Tag: beeldende kunst

  • Het werk van Gerrit Terpstra heeft de tijd mee

    Het is als een Wunderkammer dat boek van Gerrit Terpstra, waarin hij een lans breekt voor het ding in de kunst. Niet alleen steekt hij zijn gedachten in gevonden voorwerpen, maar zet hij zijn ideeën over de dingen ook in taal om – gevonden woorden. Zijn materiaal om de inspiratie te vertalen is beeld en woord. Schilderijen, tekeningen, objecten, installaties, teksten en verhalen. In de uitgave “Fan dingen ensa” geeft hij het kennelijk waardeloze ding een plaats in de kunst, zijn kunst. Niet enkel als getekend beeld of in assemblage, tevens als geschreven uitdrukking. Maar ook Gerrits gedachten zijn een Wunderkammer, een kunst- en rariteitenkabinet. In zijn hoofd probeert hij de chaos te ordenen, het resultaat is zijn levenswerk, zijn oeuvre in de kunst. Om mij over te verwonderen.

    Jan de Waard leidt het boek in en duidt dat het Gerrit Terpstra gaat om gewone en alledaagse dingen, onaanzienlijke voorwerpen die na gebruik meestal in het niet verdwijnen. Alles begint bij de dingen. Zonder dingen gaat het niet. De dingen waar het Terpstra om gaat dragen een verleden, hebben de tijd in zich. De tijd die maakt en vergaat. En juist dat vindt de kunstenaar er zo interessant aan. Dat element van tijd wil hij vastleggen in zijn objecten, niet laten vergaan in zijn taal en teken. “Beeld transformeert in taal en taal transformeert weer verder naar beeld”, schrijft De Waard. “Hiermee ontwikkelt zijn werk steeds verder, en tegelijk is deze reeks van vertalingen het onderwerp van zijn werk.” Dat werk kent de constanten verschijnen, verdwijnen en opnieuw verschijnen als punten op een cirkel. In het middelpunt daarvan werkt Terpstra, waarbij constructie, deconstructie en reconstructie de stralen zijn. Zijn oeuvre is de dwarsdoorsnede, het diagonaal van de dingen.

    Een beschrijven van het geschiede

    Een gesprek met de kunstenaar belicht zijn relatie met de tijd. Je leest hem kennen, maar meer nog kijk je hem in zijn werk. Daarin groeit zijn wezen, het zijn. Mijn bewustzijn heeft daaraan moeten wennen. Want schreef ik in 1991, staande in de toenmalige Heerenveense Kunstruimte en nog niet zo gepokt en gemazeld in kijken en beleven, onder de kop ‘Het verhaal van Gerrit Terpstra heeft open einde’: “Deze ‘tiidskippenromte’ lijkt een uitstalling van vondsten. Het grijpt terug op een rijk verleden. Een geschiedenis waarin de mens evenzeer is geïnteresseerd als in de toekomst. Een verzameling gedachtegangen door Gerrit Terpstra in beeld gebracht, als een profeet met weldoortimmerde voorspellingen. Een beschrijven van het geschiede. De bouwwerken op de geroeste plateaus hebben de vorm van schepen. De stander, waarmee ze een geheel vormen, houdt de vaartuigen uit het water. Niet zozeer als letterlijke middelen om zich over water te verplaatsen, maar meer om het verhaal in de tijd ruimte en plaats te geven. Ieder scheepje is geladen met een vergankelijke vracht. In de ruimtelijke compositie zijn symbolen verwerkt van menselijke en stoffelijke zaken. Elementen die worden geofferd op een altaar van lood, glas, hout of papier. (…) Deze inspiratie dwingt de ‘romte’ op aan de toeschouwer die in devotie de knieën buigt en in spiegeling de geschilderde evenbeelden ontdekt.”

    Nu herbeleef ik die gedachte weer. De dingen van gisteren zijn de Dingen van vandaag. Met eenzelfde inhoud, maar in een andere vorm. Terpstra is gegroeid in zijn verhaal en weet het steeds beter onder beelden te brengen. Het boeit Terpstra terug te grijpen op werk dat eerder gemaakt is en daar opnieuw betekenis aan te geven. Om de tijd te herbeleven, het verleden in een andere vorm terug te halen naar het heden.

