Tag: abstract

  • HARTEKLOP: gedacht en geleefd, bedacht en beleefd

    Heeft stilte kleur? Is het warm, is het koud? Heeft stilte vorm? Hoewel stilte fluïde is, is het tastbaar. Niet dat je het kunt aanraken of bevingeren. Voelbaar is een beter begrip voor stilte. Stilte is te ervaren, in te voelen en aan te voelen. Voor eenieder heeft stilte kleur en vorm. Geeft stilte kleur aan het leven? Kan stilte warm aanvoelen, maar kan stilte tevens om te snijden zo koud zijn? Stilte kan een warm bad zijn, dat na drukte en rumoer het leven kalm beleefd kan worden. Stilte kan kil en hartje winter zijn, dat gezwegen wordt omdat er geen liefde meer in de lucht hangt. Stilte lijkt het graf voor de mens die spanning en leven om zich heen wenst om te overleven. Maar stilte is ook niets. Geen geluid, geen afleiding, wel aandacht, concentratie, contemplatie. Het heeft alles in zich, zoals wit dat heeft. Stilte is wit licht, waar rumoer achromatisch zwart is.

    Guus Koenraads

    Voor Guus Koenraads is stilte een geometrische vorm. Een vierkant, een rechthoek. Gelijke zijden en rechte hoeken. Stilte is hoekig, stilte is niet rond. Stil in een hoekje zitten en tot jezelf, in jezelf, bij jezelf komen. Het heeft een egale kleur in de afzonderlijke vorm. De stilte van Koenraads straalt rust uit. Warme rust die nergens kil wordt. In de traditie van constructieve geometrie kent de oppervlakte diepgang, is het schilderij gelaagd. De lagen zijn fysiek niet aanwezig; de suggestie zit in kleurgebruik en vormgeving.

    Vlees in de kuip

    Volgens Kitty Zijlmans zijn de werken van Koenraads driedimensionale schilderwerken. Objecten met inhoud, niet enkel een platte figuratie. Het door hem gemaakte vlak, met acrylverf op doek, wordt gevouwen om een paneel, zodat de dimensie zich schijnt door te zetten van oppervlak tot ruimte. In de schaduwen lijken de kleuren zich te mengen met de wand als drager. De objecten spelen een rol binnen de kosmos waarin deze zich voor de uitstalling hebben begeven. Zijlmans opende de expositie bij Pulchri Studio in Den Haag, waarvan mij de catalogus door de kunstenaar is gestuurd. Voor dat in eigen beheer uitgebrachte boekje schreef zij als hoogleraar hedendaagse kunstgeschiedenis het voorwoord. De twee kennen elkaar al dertig jaar en weten dus wat voor vlees ze in de kuip hebben, hoe het smaakt en of het naar smaak is. Dat kan een bevooroordeling van het getoonde werk inhouden.

    Guus Koenraads, Pulchri Studio, Harteklop

    Mijn oordeel heeft geen geschiedenis, anders dan dat ik eerder werk van Koenraads zag bij Kunstlokaal No. 8 in Jubbega. Destijds schreef ik er onder meer het volgende over: “Hij ziet kleuren – vlakken en lijnen, velden en grenzen – gebruikt voor gangbare uitzichten, die nieuwe indrukken maken door zijn schilderijen. Deze composities benoemen de omgeving in een hogere wereld. Uitgemeten werken die op doek op paneel geschilderde lagen dragen. Elke laag met een eigen geest en betekenis.” Dat was in het najaar van 2022.

    Into great silence

    In het boekje dat de naam Harteklop draagt, sla ik aan op het werk met de titel “Into the Great Silence”. Het brengt mij de arthousefilm met vrijwel dezelfde titel in herinnering. Ik zag deze vier uur durende documentaire in een alternatief filmhuis en later als nachtfilm op de televisie. In de film, die een reportage is van het leven in het kartuizerklooster Grande Chartreuse hoog in de Franse Alpen, wordt hoegenaamd geen woord gesproken, behalve wanneer een kloosterling wordt ingewijd of de monniken plezier hebben in de sneeuw. Er is geen muziek, anders dan de religieuze gezangen van de monniken. Met “Into Great Silence” ga je werkelijk de grote stilte binnen. Die große Stille, zoals de film oorspronkelijk heet. Het is als een schier oneindige vesper waarin je tijdens het gebed wordt teruggeworpen op jezelf, doordat je in je eigen ik gekeerd bent. Datzelfde effect heeft de kunst van Koenraads. Om bij zijn idee te komen, moet ik bij mezelf te rade gaan. Vraag ik mij af wat ik zie, tast ik de duistere kracht af. De stilte kleurt naar de tint die Koenraads eraan heeft gegeven. Zijn werk verbreedt mijn horizon, verdiept het perspectief. Terwijl de verdieping niet verder reikt dan vijf centimeter, lijkt de derde dimensie eindeloos ver door te lopen.

