Tag: artonpaper

  • Het springende moment van Ike Smitskamp

    Zij probeert het moment te vatten. Nee, beter: zij pakt het moment. Vangt de essentie van een beeld dat opeens en onverwacht haar netvlies raakt. Zomaar, tsjak! Ike Smitskamp noemt dat een springend moment. Een fractie van tijd die haar in het oog springt, waarbij haar gemoed stuitert. Een beeld trekt de aandacht. Het intrigeert en inspireert haar zó, dat ze het op hetzelfde ogenblik dat het zich voordoet wil vastleggen. Dat moet. Maar natuurlijk gaat de tijd verder, rolt het moment weg, heeft ze langer nodig dan die ene tel om het te tekenen. Het is echter op haar netvlies gebrand, met een fotografisch geheugen weet ze het beeld vast te houden en te reproduceren.

    Het potlood als geheugen

    Het potlood is haar in de snelle beweging behulpzaam. Daarmee kan ze snel een schets opzetten die het moment blijft volgen. Overigens is ze vrij het beeld verder in te vullen, het is op dat moment haar indruk. Ze heeft het zich toegeëigend. Toch blijft ze steeds bij de waarheid, omdat ze altijd dat weergeeft wat ze heeft gezien. Smitskamp verzint er niets bij, het is haar waarheid zoals ze de echtheid interpreteert. Het kan wel zijn dat meerdere momenten samenkomen in een enkel beeld. Het kan ook zijn dat Smitskamp een gedachte heeft opgeslagen die er uit moet, dien vorm verlangt. Is dat een aanslag op de werkelijkheid? Kunnen twee werelden niet samen optrekken?

    Achter het springende moment, het plotseling geziene, krijgt Ike Smitskamp niet altijd de vinger achter – ze begrijpt niet altijd evengoed wat ze ziet. Dat is een reden om het vast te leggen, zodat ze het later kan doorzien en eventueel verder uitwerken. Ze legt het met potlood op papier stil, maar eigenlijk is het volgens haar het springende moment  dat háár stillegt. Veel van die springende momenten staan afgebeeld in het boek “Tekenwerk 2020-2024”, een archivering van kortstondigheid.

    Herinneringen tekenen

    De momenten zijn vluchtig, worden opgeslagen in de voorbijgaande tijd. Feitelijk tekent Smitskamp aandenkens, ze maakt letterlijk en figuurlijk herinneringen. Een geheugen van de tijd. Een souvenir in het moment. Die vrijheid heeft ze, en daarvoor hoeft ze niet met rugzak en navigatie in de hand de zon te zoeken of bergen te beklimmen. Haar vrijheid kan zich in de achtertuin verschuilen, daar kan het moment vanachter een bosje opeens naar voren springen. Soms loopt ze er aan voorbij en valt het oog er niet op, en dan is het er, onaangekondigd. Op dat moment moet Smitskamp er iets mee. En doet ze er iets mee.

    Het ontregelt haar denken, dat springende moment. Om opnieuw in te regelen neemt ze potlood en papier ter hand. “Al tekenend doe ik ingrepen zoals je die ook zou doen in een verhaal, om je boodschap echt helder en van jouw te maken”, schrijft zij in het boek over haar tekeningen. Ze legt vast wat ze zag en wat ze daarbij ondervond. Het kleurt het beeld, zodat het moment wordt toegeëigend. Dat fragment tijd is voortaan haar ogenblik. Wanneer ik door het boek blader, kan ik die momenten meebeleven. Als het ware neem ik de bewaarplaats door waarin de kaarten met momenten op dag en datum gerubriceerd in een bak staan.

    Ike Smitskamp, tekenwerk
    Donderdag 17:04u. 17:22u. 17:36u.

    Door de ingrepen wordt het moment tot gearchiveerde tijd gemaakt, tot op de dag en het tijdstip vastgelegd, ligt dat specifieke ogenblik vast. Het is onwrikbaar bevroren in de tijd. Daarbij krijgt het nog een titel mee, het moment wordt omschreven en is niet een abstract beeld. Hoewel de essentie wel een versimpelde weergave van het ervaren moment kan zijn. Door de ingrepen kan de tekening een gelaagd karakter krijgen, kan het moment de tijd overlappen en doorlopen buiten het kader. Want uiteraard laat tijd zich niet (be)dwingen.

    Smitskamp beslist later nog of dat moment zich kan laten mengen met meerdere ogenblikken. Op die manier blijft de beweging van tijd over verschillende momenten zichtbaar. Of worden diverse fracties van tijd samengebracht in een soort van collage, een samengestelde tekening. Maar altijd blijft dat ene springende moment, het beeld dat zich opeens voordoet en waardoor het gemoed van de kunstenaar een sprongetje maakt, het uitgangspunt. Het is die inspiratie die bepalend is voor de weergave. “Door te tekenen, door vertraging in te zetten”, citeer ik de kunstenaar, “geef ik kwetsbare momenten uit de werkelijkheid een ereplaatsje. Op deze manier archiveer ik kortstondigheid.”

    Van venster tot vogelvoederplank

    En waarmee kan het allemaal beginnen. Wat kan een springend moment zijn. Een blik uit het venster van de caravan. De inkijk in het trappenhuis. Het kijkje tussen de luxaflex. Wat doodnormaal lijkt kan door verloop van invallend zonlicht ineens zo anders zijn. Dat schaduwen verschillende gezichten bieden. Dan kan zo’n moment ineens opspringen waar het anders gewoon was blijven liggen. Die gezellige figuratie langs de muur opeens tot dreigende schimmen wordt. Ook kan een mus op de vogelvoederplank in de tuin, gezien tussen de lamellen van raambekleding door, een wonderlijk mooi moment zijn.

    Blikvelden breken door dubbele ramen, langs geopende deuren, onder tafels, boven kasten. Alles kan inspireren wanneer het maar anders is dan het normale. Misschien is het wel een opspringende gedachte die in een stil moment ontstaat. Opvallend even, en dan weer door. Die ene tel pakt Ike Smitskamp en laat het doorvloeien op papier. En soms is de tekening met enkele trefzekere bewegingen niet af. Dan moet er iets bij waardoor het moment er een laag bij krijgt. Dat er aan de tijd een ogenblik wordt vastgeplakt. Zodat de tekening een ruimtelijke collage wordt. Of dat een kleurlijn of -vlak het in de eeuwigheid zet. Dat het platte vlak zich verheft tot ruimte. Dat de tekening opstaat waar het moment een gat in de lucht sprong.

    Meestal doorzie ik wel die ingeving, deze bevlogenheid van de eerste aanblik. Maar soms is de voorstelling niet meteen herkenbaar, valt het moment bij wijze van spreken in scherven van het papier. Dan is mijn inlevingsvermogen bepalend voor de manier waarop ik omschrijf wat ik zie. Zoals de maker de vrijheid al tekenend ervaart, voel ik deze speelruimte aan in de uiteindelijke tekening. Ik ondervind daar het alleenrecht om mijn waarheid eraan te koppelen. Veelal blijft de werkelijkheid datgene wat ik door haar ogen in potlood op papier zie verschijnen. Het kan ook zijn dat ik niet een tafel zie, of een deur, de trap, maar er mijn eigen beeld aan verbind.

    Licht dat tijd zichtbaar maakt

    In haar werk is Ike Smitskamp bezig met lichtval en schaduwwerking. Met het potlood kan ze fijne nuances aanbrengen en het licht werkelijk over het papier laten vallen. Het zet het vastgelegde moment in beweging, alsof de tijd erin doorloopt. Zodoende zijn het, ondanks het statische karakter, dynamische beelden. Een subtiele animatie van kleur kan in bepaalde composities de sfeer verlevendigen of juist vervreemden. Ondanks of dankzij dat de werkelijkheid tegen het licht wordt gehouden, kan deze echtheid zich vervormen tot een abstracte gewaarwording. De momenten uit de tijd genomen, de details uit de realiteit ontvreemd, geven de uitsneden van leven een geheimzinnig karakter. De bijzonderheid wordt tot karakteristiek in het werk van Ike Smitskamp.

    Ike Smitskamp tekenwerk, archivering van kortstondigheid. Uitgave in eigen beheer, 2025.

  • Een tekenkabinet vol verwondering

    De fysieke presentatie mag dan zijn afgelopen, gelukkig hebben we de foto’s nog. En de catalogus die mij door curator Manja van der Storm is toegestuurd. De werkelijke aanwezigheid van de tekeningen laat zich echter niet in een boek vangen. Toch zal ik het daarmee moeten stellen. Het heeft uiteraard meer waarde de tekeningen in de werkelijkheid te bekijken, om het aanzien en de beleving, het karakter en de uitstraling ervan aan te voelen. Toch geven het boek en de webshop een goede indruk van wat het Tekenkabinet zoal te bieden heeft.

    Ooit boog ik mij al over het kabinet bij eerdere presentaties. De door kunstenaar Van der Storm geïnitieerde tentoonstelling van tekenwerk op klein formaat (maximaal A4) beleeft inmiddels haar veertiende editie. Feitelijk kan ik deze teksten welhaast ieder jaar overschrijven en mijzelf citeren.

