Categorie: Waanders Uitgevers

  • Rein Dool heeft geen titel nodig om aan te spreken

    Zonder titel toont Rein Dool zijn werken van de laatste twee jaar. En daaruit blijkt dat kunst geen leeftijd heeft. Dat zelfs een ouder kunstenaar nog jeugdige werken maakt. Rein Dool is van 1933. Aan groei in de kunst zit geen slot, het eind is nooit in zicht. De kunstenaar gaat niet met pensioen; er zijn geen geraniums anders dan te verwerken in een stilleven. Het werkbaar leven stopt echter niet, er is geen afronding, geen sprake van een stil leven.

    Kunst bedrijven is een manier van leven. Kunstenaar word je niet, dat ben je. Dat is anders dan bij alle andere vakken die te beoefenen zijn. Er is geen opleiding tot kunstenaar, het doen is de leerschool. Een academie onderwijst technieken, maar inspiratie en gevoel zijn van nature aanwezig. Dat zit in je DNA, dat valt niet te leren.

    De kunstenaar in zijn werk

    Het creëren, het van niets iets maken, zit Rein Dool in het bloed. Hij is er ooit mee begonnen om zichzelf te vinden en is er nooit meer mee gestopt. Want hij heeft zichzelf erin gevonden: ‘Het tekenen gaf me een doel in het leven. Als ik maar kon tekenen, dan was het goed. Ik tekende om mijzelf te worden.’ En ik ontdek hem tussen de verfstreken en potloodlijnen door. Zijn werk — dat is Rein Dool. In ieder werk vindt hij zichzelf opnieuw uit. Dat heeft geen titel als aanwijzing nodig. Het verdient een objectief kijken.

    Dool experimenteert en groeit in zijn kunst. Met de opzet van iedere nieuwe serie verrast hij de beschouwer. Elke volgende reeks geeft een andere kijk op de kunstenaar. Hij wijzigt zijn invalshoek en levert mij een oorspronkelijk perspectief. De prille werken ogen jong en dragen onzichtbaar een inmiddels meer dan negentigjarig leven in zich. Ieder nieuw werk is echter even fris en levendig als dat wat een half leven eerder werd gemaakt.

    Een eerste ontmoeting

    Werk van Rein Dool zag ik eerder in de multidisciplinaire tentoonstelling On the Spot in Museum Belvédère. Dat was in de zomer van 2017, een eerste overweldigende kennismaking. Een selectie tekeningen uit zijn serie Parken zette mij tot lyrische woorden aan en ik schreef een bewogen artikel; een citaat: ‘Niet de suggestie van een koele bries bezorgt de kijker kippenvel of een aangename rilling over de rug, maar de nauwkeurige manier waarop de tekenaar met de emotie speelt. Dat wat hij daar zag staat op papier, maar het geeft een poëtisch gevoel. Het is een dichterlijke vrijheid in tastbare beeltenis uitgevoerd. (…) Het is een park om in weg te dromen. Een beeld om te mijmeren. Laat mij hier maar figuurlijk versterven.’

    Steeds een andere tekentrant

    Er zijn tekenaars die op een bepaald moment een stijl en een manier van werken omarmen en zich daarin vasthoudend blijven uitdrukken. Bij Rein Dool is daarvan geen sprake; hij wisselt voortdurend van tekentrant. Zo ontstaat een veelzijdig oeuvre. Daarbij vraagt hij zich af of iedereen wel ziet dat het allemaal door een en dezelfde kunstenaar is gemaakt.

    Als jonge tekenaar ontdekt Rein Dool zijn talent voor het tekenen naar de werkelijkheid, het wonder dat je dankzij nauwkeurig kijken en beschouwen, en door het oefenen van je hand, alles om je heen kunt weergeven met een potlood. Bekijk je het onderwerp zorgvuldig van alle kanten, zie je volume en diepte, dan begint het onder je handen steeds werkelijker te worden. ‘Zijn oog voor het absurde van het ogenschijnlijk gewone en alledaagse vormt voor Dool een onuitputtelijke bron van inspiratie’, lees ik in een publicatie.

    Van werkelijkheid naar essentie

    Het beelden naar de uiterste werkelijkheid geeft hem het vermogen daarnaast ook de essentie van het beeld te pakken. In zijn werk kan hij door te kijken welhaast fotografisch realistisch zijn, maar juist door die kennis van zaken kan hij dingen weglaten totdat een veelzeggend abstract werk ontstaat. Want het tekenen en schilderen naar de werkelijkheid, dat hij steeds beter beheerst, voelt vaak ook als een inperking van zijn vrijheid. Hij durft de werkelijkheid los te laten en ontdekt hoe weinig er nodig is om een mens te maken. Om de essentie van de mens vast te leggen. Dat houdt verband met zijn anders kunnen kijken, beter kunnen zien en doorzien, zijn oorspronkelijke handschrift en zijn verwondering over de wereld, zijn medemens en zichzelf. Rein Dool is een verrassende tekenaar met soms wonderlijk werk.

    Het doolhoofd

    Hij doolt als het ware door de kunst, maar verdwaalt niet in verschillende stijlen, want alles past hem. Rein Dool grasduint en neemt van iedere techniek iets mee. Zo komt hij niet tot een eenduidige stijl waaraan je de meester onmiddellijk herkent, vandaar zijn retorische vraag of men wel kan zien of het allemaal door dezelfde kunstenaar is gemaakt.

    Naast uiterst realistische tekeningen, zoals de Parken-serie, zet Rein Dool even vrolijk abstracte verbeeldingen op. Zijn werk is echter nooit volledig abstract; er blijft altijd een realistische ingang bestaan. Zo zijn de meest recente tekeningen een stilering van het leven. Een versimpeld beeldmerk. De essentie van het zijn ligt erin vast, zit opgesloten in de gelaagde voorstelling. Kern van iedere tekening in deze serie is de karakterisering van het gelaat. Het tot zijn essentie teruggebrachte menselijke profiel, door dichter Tom van Deel ooit treffend ‘doolhoofd’ gedoopt.

    De doorlopende golvende lijn van voorhoofd, via neus tot kin vormt een grimas. Daarin bevindt zich steeds een alziend oog dat afgetekend contact maakt, dat apert communiceert binnen en buiten het werk. Niet telkens is dat hoofd direct zichtbaar en soms maakt het deel uit van het lijnenspel in de tekening, maar altijd is het ergens aanwezig. Alsof de kunstenaar, als een Alfred Hitchcock, steeds even opduikt in zijn werk en ziet dat alles goed is. Want ook het leven van Rein Dool is een scheppingsverhaal.

    Tussen realiteit en abstractie

    Zijn de meeste werken opgebouwd rond constructivistische elementen, zo nu en dan sluipt er een realistisch getekend stilleven de compositie binnen. De geconstrueerde omgeving wordt dan een verstild landschap. De mens die verrukt raakt van huisje-boompje-beestje-werk, gechargeerd gesteld ‘de jongen met de traan’ die hij of zij boven de bank heeft gehangen, zal bij de gedetailleerde realiteit van Dool verzuchten: zie je dat, hij kan het wel. Alsof kunnen tekenen enkel het exact weergeven van de werkelijkheid behelst. Rein Dool heeft daaraan geen boodschap en bezigt beide waarheden. Hij kan eenvoudig vanuit de realiteit opgaan in abstractie om vervolgens terug te vallen op de werkelijkheid. Het is eenvoudigweg hoe hij zich wil uitdrukken.

    Kijken zonder titel

    Het is fijn dat het boek met tekeningen 2024-2025 als opschrift Zonder titel heeft. En dat ook de werken daarin zonder titel gaan. Daardoor wordt het kijken ernaar, het zien ervan, een persoonlijke belevenis. De richting van het beschouwen is namelijk niet vooraf bepaald; die kan ik zelf kiezen en daar mijn gevoel, en dus mijn waarheid, tegenover zetten. Hans Locher, voormalig directeur van het Gemeentemuseum Den Haag, schrijft in zijn voorwoord onder meer over het doolhoofd: ‘Een aanwezigheid die zowel speels als ernstig kan zijn, in rust stevig gepositioneerd maar ook fel dominerend dan wel nerveus gekanteld, zwevend en doorzichtig, vlak langs de onderkant of bovenkant van een voorstelling bijvoorbeeld. (…) Zoek dan ernaar, zou ik zeggen. Vooral ook al zoekend en plotseling vindend kan je opgenomen worden in het visuele avontuur van deze tekeningen, een avontuur dat rondom dit motief nog heel veel meer omvat dat je kan raken.’

    Het is tevens aangenaam dat het voorwoord van Hans Locher de enige tekst in het boek is. Daardoor kan de beschouwer zich volledig onderdompelen in het kijken naar de werken en wordt hij niet gestoord door afleidende omschrijvingen van de kunst of belevenissen met de kunstenaar. Van de diverse werken staan op het naastgelegen titelblad slechts de techniek, het formaat en het jaar van ontstaan vermeld. Verder niets dan het nummer van de pagina.

    Zonder titel is dus een prentenboek, een uitgave als reisgids om de wereld van Rein Dool te ontdekken. Van harte aanbevolen.

    REIN DOOL, zonder titel, tekeningen 2024-2025. Met een voorwoord van Hans Locher. Waanders Uitgevers, Zwolle 2026.

    Rein Dool, zonder titel, tekeningen
    Rein Dool, zonder titel, tekeningen
  • Biografie Blaupot ten Cate herinnert aan een onstuimig leven

    Museum Belvédère bezit een schilderij dat maar moeilijk in samenhang met andere werken uit de collectie getoond kan worden. Het zal overigens niet het enige kunstwerk in de collectie zijn dat meestal achterblijft in het depot en maar zelden zichtbaar is voor het publiek. Maar deze specifieke eenling krijgt toch met enige regelmaat een plek op zaal, omdat directeur-conservator Han Steenbruggen het zo mooi vindt. Het betreft een werk van Anne Marie Blaupot ten Cate en toont een dromerig geschilderd portret van twee vrouwen. Geschilderd in haar Parijse jaren, schrijft Steenbruggen in het voorwoord van een biografie over haar leven: “(…) alles zoveel zachter en subtieler op elkaar afgestemd. Die ritmische opeenvolging van ogen, monden, schouders en armen, het versluierde coloriet en de donkere accenten rond en boven de figuren. Het zijn die beeldende middelen waarmee ze de melancholie in de blik van de twee vrouwen diepere betekenis geeft.

    Dit schilderij is min of meer het vertrekpunt om een avontuurlijk verhaal over haar leven te schrijven. Hoewel deze “Twee vrouwen” een ingetogen karakter hebben, geldt dat zeker niet voor de maker ervan. Anne Marie Blaupot ten Cate, geboren in Nijehaske onder de rook van Heerenveen, dreigt een vergeten kunstenaar te worden. Althans: zij verdween mogelijk anoniem in de vergetelheid van de kunstgeschiedenis. Wijlen Susan van den Berg verdiepte zich in leven en werk van Blaupot ten Cate, maar kon deze beschouwing niet afmaken vanwege haar plotselinge overlijden in 2023. Van den Berg had al eerder in een boek aandacht gevraagd voor een onopgemerkte kunstenaar: Hanny Korevaar. Kunsthistorica en publiciste Van den Berg, nog maar net aan Museum Belvédère verbonden als conservator, stond bij leven bekend om haar nauwgezette studie van de kunst en de kunstenaars waarover zij schreef. De uitgaven van haar hand mogen kleine parels in de kunstbibliotheek heten. Van een biografie over Blaupot ten Cate is het echter niet gekomen en ook voor het samenstellen van een tentoonstelling ontbrak Steenbruggen aanvankelijk de moed. Niet meer nadat Hanneke Boonstra zich had gemeld. Boonstra wist niets van de plannen van het museum, maar werkte al aan een onderzoek dat zou uitmonden in een biografische schets en een bescheiden tentoonstelling.

