Categorie: Uitgeverij WBOOKS

  • Geen zee te hoog voor Radio Veronica

    In het jaar van oprichting is het leven van Leo Weijers ingericht. Wanneer Radio Veronica de lucht in gaat blaast hij zijn eerste kaarsje uit. Ooggetuige is hij dus niet, maar hij kan uit eerste hand wel vurig vertellen over de zendpiraat. De eerste vijftien jaren van zijn leven is hij onbewust getuige van de golvende opkomst, het deinende hoogtepunt en het kelderende einde van de zeezender. Hoewel hij het begin van de jaren 60 niet betrokken zal hebben meegemaakt. Hij kan de tonen en de woorden hebben gehoord, maar de betekenis voor de Nederlandse ether toen nog niet hebben geweten. Echter vanaf 1966 raakt hij op zevenjarige leeftijd zo in de ban van popmuziek, dat alles wat los en vast te verzamelen is in plakboeken wordt geplakt en aan de wanden van zijn slaapkamer is geprikt. Zo wordt hij gaandeweg een autoriteit op dit gebied, weet zich pophistoricus en kan zich op een geschikt moment concentreren op de biografie van Radio Veronica.

    In “Radio Veronica 14 jaar hits uit zee” beschrijft Leo Weijers niet alleen de geschiedenis van Veronica, maar ook het gevoel van die jaren: de magie van illegale ether, van jingles en jocks, van jonge rebellen met een microfoon. Het boek is sober geïllustreerd want het is de tekst die ertoe doet, daarom helder geschreven en brengt aldus de zender opnieuw tot leven — als echo van een tijd waarin muziek meer deed dan vermaken: het verzette de bakens.

    Uit eerste hand van nauw betrokkenen weet Weijers een gedetailleerde beschrijving te geven van de latere omroep die eerst is begonnen als zeezender. En er zijn dozen vol memorabilia bewaard gebleven van die tijd, zodat er volop research gedaan kan worden. Het komen, zijn en gaan is een avonturenroman gelijk, een schelmenstreek van de bovenste plank. Weijers vertelt het alsof de lezer zelf in het vooronder getuige is van het werk van technici en presentatoren, producers en deejays. Wat kan de reden zijn dat Veronica zo tot de verbeelding spreekt, vraag ik mij retorisch af, ook nu nog terwijl het schip Norderney al ruim 50 jaar niet meer actief is als radiozender. Het is eens hier en daar nog opgedoken, zoals in Leeuwarden langs de kade omdat de zoveelste nieuwe eigenaar er grootse plannen mee scheen te hebben. Niemand zou het schip na al die jaren nog herkennen als de bakermat van weerstand en opstand, ware het niet dat de kapitale letters VERONICA nog steeds in vergeeld wit op de zijkant staan geschreven.

    Onder de duiven geschoten

    Veronica, de naam wordt met weemoed uitgesproken. De tieners van toen zaten aan hun transistorradio gekleefd zoals men nu met de mobiele telefoon vergroeid is. Radio Veronica werd massaal beluisterd — juist omdat het níet mocht. Wat verboden is, is spannend. Veronica schoot onder de duiven van het omroepbestel en ontregelde het keurige Hilversum met popmuziek vanaf zee. Als een luis in de pels van de publieke omroep zond het schip dagelijks signalen van vrijheid uit, dwars door wetten, golven en zendverboden heen. Het was even revolutionair als de babyboomers van de jaren 60 en paste naadloos in het beeld van die tijd. De conventionele welhaast conservatieve omroepzuilen werden als heilige huisjes omver geschopt door de vrijgevochten en geëmancipeerde mensen van Veronica. Het omroepbestel schudde op de grondvesten, maar moest de piraat uiteindelijk schoorvoetend tegen wil en dank in Hilversum toelaten. Na 14 jaar wist de zender als omroep aan land te komen, maar voordat het zover was moest het schip door zwaar weer kruisen en hoge golven bedwingen. Figuurlijk geschreven, maar zeker ook letterlijk gesproken.

    Veronica, brengster van de overwinning, de heilige Veronica, ereprijs, symbool van trouw en toewijding. Echter zo gewijd was de naam voor de zender niet. Gestart bij de oprichtingsvergadering met de afkorting VRON werden daar noodgedwongen enkele letters aan toegevoegd. Wel een briljante vondst volgens Weijers, want de nieuwe naam verwijst naar een actueel gedicht van Annie M.G. Schmidt waarin een schaap met zwarte voeten figureert. “De VRON wordt door de gevestigde omroepen beschouwd als een zwart schaap, wat is dan mooier dan de naam Veronica!

    Alarmschijf en drive-in shows

    Het boek, het bestaansverhaal van Veronica, is welhaast een handboek hoe een piratenzender buiten territoriale wateren af te meren, in de lucht te brengen en te houden. Het beschrijft nauwgezet de ongeplaveide weg naar het bemannen van het lichtschip de Borkum Riff, dat dus later wordt vervangen door de vissersboot Norderney. En wanneer het schip dan uit de vaart is en voor anker ligt om plaats te bieden aan Radio Veronica als drijvende thuishaven, zijn de stormen niet gaan liggen en teisteren felle regens de bemanning. Storm en onweer is niet van de lucht, want de vaste wal is niet gecharmeerd van de vrijbuiters. Door jan en alleman is Veronica tegen gewerkt, maar het heeft stand gehouden. Er waren sponsors, adverteerders en begunstigers die heil zagen in de zender. Platenmaatschappijen zagen het aan, maar wisten later niet hoe snel zij dozen vol promotiemateriaal naar de Norderney moesten verschepen. Veronica had op het laatst een uitgebreide discotheek, een ruim vol platen en cassettes waaruit een ruime keuze kon worden gemaakt voor de dagelijkse uitzendingen.

    Leo Weijers is diep de historie van de zender ingedoken en met legio feiten en weetjes boven gekomen. Het is daarom niet alleen een interessant en lezenswaardig boek voor de verstokte radioluisteraar, maar zeker ook voor lezers die meer willen weten over reden en aanleiding van de piratenzender, over onbekende discjockeys die later bekende namen zijn geworden in televisie- en radioland. Veronica lijkt wel een bakermat te zijn voor het Hilversumse bestel en de Bussumse studios. Op dat schip voor de kust werd geschiedenis geschreven. Daar werden hits geboren en trends gezet. De programmaleiding was creatief in het starten van nieuwigheden. Zoals de horizontale programmering met vaste tijden en presentatoren, waardoor de luisteraar makkelijker op een programma afstemde en de luisterdichtheid daardoor hoger werd. De commercials deden hun intrede tussendoor de programma’s. Uitzendingen waren herkenbaar aan tunes en jingles. Veronica begon de Top 40, die nog altijd in de lucht is, en zette het fenomeen alarmschijf in de markt. De Drive-In Shows trokken succesvol door het land, voorloper van de tegenwoordige dj-shows. Veronica was een pionier in het zichtbaar maken van de dj als performer, het fundament van de internationale dj-cultuur van nu.

    Niet alleen spitst Weijers zich toe op Radio Veronica, hij kijkt over de horizon en schrijft tevens ook over de tijd waarin een en ander zich afspeelt. Zo plaatst hij Veronica in historisch perspectief. Het maakt het boek aantrekkelijk omdat Weijers verder ziet dan zijn neus lang is. Ieder hoofdstuk, dat elk een jaar in het bestaan van de zender omvat, wordt afgesloten met het beschrijven van voor die periode gangbare muziek en noemt de populairste singles van dat jaar in Amerika, Engeland en Nederland. Plezierig voor de lezers die van lijstjes houden en het fijn vinden relaties te leggen en paralellen te trekken. Zo is het een waardig popboek, dat als naslagwerk niet alleen de popliefhebber maar ook de muziekklas kan animeren. Een standaardwerk derhalve van een expert over Nederlands meest spraakmakende radiozender.

    Radio Veronica, 14 jaar hits uit zee. Leo Weijers. Uitgave WBOOKS Zwolle, 2025.

  • Hoe Van Gogh naar Groningen kwam

    Het is een kapstok. Om een tentoonstelling en een bijbehorende catalogus aan op te hangen. Of een kabinet om het in weg te leggen. De naam Van Gogh beroert de gemoederen, daardoor wordt de interesse gewekt wanneer zijn naam in een titel verschijnt. Maar eigenlijk is het een lokker, een kop in avontuurlijke typografie op de voorpagina van een roddelblad – binnenin blijkt dat de vlag de lading nauwelijks dekt. Zo zwart-wit wil ik het hier echter niet stellen, want “Hoe Van Gogh naar Groningen kwam” is een kleurrijk onderwerp dat door het Groninger Museum serieus is onderzocht. Het item is gelaagd en door de instelling diepgaand uitgeplozen en doorgespit.

    Vincent van Gogh heeft in zijn leven nooit Groningen bezocht, hij kwam niet verder dan Zweeloo in Drenthe. De titel van boek en tentoonstelling doelt dan ook op het werk van de schilder. Schilderijen en tekeningen werden door zes studenten naar Groningen gehaald. Het was de eerste grote overzichtstentoonstelling van Van Gogh in Nederland. Men wist 128 werken los te krijgen om in de bovenzalen van het Groninger Museum van Oudheden ten toon te stellen. Groningen was tot dan, we spreken over het jaar 1895, een cultureel slapende stad. Met een serie van acht tentoonstellingen met op dat moment hedendaagse en moderne kunst en kunstenaars werd Groningen wakker geschud. De tentoonstellingen trokken naar verhouding veel bezoekers. De inwoners van Groningen wilden maar wat graag kennis maken met deze nieuwe lichting.

    Tijdsbeeld voor de belle epoque

    In de rij uitstallingen is het werk van Van Gogh een onderdeel. In de catalogus neemt het eveneens maar een geringe plaats in. Maar het is wel van belang, want het zet de stad en de provincie in culturele zin op de kaart. Het is daarom ook dat het zwaartepunt op dit gegeven komt te liggen. In overleg met de schoonzuster van Vincent, die na de dood van haar man de volledige nalatenschap van haar zwager in beheer kreeg, is de tentoonstelling destijds ingericht en aangekleed. In de serie van acht was dit het derde evenement. En op de achtste en laatste tentoonstelling werden tekeningen en aquarellen van Vincent van Gogh in Groningen getoond. Daarna was het afgelopen, want de studenten gingen na afronding van hun studie ieder een eigen weg. Maar de steen in de vijver had een rimpeling veroorzaakt, er werd nog lang daarna gesproken en geschreven over het initiatief.

