroren door zijn composities. Het zijn dat hij meenam is thuis verstild in gestileerde landschappen. Het is de beweging ontnomen om een dynamische sfeer op te wekken waarin de stilte kan worden geproefd, de emotie gesmaakt.

    Walk With Me. Rob Regeer, schilderijen. Tekst Mark van der Voort, Maarten Moll, Rob Regeer. Uitgave Jan van Hoof Galerie & Van Spijk Art Books, 2025.

  • Ongeloof opzijzetten en overgeven aan de waarheidsfictie

    Het is dat ik de wekker slaapdronken uit de tijd sla en daardoor half uit mijn nachtrust kom, nog niet helemaal wakker, dan wel fris en fruitig ben. Op de grens verkeer tussen droom en werkelijkheid en dat het paspoort vrijwel verlopen is. De douane houdt me tegen, doorzoekt mijn weten, maar stuurt me niet rechtsomkeert. Ik mag terug naar het vaderland – mijn realiteit. Dat de deur op meer dan een kier staat maar nog niet open is, dat de hefboom halverwege het opwaarts bewegen stokt. Ik krijg wel een beeld, maar dat is half af. De werkelijkheid is wazig, nog. Het is een niemandsland, van echt en onecht te onderscheiden.

    Voordat ik me in de ogen wrijf, de slaap afleg om opgewekt uit bed te stappen, word ik beelden gewaar in figuraties zoals Aaron van Erp op papier en doek placht te zetten. Hij schept mij een wereld tussen droom en werkelijkheid, die schemerig is en nooit volmaakt. Meestal is het in zijn gedachten een nachtmerrie waaruit ik ontwaak. Of in elk geval een niet te definiëren ervaring. Geen schone schijn. Geen natte droom. Maar een illusie als metafoor van de werkelijkheid. Geen bedrog derhalve, want de schepping van Van Erp stijgt uit boven de waarheid. Is nog heftiger dan de werkelijkheid en streeft de waarheid voorbij.

    En ik zit beduusd op de rand van mijn bed. De gedroomde beelden schieten door mijn hoofd en langs mijn blik. Omdat ik me in het schemergebied van in slaap zijn en wakker geworden bevind, is de figuratie incompleet maar grotesk volkomen. Tegen een abstract decor van verschoten kleuren spelen zich surrealistische situaties af. Suggestief, waarbij ik denk te weten wat ik zie maar op een verkeerd been ben gezet.

    Verweesde sinistere werelden

    In de schilderijen en tekeningen ontvouwt zich een waar slagveld. Is het schilderij nog weleens bevallig van toon, de tekening is genadeloos scherp en meest zwartgallig. Daar spat het bloed figuurlijk en hangt het vlees letterlijk. Droom ik nog even door of is de werkelijkheid echt zo ongenadig niet van deze wereld. Vol ongeloof schuif ik de dag nog even voor me uit. Wil ik de morgenstond nog geen goud in de mond leggen. Liever soezel ik door, nog even met de ogen gesloten. Maar daar doemen dan voor mijn netvlies weer de onprettige types die voornamelijk onaangename interacties met elkaar aangaan op. De beeltenissen van Aaron van Erp zitten in mijn hoofd en dreunen door, zoals een vervelend lied blijft rondzingen heb je het eenmaal gehoord. Zijn figuraties, nauwelijks definieerbare ietsen in onheilspellende handelingen, grijpen mij bij de kladden wanneer ik de uitgave “Suspension of Disbelief” heb door gebladerd. Aaron van Erp doet mij geloven in de waarheid van zijn werk, door mijn ongeloof in zijn manier van tekenen en schilderen opzij te zetten om in de context van de bizarre tonelen te doen geloven.

    De verweesde sinistere werelden waar een stille dreiging rondwaart laten mijn zicht niet los heb ik eenmaal inzicht gekregen. De rauwe waarheid is onverpakt, de realiteit niet mooier gemaakt dan dat deze is. Geen zoete droom, maar een zoute nachtmerrie. Zoals in de nacht de plek en de situatie waarin de handeling zich afspeelt onbekend blijft, althans niet grijpbaar wanneer uit de slaap gewekt: het is maar amper na te vertellen, enkel in de fantasie lijkt het verzonnen. Zo is de geschilderde omgeving even ongrijpbaar en abstract. Het zal een landschap zijn, want vaak is er wel iets van een horizon. Het zal een huiskamer zijn, want vaak is er wel een plint en hangt iets van een tekening aan de muur en staat er een tafel. Het is niet meer of minder een decor, de actie bepaalt iets van een verhaal.