    Tussen figuratie en abstractie

    In de schaduw van de kunstgeschiedenis leeft Anne Marie Blaupot ten Cate een heftig en bij tijd en wijle stormachtig bestaan. Hartstochtelijk op zoek naar erkenning, bewegend tussen grootheden die haar niet onopgemerkt voorbij lieten gaan. Tegelijkertijd ontwikkelt zij driftig een stijl die wordt omschreven als lyrisch expressionisme en later als intuïtieve abstractie. Wat haar bovendien bijzonder maakt, is dat haar werk nooit helemaal opgaat in één stroming. Ze beweegt tussen figuratie en abstractie, tussen Parijs en Noord-Afrika, tussen schilderkunst en textielkunst. Daardoor houdt haar oeuvre iets zwervends en ongrijpbaars — alsof het voortdurend onderweg is. Want zij is een wereldburger die nooit langer dan enkele jaren op één plaats verblijft en dikwijls terugkeert naar waar ze eerder was.

    Haar leven en werk vormen een zoektocht naar vrijheid — eerst in de zichtbare werkelijkheid, later steeds meer in kleur, ritme en innerlijke beweging. “Een schilderij is ritme, beweging, klank en kleur”, zegt ze daar zelf over. “Zoiets als dansen.” De kunst van Anne Marie Blaupot ten Cate lijkt zich niet te willen laten vastzetten in één stijl of richting. Haar werk beweegt. Alsof het onderweg is naar iets wat niet volledig zichtbaar wordt, maar zich slechts laat vermoeden — dat er meer schuilgaat achter de afbeelding dan wat zichtbaar is. Eerst nog herkenbaar in mensen, steden en landschappen, later steeds vrijer in kleur, ritme en gebaar. Niet de werkelijkheid zelf wordt geschilderd, maar de adem ervan.

    Door een intieme tentoonstelling achter in de westvleugel van Belvédère krijgt de museumbezoeker een glinstering te zien van het ritme, de beweging, de klank en de kleur waarvan Blaupot ten Cate zich bediende. Hoewel klein van opzet maakt de tentoonstelling groots zichtbaar waarom Van den Berg en later Boonstra haar uit de schaduw voor het voetlicht wilden brengen. De dromerige sfeer die zowel in het figuratieve werk als in de abstracties naar voren komt, zet zich af tegen de dreiging van het dagelijks bestaan. De zorgen en moeiten waarmee zij te kampen had, worden niet verwerkt in de schilderijen. Haar depressieve momenten, verloren liefdes, geldzorgen en de oorlogsdreiging krijgen geen plek in de overwegend montere verbeeldingen. Wel lijken de geportretteerde figuren in zichzelf gekeerd, melancholisch, haast hulpeloos in hun blik. Het kijken is doordringend en houdt de aandacht onwillekeurig vast. Deze fysieke openheid sluit de beschouwer als het ware op; de voorstelling magnetiseert het beschouwende oog.

    Menselijk en zintuiglijk

    Wat bij het werk van Anne Marie Blaupot ten Cate opvalt, is dat de vormen nooit hard worden. Zelfs wanneer haar werk richting abstractie schuift, blijft het menselijk en zintuiglijk. Alsof verf geen materiaal is, maar een gevoelslaag. Haar doeken hebben iets muzikaals; kleurvlakken raken elkaar zoals tonen dat doen in een compositie. Niet bedacht vanuit theorie, maar vanuit intuïtie. Je zou kunnen zeggen dat zij schilderde zoals een dichter schrijft: zoekend naar een innerlijke ruimte waarin de zichtbare wereld oplost in stemming, herinnering en beweging. Haar werk bezit daardoor iets nomadisch — alsof het nergens definitief wil aankomen. Parijs, reizen, textiel, licht, aarde en stilte vloeien er ongemerkt in samen.

    Ik kom steeds weer tot abstractie, maar is het dan geen uitvlucht? Abstracte kunst kan zo gemakkelijk zijn, dat is zeker. Met het rein abstracte kan ik nog wel wat verder komen wat ritme, kleur en compositie betreft. Maar ik geloof het toch te moeten zoeken in een combinatie van droom en werkelijkheid, van innerlijk beleefde emoties en sensaties.” De beschrijving die Hanneke Boonstra van deze kunstenaar geeft, is samengesteld uit de vele bewaard gebleven brieven. Deze memorabilia zijn voor biografieën van tal van kunstenaars een vruchtbare voedingsbodem gebleken. Hoe zou dat tegenwoordig zijn, in onze digitale tijd waarin men nauwelijks nog tot een geschreven brief komt? Blaupot ten Cate heeft vele kantjes volgeschreven om het thuisfront van haar wederwaardigheden in en door de wereld op de hoogte te brengen. Haar doen en laten, haar leven en werk.

    Het is een onstuimig leven dat zich nauwelijks laat beteugelen. Zoveel maakt de lezer op uit deze uitgave. Maar dat heftige bestaan, het leven levend tot het gaatje, vindt nauwelijks weerslag in haar schilderijen. Tussen alle drukte door lijkt het schilderen een rustpunt te zijn geweest. Een stiltemoment. En nog werkt dat zo wanneer ik in het museum langs haar werken loop. De manier waarop het zijn in beeld is gebracht, zet aan tot nadenken. Natuurlijk zijn daar de weemoedige portretten, maar ook de dansende abstracties. “Abstract schilderen is eigenlijk een combinatie van stemmingen, die al werkend tot een schilderij uitgroeien. Pas later herken je dingen die je er onbewust hebt ingebracht.” Het onderbewuste speelt een grote rol in zowel het maken als het kijken naar de kunst van Blaupot ten Cate. Zij was een componist die muziek verdichtte in schilderijen. Als een dans over een kleurig podium. Zo zal de wereld haar herinneren.

    Anne Marie Blaupot ten Cate. Een onstuimig leven. Auteur: Hanneke Boonstra. Uitgave: Waanders Uitgevers, 2026. Kamerpresentatie Museum Belvédère, 21 februari tot en met 7 juni 2026.

    Anne Marie Blaupot ten Cate, Hanneke Boonstra, biografie, Museum Belvédère, Waanders Uitgevers
  • Om te begrijpen wat het betekent lichamelijk te zijn

    Het is een eigenaardige gewoonte van de mens om mensen in hokjes te zetten. Om vat te krijgen op een grote gemene deler. Niet uitzonderlijk unieke personen af te zonderen van de rest, maar alles op een hoop te gooien. Vooral recensenten en kunstcritici, om niet te zeggen kunsthistorici, hebben daar een handje van. Er dient een stijl te zijn die in een isme past, anders valt er niet over te oordelen en te verhalen. Natuurlijk bestaat er altijd een mate van overeenkomst; geen mens is volledig uniek en toch is ieder mens buitengewoon. Kunstenaars beginnen een nieuwe stroming zonder het zelf te weten. Pas achteraf beschrijven kunstkenners de soort waarin het werk enig is en waarop het reageert. Stijlen krijgen onderlinge relaties aangemeten. Kunstenaars worden geschaard in een groep. En wanneer schijnbaar gelijkgestemde kunstenaars zich in één plaats of streek ophopen, wordt al snel gesproken over een school.

    De term “School of London” werd gelanceerd door de Amerikaanse schilder R.B. Kitaj bij een door hem georganiseerde tentoonstelling in Londen in 1976. “Niet een samenhangende stijl of stroming in de moderne Britse schilderkunst, maar een bonte verzameling van individuele, eigenzinnige schilders in naoorlogs Londen die één ding gemeen hadden: de gedeelde fascinatie voor de menselijke vorm”, lees ik in de uitgave London Calling. Het boek verscheen bij de gelijknamige tentoonstelling in Kunstmuseum Den Haag. Het beschrijft de zogenoemde school en een veertiental kunstenaars die daartoe gerekend kunnen worden. Slechts een zestal daarvan vormt de kern van de School of London en krijgt extra aandacht.

    Londen als kunststad

    De auteurs vragen zich overigens af of er buiten die school ook ‘alternatieve’ schilders waren die ‘parallelle bewegingen’ maakten. Schilders die de figuratieve schildertraditie trouw bleven en haar nieuw leven inbliezen. Vrouwelijke makers en kunstenaars met een niet-westerse migratieachtergrond. Londen blijkt een smeltkroes van creatieve geesten te zijn, waarvan de school slechts een klein, maar wel degelijk belangrijk onderdeel vormt.

    Het boek toont in vergrijsde foto’s het Londen van de jaren zeventig van de vorige eeuw. Op die manier kan de lezer de sfeer aanvoelen van de plaats en de tijd waarin de naoorlogse kunst zich bewoog en waar de inspiratie lag. Natuurlijk is het niet slechts dat decennium waarin de Britse kunst zich heeft afgespeeld. Achteraf bezien vormde de school zich in een periode waarin Londen de plaats van Parijs als kunststad probeerde over te nemen. Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog was een deel van de kunstscene immers naar Londen gevlucht om zich daar in vrijheid verder te ontwikkelen. Al snel bleek echter dat New York City dit stokje overnam; de nieuwe wereld werd the place to be. Londen oefende wel een aantrekkingskracht uit die bijna dierlijk was: kunstenaars kwamen erop af als beren op honing. De school was dan ook niet enkel een Londense aangelegenheid; veel kunstenaars van buiten de regio en zelfs van overzee schoven aan in de ‘banken’. Ze hadden opleiding, interesse en sociale kring met elkaar gemeen. Maar het was geen afgebakende generatie, noch een verzameling studenten van één bepaalde academie.

    Methode om het leven vast te leggen

    School of London werd een strategisch begrip”, schrijven Elena Crippa en Thijs de Raedt in London Calling, “in een poging juist daar iets aan te doen; de geschiedenis van naoorlogse Britse kunst opnieuw te bezien naast — of tegenover — internationale ontwikkelingen.” De kunstenaars die tot de school worden gerekend hielden zich bezig met de werkelijkheid als een puur visuele, formele aangelegenheid. Dat was in die tijd not done. De traditie moest worden afgelegd; er diende abstract gewerkt te worden, minimalistischer, met minder nadruk op vorm en verf, op het schilderen als handeling. Toch stond de School of London wel degelijk in een traditie, zonder daarom traditioneel te werk te gaan.

    Terwijl ik door het boek blader, zie ik hoe met de gebruikelijke manier van verbeelden de hand wordt gelicht. In het verbeelden van de realiteit sluipt een mate van abstractie binnen. Ook wordt het menselijk lichaam soms bijna surrealistisch benaderd. Maar altijd draait het om het leven achter de menselijke vorm.

