Category: Uitgeverij WBOOKS

  • Ruud van Empel maakt natuur in zijn perfecte wereld

    Een perfecte wereld. Wat is dat? Hoe ziet die eruit, hoe ligt die erbij? Wat moet ik me daarbij voorstellen? Kun je dat maken, een perfecte wereld? En voor wie is die dan perfect? Is een perfecte wereld universeel? Of maak je een perfecte wereld voor jezelf? Deel je die in naar jouw eigen goeddunken? Dan is het de perfecte wereld voor een enkel persoon. Bezit dus iedereen een perfecte wereld, een eigen perfecte wereld? In gedachten, voor de geest, achter de oogleden. Sluit je de ogen, dan zie je het zo voor je: de perfecte wereld.

    Ruud van Empel
    Ruud van Empel

    Ruud van Empel maakt een perfecte wereld. Niet alleen voor zichzelf. Het is wel zijn idee en vormgeving, maar deze is universeel, want iedereen vindt het perfect. Zijn beelden gaan de aardbol over en krijgen overal applaus. Maar de wereld die Van Empel schept is zijn perfectie. Zoals hij die voor zich ziet, ofwel: waar hij zich als kunstenaar goed bij voelt. Het is een wereld die nooit bewaarheid zal worden, nooit echt kan zijn. Zijn perfect world is opgebouwd uit legio fragmenten van en uit de reële wereld. Hij manipuleert de werkelijkheid om een nieuwe, niet-bestaande echtheid te creëren. Het is niet waar, maar het had wel waar kunnen zijn. Want de geschapen omgeving lijkt zo fotografisch echt; het had zo en plein air geschoten kunnen zijn. Echter, wanneer iets te mooi is om waar te zijn, is het dat vaak ook. Zeker in het geval van de tot in detail bewerkte foto’s van Ruud van Empel.

    Om de vormen

    Beoefent hij als kunstenaar de fotografie? Hij begint met fotograferen; dat deel is documentair — hij legt vast wat bruikbaar kan zijn. Daarna volgt een langdurig montageproces. Daarin worden alle artistieke beslissingen genomen. “Dus is het, voor zover ik weet, meer montagekunst dan fotografie”, vertelt Ruud mij in een gesprek dat ik met Van Empel had voor een korte film over zijn tentoonstelling ‘Making Nature’ bij Museum Belvédère in het voorjaar van 2019. “Zo voel ik het en daarom noem ik mij eigenlijk nooit een fotograaf. Mijn platen worden gemonteerd uit meerdere foto’s, elk detail. Het gaat mij om de vormen en niet om de realiteit perfect weer te geven.”

    Van Empel maakt de perfectie; hij zet de realiteit naar zijn hand. Daarmee is hij de schepper van zijn eigen wereld. Maar hij vindt het wiel niet opnieuw uit. Uit wat ooit is geschapen, of geëvolueerd tot de werkelijkheid van nu, snijdt hij details om daarmee een divers beeld op te zetten. De collagetechniek maakt het hem mogelijk om elementen uit de werkelijkheid in het picturale veld te transplanteren en beelden die niet bij elkaar passen met elkaar te combineren, lees ik in het voorwoord van kunsthistoricus Xavier Canonne. Het is een preface tot het boek ‘A Perfect World’, waarin een dwarsdoorsnede van het werk van Ruud van Empel is opgenomen. Vanaf het begin, toen hij aan de slag was met fysieke schaar en lijmpot, tot aan de jaren negentig van de vorige eeuw, toen Van Empel digitaal begon te werken. Het softwareprogramma Photoshop geeft hem voldoende mogelijkheden “om beelden te bewerken, te verbeteren en ook te creëren in een mozaïek van elementen die worden samengevoegd tot een soort valstrikken voor het oog, de laatste fase voordat de kunstmatige intelligentie zijn intrede doet”.

    Ideaal van schoonheid

    Echter, deze laatste stap — het kunstmatig scheppen van beelden — weigert Ruud van Empel te zetten. Hij geeft de voorkeur aan het plezier van het geduldig reconstrueren van beelden die hij zelf heeft gefotografeerd boven het snel creëren van onpersoonlijke werken. “Het oeuvre van Van Empel, een beetje gekenmerkt door een milde nostalgie naar de kindertijd, is een weerspiegeling van een min of meer geïdealiseerde wereld, versterkt door herinneringen en overtroffen door de computer. (…) Een hele wereld die stilstaat, alsof ze bevroren is in haar ideaal van schoonheid.” Daarmee schijnt Van Empel dus geen perfecte wereld te maken, maar een ideale omgeving. Een plek waar hij zijn geest kan laten rusten, terwijl de beschouwer ogen tekortkomt om alle details tot zich te nemen. De manier van scheppen is monnikenwerk, een waar kunststukje, realiseer ik me wanneer ik mijn ogen de kost geef om het hele beeld te overzien.

    In de uitgave gaan curator Christoph Ruys en publicist Lex van de Haterd breedvoerig in op de kunst van Ruud van Empel. Werk dat uitstekend past in deze tijd van beeldcultuur, maar tegelijk afwijkt van het nu omdat het geen snelheid heeft — waar juist aandachtig naar gekeken moet worden. Wil je het snel tot je nemen, omdat je meer te doen hebt en vlug naar een volgend moment moet, dan mis je de torren en spinnen, kijk je langs de vogels en vlinders heen en merk je de diversiteit aan begroeiing en figuratie niet op. Deze collages zijn geen snelle hap van de muur, maar eerder een viergangenmenu met een lange nazit. Ruys en Van de Haterd schrijven het mysterie dat om het werk hangt enigszins weg. De techniek wordt uitgelegd, het perspectief ontrafeld. “Van Empel maakt fotowerken van mensen en van de natuur die heel realistisch lijken, maar het niet zijn”, herhaalt Van de Haterd nog maar eens. “Dat is niet iets wat je in één oogopslag ziet, maar wel iets wat je meteen voelt. Een soort dreiging, een spanning, die hij er bewust inlegt.”

    Creatief kijken

    Het boek nodigt mij uit creatief te kijken, om te geloven dat het anders kan, dat je het beeld op verschillende manieren kunt interpreteren. Hoewel Ruud van Empel een loopje met de waarheid lijkt te nemen, is het geen fake news wat hij brengt. Het is een manier om achter de werkelijkheid te kijken, om de realiteit te zien en de fantasie te begrijpen. Het is niet waar, maar het had wel waar kunnen zijn. Het is perfect, een idee waarnaar we kunnen streven, een rijk gevoel. Dus blader ik snel door om mij te wentelen in de maakbare wereld van Van Empel. Van de eerste werken via werken uit 2005 tot 2016 en stillevens naar de laatste landschappen. De kunstenaar heeft een breed scala aan onderwerpen die hem inspireren, zoveel is duidelijk. Naarmate hij de digitale techniek beter onder de knie krijgt, worden de beelden kijkplaten; er is zoveel in te zien dat ik er even rustig voor ga zitten.

    Het is natuurlijk veel meer beeldende kunst”, hoor ik Ruud van Empel zelf zeggen, “omdat ik vanuit niets begin op te bouwen en tot het beeld kom dat ik zelf helemaal onder controle heb. Dat is fundamenteel echt iets anders dan wat fotografen doen, die buiten documentair fotograferen.” Hij noemt zijn beelden foto-objecten. Het is geen klassieke fotografie, maar meer het object ervan. Geen probleem voor mij dat het resultaat biologisch of natuurkundig niet klopt. Voor mij klopt het juist wanneer ik bedenk dat dit een perfecte wereld zou kunnen zijn. Voor meerdere momenten waan ik mij in de Hof van Eden, de hof Van Empel.

    Ruud van Empel – A perfect world. Retrospective. Voorwoord Xavier Canonne. Essays door Christoph Ruys en Lex van de Haterd. Uitgave WBOOKS, 2026.

    Ruud van Empel
  • Schilders van Den Haag maken zich los van traditie

    De schilders van Den Haag. Dan komen mij het Panorama Mesdag en schildersvereniging De Haagse School in gedachten. Maar Den Haag is in schilderkunstig opzicht veel meer dan dat. Op het fundament van de Haagse School, die zich ontwikkelt tussen de jaren 1860 en 1900, is veel meer dan enkel de realistische weergave van het Nederlandse landschap en dagelijks leven ontstaan. De kenmerkende focus op licht en atmosfeer van de stroming, geïnspireerd door Barbizon in Frankrijk, is een voedingsbodem voor latere, meer abstracte en experimentele kunst. Dit alles kom ik te weten door de interessante uitgave van WBOOKS in de omvangrijke reeks “de schilders van”. Diende het boek, ter grootte en in het formaat van een kleine stoeptegel, als catalogus van de tentoonstelling “Licht, Lucht, Water – de schilders van Den Haag” in Museum Panorama Mesdag in Den Haag van 4 oktober 2025 tot en met 1 maart 2026, het kan tevens zelfstandig zijn weg vinden in de bibliotheek van de kunsthistorie.

    Het is alsof de ontwikkeling in de kunst maar geen vat kan krijgen op Den Haag en omstreken. Maar wie serieus beschouwt, ziet dat weinig minder waar is. De school, genoemd naar de plaats van herkomst, zet zich af tegen de romantische traditie in de schilderkunst. Men wil minder een romantische werkelijkheid, maar meer een realistische weergave realiseren: de natuur en het dagelijks leven zo eerlijk mogelijk vastleggen, met veel aandacht voor details en lichtval. Welhaast een één-op-één uitsnede uit de omgeving maken. De werkelijkheid evenaren bleek niet mogelijk, want altijd – net als in de verafschuwde romantische traditie – blijft het gevoel van de kunstenaar bij het onderwerp een rol spelen. De Haagse School, schilders die geïnspireerd zijn door de natuur en het eenvoudige leven van vissers en boeren, wordt gekenmerkt door een sober kleurgebruik met veel grijstinten: de sfeer van het Nederlandse weer en landschap. Gedempte kleuren, subtiele lichtinval en een serene sfeer brengen de weidse polders, de zee en de dagelijkse bezigheden van gewone mensen tot leven op het doek.