    Van Erp maakt schilderijen waarin hij nog weleens correcties kan doorvoeren, een figuratie die bij nader inzien niet past wegvegen maar het wezen toch laten. Zo zodat de kijker de geschiedenis van het werk voor ogen houdt. In tekeningen kan Van Erp niet op zijn schreden terugkeren. “Tekenen is veel directer”, zegt hij daarover. “De strijd is eerder gestreden en het komt veel sneller op een punt dat er geen weg terug meer is. (…) Je accepteert wat je hebt, of je verscheurt de boel.” Daarom schrik ik bij de tekeningen wakker, terwijl de schilderijen mij nog even laten dagdromen. De schilderijen schijnen kunstzinnige fantasieën, terwijl de tekeningen vertellen waar het op staat; de gewelddadige waarheid.

    Wat wij niet willen zien

    Het werk van Aaron van Erp past een schoonheidsideaal niet, ze beantwoorden niet aan het principe van de esthetica, het zal derhalve niet in de huiskamer boven de bank hangen. Het werk is afstotend en in meerdere gevallen zelfs afstotelijk, omdat het ons een spiegel voorhoudt. Ons fundamenteel gebrek en ons onherstelbaar tekort spiegelt in zijn schilderijen, onze blinde razernij en onstuitbare drift kan niet vergeleken worden met een beest. Want wij hebben een geweten, terwijl het dier uit gaat van instinct. Wij onderscheiden goed en kwaad. Verheerlijken het kwade, omdat het ons verder brengt dan het goede. Dat is wat Van Erp ons schrijnend voorhoudt en ons doet walgen. Niet het werk schrikt af maar onze getoonde onhebbelijkheden staan ons niet aan. De kunst van Aaron van Erp toont scherp wat wij niet willen zien, waarvan wij denken niet te kunnen genieten. Wel ter lering, niet ter vermaak. Maar “Aaron van Erp kent geen symboliek, geen afgemeten interpretatieschema’s, geen propagandaplaatjes en belerende scènes. Geen goed en geen kwaad.” schrijft Henk Visch.

    Want het boek telt enkele interessante bijdragen van kunstcriticus Kees Verbeek, beeldend kunstenaar Henk Visch dus, museumdirecteur Ron Dirven en kunstverzamelaar Henk Pijnenberg. Samen met galeriehouder Jeroen Dijkstra geven zij mij van diverse kanten inzage in denken en werken van Aaron van Erp. Het opent wel mijn inzicht, maar laat dikwijls teveel aan achtergrond zien. Wanneer de voorkant – de zichtbare afbeelding – wordt omschreven, de achterkant – het ten grondslag liggend denkbeeld – is getoond raakt het werk een zeker magie kwijt, de betovering verdwijnt min of meer. Ik zal graag zelf willen weten wat ik zie, terwijl de bijdragen mij toch een zekere richting insturen. De titels van de werken wijzen dan echter een andere koers, dat is weer aangenaam. Die titels geven de werken een vermakelijke draai, geestig als een boer met kiespijn. Zo kan de titel een doekje voor het bloeden zijn, een schone pleister op een stinkende wonde. Ik ben een martelaar, pijnig mijzelf met “Suspension of disbelief” en ik vind het fijn.

    Suspension of Disbelief. Aaron van Erp, schilderijen en tekeningen. Tekstuele bijdragen van Jeroen Dijkstra, Kees Verbeek, Henk Visch, Ron Dirven en Henk Pijnenburg. Uitgave Livingstone Editions & Van Spijk Art Books, 2025.

  • Een nieuwe driedimensionale realiteit

    Alles wat dood is kan een tweede leven krijgen. Zo geschreven en nagelezen klinkt dat vreemd, het hoort raar. Alles wat leeft zou een nieuw leven kunnen krijgen, daar gaan sommige figuren voor wat betreft menselijk zijn van uit – onder een nieuwe hemel, op een nieuwe aarde. Hoe het dan met dieren en planten gaat wordt niet duidelijk en in het midden gelaten. Echter de mens kan een levend wezen dat de dood heeft gevonden niet weer tot leven wekken, daar is een hogere geest voor nodig zo zegt men. Maar dode materie kan wel een nieuw leven worden toegemeten. Hoewel leven dan een metafoor is, want levenloos blijft uitgestorven – niet zijn is ijdel.