    De schilderkunst als methode om het leven vast te leggen in zijn meest directe, betrokken en intense vorm betekent niet dat ik meteen begrijp wat ik zie. In de literaire verwijzingen en verhalende benaderingen dien ik dieper door te dringen om een vinger achter de afbeelding te krijgen. De kunstenaars verkennen het menselijk lichaam nauwelijks platonisch, maar eerder de emotie in het figuur, het gevoel achter de uitdrukking. Mag het lijf zichtbaar zijn — in sommige gevallen zelfs open, bloot en afstotend — dan nog ligt de affectie er dik bovenop. Er gaat een rilling over mijn rug wanneer ik die sensatie doorvoel. Wanneer de ervaring van het onderwerp dezelfde blijkt te zijn als die welke de kunstenaar inspireerde tot dat specifieke bezielde werk. Niet de werkelijkheid is overgenomen, maar de essentie van de emotie is gevat.

    Het schilderen is waarnemen. Niet van de waarheid, maar van de echtheid daarachter. Mijn kijken is gadeslaan, het opmerken van die oprechtheid. Tekortkomingen worden niet overschilderd of weggepoetst, maar juist grotesk uitvergroot. Het lichaam krijgt gestalte zoals het is, niet mooier gemaakt. Het is wat het is. En juist daardoor werkelijk werkelijk. Men beeldt uit wat men ziet en voelt. Zelfs dat wat het daglicht niet kan verdragen. Het is een zintuiglijke ervaring; niet de waarneming dicteert de handeling van het schilderen — het schilderen ís waarnemen. Composities zijn gebaseerd op observaties en tekeningen ter plaatse. Doeken worden keer op keer overschilderd totdat een opwindend en overtuigend beeld ontstaat: een intense en aangrijpende verbeelding van menselijke aanwezigheid. De schilderijen bevatten een menselijkheid die nooit anoniem is, het resultaat van intieme observatie en nabijheid.

    Politiek bewustzijn

    Niet alleen het westerse menselijk lichaam staat centraal binnen de School of London; ook de gekleurde medemens krijgt een nadrukkelijke plaats in de groepswerken. Zo krijgt de kunst van een aantal leden van de school een politieke en activistische lading. Mensenrechten komen aan de orde, want uitgaande van lijf en leden heeft ieder mens het recht te bestaan. Sanjukta Sunderason concludeert dat “vanuit het perspectief van kunstenaars van kleur de menselijke gestalte in de kunst juist dat soort kwesties zichtbaar zou moeten maken, in plaats van alleen de technische aspecten van de menselijke figuur.” Door in te gaan op maatschappelijke vraagstukken, stelt Sunderason, biedt de menselijke gestalte in de kunst niet alleen tegenwicht aan abstractie in de kunst, maar ook — en wellicht belangrijker nog — aan de abstrahering van het politieke bewustzijn zelf.

    Met London Calling wordt de School of London onderzocht: wat de betekenis van deze groep gelijkgestemde kunstenaars voor de kunstwereld is geweest, en welke kunstenaars binnen en buiten de groep het kunstklimaat in Engeland hebben bepaald. Het boek beschrijft in het kort de kunstenaars die aanvankelijk tot de school gerekend kunnen worden. Het zestal dat uiteindelijk de kern vormt krijgt meer aandacht, waarbij Francis Bacon duidelijk boven het maaiveld uitsteekt. Het boek toont vele werken naast de essays die de school binnen de Britse schilderkunst duiden. Dat maakt de uitgave tot een complete catalogus bij de tentoonstelling en tot een degelijk naslagwerk wanneer Kunstmuseum Den Haag afscheid heeft genomen van de Londense composities.

    Simpel gesteld is de School of London inderdaad een school, waarin de beschouwer wordt onderwezen in het kijken — beter kijken. Terwijl de kunstenaars leren het onderwerp werkelijk te zien, niet enkel de zichtbare werkelijkheid waar te nemen maar de echtheid daarachter te ervaren. Niet beelden, maar verbeelden. De schilderkunst gebruiken als middel om menselijkheid in de moderne tijd te onderzoeken — om te begrijpen wat het betekent lichamelijk te zijn. Verf en figuratie bezitten het vermogen de menselijke ervaring tastbaar te maken en te bevragen. Dat is de kracht én de instructie die de School of London als erfenis achterlaat.

    London Calling – Francis Bacon, Lucian Freud,David Hockney, Paula Rego. Uitgave verschenen bij de tentoonstelling in Kunstmuseum Den Haag, 14 februari tot en met 7 juni 2026. Samenstelling en redactie Thijs de Raedt. Waanders Uitgevers, Zwolle 2026.

    Kunstmuseum Den Haag, London Calling, School of London, Waanders Uitgevers
    Kunstmuseum Den Haag, London Calling, School of London, Waanders Uitgevers
  • Drents Museum groot in Microkosmos

    De mens heeft altijd gejaagd en verzameld, nog vóór hij begreep waarom. Wat ooit noodzaak was, werd later verlangen. Ooit joeg de mens op dieren en verzamelde hij wat de natuur bood; later verschoof de jacht naar objecten en werd verzamelen een manier van kijken. Van overleven naar bezitten, van noodzaak naar betekenis. In jagen als actieve gerichtheid en verzamelen als behoud en ordening verenigt de moderne mens beide in de figuur van de collectioneur – een houding die haar vroegste, tastbare vorm vindt in de Wunderkammer. Een dergelijk kunst- en rariteitenkabinet is een wereld in het klein, een microkosmos. Een aantal eeuwen geleden had iedere zichzelf respecterende, meer dan gemiddeld vermogende familie een dergelijke verzameling. Die werd aangelegd tijdens reizen naar vooral het Oosten en de binnenlanden van Afrika. Maar ook in Europa was genoeg te ontdekken om als rariteit te verzamelen. Echter na de 19e eeuw raakte de wonderkamer enigszins uit de gratie en ontstonden uit dergelijke bonte verzamelingen oudheidkamers en musea.

    Drents Museum, Microkosmos, Wunderkammer, rariteitenkabinet

    Het Drents Museum, ooit ontstaan om archeologische en historische vondsten te bewaren en te tonen, besteedt aandacht aan het fenomeen Wunderkammer in een soort van afscheidstentoonstelling voor de scheidende museumdirecteur Harry Tupan. Kunsthistoricus Tupan is een verzamelaar en heeft in zijn museumtijd de collectie op alle deelgebieden fors uitgebreid: “Een levenslange zoektocht naar schoonheid en verwondering. (…) Ik doe heel veel vanuit mijn gevoel”. Als hartstochtelijk en gepassioneerd collectioneur met een fijne neus voor bijzondere voorwerpen en kunstobjecten zit je in een museum uiteraard op een droomplek. Er is een ruimte tot je beschikking waar al het verworven materiaal kan worden opgeslagen en, belangrijker, aan publiek kan worden getoond. Hoewel de inhoud van een Wunderkammer vroeger alleen geopend werd voor familie en vrienden, tegenwoordig is een museum laagdrempelig en voor iedereen toegankelijk.

    Cabinet of curiosities

    Het rariteitenkabinet is de voorloper van het museum. In die wereld waarin objecten en attributen van overal en nergens, die weinig overeenkomsten met elkaar schijnen te hebben, zijn samengebracht draait het vooral om verwondering – steeds opnieuw keert dat woord terug, schoonheid en het zonderling bijzondere van de vertoning. Het Drents Museum heeft in het bestaan meerdere van dergelijke eigenaardige tentoonstellingen georganiseerd. Het museum beschouwt deze Microkosmos als één groot kunstwerk waarin traditionele objecten uit de Wunderkammer praktijk samengevoegd worden met wonderlijke hedendaagse kunstwerken. Want het cabinet of curiosities staat weer volop in de belangstelling. Meer dan de gangbare tentoonstellingen van beeldende kunst is de verwonderkamer een belevenis op zich, daarom niet verwonderlijk dat moderne jagers en verzamelaars, hedendaagse kunstenaars, er heil in zien het onder de aandacht te brengen.

    Drents Museum, Microkosmos, Wunderkammer, rariteitenkabinet

    In het museum kan de bezoeker zich vergapen aan de opstellingen en uitstallingen, waarin de objecten zich merkwaardig genoeg natuurlijk tot elkaar verhouden. Onder de titel Microkosmos is het museum als een zoekplaat om al die schoonheid te ontdekken. De verrassend vormgegeven catalogus kan daarbij een reisgids zijn. Achtergronden van de bijzondere verzamelstukken worden gegeven, verzamelaars komen aan het woord, kunstenaars geven uitleg over hun werk en de geschiedenis van de Wunderkammer wordt belicht. De uitgave is een waar verzamelobject en een welkom naslagwerk wanneer de kabinetten van de tentoonstelling straks zijn uitgeruimd. Het Drents Museum, altijd op zoek naar de verwondering, heeft onder leiding van Harry Tupan meerdere van dergelijke bijzondere tentoonstellingen georganiseerd, en daarbij meerdere passende catalogi uitgegeven als rariteiten in de boekenkast, zoals Viva la Frida!

    Historische verzamelingen

    In de begeleidende publicatie wordt dat instinct expliciet benoemd: “Noem het menselijk instinct, noem het een drang of soms een verslaving, het zit in de menselijke natuur om te bewaren. Om te overleven, te herinneren, uit persoonlijke fascinatie of als middel om jezelf mee te presenteren naar de buitenwereld.” Lees ik als inleiding op een hoofdstuk in het boek. “Deze individuele bewaardrang was het startpunt van verzamelingen en uitzonderlijke ‘collecties’. Als instellingen gaan verzamelen, wordt er nieuwe invulling gegeven aan die drijfveer. Kennis vergaren, onderzoeken en vergelijken, maar ook financiële motieven spelen een rol.” Niet alleen het rariteitenkabinet en later het historisch museum is een middel om de wereld te ontdekken, ook in het kunstmuseum kan een tot dan onbekende nieuwe wereld worden aangetroffen. De objecten hebben een verhaal, een boodschap die nu kritisch benadert zal worden. De historische verzamelingen zijn in het verleden niet altijd op een manier verworven die een schoonheidsprijs verdient. Verzamelen is immers onlosmakelijk verbonden met commercie en handel. Maar het is geschiedenis en toont hoe men destijds de wereld bekeek en zich dacht de schoonheid ervan te mogen toeëigenen. De medaille heeft twee zijden. Er is de verwondering over de verzameling en over de manier van verwerven. De verzamelaars van toen hebben heel wat uit te leggen en excuses te maken.

    Drents Museum, Microkosmos, Wunderkammer, rariteitenkabinet

    Het boek beschrijft en de tentoonstelling toont een keur aan verzamelingen, waarbij Tupan hoopt “dat monden van mensen gaan openvallen doordat we het onbekende naar binnen hebben gehaald”. Microkosmos laat natuurlijk objecten en kunstwerken van anderen zien, maar deze wereld in een Wunderkammer is toch vooral de omgeving waarin Harry Tupan graag verkeert. Er is in de uitgave dan ook ruim aandacht voor Tupan, die na ruim 45 jaar verbonden te zijn geweest aan het Drents Museum in september 2025 met pensioen is gegaan. Daarnaast komen verzamelaars aan het woord die hem fascineren als mens, hoe ze eruit zien, zoals ze zich gedragen en zoals ze doen. Dat weerspiegelt zich in hun collecties vindt Tupan. “Eigenlijk is die collectie hun spiegel, ze zijn het.” Ze hebben de behoefte om hun wereld te ordenen en betekenis te geven aan dingen, gedreven door verwondering en nieuwsgierigheid.