    Het boek en de tentoonstelling nu behandelen na intensief onderzoek tevens de andere tentoonstellingen in de twee reeksen die destijds in de jaren van 1895 tot 1897 plaats vonden. De kunstenaars waarvan werk werd gepresenteerd krijgen in het huidige Groninger Museum ook volop aandacht naast de zaal waarin het werk van Van Gogh te zien is. Het zet zich karakteristiek af tegen het tijdsbeeld van net voor de belle epoque. De bezoeker krijgt een mooie inkijk in de kunst van het postimpressionisme, een stijl die reageerde op wat was en vooruitliep op wat komen ging. Vooral het ervaren van de omgeving staat centraal en dat op eigen gevoel weergeven daarvan. Emotionele expressie en levendige kleuren. Maar ook grepen kunstenaars nog wel terug op klassieke stijlen om het realisme van de wereld te verkennen. Ook in deze periode had de symbolistisch geënte kunst navolgers. Het was een rumoerige tijd, waarin schijnbaar voorvoelt werd wat er nadien stond te gebeuren. Alsof men al droomde van expressionisme, constructivisme en neoplasticisme. Maar de tijd was nog niet rijp voor abstractie en non-figuratie. De kunstenaars van dat moment lieten de werkelijkheid nog figureren in de composities, maar deze werd wel al naar eigen hand gezet.

    De woeste culturele gronden lieten zich na het initiatief van de studenten ontginnen. Er bleek daar wat loos te zijn op het platteland ver van het tumult in de randstad. De ogen waren opeens op het noorden gericht. En dat noorden liet zich inspireren door Van Gogh. De niet lang daarna opgerichte kunstenaarsvereniging vond wortels in de rossige Brabander. Op dat postimpressionisme bouwde de groep de eigen stroming, men ploegde de voren in de Groningse akker. Het was voor hen het startpunt om de kunst van en uit Groningen een boost te geven. Maar niet alleen Van Gogh gaf stof tot nadenken en was een bron van inspiratie. Ook andere kunstenaars die door de zes studenten naar stad werden gehaald gaven de Groningse schilders voedingsbodem. Met het initiatief van de studenten was een jonge boom geplant die in de eeuw erna tot wasdom kwam en vrucht droeg. Groningen telde opeens mee in het Nederlandse kunstlandschap.

    Historische kant van het verhaal

    Het boek en daarmee de tentoonstelling gaat in op de geschiedenis van dat culturele leven, het ontstaan van het Groninger Museum en de academie voor beeldende kunsten Minerva. En de zes studenten worden in onderzoek en uitgave gevolgd. Ook de kunstenaars waarvan zij werk naar Groningen wisten te halen krijgen aandacht. Want uiteraard is voor catalogus en uitstalling het verhaal van Van Gogh in Groningen om niet te zeggen enigszins mager. Vincent is op dat moment, 1895, nog niet zolang uit de tijd. Immers op 29 juli 1890 stierf hij aan de hemzelf toegebrachte verwonding. Ook broer Theo liet het leven kort daarna. Weduwe Johanna Bonger kreeg de nalatenschap van haar zwager in beheer. De studenten hadden met haar schriftelijk contact, zij was het die feitelijk die Van Gogh naar Groningen bracht.

    Niet alleen is de kunst in de uitgave aanwezig, ook memorabilia als foto’s die vooral de historische kant van het verhaal uitbeelden. Advertenties in de stedelijke en provinciale courant die de tentoonstellingen kenbaar maken. De correspondentie tussen studenten en de weduwe Van Gogh. Interessant daarbij is de lijst van bruiklenen voor de Van Gogh tentoonstelling. Het maakt het verhaal dat eigenlijk een vertelling is levendig en zet de historische werkelijkheid op scherp. Welbeschouwd gaat het boek meer over het onderzoek, de onderliggende speurtocht naar het hoe en waarom. Wordt de kunst van toen belicht en krijgen de kunstenaars van destijds in beschrijving de aandacht. Het lijkt minder te draaien om de kunstwerken zelf. Deze zijn een treffende illustratie bij het verhaal. Niet los te zien, want daar draait het tenslotte om. Ook in het museum schijnt de kunst minder van belang te zijn. Er zijn veel mooie werken te zien. De tentoonstelling echter leest als een tekststrip, het verhaal onder het plaatje. Het tekstbord geeft niet alleen naam en titel, maar tevens en vooral de achtergrond van de beleving. Of eigenlijk staan die woorden de onbevangen ervaring in de weg. De tekst zou in het boek gelaten moeten zijn, om nog eens door te bladeren en lezen wanneer de tentoonstelling na 5 mei is afgelopen en uitgeruimd.

    Het verhaal past in de serie Verborgen Verleden, een Ongekende Geschiedenis van Groningen. Dat van Vincent die naar stad kwam is een draadje dat gevolgd kan worden. En waaraan legio andere zaken geknoopt kunnen worden. Zo is het een interessant onderwerp, waardoor het Groningse verhaal veel facetten heeft en diverse auteurs zich erover hebben gebogen – van conservator tot historicus. Het boek is daarom een boeiend naslagwerk dat niet alleen de kunst en het culturele leven als punten van behandeling heeft. Het museum belicht daarop de kant van de afbeeldingen, dus het tonen van de besproken kunst. Maar de tentoonstelling bezwijkt dan onder dat verhaal, zoals hierboven is beschreven.

    Hoe Van Gogh naar Groningen kwam. Mariëtte Jansen, Belle de Rode, Anneke de Vries. Met bijdragen van Lieuwe Jongsma, Anton van der Lem, Kees van der Ploeg, Juliette van Uhm. Uitgave WBOOKS i.s.m. Groninger Museum, 2024.

  • Verdwalen in monumentale tekenkunst bij Museum MORE

    Hantsjes op ‘e rêch”, zei ik tegen mijn zoontje van 6 wanneer wij een warenhuis of museum bezochten. Hij was een jonge onderzoeker en keek het liefst met zijn handen. “Handjes op de rug”. Kijken met de ogen, niet met de handen. Dat is sowieso een voorwaarde bij kunst in een museum, of werken op een andere plek tijdens een tentoonstelling. Hoewel ik net als mijn zoon toen, hij is nu 37 en houdt zijn handen thuis, soms wel graag wil voelen. Vooral langs de rondingen van een beeldhouwwerk. Maar ook de huid van een schilderij. Om te weten op welke manier iets tot stand is gekomen. Om de structuur van de inspiratie te ondergaan, de emotie van het scheppen te doorvoelen. Meer te kennen dan alleen het beeld te zien. Een vinger achter de oorzaak te krijgen, het waarom van het bestaan van het kunstwerk te bevatten. Het devies is echter alleen kijken, aanraken niet. En kan ik mijn aandrift niet bedwingen en beweegt mijn vinger naar het werk, dan hoor ik “hântsjes op ‘e rêch!”. Ofwel wijst mij een suppoost terecht: “meneer, wilt u niet aan de werken komen”.

    In de tentoonstelling “Size Matters” in Museum MORE is het zeker af te raden de monumentale tekeningen aan te raken. Al zou ik ze wel willen bevoelen om te onderzoeken waarmee ik te maken heb. De tekeningen zijn zo groot dat deze mijn blik in zich opnemen. Bezit nemen van mijn ervaring. De afgebeelde ruimte kan ik bijna fysiek betreden en er met de ogen in rondlopen. Bij sommige installaties is dit ook daadwerkelijk mogelijk en wordt ik geconfronteerd met evenbeelden, nabeelden en oerbeelden. De werken nemen compromisloos de ruimte in en eisen mijn aandacht op. Van tekeningen op meterslang papier of doek tot video-animatie en ruimtevullende installaties. Doordat ik door de grootte onderdeel wordt van het kunstwerk, het mij opneemt als speler in het geheel, zal ik mijn omgeving willen gaan aanraken. De huid van de getekende mensen, de bast van planten, de structuur van gebouwen, de pels van dieren. De museale afmetingen, het gedetailleerde karakter, de massale afbeeldingen – deze komen hard binnen, veelal mede door het onderwerp dat ze aansnijden.

    Geen snelle ontwerpen op schetspapier

    Het maken van een tekening is al langer een autonome kunstvorm. Was het tekenen eerder een schetsen voordat het resultaat, de schildering bijvoorbeeld, in beeld werd gebracht; tegenwoordig is het een volwaardige op zichzelf staande uiting. Het materiaal leent zich ertoe om groot formaat dragers te ‘beschrijven’. Met potlood en krijt kunnen fragmenten en onderdelen tot in finesse worden uitgelicht. De tekening is geen schets, maar een tot op de kleinste bouwsteen uitgewerkte afbeelding. Doordat er zo fijn gewerkt kan worden heeft de tekening wel de uitstraling van een fotografisch beeld. En dat zal ik dan willen voelen, het doorgronden, er kennis van nemen.

    Geen snelle ontwerpen op schetspapier om de grootte, breedte en hoogte van het voornemen, de begeestering in de vingers te krijgen. Maar op de vierkante centimeter miniem en beduidend uitgewerkte inspiraties. Met actuele onderwerpen die op deze manier sterk aanspreken. Voor een deel is de fotografie aanleiding, vormen foto’s het startpunt om een thema te peilen en te ontrafelen. Kunnen bestaande indrukken onderdeel zijn van een fantastische en futuristische uitdrukking. Het is kunst om in te verdwalen, om jezelf in te verliezen.

    Potlood en krijt basis handmatig werken

    De catalogus bij de tentoonstelling geeft inzicht in de achtergronden van de werken en de inspiraties van de makers ervan. Het laat op handzaam formaat de monumentale werken zien. Voor de echte beleving is het zaak de tentoonstelling in het museum te bezoeken. Dan kan ik effectief en wezenlijk onderdeel uitmaken van de werken. Kan ik mij er tussen begeven en me erdoor laten overweldigen. Deze kunst, tot en met 2 februari 2025 getoond in de zalen van Museum MORE, geeft een bijzondere ervaring wanneer het live wordt meegemaakt. Door in de ruimten te zijn overkomt mij de ruimte van de tekening. En krijg ik oog voor de uitzonderlijke aard van dit fenomeen in de kunst.

    Was de tekenkunst eerder intiem, niet met de bedoeling openbaar te maken maar op te bergen in ladekasten, een medium dat de beschouwer het dichtst bij de kunstenaar brengt. Tegenwoordig zijn in de tekeningen nog aldoor de persoonlijke gedachten en het handschrift er het meest in vergelijking met andere uitingen in te herkennen. Dat wist het grote formaat waarop gewerkt is niet uit. Nog altijd is het potlood en het krijt de basis om handmatig te werken. En zelfs wordt de materie wel met de vingers tot een beeltenis gevormd. In de tekening zit de kunstenaar, omdat er niets tussen hem/haar en de drager staat. “Een tekening is de meest directe vertaling van het hoofd via de hand”, schrijft cultuurjournalist Edo Dijksterhuis in zijn essay in de catalogus. “Een tekening kan de essentie van de gedachte waarop hij is gebaseerd benaderen maar nooit helemaal omvatten. (…) Kunstenaars blijven vooral kunst maken omdat ze telkens net niet te pakken krijgen wat hen voor ogen staat. En die worsteling is in geen medium zo zichtbaar als in tekenkunst. Een tekening laat zich lezen als een logboek van handelingen.” Dat logboek wil ik lezen, met de vingers langs de regels gaan, het schrift aanvoelen. De handelingen meten en doorzien.