    Datgene wat in onbruik is geraakt, hetwelk de oorspronkelijke functie heeft verloren, kan opnieuw van betekenis worden en een bepaald belang worden toegekend. Een levend wezen zal die handeling niet kunnen uitvoeren, want de waarde van leven is verdwenen wanneer de functie van wezen stopt. Is de mens ontslagen uit het leven, door reorganisatie van het zijn of bezuiniging op de tijd, dan kan het lichaam solliciteren tot het een ons weegt… Dood is dood, voor het lijf althans. Een weggegooid stuk hout of een afgedankt brok metaal echter kan bij verandering in bedoeling en relevantie aan kracht en gewicht toenemen. Misschien zelfs meer waarde krijgen dan dat het voorheen had. In vaktermen noemt men dit dan een tweede leven. Dat vak is de kunst. Want het is een kunst om te recreëren, om te herscheppen.

    Dat is wat Harrie Gerritz doet, herscheppen. Blader ik in zijn boek “Sculptures”, dan verwonder ik mij over het nieuwe leven dat de gevonden voorwerpen door zijn gedachten kregen toegemeten. Hij denkt zich nieuwe samengestelde vormen in, uit de materialen die hij langs de rand van het zijn vindt. “Harrie loopt soms als een strandjutter langs de Waal”, schrijft prof.dr. Nico Nelissen in de inleiding tot het boek. “Alles wat aanspoelt, lijkt zonder waarde: het is overboord gegooid, in het water terechtgekomen zo maar op de oever aangespoeld. Ook op andere plekken, zoals in afvalcontainers op bouwplaatsen vindt hij het materiaal dat hij in zijn sculpturen verwerkt.

    Geen readymades

    Harrie Gerritz is geen beeldhouwer, hij is een beeldbouwer. Van de voorwerpen, objets trouvés, stelt hij kunstwerken samen. Door een auto-ongeluk is zijn motoriek aangetast en laat hij de assemblage over aan een technisch assistent. Hij moet dus noodgedwongen het maakwerk uit handen geven, dat vergt overgave en vertrouwen. Om de ruimtelijke werken de vorm te laten hebben die Gerritz in gedachten heeft, dat het resultaat een-op-een is en de vormgever content is met de vormmaker.

    Het zijn geen readymades, want Harrie Gerritz verheft een enkel gevonden voorwerp niet tot kunst maar vormt met verschillende onderdelen een ruimtelijke collage. Er ontstaat een nieuwe vorm met inhoud, waarde en betekenis. Met een heel ander belang dan dat het eerst had, zelfs wel tegengesteld daar aan. Het object heeft een eigen dimensie, het toont aan dat eenvoud het kenmerk van het ware is. Het herkenbare wordt omgevormd tot een abstractie die het meest lijkt op een architectonische sculptuur. Een bouwwerk waarin gewoond kan worden. Het nodigt niet uit tot een lijfelijke bewoning, maar geeft onderkomen aan de psyche. De mate waarin Gerritz de ruimte bezet met bouwsels zou in een enkele gedachte de woningnood oplossen. Maar dan wel de nood van het gemoed, het gevoel dat is geplet in de huidige digitale samenleving.

    Gevonden voorwerpen

    Blader ik dus door het boek, dat is uitgegeven bij Van Spijk Art Books en waarvoor genoemde prof.dr. en Cyrille Offermans een tekst hebben geschreven, dan zie ik een verscheidenheid aan bouwwerken. Bouwwerken die in vorm en uitstraling herkenbaar zijn. Ze zijn in de ruimte geplaatst als bestaande constructies, als zijn het maquettes van gebouwen, modellen voor een groter geheel. Van enkele van de houten bouwsels zijn rubbermallen gemaakt die daarna in brons worden gegoten. Ze kunnen aldus groteske vormen aannemen, theatrale decors voor een onwezenlijk schouwspel. Maar de vormen passen in de ruimte, zijn er voor gemaakt. Deze doen de omgeving geen geweld aan. Het is alsof de objecten altijd al zo tussen de bomen hebben gestaan, langs het water. Een gevonden beeldtaal met het accent van de omgeving.