    Bewondering en verbazing

    Verder komt uiteraard het verzamelen zelf aan bod, de opbouw en inrichting van de rariteitenkabinetten door de eeuwen heen. Daarin spiegelt zich tevens de eigenaar, en reflecteert de wereld en de maatschappij in de tijd dat de Wunderkammer is ontstaan. Iedere uitstalling heeft een eigen historische waarde, de persoonlijke beleving van degene die het heeft samengesteld. Vooral het vervreemdende en het exotische trok en trekt nog altijd de aandacht. Het is fascinerend te zien wat men zoal belangrijk vond om te verzamelen.

    Drents Museum, Microkosmos, Wunderkammer, rariteitenkabinet

    Behalve het oproepen van bewondering en verbazing droegen de rariteitenkabinetten ook bij aan kennisvermeerdering en praktische toepassing. Het waren niet slechts bonte collecties bijeengebracht van over verre grenzen, maar deze bevatten tevens talloze meestal merkwaardige verhaallijnen. Het schijnt dat alles wat bij wijze van spreken los en vast zat werd verzameld. Van de kleinste schelp tot de grootste krokodil en alles wat daar als artificialia en naturalia tussen zit. De inhoud van een dergelijk kabinet, dat inderdaad begint als kast met laden en bij uitbreiding van de collectie uitgroeit tot een volgestopte ruimte, is een verzameling objecten die niets met elkaar te maken lijken te hebben. Echter zijn de voorwerpen met zorg uitgekozen: voor wat ze waard zijn, voor de herinnering die ze bij zich dragen, of wat ze voor de toekomst of het verleden betekenen. Voor de verzamelaar heeft het een persoonlijke betekenis. De buitenstaander kan zich er kostelijk mee vermaken.

    Kunstenaar is ontdekkingsreiziger

    De Wunderkammer staat opnieuw in de belangstelling en hedendaagse kunstenaars houden zich er op een moderne manier mee bezig. De klassieke Wunderkammer gaat over exclusiviteit, tegenwoordig juist over inclusiviteit. Pronkte men eertijds met zeldzame voorwerpen, nu worden kunstobjecten gemaakt van alledaagse materialen. Zo verschuift de aandacht maar blijft de verwondering het toverwoord. Het weerspiegelt een diepgewortelde menselijke fascinatie voor verzamelen, ordenen en bewaren. Het is niet slechts een etalage van exotische curiosa, maar een kritisch podium waarin vragen over duurzaamheid, kennis en macht worden gesteld. Een spiegel van de tijd waarin we leven. De kunstenaar is ontdekkingsreiziger en vindt andere manieren om met bestaande materialen nieuwe verhalen te vertellen. De Wunderkammer is volwassen geworden. De jagers en verzamelaars uit het verleden zijn in het heden nog altijd op zoek naar rariteiten om collecties aan te leggen. De wereld verwondert zich.

    Microkosmos, de wereld in een Wunderkammer. Publicatie ter gelegenheid van de gelijknamige tentoonstelling in het Drents Museum. Van 7 september 2025 tot en met 1 maart 2026. Waanders Uitgevers / Drents Museum, 2025.

    Drents Museum, Microkosmos, Wunderkammer, rariteitenkabinet
    Drents Museum, Microkosmos, Wunderkammer, rariteitenkabinet
  • Het herordenen van de zichtbare werkelijkheid

    In november tipt Stef Kreymborg mij en al haar andere volgers online: “eerst de tentoonstelling Solo e Tutti in Museum Eicas in Deventer bekijken en daarna het gelijknamige boek in de Museumwinkel aanschaffen (…). Om zelf van te genieten of aan een ander te geven!” Dus heeft zij mij nog zo gewaarschuwd: eerst kijken dan kopen en bekijken. Maar ja, eigenwijs hé. Sla ik het boek open, dan werk ik me eerst door structuren, materialen en stoffen heen. Om in de sfeer te komen, zeg maar. Want dat is haar stiel, dat is waar haar kunst uit bestaat. Het herordenen van de zichtbare werkelijkheid.

    De kunstenaar kijkt anders, ziet beter, merkt op. Wat de ‘normale’ mens niet ontdekt, gewoon overheen stapt of ongezien aan zich voorbij laat gaan – dat pikt de kunstenaar op, neemt daar meer dan notitie van. Kijkt als het ware door de werkelijkheid heen naar een nieuwe waarheid. Maakt van die waarheid een nieuwe realiteit, een echtheid die voor de kunstenaar wezenlijk is. Dat is voor zover het een gevoel betreft bij wat zichtbaar en tastbaar is, de emotionele waarde. De kunstenaar ziet volstrekt meer, niet alleen de omgeving op zichzelf maar tevens details daarin of onderdelen daaruit. Iedere materie, elke stof, alle vormen kunnen een begin zijn van een nieuwe samengestelde waarheid. Een werkelijkheid in een andere gecreëerde wereld. Een inspiratie om een zogenoemd kunstwerk mee en van te produceren.

    De eerste objet trouvé

    Werkelijk met alles is kunst mee of van te maken. De tijd dat potlood en penseel, krijt en verf, het enige materiaal was om mee te werken ligt ver achter ons. Iedere grondstof kan in de kunst gebruikt worden om te beelden, te verbeelden. Om datgene te maken wat er voordien alszodanig niet was. Nam de prehistorische mens een kooltje uit het vuur en zette een tekening op de rotswand. Het was zogezegd de eerste objet trouvé. En later worden planten gebruikt als grondstof voor pigment om verf te maken. Of stenen om een beeld te houwen. Die steen is ook ready made, de vorm moet alleen nog worden uitgepakt ofwel uitgehakt. Marcel Duchamp zag in het object dat al van de oorsprong was ontdaan een kunstwerk. Door het slechts op een andere manier te presenteren kreeg het waarde. Zo is dat met alle dingen die de kunstenaar door de omgeving is aangereikt. Verf is ook maar modder aan een kwastje. De lijn de afgifte van houtskool.

    Vriendin Renate Dorrestein leerde op de lagere school van Stef dat je dingen kunt verzinnen. “Niet ingeperkt te worden door de werkelijkheid bleek een tovermiddel”, schrijft ze. “Het ging eigenlijk net als lezen; je hoefde het alleen maar voor je te zien.” Daarin schuilt de crux van Kreymborgs oeuvre. Feico Hoekstra merkt in zijn biografische schets ook op dat het stoeien met vormen en structuren, het uitdenken en projecteren, er al vroeg bij de kunstenaar in zit. “Dan probeerde ik mooie vormen en mooie kleurcombinaties te maken.” Haar textielreliëfs en blinddrukken met abstracte composities kregen in het begin een stroeve presentatie, maar daarmee bouwde ze later een zekere reputatie op. Textiel en papier hielden haar voorkeur om daaraan door vouwen wezensvreemde vormen te creëren. Hoekstra schetst de weg die Kreymborg in de kunst gaat, en die is eigenzinnig verlopen van pure esthetiek naar een poëtische invalshoek. De werken krijgen een sociale laag, hebben een verhaal meer dan dat ze schoonheid uitstralen. Werkt Kreymborg eerst kleurloos, later past zij door een opdracht van Forbo Flooring, marktleider in vloerbedekking, diverse kleuren op haar kunst in. De mooiheid mag dan niet voorop staan, de composities hebben glans en schitteren de beschouwer tegemoet.

    Kleren maken de man, textielpluis en plastic, 2017.

    Creatief speelse geest

    Ik doe het vrijwel iedere dag. De zeef van de wasdroger opschonen. De stoffen die zijn afgeslagen van het textiel in en door de droogtrommel. Ik gooi ze weg, deze doen er niet meer toe. Maar eens heb ik gedacht dat stof te verzamelen om er iets mee te doen, ooit. Kreymborg deed dat, ik keek ervan op. Het schiep in gedachten een band met deze creatief speelse geest. De cyclus van creëren, het hergebruik van dingen, wordt door haar gekunsteld. Eens zag ik van een bevriend kunstenaar, die zich beeldbouwer noemt, een compositie met kwikloks ofwel broodclips. Van die sluitingen waarmee broodzakken worden dicht gemaakt. Van die plasticjes die ongezien worden weg gegooid. Maar dergelijke onooglijke dingen zijn te bewaren, te verzamelen. Door de vingers van de kunstenaar zijn de sluitingen tot een kunstwerk samengesteld. In volgorde van houdbaarheidsdatum draaien ze rond hun as. Ik vergelijk dit met de compositie eenzame sokken van Kreymborg. Sokken die ooit de helft van een paar zijn geweest, maar als onvrijwillige vrijgezellen nutteloos in de kast liggen. De sokken kreeg ze van alle kanten toegestuurd na een oproep op sociale media. Het werd een veelkleurige klaagmuur, waarmee haar kunst een andere betekenis kreeg. Simpel maar doelmatig. Want overal en van alles, van niets is iets te maken. Alles wat je ziet is te gebruiken. De kunstenaar heeft daar een antenne voor, althans de experimentele kunstenaar die het beeld wil uitproberen, de waarheid wil testen, de werkelijkheid wil aanpassen.

    Klaagmuur van eenzame sokken, eenzame sokken op textiel, 2009.

    De objecten van Kreymborg zijn een sieraad in de ruimte en bepalen een sfeer. Haar kunst richt zich op uit het platte vlak. Het onmogelijke is in haar werk mogelijk gemaakt, ogenschijnlijk niets is tot werkelijk iets geworden. Het heeft waarde, is van belang geworden. Vormen jeuken, volumes kriebelen. Het idee daar iets mee te doen pijnigt niet het brein maar doet de gedachte een sprongetje maken. Het hart slaat over van opwinding daar iets in te zien dat een ander pas ontdekt wanneer jij het hebt hergebruikt. Het opent de ogen, verruimd de blik. Het inzicht krijgt ruimte, de blik breekt los. Het andere zien gooit het krampachtige beschouwen van zich af. Verstand op nul, blik op oneindig, en zonder vooroordeel objectief genieten. “Je zou kunnen zeggen dat ik tegenwoordig vooral emotioneel geladen materialen gebruik, die iets meegemaakt hebben en zo een dimensie toevoegen aan de vorm. (…) Natuurlijk bén ik mijn werk, maar het mooiste is als ook anderen zich erin herkennen. Daar doe ik het voor, daar word ik blij van.”

    Tot in iedere vezel verbonden met haar werk

    In haar werk zie je invloeden van de Nulbeweging terug komen, maar zij geeft de koude monochrome abstractie een warme natuur. Gaandeweg de tijd krijgt het eenkleurige karakter een veelvormige aard. Adelheid Smit beschrijft in haar bijdrage tot het boek de artistieke aspiraties van Stef Kreymborg, dat haar werk verweven is met haar wezen. “Zoals draden zijn verweven tot textiel, zo verweven is Stef Kreymborg met de dingen die ze maakt”, benoemt Karin van Lieverloo de ongezochte vondsten in het werk. “Tot in iedere vezel is zij verbonden met haar werk, dat materialiteit als kenmerk heeft. Ze bouwt met stof, ze materialiseert.” De ordinaire vorm, het dagdagelijkse object afgedaan als onbruikbaar na intensief gebruik, verheerlijkt zich in de kunst. Het lelijke eendje wordt een schone zwaan, voor wie er oog voor heeft. Wie de waarde van het hergebruik, de reïncarnatie van de vorm, wil inzien en op waarde weet te schatten. De waarde die het object zich door de kunstenaar heeft laten toemeten.