    Dichter bij de finesses van de tekening

    Een groep van 28 kunstenaars uit binnen- en buitenland hebben de samenstellers van de tentoonstelling aangetrokken om hun werken te laten zien. In de catalogus lichten artistiek directeur Maite van Dijk en senior conservator Marieke Jooren het idee om een grote tentoonstelling te maken over hedendaagse monumentale tekenkunst toe. De kunstenaars zelf laten zich citeren omtrent hun liefde voor tekenen. “Wat ik zie, wordt pas echt wanneer de lijn van mijn pen het heeft verkend; alles wat ik tegenkom wordt gevat in de lijnen die ik teken”, is opgetekend uit een gesprek met Anne Muntges. “Het werken op groot formaat brengt me dichter bij de finesses van de tekening.” Andere tekenaars voelen ook dat het is alsof ze binnen een zelfgeschapen wereld stappen en daarin meteen elk detail kunnen doorgronden. Door zo dicht op het werk te zitten kan de essentie van het onderwerp worden verkent en onthult. “Een groot formaat heeft als voordeel dat je objecten op ware grootte kunt tekenen”, vindt Levi van Veluw. “Het lijkt alsof je door een venster kijkt naar een andere dimensie. (…) In een tekening is alles mogelijk, er zijn geen natuurwetten. Het grote formaat helpt om de illusie van het getekende tafereel te verwezenlijken.

    Fysieke ‘opponent’

    Niet alleen maar wel veelal werken de kunstenaars zonder toevoeging van kleuren in hun werken. Door zwarten en grijzen op de witte drager aan te brengen krijgt de tekening een vervreemdend karakter. Dan is er geen afleiding door kleur. Het staat buiten de werkelijkheid, maar maakt er toch onderdeel van uit. Worden kleuren aan de tekening toegevoegd komt het beeld terug in de realiteit, maar spiegelt zich in een surrealiteit. Wat ik zie lijkt werkelijkheid, maar is fantasie – een gedachte met de waarheid als basis. De grens tussen werkelijkheid en verbeelding vervaagt. Raquel Maulwurf: “Ik teken met houtskool, één van de oudste kunstenaarsmaterialen. Dankzij verkoold (dus vernietigd) hout kan ik hele werelden tot leven brengen: creatie uit destructie. De reductie tot zwart-wit stript het beeld van overbodige franje.

    De tekening wordt door de grootte een fysieke ‘opponent’ voor zowel de maker als de beschouwer”, dwaal ik in de microscopische verwondering van Hans de Wit. “Lichaam en geest raken overrompeld.” Het op afstand kunnen overzien van het geheel en het van dichtbij ervaren van motieven, detaillering en structuren zijn in zijn werk essentieel, “net als de tegenstrijdige gevoelens van bijvoorbeeld aantrekking en afkeer. Hierbij speelt ook het manipuleren van de natuurlijke schaal van de motieven een rol.” Die manipulatie van de blik, het oog om te dolen, zie ik terug in de meeste van de andere werken. Het is een bijzondere ervaring de monumentale tekenkunst live bij Museum MORE en later thuis via de catalogus “Size Matters” te bekijken. In de tentoonstelling houd ik krampachtig mijn handen op de rug en laat mijn blik verdwalen in de getekende verhalen.

    Size Matters. Monumentale tekenkunst nu. Monumental drawing now. Voorwoord Maite van Dijk. Teksten Marieke Jooren, Edo Dijksterhuis. Uitgave WBOOKS Zwolle in samenwerking met Museum MORE Gorssel, 2024.

  • Een bedrijfsverzameling met liefde voor tekenen

    Musea bestaan niet bij de gratie van schenkingen, maar deze donaties in nature zijn wel een goede bron van inkomsten voor de collectie waardoor een museum kan overleven. Doordat particuliere verzamelaars of bedrijfsmatig opgebouwde verzamelingen delen uit de collectie schenken of bovendien de hele schat aan kunstwerken afstaan, kan het museum nieuwe relaties maken met het bestaande bezit. En kan de bezoekers ander werk worden getoond dan men gewoon is onder dat dak te bezichtigen. Zelfs wordt rond een verzameling een musea gezet, dat met bruiklenen daarbij een keur aan kunst kan tonen. Een museum is uiteraard zeer gesteld op het feit dat de verzamelaar of het instituut, de bank of het bedrijf de aangelegde verzameling schenkt om niet. Of dat delen ervan door een stichting of vereniging worden aangekocht en in langdurig bruikleen worden gegeven, waarna over het algemeen een schenking volgt. Bij de schenking wordt dan meestal wel als voorwaarde gesteld dat werk uit de bijdrage permanent te zien is. Zodat dus de verzameling, die was opgeslagen in depot of weggestopt in een kluis, wordt ontsloten voor publiek. Want kunst moet gezien worden!

    De NOG collectie

    Het Stedelijk Museum Schiedam was verguld met de schenking van Stichting Beheer SNS Reaal, uiteraard. De volledige kunstverzameling, ook wel bekend als de NOG Collectie, kwam in 2021 in het  bezit van het museum. Voor het Stedelijk aanleiding een bijzondere tentoonstelling in te richten die mede door een drietal kunstenaars werd gecureerd. Voor “Liefde voor tekenen” werden Fatima Barznge, Susanna Inglada en Koen Taselaar gevraagd een keuze te maken uit de verzameling om te tonen op zaal. De drie kunstenaars maken met een aantal werken onderdeel uit van de schenking. De NOG Collectie richt zich vooral op de werkvorm tekenen in al haar uiterlijke verschijningen. De tentoonstelling in Schiedam is inmiddels afgelopen, maar de catalogus die daarbij verscheen blijft een waardevol naslagwerk. Vooral omdat de volledige schenking daarin staat afgebeeld, zodat kan worden nagegaan hoe de collectie door de jaren heen vanaf 1994 tot 2021 is opgebouwd.

    Vrije expressie van de ziel

    De gesprekken met de drie kunstenaars, over tekenkunst en tekenen, vormden de basis van de tentoonstelling en zijn de kern van het boek. Hoewel natuurlijk de collectie ook een belangrijk onderdeel is van de uitgave. Maar door de interviews komt de lezer dichterbij het tekenen als volwassen kunstuiting en krijgt inzicht in werkwijze, reden en inspiratie. Werd tekenen lange tijd gezien als opstap naar een schilderij, de schets om het resultaat in de vingers te krijgen, tegenwoordig is de tekening het resultaat, een volwaardig kunstwerk. “Het is de vrije expressie van de ziel van de kunstenaar”, citeert hoofd kunst en geschiedenis van het museum Catrien Schreuder de Franse filosoof en criticus Denis Diderot. Deze schrijft in de 18e eeuw aan de schets meer bezieling toe dan aan het schilderij. Een eeuw later vindt kunstenaar en criticus John Ruskin dat de beginnende kunstenaar door te tekenen de werkelijkheid pas echt kan doorgronden. Voor hem is het tekenen naar de natuur de belangrijkste oefening voor het oog van de kunstenaar. En in 1931 beschrijft criticus Herbert Read het bestuderen van tekeningen als de beste oefening voor het eigen aanvoelen. “De kunstenaar maakt tekeningen om de schuilplaatsen van zijn eigen geest te ontdekken.”

    Eigenzinnig n vernieuwend

    Zo verwerft het tekenen door de eeuwen een eigen plaats in de uitingen van kunst. “In de tekenkunst kunnen kunstenaars zich vrijheden permitteren om gevoelens uit te drukken, fantasie de vrije loop te laten of surrealistische verbeelding te laten zien”, aldus kunsthistoricus Diana Wind. En daar kunnen de gesproken kunstenaars zich bij aansluiten, vooral omdat zij op een eigenzinnige en vernieuwende manier omgaan met tekenkunst. “Voor elk van de drie kunstenaars geldt”, lees ik in de inleiding van Schreuder, “dat hun keuze voor het tekenen als primair medium ooit voelde als een daad van verzet, of op zijn minst eigenwijsheid, {…} De directheid, het handschrift, het persoonlijke dat zijn de meest genoemde kwaliteiten van tekenkunst.

    Fatima Barznge

    Voor Fatima Barznge is tekenen belangrijk als schets, als medium voor onderzoek, maar ook als resultaat. “Als ik aan tekenkunst denk, denk ik aan lijn en schrift. (…) Mijn tekeningen zijn vanaf het begin bedacht. Ik kan niet zomaar een potlood pakken en een patroon maken.” Soms verandert het patroon wel tijdens het tekenen, zegt Barznge, dan maak ze er iets anders van. “Dat vind ik het mooie van tekenen, je hoeft niet altijd streng te zijn voor jezelf. Uit een mislukking kan ook iets heel moois ontstaan, een verrassing.”

    Susanna Inglada

    Mijn werk bevraagt altijd wat er in mijn omgeving gebeurt”, licht Susanna Inglada haar manier van werken toe. “Voor mij is tekenen een manier om te denken, te praten, te reflecteren. De directheid van het tekenen past bij mij en bij wat ik wil vertellen. Met één simpele lijn kan je zo veel expressies uitdrukken. Ik vind het interessant hoe je met eenvoud complexiteit creëert.(…) Voor mij is kunst een manier om onderwerpen op tafel te gooien. Thema’s die ik niet begrijp. Ik probeer situaties te begrijpen door te tekenen. Door dit medium, of deze taal, kan kunst een gesprek, een gedachte, een ander perspectief openen. Humor is voor mij een manier om zwaardere thema’s aan te boren.”

    Koen Taselaar

    Zijn werken in de NOG Collectie omschrijft Koen Taselaar als inkt op papier met wat verf hier en daar. En of het dan nog een tekening is weet hij niet. “Iedereen zegt ook maar wat natuurlijk. Als het op doek is, is het een schilderij. Als het op papier is, is het een tekening, toch? Als er een lijn in zit, is het een tekening, als het vlakken zijn, is het een schildering. (…) Tekenen is voor mij een soort hand-hoofd-beweging die heel direct is.” Taselaar denkt met zijn handen. Hij denkt dat tekenen het dichtst in de buurt komt van een kijkje nemen in iemands hoofd. Het is belangrijk dat de toeschouwer de concentratie ervaart, de liefde en aandacht waarmee de dingen zijn gemaakt.

    Ee grote keuzevrijheid

    De drie kunstenaars hebben intuïtief uit de collectie gekozen, werk dat hen aanspreekt omdat het verwantschap heeft met het eigen werk of juist niet. “In de werken die ik heb gekozen zie ik licht, eenvoud, patronen en soms ook lichaamsdelen als een soort natuurlijk ornament”, zegt Fatima Barznge daarover. De NOG Collectie is ontstaan als een bedrijfscollectie van hedendaagse kunst. “Met het aanleggen van een kunstcollectie, specifiek gericht op de kunstenaars die bij het grote publiek nog (net) niet bekend zijn, wordt uiting gegeven aan de wens om iets blijvends te creëren”, geeft kunsthistoricus Luna de Schepper aan. Conservator van de collectie Corrie van der Veen zegt dat er een grote keuzevrijheid is, zij het dat er verzameld wordt met de verwachting dat de bijzonderheid van het werk enigermate gewaarborgd blijft. “Het werk moet passen in de collectie door verscheidenheid en niet door het volgen van thematische benaderingen. Er wordt ook niet specifiek gezocht naar jonge kunstenaars.” En bij het bladeren door de pagina’s met werken uit de collectie kan ik dat beamen. Het is een grote diversiteit aan uitdrukkingen, die enkel met elkaar gemeen hebben dat het accent ligt op tekeningen ofwel werken op papier. Hoewel er tevens driedimensionale en ruimtelijke objecten in de verzameling zijn ondergebracht. Geen wonder dat de collectie als slogan had: ‘NOG net even anders’.