    Meestal vormt Gerritz gebouwde werken uit de hun betekenis verloren voorwerpen. Nieuwe belanghebbende objecten met een ongebruikelijk oogmerk, hoewel de intentie een moderne schoonheid bezit. Een verrassende vorm dat nog nauwelijks het oorspronkelijke doel waarborgt. Echter kunnen enkele tevens een menselijke gedaante aannemen. Een figuur dat communiceert met de omgeving, zoals ieder object van Gerritz in gesprek is met de sfeer waarin het geplaatst is. Iedere andere kring waar het zich in begeeft krijgt de sculptuur een nieuw leven, een voordien ongebruikt zijn. Het reageert anders, het respondeert tegendraads. Maar het blijft altijd in onderhandeling met de omgeving, en wanneer het groepsgewijs zich aanbiedt wisselt het van gedachte met deelgenoten. De bouwsels zijn over het algemeen gesloten, silhouetten van een verleven bestaan, maar sluiten daarmee niet de communicatie af. Er zijn allerlei vormen, verschillende figuraties, opgestaan in een nieuwe schepping met een andere aankleding dan waarin het gevonden is ooit. Een volgend leven betekent kleuring, een nieuw coloriet en een scala aan nuances.

    Van de hel komt het gevonden voorwerp in de hemel. Verloren geraakt van het dagelijks gebruik krijgt het een kunstzinnige betekenis. Harrie Gerritz vindt in de dakloos zwervende materialen een nieuw belang. De stukken hout en brokken steen, los gezaagd en afgebroken van de benutting, worden tot kunstwerken. Staan op een voetstuk waar ze voordien ter ondersteuning van een toepassing waren. Deze zelf het onderstel of de sokkel waren, maar nu zijn verheven en opgericht. Torens, poorten, dorpen, kerken, huizen. Monumenten voor hergebruik. Het terugwinnen van vormen. Een kringloopproces, vanuit de massa naar de kunst, van een kunstzinnige interpretatie naar een concreet kunstproduct. Harrie Gerritz is een recycler, een hergebruiker. “Aan een aangespoelde boomtak wordt een nieuwe interpretatie gegeven en aan een gevonden verroest stuk ijzer wordt een nieuwe betekenis toegekend”, schrijft Nico Nelissen. “Harrie collectioneert, interpreteert, modelleert en componeert zijn gevonden objecten tot een nieuwe driedimensionale realiteit.

    Harrie Gerritz. Sculptures. Tekst prof.dr. Nico Nelissen, Cyrille Offermans. Uitgave Van Spijk Art Books, 2025.

  • Documentatie van een verwrongen schrikkeljaar

    Het werk van Ed van der Kooy kende ik niet. Tot mijn schaamte, moet ik bekennen, want de man is toch al zeker meer dan enige jaren aan het werk en maakt naam in binnen- en buitenland. Waarom hij dan onder het maaiveld blijft wat mijn kennis van de kunsten betreft is onzeker. Zo komen er voor mij telkens en voortdurend parels in de zee boven drijven. Wel sloeg ik in de catalogus van de uitgever Van Spijk Art Books aan op zijn boek dat in 2021 verscheen. Interessant, al wat gedateerd misschien maar nog altijd reden het te bespreken. Evenwel is gedateerd nauwelijks toepasbaar bij het fenomeen kunst. Een kunstwerk is een detail uit de tijd, een monument voor de tijd, dat op een moment in de tijd is gemaakt. Dat moment is universeel en van alle tijden. Er valt te constateren van welke tijd dat is, maar het is nooit gedateerd in de zin van verouderd of ouderwets.

    Dus na het bladeren door en het ervaren van zijn kunst in de uitgave “Vervormde werkelijkheid”, bezocht ik de website om me beter te oriënteren op zijn doen en laten, leven en werk. Hoewel ik enkel dat werk wil beschouwen wat mij voorligt of dat ik zie in een tentoonstelling, en eigenlijk geen reden en voorgeschiedenis wens te weten om objectief te blijven. Het werk spreekt, de kunstenaar heeft erdoor gesproken; dat is voldoende om erover te spreken. Het verhaal erachter is daarbij van geen belang. Het werk in het boek vormt op die houding voor mij geen uitzondering. Het spreekt voor zich en heeft voldoende verhaal in zich om woordloos maar beeldend zich te uiten. Toch ben ik nieuwsgierig naar wat voor dit project heeft plaats gevonden, en wat eventueel nu nog aan de hand is.