    Ik ben gefascineerd door de regelmatige onregelmatigheid in groeivormen”, licht Kreymborg de ontroering van onder meer de patronen in een doorgesneden rode kool, de strepen van een zebra, wolkenformaties, zandribbels, berkenbossen en zwermen vogels toe. “Steeds zoek ik het spanningsveld tussen uniformiteit en diversiteit, tussen orde en wanorde, tussen symmetrie en asymmetrie.” En “ik zoek naar beelden waarin de wetmatigheden van de natuur een relatie hebben met vorm, kleur en beweging in de cultuur.” Het wezen van iets, het wezenlijke, daar gaat het haar om. De verbinding tussen al haar kunstuitingen ligt in de zoektocht naar het wezenlijke, waarbij de materie de vorm dicteert. Kreymborg is een waarnemer, dat past zij toe in haar werk. Ze merkt schoonheid op in het onverwachte, in dat wat ieder ander over het hoofd ziet of voor vanzelfsprekend aanneemt: in het kleine het grootse en in het gewone het ongewone opmerken. De gedachte reïncarneert in het beeld. De idee krijgt vorm, de geest heeft volume. Het inzicht filosofeert zichzelf tot tastbaar en aanraakbaar object. Het boek toont een verscheidenheid van die objecten en geeft een gelaagd inzicht in wat kunst voor Stef Kreymborg is.

    Solo e Tutti. Stef Kreymborg. Uitgave verschenen bij de gelijknamige tentoonstelling in Museum EICAS in Deventer van 26 oktober 2025 tot en met 22 februari 2026. Waanders Uitgevers & Wilco Art Books, 2025.

  • Toorop in voetsporen Van Gogh

    Het uitdrukken van emotie door middel van de werkelijkheid sprak Charley Toorop aan in het werk van Vincent van Gogh. Niet het reproduceren van de zichtbare omgeving, maar de ervaring daarbij geeft beeld in vlak en vorm. Daardoor kunnen kleuren afwijken van de werkelijkheid, omdat een stemming rood kan aanvoelen terwijl de lucht blauw en de sfeer zichtbaar in beweging is en zindert van verrukking. Het is dit basale plezier dat zich laat vertalen in expressieve penseelvoering en intens emotioneel kleurgebruik. Naar deze gecompliceerde eenvoud die uitdrukking geeft aan persoonlijke gedachten bij de algemene waarneming was Toorop op zoek. Deze verbeelding vond ze in de schilderijen en tekeningen van Van Gogh.

    Vooral het beleven en weergeven van de zelfkant van het leven, de eenvoudige mens met pijn en moeite, het bloed zweet en tranen gevoel. Dat is wat Charley Toorop in gedachte en verwerking, idee en uitwerking, overneemt van deze bevlogen schilder. En natuurlijk zijn er meerdere kunstenaars na hem waarop Van Gogh van invloed is geweest, stromingen die zich door zijn expressieve aanpak lieten inspireren. Stijl en vormgeving worden bepaald door en zijn een reactie op wat eerder heeft plaats gevonden en is gebezigd. Het huidige geslacht staat op de schouders van de voorgaande generatie. Sterke schouders die een stijl en beweging kunnen dragen. Slechts enkele figuren in de massa zijn meer dan figurant en steken boven het maaiveld uit. Schudden het speelveld van de kunst op en zetten onbewust en onbedoeld misschien een nieuw isme in gang. Zo iemand is Van Gogh achteraf gezien.

    Donkerte van het leven

    Het Kröller-Müller Museum kan als geen ander museum deze verwantschap laten zien door het werk van beide kunstenaars te tonen. Zowel van Toorop als van Van Gogh bezit het Kröller-Müller de grootste verzameling werken. Daarom kunnen de schilderijen en tekeningen permanent naast elkaar worden getoond en kan studie worden gemaakt naar relaties en parallellen. Beide zielen hebben één gedachte, waarbij Toorop bij wijze van spreken in de voetsporen van Van Gogh is getreden. Niet alleen voor wat betreft de kunst, maar ook het in praktijk brengen van inzicht en opvatting. Denkt Vincent eerst nog prediker onder mijnwerkers te zijn, later laat hij in beeld de armoede en moeite zien waarin en waarmee deze mensen hun leven vullen. Door Van Gogh kregen deze stervelingen een persoonlijk karakter. Keek hij uit over de weidse landschappen en bracht deze tot leven in kleur en penseelvoering. Hij zag de mens en keek in de spiegel, het bracht hem tot negatieve gedachten en grootse werken. Het leed verkorte zijn leven maar maakt zijn nalatenschap duurzaam.

    De donkerte van het leven trok ook Charley Toorop aan. In Vincent van Gogh zag ze haar voorganger, hij wees haar als het ware de weg en met zijn werk kon zij datzelfde pad inslaan. “Van Gogh hielp haar om een weg te vinden naar het visualiseren van een bezielde werkelijkheid”, schrijft Benno Tempel in zijn voorwoord van de catalogus bij een tentoonstelling. Een catalogus die na een studie naar de invloed van het werk van Van Gogh op het kunnen van Toorop is verschenen. Niet alleen door haar krachtige middel om beeld te geven aan deze mensen, ook in de praktijk van het voeren van actie zette zij zich in. De levens van Van Gogh en Toorop sluiten in principe op elkaar aan, kunnen elkaar bedekken. Het is alsof zij zijn jas aan heeft getrokken – een jas vol verfspatten, wanhoop en genade – die hij zelf levensmoe aan de wilgen had gehangen. Ook zij liet zich door diepe dalen leiden, maar de kunst voerde haar naar hoge pieken. In de kunst vond zij zichzelf, als is het schilderen en tekenen een therapie om het leven aan te kunnen.

    Geëngageerd kunstenaarschap

    In het boek wordt Charley Toorops fascinatie voor Vincent van Gogh beschreven. Vooral de intense gewaarwording van het leven als zijn sprak haar aan. Het verbeelden en beschrijven in schilderijen, tekeningen en brieven maakt Van Gogh tot emotioneel chroniqueur van het tragische bestaan. Een geschiedschrijver van de periferie van het wezen. In een korte biografie geeft Renske Cohen Tervaert aan op welke manier deze levenslijnen elkaar kruisen en samen opgaan. In het interbellum van de twintigste eeuw ontdekte Toorop een haar passend geëngageerd kunstenaarschap, waarin haar interesse voor de psyche van de mens en haar zoektocht naar spiritualiteit een plaats konden krijgen. Van Gogh is daarin in eerste instantie haar gids, later zal zij zelf deze reis aan kunnen en worden geroemd om haar uitbeelding van emoties. De uitgave legt beide levens naast elkaar, toont voorbeelden van overeenkomst en navolging. Voor beide schilders was kunst een medicijn, een middel om te overleven. Waarbij in het geval van Vincent de medicatie niet toereikend bleek en bij Charley het haar wezen rechtvaardigde.

    Charley Toorop had een obsessie voor de realiteit en vond in het na zijn dood gecreëerde beeld van Van Gogh als kunstenaar verwikkeld in een persoonlijke strijd met oog voor de harde realiteit en het menselijk leed – “de worstelende mensch die de menschelijke ellende doorvoeld heeft” – een voorbeeld om dat spoor te volgen. Dichterlijk beschreven zou Toorop een reïncarnatie van Van Gogh kunnen zijn. Nog geen jaar na schilders vroegtijdige dood kwam Charley Toorop ter wereld. Terwijl ze opgroeide en zich ontwikkelde was zij getuige van Van Goghs almaar toenemende roem. “In Van Gogh vond Toorop (…) een gelijkgestemde; met hem deelde ze een liefde voor de rauwe realiteit, evenals voor de natuur”, schrijft Franka Blok in haar essay. “Het zien van en lezen over Van Goghs kunst bleek niet langer genoeg, ook de plekken waar hij had gewerkt moesten bezocht worden.” En met Van Gogh en Toorop als leidraad gaat de lezer van de catalogus en de bezoeker van de tentoonstelling op reis langs deze plekken.

    Charley Toorop, liefde voor Van Gogh. Publicatie naar aanleiding tentoonstelling in Kröller-Müller Museum van 24 mei tot 14 september 2025. Teksten Renske Cohen Tervaert, Franka Blok, Merjet Brolsma, Wessel Krul, Benno Tempel. Uitgave Waanders Uitgevers / Kröller-Müller Museum, 2025.

  • Collectie figuratieve kunst in Drents Museum

    Met Gen F zendt het Drents Museum een krachtig signaal uit. Het profileert zich nadrukkelijk als voortrekker op het gebied van het collectioneren van hedendaags realisme. Gen F; generaties kunstenaars erfelijk belast om de waarneming van de zichtbare werkelijkheid te beelden. Gen F; het overzicht van de door het museum verzamelde figuratieve kunst over de afgelopen decennia. Met name werken waarmee het museum de naam en faam als verzamelaar van deze kunststroming onderstreept. En waarmee het zichzelf als het ware stevig in de kunstmarkt zet. Een kraam waarvan de kunstkenners en -liefhebbers maar al te graag een beeldend graantje willen snoepen. Het Drents heeft zich de autoriteit op het gebied van het hedendaags realisme met verve toegeëigend, het geeft de toon aan en andere musea spelen hun partij in de maat mee. Dit is mede te danken aan de vertrekkend algemeen directeur Harry Tupan. Eerst als conservator hedendaagse kunst zette hij het Drents Museum al voorzichtig op de kaart, maar later als directeur wist hij Assen tot het middelpunt van vooral het Nederlands realisme te maken. Mooier kan hij het zich dan ook niet wensen om op deze manier, met een grote tentoonstelling en daarbij een kleurrijk collectieboek, afscheid te nemen van ‘zijn’ museum.

    In de tentoonstelling over 75 jaar figuratieve kunst kan de bezoeker in het Drents Museum de werkelijkheid welhaast aanraken, door het boek Gen F is dan elke millimeter schijnbare waarheid tastbaar te onderzoeken. Want wel is de waarneming van de zichtbare werkelijkheid uitgangspunt voor de collectie hedendaags realisme, het vertalen van zien en het interpreteren van het geziene op doek en papier of in een ruimtelijke vorm is aan de kunstenaar zelf. Het is zijn of haar waarheid. Deze waarheid hoeft geen echtheid te zijn, de realiteit van het beeld is onderhevig aan wat de kunstenaar ermee wil vertellen en wat de beschouwer erin ziet. Het is geen zuivere waarheid, stemt niet altijd overeen met de werkelijkheid. Daarom dekt figuratief beter de lading dan de term realisme dat doet. De figuratie is uit de werkelijkheid genomen, het resultaat stijgt boven het zijn uit en reflecteert het gevoel bij wat gezien is.

    Schilderijen van het echte leven

    Dit boek gaat over de Nederlandse kunstenaars die vanaf de tweede helft van de twintigste eeuw kiezen voor de figuratie en verzameld zijn door het Drents Museum”, lees ik in de uitgave Gen F 75 jaar figuratieve kunst. Dat het Drents met deze stroming wegloopt, en na 1994 serieus aan het verzamelen raakt, is omdat het Groninger Museum en het Fries Museum minder interesse hebben in figuratief werk van kunstenaars in Noord-Nederland. De tentoonstelling nu belicht meerdere generaties kunstenaars, echter niet elke Nederlandse kunstenaar is in de verzameling van het Drents Museum vertegenwoordigd. Daarom is het boek bij de tentoonstelling een catalogus van de eigen collectie en geeft geen overzicht van datgene wat speelt in de hedendaagse figuratieve kunstwereld. Het is derhalve een Drents feest ter ere van de scheidend directeur. “De aard van de collectie bepaalt dus welke kunstenaars en werken in het boek zijn afgebeeld”, schrijft Tupan in het voorwoord. “Ook hebben wij binnen de collectie keuzes moeten maken.” Maar er wordt gewerkt aan het online toegankelijk maken van alle kunstwerken uit de collectie, zodat de niet afgebeelde werken en tevens de verzamelde internationale figuratieve kunst integraal bekeken kunnen worden. Echter ligt voor dit project de focus op Nederland. Ondanks de leemtes die noodgedwongen optreden is Gen F toch een duidelijk overzicht van wat er in 75 jaar door kunstenaars aan de werkelijkheid is toegevoegd.

