Tag: Annet Kossen

  • Annet Kossen is zichzelf in De Vogelvrouw

    Het is geen sprookje. Al leest het wel zo. Het lijkt een verzonnen vertelling. Het kan een mondeling overgeleverd volksverhaal zijn. Zo klinkt het me in de oren. Het doet een beroep op mijn fantasie en mijn inlevingsvermogen, maar vergt ook werkelijk inzicht en een gevoel voor realiteit. Het is niet waar, maar het had wel waar kunnen zijn. Of beter: het is waar, maar het had ook verzonnen kunnen zijn.

    In het voorwoord en het naschrift bij het verhaal “De Vogelvrouw” beschrijft Rob Chrispijn hoe Annet Kossen tot het schrijven ervan is gekomen. Het had een script voor een toneelstuk door kinderen kunnen zijn en het is stellig eens op de planken gekomen. Het bleef echter onaangeroerd op de kastplank liggen, totdat de tijd rijp bleek om het terug op de schrijftafel te leggen. Naarmate de tijd verstreek en Annet het leven leerde kennen, bleek dat het verhaal persoonlijker was. Meer haarzelf dan ze aanvankelijk dacht. Onbewust schreef ze haar eigen zijn in het verhaal; de realiteit werd onderdeel van de fantasie.

    Langs de woorden wandelen

    Een sprookje werd het niet, al doen de toonzetting en de uitweiding dat wel vermoeden. Het is niet “er was eens”, maar “er leefden eens” – een flagrante aanpassing. Het opent de poort naar de zevende tuin: de harde werkelijkheid. Maar eerst moet het leven geleefd, het zijn beleefd. Tijdens het aanwezig zijn in het verhaal klinkt van ver een zacht zingende stem:
    De zevende tuin in het land van de tijd
    Ik kan er wel heen, maar mijn angst is te groot
    Want achter die muur wacht de tuin van de dood.

    Opeens sta ik in Vledderveen, een kunstenaarskolonie met tekstschrijvers en muzikanten. Op de koffie bij Elly en Rikkert. Een stuk appeltaart van Jolien. Een goed gesprek met Rob, terwijl Jan aan de telefoon hangt. De Firma Ziel en Zaligheid, spreek een boodschap in na de toon.

    Voordat ik met Kossen langs de woorden wandel, een donkere grot doorga en over een kleine houten brug bij een glashelder beekje loop – want achter de wolken schijnt altijd de zon en aan het eind van de tunnel is altijd licht – hoor ik de slotzinnen nu al zuiver klinken:
    En kijk, daar gaan ze… de drie zusjes.
    Over de boomtoppen, over de velden, terug naar huis…
    terug naar waar ze thuishoren
    .”

    Beginnen met het eind, doorbladeren naar de laatste bladzij: de nieuwsgierigheid naar hoe het afloopt, de apotheose en de slotscène, is niet te bedwingen.

    Een verholen levensverhaal

    En leefden ze nog lang en gelukkig? Dat zullen we nooit weten. Dat gesloten einde is bij Kossen open. Het kan een cliffhanger zijn, er kan een vervolg komen. Dat gebeurt niet, want met deze woorden heeft de schrijver afscheid genomen van het verhaal en is uit de tijd gegaan. Het verhaal is geen autobiografie, maar vertelt verholen een levensverhaal. De karakters van de ten tonele gevoerde siblings komen overeen met de aard van de schrijver: drie verweesde meisjes, door de dood van hun moeder achtergelaten in het leven. En waar is vader? Hij is op handelsreis gegaan en nooit teruggekeerd. De voedingsbodem voor een mistroostige belevenis. Een jammerklacht, een klaaglied. Dat lijkt het eerst te zijn.

    De drie zusjes in het verhaal zijn tegen wil en dank op elkaar aangewezen. Ze zitten elkaar op de lip en krijgen woorden. Zoals iemand met zichzelf in tweestrijd kan zijn over keuzes in het leven, zo acteren deze zusjes. Een drie-eenheid. Het is geen pais en vree; het is verre van voorspoed en geluk. Ze hebben elkaar en ze hebben de dieren. Maar het gaat minder goed, zelfs erger slecht. Ze besluiten te vertrekken van de plek waar ze zijn, naar een land van melk en honing. Dat is geen belofte, dat is de hoop.

    De verteller in het spel schrijft een droedel in de kantlijn:
    Er is iets aan de hand, dat duurt nu al weken (…)
    De bloemen in de tuin verdorren,
    het geitje geeft haast geen melk meer,
    de kippen zijn van de leg,
    de hond begint te grommen als je te dichtbij komt,
    en de voorraadkast is bijna leeg
    .”