    De abstracte werken hebben ieder een titel, waardoor mijn gedachten in een bepaalde richting worden gedreven. Objectief kan ik niet naar het ritmische evenwicht kijken. Ergens moet de verklaring van de compositie aanwezig zijn, want het heeft een naam, dus luistert het nauw. Ergens zoek ik de maan en de aarde, de zon en de aarde en de omgeving achter het landschap. De vlakken gaan figureren zonder dat er sprake is van figuratie. Bij “aarde” zoek ik een lichaam, iets van een portret. Echter, wanneer de titel “Quiet and Peace” zich aandient, word ik warm van binnen. Want dat is wat het werk van Koenraads uitstraalt: rust en vrede. Ruimte in tijd. De wijzers van de klok houden even de pas in. Dit moment, samen met de compositie, is van mij; dat ene ogenblik is onze space. En dan hoeft mijn gedachte niet in een bepaalde richting gestuurd te worden. Het is er. De richting is eindeloos onbepaald.

    In gedachten schuiven

    Het zijn niet de vlakken die de hartslag bepalen, het is de kleur die emotionele waarde geeft. De harteklop van Guus Koenraads, de abstracte vormgeving, prikkelt mij intens. In stilte is een groot rumoer. Is er eerst een statische beleving, naarmate ik langer naar het werk kijk – mij de tijd geef er aandacht aan te besteden – gaat het beeld leven. Komt er beweging in de stilstand, schuiven de vlakken langs elkaar en wordt de opwinding een dynamisch kijkgenot.

    De kunstenaar heeft de tinten zorgvuldig gekozen en strak tegen elkaar gezet. Het is een stap in de evolutie van de geometrisch-abstracte kunst. Het heeft een strengere vormgeving dan De Stijl had. Er is, met meer aandacht voor de klare lijnvoering, een minder schilderachtig kunstwerk ontstaan. De vlakken zijn onderling te beschouwen, in gedachten te schuiven. Waar het wordt onderbroken, zet mijn blik automatisch de vorm door. Meer gedetailleerd kan ik tevens de lijnen volgen. Dan verlaat ik het grote geheel en graaf me in op de vierkante centimeter. Dat brengt rust, dat geeft vrede. Stilte heeft kleur. Stilte heeft sfeer. De beleving geeft een warm gevoel. Het is de polsslag van Koenraads’ kunst. Gedacht en geleefd, bedacht en beleefd.

    HARTEKLOP. De variatie van eenvoud. Guus Koenraads. Uitgave in eigen beheer, 2025.

    Guus Koenraads, Pulchri Studio, Harteklop
  • De regelmatige verwarring van een Vlaamse Fries

    Twee jaar geleden kwam ik voor het eerst in contact met het werk van Valère Wittevrongel. Dat was toen in Kunstlokaal No.8 in Jubbega. Mijn betoog begon toen min of meer op deze manier: “Over het algemeen wordt de bezoeker van deze lokaliteit kunst getoond die beroep doet op inleving, ervaring en gevoel. Inleving om de composities op waarde te schatten. Ervaring, de geoefendheid in het kijken naar non-figuratief werk. En gevoel om de belevenis objectief te beleven. Dat heeft tijd nodig bij de ongeoefende kijker, maar is er eenmaal doorzicht in wat gezien is, begrip te doorgronden dan komt het beeld tot leven. In de tweede dimensie ga ik dan als beschouwer de diepte in. De vormgeving aan de oppervlakte geeft gelaagdheid in de verschillende niveaus prijs. Om de compositie te doorzien moet ik staanblijven en verderkijken.” Die tekst zou ik hier op dit moment letterlijk zo over kunnen nemen, en dat doe ik dus ook. Niet omdat Wittevrongel mij dezelfde werken laat zien, wat zal betekenen dat er nauwelijks voortgang in zijn kunst aanwezig is. Geenszins, hij groeit en bloeit op dezelfde vruchtbare grond, zijn bodem. Echter de sfeer is hetzelfde gebleven. In de ruimte van Museum Galerie Heerenveen weet de kunstenaar eenzelfde atmosfeer te brengen. Zijn stemming heeft witte wanden nodig, de ambiance moet het werk ondersteunen en niet afleiden. Zo kan de bezoeker geheel ongedwongen en objectief op de schilderijen ingaan, deze beleven en ervaren.

    De plattegrond van de gedachte noem ik het werk van Valère Wittevrongel. Het is geen realistisch gegeven, maar een abstract gevoel. Doordat er niets in te zien is, geeft het alles weer. Zonder vooringenomenheid kan ik in het werk opgaan, dit ondergaan. Mijn verstand kan op nul en de blik op oneindig, omdat ik niets hoef te zien en me geen voorstelling behoef te maken. Overal wil de mens een beeld hebben om er waarde aan te hechten. Er iets in zien zonder dat het een voorstelling heeft, non-figuratief is. Maar bij Wittevrongel, die zijn inspiratie ordent in vlakken en kleuren, kan ik gedachteloos kijken – afwezig welhaast. Zo gezegd kan het werk meditatief zijn: in stilte overpeinzen, kalm geen oordeel vellen. De gedachte in vlakken verdelen om in kleuren de diepte in te gaan. Het is niets en toch is het alles, herhaal ik mezelf. Want herhaling is toch onder meer de kracht van deze kunstenaar. Hij herhaalt zichzelf om het werk te hernieuwen. Het schijnt een eenheidsbrij, maar is voortdurend een variatie op het thema.