    Diepe denkers en verdiepte kunstenaars

    Uit een opstel, geschreven in het kader van de tweedegraadsstudie tekenen-handvaardigheid voor het vak kunstgeschiedenis, is het deel ‘het ding’ in het boek opgenomen. Daarin weidt Terpstra onder de noemers beleven en herbeleven uitvoerig uit over hoe het ding op zich als voorwerp in de loop der jaren een volwaardige plaats wist te verwerven in de kunst. Door toedoen van diverse kunstenaars werd het ding ingebracht en veranderde de zienswijze op en van kunst. Na het ding als individu te omschrijven, een gebruiksvoorwerp dat toepassing krijgt in een museum, stelt hij het in relatie tot natuur en cultuur. In een persoonlijke beschouwing benadert Terpstra het onderwerp op een filosofische manier, gaat in op de geschiedenis en de veranderende kijk op het onvoorstelbaar gewone. Door toedoen van diepe denkers en verdiepte kunstenaars heeft het ding waarde gekregen, heeft het beeld een functie. Is het ding tijd geworden. Nadat alle ins en outs zijn besproken brengt Terpstra het ding in zijn beeldend werk in, geeft het zin. Het opstel geeft een inkijk in zijn zienswijze, zijn benadering van dingen enzo.

    Zijn verhaal over een man die op zijn looppad een boerderij betreedt is al even mysterieus als vele van zijn composities en objecten dat zijn. Terpstra heeft het talent om de lezer in het verhaal te trekken, de gave om de kijker aan zijn werk te binden. Er gebeurt steeds om een hoekje iets wat niet te verwachten was. De laatjes in zijn kasten verbergen onvoorziene zaken. Bij Terpstra kun je de kunst opentrekken om nieuwe oude dingen te ontdekken. Niet alleen de objecten bewijzen dat driedimensionaal, ook in het vlak van de schildering en tekening, het grafiek, huist verwondering.

    Het Ding

    Gerrit Terpstra heeft een bijzondere manier van creëren en componeren. Je wordt in de creatie, het object, getrokken. De compositie, het schilderij, intrigeert zo dat het de aandacht vast houdt. Het is een mysterie, het heeft een magische aantrekkingskracht. Dat is wat het is in de fysieke ruimte. In het boek zijn het vooral de teksten die intrigeren, meer nog dan de verzamelde dingen. Die dingen kan ik zelf om me heen vinden, ze liggen verloren in mijn zijn. Maar in handen van Gerrit Terpstra en door zijn vingers aangeraakt krijgen die dingen meerwaarde. De magie zit in de vormgeving, de manier waarop het ding een plaats krijgt in de compositie. Ligt het verloren in de bak met nietsigheden of op een hoop oud vuil geveegd langs de weg, Terpstra ziet er de waarde van in en zet het op een voetstuk. Zo wordt het ding tot kunst en zie ik de nietsigheid opeens ietsigheid worden. Het verlorene is gevonden, de schepping herschapen. Terpstra’s schatkamer herbergt veel van die dingen die klaar liggen om te reïncarneren. Om een nieuw leven te beginnen.

    Hij gebruikt het losgelopen verloren materiaal als onderdeel van zijn kunststukken, zoals de stroperige materie uit een verftube deel uitmaakt van een schilderij. Het takje is belangrijk in het geheel van de installatie, de verfspat maakt het kunstwerk af. Het detail is belangrijk voor de opbouw en uitwerking van de compositie. Terpstra maakt het ding persoonlijk, geeft het waarde in het zijn. Het is blijkbaar iets. Het ding stelt weer iets voor. Het heeft een naam en mag met een hoofdletter worden geschreven, het Ding. Terpstra heeft een verhaal, het ding heeft een verhaal. Dat verhaal wordt zichtbaar in het zijn, in het wezen, dat het er is en mag zijn. Dat het bruikbaar was in de mensenwereld, materiaal dat tot nut was om het zijn leefbaar te maken. Maar dat nut heeft het verloren en is afgedankt, bedankt. Het bewees een dienst in de natuur, maar werd afgehaakt als het vallend blad in de herfst. Het was er, het deed er toe. Dat zijn is voorbij, dat leven is gedaan. Terpstra brengt andere inhoud in, het ding heeft nieuwe waarde. Het wordt hergebruikt. Je loopt eraan voorbij, Gerrit niet. Hij kijkt beter en ziet scherp. Hij heeft een verhaal en vertelt dat met wat het leven verloren heeft. Niet eens zozeer verloren, maar meer weg gedaan, afgevoerd. Dat wat eens was is weer nu. Gisteren wordt vandaag om morgen te glanzen.

