Tag: beschouwing

  • Houwen in steen en stikken met draad bij Kunstlokaal No.8

    Ze heeft de vorm vrij gehakt uit harde, zware steen: Ada van Wonderen. Het ruwe materiaal geeft onder haar handen, hamer en beitel een figuur prijs die zich lang verborgen heeft weten te houden. Wanneer ik de ruimte van Kunstlokaal No.8 binnenstap en om mij heen kijk, meen ik stenen doosjes in diverse afmetingen te zien. Doosjes die nog geopend moeten worden, die nog een vorm in zich dragen, besloten houden. Dat is het spannende van de gebeeldhouwde figuren: ik heb het gevoel dat zij nog niet af zijn. Dat het houders zijn van een gedachte, een veronderstelling. Want wat zal er onder die gebeitelde, ruigharige huid schuilgaan? Wat zal de spiegelglad gepolijste aaibaarheid verbergen? De steen zal het weten; deze is beeld geworden.

    Verwonderlijk. Suggestief beeld. De suggestie is echter vals, want dit ís wat het is. Dit is niet het begin, maar het resultaat van deze kunst. Er hoeft niets open; de vorm blijft gesloten. Een blokje steen dat zich verheft op pootjes. Het volume komt los van de aarde, is uit de tijd genomen en kent, na schuren, slijpen en kloppen, een eigen moment. Op dat tijdstip kruist mijn blik tweebenen, viervoeters en veelpoten. In dat ogenblik beschouw ik het bevroren uur: een punt dat door Ada van Wonderen is stilgezet in het tijdperk van deze brokken hardheid. De steentijd. De evolutie van Belgisch hardsteen, van marmer en albast, is hier gestopt, in dit figuur vervolmaakt. Dit is het sublieme stadium. De schepper heeft gesproken: het is goed zo.

    Kunstlokaal No.8, Ada van Wonderen, Janneke Hogerheijde

    Afgemeten gedaante

    Van Wonderen hakt geen objecten; het zijn figuren die in de steen tot uiting komen. Figuranten in de tijd, met menselijke en dierlijke trekken. Benen, voeten en poten houden het lichaam omhoog. En wanneer de materie vermoeid raakt van het staan, zijgt zij neer en steekt de dikke pootjes onder de zit uit. De figuren zijn in essentie het gestel van een levend wezen: de romp naar model gevormd, zonder hoofd, schouders, knie en  teen. In de kern is dit het wezenlijk voornaamste deel; daarom krijgt het in deze vorm het meeste gewicht aangemeten. Maar eigenlijk is de gestalte als zodanig van minder belang. Zij is plomp en statisch door het gebruikte materiaal, monumentaal in detail. De bewerkte huid maakt het ding tot levende steen, een dynamische vorm. Deze huid is door de kunstenaar gebeiteld en ingesneden.

    Albast, marmer of diabaas hebben een natuurlijke belijning. Daarin hoeft Van Wonderen niet in te grijpen; de gedaante afmeten is voldoende. Door de deur kom ik de ruimte binnen, zoals gebruikelijk. Rechts, op een sokkel tegen de wand, zie ik een roodmarmeren figuurtje. Het is mooi gelijnd, natuurlijk ingetekend. Het draagt de titel ‘Zie mij’. Het is denkelijk een zelfportret van de kunstenaar die mij binnen nodigt. Maar eerst trek ik nog de bovenste lade van de tekenkast o de gang open. Daar vind ik afdrukken van houtsneden op ruw geschept papier. In veelvoud is de tweepoter een poort geworden: een grafische schets om de figuur in de vingers te krijgen.

    Kunstlokaal No.8, Ada van Wonderen, Janneke Hogerheijde

    Bij afzonderlijke tentoonstellingen laat Kunstlokaal No.8 altijd een vierkant boekje verschijnen. Klein maar fijn, met net genoeg beeldbladen en teksten om de kunstenaars voor te stellen. Niet zelden grijpen de daarin afgebeelde werken mooi in elkaar en aaneen. Deze keer is de overgang wel heel bijzonder. Schaf u het boekje aan en zie zelf de perfecte wisseling van de zwarte viervoet met witte structuur naar het witte draad op zwart kunstleer. Ada van Wonderen spiegelt zich in Janneke Hogerheijde. Hogerheijde reflecteert op Van Wonderen. Hogerheijde wordt in het boekje voorgesteld als een tekenaar met de naaimachine. In dat genoemde wit op zwart laat zij de draad uitwaaieren als een explosie: de oerknal, met klein diafragma en lange sluitertijd vastgelegd.

    Gestikt patroon

    Waar de draad machinaal door het kunstleer ploegt, ontstaan plattegronden van een niet nader te noemen woongemeenschap. Hoewel enkel het stratenplan de aandacht krijgt, nieuwe wegen zoekt, kan het zicht in vogelvlucht heel wel een moment vóór de ruilverkaveling zijn: iedere keuterboer heeft nog een stukje land dat, samen met de andere percelen, een lappendeken vormt. Of het zijn de sloten in een veenafgraving. Tegelijkertijd is het eenvoudigweg een abstracte vormgeving die geen realistisch uitgangspunt behoeft te hebben. De draad stuurt zichzelf niet langs de geleider. Het is wel een machine, maar geen zelfdenkend wezen. De kunstenaar moet de stof onder de persvoet door geleiden om een gewenst stiksel te verkrijgen. Die navigatie geeft een bijzonder effect, maar blijft enigszins naïef in uitvoering en beeltenis. 

    Kunstlokaal No.8, Ada van Wonderen, Janneke Hogerheijde

    Meer tot de verbeelding sprekend zijn de monochrome werken in rood en blauw. Althans, op afstand lijken het éénkleurige, vlakke beeltenissen. Kom ik dichterbij, dan blijken door de verwerking van draden in de huid een scala aan structuren zichtbaar, en daarmee schakeringen en verzadigingen. Het hoogtepunt hierin is de ‘Symphony in Blue’, waarbij een gele monochromie wordt overstemd door blauwe draden die vlakken verdichten of juist doorzichtig laten. Een muziekstuk waarbij de eerste viool virtuoos over de partituur van het orkest speelt.

    Aldus houwt de één in harde steen, terwijl de ander stikt met losse draden. Beiden zetten zichzelf in de tijd, beelden het moment van zijn uit. Ieder met een vreemd verlangen nieuwe wegen te zoeken. En het Kunstlokaal weet paden te plaveien om ons te laten verwonderen, iedere keer opnieuw.