    Het werk van Wittevrongel heeft geen titel, niet anders dan een plaats- en tijdsbepaling van waar en wanneer het is gemaakt of in welke serie het thuishoort. Voor de kunstenaar van waarde maar voor de beschouwer nietszeggend. Een titel zou de gedachte sturen, een kant op laten gaan die niet gewenst is. Het werk moet ongedwongen tegemoet worden getreden vindt de kunstenaar zelf, een titel leidt af en bevooroordeeld de gedachte. Het wil niets zijn. Geen landschap in de zin van een horizon op een derde van het beeldvlak. Het heeft wel dat voorkomen, maar het is een spel met kleur en vlakverdeling. Toevallig overeenkomend met ons beeld van wat een landschap is.

    Tijd nodig zich te openen

    Wittevrongel zoekt naar een figuratieve diepte. Hield hij zich steeds bezig met de oppervlakte, waarin vlakken en lijnen door kleurwerking en lichtinval een doorzichtig spel spelen. Nu is die oppervlakkigheid niet meer voldoende en gaat de kunstenaar met kleur op zoek naar een diepzinniger uitdrukking. Hij brengt doelbewust onrust in de orde. Niet om verwarring te zaaien, maar om de spanning op te voeren. De stilstand lijkt in beweging. De waterspiegel komt in beroering wanneer er een blad opvalt, de aanraking van een steen geeft opwinding. De rust raakt verstoord en komt tot leven. In dat leven zoekt Wittevrongel een ander niets, vindt er een diverse abstractie. Geen verdieping in het zijn, want de werken gaan in het niets al diep genoeg om met iets aan het oppervlak te komen.

    De kunst van Valère Wittevrongel heeft tijd nodig om zich te openen. In eerste instantie lijken het dood geverfde werken, ondoordringbaar omdat het meest een ode aan het zwart schijnt. Later varieert hij met unikleuren. Door goed te kijken, de tijd daarvoor te nemen, geeft het werk de inhoud prijs. Zie je ruimte waar eerst enkel leegte scheen te zijn. In gedachten heb ik de ruimte nodig om de leegte op te vullen. Het is geen kunst van de korte blik, maar van de lange adem. Kijken om te zien, dat is het devies. Dat heeft op de keper beschouwd geen woorden nodig. En laat ik dan de woorden voor wat ze zijn, het oordeel links liggen, er niet meer omheen praat. Dan zie ik dat de verf in dunne laag is opgebracht, waardoor de structuur van de drager zichtbaar blijft. Daardoor lijkt het of de kleur tot leven komt en zich intensiveert. De penseelstreek is nauwelijks zichtbaar, laat staan in het ogenblik voelbaar. Egale vlakken die in intensiteit van tint en bestreken met vernis naar voren komen of zich juist naar achter bewegen. Als in een coulisselandschap geeft dit ruimte aan het zicht. Ook schijnen de vlakken onder en over elkaar langs te schuiven, er is gezichtsbedrog, een optische illusie. Het vlak op zich is de huid van het canvas zonder hoogte en diepte, maar de kleur en het licht maken er een perspectivisch geheel van. Het neemt zich tot je of stoot je af. Het slokt je op of spuwt je uit. De tijd zal het leren. Voor het geoefende oog is het makkelijk werk, maar voor de lekenblik is het niet eenvoudig te doorgronden. Het is in orde, maar doordat het niets is geeft het onrust. Je krijgt er geen vinger achter en dat schuurt. Orde en onrust dus, echter als metafoor voor het werk van Valère Wittevrongel. Een Vlaamse Fries, dat geeft regelmatig verwarring.

    Orde en onrust. Schilderwerken van Valère Wittevrongel bij Museum Galerie Heerenveen (MUGA), Minckelersstraat 11 in Heerenveen. Van 24 augustus tot en met 5 oktober 2025.

  • Beeldmerk van zijn, geheel en al Ton Slits

    Zie ik een werk van Ton Slits, is het alsof ik in de spiegel kijk. Zie ik mezelf, althans mijn reactie in mijn brein op waar ik naar kijk. Vooral veel schilderijen in zijn oeuvre lijken zelfportretten in de zin van dat ik daarop ben afgebeeld. Niet in het bijzonder mijn individuele persoon, eerder de letterlijke kijker die figuurlijk zichzelf ziet. Geen traditioneel portret als het beeld van een gezicht met ogen, neus en mond, een uitdrukking. Maar wel een fysieke wezenlijkheid; de abstractie van lijnen en cirkels geven werkelijk een realiteit aan. De werkelijkheid die achter dat tastbare portret schuilt. Of eigenlijk in dat portret huist, en profil of en face. Het beeldt de emotie uit en af die mijn geest ondergaat wanneer ik een kunstwerk beschouw. Ofwel in klare taal zijn het de signalen die de hersenzenuwen afgeven om mijn ogen te focussen, mijn mond van verbazing te openen, mijn voeten te verzetten om hetgeen ik zie van dichtbij te benaderen. Het zijn hersensignalen die Slits in verf heeft gedigitaliseerd. Ik zie mijn gedachte geschilderd op doek. Oorzaak en gevolg, het kunstwerk en mijn reactie.