    Liefde voor tekenen. Kunstenaars kiezen uit de collectie. Met een voorwoord van Anne de Haij, directeur Stedelijk Museum Schiedam. Tekstuele bijdragen van Catrien Schreuder, Edita Aleksanian, Krista van der Bron en Luna de Schepper. Mogelijk gemaakt door Stichting beheer SNS REAAL. Uitgave WBOOKS, Zwolle in samenwerking met Stedelijk Museum Schiedam, 2024.

  • Breitner: een levenlang twijfelen aan eigen kunnen

    Je maakt nu eenmaal vóór je veertigste betere dingen dan daarna.” Met deze uitspraak kwalificeerde George Hendrik Breitner zijn eigen werk. In de uitgave ‘Breitner schilderbeest’, catalogus bij de tentoonstelling in Singer Laren, richt gastconservator Suzanne Veldink haar blik daarom op zijn werk van voor 1900. En inderdaad ontwikkelde zijn werk in die periode zich door alsmaar te kijken en steeds weer te oefenen tot het niveau waarop Breitner als schilder bekend geworden is. In het boek en bij de tentoonstelling beschouw ik het verhaal over wat ik zie wanneer ik naar de schilderijen en de tekeningen kijk. En op welke manier Breitner vlak, vorm en kleur heeft geschikt kan ik tevens door de tentoonstelling en in het boek gewaarworden aan de hand van vijf thema´s die binnen de alledaagse kunstenaarspraktijk in elkaar overlopen: oefenen, figuur, licht/donker, lijn, kleur. Daaraan kan ik na het lezen en bekijken nog het experiment toevoegen, en, niet onbelangrijk: de inspiratie.

    Nadruk op vlak en kleur

    De uitgave van WBOOKS, het boek “BREITNER schilderbeest”, is een tentoonstelling op zichzelf. Door details uit schilderijen over een spread van twee pagina’s af te drukken zit de lezer bij wijze van spreken met de neus op het doek. De afzonderlijke penseelstreken zijn zichtbaar, de contourlijnen na te gaan. Maar ook de complete werken als illustratie bij de teksten zijn subliem opgenomen en afgedrukt. Helemaal naar Breitners doelstelling om de nadruk te leggen op vlak en kleur, lijnvoering en stofuitdrukking. Ieder schilderij en elke tekening is voor de beschouwer een lust zich in de verbeelding te begeven. Maar natuurlijk verdient een bezoek aan Singer Laren om de werken live te zien de voorkeur. Het boek is een uitstekend surrogaat, hoewel de kwaliteit absoluut niet minder is.

    In zijn twintiger jaren was Breitner zoekende en bleef eigenlijk zijn hele schildersleven naarstig op zoek de juiste vorm en het beste uitdrukkingsvermogen te vinden. Op het moment van zijn niet wetende dat deze allang gevonden is. Want al tijdens zijn leven wordt hij door vriend en vijand gewaardeerd en geprezen. Altijd blijft echter de twijfel. Het uitdrukken van wat gezien is komt daarmee op een hoger plan. De onderscheidende artistieke kwaliteiten van Breitner en de vernieuwende bijdragen aan de Nederlandse schilderkunst rond 1900 staan buiten kijf. Niet beseffend dat hij een pioniersrol vervulde hield hij vast aan zijn eigen manier van zien. Elk genre dat hij onder handen nam maakte hij zich eigen en vernieuwde deze door voorbij te gaan aan bestaande regels en gewoontes in de kunstwereld. Daardoor had zijn artistieke ontwikkeling geen rechtlijnig karakter, het wisselde van onderwerpkeuze en aanpak, gedurfd kleurgebruik en expressief lijnwerk.

    Brutaler en vrijer omgaan met de regels

    Hoewel het impressionisme in zijn tijd werd gezien als een schetsmatige schilderstijl, paste het helemaal aan bij zijn manier van kijken en werken. Hij nam als basis het tonale palet en de losse penseelstreek van de kunstenaars van de Haagse School en voegde daar eigenheid aan toe. Door weinig academische ervaring kon hij brutaler en vrijer omgaan met de regels. Misschien dat zijn gebrek aan een voltooide academische opleiding zijn voortrekkersrol positief heeft beïnvloed, hoewel in het geval van Breitner niet van een gebrek als wel van een voordeel gesproken kan worden. Hij haalde zijn kennis en vaardigheden uit het veld, bij kunstenaars die hem inspireerden. In verschillende fases van zijn carrière bleef hij echter wel op zoek naar een grondige technische scholing, in de hoop zo de sluimerende onzekerheid over zijn eigen kunnen te beteugelen. Daardoor kon hij een eigen weg gaan en was het hem mogelijk zonder klassieke ballast te experimenteren en te komen tot waar hij de geschiedenis in is gegaan, als Nederlands impressionist – de kopman van de avant-garde. Zoals hij zelf zei: “Mij dunkt voortbrengingskracht en verbeeldingskracht maken de kunstenaar + een groote X.

    Rauwe werkelijkheid tot stemmige impressie

    Schilderachtig wilde hij historiestukken neerzetten. Op detail de realiteit vangen. Maar hij besefte al snel dat hij het juist moest hebben van de dingen die hij om zich heen zag gebeuren in plaats van anekdotes uit het verleden aan te halen. Dynamisch en met brede verftoets bracht hij figuren in beeld. Het beeld werd monumentaal. Hij voelde zich steeds meer aangetrokken tot een opkomende, anti-academische richting in de Haagse schilderkunst. Het vastleggen van een bepaalde sfeer op een zeker moment was daarbij meer belangrijk dan een verhalend onderwerp. Voor Breitner was een verhaal vertellen met veel details en een correcte tekening gaandeweg van minder belang dan kleur, lijn en expressie. Hij schetste de rauwe werkelijkheid tot een stemmige impressie. Zijn werk oogt speels en spontaan. Eerst nog modelleerde hij zijn beeld zorgvuldig met oog voor detail, later werd zijn penseelvoering krachtig en sprekend. Alledaagse figuren werden met ferme streken in soms hoekige vormen en met harde contouren tegen een donkere achtergrond geplaatst. Gebeeldhouwd in verf, uit de verf ontstaan. Na een zichtprobleem viel hij terug op het detail in de nauwkeurige stofuitdrukking. Hij leek geland op zijn artistieke basis, maar vandaar uit werd hij colorist. Hij had voordien de werking van kleur en vorm perfect onderzocht en kon opnieuw loslaten. Het werk robuust in kleurvlakken opbouwend.

    Nieuwe realiteit

    In kleurrijke, vrij geschilderde werken lijkt Breitner, na jaren van zoeken, zijn artistieke streven te hebben verwezenlijkt. Door thema’s telkens opnieuw onder handen te nemen en zichzelf bij elke versie uit te dagen was hij op dit punt aangekomen, steeds zoekend naar vooruitgang. Met de nadruk op kleur en expressie in plaats van vormvastheid was Breitner zijn tijd vooruit. Hij maakte een nieuwe realiteit door bestaande en bedachte elementen te combineren. Inspiratie kon Breitner vinden in een bijzondere vorm, opvallende kleur of toevallige beweging. Hij zette geen feitelijke weergave op doek, maar koos bewust voor wat hij de kijker wilde laten zien. Selecteerde en componeerde naar hartenlust, daarbij proberend zo dicht mogelijk bij de realiteit te blijven. Hij gebruikte later zelf genomen foto’s als instrument bij het componeren van zijn schilderijen. Maar maakte ook getekende en geschilderde schetsen en plein air, daardoor kon hij in zijn atelier diezelfde sfeer oproepen als dat hij ter plekke had ervaren.

    Zijn beeldopbouw lijkt eenvoudig, maar met enkele verfstreken kon Breitner doeltreffend een figuur neerzetten. Hij wist een schetsmatige uitvoering perfect te combineren met een volwaardige compositie. In dit vrije schilderen maakten de figuren zich los en ontstonden op afstand gezien ‘uit de verf’ – een ruimtelijke illusie. Men had kritiek op de schetsmatige wijze van schilderen en het ogenschijnlijk onvoltooide karakter van zijn werk. De beoordeling op stijl en techniek boven het onderwerp bleef hem levenslang achtervolgen. Breitner werkte vanuit zijn eigen visie op de werkelijkheid, waarin hij de schoonheid van het dagelijkse leven zonder hang naar nostalgie uitdrukte in gedurfde heldere kleuren en een brede markante verftoets. Hij zocht stug door naar een eigen handschrift. Zo vond hij uiteindelijk zijn ‘groote’ X.

    BREITNER schilderbeest. Tekst Suzanne Veldink. Voorwoord Jan Rudolph de Lorm. Verschenen ter gelegenheid van de tentoonstelling in Singer Laren van 15 mei tot en met 8 september 2024. Uitgave WBOOKS Zwolle in samenwerking met Museum Singer Laren, 2024.

  • A trip down memorylane: de jaren 60

    De jaren 60, deze staan in ons collectieve geheugen geëtst als het decennium van de ommekeer. De tijd waar er op alles en iedereen gehamerd werd dat alles anders moest, in elk geval anders dan voorheen. De naoorlogse generatie wilde het anders doen dan de vooroorlogse, helemaal anders, compleet anders. En die van tijdens de oorlog geboren waren alternatief genoeg om het voortouw te nemen. De wereld lag voor hen open, dachten ze. Het waren de jaren van na de wederopbouw doordat de oorlog het land deels had verwoest. Het ging Nederland weer goed, het land klom uit de put omhoog. De mogelijkheden reikten welhaast tot de hemel. De jongelui bouwden echter een toren van Babel en wisten niet meer correct te communiceren met de ouwelui. “de mensen zagen er anders uit, gedroegen zich anders, hadden andere denkbeelden en gebruikten een andere taal

    Levendig historisch boek

    De jaren 60, die jaren van de meest ruchtmakende twintigers van de twintigste eeuw, de vorige voor deze nu. Het Grote Jaren 60 Boek is een trip down memory lane voor de mensen die het hebben meegemaakt. Een levendig historisch boek voor de kinderen en de kleinkinderen van na de geboortegolf die terug willen zien of de geschiedenis ons iets heeft geleerd. Hebben de jaren 60 van de vorige eeuw echt Nederland laten trillen op de grondvesten of is dat het verhaal dat tot legende werd door de tijd. Feit is dat er veel kon waar schijnbaar niets mogelijk was. Oude zuilen werden omver getrokken, heilige huisjes ingetrapt. Het was niet makkelijk voor de gevestigde orde om de conservatieve teugels te laten vieren.