    Wat goed werkt, verandert niet

    Er verandert namelijk weinig aan de opzet, omdat deze staat en dus niet hoeft te worden gewijzigd. Never change a winning team: wat goed werkt moet je niet veranderen. De doos is duurzaam, enkel de inhoud kan telkens wijzigen. Er is een kern van kunstenaars die voortdurend opnieuw nieuw werk inlevert. Om die as draait dan de inbreng van wisselende deelnemers. Het zijn er veel, te veel om in deze tekst afzonderlijk te benoemen. Daarom is het zaak het Tekenkabinet als geheel te beschouwen. Soms een lade open te trekken en te zien wat er in zit. Maar geen bespreking per individu, om aan anderen geen afbreuk te doen.

    Voorheen omschreef ik het Tekenkabinet als staalkaart van de tekenkunst. “Het meldt op de website geen galerie, geen kunstenaarsinitiatief, collectief of vereniging te zijn – kunstenaars worden geen lid, maar deelnemer per editie. Het is een onafhankelijk podium voor grootse hedendaagse, autonome tekenkunst op klein formaat. Tentoonstellingen, webshop en de daarbij behorende catalogus geven aandacht aan diverse stijlen binnen de tekenkunst.”

    Iedere tekening een eigen meug

    Als een kabinet met laden, een puntzak vol snoep. “Eigenlijk geeft iedere la die ik van het kabinet opentrek een nieuwe verwondering. Een ander helder zicht op de kunst van het tekenen. Ieder snoepje uit de zak heeft een eigen meug, geeft een persoonlijk genot. Het Tekenkabinet houdt van tekenkunst zoals ik van al het lekkers in die puntzak snoep houdt. Het toont daarom jaarlijks een selecte collectie, want uit de aanmeldingen zoekt het Tekenkabinet representatief werk waarin het tekenen tot recht komt.”

    Gaf ik het Tekenkabinet als ministerraad tekenbevoegdheid.  Kleinkunst, want het is lange tijd het ondergeschoven kind in de kunst geweest. Kunst met een kleine k. Het deed ertoe als schets voor het echte werk, voor de kunst met een grote K. Maar onder meer door stimulatie van Tekenkabinet en de acties van galeries gespecialiseerd in tekenkunst groeit het tekenen groter en wordt volwassen.”

    Zette ik het op een platform voor autonome tekenkunst. “Het is een reisgids om het zich vrij gevochten land van de tekenkunst tot in elke uithoek te ontdekken en leren kennen. Waarschijnlijk zijn nog niet alle facetten belicht, maar het tekenkabinet laat wel veel kanten van deze kunstvorm zien. Het is een letterlijk en figuurlijk kleurige opsomming.”

    Het papier als vruchtbare grond

    Zo constateer ik, mijn verzameling catalogi door de verschillende jaren heen doorbladerend, dat de tekenkunst zoals gepresenteerd door het Tekenkabinet een groei doormaakt. Het papier is een vruchtbare grond waarop deze manier van uitdrukken zich kan ontwikkelen. Al lang is potlood en inkt, krijt en kool geen schetsmateriaal meer als voorstadium van een volwaardig kunstwerk. Er wordt naar hartenlust met het medium geëxperimenteerd. Vanuit de werkelijkheid wordt vereenvoudigd en via een abstracte weg keert men terug naar de realiteit. Alles is mogelijk en alles wordt gebeurlijk.

    De catalogus, de webshop en de pop-uptentoonstellingen, zijn een visitekaart voor het tekenen. Nu de expositie is afgelopen, kunnen de werken blijven schitteren in druk en langs de digitale weg worden gekocht. Van iedere kunstenaar is in de catalogus een representatief werk opgenomen, geselecteerd door de organisator uit het aanbod. Daarbij staan titel, techniek en formaat vermeld. Tevens is het contact in de vorm van een webadres opgenomen, zodat de eerste kennismaking een verder onderzoek mogelijk maakt. Zo is er door de jaren heen een waaier aan mogelijkheden binnen deze manier van kunst bedrijven ontstaan. Een dwarsdoorsnede van de Nederlandse tekenkunst, een rijk palet, een kleurige bloemlezing. Over het hele spectrum is een typerend beeld geschetst.

    Het beeldmerk van het Tekenkabinet

    Aan de opzet en de presentatie is weinig veranderd. Het idee ontstond en kreeg een uitwerking die een stevig fundament bleek, voldoende om vaste grond onder de voeten te krijgen en te behouden. Wat enkel wijzigt, is een opvallend detail: het beeldmerk van het Tekenkabinet. Daarin komt telkens een onderdeel van de tekenpraktijk naar voren. Waren het eerder al het schaafsel van een potlood, een stalen puntenslijper, de verschillende hardheden van het potlood met telkens een uiterst scherpe punt, een prop gefrommeld papier of een witte museumhandschoen; in 2026 is het opnieuw een puntenslijper, onmisbaar voor de tekenaar. Een rode kunststof variant met duidelijke gebruissporen. Wie vervolgens de website van het kabinet bezoekt, vindt daar de legio voorbeelden die door de jaren heen in de laden ervan zijn opgeborgen.

    En ik sta buiten met mijn neus tegen de etalageruit gedrukt. Het water loopt mij bijkans in de mond bij het zien van zoveel lekkers. Ik word er hebberig van en koester mijn boekjes in de plastic winkeltas. Ik zou naar binnen willen stormen en mijn boodschappenlijst afwerken. Aan de kassa een XXL-puntzak vol lekkernijen willen afrekenen. En er thuis stuk voor stuk van willen genieten. Nu kan ik mij slechts verlekkeren aan en in de cadeaugids, en dat maakt al veel goed.

    Tekenkabinet XIV. Catalogus van de tekenkunst op klein formaat. Concept, vormgeving en productie Manja van der Storm, mei 2026.

    tekenkabinet, amsterdam
  • Paludanus en Smitskamp in Galerie Getekend: waar het vlak ruimte wordt

    In Galerie Getekend stap ik niet alleen de zaal binnen waar op dit moment de lopende tentoonstelling zich bevindt, maar ook een virtuele ruimte die door het daar hangende werk wordt opgeroepen. Ofwel stap ik een zaal binnen en betreed vervolgens de ruimte die het papier uit zijn vlak heeft losgemaakt. In de echte, fysieke ruimte openen afgebeelde ruimten op papier een tweede, niet letterlijk bestaande ruimte waarin ik mij als beschouwer kan begeven. Tussen de muren van de galerie ben ik me ervan bewust dat ik kunstzinnig onderdak ben. Geef ik mijn ogen er de kost dan kan ik van de opgeroepen ruimte in het werk smullen.

    Galerie Getekend, Patricia Paludanus, Ike Smitskamp

    De twee kunstenaars, figuurlijk daar aanwezig, delen de zichzelf toegemeten ruimte op eigen wijze in. Hoewel de drager, het papier, een vlak is, verandert de kunst dit in een ruimte. Het platte vlak draagt een gesuggereerde ruimte. Die van Patricia Paludanus wordt opgeroepen door diverse lagen kleurpotlood over elkaar te zetten. De uitgestrektheid is er niet maar de kleurstelling doet dat vermoeden. In een toegepaste architecturale omgeving denk ik me op een bovenzinnelijk terrein te begeven. De kunstenaar neemt me mee in haar wereld van inspiratie. In haar voorstelling van hoe de aarde erbij zou kunnen liggen.

    De speler in het landschap

    Ik vermoed mij in een computerspel te bevinden met kleurige decors. Deze platen zijn echter niet digitaal gegenereerd en algoritmisch opgebouwd. Hoewel de fijn gedetailleerde composities anders doen vermoeden. De hoofdpersoon ben ik: kijker én deelnemer aan dit rollenspel, in deze role-playing game. Ik bepaal namelijk zelf de actie die ik in dan wel met de tekening zal ondernemen. Ik maak zelf de keuze of het mij aanstaat en welk verhaal mijn personage in het beeld krijgt. Natuurlijk is dat altijd de waarheid bij het kijken naar kunst. Niet wat ik zie verbeeldt de echtheid, maar het gevoel wat ik daarbij heb. De emotie die ik er tegenaan kan zetten is de kracht van het werk.

    Dit werk van Paludanus is bijzonder sterk. Het neemt mij in zich op, laat mij de rol van verwondering spelen. Het script schrijft bewondering voor. Ik parkeer mijn bevreemding in de kast vol schappen en trek nieuwe waardering aan, zoals ik mijn schoenen verwissel langs de bowlingbaan. Ballen rollen over het speelveld, verdwijnen in gaten. De vloer van het podium golft en breekt open. De flipperkast rinkelt. Bingo! Het spel is gespeeld. De kunstenaar heeft gewonnen door mij van haar kunnen te overtuigen. Een andere ruimte binnen de galerie wacht. Ik wissel van plaats. Waar Paludanus mij door een denkbeeldig landschap liet dwalen, brengt Smitskamp mij eerst tot stilstand. Niet de ruimte dient zich aan, maar de tijd.