    Blader ik het boek “Geheel en al – Voll und ganz” door zie ik meer dan alleen cirkels verbonden door lijnen. Mijn neuronen zijn volop in beweging wanneer ik de illustraties bij de teksten bekijk. Gedachtenpatronen krijgen beeld, mijn hersenkronkels hebben figuur. Op meerdere manieren probeert Slits een vinger achter het bestaan te krijgen. Zelfs door het zijn te breken, het te doorboren om het te bevatten. De kaft en meerdere bladen in het boek zijn geperforeerd met gaten in verschillende maten. Het geeft een wondere kijk op de dingen die in het boek aan de orde komen om het werk en de ideeën van Slits te duiden. Anderen doen dat voor hem, hij licht zichzelf toe. In de veertig jaren die de uitgave als oeuvre op rij zet heeft de kunstenaar naar eigen zeggen telkens weer de nietigheid van ons bestaan tegenover de onmetelijke grootsheid van het heelal verbeeld. “Verkennend, beweeg ik in picturale zin nadrukkelijk tussen overzicht en inzicht.”

    Persoonlijke kijk op zijn leven en werk

    Grootmoedig en geïnspireerd is hij steeds benieuwd naar de ‘volgende laag’, een nieuwe ontdekking. Dat verklaart de gaten, het geeft letterlijk en figuurlijk lucht aan zijn bestaan. Door ieder gat ontdekt hij het ontstaan van het bestaan, zijn wezen. De leegte, want het gat is niets, vult Slits op met nieuwe inzichten die het zijn toelichten. Het niets wordt iets en heeft aantrekkingskracht. Het gat verleidt en absorbeert mijn aandacht, zoals het zwarte gat in het heelal alles opslokt wat in de buurt komt. Het geeft een veranderende kijk en anders-soortige beleving van perspectief en ruimte. “Alsof ik boven de wereld zweef en naar beneden kijk of op de rug lig en naar boven kijk naar een onmetelijke ruimte.

    Ton Slits weet vijf auteurs uit Nederland, Duitsland en België te strikken om vanuit verschillende invalshoeken een persoonlijke kijk op zijn leven en werk te geven. Het geeft de lezer, naast het kijken naar de foto’s, een dwarsdoorsnede van de kunstenaar en zijn kunst. Om de schepper achter de scheppingen te kennen, de creator te doorgronden, de creaties te begrijpen. De achtergrond van zijn wezen is van belang om het zijn op de voorgrond te krijgen. De beelden die hij door de jaren heen heeft opgedaan beklijven dubbelzinnig in zijn werk. Voor hem duidelijk, voor de beschouwer een zoektocht. Slits neemt mij mee bij zijn zoekend scherpen van de zintuigen, zijn nieuwsgierigheid naar en het oog hebben voor het nog niet zichtbare – het achterliggende en het onderliggende – probeert hij mij te wijzen. Hij maakt openingen en doorkijken om mij de getransformeerde realiteit te duiden. Stilteplekken noemt Arno Kramer de gaten. “Afwezigheid maakt aanwezigheid.

    Het boek laat de groei zien van zijn kunst. Natuurlijk is hij in het begin op zoek naar de betere voorstelling van zijn eigenheid. Voordat hij de vorm in de vingers heeft probeert en onderzoekt Slits landschappen, luchten, bomen, takken en wortelstelsels. Figuratief en abstract. Ook dan al in dat vroege stadium ontdekt hij in de natuur dat alles met elkaar verbonden is, zichtbaar en onzichtbaar. Overal lopen lijnen en vormen zich relaties. Alom zijn lijnen tussen modellen te trekken om nieuwe patronen en constellaties te laten ontstaan. Configuraties als sterrenbeelden van het bestaan. Bezie de hemel en ken de aarde, bekijk Slits werk en weet het leven.

    De koppen en het brein

    De inspiratie lijkt verwarring te brengen, het leven en de natuur kunnen wanordelijk zijn. In zijn werk bezweert Slits die chaos door regelmatige constructies te bouwen. Regelmatig komen onregelmatige vormen terug. Wat het hoofd van een mens lijkt staat figuurlijk onder druk van prikkels, invloeden van buitenaf. Ook wordt het denkbeeld, de gedachtevorm, wel omgeven door letters en cijfers. Als duiding van een mening, de stelling gespijkerd. “Zoals bekend wordt het interpreteren van een beeld pas mogelijk door de context die het beeld zelf aanlevert”, schrijft Frank-Thorsten Moll. “Een woord in een schilderij wordt om die reden normaal gesproken begrepen als de eenvoudigste sleutel voor het werk.” Wie de taal van het beeld niet meteen begrijpt krijgt woorden aangereikt om de deur tot begrip te openen. Maar ook dan kan het werk nog onbegrijpelijk lijken, onaantastbaar, niet te vatten.

    Naast de koppen en het brein uit Ton Slits zich in meerdere beeldende onderwerpen en uitgewerkte thema’s. Constructief zet hij zijn creaties op de drager, of hangt deze als bij installaties aan het plafond of plakt ze tegen de wand. Het nauwgezet tekenen van grote en kleine geometrische patronen én het spontaan opbrengen van lagen verf wisselen elkaar contrastrijk en speels af, lees ik in de bijdrage van Rick Vercauteren. Vercauteren beschrijft de ontwikkeling in het werk van Ton Slits, duidt zijn voortgang van een traditionele schilderstijl via de beeldmerken van het leven naar een spel met het zijn. Daarbij keren de cirkels en gaten, de relaties en lagen, voortdurend terug als een rode draad door het oeuvre. Het samengaan van de klassieke schilderkunst en details genomen uit een nieuw medium als het videospel geeft Slits de eigenheid waarnaar hij zocht.