    Panorama Mesdag

    Licht, lucht en water

    Directeur Minke Schat van Museum Panorama Mesdag zegt niet te veel wanneer zij haar voorwoord tot het boek begint met: “Licht, lucht en water. Drie eenvoudige woorden. In Den Haag de dragers van een eeuwenlange traditie. Zij vormen het decor waarin generaties kunstenaars hun blik hebben gescherpt, hun penseel hebben gedoopt en de Nederlandse schilderkunst nieuwe richtingen hebben gegeven.” Nog altijd zijn deze drie elementen een inspiratiebron voor de schilders van Den Haag. Eerst zo werkelijk mogelijk verbeeld, alsof je de zon voelt opkomen, de wolken ziet drijven en de zilte zee kunt ruiken. Later met meer emotie: eerst impressief en dan expressief uitgedrukt. Vernieuwers versimpelen de realiteit, trekken rebels het duinlandschap in het absurde om de traditie te ondermijnen. Maar de tijd haalt de ironie en het sarcasme in, en de logica keert terug tussen potloodlijn en penseelstreek. Wel heeft de chaos het abstracte verbeelden mogelijk gemaakt. Het exacte detail maakt plaats voor atmosfeer en gevoel, want elke stroming mengt zich zoals de branding over het strand spoelt. In het terugtrekken blijft er altijd iets achter en is de schilder een verzamelaar die een eigen stijl bijeen jut.

    De schilders van Den Haag gaan met de tijd mee, maar de evolutie gaat langzaam, om niet te zeggen traag. Het boek toont een groot aantal voorbeelden van de traditionele Haagse schilderkunst, een stroming die zo aan de stad kleeft als het panorama aan Mesdag. Dat schilderij zonder einde krijgt bijzondere aandacht in het overzicht. Het is niet alleen een technische en artistieke meesterproef, volgens Minke Schat, maar ook een symbool van de ambitie om de ervaring van het landschap en de natuur in al haar grootsheid te vangen. Die esthetische rijkdom proberen de Haagse schilders nog steeds te vatten, maar dan in abstracte vormen om de vluchtigheid van wolken en luchten vast te leggen. “Ervaar hoe licht, lucht en water steeds opnieuw een bron van verwondering zijn – voor schilders én voor ons, hun toeschouwers”, besluit Schat haar schrijven.

    Atmosfeer en ruimtelijkheid

    Dan is het woord en het beeld aan Werner van den Belt en Bob Hardus. Zij leggen de kiem van de Haagse School niet aan de Nederlandse kust of in het atelier van Jacob van Ruisdael, maar zien de oorsprong overzee, in Engeland bij John Constable en Richard Bonington. Deze Engelse meesters bestormen in hun tijd de schilderkunst met natuurgetrouw bewolkte hemels. Dezelfde wolken die over het Kanaal naar het Scheveningse strand drijven en door de Haagse schilders worden gezien en opgepakt. In dat licht en in die lucht, zoals de Engelsen die hebben bekeken en vastgelegd, vinden de Hagenaren hun inspiratie en voorbeeld. De combinatie van atmosfeer en ruimtelijkheid van het landschap wordt daarop een sleutelbegrip bij kunstenaars van de Haagse School. En dan verwoordt het boek wat ik al vermoedde, namelijk dat “de impact van de kunstenaars van de Haagse School op het schilderen naar en in de natuur zo groot was dat er decennialang niets nieuws gebeurde”. Maar langzaam sijpelt toch het abstracte en conceptuele schilderen door in de landschappelijke traditie. De ingeburgerde gewoonte maakt langzaam plaats voor een eigentijdse manier. Niet dat er tegenwoordig in Den Haag alleen maar ongrijpbare beelden ontstaan; nog altijd is het werken naar de natuur in het landschap onderdeel van het werk van kunstenaars.

    Licht, lucht en water horen bij Den Haag en de Haagse schilders zullen die altijd blijven gebruiken. Zij leven Den Haag en Den Haag is hun leven. En het publiek krijgt er maar geen genoeg van. Het Panorama trekt vele bezoekers en het museum dat eromheen is aangelegd, houdt de traditie levend. Hoewel Mesdag ook de hedendaagse kijk op het vergezicht van Den Haag niet schuwt. In het boek is een legio aan voorbeelden afgedrukt. Tekst en beeld volgen de loop van de geschiedenis. En hoewel er voortdurend oog is voor het detail, het afbeelden van de gewone mens in het decor van een weinig geromantiseerd maar eerder gedramatiseerd landschap, blijft de ervaring van de elementen een hoofdrol spelen. Ook wanneer die vissers en arbeiders achter de horizon zijn verdwenen, blijven hun afdrukken op het strand bij wijze van spreken zichtbaar en echoot hun zijn na in de verfklanken en penseeltoetsen. De persoonlijke verbeelding krijgt meer waarde dan de algemene zichtbaarheid. De emotie van het zijn klinkt in kleur en vlak. Het gaat niet zozeer meer om een verbeelding van het landschap maar om een beleving daarvan. “Als ik een lucht schilder, is dat geen lucht, maar roept het een lucht op”, omschrijft Willem Hussem zijn intentie. En zo is het. Den Haag gaat mee in de vaart der volkeren, maar verloochent de eigen afkomst niet. Bleef de kunst van de stad een tijd lang steken in oude waarden en normen, invloeden van buitenaf gooiden het roer om en droegen geen water naar de zee.

    De schilders van Den Haag. Tekst en beeld Werner van den Belt en Bob Hardus. Uitgave WBOOKS Zwolle, 2025.

    Den Haag, de Haagse School, WBOOKS
  • Jan Jordens en de beleving van Schiermonnikoog

    Schiermonnikoog. Het had een kunstenaarskolonie kunnen zijn. Zoals Oosterbeek, Laren, Bergen, Nunspeet en Katwijk. Een plek waar kunstenaars ontsnappen aan de stedelijke drukte en inspiratie ontdekken in de natuur, in rust en eenvoud, om vernieuwing in hun kunst te vinden. Het kunstzinnige eiland is wel een inspiratiebron voor kunstenaars en voor vakantiegangers die zich te goed willen doen aan alles dat de andere eilanden missen: rust in de ongerepte natuur, ruimte op het brede zandstrand, zicht vanaf de donkerste plek. De focus ligt er op natuurbeleving, niet op massatoerisme. Een ideale plek om het landschap te koesteren in de kunst, de landelijke eenvoud te borgen in schilderen, tekenen, schrijven en fotografie.

    Hoewel Groningen, weg van de stad, voldoende aanknopingspunten heeft om creatieve geesten stof tot nadenken te bieden, blijft het eiland waar de tijd schijnt stil te staan ongedurig trekken. Op diverse plekken in Nederland vinden kunstenaars elkaar, doen het met elkaar en stuwen de kunst tot sublieme hoogte. Waarom dan Schiermonnikoog genoemd als landschap van rust en ruimte om te creëren en te recreëren? Het eiland is onderwerp van een uitgave over de Groninger Kunstkring De Ploeg. Op het hoge land vonden de leden inspiratie, maar brachten ook het stadsleven in beeld, maakten portretten en werkten naar model. Dat was voor de meesten van hen voldoende; slechts een handvol leden sloeg de vleugels uit en voer naar het eiland.

    De illusie van de werkelijkheid

    Komt in het boek “De Ploeg op Schiermonnikoog” van Peter Jordens de kunstkring genoegzaam aan de orde, de uitgave neemt het lid Jan Jordens voornamelijk op de korrel. Inderdaad: de kleinzoon schrijft met verve over zijn schilderende grootvader. Jordens heeft zijn verblijf op het Waddeneiland intenser beleefd dan alle andere schilders van De Ploeg. Daar vindt hij het wonder van stilte, het gevoel van vrijheid, in de natuur van bos en duinen. In eerste instantie legt hij de werkelijkheid van het landschap vast, maar naarmate de tijd verstrijkt geeft hij uitdrukking aan wat hij innerlijk waarneemt. De illusie van de werkelijkheid, vastgelegd in schetsen en waterverven, verdwijnt langzamerhand en de beelden gaan door spetterende kleuren op in abstractie. Het gebaar krijgt de overhand in vegen en spatten kleur. “In plaats van een opgeroepen werkelijkheid zien we scheppende fantasie”, lees ik in de uitgave. “We zien een schilder vorm geven aan zijn innerlijke beleving wanneer hij zich met de spontaniteit van de penseelstreek vrijelijk kan uiten in louter vorm en kleur.”

    Het ging Jordens op den duur minder om de impressie dan om expressie. Minder om de duinen en het bos dan om de sfeer die tussen het helmgras en onder de bomen te vinden is. In die beslotenheid ontdekt hij zichzelf en vindt hij zijn ultieme uiting. In die stilte kan hij zich vrijelijk ontplooien. Hij schildert de natuur niet om de natuur, maar om het stille leven. Als metafoor voor de abstracte werkelijkheid die je niet ziet maar kunt voelen, aanvoelen. Die je hoort in de glijvlucht van strijkende zeevogels, in zuchtende wind door het stugge gras. Het is de ziel van het eiland die Jordens aanspreekt. Het verhalende van de figuratie speelt geen rol; het is het ongrijpbare van de emotie dat zich uit in de expressie van een ultiem gevoel. In de kunst van Jordens ligt de eigenheid van Schiermonnikoog besloten. Zo voelt het eiland aan.

    De waarheid van zijn kunst, de echtheid van het eiland

    In iedere volgende compositie die Jordens aan zijn oeuvre heeft toegevoegd, zocht hij de stemming van het moment, de emotie van het ogenblik. In de waterverven, meestal en plein air geschilderd, kon hij de tijd vastleggen, de ontroering bevriezen. Terwijl de werken volop in beweging zijn en een dynamische aanblik hebben, is de gebeurtenis stilgezet. De bewogenheid krijgt uitdrukking. Jordens is zoekende naar een innige verbondenheid met de natuur. Om daar uiting aan te geven in een abstracte vorm en kleur. De vluchtigheid van sfeer en de doorzichtigheid van gevoel trekken sporen in de composities van Jordens. Het is de waarheid van zijn kunst, de echtheid van het eiland. Wie de rust van Schiermonnikoog zoekt, vindt die in het werk van Jan Jordens. De stilte kleeft aan de veelvormigheid in kleuren en verfstreken, een paradox die het werk kenmerkt.

    “Stilte en rust geven Jordens de ruimte om door middel van een vorm van abstractie uitdrukking te geven aan een ultiem gevoel van artistieke vrijheid.” Het wordt diverse keren door verschillende schrijvers en recensenten in andere bewoordingen herhaald. Het is de rode draad in het boek, waaraan De Ploeg als richtsnoer is geknoopt, maar nauwelijks als leidraad fungeert. Jordens is lid van de groep, maar gaat een eigen weg. In de abstractie, meer dan in het impressionisme, kon hij door beelden emoties oproepen en de innerlijke beleving laten figureren. Een intuïtief-emotionele natuurbeleving. Echter, niet de abstractie is het doel, maar het resultaat van de ontwikkeling die is doorgemaakt. “Hij is er niet naar op zoek geweest en ook is het niet de uitkomst van enig theoretisch inzicht of artistieke overweging.” Het moest daar gewoon op uitkomen om de beleving vorm te geven.