    Leporello

    Tot slot is in de kaft van het boek een leporello gestoken. Het toont het vernietigen van een draadstaalfiguur. Een installatie opgetrokken uit fijnmazig draadgaas staat figuur voor het leven. Het verbeeldt de tijd en de vergankelijkheid. De mens verliest alles wat hem lief is – huisje, boompje, beestje – en legt uiteindelijk zelf het loodje. Wat rest is een hoopje niets. Want alles is ijdel, nutteloos, leeg. Stoei ik met letters om zinnige zinnen te maken, de woorden zo te rangschikken om een leesbaar verhaal te schrijven. Gerrit Terpstra evenwel heeft zijn tekst in beelden al gevonden om zin te geven aan zijn filosofie over tijd. Het mag de tijd hebben.

    Fan dingen ensa. Gerrit Terpstra. Teksten Jan de Waard, Gerrit Terpstra, Michel Tournier. Uitgave Wijdemeer Dokkum i.s.m. Mooi Rood Pers, 2025.

  • Een expositie op de leestafel, om een boom op te zetten

    Het lijkt een makkie. Neem een bosje penselen en wat kwasten, pak er een doos verf bij en vul een beker met water. Scheur een vel zwaar papier uit een schetsboek. Meng dan de verf met water zonder de kleuren te besmeuren. En maak met het penseel lijnen en gebruik de kwast voor vlakken om een figuratie op te zetten. Gebruik desnoods je handen of een spons om speels details uit te werken. Klaar is kees, een kind kan de was doen. Zo oogt het resultaat in eenvoud. Maar zo makkelijk gaat dat niet. Aan een eenvoudig schijnende verftekening gaat een heel proces vooraf: veel kijken, goed zien, serieus beschouwen en diepgaand denken. Aanvoelen en mijmeren, bevoelen en reflecteren.

    Wie het boek The Infinite Tree of in goed Nederlands De Eindeloze Boom doorbladert waant zich in een bos. Achter elke boom staat een andere, bij het omslaan van iedere bladzijde doemt een nieuwe studie op. Twijgen slaan in mijn gezicht, takken druk ik aan de kant. Kunstenaar Ron Dirven, die deze gebonden expositie van eigen werk door Robert Zandvliet heeft laten cureren, geeft de dwaler handvaten om te beschouwen. Maar ook wel stuurt hij mij het bos in en zet een emotionele abstractie op. De oorsprong is echter nooit ver weg. Evenals de natuur veelvormig is zo is de kunst van Dirven pluriform. De boom als bron waaruit de inspiratie voort vloeit en de compositie ontspringt. Van origine is de stam de oorsprong. De drager van de geschiedenis. De wortels vertellen over het verleden terwijl de bladeren uitvliegen van de takken naar de toekomst.

    Weerbarstige stammen

    Het schijnt dat Ron Dirven gefascineerd is geraakt door het laatste schilderij van Vincent van Gogh. Geïnspireerd door de grillige lijnen en vlakken die een veelheid aan boomwortels tot een eenheid maken. In dat beeld schuilt de gebrouilleerde geest van de maker. Zijn strijd met het leven komt er in tot uitdrukking. Maar ook zijn olijfbomen en knotwilgen zijn zelfportretten. Dat Dirven daarin zijn oorsprong tot het componeren van zijn beeldtaal vindt is niet zo vreemd, want hij is directeur-conservator van het Vincent van Goghhuis in Zundert. Het geboortehuis van de schilder, waar echter de reden om zijn kunst er nu te tonen flinterdun is. Daarom is er in de tot museum omgevormde pastorie regelmatig een confrontatie met hedendaagse kunstenaars, die zich in een naastgelegen atelier op het werk en de idee van Van Gogh kunnen richten. Daaruit komen de meest interessante projectmatige producten en composities voort.