    Verweesde zussen

    De zussen gaan op weg. Naar Bedeldijk en Twijfelveld, langs dalen en over bergen. Daar duiken ze weg en sneeuwen ze in. Het bergje wit de volgende dag was de tijd vergeten, als een blauwe vogel geen scherp arendsoog had gehad. De gevederde vriend blijkt de gevleugelde metgezel van de Vogelvrouw. Wanneer deze in het bestaan van de zusjes is gekomen, breekt de zon door en is het plots lente. De Vogelvrouw kent tot verbazing hun geschiedenis. Is het een heks? Ze helpt hen overeind, zoals ze geknakte vogels weer op de wieken zet.

    Het verhaal van Kossen is doorregen met kommer en kwel, tranen met tuiten, in eerste aanvang met weinig zicht op het goede. Verweesde meisjes, van wie de jongste geen woord zegt. Maar nadat ze zijn vertrokken en gevonden, klaart de lucht op en drogen de tranen. De Vogelvrouw bakt zoete broodjes; de zon zoekt de schaduwzijde. Het is vreugde en geluk. Muisje zegt Mama. Het leed is geleden, maar de waarheid moet onder ogen worden gezien. Het verleden mag niet vergeten worden; daarvan moet je leren.

    Het enige voordeel van oud zeer is dat het je als mens een extra kans biedt om compassie te voelen voor je medemensen,” citeer ik Rob Chrispijn. Hij was levensgezel van Annet Kossen en maakte haar moeiten van nabij mee. “De Vogelvrouw is een werk in uitvoering dat zijn voltooiing had gevonden als Annet Kossen een paar maanden langer had mogen leven.”

    Symbool voor haar leven

    Er lagen nog ideeën om uitgewerkt te worden. Toch lees ik een afgerond geheel, want de tekst heeft Kossen nog op de dag van haar onverwachte overlijden kunnen afmaken. Over illustraties dacht ze nog na, zodat de schetsen voor het voltooide werk in het boekje zijn afgedrukt. Hoewel De Vogelvrouw opgeruimd tot een einde komt en een gelukkig slot kent, blijft er een bittere nasmaak.

    Wat overblijft is een sprookje dat,” citeer ik Chrispijn opnieuw, “geënt op haar leven, de weg beschrijft die een mens moet gaan op zoek naar verlossing van opgelopen kleerscheuren en oude trauma’s.” Het is geen sprookje, maar een gelijkenis om een lastige boodschap te duiden, om de waarheid in een begrijpelijke vorm te presenteren. De personages zijn een metafoor voor de schrijver; het verhaal staat symbool voor haar leven.

    En… ik hoor haar stem nog als naklank tussen de regels door: “Ik ben vandaag zo vrolijk, zo vrolijk was ik nooit.” Want was het toch Annet die Alfred op de wereld zette. Met De Vogelvrouw rekent ze daarmee af. De essentie van leven en dood weet ze te vangen. In het gras, vredig op de zij, zo vindt Rob haar; het is zondag 20 oktober 2024.

    En kijk, daar gaat ze… Annet Kossen.
    Over de boomtoppen, over de velden, terug naar huis…
    terug naar waar ze thuishoort
    .”

    De Vogelvrouw is het slottafereel van een toneelstuk dat leven heet. Het theater van het zijn, met een lach en een traan. Daarmee neemt ze afscheid; een staande ovatie volgt wanneer het doek sluit.

    De Vogelvrouw. Annet Kossen. Een uitgave van Land van Elk, 2024.

    Annet Kossen, de Vogelvrouw
  • Hij heeft makkelijk praten als geluksvogel in het tekstschrijven

    Deze stad is zo lek als een vergiet, / het tocht hier en beschutting is er niet. / Overal is er die snijdende wind, / die ons in elk portiek weer vindt. / Dit is geen stad, dit is een gat.” Aarzelend schrijf ik nu hem toen alleen te kennen van de liedjes voor Herman van Veen. Eerst zijn vertaling van Leonard Cohens Suzanne, later Girl on the Bicycle van Ralph McTell en Windmills of your Mind. “Rond als de wijnvlek van eergister op het vuile tafelblad, / spelen gouden druppels zonlicht op het koude tegelpad. / En de rimpels in de vijver en het vangnet van een spin, / zijn allemaal maar cirkels zonder einde of begin.” Het echoot in mijn hoofd en spiegelt mijn gedachten. Het is bijzonder zinnen te dichten die melodieus blijven hangen, ook jaren later nog zo meegezongen kunnen worden. “En de tijd verslijt de dagen met de wijzers van de klok, / die de uren traag vermalen, heel geruisloos zonder schok. / Er bestaat geen medicijn / tegen oud en eenzaam zijn.”