    Het weergeven van het wezen van de dingen

    Het boek “De Ploeg op Schiermonnikoog” is een spreekbuis voor diverse auteurs om in de voetsporen van het gevoel dat Jordens had op vooral dit Waddeneiland uitdrukking te geven. De schrijvers voelen mee in zijn beleving, hebben eenzelfde ervaring in de stilte van zijn composities. De ondervinding van het in vrijheid kunnen creëren, uiting geven aan het eigen ik zonder zich te laten leiden anders dan door een lijnenspel van glooiingen, het ritme van de golven, de opwekkende zeelucht, het aroma van het naaldbos. Het is een ode aan het eiland, een epos over de kunst.

    Natuurlijk spreekt Jordens’ kunst door de woorden, maar veeleer door de vele composities die in het boek staan afgedrukt. Daarmee is het een catalogus, een overzicht van zijn werken gemaakt op en door Schiermonnikoog. Het plezier van vormgeven straalt ervan af, druipt als het ware van de bladzijden. De werken schijnen nog nat van emotie, lijken pas zojuist geschilderd met jeugdige overmoed. Jordens wilde geen kindertekeningen maken, maar tekenen met natuurlijke expressie. Hij wilde terug naar dat aangeboren vermogen dat voor een volwassene in die vorm niet meer toegankelijk is, waarbij de natuurlijke afbeelding het aflegt tegen de innerlijke ervaring. Hij vond deze zeggingskracht in de abstractie.

    Niet alleen komt Schiermonnikoog als inspiratiebron naar voren, ook is er een korte levensbeschrijving en aandacht voor andere vormen van uitdrukking in de kunst. In zijn werk als tekenleraar kon Jordens zijn idee van kunst voor kinderen, kunst door kinderen, kwijt. “Kinderen leven in een primitieve gedachtenwereld”, vond hij. “Ik ben daarom altijd huiverig geweest om met kunst bij ze te komen. Weten zij veel van impressionisme en kubisme? De geraffineerde kijk van ons ouderen is hun vreemd. Maar… ze maken zelf kunst. (…) Aanvankelijk vertellen zij, al tekenende, van hun innerlijke ervaring eer dan van wat hun oog zintuiglijk waarneemt.” En dat is waar Jordens zelf uiteindelijk ook op is uitgekomen: op het weergeven van het wezen van de dingen. Er zijn aanknopingspunten, er blijven herkenningsmomenten, ingevingen van figuratie. Maar de echte beleving van het bepaalde moment op die specifieke plaats kan alleen in de werken ervaren worden door open te staan om in te voelen en aan te voelen. En dat kan door het boek door te bladeren, de ogen de kost te geven, de woorden te overwegen. Meer dan de andere Ploegschilders spreekt Jan Jordens tot de verbeelding, mijn verbeelding.

    De Ploeg op Schiermonnikoog. Peter Jordens. WBOOKS, 2025.

    Jan Jordens, Schiermonnikoog
  • Geen zee te hoog voor Radio Veronica

    In het jaar van oprichting is het leven van Leo Weijers ingericht. Wanneer Radio Veronica de lucht in gaat blaast hij zijn eerste kaarsje uit. Ooggetuige is hij dus niet, maar hij kan uit eerste hand wel vurig vertellen over de zendpiraat. De eerste vijftien jaren van zijn leven is hij onbewust getuige van de golvende opkomst, het deinende hoogtepunt en het kelderende einde van de zeezender. Hoewel hij het begin van de jaren 60 niet betrokken zal hebben meegemaakt. Hij kan de tonen en de woorden hebben gehoord, maar de betekenis voor de Nederlandse ether toen nog niet hebben geweten. Echter vanaf 1966 raakt hij op zevenjarige leeftijd zo in de ban van popmuziek, dat alles wat los en vast te verzamelen is in plakboeken wordt geplakt en aan de wanden van zijn slaapkamer is geprikt. Zo wordt hij gaandeweg een autoriteit op dit gebied, weet zich pophistoricus en kan zich op een geschikt moment concentreren op de biografie van Radio Veronica.

    In “Radio Veronica 14 jaar hits uit zee” beschrijft Leo Weijers niet alleen de geschiedenis van Veronica, maar ook het gevoel van die jaren: de magie van illegale ether, van jingles en jocks, van jonge rebellen met een microfoon. Het boek is sober geïllustreerd want het is de tekst die ertoe doet, daarom helder geschreven en brengt aldus de zender opnieuw tot leven — als echo van een tijd waarin muziek meer deed dan vermaken: het verzette de bakens.

    Uit eerste hand van nauw betrokkenen weet Weijers een gedetailleerde beschrijving te geven van de latere omroep die eerst is begonnen als zeezender. En er zijn dozen vol memorabilia bewaard gebleven van die tijd, zodat er volop research gedaan kan worden. Het komen, zijn en gaan is een avonturenroman gelijk, een schelmenstreek van de bovenste plank. Weijers vertelt het alsof de lezer zelf in het vooronder getuige is van het werk van technici en presentatoren, producers en deejays. Wat kan de reden zijn dat Veronica zo tot de verbeelding spreekt, vraag ik mij retorisch af, ook nu nog terwijl het schip Norderney al ruim 50 jaar niet meer actief is als radiozender. Het is eens hier en daar nog opgedoken, zoals in Leeuwarden langs de kade omdat de zoveelste nieuwe eigenaar er grootse plannen mee scheen te hebben. Niemand zou het schip na al die jaren nog herkennen als de bakermat van weerstand en opstand, ware het niet dat de kapitale letters VERONICA nog steeds in vergeeld wit op de zijkant staan geschreven.

    Onder de duiven geschoten

    Veronica, de naam wordt met weemoed uitgesproken. De tieners van toen zaten aan hun transistorradio gekleefd zoals men nu met de mobiele telefoon vergroeid is. Radio Veronica werd massaal beluisterd — juist omdat het níet mocht. Wat verboden is, is spannend. Veronica schoot onder de duiven van het omroepbestel en ontregelde het keurige Hilversum met popmuziek vanaf zee. Als een luis in de pels van de publieke omroep zond het schip dagelijks signalen van vrijheid uit, dwars door wetten, golven en zendverboden heen. Het was even revolutionair als de babyboomers van de jaren 60 en paste naadloos in het beeld van die tijd. De conventionele welhaast conservatieve omroepzuilen werden als heilige huisjes omver geschopt door de vrijgevochten en geëmancipeerde mensen van Veronica. Het omroepbestel schudde op de grondvesten, maar moest de piraat uiteindelijk schoorvoetend tegen wil en dank in Hilversum toelaten. Na 14 jaar wist de zender als omroep aan land te komen, maar voordat het zover was moest het schip door zwaar weer kruisen en hoge golven bedwingen. Figuurlijk geschreven, maar zeker ook letterlijk gesproken.

    Veronica, brengster van de overwinning, de heilige Veronica, ereprijs, symbool van trouw en toewijding. Echter zo gewijd was de naam voor de zender niet. Gestart bij de oprichtingsvergadering met de afkorting VRON werden daar noodgedwongen enkele letters aan toegevoegd. Wel een briljante vondst volgens Weijers, want de nieuwe naam verwijst naar een actueel gedicht van Annie M.G. Schmidt waarin een schaap met zwarte voeten figureert. “De VRON wordt door de gevestigde omroepen beschouwd als een zwart schaap, wat is dan mooier dan de naam Veronica!

    Alarmschijf en drive-in shows

    Het boek, het bestaansverhaal van Veronica, is welhaast een handboek hoe een piratenzender buiten territoriale wateren af te meren, in de lucht te brengen en te houden. Het beschrijft nauwgezet de ongeplaveide weg naar het bemannen van het lichtschip de Borkum Riff, dat dus later wordt vervangen door de vissersboot Norderney. En wanneer het schip dan uit de vaart is en voor anker ligt om plaats te bieden aan Radio Veronica als drijvende thuishaven, zijn de stormen niet gaan liggen en teisteren felle regens de bemanning. Storm en onweer is niet van de lucht, want de vaste wal is niet gecharmeerd van de vrijbuiters. Door jan en alleman is Veronica tegen gewerkt, maar het heeft stand gehouden. Er waren sponsors, adverteerders en begunstigers die heil zagen in de zender. Platenmaatschappijen zagen het aan, maar wisten later niet hoe snel zij dozen vol promotiemateriaal naar de Norderney moesten verschepen. Veronica had op het laatst een uitgebreide discotheek, een ruim vol platen en cassettes waaruit een ruime keuze kon worden gemaakt voor de dagelijkse uitzendingen.

    Leo Weijers is diep de historie van de zender ingedoken en met legio feiten en weetjes boven gekomen. Het is daarom niet alleen een interessant en lezenswaardig boek voor de verstokte radioluisteraar, maar zeker ook voor lezers die meer willen weten over reden en aanleiding van de piratenzender, over onbekende discjockeys die later bekende namen zijn geworden in televisie- en radioland. Veronica lijkt wel een bakermat te zijn voor het Hilversumse bestel en de Bussumse studios. Op dat schip voor de kust werd geschiedenis geschreven. Daar werden hits geboren en trends gezet. De programmaleiding was creatief in het starten van nieuwigheden. Zoals de horizontale programmering met vaste tijden en presentatoren, waardoor de luisteraar makkelijker op een programma afstemde en de luisterdichtheid daardoor hoger werd. De commercials deden hun intrede tussendoor de programma’s. Uitzendingen waren herkenbaar aan tunes en jingles. Veronica begon de Top 40, die nog altijd in de lucht is, en zette het fenomeen alarmschijf in de markt. De Drive-In Shows trokken succesvol door het land, voorloper van de tegenwoordige dj-shows. Veronica was een pionier in het zichtbaar maken van de dj als performer, het fundament van de internationale dj-cultuur van nu.

    Niet alleen spitst Weijers zich toe op Radio Veronica, hij kijkt over de horizon en schrijft tevens ook over de tijd waarin een en ander zich afspeelt. Zo plaatst hij Veronica in historisch perspectief. Het maakt het boek aantrekkelijk omdat Weijers verder ziet dan zijn neus lang is. Ieder hoofdstuk, dat elk een jaar in het bestaan van de zender omvat, wordt afgesloten met het beschrijven van voor die periode gangbare muziek en noemt de populairste singles van dat jaar in Amerika, Engeland en Nederland. Plezierig voor de lezers die van lijstjes houden en het fijn vinden relaties te leggen en paralellen te trekken. Zo is het een waardig popboek, dat als naslagwerk niet alleen de popliefhebber maar ook de muziekklas kan animeren. Een standaardwerk derhalve van een expert over Nederlands meest spraakmakende radiozender.