    De tijd als vertrekpunt

    Het is Vrijdag, 08:20 uur. De deur staat open en nodigt mij de ruimte van Ike Smitskamp in te gaan. Ik sta nog enigszins bedremmeld voor de drempel. Maar een magnetische aantrekkingskracht verlaagt de opstap. Of had ik hier Maandag, 16:09 uur moeten zijn om mij correct in te leven. Of Zondag, 21:12 uur. De werken van Smitskamp zijn op tijd gecomponeerd. De bedachte ruimte is een overdacht universum. Het is er niet, maar had er wel kunnen zijn. Er is geen plaatsbepaling, enkel een tijdsaanduiding.

    Ook hier kan ik in vrije wil een persoonlijk verhaal laten aansluiten. Fijne lijnen kruisen zodat vlakken ontstaan, alsof de afbeelding breekt en zo dadelijk in scherven van het papier kan vallen. De gesuggereerde ruimte is zo breekbaar als glas, maar zit zo stevig in de sponning dat het raam er niet uit zal springen. Hoewel de kunstenaar losjes binnen de lijntjes kleurt, is de voorstelling niet altijd klaar en af wanneer het kader is bereikt. Er kan nog geen punt achter het verhaal, dus tekent Smitskamp door op een volgend blad dat vervolgens als een collage wordt ingeplakt.

    Tussen beeld en beschouwer

    Echter is het een illusie, het schijnt zo te zijn als ik het schrijf. De gelaagdheid is in het vlak aanwezig en niet fysiek voelbaar. Zo is er wel een indruk van perspectief en dus van ruimtelijkheid. En wat gebeurt er dan precies tussen het papier, het beeld en de beschouwer? Waar bevind ik mij wanneer ik tussen de lijnen door kijk, deze vlakke ruimte in. Kan ik mijzelf in het werk van Smitskamp onderbrengen zoals ik dat deed in de composities van Paludanus? Daar was ik hoofdpersoon, speel ik hier een bijrol? Daar was ik deelnemer, ben ik hier toeschouwer?

    Galerie Getekend, Ike Smitskamp

    Door een venster kijk ik de ruimte in en zie wat er plaats vindt in de hal, in het trappenhuis, op de zojuist gedweilde plavuizen, onder de transparante tafel. Verwonderd sta ik te kijken. Welhaast met de mond vol tanden. Maar ik blijf krampachtig mijn mening vormen. Zojuist heeft er in het beeld actie plaats gevonden, meen ik te constateren. Het geluid van stilte echoot weg. In het zwart en wit van het grafiet, in voorkomende gevallen aangevuld met een zweem onbepaalde kleur, ontdek ik een gelaagde wereld, een in coulissen opgebouwd landschap binnen dan wel buiten.

    Wanneer de klok doorloopt

    In een flits moet het de kunstenaar zijn ingevallen. De inspiratie is er altijd plotsklaps, als een donderslag bij heldere hemel. En dan moet de ingeving eruit! De gebruikte techniek verlangt aandacht en zet niet meteen het beeld op papier. Zo kan de bevlogenheid worden gekooid en zal de eerste liefde uitgroeien tot verliefdheid. Het moment van dat eerste gezicht wordt dan wel de titel van de compositie. Daarin is de tijd stil gezet, terwijl bij de uitwerking de klok doorloopt. In sommige gevallen wordt de impressie van die beweging abstract uitgedrukt.

    Kortom is in de galerie een virtuele ruimte ontstaan die alleen in de verbeelding van mij als beschouwer bestaat. Het vlak blijft plat, maar komt in mijn voorstelling op me toe. Ik denk dat er ruimte is, een lengte en hoogte en breedte, maar weet dat het blijft steken bij de tweede dimensie. Lichamelijk kan ik er niet zijn, maar geestelijk stap ik over de drempel en bezoek de ruimte. Soms blijkt het een escaperoom waarin ik naarstig de uitgang zoek. Een doolhof waar ik telkens een doodlopende weg insla. Bij het werk van Patricia Paludanus en Ike Smitskamp echter stop ik de sleutel in mijn achterzak en verblijf liever langer dan strikt noodzakelijk in hun ruimte. Maar Vrijdag, 17:00 uur sluit de zaak en gaan de lichten uit. Ik trek de buitendeur achter me in het slot, terwijl het daglicht me overvalt. Opnieuw moet ik leren kijken – de ogen laten wennen aan de realiteit. Binnen sprong mij de blik open voor de suggestie, buiten herijken mijn ogen op de werkelijkheid. De gesuggereerde ruimte tegenover de concrete werkelijkheid. Het is maar waar je het liefst verblijft.

    Tentoonstelling Patricia Paludanus en Ike Smitskamp bij Galerie Getekend, Stationsstraat 6 in Heerenveen. Van 23 mei tot en met 12 juli 2026.

  • Marike Hoekstra werkt met verdriet in Trauerarbeit

    There will be other songs to sing, another fall, another spring, but there will never be another you.” Door de deur is meteen de drempel geslecht. De toon is gezet. ‘Trauerarbeit’ raakt de juiste snaar wanneer je er gevoelig voor bent. En dat ben ik. Het boek dat de weerslag is van een project spreekt aan, daar het over verlies gaat en de omgang daarmee. De zin op de titelpagina komt uit de jazzstandard “There will never be another you” geschreven door Mack Gordon voor de musical “Iceland’(1942), later gezongen door onder meer Chet Baker, Frank Sinatra en Andy Williams – kortgeleden nog door Rickie Lee Jones. Heel dikwijls kunnen anderen verwoorden waar jij met moeite woorden aan kunt geven. Zo gebruikt Marike Hoekstra teksten van elders in haar beeldende taal, omdat het wiel niet opnieuw uitgevonden hoeft te worden. Omdat verdriet en rouw universeel zijn, passen bestaande woorden, klanken en beelden vaak als een aangemeten jas. Een jas die je aan de kapstok kunt hangen en voor een moment aan iets anders wilt denken. Maar die jas hangt daar in het zicht. Soms storend aanwezig, maar meestal een uitkomst bij regenachtig weer – de tranen zijn nooit ver.

    Kun je werken aan verdriet? Je kunt werken met verdriet, dat moet wanneer het je overkomt. Verdriet kun je niet verwerken. Verdriet is nooit af, nooit klaar. Er staat geen punt achter verdriet, altijd een komma en soms zelfs een dubbele punt. In ‘Trauerarbeit’ draagt Marike Hoekstra het verdriet op handen. Letterlijk. Op het omslag is dat in tekening al meteen zichtbaar gemaakt. Het is niet eenvoudig de gelaagde tekeningen in het boek te duiden. In hun expressiviteit geven deze een directe impressie van de emotie. En dat is niet eenvoudig door een buitenstaander te beoordelen. Het dient bekeken te worden, aangevoeld, begrepen. Dus houd ik me liever bij de sfeer waarin het boek zich aandient wanneer ik het open.

    Een eeuwige vlam

    Om te werken met verdriet daarvoor kent de Nederlandse taal geen juiste term die de lading dekt, schrijft Marike Hoekstra in haar nawoord ofwel de verantwoording. Er is zoiets als (professionele) rouwverwerking, dat impliceert dat het verdriet eens klaar moet zijn. Dat je over het dode punt raakt en verder met het leven gaat. Maar dat is niet mogelijk. Het dode punt is geen stip op de horizon. Er is licht aan het eind van de tunnel, maar heel vaak wordt dat door iets of iemand uitgedaan. Soms is er een iets of iemand die het vuur opstookt. Want een vonk is er altijd, een eeuwige vlam.

    In de toelichting geeft Hoekstra uitleg aan haar kunst. Beelden hebben echter geen verklaring nodig. Zodra er tekst in het beeld verschijnt rijzen er vragen, dan wenst de kijker antwoorden. Zonder titel en zonder woorden leeft het beeld, kan het een individuele gewaarwording zijn. Maar duikt een tekst op, een uitgeschreven gedicht in de schildering of een uitgeknipt fragment in een collage, dan is de ervaring onpersoonlijk, dan spreekt het gevoel van de maker honderduit. Omdat het hier echter zeer persoonlijke kunst betreft waarbij ik aansluiting moet zoeken om de betekenis ervan te vinden, is de motivering van het werk een welkome aanvulling. Het is geen uitleg derhalve maar een toelichting, een verantwoording waarom het er is en de manier waarop het er is zoals het er is. De inspiratie van het zijn.

    Hoekstra is in de tijd op reis gegaan, vanwege haar verdriet echter nooit meer thuis gekomen. Die dag van verlies heeft haar leven gebroken, er is een voor en een na. Door de tekeningen een beeld aan het verdriet te geven, verdwijnt het niet. En dat is ook niet de bedoeling. De kunst is geen uitlaatklep, het is een middel om het verlies als een gevonden goed te kunnen beschouwen. Het tekenen is een ritueel geworden om met verdriet te werken. Het is geen verwerken, want het verdriet moet niet weg. De gebeurtenis, oorzaak van het verdriet, is geweest. De treurnis echter is.