    Geheel en al – Voll und ganz” toont flagrant de persoonlijkheid van Ton Slits in de kunst. Het ontwerp van de uitgave is even authentiek als zijn tekenen en schilderen dat zijn, het knippen en plakken van beelden uit het leven dat is. De kunstenaar plakt een vignet op het bestaan, geeft het een kenmerk waardoor het zijn herkenbaar is. Meestal duidelijk sprekend en anderszins nodigt het uit dieper in de materie te duiken. Het eenvoudige kijken wordt op de proef gesteld omdat een eerste vluchtige blik geen uitkomst biedt. Past hij in de nieuwe figuratie? Heeft hij gekeken naar de neo-metafysische kunst? Wel is meteen duidelijk dat hij op een eenzame plaats staat, een eigen vakje heeft. Het is geheel en al Ton Slits.

    Geheel en al – Voll und ganz. Ton Slits. 1984 – 2024. Teksten: Ton Slits, Peter Pluijmen, Arno Kramer, Vera Hilger, Frank-Thorsten Moll, Rick Vercauteren. Uitgave in eigen beheer, 2024.

  • Spontane expressie en gecontroleerde vormgeving

    Bestaat toeval? Daar zijn de meningen over verdeeld. Voor het geval is een term, dus kan het geen onvoorzien voorval zijn dat het op de een of andere manier een realiteit is. En kan dat toeval dan bestuurd worden, kun je de gelegenheid aangrijpen om het lot anders te beschikken. In geval toeval bestaat kan het in handen van René Korten worden geregisseerd. De kunstenaar doet tijdens zijn schildersleven niet anders dan bij elk volgend werk opnieuw op de bok te klimmen, zijn armen te spreiden om de sfeer te laten vloeien. Zijn baton is een penseel of kwast. De partituur zit in zijn hoofd, zijn gedachte kent de compositie. In het atelier bekijkt hij al werkende in vogelvlucht de compositie dat onder hem op de grond ligt. Flinterdunne lagen verf brengt hij aan op de drager, trekt de materie met kwast, spatel en rakel waarheen hij het wil. Ook laat hij de verf wel vloeien en min of meer een eigen gang gaan, wanneer hij de drager een ietwat kiept. Bij toeval en zonder sturing gaan de druipers een eigen weg, maar wel onder goedkeuring van de maker.

    Het werk van René Korten is veelkleurig en veelzijdig, veelvormig en gevarieerd. Geen enkele compositie is een kopie van het andere, maar een volgende stap in het groeiproces tot een ultieme verbeelding van het leven. Er wordt geen figuratie getoond, het is een abstract gevoel dat beeld krijgt. In een aantal werken is wel een suggestie van landschap en ruimte te onderkennen, maar dan enkel omdat (bij toeval) een horizon het beeld in tweeën deelt: ´land en lucht´ beschouwt meteen de kijker. Maar er is geen specifieke aanleiding in de realistische wereld voor Korten om weer te geven. Althans niet op de manier zoals de kijker deze ervaart. Er wordt een beroep gedaan op het gevoel, de emotie. Het is de ervaring waarop het werk een beroep doet. Niet de ondervinding van herkenbaarheid, maar de beleving van hetgeen zich achter de waarneming beweegt. Een dynamische identificatie van het onderbewustzijn. Want het werk is niet met opzet onvoorzien, maar bij toeval gecontroleerd.

    Evolutie tekent zich evident af

    In het boek “Hide your backbone”, de catalogus bij het oeuvre van de kunstenaar, wordt een kijk gegeven in de opbouw van het werk door de jaren van 2012 tot 2024 – schilderijen en werken op papier. De onervaren kijker zal een veelheid van hetzelfde aantreffen, overvloed aan variatie op het bepaalde thema. Maar wie beter kijkt en de ogen de kost geeft, raakt geoefend in het onderscheiden en ziet de groei – halvelings en stapvoets, maar merkbaar. Korten ontdekt aldoor opnieuw de beeldtaal waarmee hij zijn verhaal wil duiden. Met steeds andere vormen en vlakken, lijnen en grenzen, kleuren en materie. Het is een lust te zien dat het abstracte idioom zoveel diverse uitingsvormen kan hebben, zonder te vervallen in eendere uitdrukking. Wel is er vergelijking in expressie, een Korten is duidelijk een Korten: het oogt, het voelt, het klinkt en het toont als een Korten. Maar het is telkens een ander voorkomen, dat overeenkomt met wat daarvoor gemaakt is.

    In de werken in serie tekent deze evolutie in de manier van werken zich evident af. Hoewel zich er tussen de composities kleine verschillen voordoen, zijn deze variaties op het thema merkbaar. In de grote werken die min of meer solo in de kerngedachte staan experimenteert Korten met kleuren en vormen. Steeds meer verschijnen lijnen in de compositie, afgetrokken schildertape dat het beeld een andere dimensie geeft. Hoewel het vlak plat blijft geven de verflagen de compositie een zichtbare diepte.