    Houwen en Stikken. Werken van Ada van Wonderen en Janneke Hogerheijde bij Kunstlokaal No.8, Schoterlandseweg 55 in Jubbega-Schurega. Van 7 februari tot en met 1 maart 2026.

    Kunstlokaal No.8, Ada van Wonderen, Janneke Hogerheijde
    Kunstlokaal No.8, Ada van Wonderen, Janneke Hogerheijde
  • Het surrealisme van Geer van der Klugt

    Stap ik Galerie Getekend binnen, sta ik meteen weer buiten. Treed ik door de deur, over de drempel, dan loop ik het bos van Geer van der Klugt in. De tekening die een hele muur beslaat, valt niet te ontlopen. In de relatief kleine ruimte komt deze hard binnen, niet alleen qua formaat, maar ook qua stemming. Het bosgezicht is triest in schoonheid. Zojuist lijkt brandmeester te zijn gegeven; de bluswagens zijn weggereden. Het bos staat nog uit te puffen en herstelt zich zichtbaar moeizaam van de eerdere vuurzee. Het bluswater staat het bos nog tot de lippen. Zandpaden zijn door rupsbanden geplaveid. Kale, bladerloze stammen en armetierig fiere dennen houden de schijn op, maar verhullen de afbraak met moeite. De grond is weggespoeld, stenen bedekken de aarde. Kort gezegd: een droevige aanblik van een bomengroep die ooit een bos was. Van der Klugt heeft in pastel, houtskool en gouache een onheilspellend landschap opgezet: een omgeving waarin ik niet graag ben, maar die mij in deze galerie wordt opgedrongen. Het is zaak door de ellende heen te kijken en de schoonheid van de compositie te herkennen.

    Geer van der Klugt, Galerie Getekend

    Wat is er gebeurd in dat verweerde bos

    Draai ik me om en zie ik het andere werk in de ruimte, dan lijkt het bos zich te hebben gerehabiliteerd. Toch klopt het niet helemaal wat ik denk te zien. Er schemert nog steeds afbraak tussen de bomen. Het is geen vrolijk aanzicht; spanning heerst in de lijnen en vlakken die de kunstenaar heeft getrokken en geplaatst. De bosvijver in “CATCH” lijkt door vissers overhaast verlaten. Twee hengels staan nog als reigers te turen in het met riet omzoomde water. Wat is er gebeurd in dat verweerde bos waar het zonlicht de oevers beschijnt en het water zachtjes licht aantikt? Het volgende bosgezicht geeft al zo’n troosteloze indruk. Stammen zijn mager als brandhout. Het hout kreupelt om staande te blijven. Een mist trekt langs de bomen, een nevel die niet is opgekomen, maar vrijgelaten; een ijle waas die eerder aan drijfgassen doet denken dan aan natuur. Vaak doet in Van der Klugts werk iets meer aan niets denken dan dat het werkelijk is wat het lijkt. Feit is dat er een sfeer van mysterie hangt in zijn boslandschappen. De mens, als die al aanwezig was of ooit is geweest, is weggetekend of uitgegumd.

    Van buiten naar binnen

    Volgens de summiere handleiding bij de expositie — die ik overigens op de website van de galerie vind, want de werken gaan zonder beschrijving, wat het plezier in kijken ten goede komt — zijn de bosgezichten ouder werk van Van der Klugt. Het recente werk is minder krachtig aanwezig en past qua formaat boven de bank. Het brengt mij van buiten naar binnen en schept een huiselijke sfeer; ik kijk binnen bij de kunstenaar. Dat veronderstel ik, me beseffend dat er ruimte gelaten wordt voor eigen interpretatie en verbeelding. Terwijl de buitenbeelden me een ietwat mistroostige blik op de natuur geven, kan ik onder dak de betrekkelijke gezelligheid beschouwen. Toch is de sfeer ongemakkelijk, om niet te zeggen ingewikkeld. Wat gebeurt daar tussen de vier muren? Het is onduidelijk. En juist daarom is het boeiend: de kijker weet niet wat hij of zij ziet. Eigen verbeelding moet het beeld interpreteren. De gezelligheid is betrekkelijk, omdat er een kille sfeer van onwetendheid hangt. Zodoende staat een groot vraagteken op mijn voorhoofd geschreven. Gelukkig ben ik alleen op een onbewaakt ogenblik in de galerie, dus kan ik dat sein van verwondering snel verdoezelen en net doen alsof mijn neus bloedt.

    Geer van der Klugt, Galerie Getekend

    Ik vraag mij af wat ik zie. Letterlijk valt het te omschrijven, figuurlijk tast ik in het duister. Mijn gevoel zal spreken om de sfeer te pakken. Wat opvalt, is de jas die aan de muur hangt, als een rode draad door de composities. De bewoner is ter plaatse; de jas verraadt zijn aanwezigheid. Maar we zien hem niet, want hij is bezig de tekening te maken. Eigenlijk is de kijker dus zelf de bewoner van het huis, terwijl het bezoek net is vertrokken door de nog openstaande deur. Wie goed kijkt, merkt telkens iets dat niet klopt of dat tegen de regels van de esthetiek is. Iets dat schoonheid in de weg staat. Het kan een lawine zijn die modder het huis in smijt, kogelgaten in de muur, of stoïcijnse hazen die een stoel laten dansen – één, twee, in de maat.

    Kijken om te zien

    De hond kijkt het gelaten aan en ik zit aan een lege tafel, tuur door het raam naar buiten. Opeens krijg ik enorme trek in een kop pruttelkoffie. Dat is wat kunst doet: weet je niet wat je ziet, dan vullen andere zintuigen het beeld aan. In de kribbe in de hal vind ik nog een tweetal tekeningen; daar is ook een bosgezicht dat me enigszins vrolijk stemt. Het zonlicht piekt tussen de strak oprijzende stammen en bereikt met moeite de onbegroeide bosgrond. Er is geen schuilplaats voor een levend wezen. In de kribbe, of eigenlijk een lectuurstandaard om tekeningen langs te bladeren, zit een plaat die afwijkt van de andere getoonde composities. Op de getekende bank ontwaar ik een stel mensen. Aan de muur hangen twee jassen, terwijl aan de geopende deur nog een jas hangt — de bewoner meldt zijn aanwezigheid. De bankhangers doen met elkaar wat ze kunnen in een lege kamer met enkel een eenpersoonsbed en een designachtig bijzettafeltje. Of is het een brancard waarop een laken de derde persoon bedekt? Zitten de mensen triest bij elkaar? De verklaring is voor velerlei uitleg vatbaar. Kijk je om te zien, of zie je om te kijken? Wil je zien wat je ziet, of kijk je zonder te zien? De voorstelling is abstract in werkelijkheid; surrealisme wordt dat genoemd. Geer van der Klugt tekent de wereld surrealistisch van zich af om een onwerkelijke sfeer tastbaar te maken. Je weet niet wat de toekomst zal brengen, daarom maak je het hier en nu vast mee.