    Loze beloften

    Verdriet zit niet tussen de oren, het werken ermee is een dagtaak. Het betaalt niet uit, maar loont wel – het levert iets op. Werken met verdriet, trauerarbeit – rouwarbeid, geeft het leven kleur maar het krijgt niet de glans die het voorheen had. Je kunt het oppoetsen tot je een ons weegt, het blijft een lachen als de boer met kiespijn. Door de zielenpijn heen denk je de zon achter de wolken te zien schijnen. Na regen komt zonneschijn, na lijden komt verblijden, na storm komt stilte; het zijn holle frasen – loze beloften. Want je kunt geen krokodillentranen huilen, er bestaan geen rozen zonder doornen. “Kleine zorgen kun je delen. Maar er is een soort verdriet dat mensen niet meer kunnen helen. En dat hoeft ook niet“, hoor ik Toon Hermans bij leven zeggen. En zo is het. En Vasalis schreef “Veel soorten van verdriet, ik noem ze niet. Maar een, het afstand doen en scheiden. En niet het snijden doet zo’n pijn, maar het afgesneden zijn.”

    Marike Hoekstra haalt in haar werk Vasalis meermalen aan, want de dichter en psychiater kan met woorden troosten waar de kunstenaar probeert met beelden te helen. “Moeder, zeid hij, waarom schreit gij? / Waarom greit gij op mijn lijk? / Boven leef ik, boven zweef ik / Engeltje van ’t hemelrijk”; Joost van den Vondel draagt de pijn, waardoor het leed beter te verdragen is. De woorden van Paternak maken een winternacht tot zomerwende. Een tekst kan het beeld overnemen, echter nooit vertalen. De taal van het woord past never nooit niet de spraak van het beeld. Een beeld zegt meer dan duizend woorden is niet zomaar bedacht. Het beeld is universeel, het woord plaatsgebonden.

    Geboortedatum

    Het boek ‘Trauerarbeit’ spreekt mij aan, zoals het iedereen zal aanspreken die met rouw te maken heeft. Het boek is daarin een goede raadgever, omdat het past als een handschoen. Vele van de tekeningen zijn zo als pleister op mijn wonde te leggen. Niet om te helen of te genezen, maar om ermee te leren omgaan. Vooral een specifieke datum in het boek bleek bij mij de weemoed op te roepen, waardoor ‘Trauerarbeit’ voor mij een bijzonder kleinood is geworden. Een boek dat een ereplaats in mijn boekenkast heeft gekregen. Wanneer je ontdekt dat jouw geboortedatum een bijzonder moment betekent in het verlies bij een ander mens schept dat een band. Een verbinding is gelegd, die niet fysiek is en waar die ander geen weet van heeft. Nu wel, nu ik het hier beschrijf. Zo is Noah, het onderwerp (middelpunt) en inspiratie voor het boek, opeens eigen en vertrouwd. Ik zal voortaan op mijn verjaardag denken aan zijn geboortedag. Zo dragen mensen samen het leed van de wereld.

    Marike Hoekstra viert het leven. Ze heeft geen afscheid genomen. Wel fysiek; het lichaam is gegaan. Door over Noah te tekenen, hem op te nemen in haar kunst, kan ze hem echter blijven liefkozen. Blijven aanraken. Niet met de vingers, hoewel het scheppen van nieuw leven op papier handwerk is, het betasten doet ze nu met haar emotie. Voelen is gevoel geworden. De ene keer liefdevol, de andere keer opstandig en dwars. Die wisseling van stemming valt opmerkelijk duidelijk in de kunstwerken te lezen. Met zachte hand verdraagt verleden tijd werkelijkheid. Met harde hand blokkeert weemoed het verlies. Ermee leven betekent niet achterlaten. Noah is nog steeds onderdeel van het gezin. Door de tekeningen blijft ze in gesprek. Dat betekent niet dat ze haar verdriet niet heeft verwerkt; ze werkt ermee om het vooral niet te vergeten. Het project is geen afgerond geheel, het blijft voortdurend in beweging en groeit uit tot een levende legende. Niet een aandenken als is het een souvenir van een leven, maar een denken aan om niet te vergeten.

    Ik volg haar in het rouwproces. Een ontwikkeling die geen resultaat vergt. Dat resultaat is al het proces op zichzelf. Expressief handschrift. De werkelijkheid abstract. De realiteit is hard, maar moet beleefd. Het kind blijft leven in het sterven, omdat het beeld krijgt. Fotocollages pakken fragmenten, omgeving die herkent wordt, maar het blijft buitenshuis, gaat buiten de mens om, onpersoonlijk. De tekeningen zijn meer nadrukkelijk, geven duidelijk weer waar de geest een uitweg zoekt. Het is niet alles treurnis in dit boek, het is veel meer een liefdevolle uitgave, een monument. Een herinnering aan een leven dat te snel tot een einde is gekomen. Schreef Bram Vermeulen “en als ik dood ga, huil maar niet / ik ben niet echt dood moet je weten / het is het verlangen dat ik achterliet / dood ben ik pas als jij dat bent vergeten” dan houd ik me daar aan vast wanneer ik het boek van Marike Hoekstra nog eens doorblader en de beelden beleef.

    Trauerarbeit. Beeld, tekst en ontwerp Marike Hoekstra. Uitgave in eigen beheer, 2025.

    Marike Hoekstra, Trauerarbeit

  • Marije Bouman fluistert de geest van het landschap

    Zocht Marije Bouman eerder met haar werk grenzen op die een niemandsland omzoomden. Een omgeving waar niemand is en waar de sterveling geen weet van heeft. Alleen de mens die niet rationeel kijkt maar met gevoel beschouwt, kan er kennis van nemen. De landschappen van toen leefden in grensgebieden. Pasteltinten zweefden mijmerend over de composities. Deze beeldden geen concrete zaken af, maar maakten abstracties om in een wendbare gedachte tot werkelijkheid te worden. En nog steeds is de rust en de stilte van dat abstracte terrein in haar huidige werk te vinden. In de non-figuratie onderzoekt zij de essentie van het landschap. De kern van het wezen der natuur. In een summier aantal lijnen en enkele kleurvlakken tekent zij haar contemplatieve emotie bij het landschap in waterverf op papier. Het is geen werkelijk landschap, hoewel dit wel het uitgangspunt is en de inspiratie vormt. Maar door haar blik en uit haar handen is het een landschap van de geest. Geen tastbare waarheid, maar voelbare echtheid.

    Het is kijken en laten inwerken. In het zalige niet-zijn ben je niet meteen vriend. Kleuren bewegen over tinten, flarden en korte verfstrepen verhouden zich als vlakken in een collage. Daarin wil het oog een houvast. Maar het hoeft niet te ontdekken, want het kan zo zijn als het is. Bouman fluistert het landschap. Met zachte tonen zet zij een eigen wereld in de werkelijkheid. En ik moet goed luisteren en beter kijken, anders zien, om aan te sluiten bij haar mythisch denken. Het is geen mysterie, het is een meditatieve staat van zijn. Diep in gedachten verzonken mijmert zij zich een zijn dat relateert aan een landschap, dat de associatie legt met de tastbare zichtbaarheid. Zo kijken en aanvoelen is een benadering die mij, en al die andere westerse mensen met mij, stelselmatig is afgeleerd. Zo lees ik dat althans in haar inleiding, een manier van kijken die zij op haar beurt beschouwt in de Chinese denkwijze. “De oude Chinese meesters gebruikten het landschappelijke om hun filosofie uit te drukken en om een verlangen op te wekken naar berg, bos en rivier. Dit werd met poëzie en in beeld uitgedrukt. Uit de beheersing van het schrijven van karakters vloeiden de teken- en schilderkunst voort.”

    Inkijk op de eeuwigheid

    In die zin heeft Marije Bouman de gave om de kern van het landschap te raken. In aquarel of met gemengde techniek maakt zij grensgebieden. Op de scheiding tussen waarneming en gedachte verbeeldt zij een niemandsland. Een gebied waar de tijd geen vat op heeft; het is er tijdloos. Een inkijk op de eeuwigheid. Als de grootmeester Kwo Sji over de velden door de tijd in de toekomst keek, zo gebruikt Marije Bouman de elementen aarde, water en lucht als de levenskracht in haar werk. En ik neem haar advies ter harte: “Laat ieder die tot rust wil komen deze bundel ter hand nemen.” De daarin opgenomen kunstwerken, dichtregels en oude doch zeer inzichtelijke en ook zo poëtische tekstfragmenten over de Chinese landschapskunst zetten mij aan de kamerpresentatie in Museum Belvédère te bezoeken. Echter ervaar ik daar niet optimaal de sfeer die Bouman oproept; uit een naastgelegen kamer klinkt het slotakkoord van een andere Friese kunstenaar. Storend op dat moment, maar de ingetogen lyrische werken van Bouman handhaven zich desondanks. Deze staan in de rumoerige wereld als een kalme oase.

