Categorie: Waanders Uitgevers

  • Schoonheid in rimpels en van plooien

    In het boek staat een prachtige tekening afgebeeld. Een tekening die karakteristiek is voor de kunstenaar waarover het boek gaat. In een schets, een soort studie voor een schilderij, zie ik in enkele trefzekere lijnen de man zichzelf beschouwen. Hij kijkt doordringend en plaatst ondertussen het portret in zijn schetsboek. Niet alle lijnen zijn nauwkeurig gezet, alsof de tekenaar niet helemaal zeker is van zijn beschouwing. Zo lijkt het alsof er beweging in de tekening zit, alsof de tekenaar in zijn compositie aan het werk is. Maar wat mij zo treft is de vorsende blik, de scherpzinnigheid van de ogen. Het lijkt dat de kunstenaar door de mens die hij tekent heen kijkt om de ziel te treffen. Is dat niet altijd het geval? Niet enkel met een portret, maar ook met een stilleven en tevens bij een landschap. De kunstenaar wil het wezen van het onderwerp doorgronden, de essentie pakken.

    Het wezen van de mens

    Het boek dat voor mij ligt, en waarin ik de hierboven beschreven tekening vind, is getiteld “De ouder wordende mens” en belicht het menselijke werk van Sam Drukker. De mens is voor hem een belangrijk onderwerp waarmee hij al diverse thema’s heeft neergezet. Door huid, door rimpels, door de onafheid van schoonheid raakt Drukker geboeid. Of zoals de directeur van Museum MORE Maite van Dijk het in haar voorwoord schrijft: “Bij hem is noch het nostalgische verlangen naar jeugd of zelfs het eeuwige leven, noch de verheerlijking van voldragen levens aan de orde.” Het is in ieder opzicht het wezen van de mens, met al zijn schoonheid en rafelranden. Daarmee is het werk van Drukker een ode aan het leven en een lofzang op de levenslust. “In al zijn werk”, gaat Van Dijk verder, “is de liefde, aandacht, concentratie voor zijn modellen te zien, of de persoon nu in de klare lijn van een tekening is gevat of in de kleurschakeringen van verf.”

    De stelling van Maite van Dijk wordt door de afbeeldingen in het boek en de composities in de tentoonstelling onderbouwd. De uitgave is een catalogus bij de presentatie in Museum MORE – Kasteel Ruurlo. In die opstelling vindt Drukker artistieke tegenhangers in werken van de vaste bewoner van het kasteel, Carel Willink. Zijn geschilderde huid vindt Sam te glad en zakelijk en zet daar zijn eigen weergave broos en menselijk tegenaan. Tegenover een jonge vrouw zet hij een oude man. Niet in de pracht en praal van de kleding maar bloot.

    Tijd op de huid

    De ouder wordende mens is een terugkerend thema in het werk van Sam Drukker. Het is al aan het begin van zijn oeuvre aanwezig, zoals de mens na de geboorte al een ouder wordend persoon is. De mens waarin de tijd een rol speelt, waarin de tijd zichtbaar is. Dus wanneer de kunstenaar een kind afbeeldt, ligt daar het thema van de dood al in opgesloten. Want zonder dood geen leven, zonder oud geen jeugd.

    De ouder wordende mens hoeft niet altijd de oudere mens te zijn. Maar de tijd die vat krijgt op de mens fascineert Sam Drukker. Juist huidrimpels en lichaamsplooien laten zich perfect vereeuwigen. Daar ligt de schoonheid van zijn vak als kunstenaar, vindt hij. Dat is de uitdaging om de ziel van deze mens, dat model te raken. Met zijn scherpzinnig zoekende blik kijkt hij dwars door die onvolmaaktheid heen en zet de volmaakte ziel op de drager. Die drager is tevens een ouder geworden voorwerp – panelen, bedstukken, schoolborden, plankjes uit de afvalbak van de timmerman of uit de vuilnisbak stekend; dekzeilen, zonnewering of scheepszeilen. Het draagt de sporen van gebruik en heeft een kleur van zichzelf. Die smetten en vlekken, krassen en lijnen neemt Drukker op in zijn werk. Het maakt zijn composities tot levende beelden.

    “Een absoluut ideaal gebouwde mens is heel saai”, vindt Drukker, “juist waar hij of zij afwijkt, waar imperfecties zitten, daar vind ik het juist mooier worden. En daarin speelt leeftijd een grote rol.” Het is een bijzondere combinatie van schoonheid en verval. Drukker wil achter de huid kijken. Niet de marsepeinen huid zoals die Willink beeldt, maar de huid laat Drukker uit elkaar vallen in kleuren en tonen, “zodat hij gaat leven, gaat ademen”.

    Sam Drukker beeldt het leven, het menszijn. Enkel dat leven, enkel dat menszijn. Want hij zet de mens of mensen in het niets, zonder achtergrond, omgeving of plaatsbepaling. Zonder decor heeft het lichaam al voldoende decorum, zonder context is het tijdloos. En dan voornamelijk de blote mens, de naakte waarheid. De mens in al zijn blote puurheid of pure blootheid staat bij Sam Drukker voorop. Want hoewel de kleren de man maken, laat Drukker deze liever achterwege om de ware mens te vangen. Kleding is verpakking waar de echtheid zich in verschuilt. Met kleren probeert de mens iets te zijn, zonder is deze zichzelf. “Hoe iemand zijn huid draagt is namelijk veel spectaculairder dan hoe iemand een prachtige jurk draagt.”

    Het boek als ontmoeting

    Het boek laat zien hoe breed dat mensbeeld van Drukker is. Naast schilderijen en tekeningen zijn er ook schetsen en studies opgenomen, waardoor je niet alleen het uiteindelijke beeld ziet, maar ook iets van het zoeken ernaartoe. Juist daarin wordt zichtbaar hoe een kunstenaar kijkt, probeert, opnieuw kijkt en uiteindelijk een vorm vindt die de mens recht doet. De afbeeldingen worden begeleid door teksten die het werk in een breder perspectief plaatsen en laten zien hoe het thema van de ouder wordende mens zich door zijn oeuvre beweegt.

    Sam Drukker, Museum MORE, Kasteel Ruurlo, Waanders Uitgevers

    In het boek lees ik een essay van Yvonne Kroonenberg waarin zij terugkijkt op haar leven en blij is dat ze eindelijk oud is. Het gedicht “nog een keer” van Leo Vroman haalt de angel uit de hang van de oudere mens weer jong te willen zijn. De dichter wil helemaal niet meer dat alles wat hij heeft doorstaan nog eens meemaken en eindigt met “In godsnaam nee, niet nog een keer”. Gedicht en essay zijn inleiding op het werk van Sam Drukker dat het ouder zijn als onderwerp heeft. Maite van Dijk is met de kunstenaar in gesprek, de weerslag van dat interview maakt duidelijk op welke manier Drukker het ouder worden en de dood verwerkt.

    Misschien is het daarom juist die tekening aan het begin van het boek die mij zo bijblijft. Die vorsende blik, die enkele trefzekere lijnen en toch ook de aarzeling daarin. Alsof Sam Drukker niet alleen zijn model, maar ook zichzelf probeert te doorgronden. De mens die kijkt naar de mens. En in die blik zit misschien wel de essentie van zijn werk.

    Sam Drukker – De ouder wordende mens. Uitgave bij tentoonstelling in Museum MORE | Kasteel Ruurlo van 4 juli t/m 6 december 2026. Tekst Maite van Dijk, Sam Drukker, Yvonne Kroonenberg. Waanders Uitgevers ism. Museum MORE, 2026.

    Sam Drukker, Museum MORE, Kasteel Ruurlo, Waanders Uitgevers

  • Charley Toorop, Pyke Koch – alles of niets

    Het lijken tegenpolen. Maar ze hebben voldoende gemeen om elkaar niet af te stoten. Werkt de één vooral naar de natuur en stopt veel emotie in de penseelvoering, de ander is zakelijk in de afbeelding en magisch fysiek aanwezig in de schilderijen. Beide zijn autodidact en bepalen persoonlijk een weg in de kunst met een onmiskenbare stilistische eigenheid. De vrouwelijke subjectieve kant van het leven is complementair aan de mannelijke objectiviteit. Zet Charley Toorop met liefde de mens enigszins naïef in beeld, Pyke Koch geeft de lust in het lichamelijk zijn weer. Liet Koch zich in het begin van zijn loopbaan in de kunst nog enigszins afleiden door het werk van Toorop, later lopen de werelden parallel in de keuze van thema en onderwerp maar verwijderen ze van elkaar. Nog wel blijft in sommige van zijn composities de invloed van Toorop zichtbaar. Charley is 10 jaar ouder dan Koch, maar dat weerhoudt hen niet van een vriendschappelijk en collegiaal contact, en zelfs bij het ouder worden hebben zij een korte amoureuze verhouding. De relatie bekoelt echter wanneer de politiek-maatschappelijke opvattingen teveel van elkaar verschillen.

    Toorop en Koch worden in Nederland gezien als twee van de belangrijkste figuratieve schilders van de twintigste eeuw. In de loop van de tijd vonden er op verschillende plaatsen grote overzichtstentoonstellingen plaats, maar nog nooit kwam beider werk samen in een presentatie. De artistieke ontmoetingen en onverwachte raakvlakken worden in Museum MORE zichtbaar. De biografische en thematische overeenkomsten en dwarsverbanden lees ik in “Alles of niets”, een gezamenlijke uitgave van Museum MORE en Waanders Uitgevers. Maite van Dijk, algemeen directeur van het museum, schrijft in haar voorwoord over hun voorkeur voor de intense, frontale weergave van personen, hun zeer individuele interpretaties van eeuwenoude genres, hun visie op een realistische benadering in de schilderkunst. Mieke Rijnders en Carel Blotkamp, gastconservatoren van de tentoonstelling, beschrijven deze onderwerpen in het boek. Daardoor worden de mensen achter de beelden duidelijk, kan ik de schilderijen met andere ogen beschouwen.

    Een eigen weg in de kunst

    Naast de beeldende kunst hebben Toorop en Koch de liefde voor de muziek gemeen. Beide spelen ze viool en overwegen zij hun leven daarin richting te geven. Echter bepaalt het lot anders. Charley wordt in het schilderen en tekenen onderwezen door haar door zijn kunst geroemde vader Jan Toorop. Pyke gaat op aandrang van zijn ouders rechten studeren, maar breekt deze studie kort voor het afstuderen af. Het oeuvre van Charley Toorop staat deels onder invloed van internationale trends waarin zij een eigen persoonlijk spoor volgt. Ze blijft zich altijd baseren op de directe waarneming van figuur, landschap en stilleven, waar door de aangezette kleuren en de rauwe toets – ongepolijst, lichamelijk en emotioneel – een expressionistische ondertoon zichtbaar is. Een zekere onbeholpenheid in het weergeven van het menselijk lichaam en een gebrek aan gevoel voor ruimte weet Charley Toorop om te zetten in een krachtige beeldtaal. Ze verbeeldt haar wereld naarstig in portretten, stillevens en landschappen – haar oeuvre is uitgebreid, zo’n 400 schilderijen in 45 jaar, met oog voor het kleine leed en de grote emotie.