    “You don’t know the future”, tekeningen van Geer van der Klugt bij Galerie Getekend. Stationsstraat 6 in Heerenveen. Van 18 januari tot en met 8 maart 2026.

    Geer van der Klugt, Galerie Getekend
  • Door de wouden klinkt het wezen van Age Hartsuiker

    In Museum Galerie Heerenveen kijk ik horend en hoor ik kijkend naar recent werk van Age Hartsuiker. En ik constateer ‘dat it moarnsljocht beammen frijmakket om te sykheljen’. Het mag zo zijn dat het licht door de wouden ademt, zoals de titel van de tentoonstelling aangeeft. Dat licht piekt wel door het pastelkrijt waarmee Age Hartsuiker zijn krachtige beelden op papier zet. Wanneer ik echter goed luister, zie ik het, maar ik hoor het niet. Wat ik figuurlijk hoor, is het kraken van de aarde. De grond die door de menselijke bewerking, vergoelijkend cultivering genoemd, welhaast opensplijt.

    De werken van Hartsuiker hebben geen uiterlijk licht dat tussen boom en grond ademt, maar hebben een innerlijk geluid. In ritme, spanning en herhaling. En in stilte, want dat is ook een geluid, echter zonder toon en klank. De werken zwijgen door leegte en ruimte, maar in dat zwijgen is een waaier aan geluiden te horen. Wanneer ik mijn adem inhoud, mijn verstand op nul zet en mijn blik op oneindig. Wat ik zie, zijn aardlagen die over elkaar en langs elkaar schuiven, die door eeuwenlange bewerking, met telkens maar opnieuw de voren in het zand te ploegen, een gebroken wezen hebben gemaakt. Een wezen dat zo langzamerhand meer dood is dan levend, lijkt het. Hartsuiker tekent er dynamisch leven in terug; zijn composities bewegen in de ruimte van het platte vlak. Door herhalingen van vormen en lijnen voel ik een cadans, echoot de toon door de wouden.

    Age Hartsuiker, Museum Galerie Heerenveen

    Liever kleine baas dan grote knecht

    De tentoonstelling markeert veertig jaar kunstenaarschap, maar is geen overzicht van het oeuvre. Enkel aan het begin hangen twee vroege werken, buiten de expositie in de hal. De prehistorie, zou je kunnen zeggen, waarin de jonge kunstenaar zijn grond ontgint – zijn bodem cultiveert om er zijn latere werk op te laten groeien. Twee werken waarop ik destijds zo’n beetje aansloeg en die reden genoeg bleken om de groei van Hartsuiker te volgen. Onze carrières in het culturele landschap lopen daardoor ongeveer parallel. Evenals hij zou ik een veertigjarig jubileum kunnen vieren, maar dat terzijde.

    Hij is geen Wâldpyk, woont in een dorp grenzend aan de Friese Wouden, maar bezit wel de eigenschappen: vrijgevochten, anders dan anders en een beetje dwars. Een Wâldpyk is nog altijd liever kleine baas dan grote knecht. Dat is het silhouet van Hartsuiker, de contour waarbinnen hij acteert. Hij is een Meppeler Mug, nuchter en gezellig, met historisch besef. Vanuit het Drentse voelt hij zich thuis in Friesland. Het Reestdal gaf hem vroeg inspiratie, later werden dat de Friese Wouden, de Tjongervallei en de Dellebuursterheide. Op zijn mountainbike trekt hij de natuur in, schetsboek onder de snelbinders.

    Age Hartsuiker, Museum Galerie Heerenveen

    Stap in zijn voetsporen

    Door de jaren heen experimenteert Age met vormen en materialen. Hij drukt zich even eenvoudig uit in het grafische, in het schilderen en tekenen. Maar toch is het pastelkrijt waarop hij telkens terugvalt als middel om te uiten. Na de academie was Heerenveen vrijwel de eerste plek waar hij zijn werk kon tonen. In het museum dat destijds bekendstond als Van Haren, samen met drie andere kunstenaars uit Meppel. Dit schreef ik toen: “De ‘wollige’ lijnen van de droge-naald-techniek verdelen het werk in ongelijkmatige vlakken, die hier en daar bij wijze van accentuering worden gearceerd. De lijnen zijn niet strak en recht, maar schetsmatig en daardoor is het werk toegankelijk en speels.

    Daarna volg ik zijn voetsporen en kijk meermalen over zijn schouder mee. Enkele maanden later, in het kader van de tentoonstelling 15 Heerenveense kunstenaars in hetzelfde museum, bespreek ik andermaal het grafische werk van Hartsuiker: “Hij volgt de grillige lijnen van de natuur in zijn abstract uitgewerkte landschappen. (…) De omgeving wordt ontdaan van alle storende elementen. Wat overblijft is een functionele verbeelding, een ‘simpele’ weergave. Een plattegrond of een spadesteek met de natuurlijke lijnen van de grondstructuur. (…) Zo zijn de lijnen en vlakken van Age Hartsuiker in totaliteit een landschap, in alle eenvoud.”

    Age Hartsuiker, Museum Galerie Heerenveen

    De kunst van Hartsuiker

    Een jaar later is de kunst van Hartsuiker in de groei: “Age is uit het platte vlak getreden in de dimensie van het verhalend uitbeelden. Daarmee dieper gravend in dat landschap en de geschiedenis van de mensen die het bewonen, om zich zo te laten inspireren door de harde en doodse materie. De steen als gebruiksvoorwerp, maar ook als vertelling. Eenvoudige vormen met structuren die verhalen van eeuwen in zich dragen. Age Hartsuiker zet de zwaarte, de kracht en de schoonheid van dat massieve voorwerp in zijn krijttekeningen. Het wordt daardoor zijn verhaal. Een verhaal dat interessant genoeg is om te beluisteren en door te vertellen.”

    En verder groeit en bloeit het: “Age Hartsuiker laat ons bijschuiven aan zijn tafels. In een persoonlijke stijl (…) mogen we getuige zijn van een eenvoudige rangschikking in een ongewoon stilleven. Een afdruk van de gebruiker, een erfenis voor de maker. Simpele vormen met functionele schetslijnen. De zichtbare onderschilderingen en rectificaties geven de werken een onschuldig karakter. De matte felheid van de vruchten en de bladen springen uit de lichte kleuren naar voren.”