    Radio Veronica, 14 jaar hits uit zee. Leo Weijers. Uitgave WBOOKS Zwolle, 2025.

  • Hoe Van Gogh naar Groningen kwam

    Het is een kapstok. Om een tentoonstelling en een bijbehorende catalogus aan op te hangen. Of een kabinet om het in weg te leggen. De naam Van Gogh beroert de gemoederen, daardoor wordt de interesse gewekt wanneer zijn naam in een titel verschijnt. Maar eigenlijk is het een lokker, een kop in avontuurlijke typografie op de voorpagina van een roddelblad – binnenin blijkt dat de vlag de lading nauwelijks dekt. Zo zwart-wit wil ik het hier echter niet stellen, want “Hoe Van Gogh naar Groningen kwam” is een kleurrijk onderwerp dat door het Groninger Museum serieus is onderzocht. Het item is gelaagd en door de instelling diepgaand uitgeplozen en doorgespit.

    Vincent van Gogh heeft in zijn leven nooit Groningen bezocht, hij kwam niet verder dan Zweeloo in Drenthe. De titel van boek en tentoonstelling doelt dan ook op het werk van de schilder. Schilderijen en tekeningen werden door zes studenten naar Groningen gehaald. Het was de eerste grote overzichtstentoonstelling van Van Gogh in Nederland. Men wist 128 werken los te krijgen om in de bovenzalen van het Groninger Museum van Oudheden ten toon te stellen. Groningen was tot dan, we spreken over het jaar 1895, een cultureel slapende stad. Met een serie van acht tentoonstellingen met op dat moment hedendaagse en moderne kunst en kunstenaars werd Groningen wakker geschud. De tentoonstellingen trokken naar verhouding veel bezoekers. De inwoners van Groningen wilden maar wat graag kennis maken met deze nieuwe lichting.

    Tijdsbeeld voor de belle epoque

    In de rij uitstallingen is het werk van Van Gogh een onderdeel. In de catalogus neemt het eveneens maar een geringe plaats in. Maar het is wel van belang, want het zet de stad en de provincie in culturele zin op de kaart. Het is daarom ook dat het zwaartepunt op dit gegeven komt te liggen. In overleg met de schoonzuster van Vincent, die na de dood van haar man de volledige nalatenschap van haar zwager in beheer kreeg, is de tentoonstelling destijds ingericht en aangekleed. In de serie van acht was dit het derde evenement. En op de achtste en laatste tentoonstelling werden tekeningen en aquarellen van Vincent van Gogh in Groningen getoond. Daarna was het afgelopen, want de studenten gingen na afronding van hun studie ieder een eigen weg. Maar de steen in de vijver had een rimpeling veroorzaakt, er werd nog lang daarna gesproken en geschreven over het initiatief.

    Het boek en de tentoonstelling nu behandelen na intensief onderzoek tevens de andere tentoonstellingen in de twee reeksen die destijds in de jaren van 1895 tot 1897 plaats vonden. De kunstenaars waarvan werk werd gepresenteerd krijgen in het huidige Groninger Museum ook volop aandacht naast de zaal waarin het werk van Van Gogh te zien is. Het zet zich karakteristiek af tegen het tijdsbeeld van net voor de belle epoque. De bezoeker krijgt een mooie inkijk in de kunst van het postimpressionisme, een stijl die reageerde op wat was en vooruitliep op wat komen ging. Vooral het ervaren van de omgeving staat centraal en dat op eigen gevoel weergeven daarvan. Emotionele expressie en levendige kleuren. Maar ook grepen kunstenaars nog wel terug op klassieke stijlen om het realisme van de wereld te verkennen. Ook in deze periode had de symbolistisch geënte kunst navolgers. Het was een rumoerige tijd, waarin schijnbaar voorvoelt werd wat er nadien stond te gebeuren. Alsof men al droomde van expressionisme, constructivisme en neoplasticisme. Maar de tijd was nog niet rijp voor abstractie en non-figuratie. De kunstenaars van dat moment lieten de werkelijkheid nog figureren in de composities, maar deze werd wel al naar eigen hand gezet.

    De woeste culturele gronden lieten zich na het initiatief van de studenten ontginnen. Er bleek daar wat loos te zijn op het platteland ver van het tumult in de randstad. De ogen waren opeens op het noorden gericht. En dat noorden liet zich inspireren door Van Gogh. De niet lang daarna opgerichte kunstenaarsvereniging vond wortels in de rossige Brabander. Op dat postimpressionisme bouwde de groep de eigen stroming, men ploegde de voren in de Groningse akker. Het was voor hen het startpunt om de kunst van en uit Groningen een boost te geven. Maar niet alleen Van Gogh gaf stof tot nadenken en was een bron van inspiratie. Ook andere kunstenaars die door de zes studenten naar stad werden gehaald gaven de Groningse schilders voedingsbodem. Met het initiatief van de studenten was een jonge boom geplant die in de eeuw erna tot wasdom kwam en vrucht droeg. Groningen telde opeens mee in het Nederlandse kunstlandschap.

    Historische kant van het verhaal

    Het boek en daarmee de tentoonstelling gaat in op de geschiedenis van dat culturele leven, het ontstaan van het Groninger Museum en de academie voor beeldende kunsten Minerva. En de zes studenten worden in onderzoek en uitgave gevolgd. Ook de kunstenaars waarvan zij werk naar Groningen wisten te halen krijgen aandacht. Want uiteraard is voor catalogus en uitstalling het verhaal van Van Gogh in Groningen om niet te zeggen enigszins mager. Vincent is op dat moment, 1895, nog niet zolang uit de tijd. Immers op 29 juli 1890 stierf hij aan de hemzelf toegebrachte verwonding. Ook broer Theo liet het leven kort daarna. Weduwe Johanna Bonger kreeg de nalatenschap van haar zwager in beheer. De studenten hadden met haar schriftelijk contact, zij was het die feitelijk die Van Gogh naar Groningen bracht.

    Niet alleen is de kunst in de uitgave aanwezig, ook memorabilia als foto’s die vooral de historische kant van het verhaal uitbeelden. Advertenties in de stedelijke en provinciale courant die de tentoonstellingen kenbaar maken. De correspondentie tussen studenten en de weduwe Van Gogh. Interessant daarbij is de lijst van bruiklenen voor de Van Gogh tentoonstelling. Het maakt het verhaal dat eigenlijk een vertelling is levendig en zet de historische werkelijkheid op scherp. Welbeschouwd gaat het boek meer over het onderzoek, de onderliggende speurtocht naar het hoe en waarom. Wordt de kunst van toen belicht en krijgen de kunstenaars van destijds in beschrijving de aandacht. Het lijkt minder te draaien om de kunstwerken zelf. Deze zijn een treffende illustratie bij het verhaal. Niet los te zien, want daar draait het tenslotte om. Ook in het museum schijnt de kunst minder van belang te zijn. Er zijn veel mooie werken te zien. De tentoonstelling echter leest als een tekststrip, het verhaal onder het plaatje. Het tekstbord geeft niet alleen naam en titel, maar tevens en vooral de achtergrond van de beleving. Of eigenlijk staan die woorden de onbevangen ervaring in de weg. De tekst zou in het boek gelaten moeten zijn, om nog eens door te bladeren en lezen wanneer de tentoonstelling na 5 mei is afgelopen en uitgeruimd.

    Het verhaal past in de serie Verborgen Verleden, een Ongekende Geschiedenis van Groningen. Dat van Vincent die naar stad kwam is een draadje dat gevolgd kan worden. En waaraan legio andere zaken geknoopt kunnen worden. Zo is het een interessant onderwerp, waardoor het Groningse verhaal veel facetten heeft en diverse auteurs zich erover hebben gebogen – van conservator tot historicus. Het boek is daarom een boeiend naslagwerk dat niet alleen de kunst en het culturele leven als punten van behandeling heeft. Het museum belicht daarop de kant van de afbeeldingen, dus het tonen van de besproken kunst. Maar de tentoonstelling bezwijkt dan onder dat verhaal, zoals hierboven is beschreven.

    Hoe Van Gogh naar Groningen kwam. Mariëtte Jansen, Belle de Rode, Anneke de Vries. Met bijdragen van Lieuwe Jongsma, Anton van der Lem, Kees van der Ploeg, Juliette van Uhm. Uitgave WBOOKS i.s.m. Groninger Museum, 2024.

  • Verdwalen in monumentale tekenkunst bij Museum MORE

    Hantsjes op ‘e rêch”, zei ik tegen mijn zoontje van 6 wanneer wij een warenhuis of museum bezochten. Hij was een jonge onderzoeker en keek het liefst met zijn handen. “Handjes op de rug”. Kijken met de ogen, niet met de handen. Dat is sowieso een voorwaarde bij kunst in een museum, of werken op een andere plek tijdens een tentoonstelling. Hoewel ik net als mijn zoon toen, hij is nu 37 en houdt zijn handen thuis, soms wel graag wil voelen. Vooral langs de rondingen van een beeldhouwwerk. Maar ook de huid van een schilderij. Om te weten op welke manier iets tot stand is gekomen. Om de structuur van de inspiratie te ondergaan, de emotie van het scheppen te doorvoelen. Meer te kennen dan alleen het beeld te zien. Een vinger achter de oorzaak te krijgen, het waarom van het bestaan van het kunstwerk te bevatten. Het devies is echter alleen kijken, aanraken niet. En kan ik mijn aandrift niet bedwingen en beweegt mijn vinger naar het werk, dan hoor ik “hântsjes op ‘e rêch!”. Ofwel wijst mij een suppoost terecht: “meneer, wilt u niet aan de werken komen”.

    In de tentoonstelling “Size Matters” in Museum MORE is het zeker af te raden de monumentale tekeningen aan te raken. Al zou ik ze wel willen bevoelen om te onderzoeken waarmee ik te maken heb. De tekeningen zijn zo groot dat deze mijn blik in zich opnemen. Bezit nemen van mijn ervaring. De afgebeelde ruimte kan ik bijna fysiek betreden en er met de ogen in rondlopen. Bij sommige installaties is dit ook daadwerkelijk mogelijk en wordt ik geconfronteerd met evenbeelden, nabeelden en oerbeelden. De werken nemen compromisloos de ruimte in en eisen mijn aandacht op. Van tekeningen op meterslang papier of doek tot video-animatie en ruimtevullende installaties. Doordat ik door de grootte onderdeel wordt van het kunstwerk, het mij opneemt als speler in het geheel, zal ik mijn omgeving willen gaan aanraken. De huid van de getekende mensen, de bast van planten, de structuur van gebouwen, de pels van dieren. De museale afmetingen, het gedetailleerde karakter, de massale afbeeldingen – deze komen hard binnen, veelal mede door het onderwerp dat ze aansnijden.