    De nieuwe zakelijkheid en later het surrealisme hebben Pyke Koch zichzelf eigen moeten maken. Hij las veel over kunst en schildertechniek en volgde colleges over onder meer kunsttheorie en de technische kant van schilderen aan het Kunsthistorisch Instituut. Zijn prikkelende onderwerpkeuze en de precisie van de oude meesters in zijn schilderwerk trekken de aandacht. Hij is een getalenteerd kunstenaar maar weet zijn beeldende kracht niet uit te buiten; in 55 jaar levert hij slechts 125 werken af. Zijn magisch realistische werken staan echter als de monumentale, neoclassicistische huizen van Carel Willink. In de gelaagde werkelijkheid van Pyke Koch schuilt dubbelzinnigheid – niet altijd even goed weet ik waar ik naar kijk, denk ik te weten wat ik zie. “Zijn schilderijen zijn in feite een soort collages”, lees ik in de catalogus, “zorgvuldige samenstellingen van eigen observaties en herinneringsbeelden met citaten uit foto’s, films en beeldende kunst, vooral de schilderkunst van de door hem zeer bewonderde Italiaanse renaissance.”

    Toorop en Koch kunnen in het leven zowel als in de kunst goed met elkaar overweg. Voor Toorop echter is Kochs werk te gekunsteld, te bedacht. Voor haar zijn de mens en de natuur belangrijk: “naakt en direct en echt”. Koch moet niets hebben van de natuur en expressief realisme. Ook de hand van Toorop, zo zichtbaar in haar penseelvoering, staat hem niet aan. Koch zet de werkelijkheid naar zijn hand in de glad geschilderde weergave ervan, tot het moment dat die dreigt zijn geloofwaardigheid te verliezen. “Hij was een bedachtzaam schilder; hij doordacht de voorstelling tot in de kleinste details, voordat hij zich aan het schilderen zette.” Toorop daarentegen vat haar composities aan zonder zichtbaar vooropgezet plan. Zij laat het gebeuren waar hij het toeval regisseert. Waar Koch een schilder is van de erotische suggestie laat Toorop de naakte waarheid zien. Anders dan Toorop gebruikt Koch het vrouwenlichaam als vehikel om een sensuele fantasie vorm te geven.

    Zonder vooropgestelde principes

    Bladerend door het boek en rondlopend in de tentoonstelling word ik bekeken en gevolgd door de meest afwezige maar altijd beschouwende blikken vanaf de schilderijen. Het is of de kunstenaars mij gadeslaan, mijn gangen willen doorzien. Dwars door me heen kijken om mij maar op goede gedachten te brengen. Om te onderkennen dat een gedegen opleiding aan een academie voor beeldende kunsten niet altijd heilzaam is. Dat een mens niet wordt opgeleid tot kunstenaar, maar dat gewoon is. Zonder vooropgestelde principes of theorieën ligt de weg open om een eigen zuivere richting te volgen. „Vooral geen principes – werken – en onze eigen opvattingen verzuiveren”, schrijft Toorop. Ook Koch moest niets hebben van getheoretiseer over de schilderkunst: „Voor de keuze gesteld vlooien te moeten hebben ofwel theorieën over schilderkunst, kies ik: vlooien.”

    Charley Toorop, Pyke Koch – alles of niets. Tekst Carel Blotkamp, Mieke Rijnders. Catalogus bij de gelijknamige tentoonstelling in Museum MORE te Gorssel van 21 juni t/m 25 oktober 2026. Waanders Uitgevers, 2026.

    Pyke Koch, Charley Toorop, Museum MORE, Waanders Uitgevers

  • Zolderopruiming aanleiding voor historische reconstructie

    Het begint bij een in onbruik geraakte hooizolder in de Amsterdamse wijk De Pijp, rond 1900. Nadat ik het boek had gelezen, moest ik natuurlijk de tentoonstelling in Museum Belvédère bekijken. Met eigen ogen de ervaring van Theo de Feyter in het huis van de kunstenaars beleven. Niet dat de attributen daar in de presentatie zo’n indruk op mij maken als ze met hem hebben gedaan toen hij ze op de Jan Steenzolder vond. Maar daarmee is het verhaal wel compleet. Is de cirkel rond omdat ik nu die vondsten kan aanraken, kan bepotelen, hoewel dat natuurlijk niet mag in het museum? Met mijn vingers langs de slotjes van de koffers gaan, de glooiingen van Cupido voelen, laatjes openen, documenten doorbladeren. Het wordt daarmee zo helder, zo waar wat De Feyter schrijft en beschrijft: beeld en verbeeld.

    Vinden, onderzoeken, verbeelden

    Het moet euforisch geweest zijn wat Theo de Feyter daar allemaal vond op die zolder. De zolder die door de jaren heen werd bevolkt door kunstenaars van allerlei kunne en van diverse kunde. In de hoogtijdagen was het er een zoete inval van kunstenaars die er, onder het genot van het een en ander, met elkaar spraken. De Feyter is archeoloog en kunstenaar en heeft met dezelfde omzichtige precisie als een archeoloog te werk gaat, de zolder uitgespit en omgeploegd. “Zo vond ik veel mooie en raadselachtige voorwerpen, maar ik wist er voorlopig maar één ding mee te doen: ik stelde er stillevens mee samen die ik ging tekenen”, schrijft De Feyter in Het Huis van de Kunstenaars. In zijn tekeningen vertellen de gevonden voorwerpen het verhaal van de geschiedenis van de zolder en brengen deze als het ware dichterbij. “Ik had het bij die tekeningen kunnen laten – ze legden het verleden van de Jan Steenzolder vast zoals ik het aantrof – maar door het kijken en voelbaar maken van die voorwerpen was als vanzelf een zoektocht begonnen naar de achtergrond en betekenis van de objecten.”

    Met kwast en pincet

    Een oudheidkundige bestudeert het verleden met spullen die mensen hebben achtergelaten. En dat is wat De Feyter normaal doet in de bodem bij opgravingen. Met kwast en pincet wordt de grond grondig onderzocht om fossielen of andere bodemschatten boven water te halen. De kunstenaar De Feyter weet zichzelf tot sporenonderzoeker te maken. Met zaklantaarn op en handschoenen aan onderzoekt hij de zolder centimeter voor centimeter. En wat hij vindt, is boven zijn eigen verwachting. Eerdere bewoners van het appartement dat hij bij woningruil in bezit heeft gekregen, hebben op de zolder waardevolle spullen achtergelaten die toen van onnut schenen te zijn geraakt. Bij een verhuizing onbewust van het bestaan ervan, of anderszins bewust daar laten staan. Voor De Feyter een rijke bron om op zoek te gaan naar het verleden van deze bijzondere plek in de Amsterdamse Pijp. “Hoe meer ik vond en hoe meer ik begreep, des te meer begon de geschiedenis voor me te leven.”

    Een verdwenen wereld geboekstaafd

    De vondsten zijn aanleiding tot diepgaand onderzoek naar de eerdere bewoners. De mensen en hun geschiedenis achter de spullen. Die uitkomsten geven het boek een gelaagdheid doordat De Feyter levensbeschrijvingen geeft van deze mensen, althans van wat hij in de ‘boeken’ daarover kan vinden. Het is een soort verborgen verleden dat zich schuilhoudt in de attributen op deze zolder. Namen uit de geschiedenis duiken op en komen boven drijven. En wanneer dan het ene gevonden is en het andere nog achterblijft, het een aan het licht komt en het ander nog in duisternis is, raakt de onderzoeker gaandeweg fanatiek om alles voor het voetlicht te halen. Iedere nieuwe ontdekking is aanleiding verder te zoeken en dieper in het verleden te graven. De onderste steen van de Jan Steenzolder moet boven en met veel sjorren en trekken – zoeken en vinden – lukt dat ook. “Telkens wanneer ik een nieuwe tekening maak, sleep ik die zichtbare en hoorbare geschiedenis achter me aan, zoals de verzameling conservenblikjes die je vroeger aan je fiets bond bij Luilak. Elke beweging geeft geluid.”

    Van hooizolder tot kunstenaarshuis

    In het gedegen aangepakte onderzoek legt Theo de Feyter de zolder als atelier en gemeenschapsruimte bloot. De mensen die voor hem daar op dat adres hebben gewoond, schuift hij gaandeweg uit het verleden in het heden. Voor hem heeft de ruimte een extra dimensie gekregen: hij bewoont een monumentaal pand wat betreft de voorgeschiedenis – eigenlijk meer een memorabel pand. Voor de lezer van zijn boek krijgt dat verleden een diepere betekenis. Maar niet Jan Steen was de eerste bewoner, al zou men dat door de benaming haast gaan denken. Het pand staat aan de Tweede Jan Steenstraat en dankt daaraan zijn naam. Het is een oud bedrijfsgebouw waar de zolder diende als opslagplaats van hooi voor de stallen beneden. Later werd het gebouw woonhuis en opgedeeld in verschillende appartementen, een herenhuis met kamers en een atelier op de zolder. Op de vliering daar weer boven vond Theo de Feyter de diverse memorabilia in grote hoeveelheden. Brieven, kranten en knipsels, boeken en tijdschriften, fotonegatieven, kunstwerken.

    Deze ontdekking was voor hem inspiratie om de geschiedenis te vorsen. Uit te graven en op te diepen. Ieder object, elk document, draagt een verleden in zich. Dat verleden is voor de nieuwe bewoner dermate interessant gebleken dat hij dit als archeologisch onderzoeker wilde uitgraven en in een document vastleggen. En daaruit is het boek gekomen. Zodat de Jan Steenzolder ook voor anderen de geheimen prijsgeeft.

    Artistiek leven in Amsterdam

    De geschiedenisschrijver is echter ook en vooral kunstenaar. Hij heeft niet alleen in teksten het verleden kenbaar gemaakt, maar tevens heeft hij de gevonden attributen en materialen in beelden gedocumenteerd. Iedere foto, elk document, is aanleiding om de herkomst ervan uit te pluizen. Of om na te gaan wat of wie op de foto staan. Het boek is een geschiedenis, een historisch verantwoord document. De diverse genoemde personen met hun verleden zijn een interessant gegeven, maar meer benieuwd ben ik naar wat Theo daar allemaal gevonden heeft op die zolder. Dat staat tevens beschreven in het boek en kan ik deels bekijken in het museum. Gipsvormen, een olielamp, een hoedenkoffer met bolhoed, twee scheepskisten met tropengarderobe, souvenirs uit Nederlands-Indië, een map met tekeningen.

    Wat gaf De Feyter de aanzet tot het boek, tot het vorsen van de geschiedenis, het verleden van de zolder? Het is natuurlijk van gewicht dat je weet en kunt achterhalen wie voor jou door die deuren hebben gelopen, op de muren hebben getikt en door de ramen hebben gekeken. Het huis ademt daarmee nog meer de sfeer van vroeger.