    Altijd reden vervolgstap te zetten

    Voor het boek is kunstjournalist Hilde van Canneyt met de kunstenaar in gesprek gegaan. In de weerslag daarvan is hij openhartig over zijn kunst en de manier van werken. De methode van arbeiden, het voordenken om tot actie te komen. Echter vrijwel nooit nadenken voor te beginnen. Korten laat het toeval een rol spelen, omdat hij het in bepaalde fases van het schilderij niet precies kan beheersen, niet wil bedwingen. “Daarvoor moet er een soort noodzaak zijn op het moment dat ik de verf zijn eigen gang laat gaan, anders ontglipt het me.” Maar al snel herpakt hij zich en slaat in samenwerking met de compositie een richting in om tot een duidelijke uitspraak te komen. Die helderheid is niet meteen gevonden, de klare lijn en het zuivere vlak heeft niet direct uiting.

    Er kan een nacht slapen overheen gaan voor de punt op de i staat en er een streep onder getrokken is. Want “er is altijd een reden om een vervolgstap te zetten. Dat kan heel intuïtief zijn. (…) Het moeten voor de kijker abstracte vlekken zijn of het moet een voorstelling zijn. Als het er tussenin zit, wordt het een puzzeltje dat ze niet opgelost krijgen.” We moeten dieper, ergens anders naartoe om tot een essentie te komen, vindt Korten. De magie van het handelen komt samen in iets wat een beeld wordt. “Die strijd zit bij mij in alles. Met de jaren durf ik meer risico’s te nemen en kreeg ik vertrouwen dat de dingen ooit klikken, dat vroeg of laat betekenis krijgt en het een sterk beeld wordt.”

    Van een dwarse zijde benaderen

    Vooral waar René Korten in het interview zelf aan het woord is, of de woorden van Van Canneyt in de mond neemt omdat zij op eenzelfde golflengte zit, toont het de kunstenaar achter de kunst. Geeft een reden beter en anders naar het werk te kijken. En waar in het boek anderen de kunstenaar en zijn kunst verklaren krijgen de schilderijen meerwaarde, krijgt de gelaagdheid diepte, komt het tweedimensionale beeld in een mysterieuze ruimte terecht. “Zijn werken stralen een zelfverzekerdheid uit waarbij hij van nature lijkt te vertrouwen op het creatieve proces en zich erdoor laat leiden”, schrijft Frank-Thorsten Moll terecht op. Korten laat tijdens het schilderproces een schijnbaar rommelige nonchalance toe om in een latere fase de controle terug te krijgen: spontane expressie en gecontroleerde vormgeving. Dat proces is een essentieel onderdeel van het werk, zijn kunst is een middel om het onbekende te ontdekken zonder beperking van een voor opgezet plan en een duidelijke bedoeling.

    Rick Vercauteren benadert het werk van René Korten van een dwarse zijde om er nog een andere duidelijke kijk op te krijgen. De abstractie krijgt een werkelijke invalshoek om te bewonderen en op waarde te schatten. “Via zijn verbeelding viert René Korten, in maturiteit gegroeid, in verdichte, verhulde vorm het leven zelf. Zijn zonder uitzondering in maximale vrijheid, spontaan geboren kunstwerken maken metaforisch allerlei tegengestelde facetten in het menselijk bestaan aanschouwelijk. (…) Reflecterend op natuur en cultuur schept René Korten, die naar eigen zeggen conceptueel in series denkt, in zijn atelier dagdagelijks illusionistisch ruimten waarbij regels, indien nodig, als het ware vanzelfsprekend verdampen in ongedwongen expressief en vrij handelen.” In volzinnen gaat de schrijver verder: “In de concrete wording staan formaat, kleur én daadwerkelijk scheppen, tezamen, immers altijd in dienst van het zo spontaan mogelijk geboren laten worden van nieuw, (non)-figuratief werk.”

    Mogelijkheden verf en drager

    Naast de sferische afdrukken van zijn werk die het boek bezienswaardig laat zijn, maakt de poëtische benadering van Frans Budé op de schilderijen van René Korten de uitgave tot een parel in de boekenkast onder Kunst met een grote k. Pakt Korten het leven al eigenzinnig aan, Budé doet dat nog eens dunnetjes over door het werk eigenwijs te vatten. Eigenlijk is deze kunstzinnige benadering in een spel met woorden een nog betere uitleg van het werk dan enig andere zienswijze dat kan zijn. De vormgeving van het boek vervolmaakt dit overzicht van een dozijn aan werkvlijt. “De kleuren vragen om een voor een / aan te schuiven – als in een droom waarmee / te spelen valt. Terug- en vooruitkijken, houvast / / vinden zomaar in het niets.”

    En ze zijn het er eigenlijk allen wel over eens dat de mogelijkheden van verf en drager tot het uiterste worden gedreven.’, citeer ik mijn eigen woorden uit de bespreking van het boek Furious Balancing. ‘Het schilderij is klaar en af wanneer werk en maker in harmonie zijn met elkaar, maar die uitkomst – dat moment van samenvallen – staat nooit van tevoren vast. De werken zijn landschappen van onze geest. Ze bestaan niet anders dan in mijn onderbewustzijn. Het bewustzijn, die werkelijkheid, manipuleert Korten met zijn schilderijen. In zijn beelden ontstaat een realiteit die geen bestaan kent, irreëel is en toch werkelijk lijkt. Het werk heeft een eigen waarheid in zich. Een waarheid die het midden houdt tussen echt en onecht.