    Schilderij op papier

    Eerder was hij een fotografisch realist, zo ontdek ik. Hij maakte bijna gevoelloos werkelijke portretten waarin hij de psyche van de modellen exact weet te raken en aldus perfect weergeeft. De mensen op zijn schilderijen lijken zo uit het kader te kunnen stappen. Het is bijna eng zoals de modellen mij aanstaren en welhaast door me heen kijken. Levensecht, ware kleuren, sublieme stofuitdrukking. Het coronajaar 2020 lijkt een keerpunt te zijn in werkwijze en stijl van Ed van der Kooy. Technisch maakt acryl plaats voor olie, linnen voor papier, grote afmetingen voor klein formaat. Nog wel is hij realist in hart en nieren, dat laat je niet los ben je er eenmaal mee behept, maar lengt zijn verf op het palet en in de compositie nu aan met emotie. Het fotorealisme is nu emorealisme. De werkelijkheid is echt werkelijk geworden, menselijker. Met een speelse kijk op de zaken treedt hij de wereld tegemoet. Wel met negatieve gedachten en zwarte uitzichten, want het covid19virus houdt het zijn in de greep, de wereld in bedwang. De mens is opgesloten en dreigt het wezen kwijt te raken. De figuren in Van der Kooys werken ogen eenzaam, lijken van kind en kraai verlaten. Kijken verwezen de toeschouwer aan, ontdaan en van de wereld. Het coronajaar is voor iedereen een vervormde werkelijkheid.

    In een jaar iedere week, één schrikkeljaar lang dus 53 weken, maakt de schilder een schilderij op papier in bescheiden formaat. Hij was gewend grote werken te maken, slechts vier per jaar. Het fijnzinnige karakter maakt het namelijk onmogelijk korter dan drie maanden aan een compositie te werken. Door het hyperrealisme los te laten, losjes en met meer expressie het onderwerp tegemoet te treden, krijgt het werk meer ziel en zaligheid. De kunstenaar lijkt zich met hart en ziel in te zetten om de essentie van het wezen te bereiken. Dat is dan niet al het overbodige zijn weg te laten, maar het innerlijk aan te boren. Een vinger achter de uiterlijke schijn te krijgen om zijn verhaal in de ervaring van dat welhaast uitzichtloze moment te verbeelden. Van der Kooy vervormd de werkelijkheid om de waarheid te kijk voor het voetlicht te zetten. De figuren in zijn composities zijn wel samen maar toch eenzaam, ogen verloren, blik op oneindig. Zij durven niet meer in de toekomst te kijken en zien achterom zonder over hun schouder te kijken. Ik zie hen hunkeren naar wat was, ooit in een tijd toen het leven nog goed was. De als herkenbare mensen afgebeelde figuren maken zelden contact en al helemaal niet met mij als voyeur, ze kijken dwars door of straal langs me heen. Het ernaar kijken is ongemakkelijk en zet tot nadenken.

    Doemdenkerij

    In de serie van 53 werken zit een chronologische opbouw naar tijd, een doorlopend verhaal als documentatie. Geen los zand maar een hechte brok steen waaruit het coronajaar is gehouwen. Een verslag van hoe de kunstenaar het vervormde jaar heeft ervaren. Niet woord voor woord te begrijpen, maar abstract in afbeelding waarbij de werkelijkheid nooit op afstand is gehouden. De beeltenissen zijn zwaarmoedig in figuratie, maar de vrolijk gekleurde decors buigen het pessimisme positief. Een leven zonder perspectief, met zorg en verlies. Maar ook een tijd voor zelfreflectie, solidariteit en herwaardering. En niet alleen het killervirus is bron van inspiratie, ook al die andere negatieve zaken die er op de wereld spelen werken door in de schilderijen van Van der Kooy. Het was meer dan pandemie en covid19 die de klok sloeg en de tijd stil zette. De klimaatcrisis klopte steeds luider aan de deur – op veel plekken rondom stond de natuur in brand. Er waren protesten, rassenrellen en demonstraties. Een chaotische presidentsverkiezing in de VS, een historische breuk in de EU. En er speelde meer, redenen genoeg om te beelden en te verbeelden.