    Theo de Feyter, Jan Steenzolder, Waanders Uitgevers, Museum Belvédère

    Met kwast en krijt

    Het in beelden documenteren heeft Theo de Feyter eerder gedaan, daar is hij goed in. Fanatiek ook, tot in het maniakale eigenlijk. Hij staat bekend om langlopende kunst- en tekenprojecten, werk in uitgebreide series. Daardoor en daarmee wordt wel een goed beeld gegeven van wat hem bezighoudt. In een realistisch-figuratieve stijl tekent hij de wereld van zich af. Hij doet dat met Het uitzicht om 17.00 uur. Een dagelijkse serie gouaches en tekeningen waarbij De Feyter klokslag vijf uur ’s middags exact dezelfde blik vanuit zijn atelierraam vastlegt. De vaste kijkrichting toont het veranderende daglicht, het weer en objecten op de vensterbank.

    In Mensen en Ruïnes documenteert hij zijn reizen naar Syrië en het Midden-Oosten. Met voortdurend de veldwerkkoffer binnen handbereik. In Hemelsbreed schildert en tekent hij een lijn recht door Amsterdam, waarbij hij de stad van gevel tot gevel overbrugt en vastlegt. Tevens documenteert hij beeldend de verzameling van Thom Mercuur zoals aangetroffen in het Tripgemaal, voordat deze iconische plek in de Friese kunstscene werd leeggeruimd om plaats te maken voor een nieuwe bewoner. En nu dan de historische Amsterdamse zolder, de Jan Steenzolder waar hij nagelaten spullen van eerdere bewoners en kunstenaars vindt.

    Het huis van de kunstenaars. De schilders van de Jan Steenzolder. Theo de Feyter. Waanders Uitgevers, 2026. Tentoonstelling Theo de Feyter – De Jan Steenzolder. Museum Belvédère, Oranje Nassaulaan 70 in Oranjewoud. Van 20 juni tot en met 20 september 2026.

    Theo de Feyter, Jan Steenzolder, Waanders Uitgevers, Museum Belvédère
    Theo de Feyter, Jan Steenzolder, Waanders Uitgevers, Museum Belvédère
  • Amrita Sher-Gil: voltooid, onvoltooid

    Sommige kunstenaars hebben een heel leven nodig om zichzelf te worden. Anderen zijn nog geen 30 jaar oud wanneer hun werk al een blijvende plaats in de kunstgeschiedenis opeist. De Hongaars-Indiase kunstenaar Amrita Sher-Gil is zo’n figuur. Haar tijd stopt op een hoogtepunt. Ze sterft niet alleen jong, maar ook op een kantelpunt. Haar ontwikkeling lijkt op dat moment in een stroomversnelling te zijn gekomen. Daardoor blijft voortdurend de vraag hangen: waar zou haar schilderkunst naartoe zijn gegroeid als zij niet op haar 28e was overleden? Dat maakt haar vroege dood niet alleen tragisch, maar ook kunsthistorisch betekenisvol. Niet omdat zij jong sterft is zij belangrijk, maar omdat haar werk al vóór haar dood een eigen richting heeft gevonden. Daardoor blijft haar invloed bestaan.

    Hoeveel leven heeft een kunstenaar nodig om een blijvende plaats in de kunstgeschiedenis te verwerven? Die vraag komt bij mij op wanneer ik het werk van Sher-Gil zie en me realiseer dat er meerdere kunstenaars hun werkzaamheden vroegtijdig moesten afbreken, omdat hun leven voortijdig eindigt en ze uit de tijd gingen. Daarbij denk ik aan Egon Schiele en Aubrey Beardsley, en dichter bij huis Jan Mankes. Hun kleine – onvoltooide – oeuvre blijkt voldoende om de kunstgeschiedenis blijvend te beïnvloeden. Want wanneer is een oeuvre voltooid? Is dat wanneer een kunstenaar oud wordt? Wanneer hij of zij alle fasen heeft doorlopen? Of kan een oeuvre, ondanks zijn geringe omvang, toch als afgerond en beslissend worden beschouwd?

    Een voltooid kunstenaarschap

    Dat maakt Sher-Gil zo boeiend. Zij sterft op jonge leeftijd, maar geldt in India als de grondlegger van de moderne schilderkunst. Haar werk lijkt tegelijkertijd voltooid én onvoltooid. Voltooid omdat het een duidelijke eigen stem heeft gekregen. Onvoltooid omdat je ziet dat zij nog midden in een ontwikkeling zit. Het oeuvre blijft onvoltooid, maar haar artistieke persoonlijkheid is misschien al voltooid. Want een kunstenaar hoeft niet alles geschilderd te hebben om zichzelf te ontdekken. Zij heeft haar eigen beeldtaal gevonden. Daarom herkennen we een Sher-Gil onmiddellijk.

    Amrita Sher-Gil, Waanders Uitgevers, Drents Museum

    De mens achter het schilderij

    Wat mij in de schilderijen van Sher-Gil vooral treft, is haar vermogen menselijke emoties zichtbaar te maken. Het tonen van menselijke passies straalt van de doeken. Het nagelaten oeuvre getuigt van een groot talent, dat helaas dus in de kiem is gesmoord. Maar waarmee zij toch behoort tot de kunstenaars die de moderne kunst blijvend hebben beïnvloed. Ze neemt het modernisme uit Europa serieus, maar kopieert het niet. Evenmin keert ze terug naar een geïdealiseerd Indiaas verleden. Ze ontwikkelt bij leven een schilderkunst waarin beide werelden samenkomen zonder dat de ene de andere overheerst. Sher-Gil zoekt niet naar een nieuwe manier van schilderen, maar naar een nieuwe manier om de mens zichtbaar te maken. Juist daarin schuilt haar blijvende betekenis.

    Ondanks haar academische opleiding vindt Sher-Gil zelf dat zij daar nooit werkelijk heeft leren schilderen. Pas wanneer zij haar eigen weg inslaat, ontstaat de schilderkunst die wij nu met haar naam verbinden. “Ik had in die tijd nog niet geleerd dat eenvoud de essentie van perfectie is. Als je heel jong bent, kijk je zo enthousiast en onkritisch dat je geneigd bent het artistieke geheel op te offeren aan onbelangrijke details, als die toevallig aangenaam zij voor het oog.”

    Ze gebruikt bestaande technieken, maar houdt daarbij vast aan haar eigen verhaal. Ze doet ervaring op tijdens kunstreizen en blijkt zo veelzijdig dat ze zich thuis weet in hoegenaamd iedere stijl van werken. “Met haar artistieke blik was ze altijd op zoek naar de relevantie van het modernisme binnen de realiteit van India”, lees ik in het boek. Ze laat zich niet makkelijk vangen en gaat een eigen nieuwsgierige weg. Het is een combinatie van westerse en oosterse culturele en maatschappelijke invloeden die haar werk kleuren. Bedachtzaam, zelfkritisch, met oneindige overgave en geduld. Ze heeft oog voor de zelfkant van het leven, de gewone en onopgemerkte mens. Veel westerse kunstenaars die India schilderen, zien vooral het kleurrijke, het vreemde of het pittoreske. Sher-Gil doet iets anders. Zij schildert mensen als individuen met een innerlijk leven. Haar vrouwen zijn niet decoratief, maar aanwezig. Ze hebben een waardigheid, een stilte en soms een melancholie die de toeschouwer dwingt langer te kijken.

    Tussen Europa en India

    Het Drents Museum laat haar werk zien in een overzichtstentoonstelling. Algemeen directeur Robert van Langh: “Binnen ons museum sluit Amrita Sher-Gils werk als vanzelf aan bij de verhalen die wij koesteren. Kunst uit het begin van de 20e eeuw, kunstenaars die de grenzen van hun tijd openbraken, stemmen die – zoals bij eerdere tentoonstellingen, waaronder die over Frida Kahlo – generaties blijven inspireren.” De catalogus bij de presentatie, waarin hoofdconservator Annemiek Rens en junior conservator Berber van der Veer ingaan op leven en werk van Amrita Sher-Gil, is een kennismaking met deze voor het grote publiek in Nederland onbekende kunstenaar. Het is een biografie van de in Hongarije geboren en via Frankrijk naar India getrokken schilderes. India, omdat daar gezien de afkomst van haar vader, de oorspronkelijkheid ligt van Sher-Gil. “Ons lange verblijf in Europa heeft me als het ware geholpen om India te ontdekken. Moderne kunst heeft me geleerd om Indiase schilder- en beeldhouwkunst te begrijpen en te waarderen.” Van overal en uit iedere stroming binnen de schilderkunst laat ze zich beïnvloeden, om er uiteindelijk een eigen stijl uit te destilleren. Binnen het oeuvre is het interessant te zien dat zij experimenteert met uiteenlopende stijlen en verschillende richtingen verkent, maar dat ten langen leste de beschouwer toch ziet wie de maker is. De signatuur van Sher-Gil wordt herkend.

    De vele tot nadenken stemmende en filosofisch getinte brieven uit de correspondentie van Amrita Sher-Gil bieden een goed inzicht in haar leven en werk. In het boek zijn daarom meerdere treffende citaten van haar opgenomen. En sprekende foto’s uit het familiearchief completeren het overzicht van de diverse schilderijen die op een tijdlijn zijn gezet. Niet alleen toont Sher-Gil zich dus in de schilderijen, maar zeker ook laat zij zich zien in het geschreven woord. Het is een welkome aanvulling. En bijzonder in het boek is dat details uit de schilderijen vergroot zijn afgebeeld. Thuis op de bank zie ik de verftoets, alsof ik in het museum voor het werk sta. Hoewel de fotograaf en daarna de drukker de uiterste best hebben gedaan de kleuren zo realistisch mogelijk te benaderen, blijft een bezoek aan het museum een must om de werken op waarde te schatten.

    “Met haar uitgesproken en vooruitstrevende ideeën over kunst, geloof, politiek, liefde en gelijkwaardigheid maakt Amrita Sher-Gil indruk”, schrijft Annemiek Rens. In haar talloze zelfportretten en naaktstudies laat ze een nieuw vrouwbeeld zien. Via haar kunst wordt zij de stem van de Indiase bevolking. In haar korte leven combineert ze rebelsheid met tomeloze creativiteit, zij drukt een onuitwisbaar stempel op de kunst. Haar Indiaas-Hongaarse afkomst verbindt verschillende werelddelen. Westerse moderne kunst en traditionele Indiase kunst versmelten in haar werk tot een geheel nieuwe stijl. En hoe jammer is het dan dat ze op het toppunt van haar kunnen, achteraf gezien en met de wetenschap nu dat het toen niet verder kon, die kunst heeft moeten verlaten. Hoewel ze toch veel heeft nagelaten, omdat ze een onlesbare drang had om te werken, is de intensiteit van het werk belangrijker gebleken dan de omvang van het oeuvre.