    Ron Dirven werkt echter in eigen atelier aan zijn oeuvre met de boom als bron van inspiratie. De boom die het leven is, de stamboom van het zijn. Maar zijn fascinatie is breder, Dirven beschouwt de natuur als geheel. In al de veelvormige uitingen zoekt hij naar eenvoud. Deze vindt hij het meest karakteristiek in de weerbarstige stammen, de verhoutte stengels tot grillige takken, de bladeren en de vruchten. In eenvoudig meervoudige tekeningen werkt hij deze inspiratie uit. In een speelse stijl zijn het vrolijke en fantasierijke verbeeldingen geworden. Door de kleurstellingen met water uit te drukken ontstaan transparante voorstellingen, geen compacte bosranden of massieve doorkijkjes. Geen indruk waarin ik door de bomen het bos niet meer zie.

    Ron Dirven staat zich er in de buitenwereld niet op voor kunstenaar te zijn, omdat hij niet als schilderende museumdirecteur geafficheerd wil worden. Daarom heeft hij jaar en dag in afzondering iedere maandag van elke week aan zijn portfolio gewerkt. Daarvan is nooit een tentoonstelling gekomen totdat collega Robert Zandvliet artist in residence in Zundert werd. Zandvliet zag de kwaliteit en bezag de originaliteit van Dirvens werk en raadde hem aan daarmee in de openbaarheid te treden. In eerste instantie is het boek The Infinite Tree daarvan de weerslag. Een logboek als beschrijving van zijn bevlogen fascinatie voor het machtige hout.

    Een kind kan de was niet doen

    Steeds opnieuw ging en gaat hij de strijd aan met het materiaal om vooral de stam en de takken in een oogwenk krachtig op papier te zetten. Het gebruik van meer water geeft het beeld de ruimte om zich te ontvouwen en daarmee kan de kunstenaar de controle enigszins los laten. Hoewel het resultaat een statische afbeelding is, eigen aan de boom als standvastig karakter, gaat er tegelijkertijd een dynamische kracht vanuit. Alsof iedere ademtocht als windkracht 8 er langs schuurt en de emotie tot boven de kruin laat stijgen. Dirven studeert en improviseert om het moment te raken waarop het werk zichzelf lijkt te maken en hij doorgeefluik is van iets buiten hemzelf. “Het is het moment waarop je alle ratio, elk vooropgezet plan of ambitie los durft te laten”, schrijft Rebecca Nelemans in de inleidende tekst van het boek. “De sprong diep in de duisternis van het niet sturen, niet weten, zoeken naar het moment van onvermogen om uit te drukken, daar ontstaat het onzegbare (…) dat zo kenmerkend is voor de beeldende kunst.”

    Een kind kan de was niet doen. Het opzetten van een boom in de meest eenvoudige vorm is geen kinderwerk, hoewel deze jeugdige figuur zonder rugzak spontaan een meesterwerk kan creëren. Op de simpele manier waarop een kind de wereld beschouwt en kan uitdrukken, kan de kunstenaar eenvoudig zijn of haar emotie in de afbeelding tekenen en penselen. Of zoals Zandvliet meent dat alles in het werk van Dirven op zijn plek valt: “Er is niets in deze werken wat te veel of te weinig is of niet klopt.” Het beleven straalt van de werken af, de veelvormigheid van de natuur maakt indruk op zowel de kunstenaar in het veld als de beschouwer in zijn werk. Het boek is een expositie op de leestafel, waarin A5 vellen tussen de A4 bladen zijn gestoken om de beleving van het bos te waarborgen. In de afzondering en de stilte tussen de vier muren van het atelier is een robuust oeuvre ontstaan dat de wereld aankan. Een weergaloze beeldbeschrijving die staat als een huis boom. En zoals de natuur zich van diverse kanten laat bekijken, heeft Ron Dirven in zijn studies van het hout een veelzijdig vermogen opgebouwd. Hij tovert als het ware met de verf en schept aldus speelse creaties in legio variaties op het fenomeen boom. Ron Dirven is zichzelf, maar in het diepst van zijn wezen een beetje Vincent van Gogh: veel kleur en een snelle penseelstreek met ruimte voor emotie.

    The Infinite Tree – De Eindeloze Boom. Ron Dirven. Tekst Rebecca Nelemans. Uitgave The Eriskay Connection, 2025.