    Al die tegenslagen zijn echter niet als realisme geschilderd, deze doemdenkerij is tussen kleur en vlak door merkbaar. De emotie is voelbaar. De tijd van toen ligt besloten in de gelaagde schilderijen. De grauwe onderschildering is kleurrijk overschilderd. Nog zie je sporen van de duistere tijd wanneer je goed kijkt en beter doorziet. Evenals in het superrealisme bedekt de huid een diepe wond in het zachte vlees. Ook de eerder in het oeuvre geschilderde realistische portretten maskeren een gevoelige ziel, maar vervormen niet de werkelijkheid waar deze composities metaforen zijn en surrealistisch ogen, dramatisch zijn. Verschillende details gelicht uit de werkelijkheid zijn samengevoegd als in een collage de aan elkaar wezensvreemde zaken een eenheid vormen.

    Wederkerige anonieme ontmoeting

    Het boek is als een expositie, een ingebonden tentoonstelling. Met blankwitte pagina’s als rustpunten tussen de reproducties. Het geeft poëzie de kans en de ruimte zich te plaatsen. Dochter en tekstdichter Floortje boog haar lettering om tot op haar vaders werk geïnspireerde woorden. In vrije verzen versificeert zij de beeltenissen, pakt de essentie van het zichtbare. Abstraheert als het ware de werkelijkheid van beeld naar woord. In haar zinnen klinkt niet altijd de inspiratie door, maar het is wel de bron waaruit zij put. Die bron is een overvloedige stroom aan composities. “Don’t look back / Don’t forget / Straight ahead / Who are you? / One step to the left / I have known you / Don’t look back / Straight ahead / Who are you? / One step to the left / I think you have known me too” typeert de platen in het boek. Het schijnt dat ik de afgebeelde figuren ken, dat ik ze onderweg op straat of in een wachtruimte als bus of trein ooit heb ontmoet. Enkelingen in de massa die me opgevallen zijn, waar de herinnering aan kleeft. En die mij denkbaar ook hebben opgemerkt in het voorbijgaan. Een wederkerige anonieme ontmoeting.

    Niet de figuur als mens is herkenbaar, wel de emotie die houding en mimiek oproept. Het is zo tekenend weergegeven, zo kenmerkend voor dat specifieke jaar. Maar ook treffend voor de trieste mens die nauwelijks uitzicht denkt te hebben op een zekere toekomst. Want het is de gedachte die de mens kleineert en in een ho(e)kje drukt. De onzekerheid zit zichtbaar tussen de oren. De ogen zoeken houvast in het niets, meer een blik op oneindig hangend tussen hoop en vrees. De twijfel is al uit de mens geslagen, het is zeker dat er geen heldere morgen meer is. Dus mijmert de mens, peinst in gedachten verzonken en is afwezig in het hier en nu. Een toestand die aanschouwend beschouwend is, persoonlijk ervaren. De figuren van Van der Kooy staren, wachten af met een zoekende blik. Op ontdekkingsreis in het eigen ik. Alleen in het geheel of samen maar eenzaam.

    De mensen kijken mij doordringend aan alsof ik zal weten wat de uitkomst is, waar het naartoe gaat. Waarom de herkenbare werkelijkheid zich onwerkelijk vervormd. Een retorische vraag die daarom onbeantwoord blijft. Het waarom is eenzaamheid, in wezen en zijn, in denken en doen. Het boek vangt aan met afwezige blikken, ontroerende mimiek, 53 koppen geknipt uit de daarop volgende composities. Het zet al meteen de toon van het project. De taak die Ed van der Kooy zichzelf heeft opgedragen om een periode achter gesloten deuren zonder kleerscheuren door te komen. Doorheen het boek worden details van composities uitgelicht en opgeblazen om nog meer drama in de beklemmende sfeer te brengen. Bij iedere plaat is de vraag te stellen wat valt er te zien, is het werkelijkheid of is het fantasie. Het is een verwrongen en gebogen gewaarwording. Waarheid in gedachten, een document van ervaring. Een catalogus van ondervinding. Dit is hoe de kunstenaar het heeft beleeft, daarin kan ik mezelf heel goed vinden. Het is een belevenis.

    Vervormde werkelijkheid. Ed van der Kooy. Schilderijen. Tekst Kees Verbeek. Poëzie Floortje van der Kooy. Van Spijk Art Books, 2021.