    Amrita Sher-Gil, Waanders Uitgevers, Drents Museum
    Het laatste onvoltooide schilderij, Lahore, november 1941

    De toekomst die uitbleef

    Het laatste schilderij waaraan ze heeft gewerkt, en dat geen voltooid werk is geworden, blijkt een voorzet naar een nieuwe manier van werken. Vandaar ook dat kantelpunt, haar kunnen kristalliseerde zich net uit toen ze afscheid heeft moeten nemen van het leven. Een grote tentoonstelling van haar werk stond op stapel. Die had haar positie als kunstenaar kunnen veranderen. Dat laatste schilderij wordt nu omschreven als een gewaagde compositie met vereenvoudigde vormen en uitgesproken kleuren. Onafgemaakt, net als haar levensdoel om een werkelijk moderne Indiase kunstenaar te worden. Achteraf is ze dat gebleken, maar bij leven heeft ze dat niet zelf mogen zijn althans werd ze niet aldus aangemerkt. Gaat dat echter niet dikwijls zo, dat de kunst van de kunstenaar pas in de dood wordt gewaardeerd. Met haar manier van leven en werken heeft ze het een en ander teweeg gebracht. En door de te vroege dood heeft ze een legendarische indruk achtergelaten. Zoals Jan Mankes en Egon Schiele heeft Amrita Sher-Gil zelf laten zien dat niet de omvang van een oeuvre bepalend is, maar de kracht waarmee een kunstenaar een nieuwe werkelijkheid zichtbaar maakt. “Kunst kan de vormen uit het verleden niet nabootsen. Ze moet haar inspiratie uit het heden putten om de vormen van de toekomst te creëren.”

    Amrita Sher-Gil. “Europa is van Picasso, India is aallee van mij”. Teksten Robert van Langh, Vivek Aggarwal, Annemiek Rens, Berber van der Veer. Uitgave bij tentoonstelling in Drents Museum van 22 maart tot en met 20 september 2026. Waanders Uitgevers ism. Drents Museum, 2026.

    Amrita Sher-Gil, Waanders Uitgevers, Drents Museum
  • Rein Dool heeft geen titel nodig om aan te spreken

    Zonder titel toont Rein Dool zijn werken van de laatste twee jaar. En daaruit blijkt dat kunst geen leeftijd heeft. Dat zelfs een ouder kunstenaar nog jeugdige werken maakt. Rein Dool is van 1933. Aan groei in de kunst zit geen slot, het eind is nooit in zicht. De kunstenaar gaat niet met pensioen; er zijn geen geraniums anders dan te verwerken in een stilleven. Het werkbaar leven stopt echter niet, er is geen afronding, geen sprake van een stil leven.

    Kunst bedrijven is een manier van leven. Kunstenaar word je niet, dat ben je. Dat is anders dan bij alle andere vakken die te beoefenen zijn. Er is geen opleiding tot kunstenaar, het doen is de leerschool. Een academie onderwijst technieken, maar inspiratie en gevoel zijn van nature aanwezig. Dat zit in je DNA, dat valt niet te leren.

    De kunstenaar in zijn werk

    Het creëren, het van niets iets maken, zit Rein Dool in het bloed. Hij is er ooit mee begonnen om zichzelf te vinden en is er nooit meer mee gestopt. Want hij heeft zichzelf erin gevonden: ‘Het tekenen gaf me een doel in het leven. Als ik maar kon tekenen, dan was het goed. Ik tekende om mijzelf te worden.’ En ik ontdek hem tussen de verfstreken en potloodlijnen door. Zijn werk — dat is Rein Dool. In ieder werk vindt hij zichzelf opnieuw uit. Dat heeft geen titel als aanwijzing nodig. Het verdient een objectief kijken.

    Dool experimenteert en groeit in zijn kunst. Met de opzet van iedere nieuwe serie verrast hij de beschouwer. Elke volgende reeks geeft een andere kijk op de kunstenaar. Hij wijzigt zijn invalshoek en levert mij een oorspronkelijk perspectief. De prille werken ogen jong en dragen onzichtbaar een inmiddels meer dan negentigjarig leven in zich. Ieder nieuw werk is echter even fris en levendig als dat wat een half leven eerder werd gemaakt.

    Een eerste ontmoeting

    Werk van Rein Dool zag ik eerder in de multidisciplinaire tentoonstelling On the Spot in Museum Belvédère. Dat was in de zomer van 2017, een eerste overweldigende kennismaking. Een selectie tekeningen uit zijn serie Parken zette mij tot lyrische woorden aan en ik schreef een bewogen artikel; een citaat: ‘Niet de suggestie van een koele bries bezorgt de kijker kippenvel of een aangename rilling over de rug, maar de nauwkeurige manier waarop de tekenaar met de emotie speelt. Dat wat hij daar zag staat op papier, maar het geeft een poëtisch gevoel. Het is een dichterlijke vrijheid in tastbare beeltenis uitgevoerd. (…) Het is een park om in weg te dromen. Een beeld om te mijmeren. Laat mij hier maar figuurlijk versterven.’

    Steeds een andere tekentrant

    Er zijn tekenaars die op een bepaald moment een stijl en een manier van werken omarmen en zich daarin vasthoudend blijven uitdrukken. Bij Rein Dool is daarvan geen sprake; hij wisselt voortdurend van tekentrant. Zo ontstaat een veelzijdig oeuvre. Daarbij vraagt hij zich af of iedereen wel ziet dat het allemaal door een en dezelfde kunstenaar is gemaakt.

    Als jonge tekenaar ontdekt Rein Dool zijn talent voor het tekenen naar de werkelijkheid, het wonder dat je dankzij nauwkeurig kijken en beschouwen, en door het oefenen van je hand, alles om je heen kunt weergeven met een potlood. Bekijk je het onderwerp zorgvuldig van alle kanten, zie je volume en diepte, dan begint het onder je handen steeds werkelijker te worden. ‘Zijn oog voor het absurde van het ogenschijnlijk gewone en alledaagse vormt voor Dool een onuitputtelijke bron van inspiratie’, lees ik in een publicatie.

    Van werkelijkheid naar essentie

    Het beelden naar de uiterste werkelijkheid geeft hem het vermogen daarnaast ook de essentie van het beeld te pakken. In zijn werk kan hij door te kijken welhaast fotografisch realistisch zijn, maar juist door die kennis van zaken kan hij dingen weglaten totdat een veelzeggend abstract werk ontstaat. Want het tekenen en schilderen naar de werkelijkheid, dat hij steeds beter beheerst, voelt vaak ook als een inperking van zijn vrijheid. Hij durft de werkelijkheid los te laten en ontdekt hoe weinig er nodig is om een mens te maken. Om de essentie van de mens vast te leggen. Dat houdt verband met zijn anders kunnen kijken, beter kunnen zien en doorzien, zijn oorspronkelijke handschrift en zijn verwondering over de wereld, zijn medemens en zichzelf. Rein Dool is een verrassende tekenaar met soms wonderlijk werk.

    Het doolhoofd

    Hij doolt als het ware door de kunst, maar verdwaalt niet in verschillende stijlen, want alles past hem. Rein Dool grasduint en neemt van iedere techniek iets mee. Zo komt hij niet tot een eenduidige stijl waaraan je de meester onmiddellijk herkent, vandaar zijn retorische vraag of men wel kan zien of het allemaal door dezelfde kunstenaar is gemaakt.

    Naast uiterst realistische tekeningen, zoals de Parken-serie, zet Rein Dool even vrolijk abstracte verbeeldingen op. Zijn werk is echter nooit volledig abstract; er blijft altijd een realistische ingang bestaan. Zo zijn de meest recente tekeningen een stilering van het leven. Een versimpeld beeldmerk. De essentie van het zijn ligt erin vast, zit opgesloten in de gelaagde voorstelling. Kern van iedere tekening in deze serie is de karakterisering van het gelaat. Het tot zijn essentie teruggebrachte menselijke profiel, door dichter Tom van Deel ooit treffend ‘doolhoofd’ gedoopt.

    De doorlopende golvende lijn van voorhoofd, via neus tot kin vormt een grimas. Daarin bevindt zich steeds een alziend oog dat afgetekend contact maakt, dat apert communiceert binnen en buiten het werk. Niet telkens is dat hoofd direct zichtbaar en soms maakt het deel uit van het lijnenspel in de tekening, maar altijd is het ergens aanwezig. Alsof de kunstenaar, als een Alfred Hitchcock, steeds even opduikt in zijn werk en ziet dat alles goed is. Want ook het leven van Rein Dool is een scheppingsverhaal.

    Tussen realiteit en abstractie

    Zijn de meeste werken opgebouwd rond constructivistische elementen, zo nu en dan sluipt er een realistisch getekend stilleven de compositie binnen. De geconstrueerde omgeving wordt dan een verstild landschap. De mens die verrukt raakt van huisje-boompje-beestje-werk, gechargeerd gesteld ‘de jongen met de traan’ die hij of zij boven de bank heeft gehangen, zal bij de gedetailleerde realiteit van Dool verzuchten: zie je dat, hij kan het wel. Alsof kunnen tekenen enkel het exact weergeven van de werkelijkheid behelst. Rein Dool heeft daaraan geen boodschap en bezigt beide waarheden. Hij kan eenvoudig vanuit de realiteit opgaan in abstractie om vervolgens terug te vallen op de werkelijkheid. Het is eenvoudigweg hoe hij zich wil uitdrukken.

    Kijken zonder titel

    Het is fijn dat het boek met tekeningen 2024-2025 als opschrift Zonder titel heeft. En dat ook de werken daarin zonder titel gaan. Daardoor wordt het kijken ernaar, het zien ervan, een persoonlijke belevenis. De richting van het beschouwen is namelijk niet vooraf bepaald; die kan ik zelf kiezen en daar mijn gevoel, en dus mijn waarheid, tegenover zetten. Hans Locher, voormalig directeur van het Gemeentemuseum Den Haag, schrijft in zijn voorwoord onder meer over het doolhoofd: ‘Een aanwezigheid die zowel speels als ernstig kan zijn, in rust stevig gepositioneerd maar ook fel dominerend dan wel nerveus gekanteld, zwevend en doorzichtig, vlak langs de onderkant of bovenkant van een voorstelling bijvoorbeeld. (…) Zoek dan ernaar, zou ik zeggen. Vooral ook al zoekend en plotseling vindend kan je opgenomen worden in het visuele avontuur van deze tekeningen, een avontuur dat rondom dit motief nog heel veel meer omvat dat je kan raken.’

    Het is tevens aangenaam dat het voorwoord van Hans Locher de enige tekst in het boek is. Daardoor kan de beschouwer zich volledig onderdompelen in het kijken naar de werken en wordt hij niet gestoord door afleidende omschrijvingen van de kunst of belevenissen met de kunstenaar. Van de diverse werken staan op het naastgelegen titelblad slechts de techniek, het formaat en het jaar van ontstaan vermeld. Verder niets dan het nummer van de pagina.

    Zonder titel is dus een prentenboek, een uitgave als reisgids om de wereld van Rein Dool te ontdekken. Van harte aanbevolen.

    REIN DOOL, zonder titel, tekeningen 2024-2025. Met een voorwoord van Hans Locher. Waanders Uitgevers, Zwolle 2026.