    Hide Your Backbone. René Korten. Schilderijen en werken op papier 2012-2024. Poëzie Frans Budé. Tekst Hilde van Canneyt, Frank-Thorsten Moll, Rick Vercauteren. Publicatie met steun van Het Cultuurfonds, Jaap Harten fonds, Mondriaan Fonds. Uitgave in eigen beheer van de kunstenaar, 2024.

  • Hoe Ierland en IJsland in de kunst combineren

    Samenwerken aan een verhaal, een strip, een muurschildering. Reageren op elkaar of gewoon je eigen ding inpassen in het werk van anderen. Je leest en ziet dat weleens. Het is een manier om verschillende gedachten en diverse handschriften aan elkaar te koppelen om een bijzonder resultaat te krijgen. Er wordt dan een enkel product afgeleverd door een keur aan tekstschrijvers, striptekenaars en schilders. Maar het boet natuurlijk wel in aan persoonlijke kracht en verliest individualiteit. Uiteraard is dat ook niet de opzet, collectiviteit en groepsgevoel staan voorop. Het loopt uit op een experiment met een houdbaarheidsdatum.

    Zo niet bij het kunstenaarsduo William-Alexander. Met de vestzakuitgave Tack-Tack reageren Wilma Vissers en Alexandra Huddleston op elkaars werk zonder zichzelf weg te cijferen. Tack-Tack, als in toewerpen of spiegelen of beter responderen, is een visueel spel dat de beide kunstenaars met elkaar spelen. Daarvan is het boekje de uitkomst ofwel weerslag, de uitdrukking en neerslag. Hierin wordt eerstens de voortgang van het spel beschreven, waarna de beelden die over en weer gekaatst worden staan afgedrukt.

    Actie op reactie op actie

    In de teksten geven Wilma en Alexandra aan waarop ze reageren en wat dat voor reactie geeft. Dat is niet altijd een aanschouwelijk beeld, maar heeft wel elementen van wat gezien is in zich. Het is ook niet voortdurend nieuw werk dat op de inspiratie volgt, het kan ook een bestaande compositie zijn die aansluit op wat de ander gemaakt heeft. In de teksten over en weer komt langzaamaan het samenstellen van het boekje aan de orde om het experiment te documenteren. En komen persoonlijke aspecten om de hoek kijken. De samenspraak op papier is namelijk één-oo-één overgenomen en afgedrukt. Daardoor komen in de conversatie vervelende kwetsuren en dagelijkse handelingen voorbij, wat het verhaal naast de individuele kunst een persoonlijke noot geeft.

    Beeldend kunstenaar Wilma Vissers laat zich inspireren door Ierland, terwijl fotograaf Alexandra Huddleston voor IJsland als plek van toewijding gaat. Beide landen hebben een soortgelijke onherbergzame natuur – ruwe bolster met blanke pit, zodat de inzichten daarover eenzelfde kracht en overeenkomst hebben. Maar het is nauwelijks het waarneembare land dat plaats krijgt in de kunst van William-Alexander. Het is het gevoel dat de omgeving geeft, de stemming die het los maakt. Terwijl daarnaast William nog op Alexander en andersom moet reageren om het experiment te stroomlijnen.

    De ontspannen samenwerking geeft een spannend resultaat. De reacties zijn bijzonder en wijken dikwijls van betreden paden. De ene keer wordt op de vorm gereageerd, de berg, het landschap, een verkeersbord. Op een ander moment is kleur een belangrijk element om te beelden of zelfs een emotie. Zo zijn de objecten, tekeningen en foto’s visueel herkenbaar, maar in ontroering voor plek en kunst abstract. Moet de toeschouwer goed kijken en aanvoelen welke aanleiding tot wat voor reactie heeft geleid.

    Over en door elkaars werk

    Het is interessant te zien hoe de gedachten van de kunstenaars zich vormen over en door elkaars werken. Wat de inspiratie heeft opgewekt om het werk of beeld te maken als dat ze hebben gedaan. De kunstenaar die zuiver abstract een eigen waarheid vormt. De fotograaf die met een realistische plaat een persoonlijke herinnering oproept. En het past! Natuurlijk, de tekst, het geschreven woord, staat het beeld bij in het uitdrukken en aanspreken. Het zet het werk kracht bij, het is het onderschrift. En om dit experiment te motiveren kan het niet los van elkaar gezien worden.

    Het beeld zegt veel, spreekt boekdelen. Maar de tekst ondertitelt en verduidelijkt. En uiteraard heeft beeldende kunst geen uitleg nodig, dient het werk voor zich te spreken. Het verhaal kan het beeld juist naar beneden beschrijven, terwijl het de bedoeling is daarmee het belang te beredeneren. Het werk in Tack-Tack staat op zichzelf en spreekt voor zich. Om echter het bestaan ervan in deze combinatie te duiden is de correspondentie erover van gewicht. Jammer dat het slechts bij veertien werken is gebleven, waarbij ieder van het tweetal zeven beelden voor haar rekening heeft genomen. Ik had graag de voortgang van dit verhaal geweten, de relatie van IJsland en Ierland uitgediept gezien, de combinatie van Vissers en Huddleston verdiept gevoeld. Maar misschien is het ook wel goed zo; op het hoogtepunt stoppen en een kunstzinnige voetafdruk achterlatend. Punt.