    Hij zoekt voortdurend verandering en vernieuwing in zijn werk: “Age Hartsuiker tracht zijn uitdrukkingen zover te abstraheren, totdat de vraag opwelt of de versimpeling een eindpunt kent. Met felle arceringen van kleurkrijt op papier komt hij zodoende tot hoogwaardige beeltenissen zonder enige afleidingen.”

    Age Hartsuiker

    Zwerven in de kunst

    Twintig jaar geleden schreef ik bij een tentoonstelling in zijn huiskamer: “Graficus Age Hartsuiker heeft wat gezworven in de kunst! Door het landschap en in het landschap. Hij zweefde erboven als een vogel en groef erdoor als een mol. Van iedere kant en van elke zijde heeft hij in zijn werk dat landschap belicht. Vanuit een realistische kijk door een onwerkelijk gezicht naar een abstracte benadering. Proberen te ontdekken wat overblijft wanneer alles is weggelaten. Nadat dit onderwerp tot op iedere aardlaag was doorgebeten en herkauwd, spuwde Age de braakbal uit en vond erin de steen als beeldthema. Verder filosoferend bedacht hij de tafel als drager van het leven. Gaandeweg werd de etsnaald ingeruild voor het pastelkrijt en de acrylverf.

    En verder: “Een Hartsuiker kent veel verschijningsvormen. In de grafiek graaft het zich op in het landschap. Met ragfijne lijnen is de huid over de aarde gedrapeerd als de natte plas in de vormbare modder. Dit vroege werk is nog vol van beeltenis, maar geleidelijk verbant Hartsuiker elk aanknopingspunt om te resulteren in een minimaal gegeven aan weergeven. Het is het evenwicht in herkennen en ontkennen.”

    Eilanden en luchtlandschappen werden daarna zijn domein; torens als belvedères overzagen de inspiratie. En eerder waren bomen al een manier om de kunst van zich af te ‘schrijven’. Die enkele bomen staan nu in een bosje bij elkaar om het licht van de Wouden te ademen, de sfeer in stemming te brengen. Dat is wat Hartsuiker zijn werk in deze serie wil meegeven. Dat zien doe ik dus niet, maar horen doe ik de schurende aarde, de opstandige bodem. In feite is dat de kunstenaar zelf; hij staat hier model. Het is een abstract zelfportret, niet meteen zichtbaar.

    Hij is rebels. Gaat zijn eigen weg. Leverde zijn eigen werk uit bij een zelf opgezette kunstuitleen, richtte een eigen galerie in om maar onafhankelijk te zijn. En in de politiek is hij weerbaar en dwars, bokkig als gemeenteraadslid en eigenzinnig als wethouder. Eens en vooral is hij beeldend kunstenaar en kan zich daarom abstract inleven in problemen. Want hoe sprekend is het om kwesties uit te tekenen en zo de angel eruit te halen. Maak het figuurlijk, dan blijkt het letterlijk minder heftig en makkelijker om over je schaduw te stappen.

    Age Hartsuiker

    “Het is een supermarkt”

    De kunst van Hartsuiker is niet slechts ter vermaak, maar zeker ook ter lering. Het vermaak zit in de esthetische kant van de pasteltekeningen, een sieraad boven de bank. En de kunstenaar probeert ons iets te leren over het intensieve gebruik, maar vooral het diepgaand misbruik van de omgeving. De ontering van het landschap die ik lees in de werken van Hartsuiker. Een omwonden aanklacht als de wolf in schaapskleren, de adder onder het gras.

    Age: “Het spreekt aan of niet, dat is het prachtige van kunst. Het is een supermarkt: wat je niet lekker vindt, koop je niet. De illusie is een grote realiteit. Het is het wezen, het verhaal dat wordt verteld door de kunstenaar. De kunstenaar is een vorser, hij graaft zich in het onderwerp in en komt zichzelf en de directe omgeving tegen. Alles is van invloed op wat je doet. De kunstenaar is gedreven, hij verlangt naar ‘vrijheid’. Het is een passie die je meekrijgt, een stuk fantasie dat je hebt. Voor mij is het zaak op te letten dat het geen kunstje wordt. Het ene werk lijkt veel op de andere compositie, omdat het opeenvolgend is. Kom ik er niet uit, dan grijp ik naar werk dat eerder gemaakt is. Het gaat om de beleving. Die is belangrijk, en niet alleen voor de kunstenaar, maar ook voor de beschouwer van het werk. Iedereen beleeft iets, natuurlijk. Dat is het leuke van kunst voor de beschouwer: je voegt iets toe.”

    Terug in Galerie MUGA heeft de naamgever van de tentoonstelling een magische aantrekkingskracht. Als is het een magneet, trekt het me naar zich toe. Eerder zag ik het werk in de openingstentoonstelling van deze galerie in 2020: “Veelal is de vorm abstract, maar “in it ljocht yn ’e wâlden’ wordt de toren een landschap. Een prachtig werk, het hoogtepunt in deze omgeving wat mij betreft. De akker ligt er bewerkt bij, de voren in de aarde bewegen als de scheuren in de schors van de boomstam. Het dak van de toren is het bos van de Wouden, het licht straalt tussen de stammen door naar het centrum van de compositie. Ik wil dat bos in, de koelte zoeken.”

    Tentoonstelling “Het licht dat door de wouden ademt”, pastelkrijttekeningen Age Hartsuiker bij Museum Galerie Heerenveen (Galerie MUGA), Minckelersstraat 11 in Heerenveen. Van 1 februari tot en met 15 maart 2026.

  • Joyce Zwerver beweegt zich als een jong wolfje in de beeldende kunst

    Hoe verplaats je iets dat stevig verankerd is, zo zwaar en lomp dat het niet wijken wil. Hoe hard je ook duwt, het blijft trekken aan een dood paard. Er zijn dingen die nu eenmaal niet verplaatsbaar zijn, zo vast staan als een huis. Zo hard zijn als steen. Hoe verander je iets dat niet anders wil zijn, dat hetzelfde wil blijven. In het verleden hebben kunstenaars getrokken aan de gevestigde orde. Die orde voelde zich thuis in de regelmaat van de werkelijkheid. De echtheid was de regel. Daarvan afwijken werd in een bepaald tijdsgewricht benoemd als ontaarde kunst. Het was een moreel verval, maar de kunst wilde juist verder bouwen op ingeslagen wegen. Geen rationalistische en objectiverende benadering van stijl en techniek, maar een emotionele en lichamelijke ervaring van het beeld. Er moest plek zijn voor de beleving van maker en kijker, de kunst moest stemming maken. Jezelf vinden in een kunstwerk kan betekenen dat het afwijkt van de werkelijkheid, of althans de realiteit op een meer abstracte manier laat zien.