    Rein Dool, zonder titel, tekeningen
    Rein Dool, zonder titel, tekeningen
  • Biografie Blaupot ten Cate herinnert aan een onstuimig leven

    Museum Belvédère bezit een schilderij dat maar moeilijk in samenhang met andere werken uit de collectie getoond kan worden. Het zal overigens niet het enige kunstwerk in de collectie zijn dat meestal achterblijft in het depot en maar zelden zichtbaar is voor het publiek. Maar deze specifieke eenling krijgt toch met enige regelmaat een plek op zaal, omdat directeur-conservator Han Steenbruggen het zo mooi vindt. Het betreft een werk van Anne Marie Blaupot ten Cate en toont een dromerig geschilderd portret van twee vrouwen. Geschilderd in haar Parijse jaren, schrijft Steenbruggen in het voorwoord van een biografie over haar leven: “(…) alles zoveel zachter en subtieler op elkaar afgestemd. Die ritmische opeenvolging van ogen, monden, schouders en armen, het versluierde coloriet en de donkere accenten rond en boven de figuren. Het zijn die beeldende middelen waarmee ze de melancholie in de blik van de twee vrouwen diepere betekenis geeft.”

    Dit schilderij is min of meer het vertrekpunt om een avontuurlijk verhaal over haar leven te schrijven. Hoewel deze “Twee vrouwen” een ingetogen karakter hebben, geldt dat zeker niet voor de maker ervan. Anne Marie Blaupot ten Cate, geboren in Nijehaske onder de rook van Heerenveen, dreigt een vergeten kunstenaar te worden. Althans: zij verdween mogelijk anoniem in de vergetelheid van de kunstgeschiedenis. Wijlen Susan van den Berg verdiepte zich in leven en werk van Blaupot ten Cate, maar kon deze beschouwing niet afmaken vanwege haar plotselinge overlijden in 2023. Van den Berg had al eerder in een boek aandacht gevraagd voor een onopgemerkte kunstenaar: Hanny Korevaar. Kunsthistorica en publiciste Van den Berg, nog maar net aan Museum Belvédère verbonden als conservator, stond bij leven bekend om haar nauwgezette studie van de kunst en de kunstenaars waarover zij schreef. De uitgaven van haar hand mogen kleine parels in de kunstbibliotheek heten. Van een biografie over Blaupot ten Cate is het echter niet gekomen en ook voor het samenstellen van een tentoonstelling ontbrak Steenbruggen aanvankelijk de moed. Niet meer nadat Hanneke Boonstra zich had gemeld. Boonstra wist niets van de plannen van het museum, maar werkte al aan een onderzoek dat zou uitmonden in een biografische schets en een bescheiden tentoonstelling.

    Tussen figuratie en abstractie

    In de schaduw van de kunstgeschiedenis leeft Anne Marie Blaupot ten Cate een heftig en bij tijd en wijle stormachtig bestaan. Hartstochtelijk op zoek naar erkenning, bewegend tussen grootheden die haar niet onopgemerkt voorbij lieten gaan. Tegelijkertijd ontwikkelt zij driftig een stijl die wordt omschreven als lyrisch expressionisme en later als intuïtieve abstractie. Wat haar bovendien bijzonder maakt, is dat haar werk nooit helemaal opgaat in één stroming. Ze beweegt tussen figuratie en abstractie, tussen Parijs en Noord-Afrika, tussen schilderkunst en textielkunst. Daardoor houdt haar oeuvre iets zwervends en ongrijpbaars — alsof het voortdurend onderweg is. Want zij is een wereldburger die nooit langer dan enkele jaren op één plaats verblijft en dikwijls terugkeert naar waar ze eerder was.

    Haar leven en werk vormen een zoektocht naar vrijheid — eerst in de zichtbare werkelijkheid, later steeds meer in kleur, ritme en innerlijke beweging. “Een schilderij is ritme, beweging, klank en kleur”, zegt ze daar zelf over. “Zoiets als dansen.” De kunst van Anne Marie Blaupot ten Cate lijkt zich niet te willen laten vastzetten in één stijl of richting. Haar werk beweegt. Alsof het onderweg is naar iets wat niet volledig zichtbaar wordt, maar zich slechts laat vermoeden — dat er meer schuilgaat achter de afbeelding dan wat zichtbaar is. Eerst nog herkenbaar in mensen, steden en landschappen, later steeds vrijer in kleur, ritme en gebaar. Niet de werkelijkheid zelf wordt geschilderd, maar de adem ervan.

    Door een intieme tentoonstelling achter in de westvleugel van Belvédère krijgt de museumbezoeker een glinstering te zien van het ritme, de beweging, de klank en de kleur waarvan Blaupot ten Cate zich bediende. Hoewel klein van opzet maakt de tentoonstelling groots zichtbaar waarom Van den Berg en later Boonstra haar uit de schaduw voor het voetlicht wilden brengen. De dromerige sfeer die zowel in het figuratieve werk als in de abstracties naar voren komt, zet zich af tegen de dreiging van het dagelijks bestaan. De zorgen en moeiten waarmee zij te kampen had, worden niet verwerkt in de schilderijen. Haar depressieve momenten, verloren liefdes, geldzorgen en de oorlogsdreiging krijgen geen plek in de overwegend montere verbeeldingen. Wel lijken de geportretteerde figuren in zichzelf gekeerd, melancholisch, haast hulpeloos in hun blik. Het kijken is doordringend en houdt de aandacht onwillekeurig vast. Deze fysieke openheid sluit de beschouwer als het ware op; de voorstelling magnetiseert het beschouwende oog.

    Menselijk en zintuiglijk

    Wat bij het werk van Anne Marie Blaupot ten Cate opvalt, is dat de vormen nooit hard worden. Zelfs wanneer haar werk richting abstractie schuift, blijft het menselijk en zintuiglijk. Alsof verf geen materiaal is, maar een gevoelslaag. Haar doeken hebben iets muzikaals; kleurvlakken raken elkaar zoals tonen dat doen in een compositie. Niet bedacht vanuit theorie, maar vanuit intuïtie. Je zou kunnen zeggen dat zij schilderde zoals een dichter schrijft: zoekend naar een innerlijke ruimte waarin de zichtbare wereld oplost in stemming, herinnering en beweging. Haar werk bezit daardoor iets nomadisch — alsof het nergens definitief wil aankomen. Parijs, reizen, textiel, licht, aarde en stilte vloeien er ongemerkt in samen.

    “Ik kom steeds weer tot abstractie, maar is het dan geen uitvlucht? Abstracte kunst kan zo gemakkelijk zijn, dat is zeker. Met het rein abstracte kan ik nog wel wat verder komen wat ritme, kleur en compositie betreft. Maar ik geloof het toch te moeten zoeken in een combinatie van droom en werkelijkheid, van innerlijk beleefde emoties en sensaties.” De beschrijving die Hanneke Boonstra van deze kunstenaar geeft, is samengesteld uit de vele bewaard gebleven brieven. Deze memorabilia zijn voor biografieën van tal van kunstenaars een vruchtbare voedingsbodem gebleken. Hoe zou dat tegenwoordig zijn, in onze digitale tijd waarin men nauwelijks nog tot een geschreven brief komt? Blaupot ten Cate heeft vele kantjes volgeschreven om het thuisfront van haar wederwaardigheden in en door de wereld op de hoogte te brengen. Haar doen en laten, haar leven en werk.

    Het is een onstuimig leven dat zich nauwelijks laat beteugelen. Zoveel maakt de lezer op uit deze uitgave. Maar dat heftige bestaan, het leven levend tot het gaatje, vindt nauwelijks weerslag in haar schilderijen. Tussen alle drukte door lijkt het schilderen een rustpunt te zijn geweest. Een stiltemoment. En nog werkt dat zo wanneer ik in het museum langs haar werken loop. De manier waarop het zijn in beeld is gebracht, zet aan tot nadenken. Natuurlijk zijn daar de weemoedige portretten, maar ook de dansende abstracties. “Abstract schilderen is eigenlijk een combinatie van stemmingen, die al werkend tot een schilderij uitgroeien. Pas later herken je dingen die je er onbewust hebt ingebracht.” Het onderbewuste speelt een grote rol in zowel het maken als het kijken naar de kunst van Blaupot ten Cate. Zij was een componist die muziek verdichtte in schilderijen. Als een dans over een kleurig podium. Zo zal de wereld haar herinneren.

    Anne Marie Blaupot ten Cate. Een onstuimig leven. Auteur: Hanneke Boonstra. Uitgave: Waanders Uitgevers, 2026. Kamerpresentatie Museum Belvédère, 21 februari tot en met 7 juni 2026.

    Anne Marie Blaupot ten Cate, Hanneke Boonstra, biografie, Museum Belvédère, Waanders Uitgevers
  • Om te begrijpen wat het betekent lichamelijk te zijn

    Het is een eigenaardige gewoonte van de mens om mensen in hokjes te zetten. Om vat te krijgen op een grote gemene deler. Niet uitzonderlijk unieke personen af te zonderen van de rest, maar alles op een hoop te gooien. Vooral recensenten en kunstcritici, om niet te zeggen kunsthistorici, hebben daar een handje van. Er dient een stijl te zijn die in een isme past, anders valt er niet over te oordelen en te verhalen. Natuurlijk bestaat er altijd een mate van overeenkomst; geen mens is volledig uniek en toch is ieder mens buitengewoon. Kunstenaars beginnen een nieuwe stroming zonder het zelf te weten. Pas achteraf beschrijven kunstkenners de soort waarin het werk enig is en waarop het reageert. Stijlen krijgen onderlinge relaties aangemeten. Kunstenaars worden geschaard in een groep. En wanneer schijnbaar gelijkgestemde kunstenaars zich in één plaats of streek ophopen, wordt al snel gesproken over een school.

    De term “School of London” werd gelanceerd door de Amerikaanse schilder R.B. Kitaj bij een door hem georganiseerde tentoonstelling in Londen in 1976. “Niet een samenhangende stijl of stroming in de moderne Britse schilderkunst, maar een bonte verzameling van individuele, eigenzinnige schilders in naoorlogs Londen die één ding gemeen hadden: de gedeelde fascinatie voor de menselijke vorm”, lees ik in de uitgave London Calling. Het boek verscheen bij de gelijknamige tentoonstelling in Kunstmuseum Den Haag. Het beschrijft de zogenoemde school en een veertiental kunstenaars die daartoe gerekend kunnen worden. Slechts een zestal daarvan vormt de kern van de School of London en krijgt extra aandacht.

    Londen als kunststad

    De auteurs vragen zich overigens af of er buiten die school ook ‘alternatieve’ schilders waren die ‘parallelle bewegingen’ maakten. Schilders die de figuratieve schildertraditie trouw bleven en haar nieuw leven inbliezen. Vrouwelijke makers en kunstenaars met een niet-westerse migratieachtergrond. Londen blijkt een smeltkroes van creatieve geesten te zijn, waarvan de school slechts een klein, maar wel degelijk belangrijk onderdeel vormt.