  • Een nieuwe driedimensionale realiteit

    Alles wat dood is kan een tweede leven krijgen. Zo geschreven en nagelezen klinkt dat vreemd, het hoort raar. Alles wat leeft zou een nieuw leven kunnen krijgen, daar gaan sommige figuren voor wat betreft menselijk zijn van uit – onder een nieuwe hemel, op een nieuwe aarde. Hoe het dan met dieren en planten gaat wordt niet duidelijk en in het midden gelaten. Echter de mens kan een levend wezen dat de dood heeft gevonden niet weer tot leven wekken, daar is een hogere geest voor nodig zo zegt men. Maar dode materie kan wel een nieuw leven worden toegemeten. Hoewel leven dan een metafoor is, want levenloos blijft uitgestorven – niet zijn is ijdel.

    Datgene wat in onbruik is geraakt, hetwelk de oorspronkelijke functie heeft verloren, kan opnieuw van betekenis worden en een bepaald belang worden toegekend. Een levend wezen zal die handeling niet kunnen uitvoeren, want de waarde van leven is verdwenen wanneer de functie van wezen stopt. Is de mens ontslagen uit het leven, door reorganisatie van het zijn of bezuiniging op de tijd, dan kan het lichaam solliciteren tot het een ons weegt… Dood is dood, voor het lijf althans. Een weggegooid stuk hout of een afgedankt brok metaal echter kan bij verandering in bedoeling en relevantie aan kracht en gewicht toenemen. Misschien zelfs meer waarde krijgen dan dat het voorheen had. In vaktermen noemt men dit dan een tweede leven. Dat vak is de kunst. Want het is een kunst om te recreëren, om te herscheppen.

    Dat is wat Harrie Gerritz doet, herscheppen. Blader ik in zijn boek “Sculptures”, dan verwonder ik mij over het nieuwe leven dat de gevonden voorwerpen door zijn gedachten kregen toegemeten. Hij denkt zich nieuwe samengestelde vormen in, uit de materialen die hij langs de rand van het zijn vindt. “Harrie loopt soms als een strandjutter langs de Waal”, schrijft prof.dr. Nico Nelissen in de inleiding tot het boek. “Alles wat aanspoelt, lijkt zonder waarde: het is overboord gegooid, in het water terechtgekomen zo maar op de oever aangespoeld. Ook op andere plekken, zoals in afvalcontainers op bouwplaatsen vindt hij het materiaal dat hij in zijn sculpturen verwerkt.

    Geen readymades

    Harrie Gerritz is geen beeldhouwer, hij is een beeldbouwer. Van de voorwerpen, objets trouvés, stelt hij kunstwerken samen. Door een auto-ongeluk is zijn motoriek aangetast en laat hij de assemblage over aan een technisch assistent. Hij moet dus noodgedwongen het maakwerk uit handen geven, dat vergt overgave en vertrouwen. Om de ruimtelijke werken de vorm te laten hebben die Gerritz in gedachten heeft, dat het resultaat een-op-een is en de vormgever content is met de vormmaker.

    Het zijn geen readymades, want Harrie Gerritz verheft een enkel gevonden voorwerp niet tot kunst maar vormt met verschillende onderdelen een ruimtelijke collage. Er ontstaat een nieuwe vorm met inhoud, waarde en betekenis. Met een heel ander belang dan dat het eerst had, zelfs wel tegengesteld daar aan. Het object heeft een eigen dimensie, het toont aan dat eenvoud het kenmerk van het ware is. Het herkenbare wordt omgevormd tot een abstractie die het meest lijkt op een architectonische sculptuur. Een bouwwerk waarin gewoond kan worden. Het nodigt niet uit tot een lijfelijke bewoning, maar geeft onderkomen aan de psyche. De mate waarin Gerritz de ruimte bezet met bouwsels zou in een enkele gedachte de woningnood oplossen. Maar dan wel de nood van het gemoed, het gevoel dat is geplet in de huidige digitale samenleving.

    Gevonden voorwerpen

    Blader ik dus door het boek, dat is uitgegeven bij Van Spijk Art Books en waarvoor genoemde prof.dr. en Cyrille Offermans een tekst hebben geschreven, dan zie ik een verscheidenheid aan bouwwerken. Bouwwerken die in vorm en uitstraling herkenbaar zijn. Ze zijn in de ruimte geplaatst als bestaande constructies, als zijn het maquettes van gebouwen, modellen voor een groter geheel. Van enkele van de houten bouwsels zijn rubbermallen gemaakt die daarna in brons worden gegoten. Ze kunnen aldus groteske vormen aannemen, theatrale decors voor een onwezenlijk schouwspel. Maar de vormen passen in de ruimte, zijn er voor gemaakt. Deze doen de omgeving geen geweld aan. Het is alsof de objecten altijd al zo tussen de bomen hebben gestaan, langs het water. Een gevonden beeldtaal met het accent van de omgeving.