    Joyce Zwerver, Afslag BLV

    De kunstenaar wil vernieuwen, vooral zichzelf

    Hoeveel afstand kun je van een afbeelding nemen en toch nog een afbeelding behouden?” vertaal ik de Amerikaanse kunstenaar Robert Rauschenberg. Hoe ver kan dat dode paard uit elkaar worden getrokken om uit de vleeshompen nieuw leven te laten ontstaan. De kunstenaar is een schepper, maakt van niets iets, vormt met het dode materiaal een levend beeld. Dus werd de gevestigde stijl, het als normaal en als kunst beschouwde -isme, van de ivoren toren onderuit gehaald. De stroming veranderde van richting en de loop begon zich te vertakken. In die delta vinden diverse kunstvormen hun weg. Soms wordt de stroom breed en sterk, een andere verzandt en sterft een stille dood. Maar voortdurend is het schoppen tegen heilige huisjes totdat de schopper zelf heilig wordt verklaard. De kunstenaar wil vernieuwen, vooral zichzelf. Een vernieuwend kunstenaar ben je niet zomaar, dat is niet iedereen gegeven. Veelal loopt de vernieuwer de massa vooruit en trekt hij een peloton van herscheppers achter zich aan.

    Joyce Zwerver kan zo’n wegbereider zijn, de tijd zal het leren. Flauw gezegd heeft zij haar naam mee. Ze schept vreugde in het rondtrekken door de beeldende kunst. Als min of meer beginnend kunstenaar is zij nog zoekende naar de voor haar passende manier van uiten. Ze wil bergen verzetten, nieuwe wegen vinden, artistiek transformeren. Niet oude paden verharden, maar versteende velden cultiveren. In haar installatie opgetuigd bij Afslag BLV laat ze beelden actief bewegen. Niet letterlijk maar figuurlijk – formaties rotsen, hopen stenen en bergen keien bewegen op het oog langs elkaar en maken nieuwe zienswijzen mogelijk. Het vergt een andere manier van kijken, een vermogen je in te leven in gemanipuleerde beelden.

    Joyce Zwerver, Afslag BLV

    De berg is in parten gehakt

    Op haar manier wil Joyce Zwerver de kunst in beweging zetten. Haar aanpak is esthetisch in orde. Het omvormen van landschappelijke structuren, in dit bijzondere geval bergen en rotsformaties, heeft een eigen handschrift. De fotografische printen worden dusdanig bewerkt, dat de oorsprong nog wel zichtbaar is maar het resultaat een abstracte uitweg biedt. Het is niet langer de berg die ik zie, deze heeft zich in handen van Zwerver verplaatst in een kunstzinnige afbeelding. Op een creatieve manier is de formatie bezield, maar verliest zij iets van de magische kracht die zij van nature heeft.

    De berg is in parten gehakt, de delen schuiven langs elkaar en breken de zichtlijn. Door een gat in de vluchtige lucht ervaar ik een instabiele kracht. Door gaten in de bergwand pieken wolken. De werkelijke sterkte is verkracht en wordt opnieuw geboren tot een verschoonde intensiteit. Het betreft geen panorama gezien vanaf een toeristische zichtlocatie, een mooie foto voor in een album als herinnering. Het heeft het vergezicht van een ruimtelijke constructie, uitzicht met kunstig perspectief. “Door het beeld te ontleden, verschuiven, vervormen en opnieuw op te bouwen, ontstaat een reeks werken die balanceren tussen landschap en abstractie” lees ik op het expositieblad. De abstractie is binnen de werkelijkheid gebracht door beeldelementen op te drijven. Die delen worden zelf niet abstract, want nog steeds zijn het realistische details, maar verhouden zich non-figuratief tot het achterplan waaruit zij zijn genomen of waarlangs zij bewegen. Daardoor heeft het bestaande beeld een andere vorm aangenomen, is het herschept, het dode paard is tot leven gekomen.

    Joyce Zwerver, Afslag BLV

    De serie sculpturale collagewerken, waarbij samengestelde vormen de ruimte zoeken, hebben in de idee van Zwerver een verbindende factor gevonden. De gebroken rotsformaties maken samen een bergmassief onder de blauwe hemel. Dat blauw verbindt de afzonderlijke composities, zodat het geheel een plaatsgebonden karakter heeft. Afgestemd op de lokale zaalruimte van Afslag BLV wordt de bezoeker, word ik, de installatie ingetrokken. Het blauwe pad dat door de ruimte leidt echoot op de wanden, dit te volgen trekt de omgeving aan mij voorbij. Niet alleen hangen de bergen van Zwerver, deze staan ook los in de zaal. Als driedimensionale decorstukken vullen ze het zicht op. Het experiment met het verzetten van bergen is geslaagd te noemen. Het duurzame karakter is breekbaar geworden, de eeuwigheid heeft een einde. Maar om op deze manier het solide bouwwerk van de kunst op te schudden, zelfs als de grote boze wolf omver te blazen, is een sinecure. Zwerver is het kleine wolfje en staat aan het begin van haar carrière. Er valt nog veel om te spitten, maar ze heeft de juiste spade ter hand genomen.

    Tentoonstelling “To Move Mountains”. Sculpturale collagewerken en een site-specific installatie van Joyce Zwerver bij Afslag BLV, dependance van Museum Belvédère in het centrum van Heerenveen. Van 7 december 2025 tot en met 15 februari 2026.

  • Schaken heeft de visuele mogelijkheden van kunst

    De Weense opening, 1.e4 e5 2.Pc3, of de Koningsgambiet, 1.e4 e5 2.Pc3, zijn mijn standaard openingen in het schaakspel. Tenminste wanneer ik het witte koninkrijk heb, want wie begint die wint en dat doe ik met plezier. Ik mag graag een pion schuiven, een paard springen, de koning rokaderen en de toren laten bezetten. Een bliksem actie uitvoeren en met herdersmat eindigen of gewoon fijn lang rekken zodat de partij in remise verzandt. Het gaat tenslotte om het spel en niet om de knikkers, althans wanneer je niet voor de winst gaat maar om het plezier in een pot schaken. Hoewel, het spel competitief is, kan het ook onderzoekend of meditatief zijn. Je kunt varianten verkennen, het spel eens na of over spelen. Hoe had ik een betere zet kunnen doen voor een mooier eindspel of een andere wending. Schaken is een denksport, in de stilte van het peinzen beschouwen de spelers de zetten, een meditatief moment – geconcentreerde rust. Je speelt tegen iemand, maar je strijdt vooral met de stelling.