    Het boek toont in vergrijsde foto’s het Londen van de jaren zeventig van de vorige eeuw. Op die manier kan de lezer de sfeer aanvoelen van de plaats en de tijd waarin de naoorlogse kunst zich bewoog en waar de inspiratie lag. Natuurlijk is het niet slechts dat decennium waarin de Britse kunst zich heeft afgespeeld. Achteraf bezien vormde de school zich in een periode waarin Londen de plaats van Parijs als kunststad probeerde over te nemen. Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog was een deel van de kunstscene immers naar Londen gevlucht om zich daar in vrijheid verder te ontwikkelen. Al snel bleek echter dat New York City dit stokje overnam; de nieuwe wereld werd the place to be. Londen oefende wel een aantrekkingskracht uit die bijna dierlijk was: kunstenaars kwamen erop af als beren op honing. De school was dan ook niet enkel een Londense aangelegenheid; veel kunstenaars van buiten de regio en zelfs van overzee schoven aan in de ‘banken’. Ze hadden opleiding, interesse en sociale kring met elkaar gemeen. Maar het was geen afgebakende generatie, noch een verzameling studenten van één bepaalde academie.

    Methode om het leven vast te leggen

    “School of London werd een strategisch begrip”, schrijven Elena Crippa en Thijs de Raedt in London Calling, “in een poging juist daar iets aan te doen; de geschiedenis van naoorlogse Britse kunst opnieuw te bezien naast — of tegenover — internationale ontwikkelingen.” De kunstenaars die tot de school worden gerekend hielden zich bezig met de werkelijkheid als een puur visuele, formele aangelegenheid. Dat was in die tijd not done. De traditie moest worden afgelegd; er diende abstract gewerkt te worden, minimalistischer, met minder nadruk op vorm en verf, op het schilderen als handeling. Toch stond de School of London wel degelijk in een traditie, zonder daarom traditioneel te werk te gaan.

    Terwijl ik door het boek blader, zie ik hoe met de gebruikelijke manier van verbeelden de hand wordt gelicht. In het verbeelden van de realiteit sluipt een mate van abstractie binnen. Ook wordt het menselijk lichaam soms bijna surrealistisch benaderd. Maar altijd draait het om het leven achter de menselijke vorm.

    De schilderkunst als methode om het leven vast te leggen in zijn meest directe, betrokken en intense vorm betekent niet dat ik meteen begrijp wat ik zie. In de literaire verwijzingen en verhalende benaderingen dien ik dieper door te dringen om een vinger achter de afbeelding te krijgen. De kunstenaars verkennen het menselijk lichaam nauwelijks platonisch, maar eerder de emotie in het figuur, het gevoel achter de uitdrukking. Mag het lijf zichtbaar zijn — in sommige gevallen zelfs open, bloot en afstotend — dan nog ligt de affectie er dik bovenop. Er gaat een rilling over mijn rug wanneer ik die sensatie doorvoel. Wanneer de ervaring van het onderwerp dezelfde blijkt te zijn als die welke de kunstenaar inspireerde tot dat specifieke bezielde werk. Niet de werkelijkheid is overgenomen, maar de essentie van de emotie is gevat.

    Het schilderen is waarnemen. Niet van de waarheid, maar van de echtheid daarachter. Mijn kijken is gadeslaan, het opmerken van die oprechtheid. Tekortkomingen worden niet overschilderd of weggepoetst, maar juist grotesk uitvergroot. Het lichaam krijgt gestalte zoals het is, niet mooier gemaakt. Het is wat het is. En juist daardoor werkelijk werkelijk. Men beeldt uit wat men ziet en voelt. Zelfs dat wat het daglicht niet kan verdragen. Het is een zintuiglijke ervaring; niet de waarneming dicteert de handeling van het schilderen — het schilderen ís waarnemen. Composities zijn gebaseerd op observaties en tekeningen ter plaatse. Doeken worden keer op keer overschilderd totdat een opwindend en overtuigend beeld ontstaat: een intense en aangrijpende verbeelding van menselijke aanwezigheid. De schilderijen bevatten een menselijkheid die nooit anoniem is, het resultaat van intieme observatie en nabijheid.

    Politiek bewustzijn

    Niet alleen het westerse menselijk lichaam staat centraal binnen de School of London; ook de gekleurde medemens krijgt een nadrukkelijke plaats in de groepswerken. Zo krijgt de kunst van een aantal leden van de school een politieke en activistische lading. Mensenrechten komen aan de orde, want uitgaande van lijf en leden heeft ieder mens het recht te bestaan. Sanjukta Sunderason concludeert dat “vanuit het perspectief van kunstenaars van kleur de menselijke gestalte in de kunst juist dat soort kwesties zichtbaar zou moeten maken, in plaats van alleen de technische aspecten van de menselijke figuur.” Door in te gaan op maatschappelijke vraagstukken, stelt Sunderason, biedt de menselijke gestalte in de kunst niet alleen tegenwicht aan abstractie in de kunst, maar ook — en wellicht belangrijker nog — aan de abstrahering van het politieke bewustzijn zelf.

    Met London Calling wordt de School of London onderzocht: wat de betekenis van deze groep gelijkgestemde kunstenaars voor de kunstwereld is geweest, en welke kunstenaars binnen en buiten de groep het kunstklimaat in Engeland hebben bepaald. Het boek beschrijft in het kort de kunstenaars die aanvankelijk tot de school gerekend kunnen worden. Het zestal dat uiteindelijk de kern vormt krijgt meer aandacht, waarbij Francis Bacon duidelijk boven het maaiveld uitsteekt. Het boek toont vele werken naast de essays die de school binnen de Britse schilderkunst duiden. Dat maakt de uitgave tot een complete catalogus bij de tentoonstelling en tot een degelijk naslagwerk wanneer Kunstmuseum Den Haag afscheid heeft genomen van de Londense composities.

    Simpel gesteld is de School of London inderdaad een school, waarin de beschouwer wordt onderwezen in het kijken — beter kijken. Terwijl de kunstenaars leren het onderwerp werkelijk te zien, niet enkel de zichtbare werkelijkheid waar te nemen maar de echtheid daarachter te ervaren. Niet beelden, maar verbeelden. De schilderkunst gebruiken als middel om menselijkheid in de moderne tijd te onderzoeken — om te begrijpen wat het betekent lichamelijk te zijn. Verf en figuratie bezitten het vermogen de menselijke ervaring tastbaar te maken en te bevragen. Dat is de kracht én de instructie die de School of London als erfenis achterlaat.

    London Calling – Francis Bacon, Lucian Freud,David Hockney, Paula Rego. Uitgave verschenen bij de tentoonstelling in Kunstmuseum Den Haag, 14 februari tot en met 7 juni 2026. Samenstelling en redactie Thijs de Raedt. Waanders Uitgevers, Zwolle 2026.

    Kunstmuseum Den Haag, London Calling, School of London, Waanders Uitgevers
    Kunstmuseum Den Haag, London Calling, School of London, Waanders Uitgevers
  • Drents Museum groot in Microkosmos

    De mens heeft altijd gejaagd en verzameld, nog vóór hij begreep waarom. Wat ooit noodzaak was, werd later verlangen. Ooit joeg de mens op dieren en verzamelde hij wat de natuur bood; later verschoof de jacht naar objecten en werd verzamelen een manier van kijken. Van overleven naar bezitten, van noodzaak naar betekenis. In jagen als actieve gerichtheid en verzamelen als behoud en ordening verenigt de moderne mens beide in de figuur van de collectioneur – een houding die haar vroegste, tastbare vorm vindt in de Wunderkammer. Een dergelijk kunst- en rariteitenkabinet is een wereld in het klein, een microkosmos. Een aantal eeuwen geleden had iedere zichzelf respecterende, meer dan gemiddeld vermogende familie een dergelijke verzameling. Die werd aangelegd tijdens reizen naar vooral het Oosten en de binnenlanden van Afrika. Maar ook in Europa was genoeg te ontdekken om als rariteit te verzamelen. Echter na de 19e eeuw raakte de wonderkamer enigszins uit de gratie en ontstonden uit dergelijke bonte verzamelingen oudheidkamers en musea.

    Drents Museum, Microkosmos, Wunderkammer, rariteitenkabinet

    Het Drents Museum, ooit ontstaan om archeologische en historische vondsten te bewaren en te tonen, besteedt aandacht aan het fenomeen Wunderkammer in een soort van afscheidstentoonstelling voor de scheidende museumdirecteur Harry Tupan. Kunsthistoricus Tupan is een verzamelaar en heeft in zijn museumtijd de collectie op alle deelgebieden fors uitgebreid: “Een levenslange zoektocht naar schoonheid en verwondering. (…) Ik doe heel veel vanuit mijn gevoel”. Als hartstochtelijk en gepassioneerd collectioneur met een fijne neus voor bijzondere voorwerpen en kunstobjecten zit je in een museum uiteraard op een droomplek. Er is een ruimte tot je beschikking waar al het verworven materiaal kan worden opgeslagen en, belangrijker, aan publiek kan worden getoond. Hoewel de inhoud van een Wunderkammer vroeger alleen geopend werd voor familie en vrienden, tegenwoordig is een museum laagdrempelig en voor iedereen toegankelijk.

    Cabinet of curiosities

    Het rariteitenkabinet is de voorloper van het museum. In die wereld waarin objecten en attributen van overal en nergens, die weinig overeenkomsten met elkaar schijnen te hebben, zijn samengebracht draait het vooral om verwondering – steeds opnieuw keert dat woord terug, schoonheid en het zonderling bijzondere van de vertoning. Het Drents Museum heeft in het bestaan meerdere van dergelijke eigenaardige tentoonstellingen georganiseerd. Het museum beschouwt deze Microkosmos als één groot kunstwerk waarin traditionele objecten uit de Wunderkammer praktijk samengevoegd worden met wonderlijke hedendaagse kunstwerken. Want het cabinet of curiosities staat weer volop in de belangstelling. Meer dan de gangbare tentoonstellingen van beeldende kunst is de verwonderkamer een belevenis op zich, daarom niet verwonderlijk dat moderne jagers en verzamelaars, hedendaagse kunstenaars, er heil in zien het onder de aandacht te brengen.

    Drents Museum, Microkosmos, Wunderkammer, rariteitenkabinet

    In het museum kan de bezoeker zich vergapen aan de opstellingen en uitstallingen, waarin de objecten zich merkwaardig genoeg natuurlijk tot elkaar verhouden. Onder de titel Microkosmos is het museum als een zoekplaat om al die schoonheid te ontdekken. De verrassend vormgegeven catalogus kan daarbij een reisgids zijn. Achtergronden van de bijzondere verzamelstukken worden gegeven, verzamelaars komen aan het woord, kunstenaars geven uitleg over hun werk en de geschiedenis van de Wunderkammer wordt belicht. De uitgave is een waar verzamelobject en een welkom naslagwerk wanneer de kabinetten van de tentoonstelling straks zijn uitgeruimd. Het Drents Museum, altijd op zoek naar de verwondering, heeft onder leiding van Harry Tupan meerdere van dergelijke bijzondere tentoonstellingen georganiseerd, en daarbij meerdere passende catalogi uitgegeven als rariteiten in de boekenkast, zoals Viva la Frida!