    Meestal vormt Gerritz gebouwde werken uit de hun betekenis verloren voorwerpen. Nieuwe belanghebbende objecten met een ongebruikelijk oogmerk, hoewel de intentie een moderne schoonheid bezit. Een verrassende vorm dat nog nauwelijks het oorspronkelijke doel waarborgt. Echter kunnen enkele tevens een menselijke gedaante aannemen. Een figuur dat communiceert met de omgeving, zoals ieder object van Gerritz in gesprek is met de sfeer waarin het geplaatst is. Iedere andere kring waar het zich in begeeft krijgt de sculptuur een nieuw leven, een voordien ongebruikt zijn. Het reageert anders, het respondeert tegendraads. Maar het blijft altijd in onderhandeling met de omgeving, en wanneer het groepsgewijs zich aanbiedt wisselt het van gedachte met deelgenoten. De bouwsels zijn over het algemeen gesloten, silhouetten van een verleven bestaan, maar sluiten daarmee niet de communicatie af. Er zijn allerlei vormen, verschillende figuraties, opgestaan in een nieuwe schepping met een andere aankleding dan waarin het gevonden is ooit. Een volgend leven betekent kleuring, een nieuw coloriet en een scala aan nuances.

    Van de hel komt het gevonden voorwerp in de hemel. Verloren geraakt van het dagelijks gebruik krijgt het een kunstzinnige betekenis. Harrie Gerritz vindt in de dakloos zwervende materialen een nieuw belang. De stukken hout en brokken steen, los gezaagd en afgebroken van de benutting, worden tot kunstwerken. Staan op een voetstuk waar ze voordien ter ondersteuning van een toepassing waren. Deze zelf het onderstel of de sokkel waren, maar nu zijn verheven en opgericht. Torens, poorten, dorpen, kerken, huizen. Monumenten voor hergebruik. Het terugwinnen van vormen. Een kringloopproces, vanuit de massa naar de kunst, van een kunstzinnige interpretatie naar een concreet kunstproduct. Harrie Gerritz is een recycler, een hergebruiker. “Aan een aangespoelde boomtak wordt een nieuwe interpretatie gegeven en aan een gevonden verroest stuk ijzer wordt een nieuwe betekenis toegekend”, schrijft Nico Nelissen. “Harrie collectioneert, interpreteert, modelleert en componeert zijn gevonden objecten tot een nieuwe driedimensionale realiteit.

    Harrie Gerritz. Sculptures. Tekst prof.dr. Nico Nelissen, Cyrille Offermans. Uitgave Van Spijk Art Books, 2025.

  • De dwarse wegen in het beeldend werk van Adrie Krijgsman

    Voordat hij zich aan mij openbaart als beeldend kunstenaar ken ik hem als begenadigd dichter. Twee van zijn bundels mocht ik reeds becommentariëren. Een schrijver met scherp oog voor de kleine dingen in de nabijheid van zijn omgeving en de grote problemen verder weg op het wereldtoneel. Nu dan ligt een gebonden oeuvreoverzicht aan mij voor. Hierin laat hij mij, en anderen die de uitgave zich aanschaffen, een deel van zijn beeldende werk in verf, potlood en inkt zien. Maar ook keramiek en fotografie. Performance en installaties. En grafisch ontwerp en vormgeving. Krijgsman is een spin in zijn kunstweb, die aan vele touwtjes trekt. Een jongleur die diverse ballen in de lucht houdt.