    Hoofdconservator Annemiek Rens biografeert in haar essay de figuratieve kunst. Nederland blijkt een sterke traditie op dit gebied te hebben, het gebruik van verbeelden dat al vanaf de zeventiende eeuw een hoofdrol speelt in de kunstwereld. In aanloop tot wat hedendaags aan onderwerpen wordt uitgebeeld was het gewone leven inspiratie en waren wolkenluchten en modderige weggetjes reden tot schilderen. Schilderijen van het echte leven worden zeker buiten de landsgrenzen gewaardeerd, en nog geeft dat normale zijn in iets andere vorm voortdurend aanleiding tot verwerken. Gen F geeft daarvan een goed beeld. De werken zijn herkenbaar, menselijk, maar gezet naar de hand van de kunstenaar. De huid is zichtbaar, de gelaagdheid geeft voeling. Want achter het zichtbare is het gevoel bij de werkelijkheid aanwezig. Voorbij het alledaagse wordt een diepere werkelijkheid onthult. Er is geen duiding van de waarheid op zichzelf, maar de beleving daarvan krijgt beeld. Het is verbeeldende kunst, meestal zonder maatschappelijke boodschap; het werk gaat over universele thema’s als liefde, ouder worden, dood, harmonie en verwondering. Ook worden elementen uit verschillende tijden gecombineerd in het eigen werk – verleden neemt deel in het heden.

    Collectie hedendaagse kunst

    Het opbouwen van een collectie vergt lef, visie en steun.” Harry Tupan heeft een rotsvast geloof in de figuratie en sloeg tegen alle kritiek in aan het verzamelen. Mede aan zijn lef en visie heeft het Drents Museum de omvangrijke collectie te danken. In haar verhaal beschrijft Rens tevens de instanties zorgend voor het bloed in de kunst en via welke wegen werken op de markt komen en waar deze worden bewaard en tentoon gesteld. Belangrijk in deze keten waarop de kunstwereld is gefundeerd zijn de schakels van de particuliere verzamelaars. Deze zorgen voor uitbreiding van openbare collecties door schenkingen en langs stichtingen en fondsen doorverkochte objecten, en zijn daarmee een enorme steun. Zonder deze mecenassen zou er geen museum kunnen overleven, het vormt meestentijds het hart van de collectie. In het artikel worden deze schenkers dan ook met naam en toenaam genoemd, hoewel er zijn die anoniem wensen te blijven. De collectie van het Drents Museum heeft karakter, roemt Annemiek Rens de eigen verzameling, waar verrassende ontdekkingen gedaan kunnen worden daar het museum de figuratieve kunst breed opvat. Boegbeeld is natuurlijk Matthijs Röling, die als vrijgevochten rebel zijn leven lang naar de werkelijkheid schildert met de ambachtelijke perfectie van de oude meesters. Onlangs is er een boek verschenen met daarin de hele Röling-collectie die het Drents Museum bezit. Maar ook andere grootheden kunnen gevonden worden in het depot en wisselend in de zalen.

    In het boek zijn een honderdtal schilderijen, tekeningen en beeldhouwwerken afgedrukt uit de collectie hedendaagse kunst van het Drents Museum dat ruim 5000 objecten omvat, chronologisch ingedeeld naar het geboortejaar van de kunstenaar. Deze indeling laat daarom de ontwikkeling zien die kunstenaars van verschillende opeenvolgende generaties hebben doorgemaakt. “Dat biedt houvast, en laat tegelijkertijd zien hoe divers het palet aan verschijningsvormen van figuratie is, ongeacht de tijd waarin iemand opgroeit.” Zoals voor boek en tentoonstelling een keuze is gemaakt uit de collectie, zo kiest Annemiek Rens voor haar verhaal een aantal kunstenaars om het werk te bespreken zonder de andere niet genoemde tekort te willen doen. Het is een waardevolle aanvulling, maar eigenlijk niet nodig omdat de afbeeldingen voor zichzelf spreken. Na de teksten volgt een catalogus om van te smullen. Op de punt van mijn stoel beschouw ik de diverse werken die binnen de stroming talloze aan elkaar verschillende uitingsvormen heeft.

    Ultrakorte biografiën

    Tegen de stroom in zetten kunstenaars met geboortejaar voor 1940 zich aan de waarneming in hun werk. Tegen de stroom van het constructivisme en de abstractie in, tegen stijlen die de waarneming van de werkelijkheid afzweren. De figuratieve kunst wordt gezien als oubollig, ouderwets en achterhaald. Toch handhaaft deze kunstrichting zich en wordt gaandeweg de eeuw geaccepteerd naast al de andere indrukken en uitingen. Nieuwe generaties kunstenaars bekijken metier met frisse blik en passen het eigentijds en actueel in. Zoals het een complete catalogus betaamt is deze Gen F uitgebreid met ultrakorte biografieën van de kunstenaars, een opsomming van tentoonstellingen en publicaties. En is er een Engelse vertaling opgenomen. Als kers op de taart een klein fotoalbum met bijzondere momenten in de verzamelgeschiedenis. Het Drents is volgens Rens niet alleen een museum “voor kunst die af is, maar ook voor kunst die nog gemaakt moet worden. De collectie is dus verre van afgerond. Er is juist volop ruimte voor de blik vooruit met kunst die blijft verrassen en in alle opzichten springlevend is.”

    Gen F – 75 jaar figuratieve kunst. Verschenen ter gelegenheid van de tentoonstelling in het Drents Museum, 15 februari tot en met 17 augustus 2025. Teksten Harry Tupan, Annemiek Rens, Barber van der Laan. Uitgave Drents Museum / Waanders Uitgevers, 2025.

  • Matthijs Röling, de jongste van de oude meesters

    Eerlijk moet ik bekennen dat bij het vallen van de naam Röling ik als eerste dacht aan de extravagante Marte. De beeldhouwer en schilder die onder meer ook platenhoezen, postzegels, theaterdecors, wandschilderingen, affiches, kostuums, reliëfs en films ontwierp en zelfs een tram beschilderde. Een vrouw in de kunst derhalve die haar mannetje staat. Zij is echter de nicht van Matthijs Röling, over wiens werk onlangs een lijvig boek is verschenen. Matthijs wordt geroemd als de jongste van de oude meesters en is vorig jaar op 81-jarige leeftijd overleden. Zijn dromerige tuingezichten had ik als collectiebeheerder bij Museum Belvédère eerder door de handen om in een tentoonstelling aldaar op te hangen. Dat was dus mijn eerste kennismaking met zijn werk. Ik maakte er in coronatijd zelfs een korte film van, waarbij de mijmerende tuin van Matthijs Röling naast het realistische pruimenboompje van Jan Mankes werd getoond.

    De kunst waart door de familie Röling. Neef en nicht zijn begiftigd met het juiste talent om het leven te verbeelden. Meerdere leden hebben creatieve gaven. Weet Marte zich luidruchtig te manifesteren, Matthijs houdt zich min of meer afzijdig: het stille water met de diepe grond. Hij is een geboren schilder, die sentiment in zijn werk legt zoals Jan Mankes verstild en poëtisch zijn omgeving benaderde. Het onlangs verschenen boek, dat een catalogus bij zijn oeuvre zou kunnen zijn maar de gehele Röling-collectie van het Drents Museum bevat, geeft een goed inzicht in leven en werken van Matthijs Röling. Niet alleen is deze collectie van zijn schilderingen en tekeningen afgedrukt, ook wordt zijn leven in verhalen uitgedrukt. En tevens is er een beeldessay die een indruk geeft van het kleurige interieur van zijn huis in Ezinge. Aan de hand van de foto´s van Mischa Keijser kun je inlevend op de bank bij de haard gaan zitten, zoals ik langs de paden door de geschilderde tuin van Röling loop. Een totaalbeleving derhalve.

    Röling-collectie

    Wat altijd opviel was Matthijs’ grote liefde voor de schilderkunst die ontleend was aan de waarneming van de zichtbare werkelijkheid”, schrijft museumdirecteur Harry Tupan in het voorwoord. Tupan mag als een autoriteit op het gebied van het werk van Röling gezien worden. Hij houdt zich al 40 jaar intensief bezig met het werk van de kunstenaar en onderhield nauw contact met hem – was er kind aan huis zou je kunnen zeggen. In 2005 organiseerde Tupan de overzichtstentoonstelling Mimesis in het Drents Museum, waar in 1965 al de eerste museale tentoonstelling van de schilder plaats had. Mede door een schenking van achterneef Cees Röling bezit het Drents Museum, dat een podium van betekenis is voor Nederlandse figuratieve kunst, 114 schilderijen, tekeningen en schetsboeken van de meester, de grootste en meest belangrijke Röling-collectie ter wereld.

    De grote wens van het Drents Museum en niet in de laatste plaats die van Harry Tupan is in vervulling gegaan, namelijk om de gehele Röling-collectie samen te brengen in een boek. “Met deze publicatie eren wij één van de grootste Nederlandse kunstenaars die de moderne figuratieve kunst heeft voortgebracht”, prijst de algemeen directeur van het Drents Museum de uitgave dan ook aan. En het is met recht een eerbetoon daar het een prachtig boek is geworden, waar het museum trots op is en waar de kunstenaar – was hij nog in leven – ongetwijfeld verguld mee zal zijn geweest. Zijn werk komt er goed in uit, hoewel het uiteraard in het museum op zaal de beste beleving geeft.

    Een rebelse kunstliefhebber

    In de biografie “een rebelse kunstliefhebber” duikt kunsthistoricus Floor van Heuvel in het leven van Matthijs Röling en houdt diverse afgemeten perioden tegen het licht. Het ouderlijk huis, de kunstacademie, de eerste successen, het docentschap en de stormachtige samenwerkingen tot een rustiger leven geven onder meer een compleet beeld. Voor Röling was schilderen een vorm van therapie, schrijft Van Heuvel. “Dagenlang kon hij zich verliezen in een schilderij, om in de dagen erna weer mateloos enthousiast aan zijn studenten over kunstgeschiedenis te vertellen.” Bijna niemand had zoveel talent en kennis als Röling, daardoor kroop hij al te vaak in zijn eigen wereld en vergat zijn directe omgeving. Hij leefde de kunst en de kunst leefde hem. Hij was als het ware de kunst zelf. Hij is dood, maar leeft voort in zijn schilderijen. Bekijk ik de tuin in Ezinge door hem geschilderd, kan ik hem zo zien wandelen over het pad tussen de hagen en loop ik een stukje met hem mee. Of kijk over zijn schouder mee wanneer hij liggend naakt op gestreepte doek in olieverf op paneel zet. “In mijn schilderijen schijnt de zon, zijn geurige kruiden, vriendelijke dieren, mooie landschappen. Daar hoeven onze gedachten niet zo veel verder te gaan dan waar het heerlijk zwemmen is en waar de wijn overstroomt.