    Geen snelle ontwerpen op schetspapier

    Het maken van een tekening is al langer een autonome kunstvorm. Was het tekenen eerder een schetsen voordat het resultaat, de schildering bijvoorbeeld, in beeld werd gebracht; tegenwoordig is het een volwaardige op zichzelf staande uiting. Het materiaal leent zich ertoe om groot formaat dragers te ‘beschrijven’. Met potlood en krijt kunnen fragmenten en onderdelen tot in finesse worden uitgelicht. De tekening is geen schets, maar een tot op de kleinste bouwsteen uitgewerkte afbeelding. Doordat er zo fijn gewerkt kan worden heeft de tekening wel de uitstraling van een fotografisch beeld. En dat zal ik dan willen voelen, het doorgronden, er kennis van nemen.

    Geen snelle ontwerpen op schetspapier om de grootte, breedte en hoogte van het voornemen, de begeestering in de vingers te krijgen. Maar op de vierkante centimeter miniem en beduidend uitgewerkte inspiraties. Met actuele onderwerpen die op deze manier sterk aanspreken. Voor een deel is de fotografie aanleiding, vormen foto’s het startpunt om een thema te peilen en te ontrafelen. Kunnen bestaande indrukken onderdeel zijn van een fantastische en futuristische uitdrukking. Het is kunst om in te verdwalen, om jezelf in te verliezen.

    Potlood en krijt basis handmatig werken

    De catalogus bij de tentoonstelling geeft inzicht in de achtergronden van de werken en de inspiraties van de makers ervan. Het laat op handzaam formaat de monumentale werken zien. Voor de echte beleving is het zaak de tentoonstelling in het museum te bezoeken. Dan kan ik effectief en wezenlijk onderdeel uitmaken van de werken. Kan ik mij er tussen begeven en me erdoor laten overweldigen. Deze kunst, tot en met 2 februari 2025 getoond in de zalen van Museum MORE, geeft een bijzondere ervaring wanneer het live wordt meegemaakt. Door in de ruimten te zijn overkomt mij de ruimte van de tekening. En krijg ik oog voor de uitzonderlijke aard van dit fenomeen in de kunst.

    Was de tekenkunst eerder intiem, niet met de bedoeling openbaar te maken maar op te bergen in ladekasten, een medium dat de beschouwer het dichtst bij de kunstenaar brengt. Tegenwoordig zijn in de tekeningen nog aldoor de persoonlijke gedachten en het handschrift er het meest in vergelijking met andere uitingen in te herkennen. Dat wist het grote formaat waarop gewerkt is niet uit. Nog altijd is het potlood en het krijt de basis om handmatig te werken. En zelfs wordt de materie wel met de vingers tot een beeltenis gevormd. In de tekening zit de kunstenaar, omdat er niets tussen hem/haar en de drager staat. “Een tekening is de meest directe vertaling van het hoofd via de hand”, schrijft cultuurjournalist Edo Dijksterhuis in zijn essay in de catalogus. “Een tekening kan de essentie van de gedachte waarop hij is gebaseerd benaderen maar nooit helemaal omvatten. (…) Kunstenaars blijven vooral kunst maken omdat ze telkens net niet te pakken krijgen wat hen voor ogen staat. En die worsteling is in geen medium zo zichtbaar als in tekenkunst. Een tekening laat zich lezen als een logboek van handelingen.” Dat logboek wil ik lezen, met de vingers langs de regels gaan, het schrift aanvoelen. De handelingen meten en doorzien.

    Dichter bij de finesses van de tekening

    Een groep van 28 kunstenaars uit binnen- en buitenland hebben de samenstellers van de tentoonstelling aangetrokken om hun werken te laten zien. In de catalogus lichten artistiek directeur Maite van Dijk en senior conservator Marieke Jooren het idee om een grote tentoonstelling te maken over hedendaagse monumentale tekenkunst toe. De kunstenaars zelf laten zich citeren omtrent hun liefde voor tekenen. “Wat ik zie, wordt pas echt wanneer de lijn van mijn pen het heeft verkend; alles wat ik tegenkom wordt gevat in de lijnen die ik teken”, is opgetekend uit een gesprek met Anne Muntges. “Het werken op groot formaat brengt me dichter bij de finesses van de tekening.” Andere tekenaars voelen ook dat het is alsof ze binnen een zelfgeschapen wereld stappen en daarin meteen elk detail kunnen doorgronden. Door zo dicht op het werk te zitten kan de essentie van het onderwerp worden verkent en onthult. “Een groot formaat heeft als voordeel dat je objecten op ware grootte kunt tekenen”, vindt Levi van Veluw. “Het lijkt alsof je door een venster kijkt naar een andere dimensie. (…) In een tekening is alles mogelijk, er zijn geen natuurwetten. Het grote formaat helpt om de illusie van het getekende tafereel te verwezenlijken.

    Fysieke ‘opponent’

    Niet alleen maar wel veelal werken de kunstenaars zonder toevoeging van kleuren in hun werken. Door zwarten en grijzen op de witte drager aan te brengen krijgt de tekening een vervreemdend karakter. Dan is er geen afleiding door kleur. Het staat buiten de werkelijkheid, maar maakt er toch onderdeel van uit. Worden kleuren aan de tekening toegevoegd komt het beeld terug in de realiteit, maar spiegelt zich in een surrealiteit. Wat ik zie lijkt werkelijkheid, maar is fantasie – een gedachte met de waarheid als basis. De grens tussen werkelijkheid en verbeelding vervaagt. Raquel Maulwurf: “Ik teken met houtskool, één van de oudste kunstenaarsmaterialen. Dankzij verkoold (dus vernietigd) hout kan ik hele werelden tot leven brengen: creatie uit destructie. De reductie tot zwart-wit stript het beeld van overbodige franje.

    De tekening wordt door de grootte een fysieke ‘opponent’ voor zowel de maker als de beschouwer”, dwaal ik in de microscopische verwondering van Hans de Wit. “Lichaam en geest raken overrompeld.” Het op afstand kunnen overzien van het geheel en het van dichtbij ervaren van motieven, detaillering en structuren zijn in zijn werk essentieel, “net als de tegenstrijdige gevoelens van bijvoorbeeld aantrekking en afkeer. Hierbij speelt ook het manipuleren van de natuurlijke schaal van de motieven een rol.” Die manipulatie van de blik, het oog om te dolen, zie ik terug in de meeste van de andere werken. Het is een bijzondere ervaring de monumentale tekenkunst live bij Museum MORE en later thuis via de catalogus “Size Matters” te bekijken. In de tentoonstelling houd ik krampachtig mijn handen op de rug en laat mijn blik verdwalen in de getekende verhalen.

    Size Matters. Monumentale tekenkunst nu. Monumental drawing now. Voorwoord Maite van Dijk. Teksten Marieke Jooren, Edo Dijksterhuis. Uitgave WBOOKS Zwolle in samenwerking met Museum MORE Gorssel, 2024.

  • Een bedrijfsverzameling met liefde voor tekenen

    Musea bestaan niet bij de gratie van schenkingen, maar deze donaties in nature zijn wel een goede bron van inkomsten voor de collectie waardoor een museum kan overleven. Doordat particuliere verzamelaars of bedrijfsmatig opgebouwde verzamelingen delen uit de collectie schenken of bovendien de hele schat aan kunstwerken afstaan, kan het museum nieuwe relaties maken met het bestaande bezit. En kan de bezoekers ander werk worden getoond dan men gewoon is onder dat dak te bezichtigen. Zelfs wordt rond een verzameling een musea gezet, dat met bruiklenen daarbij een keur aan kunst kan tonen. Een museum is uiteraard zeer gesteld op het feit dat de verzamelaar of het instituut, de bank of het bedrijf de aangelegde verzameling schenkt om niet. Of dat delen ervan door een stichting of vereniging worden aangekocht en in langdurig bruikleen worden gegeven, waarna over het algemeen een schenking volgt. Bij de schenking wordt dan meestal wel als voorwaarde gesteld dat werk uit de bijdrage permanent te zien is. Zodat dus de verzameling, die was opgeslagen in depot of weggestopt in een kluis, wordt ontsloten voor publiek. Want kunst moet gezien worden!

    De NOG collectie

    Het Stedelijk Museum Schiedam was verguld met de schenking van Stichting Beheer SNS Reaal, uiteraard. De volledige kunstverzameling, ook wel bekend als de NOG Collectie, kwam in 2021 in het  bezit van het museum. Voor het Stedelijk aanleiding een bijzondere tentoonstelling in te richten die mede door een drietal kunstenaars werd gecureerd. Voor “Liefde voor tekenen” werden Fatima Barznge, Susanna Inglada en Koen Taselaar gevraagd een keuze te maken uit de verzameling om te tonen op zaal. De drie kunstenaars maken met een aantal werken onderdeel uit van de schenking. De NOG Collectie richt zich vooral op de werkvorm tekenen in al haar uiterlijke verschijningen. De tentoonstelling in Schiedam is inmiddels afgelopen, maar de catalogus die daarbij verscheen blijft een waardevol naslagwerk. Vooral omdat de volledige schenking daarin staat afgebeeld, zodat kan worden nagegaan hoe de collectie door de jaren heen vanaf 1994 tot 2021 is opgebouwd.

    Vrije expressie van de ziel

    De gesprekken met de drie kunstenaars, over tekenkunst en tekenen, vormden de basis van de tentoonstelling en zijn de kern van het boek. Hoewel natuurlijk de collectie ook een belangrijk onderdeel is van de uitgave. Maar door de interviews komt de lezer dichterbij het tekenen als volwassen kunstuiting en krijgt inzicht in werkwijze, reden en inspiratie. Werd tekenen lange tijd gezien als opstap naar een schilderij, de schets om het resultaat in de vingers te krijgen, tegenwoordig is de tekening het resultaat, een volwaardig kunstwerk. “Het is de vrije expressie van de ziel van de kunstenaar”, citeert hoofd kunst en geschiedenis van het museum Catrien Schreuder de Franse filosoof en criticus Denis Diderot. Deze schrijft in de 18e eeuw aan de schets meer bezieling toe dan aan het schilderij. Een eeuw later vindt kunstenaar en criticus John Ruskin dat de beginnende kunstenaar door te tekenen de werkelijkheid pas echt kan doorgronden. Voor hem is het tekenen naar de natuur de belangrijkste oefening voor het oog van de kunstenaar. En in 1931 beschrijft criticus Herbert Read het bestuderen van tekeningen als de beste oefening voor het eigen aanvoelen. “De kunstenaar maakt tekeningen om de schuilplaatsen van zijn eigen geest te ontdekken.”