    Opnieuw uitvinden

    De uitgave waar Adrie Krijgsman als veelzijdig kunstenaar in naar voren komt, is getiteld “dwarswegen”. Daarom omdat hij graag van het rechte pad afwijkt. Wars van wat hoort en volgens de grote gemene deler zou moeten, dwaalt hij liever af naar datgene wat hem plezierig voelt. Zo blijft hij dus niet voortgaan op de eens ingeslagen en vertrouwde weg. Probeert zichzelf voortdurend opnieuw uit te vinden onder de stelregel: waar je goed in bent moet je loslaten. “Tenminste, als je vooruit wilt. Wanneer je blijft doorgaan met iets wat je voldoende onder de knie hebt verval je al snel in herhaling”, schrijft Krijgsman in zijn voorwoord. In deze tekst verantwoordt hij de het stand komen van het boek. Waarom het me voorligt. Krijgsman heeft er geen boodschap mee, niet anders dan dat hij voor zichzelf en voor mij en de buitenwereld op een rij zet welk aandeel hij had en heeft in de kunstgeschiedenis. Zijn werk mag niet ongezien zijn.

    Adrie Krijgsman

    In het boek laat Krijgsman zien wat hij in de loop van zijn werkbaar leven allemaal op papier heeft gezet, of anderszins in de wereld heeft geplaatst. Van krabbels uit zijn jonge jaren tot schilderijen die hij bij wijze van spreken vorige week heeft gemaakt. Daarin valt op dat het beeld alle kanten kan op schieten. Er is geen lijn te herkennen, niet anders dan dat de menselijke gedaante belangrijk is. In het begin, geheel in de stijl van de tijdgeest heeft de tekenaar een voorkeur voor het surrealistisch afbeelden van de wereld en het uitbeelden van zijn emotie.

    Maximale uit zichzelf

    De richting welke hij in zal slaan is nog niet duidelijk. Maar volgens zijn adagium zal deze ook niet helder worden. In zijn werken voelt hij zich vrij, onafhankelijk. Onbegrensd kan hij zijn eigen grenzen zoeken, het plafond vinden waar zijn kunnen het hoofd stoot. Maar onder dat uiterste haalt Krijgsman het maximale uit zichzelf. In het boek zie ik die ontwikkeling voorwaarts. Maar dan wijkt het werk af, zet de kunstenaar een stap terug om daarna in grote sprongen naar voren zichzelf in te halen. De inhoud lijkt een samenraapsel van stijlen, maar heeft een krachtige uitdrukking.

    Adrie Krijgsman

    Krijgsman werkt in series om stijl en techniek tot op de bodem uit te diepen. En wanneer dan deze kunstuiting tot op het bot is uitgebeend, hij het maniertje wel kent, is het voor hem genoeg en voldoende. Dan is het dus geen kunst meer en wordt het een kunstje. Dan is de lol er voor hem af. De punt wordt een uitroepteken. Wil hij verder, groeien door te experimenteren. Eerder gebruikte elementen kunnen echter nog wel terug komen in een gewijzigde vorm en met totaal ander werk.

    Zich en visie op maatschappij

    Zo zie ik, bladerend in het boek, dat op veel verschillende manieren het menselijk gezicht in diverse series en losstaande werken terug komt. De gezichten van Krijgsman zijn eigenlijk grimassen, maskers en mombakkesen. Geen ware afbeeldingen, imaginaire koppen. Zoals ik ze kan tegen komen in mijn dragdromen, nachtmerries. Een gezicht om je achter te verschuilen, wanneer ik de mimiek zelf opzet. Daarmee je ware zelf niet aan de buitenwereld te hoeven laten zien. Mijn ik verbergt zich. Maar, heel paradoxaal, Adrie Krijgsman toont zichzelf in die gezichten. Laat door de onwerkelijke gelaatstrekken, waarbij de ogen en mond soms onwerkelijke plekken hebben ingenomen, het zicht en zijn visie op de maatschappij zien. Een gelaatsuitdrukking die onecht lijkt maar een dieper gevoel losmaakt. Een cynische blik, een beeldgrap. Een cabaretesk voorkomen dat ik eerder zag in de kunst van Bram Vermeulen. Bram die ook vakkundig met taal speelt, evenals Adrie dat later na het beelden en verbeelden in voorstelling en illustratie tot het diepst van zijn wezen eigenzinnig zal doen.