  • Soulmates: het gevoel van thuiskomen

    Intussen is duidelijk dat particuliere verzamelaars een essentiële schakel zijn in de kunstsector”, schrijft Henri Swagemakers in het boek dat zijn collectie fotografie als onderwerp heeft. Het boek is de catalogus bij een tentoonstelling van deze deelcollectie in Stedelijk Museum Breda: Soulmates. Er kan worden gesteld dat zonder verzamelaars musea nauwelijks bestaansrecht hebben. Musea zelf hebben amper financiële middelen om het hoofd qua uitbreiding van de aangelegde verzameling te kunnen bekostigen. Men is aangewezen op fondsen, sponsoren èn verzamelaars. Niet alleen particulieren verzamelen, ook bedrijven en instellingen als banken leggen een kunstcollectie aan. Ook worden er musea gesticht om een verzameling onderdak te bieden, daarvan bestaan in Nederland diverse voorbeelden. Swagemakers zegt over de verzamelaar als schakel: “Voor galeries om te verkopen, voor kunstenaars om geld voor hun werk te ontvangen en bekendheid te verkrijgen, voor musea als bron van bruiklenen voor tentoonstellingen en om al dan niet door schenkingen en legaten hun collecties te versterken.

    Kunstbeleving een visueel gebeuren

    Op de planning van musea worden het tonen van verzamelingen meermaals ingevoegd. Dat is een goede zaak, zodat onderdelen van de collecties niet ongezien in kluizen verdwijnen. Dat de kunst kan bekeken worden en zichtbaar blijft, want de kunstenaars hebben hun werk voor het licht gemaakt – niet voor de duisternis van het depot. Het is een kwestie die meerdere malen op het bordje bij Swagemakers terecht komt: “Vind je het niet jammer dat niemand anders het door jou gekochte werk nog te zien krijgt?” Maar hij dient van repliek door te stellen dat musea per jaar 4 procent van hun bezit tonen. Het kan zelfs zo zijn dat sommige stukken nooit meer worden geselecteerd om publiekelijk te laten zien, omdat deze in geen enkele opstelling passen. Swagemakers vindt het overigens een vreemde vraag, die nooit gesteld wordt aan een rekeninghouder met een groot financieel bezit: “Vind je het niet jammer dat je zo veel geld hebt waar je niets mee doet?” Geld hoeft niet gedeeld te worden met derden, kunst kennelijk wel.

    Voor oud-advocaat Henri Swagemakers is kunstbeleving in de eerste plaats een visueel gebeuren. Het zien optimaliseert de beleving, het hebben maakt die ervaring mogelijk. Hij is een liefhebber die zich graag omgeeft met kunst en daar de financiële middelen voor heeft. Hij koopt voornamelijk werk van jonge kunstenaars die nog niet in de belangstelling staan, nog niet bekend zijn als zodanig. Het voordeel daarvan is dat deze nog niet aan de prijs zijn, en hij helpt door de aankoop de kunstenaars op weg. Veelal blijkt later dat zijn aanschaf een goede keuze was, omdat het werk in waarde is vermeerderd en de kunstenaar naam heeft gemaakt. Echter van een belegging is bij Swagemakers geen sprake, hij koopt kunst omdat hij een liefhebber is. Wat in zijn collectie komt blijft daar, hij verkoopt nauwelijks door. “Het verwerven van kunst is vooral emotie”, vindt hij. “De beslissing iets te kopen maakt het spannend. Het werk moet me iets doen, het mag mooi of bizar zijn of wat dan ook. Het werk moet een gevoel oproepen, daar gaat het om.

    Swagemakers Collection

    De werken in ‘Soulmates’ roepen een gevoel op, niet enkel bij Swagemakers als bezitter maar ook bij mij als toeschouwer. De fotografie in de Swagemakers Collection heeft voornamelijk het menselijk figuur als onderwerp. De verschijning van de mens op de gevoelige plaat is daarin een rode draad. De scenes zijn samengesteld in de studio of op een plek in de buitenruimte waar het kunstfoto’s betreft. Maar ook zijn er gedocumenteerde platen bij die onderweg zijn geschoten in binnen- en buitenland, waarbij het toeval door de lens is gestuurd. In het analoge tijdperk kunnen afdrukken tijdens het proces of achteraf geretoucheerd worden, dit betreft dus het klassieke handwerk. Bij de digitale fotografie worden foto’s bewerkt op de computer en daarna geprint, tot op de pixel precies kan gewerkt en aangepast worden. Als het ware wordt de fotograaf een schilder en is de werkelijkheid getransformeerd tot fantasie. Hoe de uitwerking van AI ofwel kunstmatige intelligentie op de kunstfotografie zal zijn valt af te wachten. De kunstenaar vindt wel weer een weg daarin en zal het naar zijn of haar hand kunnen zetten, hoewel het computersysteem menselijke vaardigheden nabootst: aanleren, redeneren, anticiperen en plannen om zichzelf automatisch bij te sturen.