    Het is stil in de composities van Marije Bouman. Er heerst rust voor wie zich erin ingeeft. Wie langer blijft staan kijken om de emotie die Bouman erin heeft gelegd aan te voelen, kan erin meeleven. Echter ligt er ook een bepaalde geladenheid tussen de zichtbare lagen kleur, alsof de natuur en het landschap in spanning afwachten wat komen gaat. Want de stilte zal eens doorbroken worden. Niet in het ogenblik dat Bouman heeft vastgelegd en waar zij alle drukte uit heeft weggeschilderd, maar wel in de momenten die volgen. En dat hoeven geen rumoerige tellen te zijn; dat kunnen ook zeer wel in zichzelf gekeerde tijden zijn. Maar dat er iets staat te gebeuren heeft Bouman er onbewust in gelegd, als een zin die niet is afgemaakt. De kijker vult aan, denkt door, maakt af.

    Stilte zichtbaar in inkt

    Bouman laat zich leiden door Chinese wijsheid. Daarin kan de introverte kunstenaar zichzelf vinden. Niet enkel het beeld maar zeker ook het woord inspireert haar. “Poëzie is schilderen zonder de vorm en schilderen is zichtbaar geworden poëzie“, is zo’n gevleugelde uitspraak. De klassieke Chinese meesters waren vooralsnog diepe denkers. Het filosofisch beredeneren lijkt daar wel uitgevonden. China wordt vaak beschouwd als de oudste ononderbroken beschaving ter wereld, met een geschiedenis die duizenden jaren teruggaat. Hoewel het niet per se het biologisch oudste volk – in de zin van de eerste mensen op aarde – is, is de Chinese cultuur en samenleving een van de langstlopende die tot op de dag van vandaag voortduurt. In de poëzie en de beeldende kunst is de Chinese traditie voor velen een richtinggevend voorbeeld geworden – niet door luidheid, maar door verstilling. In het werk van oude penseelmeesters als Kwo Sji wordt het landschap niet vastgelegd als afbeelding, maar als ademruimte: een plek waar kijken en denken in elkaar overgaan. Schilderkunst, kalligrafie en poëzie raken er elkaar zonder grens. Onder de lange schaduw van een denktraditie die met Confucius verbonden is, krijgt aandacht een vorm van oefening, en oefening een vorm van levenshouding. Zo ontstaat een kunst die niet alleen iets toont, maar iets laat gebeuren: stilte die zichtbaar wordt in inkt.

    En dat is precies wat er in de composities van Bouman gebeurt. Haar kunst toont niet alleen iets, maar laat iets gebeuren: ik proef er de stilte. Het raakt die filosofische denktraditie. Zij toont een transparant landschappelijk portret. Teer en dromerig, in het schemergebied van de werkelijkheid. De lyrische verbeelding van hetgeen er schijnt te zijn, een ingebeelde omgeving. Opgepakt in het voorbijgaan, gezien en overdacht. De herinnering aan een moment is dikwijls mooier dan het moment zelf. Je onthoudt sneller de schoonheid dan dat je de lelijkheid in gedachten bewaart. Dat mooie van de omgeving zet Bouman neer in transparant geschetste lijnen en licht aangezette kleuren. Pasteltinten zweven mijmerend over de composities. Een in opzet expressief gedetailleerde weidsheid van het landschap. Deze beelden geen concrete zaken af, maar maken abstracties om in een wendbare gedachte tot werkelijkheid te worden. Niet die werkelijkheid is benadrukt, maar wel het verlangen naar rust en ruimte in de realiteit. Na een omgang in het landschap worden thuis de gedachten uitgewerkt. Er wordt dan een sfeer toegevoegd, namelijk de emotie die zich na het moment buiten in het geheugen heeft vastgezet. De omgeving aangevuld met de gedachte; dat klinkt abstract en dat is het ook. Abstract landschappelijke portretten, derhalve.

    De stilte in gedachten

    Marije Bouman brengt abstract poëtisch werk dat voortkomt uit de passie voor de natuur. De composities relateren aan wolkenluchten en landschappen. In enkele gebaren is de verf in het beeld gezet. Het betreft verstilde grensgebieden, plekken waar iets nog niet is vastgezet maar al wel vorm begint te krijgen. In de Chinese kunsttraditie het gebied waar schilderkunst poëzie wordt, en poëzie beeld. Letterlijk kan in de literati-traditie een schilderij een gedicht bevatten, en kan een gedicht een landschap oproepen. Het grensgebied is daar geen scheiding, maar een overlap – een dunne laag waar kijken, lezen en denken samenvallen. Het terrein van Marije Bouman ligt tussen droom en werkelijkheid. Het niemandsland tussen abstractie en realiteit. Een omgeving die zich voordoet in gedachten bij het zichtbare onderwerp. Kijk in het rond, aandachtig naar wat je ziet. Sluit de ogen, dan verschijnt dit beeld op het netvlies. Als het ware een projectie achter de oogleden. De stilte in gedachten.

    En sla ik de uitgave bij die museale tentoonstelling open, dan maak ik een natuurlijke beweging naar de mystieke ruimte. De transcendente atmosfeer die ligt besloten tussen de pagina’s door de afdruk van diverse werken. De zachtheid waarmee Bouman haar composities kleur geeft, komt goed tot uiting in dit drukwerk. Hoewel op kleiner formaat dan het originele werk, hebben deze reproducties dezelfde sfeer. In speciale gevallen aangezet met een hardere penseel of scherpe pen, wanneer een luidere toon noodzakelijk is. In het hart van de uitgave laat Bouman de oude Chinese meester aan het woord. “De geest van het landschap” doorlezend vormen de beelden in het boek stemmige illustraties bij de tekst. “Daar zijn verschillende wijzen waarop men een landschap kan schilderen. Het kan uitgespreid worden over groote composities en toch niets overbodigs bevatten. Het kan tot een klein bestek teruggebracht worden en toch niets ontberen. Ook zijn er verschillende manieren om landschappen aan te zien. Nadert men ze met het ontvankelijk gemoed van den natuurliefhebber, dan is hun waarde groot; nadert men ze met trots of zelfgenoegzaamheid in de ziel, dan hebben zij ons weinig te zeggen.”

    ELEMENTEN. Marije Bouman. Kamertentoonstelling Museum Belvédère, Oranje Nassaulaan 70 in Oranjewoud. Van 21 februari tot en met 7 juni 2026. Publicatie met een selectie uit de serie gecombineerd met fragmenten uit een belangrijke elfde-eeuwse verhandeling van de Chinese inktschilder Kwo Sji. Uitgave in eigen beheer, 2026.

  • Pier Feddema schetste de spontaniteit van het moment

    Feitelijk is het de meest basale manier van het bedrijven van beeldende kunst: het schetsen. Het tekenen met potlood of krijt. Een snelle indruk maken van wat je ziet. Een rappe afdruk neerzetten, een beeltenis waarop je later kunt doorwerken en waarmee je in een andere techniek een resultaat kunt scheppen. Het is de kraamkamer van het oeuvre van de kunstenaar, de broedplaats waar iets nieuws ontstaat of wordt ontwikkeld. Het gevoel bij een moment, de gewaarwording van de omgeving, het in de vingers krijgen van een situatie. De ogen merken op, de hersenen verwerken en de handen voeren uit. Die actie volgt direct op wat is waargenomen.

    Bij een statisch beeld, zoals een schip of een boerderij, kan een schets meteen concreet worden. Bij beweging van voorbijgangers of dieren moet het beeld sneller op papier; de ervaring moet direct een indruk zijn. Ook een min of meer passief beeld, als een landschap of portret, kan een impressief beeld opleveren: een middel om sfeer en essentie van de gewaarwording weer te geven. Juist die eerste indruk verbeeldt het gevoel bij de gebeurtenis.

    Enkele lijnen en handgebaren

    Aan de manier waarop iets op papier is gezet, tekent zich de emotie af. Niet altijd heeft de kunstenaar sympathie voor het onderwerp; dat valt af te lezen uit de beeldende beschrijving. Op zo’n moment past de tekening niet, werkt het gemoed tegen en wordt de schets een ongeïnteresseerde droedel. Vaak belandt zo’n tekening in de prullenmand, omdat deze niet voldoet aan wat voor ogen staat. Maar wanneer de sensatie er is, kan in enkele lijnen en handgebaren het voorval worden vastgelegd.

    Zo blader ik de schetsen van Pier Feddema door. Voor Utjouwerij DeRyp stelde Elske Schotanus een representatieve dwarsdoorsnede samen uit zijn schetsboeken. De kunstenaar uit Anjum vormde met anderen de kunstenaarsgroep Yn ‘e line: kunstenaars die de kunst in de lijn wilden houden, zoals de man die het turfschip lopend langs het kanaal op koers hield. Met een heldere, strakke lijn weerspiegelde de groep natuur en omgeving in een expressionistische stijl. Dat zorgde in de jaren 50 van de vorige eeuw voor nieuw elan in de Friese kunstwereld.