    Er valt te communiceren met het grootste deel van zijn oeuvre, vooral omdat daarin ogen spreken. Krijgsman richt daarin het woord tot mij, want hoewel niet met zoveel woorden gezegd heeft hij wel iets te zeggen. Hij heeft een verhaal. Geen boodschap. Na zijn voor hem meest productieve periode op het gebied van de beeldende kunst wordt het stil. Of althans zwijgen de kleuren, laten de vormen minder van zich horen en zien. Door materiaal en stijlen uit te graven, iedere mogelijkheid in gebruik van grondstof en vormgeving te peilen, wordt de beeldende scheppingsdrang minder dwangmatig. Wanneer de belichaming dan is af geschilderd en er enkel emotie overblijft gaat wat mij betreft de kwaliteit omhoog. Het sarcasme maakt plaats voor schilderkunstige uitbeelding. Een voorbeeld daarvan zie ik de rode abstracties. Krijgsman hoeft in verf of grafiet, met penseel of potlood, niet zo nodig meer commentaar te leveren. Dat kan dan wel met pen op papier in rijmende letters. Hij kan zichzelf zijn in het abstraheren. De werkelijkheid deduceren, zijn gevoel herleiden en afbeelden.

    De kunst stroomlijnt

    Een enkele keer maakt Krijgsman het totale lichaam, expressief of realistisch uitgewerkt, onderdeel van de compositie. Maar aangezien het gezicht het eerste element van het lichaam is waar wij naar kijken, waar het ene mens bij de ander op let, krijgt dat gezicht in het werk van Krijgsman de meeste aandacht. Daarna kunnen de ogen het lijf in geheel opnemen of kan de blik afdalen naar andere spots die van belang schijnen. Maar altijd zijn de oogopslag, de vorm van de neus en de trekken om de mond aanleiding iemand in ogenschouw te nemen.

    Het is of naarmate hij ouder wordt de kunst zich stroomlijnt. Hij zoekt een vorm die weinig ruimte vereist, maar waarmee hij wel ruimte kan houden in zijn hoofd. De beelden hebben uitdrukking in woorden. Werd de kunst al gaandeweg volwassen, nadat hij eerst als een jongeling wild om zich heen sloeg en welhaast alles deed uitproberen, is deze in de poëzie positief bejaard geworden. Van jong via jong belegen naar belegen en oud. Maar de poëzie is geen onderwerp in dit boek. Het draait enkel om de uitingen in beelden, hoewel Krijgsman ook zeker een beeldende schrijfhand heeft.

    Zo de wind waait, zijn jasje niet

    De beeldende kunst schiet in alle windstreken. De wind van de inspiratie draait in iedere richting. Dat is het integrerende aan het oeuvre van Krijgsman. Er valt veel te zien. Het is een kijkboek. Een atlas van zijn kunst. Een plattegrond van zijn kunnen. Het geheel is meer dan de som van de delen. Hoewel de delen best afzonderlijk bekeken kunnen worden zonder dat het geheel uit het zicht raakt. Zijn kunst verplaatst zich langs zijpaden, volgt dwarswegen en raakt nauwelijks terug op de hoofdstraat, het voorplein. In teksten legt de maker dan nog de grote lijnen uit van wat ik in het boek zie. Het is een toevoeging die mijns inziens onnodig is, maar toch wel dingen duidelijk maakt zoals wanneer het de performance, de installatie en het drukwerk betreft. Het affiche- en folderontwerp vind ik in deze context minder interessant. Het toont de veelzijdigheid en is aardig voor de archivering, maar niet meer dan dat. Want eigenlijk wil ik alleen maar mijn ogen in de platen de kost geven. Mijn dorst stillen met de kleurige werken op doek, board en papier. Want het is een uitgebreid menu dat mij door Krijgsman is voor geschoteld. Smakelijk in eenvoud, gezout en gepeperd waar nodig. Een rijke waaier in kunstzin.

    Zo de wind waait, waait zijn jasje niet. Geenszins. Krijgsman is een experimentor. Hij neemt de proef op de som dat tot een nieuwe uitkomst in zijn werken komt. Zo lijkt het oeuvre als los zand te zijn. Maar niets is minder waar. In vrijwel ieder afzonderlijk werk of in serie is de geest van Krijgsman merkbaar. Zijn vinger heeft het aangeraakt, er leven in geblazen. Niet tastbaar dan wel zichtbaar aanwezig, maar het gevoel dat hij er onbewust in heeft gelegd is invoelbaar. Dit boek is het leven in beeld, het zijn van Adrie Krijgsman.

    Dwarswegen, beeldend werk van Adrie Krijgsman, een oeuvreoverzicht. Uitgegeven bij Brave New Books, 2022.

    Adrie Krijgsman