    In een lijvige inleiding laten de samenstellers historici René Kok en Erik Somers en gepensioneerd archivaris Paul Brood de jaren 60 in woorden uitgebreid passeren. Maar Het Grote Jaren 60 Boek is vooral een fotoboek, een plaatjesboek, waarbij de bijschriften de beelden becommentariëren. Een reis terug in de tijd voor de ervaringsdeskundigen. Voor de oudere generatie een terugblik op een tumultueuze periode waarin zij de gevestigde orde zagen afbrokkelen, maar waarmee het achteraf gezien allemaal wel meeviel. Herkenbare voorvallen, data die de mond doet openvallen van verbazing en feiten waarvan je weet waar je was op die memorabele dag. Er is veel omgedraaid en afgewenteld, maar of het nu echt een ommekeer in doen en denken heeft betekent valt te bezien. Er is veel gesproken en nagedacht, bediscussieerd en gefilosofeerd. Maar er was ook veel actie als reactie. Geen woorden maar daden, maar alles met liefde en respect voor elkaar.

    Gekleurde herinneringen

    In Het Grote Jaren 60 Boek kijken de schrijvers en samenstellers met afstand naar deze bewogen jaren en vragen zich af of het werkelijk zo’n revolutionaire tijd was. “Of zijn de herinneringen en de eigentijdse getuigenissen teveel gekleurd? De werkelijkheid was – zo zien wij nu – wat genuanceerder en soms net iets anders dan we dachten.” Waren het echt de jongeren die zorgden voor de revolutie in de Nederlandse maatschappij? Het eerste politieke verzet echter kwam van de boeren en de pacifisten, en van de dienstplichtig militairen. De gevestigde orde reageerde daarop neerbuigend en lacherig in een poging orde en gezag te herstellen. Het lachen verging hen snel, dus kregen de Boerenpartij en de PSP een vertegenwoordiging in de kamer, terwijl de VVDM de officiële gesprekspartner van de minister van Defensie werd.

    De wereld was in de jaren zestig onrustig, in beweging en in verandering, trappen de auteurs in de inleiding een open deur in. Toenemende welvaart maakte mogelijk dat gezinnen een televisie konden kopen, of een auto, of eens met vakantie in het buitenland gaan. Elektrische apparaten bespaarden de huisvrouw veel tijd. Vrije tijd neemt toe. Vooral dankzij de televisie werd de wereld kleiner. Die beeldbuis was een van de oorzaken die bijdroegen aan het besef van een globale samenleving. Een maatschappij die moest veranderen op zoek naar nieuwe waarden en een eigen geloofwaardigheid. Een omstandigheid was ook de veel genoemde en geroemde generatiekloof: de confrontatie tussen de vooroorlogse en de naoorlogse generatie. Jongeren wilden een ander leven dan hun ouders leiden. Traditie en conventie waren uit, vrijheid en eigenheid kwamen in. Zuilen vielen om, kerken liepen leeg. “Minder naar de kerk, meer naar school, minder werken en meer seks”, merkt historicus Hans Righart op. Op de politieke agenda kwamen vrouwenemancipatie, abortus, homoseksualiteit en vrije seksuele omgang. Voorheen ondenkbare zaken werden mogelijk in de jaren 60: de introductie van de anticonceptiepil en het eerste naakt op de televisie.

    Veelbewogen jaren

    Alom is men bezig op de puinhopen van de oorlog nieuwe wijken en wegen aan te leggen. Als een feniks verrijst Nederland uit haar as. “Met zoveel sloop en nieuwbouw zou het geluid van de jaren 60 misschien het beste weergegeven kunnen worden met hei- en graafmachines, betonmolens en zandauto’s. Maar in de collectieve herinnering is het toch de muziek die ook in onze tijd nog klinkt.” Beat- en popgroepen worden in Nederland opgericht in navolging van vooral Engeland. Memorabele concerten van buitenlanders, The Beatles en The Rolling Stones doen ons land aan met alle gevolgen van dien, worden afgewisseld met optredens van groepen uit de Randstad. De blues van Cuby zet Drenthe op de kaart. Het boek besteed daar in beeld allemaal aandacht aan, naast de andere kunsten die het cultuurlandschap danig opschudden. Geen enkel item waarop met weemoed kan worden teruggezien laten Kok, Somers en Brood links liggen. Het nieuwe leven, wonen en werken, komt ruimschoots aan bod en ook de invulling van vrije tijd, het beoefenen van sport en de kinderen van de jaren 60 hebben beeldden in het boek.

    Het is een boek als één uit de serie een jaar in beeld, maar bestrijkt in dit geval een decennium. Daarvan zijn of volgen er meerdere, zoals Het Grote Jaren 70 Boek. Maar de jaren 60 zijn toch onmiskenbaar na de jaren 40 het meest memorabel en tot de verbeelding sprekend. “Nostalgie naar de tijd van de jeugd, naar mooie tijden en ervaringen is een heel gewone menselijke emotie”, citeer ik de auteurs. Dankzij de mogelijkheden van de techniek en de media hebben de jaren 60 een grote impact gehad op onze samenleving. Het was een periode van verandering, verzet en ontwikkeling. “Maar laten we die jaren wel in de juiste proportie bekijken. Voor de meeste mensen ging het leven gewoon door en was de enige modernisering de aankoop van een televisie en de eerste vakantie naar het buitenland.

    Het drietal dat werkte aan deze uitgebreide terugblik op een veelbewogen decennium in de vaderlandse geschiedenis merken tot slot op: “Niettemin, bewogen jaren waren het, maar de foto’s zijn haarscherp!” Deze gevleugelde woorden vormen de strik om de verpakking van het boek, zijn de kers op de taart, de bekroning van een onderzoek. De haarscherpe foto’s geven een perfect uitgetekend beeld van de jaren 60 van de vorige eeuw. Een periode die vooral ruikt naar patchouli en nederwiet, maar die niet de vrede onder de mensen en de verdraagzaamheid voor dier en natuur heeft gebracht waarop men destijds zo had gehoopt.

    Het Grote Jaren 60 Boek. René Kok, Erik Somers, Paul Brood. Uitgeverij WBOOKS, 2023.

  • “Op scherp” zet fotorealisme in focus

    Eens zag ik een kunstwerk hangen, waarvan ik dacht dat het een polaroidfoto was. Met schildertape aan de wand geplakt. Een vakantiekiekje, vrolijk zitten drie figuren naast elkaar in de zon. Het lijken drie generaties – vader, kleinzoon en zoon. Bij nadere beschouwing blijkt het om een klein schilderij te gaan. De gestuukte muur, de tape, de foto en de schaduw, het ruimtelijk effect – het is alle olieverf op doek. Een foto uit het familiealbum was door Gerrit Wijngaarden nageschilderd. Het was voor mij een eerste kennismaking met het fenomeen fotorealisme. Ook zag ik wel de realiteit van Olav Cleofas van Overbeek, een meester van het stilleven. Hoewel de lichtinval in zijn werk bijzonder is met een terugkerende spiegeling, heeft het niet de kracht van fotorealisme zoals ik zie in de catalogus en op de tentoonstelling “Op scherp / In focus”.

    Collectioneren van fotorealisme

    Het Centraal Museum Utrecht is de eerste instelling in Nederland dat zich richt op het collectioneren van fotorealisme. Veel van deze verzamelde werken zijn door tijd vanaf de jaren 80 uitgeleend voor tentoonstellingen elders. Nu toont het museum ze onder eigen dak. Daarbij valt op dat de schilderijen griezelig echt zijn. Aan de minutieus nageschilderde foto´s is een extra dimensie toegevoegd, waardoor er meer lagen van beleving zichtbaar zijn dan in de reguliere platte foto. Een foto is het vastleggen van een enkel moment, het schilderij laat meerdere momenten zien. “Het werk van fotorealistische kunstenaars is bedrieglijk verleidelijk”, schrijft artistiek directeur Bart Rutten in zijn voorwoord tot het boek. “Hun vakmanschap steekt de mechanische precisie van fotoapparaten naar de kroon. (…) Maar de maatschappelijke waarden die erin verborgen liggen zie je makkelijk over het hoofd.

    Achter de façade van de werkelijkheid huist de essentie van de gedachte. Een statement dat de kunstenaar met zijn compositie wil maken. Dat wordt gedaan door de wereld of delen daaruit weer te geven zoals wij deze dagelijks treffen en kunnen zien. Doordat dit zo werkelijk of zelfs hyperrealistisch gedaan is kan ik op mijn vingers natellen dat er iets niet aan klopt. Wat wij als werkelijkheid ervaren trekt fotorealisme in twijfel. Want het is meer dan een knap staaltje kopieerwerk. Bij het zien van fotorealistische werken moet ik daarom alert zijn, beter kijken om de achterliggende boodschappen te lezen. Daarop wijst mij de curator van de tentoonstelling, Esmee Postma. En ook Hanneke Grootenboer, hoogleraar kunstgeschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam, roept mij daartoe op. Zij gaan voor de catalogus beide in op de geschiedenis van het fotorealisme, als laatste isme van de 20e eeuw en reactie op de abstractie van Cobra en het nulpunt van Zero.

    Glimmende auto’s en ronkende motoren

    De transformatie van foto naar verf druist in tegen alles waar het modernisme voor staat. Waar popart de popcultuur en massamedia ironisch verheft, is het fotorealisme een bloedserieuze aanvechting van wat moderne kunst kan en mag zijn. In “Op scherp / In focus” wordt gesteld dat deze kunstvorm uit Amerika is overgewaaid en dat het in eerste instantie voornamelijk een masculiene stijl was. Daarom zie ik glimmende auto’s en ronkende motoren, schreeuwende uithangborden en spiegelende winkelpuien, om niet te spreken van vrouwen in uitdagende lingerie. Uit de gevulde winkeletalages, pick-up trucks en straatbeelden spreekt een specifieke kijk op de wereld. Het zijn snapshots en is een afspiegeling van de vooral welvarende witte mannenwereld. Momentopnames die echter verder reiken dan die zichtbare werkelijkheid. Er staat meer in de compositie dan bij een snelle blik gezien kan worden. Eigenlijk zal ik de eerste laag eraf trekken om de onderliggende huid te ontdekken. Dan denk ik aan wat ik vind bij Ger Eikendal in dezelfde tentoonstelling als waar ik Gerrit Wijngaarden zag. Eikendal gaf mij een optische illusie door onder flarden van afgescheurde affiches nieuwe beelden te tonen. Daar zag ik toen echter nog geen maatschappelijke boodschap in. “Op scherp” focust mij, “In focus” scherpt mijn beeld.