    Conservator Marjolein van de Ven is trots een selectie van de bijzondere fotoverzameling in Stedelijk Museum Breda te kunnen tonen. Zij verhaalt in haar voorwoord in het boek over haar bezoek aan Swagemakers en op welke manier de verzameling van schilderijen en tekeningen tot stand is gekomen. De nadruk kwam pas later op de fotografie te liggen, wanneer kunstenaars dit medium steeds vaker in hun werk gebruiken. Daarnaar gaat in eerste instantie de interesse van Swagemakers uit, maar al snel komen ook de traditionele fotografen bij hem in beeld. “Intussen is het medium niet meer weg te denken en omvat zijn collectie fotografisch werk in uiteenlopende stijlen en technieken van circa zeventig kunstenaars”. De grenzen vervagen tussen genres. Met name eigent de mode-industrie zich steeds meer de beelden van de kunst en de kunstfotografie toe.

    Bijzondere fotoverzameling

    In het boek bladerend maak ik een reis door de collectie van Henri Swagemakers. Ben ik onderweg langs de weg van de werkelijkheid die zich aldus voordoet en zoals gezegd kunstzinnig is gecomponeerd. Door een eigenzinnig standpunt in die realiteit te kiezen kan dat zijn worden vervormd tot een beeld dat boven de waarheid zweeft. Dat ik mijn fantasie moet focussen om de voorstelling te begrijpen. Achter de zichtbare echtheid schuilt dikwijls een verborgen verbeelding. De werkelijkheid speelt een spel op het wereldtoneel, het theater van de inbeelding. De fotograaf stelt scherp op het visioen in de coulissen om daar zijn of haar verhaal mee te doen. Wat ik zie is niet het oogmerk, maar wat ik voel is het objectief. De fotograaf probeert mijn emotie te kietelen om wat ik ervaar anders te beleven, mijn hongerende ogen de kost te geven en mijn dorstige blik te laven.

    Kunstwerken zijn als soulmates

    Ook de opkomst van digitale media en de kneedbaarheid van de fotografie door de snelle technologische ontwikkelingen gaat niet aan Swagemakers voorbij”, schrijft Van de Ven en  noemt enkele voorbeelden daarvan op. Deze maken zichtbaar dat de verzamelaar “volgt wat er in de kunstscene gebeurt en met zijn aankopen inspeelt op de ontwikkelingen waar hij affiniteit bij voelt. (…) Tijdens het maken van keuzes vertrouwt hij sterk op zijn intuïtie.” Met elk werk voelt Swagemakers een sterke verwantschap of aantrekkingskracht en in elk werk herkent hij iets van zichzelf. De kunstwerken zijn als soulmates, het voelt voor de verzamelaar als thuiskomen, samenkomen in de ziel. “De werken uit mijn collectie zijn in de loop der jaren door mij als het ware ontdekt en daarna uitgekozen”, voegt Swagemakers toe. “Zo heb ik (…) bereikt dat ik me kan omgeven met kunstwerken die ik fantastisch vind.

    Het boek toont naast enkele zaaloverzichten van de tentoonstelling op een aantal bladzijden nog thumbnails van andere werken uit de collectie, waar onder meer het Schuilnest van M.C. Escher en het Zelfportret van Jan Mankes het meest opvallend zijn. En nog een aanbeveling tot slot: “Ik hoop dat elke lezer van deze publicatie, maar vooral ook elke bezoeker van de tentoonstelling zich de ogen uitkijkt en geniet zoals ik geniet van het resultaat van mijn gesprokkel!” Want kunst hoort niet in mappen opgeborgen en achter gesloten deuren in depots te schuilen, kunst moet gezien en beleefd worden. Met “Soulmates” doet Stedelijk Museum Breda een verwoede poging en draagt Swagemakers daartoe een steen bij. Kijken dus! En genieten!

    Soulmates – Swagemakers Collection. Tekst Marjolein van de Ven, Henri Swagemakers. Catalogus bij tentoonstelling fotografie in Stedelijk Museum Breda (t/m 16 maart 2025). Uitgave VanSpijk [photo] Artbooks, 2024.