    Museum Belvédère, schaakspel, kunst

    Schaakspel van Vilmor Huszár

    Museum Belvédère is een nuchter gebouw om tot rust te komen, om geconcentreerd kunst te kijken. De afgelegen ligging en de manier van presenteren is daar debet aan. Het is een beschouwende plek om starend over het water van de Prinsenwijk de lekkerste cappuccino te nuttigen. Het is daarom de beste omgeving om er een schaakkamp te organiseren, waarbij de spelers even peinzend spelen als de getoonde kunstenaars nadenkend creëren. Het schaakspel van Vilmos Huszár in de collectie van het museum was de oorspronkelijke aanleiding voor een eerste schaaktoernooi binnen zijn muren. Dat lees ik in de MB, het blad voor vrienden, nummer 55 dat geheel gewijd is aan het koninklijke schaakspel.

    “Het schaakspel heeft door de eeuwen heen kunstenaars gefascineerd en geïnspireerd, om de intellectuele uitdagingen die het spel voor twee bood, om de eindeloze spelmogelijkheden, maar zeker om de esthetiek van dat spel met z’n elementaire uit 64 kwadranten bestaande speelveld en de vormgeving der stukken.” De abstracte werkelijkheid van het schaakspel is voor de kunstenaar een onbewuste inspiratie. Het is de wereld op zichzelf, er wordt gestreden, gewonnen en verloren, velden worden ingepikt en zijn hernomen. Vijanden op het bord tijdens de partij, vrienden wanneer de tijd is gestopt en de schaakklok is uitgeslagen.

    Museum Belvédère, schaakspel, kunst, Marcel Prins

    Modern spel van Marcel Prins

    De Belvédère schaakkamp vond plaats op 20 december 2025 en werd gewonnen door Dolf Verlinden. Misschien was dit toernooi de opstap tot een gebeuren dat kan uitgroeien tot een traditie. Voor nu is het over en uit, maar gelukkig hebben we de foto’s nog. In de westvleugel van het museum staan in de middelpunten van de kamers bijzondere schaakspellen opgesteld. Natuurlijk is het kleinood van Huszàr te zien, maar ook het bord waarop Max Euwe in 1935 wereldkampioen is geworden. Er is een modern spel te zien dat door Marcel Prins is gemaakt. Ieder spel dat is opgesteld heeft een eigen persoonlijk karakter, is geen dertien in een dozijn uit de fabriek van Longfield, Philos of Jumbo – nee, niet de kruidenier.

    Kunstenaars die geliëerd zijn aan Museum Belvédère, met werk in de collectie zitten of anderszins vertegenwoordigd worden, hebben aan het schaken gerelateerde kunst gemaakt. Of hadden dat op een eerder moment in hun oeuvre gedaan en is voor deze tentoonstelling opnieuw geselecteerd. In een verkleinde kamer en in het museumcafé zijn deze composities gehangen. In dat café tref ik tevens een vitrine met borden en stukken aan. Schaken is kunst, kunst is spel — beide vragen vaardigheid, verbeelding en durf. Belvédère heeft deze twee vormen van tijdverdrijf mooi samengevoegd en gecombineerd.

    Museum Belvédère, schaakspel, kunst, Win Biewenga, Jochem Hamstra

    Ridders te paard

    Hebben kunstenaars over het algemeen het spel als uiting genomen, Jochem Hamstra schildert expressief de concentratie van een speler. De meditatie is dynamisch weergegeven. Je herkent de krakende hersenen, het grimas zwijgt maar spreekt boekdelen, wanneer je zelf niet vreemd bent van de ernst van het spel. De schilder bewondert de schaker om zijn spel en de afkeer van Poetin. De schilderijen zijn derhalve politiek geladen en kunstig gelaagd. Wim Biewenga vormt het meervoudige spel om tot eenvoudige composities. Het kinderspel over ridders te paard en koningen op hun troon denkt hij terug in deze schilderijen. Frank Hutchison ziet in de zwarte en witte koninklijke opponenten een verbond. Maar wel een relatie die geen vaste grond onder de voeten zal hebben. De dame en de heer blijven elkaar bestrijden tot de dood erop volgt. Ilse Brul op haar beurt maakt een feestje met de velden van het bord. Het is hier niet het schaken dat centraal staat, maar de vrolijkheid van en het plezier in een kinderfeestje. Het zwartwit geblokte tafelkleed is de relatie in afbeelding.

    Museum Belvédère, schaakspel, kunst, Frank Hutchison, Wim Biewenga

    De mooiste schaakpartij

    Helaas is de MB, het tijdschrift van Museum Belvédère, exclusief voor vrienden van het museum. Vooral dit nummer is interessant en lezenswaardig voor de fervente schaker. Ook voor de speler die minder met kunst heeft. En de kunstminnaar die niets over spellen weet. Het is een collectors item voor beide partijen. Het bevat fascinerende verhalen die de kunst binnen het schaakspel brengen en treffende bijdragen om het schaken in beelden te laten zien. Weetjes en watjes over het schaken en het spel, de stukken en de spelers. Een verzamelaar vertelt over zijn collectie borden en toont zeldzame figuren. Het spel van Max Euwe wordt uitgelicht. De mooiste schaakpartij aller tijden nog eens doorgenomen.

    Opmerkelijk is het verhaal over twee bijzondere schaakspellen, die van Josef Hartweg en dat van Vilmos Huszár. Het schrijven is van Huib Nieuwenhuizen en werd al eens eerder in de MB gepubliceerd. Nieuwenhuizen was de eerste collectiebeheerder van Museum Belvédère en is in 2020 overleden op te jonge leeftijd. Bij zijn pensionering in 2016 mocht ik zijn plaats innemen. Ooit in mijn jonge jaren was ik lid van de Schaakclub Heerenveen en heb verschillende toernooien mogen meebeleven. Helaas blonk ik niet uit in het spel, dat geldt tevens voor mijn bezigheden als autonoom kunstenaar na een opleiding in die richting. Schaken en schilderen, in concentratie en creativiteit een twee-eenheid. De schaker is een kunstenaar, het schaakspel is een kunststuk. Of zoals Marcel Duchamp dat uitdrukt: “Schaken heeft de visuele mogelijkheden van kunst. Het is een mechanische sculptuur met opwindende plastische waarden.”