    Het wil geen foto zijn, het wil er voor doorgaan

    Fotorealistische werken van toen en nu roepen op tot vertraging”, schrijft Esmee Postma. “Ze zijn met aandacht gemaakt en verlangen een aandachtige blik.” Hanneke Grootenboer vult aan: “Een vluchtige blik van de toeschouwer is niet genoeg; voor wie de veelzijdigheid van fotorealisme wil doorgronden is beter kijken het devies. Met als aanvullende tip om op je hoede te zijn. Want fotorealisme wil je te pakken nemen, je verrassen, je erin laten tuinen en je wakker schudden.” Door vijf richtlijnen te geven leert ze mij fotorealistisch te kijken en haarscherp te denken over mijn eigen beeldgebruik. Zo zal ik vervreemd raken van mijn omgeving, oppervlakkig zijn en me laten misleiden. Ik zal moeten reflecteren op reflectie, want de uiteindelijke ambitie van fotorealisme is niet zozeer het onthullen van de ware aard, maar het demonstreren van de kracht van de vermomming. “Het wil niet een foto zijn, het wil ervoor doorgaan.” Tot slot ga ik filosofisch kijken daar opzettelijk bedriegen een manier is om de waarheid te vertellen. De camera is vandaag de dag een model geworden voor zowel een manier van kijken als een manier van leven, stelt Grootenboer. De grens tussen privéleven en publieke ruimte wordt vager. Er is weinig ruimte je te verbergen en iedereen laat zich schijnbaar vrijwillig zien. De fotograaf – en dat kan tegenwoordig iedereen zijn met de mobiele telefoon stand-by – deze kijkt indirect naar de wereld, de fotorealist nodigt uit tot een noodzakelijk bewustwordingsproces. Fotorealisme is een filosofie, een attitude.

    Een aanklacht, een protest

    De catalogus toont veel representatieve voorbeelden van deze manier van werken. Vooral gelaagde werken, de composities met een boodschap, komen erin aan bod. Want dat is wat fotorealisme is of wil zijn. De maatschappij een spiegel voorhouden, zodat deze de eigen opgeblazen houding naar de wereld kan aanschouwen. Althans wanneer je daar voor openstaat, dat wil zien, deze tekortkoming door die overvloed. Zo is het fotorealisme meer nog dan andere ismes of stromingen binnen de kunst een aanklacht, een protest. Het wil meer zijn dan een landschapje of stilleventje boven de bank, het doet ertoe en heeft iets te zeggen. Is het dus vooreerst een mannelijke aangelegenheid, het boek snijdt vooral de vrouwelijke inbreng aan. Een bijdrage die de stijl veelvormig maakt, met name omdat het kleurig en seculier is geworden. Niet alleen de witte mannelijke mens heeft een boodschap voor de wereld.

    Op scherp / In focus” laat enkele vrouwelijke realisten aan het woord. Esmee Postma is in gesprek met Audrey Flack. Zij gebruikte foto’s eerst als hulpmiddel bij het schilderen van stillevens en kinderen, maar deze stelden haar later in staat om licht, diepte en schaduwen te bestuderen. Weerkaatsend licht op een parfumglas of het metaal van een gouden armband. “Een foto legt geen belichaamde ervaring vast”, zegt Allison Katz. “Het weerspiegelt het mechanische oog van de camera, dat dingen ziet die wij niet kunnen zien, vanuit hoeken en snelheden en in kleuren en temperaturen die wij niet kunnen zien. (…) Bij schilderkunst geloof ik dat het belangrijkste realisme in het oppervlak zelf zit.” Esiri Erheriene-Essi ziet schilderen als het schrijven van een speculatieve geschiedenis, het samenvoegen van het verleden en het heden, van individuele en gedeelde herinneringen. Want voor alles is een fotorealist een schilder. Een schilder die met fotografisch ingestelde ogen naar de wereld kijkt. De werkelijkheid naar eigen hand zet, de realiteit vervormt en aanpast.

    Uitgepakt smaakt de boodschap zoet

    Terug naar die eerste kennismaking. De vakantiefoto van Wijngaarden en de spiegelende schaal van Van Overbeek. Het is vakwerk, dat zeker. Maar vlak werk, ik vond geen dubbele bodem, ik zag geen boodschap. Die merk ik nu wel op in het werk dat mij in “Op scherp / In focus” wordt getoond. Ik heb geleerd om beter te kijken. De “Blue Caddy”, levensgroot gereden van het omslag van het boek, het verhaal daar omheen, brengt me die geschilderde foto en dit ragfijn en haarscherp stilleven in herinnering. Maar zij, Wijngaarden en Van Overbeek hebben de stilte gezocht, terwijl ik op die qua afmeting confronterend levensgrote schilderijen een tumult aan geluid aanvoel. Het is van een andere orde, het heeft als protestkunst – mocht de maker dat al in gedachten hebben – een mindere waarde, schilderkunstig is het van bijzondere kwaliteit. Want dat is wat fotorealisme is, puur ik uit de catalogus en zie ik in de tentoonstelling. In reactie op de actie van abstracte kunst, uit protest over de huidige vluchtige beeldcultuur. De aanklacht is omfloerst, niet meteen zichtbaar, verpakt in een glamorous watertandend papiertje. Uitgepakt smaakt de boodschap zoet met een scherp zuurtje, het brandt op de tong – de tranen springen me in de ogen, de rillingen lopen me over de rug. Wanneer ik beter zie en door kijk ontdek ik de diepere betekenis, de dubbele bodem, het verborgen verhaal. Het is een aha-erlebnis het opeens te doorzien. En niet enkel een vakkundig gemaakt en schilderachtig opgezet beeld te bekijken, maar deze op waarde te doorgronden. De vast grond blijkt drijfzand waarin ik makkelijk wegzak wanneer ik mijn ogen sluit voor de meerwaarde van het beeld.

    Op scherp: Fotorealisme nader bekeken / In focus: A closer look at photorealism. Tekst: Bart Rutten, Esmee Postma, Hanneke Grootenboer. Verschenen ter gelegenheid van de tentoonstelling in Centraal Museum Utrecht. Uitgave: WBOOKS Zwolle, 2024.

  • How art is made: hoe meesterwerken ontstaan

    Het geheim van de kunstenaar. We zullen het nooit weten. Hoewel Debra Mancoff in haar boek de ins en outs van materialen en methoden voor het licht brengt, blijft het echte ontstaan van een kunstwerk een mysterie. We kunnen spreken over met welke middelen en volgens welke aanpak en werkwijze een compositie tot stand komt. Maar het motief, de oorzaak en aanleiding, blijven duister. Dat schuilt in de inspiratie, de bezieling van de rede om tot scheppen te komen. Op welke manier de geest wat het oog ziet vertaald en de hand kan aansturen. Dat is het geheim. Het ligt dus niet in de zakelijke gebruiken, maar in de abstracte gevoelens die realistisch worden uitgewerkt. Niet wat hem of haar aanzet tot het beelden van de werkelijkheid. Dat ene moment, dat de vonk een brandend vuur wordt. Dat de inspiratie inslaat, als een donderslag bij heldere hemel.

    Het boek met de titel “Het geheim van de kunstenaar” is daarom een technische uiteenzetting. Het beschrijft de manier waarop het resultaat van handelen is bereikt. Hoe de meesterwerken zijn gemaakt. Daarvoor haalt Mancoff alle beschikbare middelen en methoden uit de kast. De oorspronkelijke uitgave ligt mij voor in een vertaling van Laura Woolthuis en is uitgegeven door WBOOKS. De originele editie kreeg overigens een naar mijn idee meer accurate titel mee, namelijk het “How art is made” dekt de feitelijke inhoud beter dan de Nederlandse vertaling daarvan. Want daarover schrijft Debra Mancoff, hoe kunst is gemaakt. De Nederlandse versie heeft als ondertitel “Hoe meesterwerken ontstaan”, wat dan wel de lading dekt en de originele titel eer aandoet.

    Van Goud tot Pastelkrijt via Inkt en Tempera

    De technieken en middelen die de kunstenaar ter beschikking staan en worden gebruikt om een kunstwerk te creëren, daarover kun je als kunsthistoricus een licht laten schijnen. Om de lezer, en mogelijk de kijker naar kunst, uit de doeken te doen hoe de composities ontstaan onder handen en door de handen van de kunstenaar. De handelingen om tot resultaat te komen kunnen uitgeplozen en omschreven worden. De gebeurtenis die daaraan vooraf gaat blijft mysterieus, een geheim, het geheim van de kunstenaar. Het bevlogen moment waarin het elan geestdrift wordt, daar is lastig een vinger achter te krijgen. En dat is dan ook niet waar het boek van Mancoff over gaat.

    De auteur geeft een nauwgezet beeld van wat de kunstenaar ten dienste staat om zijn of haar werk te maken. De materialen strekken daarbij van Goud tot Pastelkrijt via Inkt en Tempera. En al deze grondstoffen om de kunst uit op te bouwen worden in de tijd gezet. Van ontdekking tot verbeteren en experiment. En, dat is de charme van het boek, geïllustreerd met talloze voorbeelden. Aldus wordt niet enkel een droge opsomming gedaan, maar is dit tastbaar gemaakt met kunstenaar en kunst. De uitgave van Mancoff is daarmee een handleiding en tevens een kunstboek. Een handleiding om de diverse technieken te duiden, en een kunstboek omdat het met het penseel in de hand in de geschiedenis van de schone kunsten duikt. Naast de materialen zijn er voldoende methoden die de kunstenaar zich kan aanwenden om tot overtuigend resultaat te komen. Het boek behandelt technieken als Perspectief en Monochromie, maar ook diverse grafische technieken en de moderne Graffiti en de fascinerende Immersieve ruimtes.

    Reis door praktijken en processen

    How art is made”, aka “Het geheim van de kunstenaar”, is een reis door de praktijken en processen van kunstenaars met Debra Mancoff als gids. Zij duidt mij hoe geweldige kunst ontstaat. Althans kunst van kunstenaars die er in haar ogen toe doen. De materialen en methoden kunnen natuurlijk ook door minder grote goden worden aangewend om tot kunst met een kleine k te komen. Maar daar gaat het in dit boek niet over. Het is een interessante materie waardoor meer waardering voor het werk ontstaat, ook al is dat werk minder tastbaar en begrijpelijk. Het is alsof wanneer er ingang is tot het ontstaansproces dit respect afdwingt en de waarde ervan beter wordt ingeschat.

    Het technische verhaal achter het resultaat geeft inzicht in de moeiten die kunstenaars zich moeten getroosten om de idee beeld te geven. Want wanneer je het penseel ter hand neemt is het lang niet zeker dat er een meesterwerk uit de marterharen vloeit. Voor Vincent van Gogh was schilderen een vorm van emotionele ontlading, bijvoorbeeld. Hoewel hij weinig formele opleiding had genoten was hij een enthousiast autodidact. Hij leerde van het werk en de woorden van anderen, bestudeerde prenten en schilderijen, woonde tentoonstellingen bij, wisselde ideeën uit en las boeken over kleur en techniek. De technische vaardigheden kreeg hij dus onder de knie, maar daarmee kon hij nog niet die kunst maken die hij heeft gemaakt. Door zijn bevlogenheid en emotionele inborst werd zijn penseel door instinct geleid. In de buitenlucht, en plein air, toonde hij door het werk zijn sensatie in plaats van een weergave van wat er daadwerkelijk te zien was. Daarom is het naast het lezen van de tekst een meerwaarde van het boek de kunstwerken te kunnen zien. Omdat niet enkel het materiaal en de methode kunst maken, maar veel meer de idee en de bezieling dat doen.