    Eigenzinnig n vernieuwend

    Zo verwerft het tekenen door de eeuwen een eigen plaats in de uitingen van kunst. “In de tekenkunst kunnen kunstenaars zich vrijheden permitteren om gevoelens uit te drukken, fantasie de vrije loop te laten of surrealistische verbeelding te laten zien”, aldus kunsthistoricus Diana Wind. En daar kunnen de gesproken kunstenaars zich bij aansluiten, vooral omdat zij op een eigenzinnige en vernieuwende manier omgaan met tekenkunst. “Voor elk van de drie kunstenaars geldt”, lees ik in de inleiding van Schreuder, “dat hun keuze voor het tekenen als primair medium ooit voelde als een daad van verzet, of op zijn minst eigenwijsheid, {…} De directheid, het handschrift, het persoonlijke dat zijn de meest genoemde kwaliteiten van tekenkunst.

    Fatima Barznge

    Voor Fatima Barznge is tekenen belangrijk als schets, als medium voor onderzoek, maar ook als resultaat. “Als ik aan tekenkunst denk, denk ik aan lijn en schrift. (…) Mijn tekeningen zijn vanaf het begin bedacht. Ik kan niet zomaar een potlood pakken en een patroon maken.” Soms verandert het patroon wel tijdens het tekenen, zegt Barznge, dan maak ze er iets anders van. “Dat vind ik het mooie van tekenen, je hoeft niet altijd streng te zijn voor jezelf. Uit een mislukking kan ook iets heel moois ontstaan, een verrassing.”

    Susanna Inglada

    Mijn werk bevraagt altijd wat er in mijn omgeving gebeurt”, licht Susanna Inglada haar manier van werken toe. “Voor mij is tekenen een manier om te denken, te praten, te reflecteren. De directheid van het tekenen past bij mij en bij wat ik wil vertellen. Met één simpele lijn kan je zo veel expressies uitdrukken. Ik vind het interessant hoe je met eenvoud complexiteit creëert.(…) Voor mij is kunst een manier om onderwerpen op tafel te gooien. Thema’s die ik niet begrijp. Ik probeer situaties te begrijpen door te tekenen. Door dit medium, of deze taal, kan kunst een gesprek, een gedachte, een ander perspectief openen. Humor is voor mij een manier om zwaardere thema’s aan te boren.”

    Koen Taselaar

    Zijn werken in de NOG Collectie omschrijft Koen Taselaar als inkt op papier met wat verf hier en daar. En of het dan nog een tekening is weet hij niet. “Iedereen zegt ook maar wat natuurlijk. Als het op doek is, is het een schilderij. Als het op papier is, is het een tekening, toch? Als er een lijn in zit, is het een tekening, als het vlakken zijn, is het een schildering. (…) Tekenen is voor mij een soort hand-hoofd-beweging die heel direct is.” Taselaar denkt met zijn handen. Hij denkt dat tekenen het dichtst in de buurt komt van een kijkje nemen in iemands hoofd. Het is belangrijk dat de toeschouwer de concentratie ervaart, de liefde en aandacht waarmee de dingen zijn gemaakt.

    Ee grote keuzevrijheid

    De drie kunstenaars hebben intuïtief uit de collectie gekozen, werk dat hen aanspreekt omdat het verwantschap heeft met het eigen werk of juist niet. “In de werken die ik heb gekozen zie ik licht, eenvoud, patronen en soms ook lichaamsdelen als een soort natuurlijk ornament”, zegt Fatima Barznge daarover. De NOG Collectie is ontstaan als een bedrijfscollectie van hedendaagse kunst. “Met het aanleggen van een kunstcollectie, specifiek gericht op de kunstenaars die bij het grote publiek nog (net) niet bekend zijn, wordt uiting gegeven aan de wens om iets blijvends te creëren”, geeft kunsthistoricus Luna de Schepper aan. Conservator van de collectie Corrie van der Veen zegt dat er een grote keuzevrijheid is, zij het dat er verzameld wordt met de verwachting dat de bijzonderheid van het werk enigermate gewaarborgd blijft. “Het werk moet passen in de collectie door verscheidenheid en niet door het volgen van thematische benaderingen. Er wordt ook niet specifiek gezocht naar jonge kunstenaars.” En bij het bladeren door de pagina’s met werken uit de collectie kan ik dat beamen. Het is een grote diversiteit aan uitdrukkingen, die enkel met elkaar gemeen hebben dat het accent ligt op tekeningen ofwel werken op papier. Hoewel er tevens driedimensionale en ruimtelijke objecten in de verzameling zijn ondergebracht. Geen wonder dat de collectie als slogan had: ‘NOG net even anders’.

    Liefde voor tekenen. Kunstenaars kiezen uit de collectie. Met een voorwoord van Anne de Haij, directeur Stedelijk Museum Schiedam. Tekstuele bijdragen van Catrien Schreuder, Edita Aleksanian, Krista van der Bron en Luna de Schepper. Mogelijk gemaakt door Stichting beheer SNS REAAL. Uitgave WBOOKS, Zwolle in samenwerking met Stedelijk Museum Schiedam, 2024.

  • Breitner: een levenlang twijfelen aan eigen kunnen

    Je maakt nu eenmaal vóór je veertigste betere dingen dan daarna.” Met deze uitspraak kwalificeerde George Hendrik Breitner zijn eigen werk. In de uitgave ‘Breitner schilderbeest’, catalogus bij de tentoonstelling in Singer Laren, richt gastconservator Suzanne Veldink haar blik daarom op zijn werk van voor 1900. En inderdaad ontwikkelde zijn werk in die periode zich door alsmaar te kijken en steeds weer te oefenen tot het niveau waarop Breitner als schilder bekend geworden is. In het boek en bij de tentoonstelling beschouw ik het verhaal over wat ik zie wanneer ik naar de schilderijen en de tekeningen kijk. En op welke manier Breitner vlak, vorm en kleur heeft geschikt kan ik tevens door de tentoonstelling en in het boek gewaarworden aan de hand van vijf thema´s die binnen de alledaagse kunstenaarspraktijk in elkaar overlopen: oefenen, figuur, licht/donker, lijn, kleur. Daaraan kan ik na het lezen en bekijken nog het experiment toevoegen, en, niet onbelangrijk: de inspiratie.

    Nadruk op vlak en kleur

    De uitgave van WBOOKS, het boek “BREITNER schilderbeest”, is een tentoonstelling op zichzelf. Door details uit schilderijen over een spread van twee pagina’s af te drukken zit de lezer bij wijze van spreken met de neus op het doek. De afzonderlijke penseelstreken zijn zichtbaar, de contourlijnen na te gaan. Maar ook de complete werken als illustratie bij de teksten zijn subliem opgenomen en afgedrukt. Helemaal naar Breitners doelstelling om de nadruk te leggen op vlak en kleur, lijnvoering en stofuitdrukking. Ieder schilderij en elke tekening is voor de beschouwer een lust zich in de verbeelding te begeven. Maar natuurlijk verdient een bezoek aan Singer Laren om de werken live te zien de voorkeur. Het boek is een uitstekend surrogaat, hoewel de kwaliteit absoluut niet minder is.

    In zijn twintiger jaren was Breitner zoekende en bleef eigenlijk zijn hele schildersleven naarstig op zoek de juiste vorm en het beste uitdrukkingsvermogen te vinden. Op het moment van zijn niet wetende dat deze allang gevonden is. Want al tijdens zijn leven wordt hij door vriend en vijand gewaardeerd en geprezen. Altijd blijft echter de twijfel. Het uitdrukken van wat gezien is komt daarmee op een hoger plan. De onderscheidende artistieke kwaliteiten van Breitner en de vernieuwende bijdragen aan de Nederlandse schilderkunst rond 1900 staan buiten kijf. Niet beseffend dat hij een pioniersrol vervulde hield hij vast aan zijn eigen manier van zien. Elk genre dat hij onder handen nam maakte hij zich eigen en vernieuwde deze door voorbij te gaan aan bestaande regels en gewoontes in de kunstwereld. Daardoor had zijn artistieke ontwikkeling geen rechtlijnig karakter, het wisselde van onderwerpkeuze en aanpak, gedurfd kleurgebruik en expressief lijnwerk.

    Brutaler en vrijer omgaan met de regels

    Hoewel het impressionisme in zijn tijd werd gezien als een schetsmatige schilderstijl, paste het helemaal aan bij zijn manier van kijken en werken. Hij nam als basis het tonale palet en de losse penseelstreek van de kunstenaars van de Haagse School en voegde daar eigenheid aan toe. Door weinig academische ervaring kon hij brutaler en vrijer omgaan met de regels. Misschien dat zijn gebrek aan een voltooide academische opleiding zijn voortrekkersrol positief heeft beïnvloed, hoewel in het geval van Breitner niet van een gebrek als wel van een voordeel gesproken kan worden. Hij haalde zijn kennis en vaardigheden uit het veld, bij kunstenaars die hem inspireerden. In verschillende fases van zijn carrière bleef hij echter wel op zoek naar een grondige technische scholing, in de hoop zo de sluimerende onzekerheid over zijn eigen kunnen te beteugelen. Daardoor kon hij een eigen weg gaan en was het hem mogelijk zonder klassieke ballast te experimenteren en te komen tot waar hij de geschiedenis in is gegaan, als Nederlands impressionist – de kopman van de avant-garde. Zoals hij zelf zei: “Mij dunkt voortbrengingskracht en verbeeldingskracht maken de kunstenaar + een groote X.

    Rauwe werkelijkheid tot stemmige impressie

    Schilderachtig wilde hij historiestukken neerzetten. Op detail de realiteit vangen. Maar hij besefte al snel dat hij het juist moest hebben van de dingen die hij om zich heen zag gebeuren in plaats van anekdotes uit het verleden aan te halen. Dynamisch en met brede verftoets bracht hij figuren in beeld. Het beeld werd monumentaal. Hij voelde zich steeds meer aangetrokken tot een opkomende, anti-academische richting in de Haagse schilderkunst. Het vastleggen van een bepaalde sfeer op een zeker moment was daarbij meer belangrijk dan een verhalend onderwerp. Voor Breitner was een verhaal vertellen met veel details en een correcte tekening gaandeweg van minder belang dan kleur, lijn en expressie. Hij schetste de rauwe werkelijkheid tot een stemmige impressie. Zijn werk oogt speels en spontaan. Eerst nog modelleerde hij zijn beeld zorgvuldig met oog voor detail, later werd zijn penseelvoering krachtig en sprekend. Alledaagse figuren werden met ferme streken in soms hoekige vormen en met harde contouren tegen een donkere achtergrond geplaatst. Gebeeldhouwd in verf, uit de verf ontstaan. Na een zichtprobleem viel hij terug op het detail in de nauwkeurige stofuitdrukking. Hij leek geland op zijn artistieke basis, maar vandaar uit werd hij colorist. Hij had voordien de werking van kleur en vorm perfect onderzocht en kon opnieuw loslaten. Het werk robuust in kleurvlakken opbouwend.