    Typische indrukken uit het leven zijn zichtbaar in Feddema’s schetsen. Niet alle onderwerpen hebben dezelfde zeggingskracht; sommige maakten minder indruk. Toch passen ze in het geheel, omdat ook deze het beeld van de kunstenaar completeren. Ze zijn niet uitgescheurd of weggegooid. Integendeel, Feddema achtte ze van belang om te bewaren. Het is goed dat de bloemlezer deze verwelkte exemplaren toch heeft opgenomen. Het zijn er slechts enkele, want Feddema is een begenadigd beschouwer, een geoefend kijker die vrijwel ieder moment interessant vindt. Maar de ene dag tekent beter dan de andere.

    Aandacht voor detail en essentie

    Feddema had zijn schetsboek altijd bij zich. Raakte zijn blik iets opmerkelijks, dan pakte hij boek en potlood en zette hij de observatie in trefzekere lijnen op papier. Aan de schets is af te lezen hoeveel gevoel hij bij het voorval had. Soms is het een slordige tekening, bedoeld om iets vast te houden dat weinig indruk maakte. Maar een snelle schets kan juist de emotie scherp weergeven, terwijl de gebeurtenis al voorbij is voordat er iets op papier staat. De momenten volgen elkaar op; snelheid is geboden om de sfeer vast te houden. Toch blijft er aandacht voor detail en essentie. Is er meer tijd, dan nog werkt Feddema in rappe lijnen en vegen. Het voorval, de plaats en de tijd moeten worden vastgelegd.

    Met plezier legde Feddema zijn omgeving vast. Dat laten zijn schetsen zien. Met een open blik keek hij de wereld in. Door zijn tekeningen maakte hij die tot de zijne. Dit werk laat duidelijker zien wie hij als kunstenaar was dan zijn schilderijen doen. Geldt dat niet vaker? Dat de weg naar het resultaat meer blootlegt dan de uitkomst zelf. Een blik in het atelier, tijdens het maakproces, geeft inzicht in de lusten en lasten van de kunstenaar. De moeite om van niets iets te maken. Het vuur van de schepping dat daar ontvlamt. Daarvan getuige zijn is een gotspe, maar ook waardevol.

    Wanneer de kunstenaar er niet meer is, vervalt het directe contact. Er kan niet meer worden meegekeken. De achtergelaten schetsboeken en ontwerpen nemen die plaats in. Ze bieden zicht op de geest van de kunstenaar. Elske Schotanus noemt het “een klein feestje om, bijvoorbeeld tijdens een kunstenaarsbezoek of soms in een galerie, schetsboeken in hun geheel door te bladeren”. Het zal een bijzonder moment zijn geweest om de nagelaten schetsboeken van de in 1983 overleden Feddema te mogen inzien. Ze openen een wereld, gezien door zijn ogen.

    Talent en vaardigheid

    De ontwikkeling die zijn werk ongetwijfeld heeft doorgemaakt is in het boek niet goed te analyseren. Blijkbaar is alles in willekeurige volgorde afgedrukt. Dat is op zich geen probleem want Pier Feddema kon gewoon goed tekenen. Maar hij ging weglaten, naar voren halen, meldt de Pier Feddema Stichting op de website over het ontstaan van  een eigen stijl. De Stichting is in het bezit van de originele schetsboeken die in langdurig bruikleen zijn gegeven aan Museum Dr8888.

    De schets is allang niet meer slechts een voorbewerking. Zoals tekenen niet enkel een voorstudie is voor een eindresultaat. Volgens Schotanus is het het meest eerlijke en directe genre binnen de beeldende kunst. “Meer dan bij andere technieken verraden schetsen aanleg, talent en vaardigheid van de maker.” Zij beschrijft hoe Feddema en plein air zijn onderwerp vastlegde: de hand ‘fladderend’ over het papier, de werkelijkheid in snelle krabbels gevat. Soms blijft het steken in een abstract beeld, een gedachte bij de realiteit. Het aanvoelen van een actie, het gevoel bij een gebeurtenis, kenmerken zijn werk. De snelle schets was zijn handelsmerk. Met meer tijd werkte hij tekeningen uit en voegde kleur toe, maar de spontaniteit van het eerste moment bleef.

    Feddema gebruikte het schetsen om de werkelijkheid te doorgronden. Zijn observaties waren oefeningen om de wereld te leren kennen en voor ons begrijpelijk te maken. Het zijn niet alleen voorstudies, maar studies naar het leven. Veel tekeningen zijn op zichzelf staande eindproducten, met voldoende kwaliteit en zeggingskracht. Zelfs wanneer ze de uitstraling hebben van een ontwerp, functioneren ze als zelfstandig werk. Juist in hun spontaniteit, in enkele lijnen neergezet, ligt hun kracht.

    út de sketsboeken fan Pier Feddema. Samenstelling en tekst Elske Schotanus. Uitgave Pier Feddema Stichting & Utjouwerij DeRyp, 2026.

    Pier Feddema, schetsboeken, utjouwerij DeRyp
  • De beleving van geschept papier

    De beleving. Natuur ervaren. Een gevoel nauwelijks te beschrijven. In poëtische volzinnen beschreven. Beter in artistieke beelden gevat. Het woord zet aan tot gedacht beeld. Het beeld geeft fantastische voorstelling. Best is het de natuur zelf. Hoewel woord en beeld geen uittreksel zijn of slechter aftreksel is, maar indruk en uitdrukking geven aan. De ervaring van de beleving. Het gevoel bij de waarneming.

    Kunst heeft een natuurlijke kant. In de natuur van de mens, de aard van het beestje, is het ingebakken. Zit het verborgen ergens diep weg in de lobi temoporales. Niet iedereen boort het aan, werkt het uit en stimuleert het. Maar iedereen heeft de gave, zonder er deel aan te nemen, ervan te genieten. Positief dan wel negatief. Het is een kwestie van smaak, het activeren van de nucleus solitarius. Bitter en zoet, zuur en hartig, mooi en lelijk.

    Kunst op papier brengt de voorstelling onder handbereik. De kunstenaar kan het beeld voelen. Er zit weinig tussen de realiteit en de indruk daarvan. Tekenen is de meest basale kunstvorm. Met een verkoold takje werden al lijnen gezet. Nu is dat verfijnd in het potlood als houder van grafiet. Dat schept al afstand, want houtskool verwerkt zich als de tuinman met de handen in de modder. De kool laat sporen na bij het tekenen, en niet alleen op papier.

    Wezen van de kunstenaar

    De beleving van kunst start bij de maker ervan. Deze vormt de waarneming om tot uitdrukking. In de ontroering kan de zichtbare werkelijkheid zich transformeren tot een abstract beeld, of herstructureren in een kunstzinnige waarheid. Dat neerzetten is de kracht van de kunstenaar, dat oppikken is het vermogen van de beschouwer. De natuur laat zich beelden, verbeelden in een landschap, een stilleven, een interieur of een portret. Zowel in het platte vlak als ruimtelijk. De natuur is niet alleen huisje, boompje, beestje. De mens heeft eveneens een natuur, ofwel is onderdeel daarvan.

    Het wezen van de kunstenaar beleeft de natuur in het algemeen. Maar verschillend van al die andere normale mensen. In het brein krijgt de natuur een gewijzigde vorm, wordt het zichtbare anders beleefd. Het huisje kan aanleiding zijn voor een abstracte vorm. Het boompje heeft kracht in een expressieve kleur. Het beestje is aaibaar realistisch in weergave. Stijgt uit boven het huis-tuin-en-keuken plaatje boven de bank. Kunst is geen reproductie van de werkelijkheid, hoort dat niet te zijn. Geen afgietsel. Een uitdrukking van een indruk. De expressie van gevoel.

    Deze gedachten komen bij me op zittend op de harde, weinig comfortabele, gymnastiekbank van Kunstlokaal No.8. Naar aanleiding van wat ik zie kom ik tot deze denkbeelden en inzichten. Maar ze raken kant noch wal en de wal keert het schip. Het houdt geen steek en het brengt me niet tot de kern. De deur van de ruimte zwaait open, er wacht een espresso in de huiskamer ernaast. Een koekje bij de koffie brengt me terug in de werkelijkheid. “Wat vind je ervan” is een retorische vraag. Men verwacht aan de koffietafel geen duidelijk antwoord. Dat heb ik ook niet pasklaar, want ik ben vergeten waarvoor ik hier kwam. Om te schouwen en te beschouwen, oordelen en te beoordelen, schrijven en te beschrijven.

    Geschept papier

    Dus teruggekeerd op mijn schreden. Verdiepend in het aangeboden werk, dat evenals de andere inrichtingen voor deze andermaal esthetisch in orde is. Gehangen is kunst op papier, en zelfs grafiek op blad gedrukt. En daar komt mijn gedachte aan natuur terug, want dat papier is niet gekocht in de winkel maar door de kunstenaars zelf gemaakt. Zij hebben de natuur van vezels gebruikt om papier te scheppen. En werken op een drager die eigenhandig is gemaakt zet de beeltenis extra kracht bij. De aard van het vel vormt de tekening die er is opgezet. Geschept papier geeft nooit een gladde ondergrond, dus de lijnen en vlakken daarop verhouden zich daarnaar en kunnen een eigen weg gaan – gewezen door de drager.