    Historische verzamelingen

    In de begeleidende publicatie wordt dat instinct expliciet benoemd: “Noem het menselijk instinct, noem het een drang of soms een verslaving, het zit in de menselijke natuur om te bewaren. Om te overleven, te herinneren, uit persoonlijke fascinatie of als middel om jezelf mee te presenteren naar de buitenwereld.” Lees ik als inleiding op een hoofdstuk in het boek. “Deze individuele bewaardrang was het startpunt van verzamelingen en uitzonderlijke ‘collecties’. Als instellingen gaan verzamelen, wordt er nieuwe invulling gegeven aan die drijfveer. Kennis vergaren, onderzoeken en vergelijken, maar ook financiële motieven spelen een rol.” Niet alleen het rariteitenkabinet en later het historisch museum is een middel om de wereld te ontdekken, ook in het kunstmuseum kan een tot dan onbekende nieuwe wereld worden aangetroffen. De objecten hebben een verhaal, een boodschap die nu kritisch benadert zal worden. De historische verzamelingen zijn in het verleden niet altijd op een manier verworven die een schoonheidsprijs verdient. Verzamelen is immers onlosmakelijk verbonden met commercie en handel. Maar het is geschiedenis en toont hoe men destijds de wereld bekeek en zich dacht de schoonheid ervan te mogen toeëigenen. De medaille heeft twee zijden. Er is de verwondering over de verzameling en over de manier van verwerven. De verzamelaars van toen hebben heel wat uit te leggen en excuses te maken.

    Drents Museum, Microkosmos, Wunderkammer, rariteitenkabinet

    Het boek beschrijft en de tentoonstelling toont een keur aan verzamelingen, waarbij Tupan hoopt “dat monden van mensen gaan openvallen doordat we het onbekende naar binnen hebben gehaald”. Microkosmos laat natuurlijk objecten en kunstwerken van anderen zien, maar deze wereld in een Wunderkammer is toch vooral de omgeving waarin Harry Tupan graag verkeert. Er is in de uitgave dan ook ruim aandacht voor Tupan, die na ruim 45 jaar verbonden te zijn geweest aan het Drents Museum in september 2025 met pensioen is gegaan. Daarnaast komen verzamelaars aan het woord die hem fascineren als mens, hoe ze eruit zien, zoals ze zich gedragen en zoals ze doen. Dat weerspiegelt zich in hun collecties vindt Tupan. “Eigenlijk is die collectie hun spiegel, ze zijn het.” Ze hebben de behoefte om hun wereld te ordenen en betekenis te geven aan dingen, gedreven door verwondering en nieuwsgierigheid.

    Bewondering en verbazing

    Verder komt uiteraard het verzamelen zelf aan bod, de opbouw en inrichting van de rariteitenkabinetten door de eeuwen heen. Daarin spiegelt zich tevens de eigenaar, en reflecteert de wereld en de maatschappij in de tijd dat de Wunderkammer is ontstaan. Iedere uitstalling heeft een eigen historische waarde, de persoonlijke beleving van degene die het heeft samengesteld. Vooral het vervreemdende en het exotische trok en trekt nog altijd de aandacht. Het is fascinerend te zien wat men zoal belangrijk vond om te verzamelen.

    Drents Museum, Microkosmos, Wunderkammer, rariteitenkabinet

    Behalve het oproepen van bewondering en verbazing droegen de rariteitenkabinetten ook bij aan kennisvermeerdering en praktische toepassing. Het waren niet slechts bonte collecties bijeengebracht van over verre grenzen, maar deze bevatten tevens talloze meestal merkwaardige verhaallijnen. Het schijnt dat alles wat bij wijze van spreken los en vast zat werd verzameld. Van de kleinste schelp tot de grootste krokodil en alles wat daar als artificialia en naturalia tussen zit. De inhoud van een dergelijk kabinet, dat inderdaad begint als kast met laden en bij uitbreiding van de collectie uitgroeit tot een volgestopte ruimte, is een verzameling objecten die niets met elkaar te maken lijken te hebben. Echter zijn de voorwerpen met zorg uitgekozen: voor wat ze waard zijn, voor de herinnering die ze bij zich dragen, of wat ze voor de toekomst of het verleden betekenen. Voor de verzamelaar heeft het een persoonlijke betekenis. De buitenstaander kan zich er kostelijk mee vermaken.

    Kunstenaar is ontdekkingsreiziger

    De Wunderkammer staat opnieuw in de belangstelling en hedendaagse kunstenaars houden zich er op een moderne manier mee bezig. De klassieke Wunderkammer gaat over exclusiviteit, tegenwoordig juist over inclusiviteit. Pronkte men eertijds met zeldzame voorwerpen, nu worden kunstobjecten gemaakt van alledaagse materialen. Zo verschuift de aandacht maar blijft de verwondering het toverwoord. Het weerspiegelt een diepgewortelde menselijke fascinatie voor verzamelen, ordenen en bewaren. Het is niet slechts een etalage van exotische curiosa, maar een kritisch podium waarin vragen over duurzaamheid, kennis en macht worden gesteld. Een spiegel van de tijd waarin we leven. De kunstenaar is ontdekkingsreiziger en vindt andere manieren om met bestaande materialen nieuwe verhalen te vertellen. De Wunderkammer is volwassen geworden. De jagers en verzamelaars uit het verleden zijn in het heden nog altijd op zoek naar rariteiten om collecties aan te leggen. De wereld verwondert zich.

    Microkosmos, de wereld in een Wunderkammer. Publicatie ter gelegenheid van de gelijknamige tentoonstelling in het Drents Museum. Van 7 september 2025 tot en met 1 maart 2026. Waanders Uitgevers / Drents Museum, 2025.

    Drents Museum, Microkosmos, Wunderkammer, rariteitenkabinet
    Drents Museum, Microkosmos, Wunderkammer, rariteitenkabinet
  • Het herordenen van de zichtbare werkelijkheid

    In november tipt Stef Kreymborg mij en al haar andere volgers online: “eerst de tentoonstelling Solo e Tutti in Museum Eicas in Deventer bekijken en daarna het gelijknamige boek in de Museumwinkel aanschaffen (…). Om zelf van te genieten of aan een ander te geven!” Dus heeft zij mij nog zo gewaarschuwd: eerst kijken dan kopen en bekijken. Maar ja, eigenwijs hé. Sla ik het boek open, dan werk ik me eerst door structuren, materialen en stoffen heen. Om in de sfeer te komen, zeg maar. Want dat is haar stiel, dat is waar haar kunst uit bestaat. Het herordenen van de zichtbare werkelijkheid.

    De kunstenaar kijkt anders, ziet beter, merkt op. Wat de ‘normale’ mens niet ontdekt, gewoon overheen stapt of ongezien aan zich voorbij laat gaan – dat pikt de kunstenaar op, neemt daar meer dan notitie van. Kijkt als het ware door de werkelijkheid heen naar een nieuwe waarheid. Maakt van die waarheid een nieuwe realiteit, een echtheid die voor de kunstenaar wezenlijk is. Dat is voor zover het een gevoel betreft bij wat zichtbaar en tastbaar is, de emotionele waarde. De kunstenaar ziet volstrekt meer, niet alleen de omgeving op zichzelf maar tevens details daarin of onderdelen daaruit. Iedere materie, elke stof, alle vormen kunnen een begin zijn van een nieuwe samengestelde waarheid. Een werkelijkheid in een andere gecreëerde wereld. Een inspiratie om een zogenoemd kunstwerk mee en van te produceren.

    De eerste objet trouvé

    Werkelijk met alles is kunst mee of van te maken. De tijd dat potlood en penseel, krijt en verf, het enige materiaal was om mee te werken ligt ver achter ons. Iedere grondstof kan in de kunst gebruikt worden om te beelden, te verbeelden. Om datgene te maken wat er voordien alszodanig niet was. Nam de prehistorische mens een kooltje uit het vuur en zette een tekening op de rotswand. Het was zogezegd de eerste objet trouvé. En later worden planten gebruikt als grondstof voor pigment om verf te maken. Of stenen om een beeld te houwen. Die steen is ook ready made, de vorm moet alleen nog worden uitgepakt ofwel uitgehakt. Marcel Duchamp zag in het object dat al van de oorsprong was ontdaan een kunstwerk. Door het slechts op een andere manier te presenteren kreeg het waarde. Zo is dat met alle dingen die de kunstenaar door de omgeving is aangereikt. Verf is ook maar modder aan een kwastje. De lijn de afgifte van houtskool.

    Vriendin Renate Dorrestein leerde op de lagere school van Stef dat je dingen kunt verzinnen. “Niet ingeperkt te worden door de werkelijkheid bleek een tovermiddel”, schrijft ze. “Het ging eigenlijk net als lezen; je hoefde het alleen maar voor je te zien.” Daarin schuilt de crux van Kreymborgs oeuvre. Feico Hoekstra merkt in zijn biografische schets ook op dat het stoeien met vormen en structuren, het uitdenken en projecteren, er al vroeg bij de kunstenaar in zit. “Dan probeerde ik mooie vormen en mooie kleurcombinaties te maken.” Haar textielreliëfs en blinddrukken met abstracte composities kregen in het begin een stroeve presentatie, maar daarmee bouwde ze later een zekere reputatie op. Textiel en papier hielden haar voorkeur om daaraan door vouwen wezensvreemde vormen te creëren. Hoekstra schetst de weg die Kreymborg in de kunst gaat, en die is eigenzinnig verlopen van pure esthetiek naar een poëtische invalshoek. De werken krijgen een sociale laag, hebben een verhaal meer dan dat ze schoonheid uitstralen. Werkt Kreymborg eerst kleurloos, later past zij door een opdracht van Forbo Flooring, marktleider in vloerbedekking, diverse kleuren op haar kunst in. De mooiheid mag dan niet voorop staan, de composities hebben glans en schitteren de beschouwer tegemoet.

    Kleren maken de man, textielpluis en plastic, 2017.

    Creatief speelse geest

    Ik doe het vrijwel iedere dag. De zeef van de wasdroger opschonen. De stoffen die zijn afgeslagen van het textiel in en door de droogtrommel. Ik gooi ze weg, deze doen er niet meer toe. Maar eens heb ik gedacht dat stof te verzamelen om er iets mee te doen, ooit. Kreymborg deed dat, ik keek ervan op. Het schiep in gedachten een band met deze creatief speelse geest. De cyclus van creëren, het hergebruik van dingen, wordt door haar gekunsteld. Eens zag ik van een bevriend kunstenaar, die zich beeldbouwer noemt, een compositie met kwikloks ofwel broodclips. Van die sluitingen waarmee broodzakken worden dicht gemaakt. Van die plasticjes die ongezien worden weg gegooid. Maar dergelijke onooglijke dingen zijn te bewaren, te verzamelen. Door de vingers van de kunstenaar zijn de sluitingen tot een kunstwerk samengesteld. In volgorde van houdbaarheidsdatum draaien ze rond hun as. Ik vergelijk dit met de compositie eenzame sokken van Kreymborg. Sokken die ooit de helft van een paar zijn geweest, maar als onvrijwillige vrijgezellen nutteloos in de kast liggen. De sokken kreeg ze van alle kanten toegestuurd na een oproep op sociale media. Het werd een veelkleurige klaagmuur, waarmee haar kunst een andere betekenis kreeg. Simpel maar doelmatig. Want overal en van alles, van niets is iets te maken. Alles wat je ziet is te gebruiken. De kunstenaar heeft daar een antenne voor, althans de experimentele kunstenaar die het beeld wil uitproberen, de waarheid wil testen, de werkelijkheid wil aanpassen.