    Museum Belvédère en het schaken. Unieke schaakspellen, de kunst van het schaken en schaken in de kunst. Kleine tentoonstelling nog te zien tot en met 8 februari 2026.

    Museum Belvédère, schaakspel, kunst, Vilmor Huszár
    Museum Belvédère, schaakspel, kunst, Kasparov
  • Griendenvangst-serie hoogtepunt oeuvre Joensen-Mikines

    Om een andere reden was ik in Museum Belvédère. Maar omdat ik er toch was liep ik nog snel door de hoofdtentoonstelling in de oostvleugel. Een korte blik kon nog net voor sluitingstijd op die dinsdagmiddag. Door de landschappen en zee-schilderijen welke ik op mijn ronde zag kreeg ik een eilandgevoel, maar niet meer dan dat. Gecomponeerd met impressionistische tonen laten ze welhaast expressionistisch het licht en de ruimte van in dit geval de Faeröer Eilanden zien. Ze linken losjes aan het werk van Noord-Nederlandse landschapschilders die in de collectie van dit museum zijn vertegenwoordigd. Maar waar mijn oog op viel en wat mijn blik onwillekeurig vasthield waren de dynamische indrukken van de traditionele griendenvangst. Laat ik de andere schilderijen in het oeuvre aan mij voorbij gaan, deze bloederige en wonderbaarlijke visvangst zal beschreven zijn.

    Always the sea

    Waar hebben we het over. Ik bezocht op de valreep de eerste solotentoonstelling in Nederland van Sámal Joensen-Mikines. Met als titel “Always the sea” is de zee een belangrijke inspiratiebron voor deze op de Faeröer Eilanden geboren schilder. Hij is zonder twijfel de kunstenaar die de Faeröer op de kaart van de moderne schilderkunst heeft gezet. Naast de zee als onderwerp waren tevens bijzondere en gangbare momenten op de eilanden een bron en de stille landschappen die de ruigheid van de omgeving tot in de kleinste penseelstreek vastleggen. Wat door al deze werken heen voelbaar is, is een constante spanning tussen mens en natuur, tussen kwetsbaarheid en kracht, tussen ritueel en persoonlijke ervaring. Zijn schilderijen zijn nooit alleen maar illustratief of gedocumenteerd; ze zijn reflecties op het leven zelf, op de stilte en het geweld, op de schoonheid en het onverbiddelijke karakter van een eilandgemeenschap die haar lot deelt met de zee en de wind.

    Naast de landschappen en zeegezichten, waar de ruime stilte de boventoon voert, spat de rumoerige levendigheid van de griendenvangst-serie af, waarop ik in de tentoonstelling stuitte. Het zette meteen mijn beschouwing op scherp. Het bloed spettert in het rond, de composities kleuren rood. Het is een dynamisch spel van lijven en lichamen, dier en mens in een strijd op leven en dood. De vissen worden in het nauw gedreven en kunnen geen kant op, ze worden bij bosjes afgeslacht.

    Hoewel het een traditionele visvangst betreft is het bij de beesten af. Het openbare abattoir, de natuurlijke slachtplaats, is expressief door Mikines afgebeeld, verbeeld. Je ruikt als het ware angstzweet, hoort gegil door bloedvergieten, voelt geweld en proeft sfeer. Waar Mikines in het verstilde werk impressionistisch overtuigt, zet hij in deze serie expressionistisch krachtig zijn handtekening.

    Griendenvangst

    Waar gaat het over. De griendenvangst is een traditie op de Faeröer voor de eilandbewoners om te overleven. Het ritueel begint vaak onopvallend, met een melding langs de kust en een lichte onrust in het dorp. Op zee vormt zich een langzame beweging: boten die geen haast hebben, maar doelgericht varen. In het water tekenen zich de donkere lichamen af, grienden die dicht bij elkaar blijven, zoals ze dat altijd doen. Hun vertrouwen in de groep wordt hun leidraad richting land. De baai opent zich als een natuurlijke kom. Het water wordt stiller, ondieper, en de zee lijkt haar ruimte langzaam prijs te geven.

    Wat daar gebeurt is geen jacht in de gebruikelijke zin, maar een handeling die zwaar leunt op gewoonte en collectief geheugen. Mensen werken samen, zwijgzaam, met een ernst die verraadt dat dit meer is dan voedsel alleen. Wanneer het voorbij is, keert de rust terug. De zee sluit zich weer, de baai draagt de sporen nog even met zich mee. Het vlees wordt verdeeld, zonder handel of winst, van hand tot hand. Voor sommigen is het een noodzakelijk ritueel, voor anderen een hard en pijnlijk schouwspel. Zo blijft de griendenvangst bestaan: als een plek waar traditie, natuur en morele twijfel elkaar raken.

    Het geweld van de jacht

    In deze serie komt alles samen wat Mikines drijft tot schilderen: de gemeenschap, die zich buigt onder de wetten van overleven; de kwetsbaarheid van leven; en de brute kracht van de natuur. De mensen verdwijnen in de massa. De grienden verdwijnen mee, lossen op in een abstracte verbeelding die werkelijkheid is. De kleuren in deze serie dragen de emotie op een bijna fysieke manier. Het bloedrode water contrasteert scherp met het loodgrijs van de zee en het donkerblauw van de lucht. Het dwingt mij om stil te staan bij het gewicht van de gebeurtenis die is afgebeeld. Het geweld van de jacht wordt niet verheerlijkt, niet geromantiseerd. Mikines’ penseelstreek, ruw en soms onverwacht in felheid, versterkt een gevoel van afkeer en tegelijk heeft het een bepaalde schoonheid. Het magnetiseert mijn blik, steeds moet ik terug kijken, telkens houdt het mijn aandacht. Ik zal nog eens terug gaan, weer zien. Nog eens de tentoonstelling bezoeken. Zolang het kan.

    Wat Mikines’ werk zo aantrekkelijk maakt, is de manier waarop hij het individuele en het collectieve tegelijk laat zien. Zijn mensen zijn geen helden, de grienden geen symbolen; alles is onderdeel van een groter geheel, alles staat met elkaar in verbinding. Het is geen verhaal, geen verslag, geen beschrijving van een ritueel; het is een ervaring die ik meeneem, me laat voelen wat het betekent te leven in een wereld waarin de natuur groter is dan de mens, en waarin traditie en overleven onlosmakelijk verbonden zijn. Dan kijk ik nog even om de hoek naar de stille baai, het verstilde landschap. En zie ik de schilder model staan voor zijn inspiratie. Voel ik zijn fascinatie voor dat water, voor dit land, voor deze natuur. Begrijpelijk.