    Mark de Weijer nodigde vijf kunstenaars uit om in zijn atelier een week lang te proeven aan het maken van papier. Als een soort van project is het handmatige proces in een pilot opgestart. De resultaten worden getoond in Kunstlokaal No.8 onder de naam “Be my guest”, waarbij De Weijer de gastheer is en de vijf kunstenaars de gasten zijn. Het maken van papier is een intensieve arbeid. Maar bepaalt de maker wel tot de drager van de tekening die er naderhand op zal worden gezet. Men is dus van begin tot eind bezig met het product. De beleving is groots, de ervaring optimaal. Dat blijkt uit de ondervinding die in een publicatie is verwerkt als neerslag van het project.

    Eigen wijze binnen persoonlijk idioom

    De kunstenaars hebben ieder op een eigen wijze en binnen het persoonlijke idioom geëxperimenteerd. Lekker op dreef leerden ze de techniek van de gastheer of diepten hun kundigheid uit. Het handgemaakte papier heeft een eigen karakter die de aard van het kunstwerk bepalen. In de natuur van Overijssel werkend was deze omgeving een inspiratiebron. Dat blijkt uit de seriematige werken die in Jubbega hangen. In de expositie is het een genoegen dat de kunstwerken onpersoonlijk zijn. Dat enkel op een blad bij de tentoonstelling naam en toenaam staan aangegeven. Zonder dit blad erbij te pakken kan de bezoeker dus objectief de kunst bekijken.

    De kunstwerken zijn met elkaar in gesprek, zoals in het kunstlokaal het gehangen of geplaatste werk in dialoog is. Het vult elkaar aan en kan zelfs overlappen. Door diverse mensen gemaakt, maar kan zo uit hetzelfde atelier komen. En dat is in dit geval letterlijk ook zo, zij het dat vooral het medium in eenzelfde omgeving is gemaakt waar ook de informatie daarop de oorsprong in dit atelier heeft. De natuur, waarmee ik dit verhaal begon, is inspiratie. Tijdens het project zitten de kunstenaars daar midden in. De omgeving die verandert bij de dag. Het landschap spreekt in en door de kunst. De beleving is dus dezelfde. De uitdrukking daarvan divers. De realiteit kent een eigen taal, ook in de abstracte werken is deze te lezen. De kijker bemerkt dat de verschillende manieren van beleving prettig in en bij elkaar passen.

    Project naar idee Mark de Weijer

    Het is de sfeer van de natuur die de kunstenaars aantonen. Met en door natuurlijke materialen worden de voorstellingen op papier gezet. Het papier dat op een natuurlijke manier is gemaakt. Het zijn daarom helemaal biologisch verantwoorde producten. En ook het boek bij de tentoonstelling is gekaft in een ongerept geschepte omslag. Het is het aandeel van de gastheer in het project, die normaal gesproken niet grafisch bezig is. “Het woord omslag nam ik letterlijk: ik maakte een blinddruk van de bast van een iep in mijn tuin.” Het dekt de lading die een nieuwe kijk geeft op het werken op en met zelf geschept papier.

    Het project is een idee van Mark de Weijer. De stichting Grafein kon het mooi inpassen in de grafiektriënnale Grafiek25. De gastheer en begeleider wil de pilot met Ardi Brouwer, Jurjen Ravenhorst, Monique Kwist, Inez Odijk en Jadrankja Njegovan een vervolg geven in een jaarlijks kunstproject. Hij wil zijn atelier graag openstellen voor meerdere kunstenaars die de grafiek- en tekenkunst beoefenen, om zelf hun eigen dragers te maken. Om zodoende een kunstproces van begin tot eind te ervaren. Een belevenis!

    Be my guest. Papierproject. Tentoonstelling Kunstlokaal no.8, Schoterlandseweg 55 in Jubbega. Tot 30 november 2025. Behorende bij uitgave met tekst van Marie Jeanne de Rooij en ervaringen van deelnemende kunstenaars. Oplage 100 exemplaren. Stichting Grafein, 2025.

  • Joost Bakkers tegenpool van de werkelijkheid

    Het is opmerkelijk merkwaardig, om niet te zeggen een aparte gewaarwording, jezelf te ontmoeten in een tentoonstelling. Figuurlijk gesproken dan wel te verstaan. De eigen idee van beleven bij het vormgeven terug te vinden in het werk dat je ziet. In de tekeningen van Joost Bakker, bij Galerie Getekend eerst gezien, zag ik dat nog niet meteen. Vond ik mezelf nog niet direct, hoewel het werk mij al wel vertrouwd overkwam. Maar toen ik later ander soortgelijke tekeningen van Bakker onderging, tijdens de kunstbeurs Art Noord VII in Museum Belvédère, merkte ik het plots op. Bemerkte opeens dat mijn denkbeeld samenvalt met zijn indruk. Dat de uitdrukking denkelijk eenzelfde oorsprong heeft. Ik erkende dat ik mezelf erin herkende.

    Hoe omschrijf ik een vorm die getekend moet zijn omdat een beschrijving geen recht doet aan het wezen. Vraag ik mij onderwijl af. Toch voel ik mij genoodzaakt dit beeld woorden te geven om het te duiden voor de lezer, die ik daarmee animeer kijker te worden en de weg te zoeken naar de Stationsstraat in Heerenveen om Galerie Getekend te bezoeken. Aldaar is het zijn in het platte vlak waar te nemen, de kunst op papier voor waarheid aan te nemen. Want exposant Joost Bakker rollebolt in de tijd met de waarheid. Hij beleeft er plezier aan de realiteit naar zijn hand te zetten en de werkelijkheid te kantelen. In zijn idee kan de zichtbaarheid ook van achteren naar voren gezien worden, van rechts naar links, binnenstebuiten gekeerd.

    Onnatuurlijk standpunt

    Joost Bakker is een tekenaar die het experiment opzoekt, daar plezier aan beleeft. Hij test de lijn op het vlak, onderzoekt de sfeer en ondergaat de werking van licht in donker. Het potlood ofwel het houtskoolkrijt is zijn wapen om het papier figuurlijk te lijf te gaan. Het is naast de pen om te schrijven ook mijn materiaal de wereld te duiden. Niet op een eendere en zuivere manier als dat Bakker het doet. Mijn scheppen was meer illustratief, maar waar ik mezelf zie in zijn werk is de behandeling van licht tegenover donker, dag versus nacht, polen die elkaar versterken door tegenwerking. Licht dat van meerdere kanten komt kan alleen op papier en onder kunstlicht bestaan. Het vanuit onnatuurlijk standpunt komend licht om schaduw tegenover glans in het donker te brengen. Waar dat licht vandaan komt is onduidelijk, maar het is er. Hoewel het er niet kan zijn, lijkt het toch een werkelijk gegeven. Het doet niet vreemd aan. De manier waarop Bakker het in de tekening verwerkt zo veronderstel ik dat het waar kan zijn. Dat experiment ging ik destijds ook aan, Joost heeft het verder voor mij uitgewerkt. Hij kan het weten.

    Niet alleen de tegenstelling licht en donker trekt hem aan, ook onderzoekt hij volumes in zijn werk en dus tegenstellingen. Met het licht dat schaduwen werpt is het soms dat groottes gescheurd lijken en wijdtes uiteen vallen. De schaduw tilt het beeld als het ware in de derde dimensie, hoewel ik nog steeds naar een plat vlak kijk. Een vierkant In perspectief, waarvan een hoek is afgesneden, geeft de indruk van een toegankelijke omheining. Terwijl het toch maar enkele lijnen op papier zijn. Niet meer in de realiteit en niet minder in de abstractie. Het volume is kortom magisch. Er schijnt hoogte, breedte en diepte te zijn hoewel deze er helemaal niet is. Kunst is een betoverend mysterie. Want natuurlijk bestaat licht en donker ook niet op papier, is het slechts wit en zwart – de tinten waarin alle kleuren completeren. Daarmee te spelen is voor Joost Bakker een uitdaging, zoals dat voor elke andere kunstenaar zo zou moeten zijn. Het plat wordt ruimtelijk, het zicht van de kijker is voor de gek gehouden, de ogen bedrogen.

    Handgetekende animaties

    Meest simpele vormen krijgen een meervoudige uitdrukking door met de natuurlijke wetmatigheid een loopje te nemen. De aard van dingen zoals Bakker deze portretteert is niet oorspronkelijk, omdat het niet kan bestaan. Hij stoeit met de waarheid en wint het van de vaste regel. Zijn regelmaat past niet in de norm, kan echter wel als normaal worden beschouwd. Joost Bakker dolt met de lijn in het vlak. Het is geen klare lijn, maar wel zo duidelijk dat deze het vlak schijnbaar van het papier optilt de ruimte in. De tekening komt blijkbaar los van de drager en zweeft voor het ogenblik.