    Klaagmuur van eenzame sokken, eenzame sokken op textiel, 2009.

    De objecten van Kreymborg zijn een sieraad in de ruimte en bepalen een sfeer. Haar kunst richt zich op uit het platte vlak. Het onmogelijke is in haar werk mogelijk gemaakt, ogenschijnlijk niets is tot werkelijk iets geworden. Het heeft waarde, is van belang geworden. Vormen jeuken, volumes kriebelen. Het idee daar iets mee te doen pijnigt niet het brein maar doet de gedachte een sprongetje maken. Het hart slaat over van opwinding daar iets in te zien dat een ander pas ontdekt wanneer jij het hebt hergebruikt. Het opent de ogen, verruimd de blik. Het inzicht krijgt ruimte, de blik breekt los. Het andere zien gooit het krampachtige beschouwen van zich af. Verstand op nul, blik op oneindig, en zonder vooroordeel objectief genieten. “Je zou kunnen zeggen dat ik tegenwoordig vooral emotioneel geladen materialen gebruik, die iets meegemaakt hebben en zo een dimensie toevoegen aan de vorm. (…) Natuurlijk bén ik mijn werk, maar het mooiste is als ook anderen zich erin herkennen. Daar doe ik het voor, daar word ik blij van.”

    Tot in iedere vezel verbonden met haar werk

    In haar werk zie je invloeden van de Nulbeweging terug komen, maar zij geeft de koude monochrome abstractie een warme natuur. Gaandeweg de tijd krijgt het eenkleurige karakter een veelvormige aard. Adelheid Smit beschrijft in haar bijdrage tot het boek de artistieke aspiraties van Stef Kreymborg, dat haar werk verweven is met haar wezen. “Zoals draden zijn verweven tot textiel, zo verweven is Stef Kreymborg met de dingen die ze maakt”, benoemt Karin van Lieverloo de ongezochte vondsten in het werk. “Tot in iedere vezel is zij verbonden met haar werk, dat materialiteit als kenmerk heeft. Ze bouwt met stof, ze materialiseert.” De ordinaire vorm, het dagdagelijkse object afgedaan als onbruikbaar na intensief gebruik, verheerlijkt zich in de kunst. Het lelijke eendje wordt een schone zwaan, voor wie er oog voor heeft. Wie de waarde van het hergebruik, de reïncarnatie van de vorm, wil inzien en op waarde weet te schatten. De waarde die het object zich door de kunstenaar heeft laten toemeten.

    “Ik ben gefascineerd door de regelmatige onregelmatigheid in groeivormen”, licht Kreymborg de ontroering van onder meer de patronen in een doorgesneden rode kool, de strepen van een zebra, wolkenformaties, zandribbels, berkenbossen en zwermen vogels toe. “Steeds zoek ik het spanningsveld tussen uniformiteit en diversiteit, tussen orde en wanorde, tussen symmetrie en asymmetrie.” En “ik zoek naar beelden waarin de wetmatigheden van de natuur een relatie hebben met vorm, kleur en beweging in de cultuur.” Het wezen van iets, het wezenlijke, daar gaat het haar om. De verbinding tussen al haar kunstuitingen ligt in de zoektocht naar het wezenlijke, waarbij de materie de vorm dicteert. Kreymborg is een waarnemer, dat past zij toe in haar werk. Ze merkt schoonheid op in het onverwachte, in dat wat ieder ander over het hoofd ziet of voor vanzelfsprekend aanneemt: in het kleine het grootse en in het gewone het ongewone opmerken. De gedachte reïncarneert in het beeld. De idee krijgt vorm, de geest heeft volume. Het inzicht filosofeert zichzelf tot tastbaar en aanraakbaar object. Het boek toont een verscheidenheid van die objecten en geeft een gelaagd inzicht in wat kunst voor Stef Kreymborg is.

    Solo e Tutti. Stef Kreymborg. Uitgave verschenen bij de gelijknamige tentoonstelling in Museum EICAS in Deventer van 26 oktober 2025 tot en met 22 februari 2026. Waanders Uitgevers & Wilco Art Books, 2025.

  • Toorop in voetsporen Van Gogh

    Het uitdrukken van emotie door middel van de werkelijkheid sprak Charley Toorop aan in het werk van Vincent van Gogh. Niet het reproduceren van de zichtbare omgeving, maar de ervaring daarbij geeft beeld in vlak en vorm. Daardoor kunnen kleuren afwijken van de werkelijkheid, omdat een stemming rood kan aanvoelen terwijl de lucht blauw en de sfeer zichtbaar in beweging is en zindert van verrukking. Het is dit basale plezier dat zich laat vertalen in expressieve penseelvoering en intens emotioneel kleurgebruik. Naar deze gecompliceerde eenvoud die uitdrukking geeft aan persoonlijke gedachten bij de algemene waarneming was Toorop op zoek. Deze verbeelding vond ze in de schilderijen en tekeningen van Van Gogh.

    Vooral het beleven en weergeven van de zelfkant van het leven, de eenvoudige mens met pijn en moeite, het bloed zweet en tranen gevoel. Dat is wat Charley Toorop in gedachte en verwerking, idee en uitwerking, overneemt van deze bevlogen schilder. En natuurlijk zijn er meerdere kunstenaars na hem waarop Van Gogh van invloed is geweest, stromingen die zich door zijn expressieve aanpak lieten inspireren. Stijl en vormgeving worden bepaald door en zijn een reactie op wat eerder heeft plaats gevonden en is gebezigd. Het huidige geslacht staat op de schouders van de voorgaande generatie. Sterke schouders die een stijl en beweging kunnen dragen. Slechts enkele figuren in de massa zijn meer dan figurant en steken boven het maaiveld uit. Schudden het speelveld van de kunst op en zetten onbewust en onbedoeld misschien een nieuw isme in gang. Zo iemand is Van Gogh achteraf gezien.

    Donkerte van het leven

    Het Kröller-Müller Museum kan als geen ander museum deze verwantschap laten zien door het werk van beide kunstenaars te tonen. Zowel van Toorop als van Van Gogh bezit het Kröller-Müller de grootste verzameling werken. Daarom kunnen de schilderijen en tekeningen permanent naast elkaar worden getoond en kan studie worden gemaakt naar relaties en parallellen. Beide zielen hebben één gedachte, waarbij Toorop bij wijze van spreken in de voetsporen van Van Gogh is getreden. Niet alleen voor wat betreft de kunst, maar ook het in praktijk brengen van inzicht en opvatting. Denkt Vincent eerst nog prediker onder mijnwerkers te zijn, later laat hij in beeld de armoede en moeite zien waarin en waarmee deze mensen hun leven vullen. Door Van Gogh kregen deze stervelingen een persoonlijk karakter. Keek hij uit over de weidse landschappen en bracht deze tot leven in kleur en penseelvoering. Hij zag de mens en keek in de spiegel, het bracht hem tot negatieve gedachten en grootse werken. Het leed verkorte zijn leven maar maakt zijn nalatenschap duurzaam.

    De donkerte van het leven trok ook Charley Toorop aan. In Vincent van Gogh zag ze haar voorganger, hij wees haar als het ware de weg en met zijn werk kon zij datzelfde pad inslaan. “Van Gogh hielp haar om een weg te vinden naar het visualiseren van een bezielde werkelijkheid”, schrijft Benno Tempel in zijn voorwoord van de catalogus bij een tentoonstelling. Een catalogus die na een studie naar de invloed van het werk van Van Gogh op het kunnen van Toorop is verschenen. Niet alleen door haar krachtige middel om beeld te geven aan deze mensen, ook in de praktijk van het voeren van actie zette zij zich in. De levens van Van Gogh en Toorop sluiten in principe op elkaar aan, kunnen elkaar bedekken. Het is alsof zij zijn jas aan heeft getrokken – een jas vol verfspatten, wanhoop en genade – die hij zelf levensmoe aan de wilgen had gehangen. Ook zij liet zich door diepe dalen leiden, maar de kunst voerde haar naar hoge pieken. In de kunst vond zij zichzelf, als is het schilderen en tekenen een therapie om het leven aan te kunnen.

    Geëngageerd kunstenaarschap

    In het boek wordt Charley Toorops fascinatie voor Vincent van Gogh beschreven. Vooral de intense gewaarwording van het leven als zijn sprak haar aan. Het verbeelden en beschrijven in schilderijen, tekeningen en brieven maakt Van Gogh tot emotioneel chroniqueur van het tragische bestaan. Een geschiedschrijver van de periferie van het wezen. In een korte biografie geeft Renske Cohen Tervaert aan op welke manier deze levenslijnen elkaar kruisen en samen opgaan. In het interbellum van de twintigste eeuw ontdekte Toorop een haar passend geëngageerd kunstenaarschap, waarin haar interesse voor de psyche van de mens en haar zoektocht naar spiritualiteit een plaats konden krijgen. Van Gogh is daarin in eerste instantie haar gids, later zal zij zelf deze reis aan kunnen en worden geroemd om haar uitbeelding van emoties. De uitgave legt beide levens naast elkaar, toont voorbeelden van overeenkomst en navolging. Voor beide schilders was kunst een medicijn, een middel om te overleven. Waarbij in het geval van Vincent de medicatie niet toereikend bleek en bij Charley het haar wezen rechtvaardigde.

    Charley Toorop had een obsessie voor de realiteit en vond in het na zijn dood gecreëerde beeld van Van Gogh als kunstenaar verwikkeld in een persoonlijke strijd met oog voor de harde realiteit en het menselijk leed – “de worstelende mensch die de menschelijke ellende doorvoeld heeft” – een voorbeeld om dat spoor te volgen. Dichterlijk beschreven zou Toorop een reïncarnatie van Van Gogh kunnen zijn. Nog geen jaar na schilders vroegtijdige dood kwam Charley Toorop ter wereld. Terwijl ze opgroeide en zich ontwikkelde was zij getuige van Van Goghs almaar toenemende roem. “In Van Gogh vond Toorop (…) een gelijkgestemde; met hem deelde ze een liefde voor de rauwe realiteit, evenals voor de natuur”, schrijft Franka Blok in haar essay. “Het zien van en lezen over Van Goghs kunst bleek niet langer genoeg, ook de plekken waar hij had gewerkt moesten bezocht worden.” En met Van Gogh en Toorop als leidraad gaat de lezer van de catalogus en de bezoeker van de tentoonstelling op reis langs deze plekken.

    Charley Toorop, liefde voor Van Gogh. Publicatie naar aanleiding tentoonstelling in Kröller-Müller Museum van 24 mei tot 14 september 2025. Teksten Renske Cohen Tervaert, Franka Blok, Merjet Brolsma, Wessel Krul, Benno Tempel. Uitgave Waanders Uitgevers / Kröller-Müller Museum, 2025.