    Plekken waar je wilt zijn

    In het essay “Plekken waar je wilt zijn” betrekt Gijsbert van der Wal het zijn van Röling op het eigen wezen. Dat maakt zijn verhaal persoonlijk, tussen de regels door kan ik me er zelf in vinden. Van der Wal zoekt op internet een nieuwe woning, waarin hij kan leven en werken. Een woning in oude stijl, een huis als dat van Matthijs Röling, zo blijkt. Met de geschilderde interieurs in gedachten kijkt hij onbewust bewust in de woning om zich heen en keurt het al snel af wanneer oorspronkelijke details door moderne elementen zijn vervangen. Hij erkent dat hij geen ouderwets huis zoekt, maar een tijdloos onderkomen, een wereld vol welbehagen. Dat lijkt nu te verdwijnen en verleden tijd, terwijl het in de jaren dat Röling het vastlegde er gewoon was. “Een kalme, wat dromerige hippiewereld vol natuur, zonlicht en vanzelfsprekend naakt, die je ook kunt binnengaan in, noem eens wat, de gedichten van Rutger Kopland, de liedjes van Boudewijn de Groot, de verhalen van Fritzi Harmsen van Beek en Herman Pieter de Boer. (…) Er hangt wel af en toe een wietlucht in zijn interieurs en tuinen, maar er liggen goddank nooit yogamatten, en Boeddhabeelden uit de Xenos vind je er ook niet. Het is een wereld van ver voor de zelfhulpboeken en de life coaches op Instagram en TikTok.

    Van der Wal vindt dat huis niet waarnaar hij op zoek is. Zijn eigen woning heeft namelijk al die sfeer van Röling, het komt althans het dichtst in de buurt van wat hij zoekt. Hij heeft er een koninkrijkje van boeken, kunst en gezellige rommel gesticht, “hier zijn ook vloeren en vensterbanken waarover schaduwen schuiven. De blik waarmee ik naar mijn interieur kijk is mede door het werk van Matthijs Röling gevormd.” Als zijn kamers eenmaal in je hoofd zitten zie je er overal iets van terug, ervaart Van der Wal. Schilders als Röling herinneren ons eraan dat je eigen dagelijkse omgeving een onuitputtelijke bron van kijkplezier en levensvreugde is.

    Wat wil je nog meer?

    In het gesprek dat Harry Tupan een jaar voor zijn dood met Matthijs Röling heeft komen ook biografische elementen naar voren. Op deze manier, gegoten in een interview, leert de lezer de kunstenaar beter kennen omdat het zijn eigen woorden zijn waarin hij het leven vat. “Ik heb een heerlijk beroep. Soms vind ik een mooi plankje, schilder ik heerlijk een aantal uren in de tuin en dan krijg ik daar ook nog een paar duizend gulden voor. Wat wil je nog meer?” Tupan stelt duidelijke vragen waarin het lijkt of hij de gesprekspartner woorden in de mond legt. De heren kennen elkaar echter zo goed dat ze voor elkaar kunnen spreken. “Voor mij is het de realiteit proberen te vatten. dat is voor mij de essentie van mijn vak. (…) De fantasie mag je nooit vergeten, natuurlijk. En abstracte waarden spelen in alle kunst een rol. Alle kunst is abstract, maar niet non-figuratief.

    Met de woorden van de schilder krijgen de beelden in het boek een leven. Ze komen bij wijze van spreken in beweging door de formulering van de kunstenaar, door zijn zienswijze legt hij de beeldtaal in mijn ogenblik. “Ik heb altijd graag getekend. Dat is wel de basis van je werk, tekenen, zeker. Tekeningen zijn spontaner en directer dan schilderijen. (…) Ik heb het grote geluk gehad dat ik niet gehinderd ben in datgene wat ik het leukste vind en het beste kon. Enorm geluk.

    Matthijs Röling. Teksten Harry Tupan, Floor van Heuvel, Gijsbert van der Wal, Barber van der Laan. Beeldessay Mischa Keijser. Uitgave Drents Museum / Waanders Uitgevers, 2025.

  • De mooie dingen van Jan Mankes

    Het prettige van een catalogus, als horend bij de dubbeltentoonstelling van Jan Mankes in de musea Arnhem en Belvédère, is dat niet alleen het werk wordt besproken maar de tekstschrijvers tevens dieper doordringen in het hoe en waarom van de kunstenaar. Naast een kunstboek waarin het oeuvre van de schilder wordt doorgenomen is het een geschiedschrijving die de man in de tijd plaatst. Hij laat zich inspireren en wordt beïnvloed door zijn omgeving namelijk en door de tijd waarin hij leeft, of in dit geval heeft geleefd. Hoewel Jan Mankes chronologisch thuishoort in het begin van de 20e eeuw, sluit zijn werk inhoudelijk en stilistisch aan bij de fin de siècle-stroming. Qua sfeer, symboliek en esthetiek past het bij de thema’s verstilling, introspectie, natuurmystiek en bezit een zekere melancholie.

    De monografie met teksten van Stefan Kuiper, Froukje Pitstra en Marlene Deutinger legt leven en werk van Jan Mankes uit. Hoe de omgeving naar hem kijkt maar vooral op welke manier hij de wereld ziet. Doordat Mankes zijn gedachten in brieven op papier heeft gezet is het leven van de schilder als een puzzel in elkaar te schuiven. De lezer leert de persoon achter de kunst kennen. In dit geval spreekt niet alleen het werk voor zich, maar onderstreept de biografie het nog eens vet.

    Fluisteren met verf en kleur

    Jan Mankes leeft in een tijd dat er veel veranderingen gaande zijn, het zijn onstuimige tijden. Wordt hij kort voor de eeuwwisseling geboren, raakt hij onder invloed van een gewijzigde kijk op de mensheid en maakt de eerste grote oorlog in Europa mee. De kunstwereld verzet de bakens en slaat wegen van het experiment in. De kunst is niet slechts meer documentatie, een kopie van de zichtbare werkelijkheid, maar laat in abstracte afbeeldingen ruimte voor de emotie. Mankes echter lijkt schijnbaar op een afstand van het woelige westen een eigen sfeer te scheppen. In eerste instantie vormt zijn verstilling zich in Friesland, langs de Schoterlandse Compagnonsvaart in het lintdorp Beneden Knijpe dat zucht onder de vervening. Later vindt hij geluk in Den Haag, maar moet om zijn gezondheid rusten in Gelderland. De plaats Eerbeek is zijn laatste adres, daar het leven van de schilder voortijdig eindigt. Althans op relatief jonge leeftijd moet hij het tijdelijke voor het eeuwige inruilen.

    Op de leeftijd van 30 jaar heeft hij dan al een bijzonder oeuvre opgebouwd dat wordt geroemd om de onderscheidende kwaliteiten. Met verf en kleur weet hij als geen ander te fluisteren en een sfeer op te roepen die weinig meer van doen lijkt te hebben met het hier en nu, schrijven Saskia Bak en Han Steenbruggen in de inleiding van de uitgave “Mooie dingen zijn zoo eenvoudig”. Het is vooral Mankes zelf die aan het woord is in de essays die over hem zijn geschreven om de kunst van deze min of meer teruggetrokken kunstenaar te duiden. Onverstoorbaar, positief wars van de zichzelf opnieuw uitvindende kunstwereld, ontwikkelt hij een vorm van onwerkelijk realisme dat in stilistisch opzicht gerelateerd is aan de schilderkunst van de oude meesters. Echter grijpt hij niet terug, maar blijft bij zichzelf. Hij houdt zijn werken klein en de onderwerpen onder handbereik.

    Wordt zijn werk vaak beoordeeld op techniek en stijl, in het boek komt meer het gevoel dat door de schilderijen en het grafiek spreekt tot uiting. De sfeer van geheimzinnigheid en melancholie wordt bepaald door momenten van de dag, het schemeren van de avond – het meest weemoedige moment van de dag – weerspiegelt vooral de mysterieuze kant van de schilder, het stille water met de diepe grond. Zijn werken ademen de stemming van de donkerte, waarin gedachten filosofisch met de beschouwer aan de haal gaan. De avondlijke sfeer is een herkenbaar terugkerend motief volgens Stefan Kuiper in zijn essay: “Op geen ander moment zijn we ons zo bewust van het verstrijken van de tijd als tijdens die ogenblikken waarop het laatste licht wegsijpelt. Geen ander moment is tegelijkertijd zo vervuld van verlangen.”

    Mankes thuis in Belvédère

    De schilderijen hebben een diepere lading dan op het eerste gezicht aanschouwelijk is gemaakt. In de weergegeven onderwerpen schuilt symboliek, deze zijn een metafoor van hoe Mankes zijn wereld aanziet en beleefd. De emotie is voortdurend in de abstracte realiteit aanwezig. De spirituele verstilling is nooit ver weg. Ieder werk is een meditatief moment op zich. Het is dat wat het werk ook nu nog, meer dan een eeuw na zijn dood, veel mensen aanspreekt. Mooie dingen die in handen van Jan Mankes zo eenvoudig schijnen. Zo teder en liefdevol op doek zijn gezet of op koper getekend en in hout gegutst. Bij het kijken naar deze werken overvalt mij bij wijze van spreken een vlaag van melancholie, een mistroostig gevoel kruipt vanuit mijn onderbuik omhoog. Het is dit sentiment van ‘Het Dorp’ van Wim Sonneveld of de ‘Zuiderzeeballade’ van Sylvain Poons. Voor de oppervlakkige kijker straalt het die melancholische nostalgie uit, de hang naar hoe het was en niet meer zal zijn. Zo zal Mankes dit tijdens het schilderen niet doorvoelt hebben. Hij schiep zich een wereld die paste aan zijn gemoed, zijn wezen. Een wereld die achter de waarheid schuil gaat, halverwege de droom en het ontwaken. Geen droomwereld, maar een dromerige wereld. Wie namelijk dieper kijkt dan de huid merkt het innige schilderen, het onderwerp dat van binnenuit straalt. “Kunst is uiting geven aan geestelijk leven”, vond Mankes zelf. “Aangezien het zuiver geestelijke, het ontembare niet te noemen is, neemt men stoffelijke dingen te baat als middel.

    Zonder arrogant te klinken beweer ik dat Jan Mankes thuis hoort in Museum Belvédère. Want heeft hij niet een belangrijk deel van zijn oeuvre aan Het Meer gemaakt, langs de Woudsterweg gelopen om tot rust en inkeer te komen, misschien voorvoelt dat daar ooit een museum opgezet rond zijn werk zou komen. Natuurlijk is Gelderland ook een plek, met name Arnhem en Gorssel dat een driehoek maakt met Eerbeek, waar Mankes’ werk plaats heeft. Echter is Oranjewoud toch bij uitstek het dorp waar Jan Mankes zicht op had gekeken vanuit zijn atelier. Het museum is zijn thuis en wanneer er op een bijzonder moment daar geen Mankes te zien is raken bezoekers verbolgen.