    Nieuwe realiteit

    In kleurrijke, vrij geschilderde werken lijkt Breitner, na jaren van zoeken, zijn artistieke streven te hebben verwezenlijkt. Door thema’s telkens opnieuw onder handen te nemen en zichzelf bij elke versie uit te dagen was hij op dit punt aangekomen, steeds zoekend naar vooruitgang. Met de nadruk op kleur en expressie in plaats van vormvastheid was Breitner zijn tijd vooruit. Hij maakte een nieuwe realiteit door bestaande en bedachte elementen te combineren. Inspiratie kon Breitner vinden in een bijzondere vorm, opvallende kleur of toevallige beweging. Hij zette geen feitelijke weergave op doek, maar koos bewust voor wat hij de kijker wilde laten zien. Selecteerde en componeerde naar hartenlust, daarbij proberend zo dicht mogelijk bij de realiteit te blijven. Hij gebruikte later zelf genomen foto’s als instrument bij het componeren van zijn schilderijen. Maar maakte ook getekende en geschilderde schetsen en plein air, daardoor kon hij in zijn atelier diezelfde sfeer oproepen als dat hij ter plekke had ervaren.

    Zijn beeldopbouw lijkt eenvoudig, maar met enkele verfstreken kon Breitner doeltreffend een figuur neerzetten. Hij wist een schetsmatige uitvoering perfect te combineren met een volwaardige compositie. In dit vrije schilderen maakten de figuren zich los en ontstonden op afstand gezien ‘uit de verf’ – een ruimtelijke illusie. Men had kritiek op de schetsmatige wijze van schilderen en het ogenschijnlijk onvoltooide karakter van zijn werk. De beoordeling op stijl en techniek boven het onderwerp bleef hem levenslang achtervolgen. Breitner werkte vanuit zijn eigen visie op de werkelijkheid, waarin hij de schoonheid van het dagelijkse leven zonder hang naar nostalgie uitdrukte in gedurfde heldere kleuren en een brede markante verftoets. Hij zocht stug door naar een eigen handschrift. Zo vond hij uiteindelijk zijn ‘groote’ X.

    BREITNER schilderbeest. Tekst Suzanne Veldink. Voorwoord Jan Rudolph de Lorm. Verschenen ter gelegenheid van de tentoonstelling in Singer Laren van 15 mei tot en met 8 september 2024. Uitgave WBOOKS Zwolle in samenwerking met Museum Singer Laren, 2024.

  • A trip down memorylane: de jaren 60

    De jaren 60, deze staan in ons collectieve geheugen geëtst als het decennium van de ommekeer. De tijd waar er op alles en iedereen gehamerd werd dat alles anders moest, in elk geval anders dan voorheen. De naoorlogse generatie wilde het anders doen dan de vooroorlogse, helemaal anders, compleet anders. En die van tijdens de oorlog geboren waren alternatief genoeg om het voortouw te nemen. De wereld lag voor hen open, dachten ze. Het waren de jaren van na de wederopbouw doordat de oorlog het land deels had verwoest. Het ging Nederland weer goed, het land klom uit de put omhoog. De mogelijkheden reikten welhaast tot de hemel. De jongelui bouwden echter een toren van Babel en wisten niet meer correct te communiceren met de ouwelui. “de mensen zagen er anders uit, gedroegen zich anders, hadden andere denkbeelden en gebruikten een andere taal

    Levendig historisch boek

    De jaren 60, die jaren van de meest ruchtmakende twintigers van de twintigste eeuw, de vorige voor deze nu. Het Grote Jaren 60 Boek is een trip down memory lane voor de mensen die het hebben meegemaakt. Een levendig historisch boek voor de kinderen en de kleinkinderen van na de geboortegolf die terug willen zien of de geschiedenis ons iets heeft geleerd. Hebben de jaren 60 van de vorige eeuw echt Nederland laten trillen op de grondvesten of is dat het verhaal dat tot legende werd door de tijd. Feit is dat er veel kon waar schijnbaar niets mogelijk was. Oude zuilen werden omver getrokken, heilige huisjes ingetrapt. Het was niet makkelijk voor de gevestigde orde om de conservatieve teugels te laten vieren.

    In een lijvige inleiding laten de samenstellers historici René Kok en Erik Somers en gepensioneerd archivaris Paul Brood de jaren 60 in woorden uitgebreid passeren. Maar Het Grote Jaren 60 Boek is vooral een fotoboek, een plaatjesboek, waarbij de bijschriften de beelden becommentariëren. Een reis terug in de tijd voor de ervaringsdeskundigen. Voor de oudere generatie een terugblik op een tumultueuze periode waarin zij de gevestigde orde zagen afbrokkelen, maar waarmee het achteraf gezien allemaal wel meeviel. Herkenbare voorvallen, data die de mond doet openvallen van verbazing en feiten waarvan je weet waar je was op die memorabele dag. Er is veel omgedraaid en afgewenteld, maar of het nu echt een ommekeer in doen en denken heeft betekent valt te bezien. Er is veel gesproken en nagedacht, bediscussieerd en gefilosofeerd. Maar er was ook veel actie als reactie. Geen woorden maar daden, maar alles met liefde en respect voor elkaar.

    Gekleurde herinneringen

    In Het Grote Jaren 60 Boek kijken de schrijvers en samenstellers met afstand naar deze bewogen jaren en vragen zich af of het werkelijk zo’n revolutionaire tijd was. “Of zijn de herinneringen en de eigentijdse getuigenissen teveel gekleurd? De werkelijkheid was – zo zien wij nu – wat genuanceerder en soms net iets anders dan we dachten.” Waren het echt de jongeren die zorgden voor de revolutie in de Nederlandse maatschappij? Het eerste politieke verzet echter kwam van de boeren en de pacifisten, en van de dienstplichtig militairen. De gevestigde orde reageerde daarop neerbuigend en lacherig in een poging orde en gezag te herstellen. Het lachen verging hen snel, dus kregen de Boerenpartij en de PSP een vertegenwoordiging in de kamer, terwijl de VVDM de officiële gesprekspartner van de minister van Defensie werd.

    De wereld was in de jaren zestig onrustig, in beweging en in verandering, trappen de auteurs in de inleiding een open deur in. Toenemende welvaart maakte mogelijk dat gezinnen een televisie konden kopen, of een auto, of eens met vakantie in het buitenland gaan. Elektrische apparaten bespaarden de huisvrouw veel tijd. Vrije tijd neemt toe. Vooral dankzij de televisie werd de wereld kleiner. Die beeldbuis was een van de oorzaken die bijdroegen aan het besef van een globale samenleving. Een maatschappij die moest veranderen op zoek naar nieuwe waarden en een eigen geloofwaardigheid. Een omstandigheid was ook de veel genoemde en geroemde generatiekloof: de confrontatie tussen de vooroorlogse en de naoorlogse generatie. Jongeren wilden een ander leven dan hun ouders leiden. Traditie en conventie waren uit, vrijheid en eigenheid kwamen in. Zuilen vielen om, kerken liepen leeg. “Minder naar de kerk, meer naar school, minder werken en meer seks”, merkt historicus Hans Righart op. Op de politieke agenda kwamen vrouwenemancipatie, abortus, homoseksualiteit en vrije seksuele omgang. Voorheen ondenkbare zaken werden mogelijk in de jaren 60: de introductie van de anticonceptiepil en het eerste naakt op de televisie.

    Veelbewogen jaren

    Alom is men bezig op de puinhopen van de oorlog nieuwe wijken en wegen aan te leggen. Als een feniks verrijst Nederland uit haar as. “Met zoveel sloop en nieuwbouw zou het geluid van de jaren 60 misschien het beste weergegeven kunnen worden met hei- en graafmachines, betonmolens en zandauto’s. Maar in de collectieve herinnering is het toch de muziek die ook in onze tijd nog klinkt.” Beat- en popgroepen worden in Nederland opgericht in navolging van vooral Engeland. Memorabele concerten van buitenlanders, The Beatles en The Rolling Stones doen ons land aan met alle gevolgen van dien, worden afgewisseld met optredens van groepen uit de Randstad. De blues van Cuby zet Drenthe op de kaart. Het boek besteed daar in beeld allemaal aandacht aan, naast de andere kunsten die het cultuurlandschap danig opschudden. Geen enkel item waarop met weemoed kan worden teruggezien laten Kok, Somers en Brood links liggen. Het nieuwe leven, wonen en werken, komt ruimschoots aan bod en ook de invulling van vrije tijd, het beoefenen van sport en de kinderen van de jaren 60 hebben beeldden in het boek.

    Het is een boek als één uit de serie een jaar in beeld, maar bestrijkt in dit geval een decennium. Daarvan zijn of volgen er meerdere, zoals Het Grote Jaren 70 Boek. Maar de jaren 60 zijn toch onmiskenbaar na de jaren 40 het meest memorabel en tot de verbeelding sprekend. “Nostalgie naar de tijd van de jeugd, naar mooie tijden en ervaringen is een heel gewone menselijke emotie”, citeer ik de auteurs. Dankzij de mogelijkheden van de techniek en de media hebben de jaren 60 een grote impact gehad op onze samenleving. Het was een periode van verandering, verzet en ontwikkeling. “Maar laten we die jaren wel in de juiste proportie bekijken. Voor de meeste mensen ging het leven gewoon door en was de enige modernisering de aankoop van een televisie en de eerste vakantie naar het buitenland.

    Het drietal dat werkte aan deze uitgebreide terugblik op een veelbewogen decennium in de vaderlandse geschiedenis merken tot slot op: “Niettemin, bewogen jaren waren het, maar de foto’s zijn haarscherp!” Deze gevleugelde woorden vormen de strik om de verpakking van het boek, zijn de kers op de taart, de bekroning van een onderzoek. De haarscherpe foto’s geven een perfect uitgetekend beeld van de jaren 60 van de vorige eeuw. Een periode die vooral ruikt naar patchouli en nederwiet, maar die niet de vrede onder de mensen en de verdraagzaamheid voor dier en natuur heeft gebracht waarop men destijds zo had gehoopt.

    Het Grote Jaren 60 Boek. René Kok, Erik Somers, Paul Brood. Uitgeverij WBOOKS, 2023.