    Van Clair-obscur en Impasto tot Gravure en Zeefdruk

    Jackson Pollock had geen palet meer nodig, lees ik. Hij bracht zijn verf onbewerkt en rechtstreeks uit het blik aan. “Hij werkte spontaan, ‘zonder angst om veranderingen aan te brengen en het beeld te vernietigen’, in de overtuiging dat het schilderij een eigen leven leidde. Zijn lichaam werd zijn instrument (…) Door de volledige kracht van zijn lichaam te gebruiken, getuigde Pollocks werk eerder van de handeling van het schilderen, dan van het resultaat ervan: zijn intuïtieve, atletische bewegingen lieten de verf van het doek af druipen.” Pollock werd één met zijn werk, werd er als het ware onderdeel van. Zo kan de beschouwer onderdeel van het werk van Yayoi Kusama of van Olafur Eiasson worden. De Immersieve ruimtes zuigen de kijker in zich op. De ruimte die men betreedt heeft geen begin en geen einde. Het is er en ik maak er onderdeel van uit.

    Van Mozaïek en Houtskool tot Potlood en Olieverf. Van Clair-obscur en Impasto tot Gravure en Zeefdruk. Er staan de kunstenaar voldoende materialen en methoden ter beschikking om tot een technisch overtuigend kunstwerk te komen. En er komen gaande de tijd voortdurend nieuwe technieken door experiment bij. Maar om de emotie van de beschouwer aan te spreken heeft de kunstenaar het elan van de schepping nodig. Om van de vonk een brandend vuur te maken, dat is het geheim van de kunstenaar. En wat geheim is moet geheim blijven. Maar hoe dat geheim tot uitdrukking komt dat is wetenschap. “How art is made / Hoe meesterwerken ontstaan” is daarom een wetenschappelijk boek, informatief. En met de woorden van Pablo Picasso “Als ik wist wat kunst was, zou ik het voor me houden” doe ik het boek dicht en sluit deze tekst af.

    Het geheim van de kunstenaar – Hoe meesterwerken ontstaan. Oorspronkelijke titel How art is made. Debra N. Mancoff. Nederlandse vertaling Laura Woolthuis. Uitgave WBOOKS, 2024.

  • Onvoltooid kunstenaars-leven

    Hoewel de hoofdpersoon met een open blik en in heldere kleuren op de omslag staat, is het boek “Vastberaden en veelbelovend” een triest en duister relaas in meerdere opzichten. Het figuur staart mij wel verwezen aan. Mijmert feitelijk langs mij heen de toekomst in. Alsof hij van de wereld is, het noodlot als dreigend onweer ziet aankomen, in gedachten. Evenwel is de doorzettingskracht van de geportretteerde kunstenaar enorm, zal blijken wanneer ik het boek opensla en doorneem. Dat getuigt zijn open blik in dit zelfportret. Hij leeft met hart en ziel voor de kunst, zijn kunst. Hij is als het ware geboren met een potlood tussen de vingers. “Ik vreet de kleur – en de kleur verteert mij.” De verf stroomt hem hij wijze van spreken door de aderen. De wereld dringt aan zijn talent aan dat hij handen en tijd tekort komt het allemaal te verwerken. Wij kennen nu echter achteraf het verloop en de afloop. Wij weten dat zijn creatieve gave in de kiem is gesmoord. Dat zijn oeuvre niet tot een hoogtepunt heeft kunnen komen.

    Biografie gereconstrueerd

    Max van Dam is een Joodse kunstschilder en overleeft de Tweede Wereldoorlog niet. Door tegenslagen is veel van zijn werk vernietigd of op onbekende plekken terecht gekomen. Frederieke Jeletich-Visser is op zoek gegaan naar de mens Max van Dam en naar zijn werk. Zij heeft de biografie van Van Dam stukje bij beetje kunnen reconstrueren. Ook heeft zij een deel van het oeuvre weten achterhalen. Het aantal werken moet omvangrijk geweest zijn, want Max van Dam heeft veel en intensief gewerkt. Vastberaden om zijn doel als getalenteerd kunstenaar te bereiken. Want hij werd in zijn tijd bekritiseerd als veelbelovend. Niet nog had hij zijn vorm gevonden, maar er werd wel opgemerkt dat er meer in zat dan dat er uiteindelijk is uitgekomen. Niet door zijn toedoen, maar vanwege zijn afkomst. Bij leven werkt hij manisch fanatiek alsof hij voorvoelde dat zijn bestaan relatief van korte duur zou zijn. Dat hem dus maar weinig tijd gegund was om zijn kunnen compleet aan de wereld te tonen.

    In het boek schetst kunsthistoricus Jeletich-Visser niet enkel het leven van Max van Dam, maar ook dat van zijn familie en vrienden. Mensen die hem na staan en waardoor deze beschreven figuur tot leven komt. Het verborgen verleden en bij leven het heden wordt terug geschreven in de toekomst. Uit welk nest komt hij, wie zijn de ouders en voorouders. Hoe ziet zijn leven eruit in zijn jonge jaren. Wat brengt hem ertoe voor het vak kunst als kostwinning te kiezen. Wie zijn de leermeesters, wie en wat inspireert hem. En hoe eindigt het voortijdig.

    Zwaard van Damocles

    Het boek geeft een complete beschrijving van de mens Max van Dam waardoor hij de kans krijgt zich opnieuw met zijn werk te tonen aan de wereld. De uitgave is opgedeeld in hoofdstukken die de plaatsen beschrijven waar hij verblijft en werkt. Door de tekst heen schemert de dreiging. Het onherroepelijke lot wat hem als Jood te wachten staat. Het is de rode draad door zijn geschiedenis. Niet dat het zijn kunst tekent, maar het onheil klinkt wel onmiskenbaar door. Het hangt als een zwaard boven zijn leven en werken. Dat weten wij nu, achteraf. Maar op dat moment moet het de sfeer gekleurd hebben, de atmosfeer verzwaard en bezwaard hebben.

    Max van Dam zwerft door Europa om zijn kunst naar grotere hoogte te brengen. Althans dat is zijn voornemen. Op fietstochten door Frankrijk naar Italië tekent hij de omgeving uit. Als kunstenaar is hij zo gedreven om zijn talent goed te besteden, dat ieder ogenblik dat hij niet kan werken als een verloren moment beschouwd is. Voor zichzelf legt hij de lat hoog, want vindt dat ‘een schilder noodzakelijkerwijs er naar streven moet om een zekere harmonie tussen datgene wat hij wil en wat hij kan uitdrukken. Dat kunnen, dat gewone kunnen, dat iets is met beide benen op de werkelijkheid, dat speelt me parten, en daar vecht ik mee, en dat laat me geen seconde van de dag los.“

    “Ik ben gelukkig dat ik een schilder ben”

    Jeletich-Visser haalt de door haar in het boek aangehaalde quotes uit de brieven die hij schreef. Zoals briefwisselingen bij andere kunstenaars een groot deel van het leven en werken uit de doeken doet. En vooral de manier waarop men naar de kunsten kijkt, wat de inspiratie is en het gevoel daarbij. “Toch geloof ik dat het noodzakelijk is te voelen aan de verf en drommels ongewillige materie is stug als een moeilijke jongen in zijn puberteitsjaren.” Het schilderen valt hem zwaar, maar hij blijft vastberaden volhouden om op een hoger peil te komen. De kunst is zijn leven, hij moet wel want zijn leven is kunst. Voor hem is elke goede tekening altijd een ontmoeting van iets met iets beters. “Ik wil zien! Ik ben gelukkig dat ik een schilder ben!

    Op zijn fietstochten naar het zuiden tekent hij onderweg landschappen en de boerenbevolking. “Nu verzamel ik indrukken. Die indrukken verwerken komt later wel, nu zien – en weergeven. Blijven in de bedoeling waarin de schilderkunst zich beweegt ‘laden als maar laden’. De ontlading zal natuurlijker wijze gebeuren en dan is ’t goed. Ik ben gerust op dat punt – als ik maar tijd heb.” Hij trekt naar Amsterdam en Antwerpen, leert van de grote meesters in Venetië. De artistieke jongen uit een rood nest pakt het licht aan de Franse zuidkust in Collioure. Keert terug naar kunstenaarsdorp Bergen en metropool Amsterdam. Dan slaat hij op de vlucht, maar loopt onfortuinlijk tegen de zaklamp van een Duitser. Komt op transport naar doorgangskamp Drancy en eindigt in Sobibor. Op dat laatste station heeft hij eerst nog het geluk kunstschilder te zijn. Krijgt opdracht onder meer een hoge SS-er te portretteren. Maar het red zijn leven niet. De exacte datum is niet bekend dat Max van Dam is vermoord, zijn leeftijd wel: 33.

    Een triest hoofdstuk is het laatste: Sobibor

    Zijn enorme scheppingsdrang speelt hem ook parten. Hij raakt overspannen van het voortdurend alle indrukken en emoties op papier zetten. Overhaast verlaat hij de plek waarop het licht zo bijzonder fantastisch is. “Ik voelde me opbranden, ik kon niet blijven ik moest weg, ik rolde mijn werk op nat nog.” In Collioure produceerde Van Dam 300 kunstwerken in twee maanden tijd. Een bijna onmogelijke oplage. Zit de dood hem op de hielen? Het verklaart volgens Jeletich-Visser de ongeduldige toets waarmee veel werk is gemaakt. Hij wil het vak in de vingers krijgen om zichzelf kunstenaar te kunnen noemen. Hij neemt deel aan veel tentoonstellingen om de wereld maar zijn kunsten te kunnen laten zien. Maar ook om werk te verkopen om in zijn levensonderhoud te voorzien.

    In de oorlog wordt het hem om bekende redenen te heet onder de voeten. Zijn vlucht met anderen wordt beschreven als in een spannend jongensboek. Door een schriftelijke nalatenschap van een getuige wordt bij reconstructie van de gebeurtenissen precies uit de doeken gedaan wat er op dat moment gaande is geweest. En ook wordt van het transport gedetailleerd verslag gedaan, want de vluchtpoging eindigt onfortuinlijk. Een triest hoofdstuk is het laatste: Sobibor. In die tekst wordt het lot van de vele Joden beschreven. Hoe zij zonder proces de dood in worden gejaagd. Het verhaal is bekend, maar wordt in dit boek over deze kunstenaar nog eens dunnetjes op herhaling gezet. Het is een gitzwart einde van een kleurrijk leven. Tot het laatst houdt Van Dam moed tegen beter weten in.