    William-Alexander.Tack-Tack : Wilma Vissers, Alexandra Huddleston. Uitgave in eigen beheer, 2024.

  • Oorden klinken door zaagsneden in monochrome landschappen

    Je loopt er zo aan voorbij. Het is onderdeel van het leven, aan je gewoon en nauwelijks meer opmerkelijk. Tenminste wanneer het niet de aandacht krijgt die het verdient in een galerie of museum. Want in een tentoonstelling word je ertoe bepaald, trekt de blik er onwillekeurig naartoe. Dan staat het buiten jou dagelijkse zijn, neemt het een aparte uitzonderlijke plaats in. Dan is het iets, terwijl het normaal gesproken niets is. Dat is de kracht van de kunstenaar, namelijk, om van niets iets te maken. En dat is het vermogen van kunst, om het alledaagse bijzonder te laten zijn. De kunstenaar leert ons anders kijken, om een spreekwoordelijk hoekje zien. Het kunstwerk kan alles als onderwerp hebben en hoeft geen bekwame bedreven deskundigheid uit te stralen. Het is de kunst om de realiteit te vervalsen, een kopie van de waarheid maken en toch origineel blijven. Iets te maken van niets. Het oog te trekken naar om een blik te werpen op en anders te kijken in de wereld van de schone en beeldende kunsten. Kunst is een reflectie van leven, een spiegel waarin het zijn bestaansrecht heeft.

    Geen tekst nodig

    Je kijkt er zo langs heen. Ware het niet dat de eenkleurige tegels onderdeel zijn van een tentoonstelling in Kunstlokaal No.8 op dit moment. De monochrome composities hebben geen betekenis, deze bestaan. De vlakken die in licht reliëf op een paneel zijn gelegen kunnen maar nauwelijks onder woorden worden gebracht. De techniek kan besproken, de kleur onderscheiden, de strekking behandeld. “Het is bescheiden van formaat, toch straalt het in zijn meditatieve rust een monumentale natuur uit.” Dat laat het vierkante boekje bij de expositie lezen over het werk van Takashi Suzuki. En daar valt weinig meer aan toe te voegen dan dat uit het minimalistische werk eens te meer blijkt dat kunst geen grenzen kent. Niet hangt aan een bepaalde streek of specifiek land. Het spreekt een taal die ieder kan verstaan, verklankt het woord, mits men er open voor staat en het aan wil horen. De Japanner Suzuki brengt zijn werk niet onder woorden, het heeft namelijk geen tekst nodig. Het is de universele stilte die beeld heeft gekregen als wereldwijd landschap. De Oosterse mystiek waarin alles is losgelaten en enkel een contemplatief zijn de boventoon voert. Gewoon niets zijn, de gedachte leeg maken om genereus te kunnen leven.

    Place to be

    Kunstlokaal No.8 laat het werk van Monique Kwist aansluiten op deze meditatieve rust. Hoewel haar werk minder de stilte van de Japanse alpen heeft en meer de drukte van het Hollandse damrak, straalt het toch een uitgebalanceerde kalmte uit. De ruimtelijke objecten hebben door speels gestructureerde zaagsneden het profiel en het silhouet van architectuur. Subtiel volgen de lijnen de skyline van de eens bezochte oorden en plaatsen. Maar deze gelaagde afbeelding van de werkelijkheid krijgt pas vorm nadat Kwist de structuren in hout heeft gebruikt als stempels om een afdruk te maken op en in vellen papier. De vormen lijken afvaldelen uit een werkplaats voor houtbewerking. Het is echter meer dan overtollig materiaal, geen paria’s van het proces, verworpen, weggegooid. Het onbruikbare wordt in handen van de kunstenaar bruikbaar, door haar vingers tot zichtbaar element met een verhaal. Een persoonlijk souvenir dat algemeen aan kan spreken. “Ze voegt de delen samen als in een nieuwe landschappelijke en culturele taal”, spreekt het eerder aangehaalde boekje voor mij, “een verklanken van haar eigen plek, haar ‘place to be’.”

    In het oog springend

    Kort en bondig gezegd. Een tegel aan de wand en een stuk afvalhout op de vloer. Het wordt aan de kant geschopt of voorbij gekeken zolang de waarde er niet van is ingezien. De kunstenaar verheft het ongeziene voorwerp tot gewichtig object. Hergebruikt onze blik op onbemerkte dingen, recyclet echter de zienswijze en niet het voorwerp op zich. Dat ding blijft het eigen karakter houden, maar krijgt een gewijzigde aard door de kunst toegezegd en aangemeten. In deze paradox wordt het onopvallende opvallend, het onbeduidende duidt een diepere laag van betekenis. In de samenhang oord en klank is dat onmiskenbaar afgetekend. Het werk is in Kunstlokaal No.8, en overal in het oog springend.

    Tentoonstelling “oord en klank”, werken van Monique Kwist en Takashi Suzuki bij Kunstlokaal No.8, Schoterlandseweg 55 in Jubbega-Schurega. Van 31 augustus tot en met 22 september 2024.