    Tentoonstellingen

    De monografie en de dubbeltentoonstelling geven deze schilder van de kleine dingen een bewuste positie in de kunstgeschiedenis. Nog nu klinkt zijn filosofie van het schilderen door en laten kunstenaars zich door hem inspireren. Zij gebruiken niet één-op-één zijn stijl, maar laten de geestelijke visie voortleven, de verbeelding en het overstijgen van de werkelijkheid. In het boek worden een drietal hedendaagse kunstenaars genoemd waardoor het werk van Mankes tot in de 21e eeuw resoneert. De uitgebreide oeuvrelijst maakt het boek tot een bijzonder naslagwerk. Door archieven, brieven en documenten diepgaand uit te pluizen is een voor dit moment complete lijst van werken opgesteld. De samenstellers Jan de Lange en Maarten van Doremalen hebben er kennis en tijd ingestoken om alle werk van Jan Mankes met gegevens boven tafel te krijgen. Wetende dat er nog meerdere werken aan de lijst zullen kunnen worden toegevoegd. Hoewel de aanleiding allang uit de tijd is, is het overzicht van wezen en werk een levende bron.

    Waar Museum Belvédère zich in de presentatie richt op de periode waarin Mankes in Friesland woonde en werkte, relateert Museum Arnhem zijn werk aan dat van generatiegenoten en met hedendaagse geestverwanten. Zo ontstaat er overzicht en inzicht. Is het werk in de musea bij wijze van spreken aanraakbaar, en maakt de dubbeltentoonstelling bewust op welke manier dit doorklinkt naar de huidige tijd. Jan Mankes begreep de kern van zijn tijd, de essentie van het wereldgebeuren. De grond van het bestaan is bezinning, stil tot inkeer komen, meditatief wat was overdenken om verder te kunnen. Leren van het verleden. Mankes maakte dit in zijn werk zichtbaar, niet meteen duidelijk. Tussen de regels door in het mijmerende verfgebaar is de verstilling te proeven. Bij het kijken naar zijn werk, live in de musea of bladerend in het boek, ben je voor een moment van de wereld om deze te reflecteren.

    Jan Mankes. Mooie dingen zijn zoo eenvoudig. Monografie en oeuvrelijst verschenen bij dubbeltentoonstelling ‘Jan Mankes, verstilling en strijd’ in Museum Arnhem en ‘Jan Mankes, uiting geven aan geestelijk leven’  in Museum Belvédère van 25 januari tot 24 augustus 2025. Uitgave van beide musea bij Waanders Uitgevers, 2025.

  • De werkelijkheid onder controle bij Museum MORE

    De typografie in de titel van het boek heeft al de uitleg van het onderwerp in zich. Ik lees het zonder te haken op de verdraaide eerste E en tweede C in REALITY CHECK. In vluchtige blik schijnen de woorden normaal geschreven. Het lijkt te kloppen, maar de echtheid is verschillend aan mijn waarheid. Zo is het ook met de werkelijkheid, het doet zich onderscheidend voor aan wat ik zie. Kijk ik beter zie ik anders en wordt ik mij bewust van mijn eigen kijken. Zo moet ik voortdurend controleren of de realiteit wel echt is, of mijn waarheid wel universeel is of slechts individueel blijft. Wat is de grote gemene deler in het beschouwen van de werkelijkheid. Het is zoals het is, de realiteit, maar er is een abstracte laag achter en dat maakt de werkelijkheid persoonlijk met een eigen interpretatie. De echtheid die niet valt uit te drukken, dus abstract is; gevoel, herinnering,

    Museum MORE belicht het realisme van het voorgaande decennium, de tien jaar dat de instelling bestaat. De Nachtwacht bijvoorbeeld past dan niet in deze context. Maar het is wel een bijzonder historisch voorbeeld van hoe de realiteit werkt. De opdrachtgevers hadden een ander schilderij verwacht dan dat Rembrandt heeft afgeleverd. Zij hadden een andere voorstelling van de werkelijkheid dan de schilder heeft gehad. Hij bracht abstracte elementen in om de echtheid van het tafereel te waarborgen. Op eenzelfde manier leert mij de tentoonstelling “Reality Check”, maar vooral de uitgave daarbij waarin conservator Sito Rozema in een essay de werkelijkheid controleert, een vinger probeert te krijgen achter het begrip realisme.

    Rozema gaat de geschiedenis van de realiteit in de kunst na en komt tot de conclusie dat de hedendaagse realist met wisselende uitingsvormen vergaand reageert op de hedendaagse realiteit. De begrippen ‘echtheid’ en ‘waarheid’ staan daarbij vooral centraal. Want wat is realisme. De definitie van het realisme in de beeldende kunst heeft nooit onomstreden vast gestaan. De zichtbare werkelijkheid is onderhevig aan echtheid en waarheid. En de waarheid is dan weer ondergeschikt aan het persoonlijke perspectief. Volgens Rozema wil het realisme niet zozeer registreren, maar interpreteren, representeren en communiceren. Het gaat om mijn eigen kijk op de realiteit, die is verschillend aan die van mijn buurman. Daarom heeft niet alleen de werkelijkheid een andere invloed, maar geeft tevens het kijken naar een schilderij een verschillende indruk. Dat kunstwerk is de realiteit, die voor iedere beschouwer een individuele indruk geeft. De realiteit is een persoonlijke ervaring, een eigen invulling en verklaring op het zichtbare gegeven.

    Modern realisme

    Tegenwoordig, is ook de conclusie van de essayist, valt de werkelijkheid niet meer klakkeloos te vertrouwen. Voortdurend moet deze worden gecontroleerd op echtheid, klopt het wel wat ik zie. “In een onzekere wereld waarin ‘waarheid’ een relatief begrip lijkt te zijn geworden, maakt de realist met een duidelijk herkenbare vormentaal een persoonlijk statement over de vraag: wat is de werkelijkheid?” De kunstenaar manipuleerde altijd al de werkelijkheid, de kunst vervormt het zichtbare voortdurend in een eigen beleving. Maar krijgt nu concurrentie van kunstmatige intelligentie. Deze kan voor de kunstzonnige uitdrukking worden aangewend, maar daarmee begeeft men zich wel op glad ijs. Werd bij de opkomst van de fotografie de scheidslijn ook al meer onscherp, nog wel voortdurend was het duidelijk. Fotografie registreert de werkelijkheid zonder meer, kunst legt de persoonlijke beleving van de kunstenaar daar overheen. “Onze tijd vraagt om een realiteitsbesef, om heldere stellingen en eerlijke vertwijfelingen.”

    Museum MORE staat zich erop voor het moderne realisme te tonen. Daarmee heeft het zich in de tien jaar van haar bestaan inmiddels een volwassen plaats in het museumlandschap verworven. Het is daarom dat een tentoonstelling om de realiteit te duiden op de plaats is in Gorssel. Vijftig kunstenaars leggen in hun werk uit hoe zij de werkelijkheid ervaren en op welke manier zij deze gebruiken om verhaal te maken. In de uitgave komen zij aan het woord om in tekst uit te leggen waarom zij zichzelf al dan niet als realist zien. Daardoor houdt het boek het midden tussen een kunstuitgave en een leerboek. Door de uitleg daarin leer ik anders kijken naar de kunst van dit museum. Staat mijn blik afgestemd op deze werkelijkheid, die vrijwel nergens de mijne is maar toch als heel vertrouwd overkomt.

    Werkelijke werkelijkheid

    In de uitgave, dat minder catalogus en meer bijschrift bij de tentoonstelling is, worden de kunstenaars voorgesteld. Leer ik hen kennen in de manier van werken en de kijk op hun kunst. Alle hebben zij een onderscheiden en soms wel ambivalente voorstelling van wat de waarheid kan zijn. Altijd is de waarneming van de werkelijkheid het vertrekpunt, het fundament waarop het kunstwerk is gebouwd. De zichtbare dingen worden beschouwd zoals ze zijn of zich voordoen, deze worden gekoppeld aan herinneringen en ervaringen. De figuratie is in deze belangrijk, want het geeft toegang tot het werk als herkenbaarheid. De beschouwer komt door figuratie dichterbij de kunst zonder er moeite voor te doen. Pas dan kunnen abstracte elementen een rol gaan spelen, kleur, ritme, toon, licht en schaduw. Is de kijker gevangen in de identificatie dan kan de emotie worden aangesproken.

    Een werkelijke werkelijkheid bestaat er niet, stemming en ervaring maken er deel van uit – herinneren doet herkennen. Onze herinnering bestaat voor een groot deel uit beelden. Kunstenaars maken daar wel handig gebruik van door dergelijke beelden te mengen in de werken. Door dat kennen kunnen de beelden thuisgebracht worden, een plaats krijgen en innemen. Het net is alsof ik ze eerder zag, daar eens was – een déjà vu beleving die mij persoonlijk raakt waardoor automatisch de emotie wordt aangesproken. “Realisme biedt de kijker een vertrouwde bedding die het verhaal toegankelijk en herkenbaar maakt, waar abstractie juist een laag van ambiguïteit toevoegt”, weet de Indiase kunstenaar Abul Hisham. In een volzin slaat hij de spijker op de kop. “Dit spanningsveld maakt het mogelijk om op een subtiele manier complexe thema’s te verkennen, en de kijker uit te dagen om na te denken over wat ze zien in plaats van het simpelweg als feit te accepteren.

    Realisme gaat over werkelijkheid

    Overwegend zijn kunstenaars niet zo scheutig met het uitleggen van hun kunst. Of het in woorden benaderbaar maken van het werk, de compositie moet voor zichzelf spreken en zich zelfstandig duiden. Toch weet Sito Rozema het moment van bezinning over leven en werk in gesprekken met kunstenaars vast te leggen. Geven zij goedmoedig en spraakmakend aan waar het volgens hen over gaat. “Realisme gaat over de werkelijkheid zo getrouw mogelijk weergeven”, bedenkt Merel Jansen. “Naar mijn idee wordt er dan een duidelijk element vergeten: een schilderij gaat over de werkelijkheid gezien vanuit de ogen van de kunstenaar.” Kunstenaars gaan verder dan die werkelijkheid, ze willen iets tonen dat onzichtbaar blijft. Want hoe ziet liefde eruit, en hoe druk je rust uit, welke indruk geeft vrijheid of schoonheid. In de kunst kan dit worden weergegeven door kleur en vorm. Daarmee heeft de realiteit de abstractie nodig.

    Een kunstwerk reist in de gedachten van de kijker tussen voorstelling en voorstellingloosheid, want de beschouwer kent niet altijd wat hij of zij ziet – herkent het niet in eerste instantie. Het is kijken, begrijpen, weten en verwonderen. Het is een spel van zien en onderscheiden. Geprikkeld worden door anders te kijken, er langer bij stil te staan, er de tijd voor nemen. Dat is wat deze tentoonstelling de bezoeker zeker leert. In eerste instantie neemt de herkenning het voortouw, de zichtbare werkelijkheid die het realisme in deze kunst benaderbaar maakt. Maar daarna bij nadere beschouwing volgt er een erkenning van het werk, wordt door de huid heen gekeken in een diepere laag van emotie. Blijkt de werkelijkheid opeens vervreemdend, maar wel als verbeelding aanvaardbaar. Herken ik mezelf tussen de verftoetsen, lees ik mijn verhaal tussen de regels. Beleef ik de werkelijkheid gezien door de ogen van de kunstenaar. Ik heb mijn waarheid geverifieerd.

    REALITY CHECK. 10 jaar More, 10 jaar Realisme. Sito Rozema. Voorwoord Maite van Dijk. Uitgave Waanders Uitgevers i.s.m. Museum MORE, 2025.