    Een boek om te bezitten en te beleven

    Na de oorlog blijft het werk zonder de maker zichtbaar. In 1947 schrijft een krant naar aanleiding van een tentoonstelling dat “wat van zijn schilderijen en grafiek rest dwingt ons opnieuw tot de erkenning dat wij in hem een kunstenaar van meer dan gewoon talent hebben te betreuren”. Er blijft door de jaren heen aandacht voor zijn werk. In deze tegenwoordige tijd staat een nieuwe generatie op die Max’ onvoltooide oeuvre opnieuw heeft ontdekt. “Geraakt wordt door het onvoorstelbare lot dat hem trof. Zijn indrukwekkende levensverhaal laat op gruwelijke wijze zien dat er zonder maker geen ontwikkeling in zijn kunstenaarschap en kunst meer is”, schrijft de kunsthistoricus. Max van Dam en zijn kunst blijven echter intrigeren. Zelf schreef hij: “Elke tekening die goed is, is altijd een ontmoeting van iets met iets beters. Een ontmoeting met datgene wat beter is dan wij is altijd een verrijking. Ik wil zien! Ik ben gelukkig dat ik een schilder ben!” En wij zijn gelukkig dat hij bij leven dat zien heeft verbeeld. De uitgave ‘Vastberaden en veelbelovend’ doet daar verslag van. Een boek om te bezitten en te beleven, niet enkel om de kunstenaar maar ook vanwege de beschrijving van een zwarte bladzijde die door hem in de kantlijn is ingekleurd.

    Vastberaden en veelbelovend. Max van Dam, 1910 – 1943. Frederieke Jeletich-Visser. Publicatie bij tentoonstelling in Museum Sjoel te Elburg van 21 september 2023 tot en met 27 januari 2024. Uitgave WBOOKS Zwolle, 2023.

  • Jan Worst is schepper van een onwerkelijke waarheid

    Vader Worst hield van tekenen en schilderen. De schilderende loodgieter Boele Bregman woonde een paar deuren verder. Maar Jans’ zes jaar oudere broer zaaide het zaad. Die broer namelijk introduceerde met zijn 17e eeuwse tentoonstellingen aan huis Jan Worst de wereld van de schone kunsten. De klassieken werden hem met de paplepel ingegoten. Hij consumeerde het met smaak. En schiep met die kennis later zijn eigen universum. Een wereld die de wortels heeft in de realiteit, maar ver van de werkelijkheid af staat. In zijn uiterst realistisch geschilderde werk vertelt Worst een verhaal met een open einde. ‘Worst toont. Wij kijken. Hoe en wat we zien, blijft aan ons. En de kunstenaar, die geeft zijn geheimen niet prijs.’ Dat lees ik in de catalogus “A Curious Universe”, uitgegeven bij de gelijknamige tentoonstelling in Museum MORE. Conservator Julia Dijkstra schrijft over de receptie en interpretatie van het werk van Jan Worst.

    Jan Worst maakt interieurstukken. Landschappen tussen de vier muren van een huiskamer. Waarbij de struiken fauteuils zijn met sierlijke afwerking. De bomen de rijk geornamenteerde deuren. De lucht de kleurig beschilderde behangsels. Maar Worst is niet van het landschap, niet van het portret, niet van het stilleven. Al deze schilderkunstige thema’s zijn echter wel als decorstukken te vinden in zijn werk. Uit glossy magazines, van veilingcatalogi en zijn verzameling postkaarten knipt hij als het ware de elementen om deze als bouwstenen voor zijn composities te gebruiken. Daardoor zijn het eigenlijk collages van onderdelen uit de werkelijke wereld. Niet zo bij elkaar horend, maar samen geraapt stellen deze een omgeving voor die waarheid kan zijn maar het niet is. De voorstellingen zijn complexe en gelaagde droombeelden, voortkomend uit de fantasie van de kunstenaar. Worst is het kind gebleven dat zich een eigen wereld schept. Een samengestelde wereld die van niets en nergens is. Enkel realiteit is in zijn geest. En van mij wordt door zijn schilderijen.

    Acteurs met een script dat verloren lijkt

    Hij keek naar werk van Max Beckmann en Edward Hopper. Hij vond daar inspiratie in. Daar ligt de oorsprong van zijn werken. Zijn schilderijen sluiten aan bij de schilderkunstige tradities, hij is een nieuwe realist die vakkundig en met de grootste aandacht en de kleinste penselen aan zijn oeuvre werkt. Maar volgens Dijkstra is het niet zozeer Worsts techniek of stijl die zijn werk intrigerend maken, “maar vooral zijn motiefkeuze en de manier waarop hij zijn voorstellingen samenstelt. Want door verschillende elementen uit de zichtbare werkelijkheid te selecteren en deze op het platte vlak samen te voegen, creëert de kunstenaar een beeld dat een verhaal suggereert.

    Maar hoe moet de beschouwer dat verhaal lezen, dit beeld interpreteren. De figuren spelen een eigen spel op het podium, in het decor. Acteurs met een script dat verloren lijkt. Ze schijnen zich weinig aan te trekken van de ander in dezelfde ruimte, laat staan van het feit dat de beschouwer voyeur is en ze dus ongegeneerd bekeken worden. Of is de kunstenaar deze onbeschaamde toeschouwer en kijken wij over zijn schouder mee de ruimte in. Want wie zijn deze mensen, wat doen en laten ze, wat gebeurd daar in die huizen, deze kamers. Worst probeert het te duiden, maar verduidelijkt het niet. ‘Het schilderij suggereert een verhaal zonder dat het verhaal verteld wordt’, zegt hij daar zelf over. Hij maakt een droomwereld achter gesloten deuren met bedachte interieurs en bewoners die in gouden kooien toneelstukken met een open einde opvoeren. De schilderijen zijn zoekplaten om betekenissen en bedoelingen te ontdekken. Deze doen een beroep op onze interpretaties en fantasieën. Worst daagt mij uit als detective aan de slag te gaan om aan het verhaal met open einde een slot te breien. Ik ondervraag stilzwijgend de figuren op het doek. En pas de puzzelstukken van sfeer en gevoel aan elkaar. Maar veelal kom ik op het verkeerde been terecht.

    Magische vermogen van een kunstenaar

    Jan Worst schildert mij een wereld van rijkdom, luxe, overvloed, voorrecht en lichamelijke schoonheid. Overdadige interieurs bomvol antieke meubels en klassieke kunst. Bibliotheken beladen met intrigerende boeken, waarvan ik zelf de titels op de onleesbare banden mag bedenken. Pracht en praal overheersen de zettingen waarin beeldschone personages alleen maar passieve decorstukken schijnen. Figuranten zonder tekst. “Je zou kunnen stellen dat het échte onderwerp van Worsts schilderijen het magische, indrukwekkende vermogen van een kunstenaar is, om een wereld te scheppen die niet echt is, maar wel ongelooflijk realistisch lijkt”, schrijft artistiek directeur Maite van Dijk in haar voorwoord. Het is daarom dat de voorstellingen van Jan Worst naadloos aansluiten bij de collectie van Museum MORE en er een plek krijgen om zichtbaar te worden.

    In zijn bijdrage aan het boek stelt schrijver en verzamelaar Adrian Dannatt dat de kunst van Jan Worst eigenlijk niet past in het tolerante en ruimdenkende Nederland. Alles mag er verbeeld worden, maar zich iets verbeelden is uit den boze. Met de wereld die Worst schept krijg je de doorsnee Nederlander makkelijk op de kast. “Het is onmogelijk het anti-elitarisme, de liberale conformiteit van het huidige klimaat in Nederland te overdrijven, waarin op elk uiterlijk vertoon van superioriteit, geld of zelfs maar goede stijl wordt neergekeken.” Maar heimelijk geniet diezelfde Nederlander van deze pracht en die praal. Verlustigt zich aan de esthetische vormen. En hoopt heimelijk ooit ook eens de loterij te winnen om zich daadwerkelijk te kunnen omringen met de fantasie van Worst.

    Er is veel onzekerheid in het beeld

    Wat opvalt aan de techniek van Jan Worst is de vakkundigheid en subtiliteit van zijn verfgebruik, waarbij hij met relatief eenvoudige penseelstreken complexe effecten bereikt, een schijnbaar formeel realisme dat is opgebouwd uit haast abstracte patroonvlakken. De interieurs zijn heel specifiek, maar tegelijkertijd niet aan een bepaalde plaats te koppelen. Het zijn ongetwijfeld bestaande plekken, maar ze doen denken aan het soort huizen uit terugkerende dromen waarvan je zeker weet dat je er al eens bent geweest, misschien in een eerdere droom of in een verre werkelijkheid. Het is de werkelijkheid van Worst waarin ik kan fantaseren. Er is veel onzekerheid in het beeld, ik kan nergens de vinger achter krijgen en daarom is het zo fascinerend. De schilder opent deuren die normaal gesproken gesloten blijven. Maar of de ruimte van de geopende kamer zich werkelijk ergens in een monumentaal huis bevindt blijft ongewis.

    Verlangen wij niet allemaal naar schoonheid. Naar bezit en rijkdom. Jan Worst fantaseert daarover. En maakt het waar in zijn schilderijen. Maar het is een opgeblazen ballon die zo lek geprikt kan worden. De zeepbel glanst op het laatste moment voordat deze barst en de mystiek in spetters uiteenvalt. Worst schildert ons een onwerkelijke wereld die verdacht echt schijnt te zijn. Hij monteert zijn wereld uit de waarheid. Althans de plaatjes knipt hij uit bestaande bladen, die schoonheid verheerlijken. Zo is het een vicieuze cirkel. De inspiratie is een onwerkelijke realiteit, een modelwereld die nergens echt ooit bestaat. De verwerking is een uitbeelding van een luxe wereld die ongewoon is en de fantasie in werking zet. De geknipte plaatjes verheerlijken. De geplakte elementen spelen met lichtval, ruimte, meubels en mensen. Spelen met de fantasie zoals droombeelden dat doen. Niets is wat het lijkt, maar alles wat het schijnt. In zijn kunst gaat het om verhullen en verbergen. Het gaat hem niet alleen om de uiterlijke verschijningsvorm van de voorstelling, maar om wat daarin besloten ligt.

    De catalogus “A Curious Universe” toont een deel uit het voorname oeuvre van Jan Worst. Een platenboek dat een beroep doet op mijn fantasie. Waarin ik mijn eigen verhaal kwijt kan door de reproducties te beleven, de schoonheid te ondergaan. Maar beter is het Museum MORE te bezoeken om de schilderijen in volle glorie en op ware grootte te beschouwen. Het boek is daarbij een hulpmiddel, een leidraad om de kunst te leren kennen. Een gids om de wereld van Jan Worst te betreden. De diverse essays helpen daarbij. En het gesprek van kunstcriticus Joke de Wolf met de kunstenaar opent de ogen om deze te laten wennen aan het prachtig vormgegeven plaatwerk.

    Jan Worst | A Curious Universe. Verschenen bij de gelijknamige tentoonstelling in Museum MORE. Auteurs Adrian Dannatt, Joke de Wolf, Julia Dijkstra, Sito Rozema, Maite van Dijk. Uitgave WBOOKS en Museum MORE, 2023.