    Niet enkel statisch verwerkt de kunstenaar de lijn in de tekening, maar gebruikt het tevens dynamisch in handgetekende animaties. Deze letterlijk levende tekeningen tonen bijvoorbeeld een bewegende lijn die figuurlijk vormen maakt in het voorbijgaan, of cirkels spuwt vanuit een middenstip, of twee stippen zijn die elkaar ontmoeten. Nuveraerdich is de vlek die zich in de vorm meest gelijkend op een vis in projectie voortbeweegt. Tot stand gekomen door de kop steeds opnieuw te tekenen en de staart uit te gummen. Dit uitschrijvend doorbreek ik als het ware de betovering, maak ik echter de intensief tijdrovende werkwijze enigszins duidelijk. In een vierkant namelijk zwemt de visvorm zich een weg, stuitert tegen de rand en vliegt er weleens overheen om vanuit de binnenwereld in een buitenaardse ruimte te belanden. Maar telkens ook weer terugschiet naar de veilige plek binnen het kader. Het is een loslaten en terug pakken. Afstand nemen en toenadering zoeken. De vorm voelt zich als een vis in het water, maar wil ook weleens buiten de lijntjes kleuren om dan toch weer op de schreden terug te keren. Joost Bakker voelt zich fijn in en bij dit thema. Kan daarmee niet enkel in de statische tekening uit de voeten, dus onderzoekt het gegeven in een zogenoemde stopmotion film. Het blijft onder de aandacht van de beschouwer omdat het in onverwachte beweging is.

    Om in de niet zo ervaren blik van sommige bezoekers tegemoet te komen heeft Bakker naast de enigszins minimalistische en abstracte tekeningen een realistisch beeld gehangen. Ik vroeg hem bij de opening van de tentoonstelling waarom hij een doosje Zwaluwlucifers heeft geportretteerd, exact volgens het model in de keukenlade maar dan sterk uitvergroot. Om dus het in de kunst ongeoefende zicht te vriend te houden voor zijn meer tot de verbeelding sprekende werk vormde zijn antwoord. Als complementaire tegenstelling. De Säkerhets Tandstickor beslaat met een aan gene zijde afgebrande lucifer, other each, een tweeluik. Niet de rode zwavelkop is ontstoken, maar het houtje is zwart geblakerd. In eenvoud elkaars tegenpool als de aard van een magneet. Joost mag het weten, hij is een duiveltje in het doosje en heeft me met zijn werk te pakken waar ik bij sta. Ik onderga het lijdzaam, want het werk heeft een magnetische aantrekkingskracht. En …, vind ik mezelf erin. Dat schept een band.

    Resolution. Tentoonstelling werken op papier en levende tekeningen van Joost Bakker bij Galerie Getekend, Stationsstraat 6 in Heerenveen. Van 7 september tot en met 2 november 2025.

  • Life Line meer dan het lezen van de levenslijn

    Zet je een lijn op papier, dan is er een tekening. Wonderlijk. De lijn maakt de drager tot een levend gegeven. Ineens is dat papier iets, opeens stelt het wat voor. De lijn is voor dat stuk papier een levenslijn, daarmee komt het dode vel tot leven. Is er een landschap geschapen, of in elk geval een ruimte. Zet de lijn zich door tot een vorm, dan is er beeld, beeltenis. Dat kan figuratief zijn, een werkelijkheid, maar ook een abstractie. Uitgangspunt is een zichtbaar feit, een tastbare inspiratie. Door de hand gecreëerd, de manoeuvre die de lijn dirigeert en zorgt voor een compositie. “Beweegt, stuurt, geeft richting of vliegt alle kant op”, dicht beeldend kunstenaar Arno Kramer over het wezen lijn; zijn stokpaard als invloedrijk Nederlands tekenaar.

    Die hand dus geeft de lijn het gevoel waarop de tekenaar de waarheid beleeft. Maar de lijn is eigenwijs en gaat soms stuurloos een eigen weg. De lijn geeft die hand een nieuwe ervaring. Het ervaren van de werkelijkheid is voor iedere kunstenaar anders, en komt op elke beschouwer op een verschillende manier over. Wanneer echter tekenaar en kijker op één lijn zitten is de tekening naar tevredenheid. “Dan is er een diepe zucht, dan schreeuw ik het uit”, leeft Kramer zich in de lijn in, “Op papier weliswaar maar dan is het geluk aan mijn kant.” En wanneer de losse eindjes aan elkaar geknoopt zijn en er een beeltenis zichtbaar is, wanneer de beschouwer door de vorm heen kijkt en in gedachten een figuratie samenstelt, dan is de lijn opgetogen en de tekening helemaal happy.

    Uitgeplozen lichaam

    Zo een levenslijn is voor Terry Thompson het begin van een werkstuk, gereedschap om een uiting te construeren. Het is de ruggengraat van zijn tekening, de spirit van de compositie. Het begint allemaal met de lijn en daaruit ontstaat meer gevoelsmatig dan beredeneerd een vorm om de tekening te maken. Rationeel is wel de inspiratie die leidt tot een uitdrukking, maar de verwerking van de zichtbare werkelijkheid of de gedachte voorstelling is intuïtief. Thompson interesseert zich voor mythologie en literatuur, dat werkt door in zijn verbeelding. Anatomische tekeningen uit de Renaissance echoën in zijn werken. De hedendaagse wetenschap en persoonlijke ervaringen laten de tekeningen klinken als het trombone-concert in Bes van Rimski-Korsakov. Jawel, een mol, een verlaagde toon, want hoewel de tekeningen kleurig kunnen zijn is het onderwerp minder vrolijk.

    Het uitgeplozen lichaam, het ontleedde lijf is in de geest van Thompson meer dan een anatomische les. Niet dat het corpus humanum levenloos aan de balken hangt, zoals het geval was bij Vesalius – de anatoom in de 16e eeuw die Thompson sterk heeft geïnspireerd. Het analyseren van de werkelijkheid geeft Terry stof tot nadenken. Zet hem aan de tekentafel om met dode materie leven in vorm te krijgen. Het menselijk lichaam laat geen abstracte weergave toe, daar vormt de lijn zich naar de werkelijkheid. Lijkt de collage met een naakt manspersoon op een studie van Da Vinci of volgt zijn lijn die van Michelangelo. Imposant maar minder tot de verbeelding sprekend dan bijvoorbeeld de serie Dryad over een vrouwelijke geest in een boom. Een mythologisch gegeven waarin realiteit en abstractie elkaar ontmoeten. De vertelling verhaalt en vertaalt in grillige tekeningen.

    Puntige studies

    Een verhaal apart is de uitgebreide serie Cantos, waarvan bij Galerie Getekend een aantal worden tentoongesteld. De Canto Thompson is een schier oneindige reeks tekeningen, waarvan de onderwerpen al improviserend ontstaan. Het legt een lijn naar de andere professie van Terry Thompson, namelijk de muziek. Daar kan hij op de trombone als beeldend instrument tevens onvoorbereid musiceren, terwijl de partituur hem binnen de lijntjes laat blijven kleuren. In de Cantos kan de kunstenaar serieel fantaseren, a prima vista. De werkelijkheid blijft uitgangspunt, maar kan naar believen worden vervormd. In deze serie is Thompson op zijn best, omdat hij daarin de beleving en het gevoel vrij laat stromen, de ervaring laat klinken als een klok.

    Speels vult hij de composities in, versiert er zijn wereld mee waardoor mijn omgeving er een stukje meer vrolijk op wordt. De canto dramt niet, hoewel er wel steeds een zelfde motief wordt herhaald. Het is geen stuk met een verlaagde toon, het is juist een serie in fis. Scherp zoals de Engelsen zeggen, sharp. Het zijn puntige studies van de persoonlijkheid onpersoonlijk genummerd. Thompson toont daardoor zijn identiteit, zijn karakter schuilt tussen de lijnen als de eigenheid van de dichter tussen de regels door valt af te lezen. De diverse cantos hebben afzonderlijk geen titel, ook geen opvolgende uitdrukking. De enkele canto kan uit de reeks worden genomen, heeft een eigen verhaal en mist los gezien geen kop noch staart.

    De tekeningen van Thompson zijn gelaagde composities. Daarin probeert Terry Thompson de emotie te ontleden. Hij is patholoog-anatoom van de tekenkunst, onderzoekt het grafiet en de houtskool om overeenkomsten te herkennen en vormen vast te stellen. Geeft toon aan de menselijke natuur, klank aan droomvelden en ruimtelijke constellaties. De fantasie krijgt vorm en geluid. De werkelijkheid is verbeelding. In composities leiden punten de blik af en raakt het zien in beweging. Door wezensvreemde details wordt mijn oog gedwongen beter te kijken, te concentreren op wat ik zie om de zichtbaarheid te duiden. Dring ik door de lagen dan wordt het gevoel een duidelijke ervaring. Is het beeld figuurlijk abstract dan is de verbeelde realiteit niet ver weg van de getrokken lijn. Dan loopt de lijn op de grens van verbeelding en werkelijkheid. Thompson zet deze met vaste hand terwijl zijn vormen levenslustig los over het papier bewegen. Een aangename gewaarwording. De kunstenaar neemt mij figuurlijk bij de hand en leest mijn levenslijn, zien is weten. Doorkijken is herkennen.

    Life Line. Solo-expositie tekeningen Terry Thompson bij Galerie Getekend, Stationsstraat 6 in Heerenveen. Het werk is daar te bekijken tot en met 13 juli 2025.