  • “Op scherp” zet fotorealisme in focus

    Eens zag ik een kunstwerk hangen, waarvan ik dacht dat het een polaroidfoto was. Met schildertape aan de wand geplakt. Een vakantiekiekje, vrolijk zitten drie figuren naast elkaar in de zon. Het lijken drie generaties – vader, kleinzoon en zoon. Bij nadere beschouwing blijkt het om een klein schilderij te gaan. De gestuukte muur, de tape, de foto en de schaduw, het ruimtelijk effect – het is alle olieverf op doek. Een foto uit het familiealbum was door Gerrit Wijngaarden nageschilderd. Het was voor mij een eerste kennismaking met het fenomeen fotorealisme. Ook zag ik wel de realiteit van Olav Cleofas van Overbeek, een meester van het stilleven. Hoewel de lichtinval in zijn werk bijzonder is met een terugkerende spiegeling, heeft het niet de kracht van fotorealisme zoals ik zie in de catalogus en op de tentoonstelling “Op scherp / In focus”.

    Collectioneren van fotorealisme

    Het Centraal Museum Utrecht is de eerste instelling in Nederland dat zich richt op het collectioneren van fotorealisme. Veel van deze verzamelde werken zijn door tijd vanaf de jaren 80 uitgeleend voor tentoonstellingen elders. Nu toont het museum ze onder eigen dak. Daarbij valt op dat de schilderijen griezelig echt zijn. Aan de minutieus nageschilderde foto´s is een extra dimensie toegevoegd, waardoor er meer lagen van beleving zichtbaar zijn dan in de reguliere platte foto. Een foto is het vastleggen van een enkel moment, het schilderij laat meerdere momenten zien. “Het werk van fotorealistische kunstenaars is bedrieglijk verleidelijk”, schrijft artistiek directeur Bart Rutten in zijn voorwoord tot het boek. “Hun vakmanschap steekt de mechanische precisie van fotoapparaten naar de kroon. (…) Maar de maatschappelijke waarden die erin verborgen liggen zie je makkelijk over het hoofd.

    Achter de façade van de werkelijkheid huist de essentie van de gedachte. Een statement dat de kunstenaar met zijn compositie wil maken. Dat wordt gedaan door de wereld of delen daaruit weer te geven zoals wij deze dagelijks treffen en kunnen zien. Doordat dit zo werkelijk of zelfs hyperrealistisch gedaan is kan ik op mijn vingers natellen dat er iets niet aan klopt. Wat wij als werkelijkheid ervaren trekt fotorealisme in twijfel. Want het is meer dan een knap staaltje kopieerwerk. Bij het zien van fotorealistische werken moet ik daarom alert zijn, beter kijken om de achterliggende boodschappen te lezen. Daarop wijst mij de curator van de tentoonstelling, Esmee Postma. En ook Hanneke Grootenboer, hoogleraar kunstgeschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam, roept mij daartoe op. Zij gaan voor de catalogus beide in op de geschiedenis van het fotorealisme, als laatste isme van de 20e eeuw en reactie op de abstractie van Cobra en het nulpunt van Zero.

    Glimmende auto’s en ronkende motoren

    De transformatie van foto naar verf druist in tegen alles waar het modernisme voor staat. Waar popart de popcultuur en massamedia ironisch verheft, is het fotorealisme een bloedserieuze aanvechting van wat moderne kunst kan en mag zijn. In “Op scherp / In focus” wordt gesteld dat deze kunstvorm uit Amerika is overgewaaid en dat het in eerste instantie voornamelijk een masculiene stijl was. Daarom zie ik glimmende auto’s en ronkende motoren, schreeuwende uithangborden en spiegelende winkelpuien, om niet te spreken van vrouwen in uitdagende lingerie. Uit de gevulde winkeletalages, pick-up trucks en straatbeelden spreekt een specifieke kijk op de wereld. Het zijn snapshots en is een afspiegeling van de vooral welvarende witte mannenwereld. Momentopnames die echter verder reiken dan die zichtbare werkelijkheid. Er staat meer in de compositie dan bij een snelle blik gezien kan worden. Eigenlijk zal ik de eerste laag eraf trekken om de onderliggende huid te ontdekken. Dan denk ik aan wat ik vind bij Ger Eikendal in dezelfde tentoonstelling als waar ik Gerrit Wijngaarden zag. Eikendal gaf mij een optische illusie door onder flarden van afgescheurde affiches nieuwe beelden te tonen. Daar zag ik toen echter nog geen maatschappelijke boodschap in. “Op scherp” focust mij, “In focus” scherpt mijn beeld.

    Het wil geen foto zijn, het wil er voor doorgaan

    Fotorealistische werken van toen en nu roepen op tot vertraging”, schrijft Esmee Postma. “Ze zijn met aandacht gemaakt en verlangen een aandachtige blik.” Hanneke Grootenboer vult aan: “Een vluchtige blik van de toeschouwer is niet genoeg; voor wie de veelzijdigheid van fotorealisme wil doorgronden is beter kijken het devies. Met als aanvullende tip om op je hoede te zijn. Want fotorealisme wil je te pakken nemen, je verrassen, je erin laten tuinen en je wakker schudden.” Door vijf richtlijnen te geven leert ze mij fotorealistisch te kijken en haarscherp te denken over mijn eigen beeldgebruik. Zo zal ik vervreemd raken van mijn omgeving, oppervlakkig zijn en me laten misleiden. Ik zal moeten reflecteren op reflectie, want de uiteindelijke ambitie van fotorealisme is niet zozeer het onthullen van de ware aard, maar het demonstreren van de kracht van de vermomming. “Het wil niet een foto zijn, het wil ervoor doorgaan.” Tot slot ga ik filosofisch kijken daar opzettelijk bedriegen een manier is om de waarheid te vertellen. De camera is vandaag de dag een model geworden voor zowel een manier van kijken als een manier van leven, stelt Grootenboer. De grens tussen privéleven en publieke ruimte wordt vager. Er is weinig ruimte je te verbergen en iedereen laat zich schijnbaar vrijwillig zien. De fotograaf – en dat kan tegenwoordig iedereen zijn met de mobiele telefoon stand-by – deze kijkt indirect naar de wereld, de fotorealist nodigt uit tot een noodzakelijk bewustwordingsproces. Fotorealisme is een filosofie, een attitude.

    Een aanklacht, een protest

    De catalogus toont veel representatieve voorbeelden van deze manier van werken. Vooral gelaagde werken, de composities met een boodschap, komen erin aan bod. Want dat is wat fotorealisme is of wil zijn. De maatschappij een spiegel voorhouden, zodat deze de eigen opgeblazen houding naar de wereld kan aanschouwen. Althans wanneer je daar voor openstaat, dat wil zien, deze tekortkoming door die overvloed. Zo is het fotorealisme meer nog dan andere ismes of stromingen binnen de kunst een aanklacht, een protest. Het wil meer zijn dan een landschapje of stilleventje boven de bank, het doet ertoe en heeft iets te zeggen. Is het dus vooreerst een mannelijke aangelegenheid, het boek snijdt vooral de vrouwelijke inbreng aan. Een bijdrage die de stijl veelvormig maakt, met name omdat het kleurig en seculier is geworden. Niet alleen de witte mannelijke mens heeft een boodschap voor de wereld.

    Op scherp / In focus” laat enkele vrouwelijke realisten aan het woord. Esmee Postma is in gesprek met Audrey Flack. Zij gebruikte foto’s eerst als hulpmiddel bij het schilderen van stillevens en kinderen, maar deze stelden haar later in staat om licht, diepte en schaduwen te bestuderen. Weerkaatsend licht op een parfumglas of het metaal van een gouden armband. “Een foto legt geen belichaamde ervaring vast”, zegt Allison Katz. “Het weerspiegelt het mechanische oog van de camera, dat dingen ziet die wij niet kunnen zien, vanuit hoeken en snelheden en in kleuren en temperaturen die wij niet kunnen zien. (…) Bij schilderkunst geloof ik dat het belangrijkste realisme in het oppervlak zelf zit.” Esiri Erheriene-Essi ziet schilderen als het schrijven van een speculatieve geschiedenis, het samenvoegen van het verleden en het heden, van individuele en gedeelde herinneringen. Want voor alles is een fotorealist een schilder. Een schilder die met fotografisch ingestelde ogen naar de wereld kijkt. De werkelijkheid naar eigen hand zet, de realiteit vervormt en aanpast.

    Uitgepakt smaakt de boodschap zoet

    Terug naar die eerste kennismaking. De vakantiefoto van Wijngaarden en de spiegelende schaal van Van Overbeek. Het is vakwerk, dat zeker. Maar vlak werk, ik vond geen dubbele bodem, ik zag geen boodschap. Die merk ik nu wel op in het werk dat mij in “Op scherp / In focus” wordt getoond. Ik heb geleerd om beter te kijken. De “Blue Caddy”, levensgroot gereden van het omslag van het boek, het verhaal daar omheen, brengt me die geschilderde foto en dit ragfijn en haarscherp stilleven in herinnering. Maar zij, Wijngaarden en Van Overbeek hebben de stilte gezocht, terwijl ik op die qua afmeting confronterend levensgrote schilderijen een tumult aan geluid aanvoel. Het is van een andere orde, het heeft als protestkunst – mocht de maker dat al in gedachten hebben – een mindere waarde, schilderkunstig is het van bijzondere kwaliteit. Want dat is wat fotorealisme is, puur ik uit de catalogus en zie ik in de tentoonstelling. In reactie op de actie van abstracte kunst, uit protest over de huidige vluchtige beeldcultuur. De aanklacht is omfloerst, niet meteen zichtbaar, verpakt in een glamorous watertandend papiertje. Uitgepakt smaakt de boodschap zoet met een scherp zuurtje, het brandt op de tong – de tranen springen me in de ogen, de rillingen lopen me over de rug. Wanneer ik beter zie en door kijk ontdek ik de diepere betekenis, de dubbele bodem, het verborgen verhaal. Het is een aha-erlebnis het opeens te doorzien. En niet enkel een vakkundig gemaakt en schilderachtig opgezet beeld te bekijken, maar deze op waarde te doorgronden. De vast grond blijkt drijfzand waarin ik makkelijk wegzak wanneer ik mijn ogen sluit voor de meerwaarde van het beeld.

    Op scherp: Fotorealisme nader bekeken / In focus: A closer look at photorealism. Tekst: Bart Rutten, Esmee Postma, Hanneke Grootenboer. Verschenen ter gelegenheid van de tentoonstelling in Centraal Museum Utrecht. Uitgave: WBOOKS Zwolle, 2024.