    Om de welluidende Engelse taal om te zetten in het zoetklinkend Nederlands is geen sinecure. Vooral niet wanneer de strekking hetzelfde moet blijven, de toon eender, de emotie passend. Hij, Rob Chrispijn, dichtte vooral teder en klein, maar rijmde tevens cynisch en kritisch. Dat tedere paste bij Herman die de liederen op de planken bracht. Want Rob past bij Herman, zoals Lennaert een eenheid was met Boudewijn. Natuurlijk schreef hij wel voor anderen, even zo gevoelvol en doordacht. “Probeer je te herinneren hoe het was / in december, toen we want in want / een kerstboom kochten, / warmte zochten, bij elkaar.” Ik was fan en schreef de teksten fanatiek uit in een schrift, terwijl ik de melodie zachtjes voor me uit neuriede.

    Spelen met de taal

    Aarzelend schrijf ik dit nu, want ik moet me diep schamen. Hij is zoveel meer dan dat, later en nog. Het boekje “Geluksvogels hebben makkelijk praten” krijg ik onder ogen als bewijsstuk en ter verdediging. Teksten over het zijn en bestaan, leven daar en toen, hier en nu. Een terugblik, details uit een autobiografie, flarden uit zijn eigen levensverhaal. Om het wezen van zich af te schrijven, het doen en laten nog eens in woorden te herhalen. En ik hang aan zijn lippen, zoals ik destijds volledig opging in de liedteksten. Ik ben een liefhebber. “Weet je wat er rijmt op aan alles komt een eind. / Geen idee, maar het is iets met verdwijnen, / zomaar zonder jou, oh mijn hou rijmt niet op trouw, / toch hou ik van jou, hoe valt dat nou te rijmen.”

    Spelen met de taal, dat zit Chrispijn in de genen. Hij is een geluksvogel, want hij heeft makkelijk praten ofwel kan met de minste moeite schrijven. Dat is een voordeel wanneer je dicht om te zingen, dat knippen en plakken met woorden naar eigen idee zonder ChatGPT. Dan beklijft het lied beter en galmt nog een tijd door in het brein. Het blijft hangen, zoals gezegd, want het heeft diepgang in gelaagdheid. “De rechters linkerhand beeft / weet niet wat de rechter doet. / De rechters rechterhand leeft, / van hetgeen de rechter doet. / En ieder doet de ogen dicht / en houdt zich maar gedeisd, / liever laf en levend dan een held tot elke prijs. / Getuigen zijn zelden helden, / echte helden getuigen zelden.

    Jeugdherinneringen

    En dat stoeien met woorden tot betekenisvolle zinnen zet de tekstdichter door in voornoemde bundel proza met ultrakorte verhalen. De paar duizend zinnen zijn te onregelmatig voor een liedtekst, maar passen naadloos aan vertellingen in telegramstijl. Na 22 jaren in dit leven maak ik het testament op van mijn jeugd, schreef een andere liedjessmid voor een tweede zanger. Rob Chrispijn maakt na 80 jaren schoon schip en probeert niet uit nostalgie met zichzelf en het leven in het reine te komen. De voorvallen en ontwikkelingen, verwikkelingen en standpunten, zijn puur persoonlijk maar zo universeel dat het de lezer aanspreekt alsof het de eigen memoires zijn. Niet dat de schrijver een 13 in een dozijn mens is, maar hij kan zo de herinneringen beschrijven dat deze schuren aan mijn geheugen.

    Het vangt aan met jeugdherinneringen, zoals omdat de jongeling voorbode is van een volwassen leven. Maar de gedachtenissen zijn niet strikt chronologisch uitgeschreven. Tussen latere vertellingen kan ook eenvoudig weer iets van eerder doorschemeren. Ik zie hem in gedachten zitten voor zijn raam van de werkkamer, achter de geraniums die vruchtbaar bloeien. Uitkijkend over de landerijen van Vledderveen, mijmerend – flodders van vroeger tijden doemen in gedachte beelden voor zijn ogen op. Het is stil om hem heen, dus de zinnen hebben de ruimte binnen te komen. Hij raakt een eerste letter op het toetsenbord, zet het denken op oneindig zodat het schrijven vanaf A begint te vloeien. Hoewel hij van in de oorlog is komen deze herinneringen van geweld en onderdrukking helder binnen en nemen plaats in zijn memoires. Dat zijn de grote dingen die het hem doen. Maar ook de kleine dingen zijn evenzo belangrijk en kleuren het leven, schilderen de vertellingen, maken een mens gelukkig.

    Haatliefde verhouding met filosofie

    Er valt genoeg te beleven in deze verhalenbundel. Teveel om in één adem uit te kunnen lezen. Voor iedere dag zal een enkele tekst voldoende zijn, om te overdenken, om over na te denken. Niet alleen is de historie een werkelijk meegemaakte gebeurtenis, ook denkt Chrispijn na over het leven en vult dit naar eigen believen in als een filosofietje van de koude grond met een meer diepgaande betekenis. Ondanks dat hij een haatliefde verhouding heeft met de filosofie laat hij deze levensbeschouwing zelden ongemoeid. Mensen die hem na aan het hart liggen, figuren die hij ontmoette langs het levenspad, krijgen een herinnering in een of andere anekdote. In gezette beschrijvingen is Chrispijn emotioneel, want een afscheid is voorgoed – het leven is geleefd, een klok kan worden teruggezet maar de tijd niet. Hij neemt de tijd echter wel met een korrel zout, maar dat zout maakt het leven smaakvol, kruidigt het bestaan.

    Vol liefde kan hij vertellen van de aarde en het behoud daarvan. Dat we moeten koesteren wat ons lief is of zou moeten zijn. “Landschappen die het door hun ongereptheid en hun ouderdom verdienen om bewaard te blijven, net als een Rembrandt, een Vermeer of een Monet.” Chrispijn is een meester in het maken van vergelijkingen, het leggen van relaties, het strooien met metaforen. Daardoor worden de vertellingen welhaast gelijkenissen om in Bijbelse termen parallellen te trekken. Iets beeldend te beschrijven zodat het past aan mijn denken en zijn, doen en laten. Chrispijn is dan niet belerend maar probeert mij wel de werkelijkheid onder ogen te laten zien. “(…) Het leerde me opnieuw dat aandacht in het leven cruciaal is. De wereld opent zich als je er beter naar gaat kijken: meer details, meer inzicht, meer voldoening.” En zo lees ik Makkelijk Praten, zo neem ik de woorden tot mij. Zijn wereld opent zich doordat ik de zinnen beter lees en nog eens lees, want dan gaat de tekst langer mee en beklijft het verhaal.

    Gedachten die beelden krijgen

    De schepping heeft zichzelf geschapen uit stof en spuug en vindingrijkheid. Met toeval had het niets te maken. (…) De schepping heeft zichzelf geschapen uit een niet te stuiten drang naar samenhang.” Het zijn zo van die gedachten die beeld krijgen in dit boek, die woorden verdienen en deze door de geest van Rob Chrispijn ook krijgen toegemeten. In een toegift aan de Geluksvogels, zoals iedere succesvolle voorstelling een extraatje krijgt wanneer het publiek maar hard genoeg staande applaudisseert. De toegift van Chrispijn krijg ik er voor hetzelfde geld bij. Daarin liet hij meest recente liedteksten afdrukken en monologen uit laatstelijk geprogrammeerde voorstellingen. Daarin kan hij actuele zaken op de korrel nemen en er welwillend tegenaan schoppen om mij een spiegel voor te houden. En er zijn nogmaals mooie vertalingen van liederen van Leonard Cohen en Fragile van Sting: “We weten hoe een hart dat breekt / Vergaat van de pijn / Keer op keer vertelt ons hart / Hoe kwetsbaar we zijn”. Zo kwetsbaar is de schrijver zelf en daarom heeft hij makkelijk praten – met een lach en een traan, rozengeur en maneschijn.

    Een minpunt aan de bundel die enkel pluspunten heeft, zijn de illustraties van Annet Kossen die op postzegelformaat en zonder kleur zijn afgedrukt. Dat is jammer en helaas, want zo kan de kwaliteit van de schilderijen en tekeningen niet worden gezien. Het boek had zoveel meer waarde gekregen wanneer de beelden evenveel aandacht hadden gehad als de teksten. Daarom is het omslag zo karakteristiek: de jongen met het blauwe oog. De werken zijn in alle kleuren van de regenboog te bekijken op de website www.annetkossen.nl. Helaas is Annet Kossen in oktober 2024 overleden, de vrouw van Rob Chrispijn.

    Wat heb je nou aan eerbewijzen die er na jouw dood verrijzen / Daarvan wordt toch niemand wijzer, wie je was en wat je deed / De wind neemt alles mee / / Maar ieder spoor van mededogen, elke traan in onze ogen / De woorden die er niet om logen, als liefde bloeit van lieverlee / Neemt de wind ook met zich mee / Over land en over zee / Reist de liefde met ons mee” Alles is ijdelheid om met Prediker te spreken, ijdelheid der ijdelheden. Woorden van anderen in je mond nemen geeft vreugde en verdriet, daarom kan ik met plezier Chrispijn citeren die uit zichzelf teksten laat vloeien maar niet nog eens het wiel uitvindt.

    Geluksvogels hebben Makkelijk Praten. Een leven in ruim 2000 zinnen. Rob Chrispijn. Een uitgave van ’t Land van Elk i.s.m. Stichting Hypoxylon, 2024.