    Sámal Joensen-Mikines, Always the sea. Tentoonstelling Museum Belvédère, Oranje Nassaulaan 12 in Heerenveen-Oranjewoud. Tot 8 februari 2026.

  • Een duik in de onderwaterwereld bij Galerie Getekend

    Waar meestal als drager voor kunststukken is gekozen voor wit of een variatie daarop, hoewel tegenwoordig een aanpassende kleur als steun wordt gebruikt, besloot Galerie Getekend bij eerste inrichting de wanden zwart te maken. En dat is tot nu altijd een terecht stijlvolle keuze gebleken. De kunst op papier aldaar gehangen komt tegen de donkere achtergrond best tot uiting. Het zwart leidt niet af, geeft de kunst juist een eigenzinnig karakter. De werken springen er als het ware uit, komen naar voren, bieden zich aan. Met name bij de huidige expositie is dit zwart een uitkomst. In de uitstalling “Waar Water Leeft” krijgt de geheimzinnige wereld onder het wateroppervlak de aandacht. Het is alsof de bezoeker een frisse duik in de kunst kan nemen, afdalen in de donkerte van de galerie. Figuurlijk de duikbril op, de flippers aan en een zuurstoffles op de rug gebonden. Want enkele momenten snorkelen is niet genoeg. Langer onderduiken is zaak bij deze kunst om het te determineren, ontdekken en onderzoeken.

    Die onderwaterwereld is een verborgen stuk aarde, een immens groot deel van de aardbol dat ongezien levend is. Want de aarde bestaat voor het grootste deel uit water, 70%. Wat er zich onder die waterspiegel afspeelt blijft over het algemeen verborgen voor het blote oog. Is het water helder dan geeft die wereld iets van de geheimen prijs, maar alleen wanneer de bodem in het blikveld valt. Maar meestal is het water troebel en is die bodem amper zichtbaar diep. Dan is enkel het deinende oppervlak te beschouwen en blijft de inhoud ongezien. Dan wanneer wij door dat grensvlak tussen water en lucht breken, het vocht opspat en ons doorlaat, valt wat zich daaronder zoal afspeelt te zien wanneer de waterspiegel weer rustig is. Te bewonderen, want er ligt zodoende een wereld voor ons open.

    Niet de vraag waar maar of water leeft

    Galerie Getekend is met de huidige expositie in dat diepe gesprongen en maakt voor de bezoeker het ongeziene zichtbaar. Sowieso werd dat gedaan in al die tentoonstellingen voor deze, want immers “kunstenaars maken het ongeziene zichtbaar door gevoelens, ideeën, innerlijke werelden en concepten die moeilijk in woorden te vatten zijn om te zetten in tastbare vormen zoals kleuren, lijnen, vormen, geluiden of verhalen, waardoor we de wereld anders gaan zien en ons inleven in andere perspectieven en realiteiten“.

    Die andere perspectieven en realiteiten komen tot leven door de vingers van de tekenaars in “Waar Water Leeft“. Het is echter niet de vraag waar, maar tegenwoordig of water leeft. Door de actuele problemen waarmee de aarde door toedoen van haar bewoners te kampen heeft dreigt er steeds minder levend water te ontstaan. Maar wat er dan nog te zien valt maken Lolkje van der Kooi, Susana Mulas Lastra en Sin-ming Sit zichtbaar. Elk uiteraard op de eigen manier en vanuit een persoonlijk perspectief. Want gaat onder water de een voor kleine dieren, richt de ander zich naar planten en beschouwt een derde micro-organismen.

    Waterlandschappelijke tekeningen

    Het meest in het oog springen bij binnenkomst van de galerie de uitklapboeken van Sin-ming Sit. Collapsible Seascape noemt zij ze. Het ontvouwt kleurig koraal, zeeanemoon en wuivende waterplanten die zich in platte vormen oprichten in de ruimte. Opvouwbare zeegezichten als een pop-up boek. De afbeeldingen springen letterlijk van de pagina op en laten ruimtelijk een verrassend stukje van die wonderlijke wereld zien. Precies dat, waar water leeft.

    Maar het lijkt dat dit water welhaast op sterven na dood is, zo triest en somber geeft Sit deze in waterlandschappelijke tekeningen weer. Wel zoals ze het tegenkomt op haar duiktochten, want ieder jaar en welhaast bij elke duik is zichtbaar dat meer en zee neerwaarts evolueren. Er blijkt uit dat het niet zo best gesteld is met ons ecosysteem onder water. Dat we dat systeem zelf in de war hebben geschopt. Is het een waarschuwing, laat Sit afgetekend zien wat er over is of over blijft wanneer wij niet meer zorgvuldig omgaan met wat we bezitten. Zijn deze door haar geziene en verbeelde onderwaterlandschappen het laatste wat rest voordat er zich een woestijn onder de zeespiegel zal uitstrekken. Er valt weinig waarneembaar licht door het oppervlak, het is er koud en kil.

    In pasteltinten kleurt het water

    Hoe anders is dat bij Susana Mulas Lastra, want waar Sit de omgeving indringend somber weergeeft kleurt Lastra deze juist vrolijk. Haar micro-organismen zijn onwerelds kleurrijk, een hof van eden onder water. Zo zoals de koraalriffen er in betere tijden uit hebben moeten zien. Onder de microscoop ontvouwt zich namelijk een ongekende schoonheid, die pracht lijkt een surrealistische rijkdom. Een te zoete voorstelling van de waarheid beschouwt naast de werkelijkheid van de aquatische wereld gezien door de duikbril van Sit. En dat is geen roze bril in tegenstelling met die van Lastra. In pastel tinten kleurt de sloot, het meer en de diepzee op minuscuul niveau opeens paradijselijk. Te mooi om waar te zijn. Diepzee wormen in levend zand langs een speeltuin voor het koraal.

    Susana Mulas Lastra is de Jentsje Popma van de onderwateromgeving. Wilde Popma het Friese landschap vastleggen zoals het was en nooit meer zou worden, Lastra wil dit doen met de frisse wereld onder water. Maar gezien door de ogen van Sit is daar weinig meer van over, dus richt Lastra zich op de kleine organismen. Zij legt deze welhaast verborgen schoonheid feestelijk vast om het zichtbaar in de toekomst te behouden. Want wanneer de klimaatcrisis nog meer kritiek wordt zullen deze wezens van schaamte verbleken.

    Scherpzinnig gedetailleerd

    Lolkje van der Kooi portretteert kleine zeedieren, die evenwel reusachtig groot zijn in vergelijking met de organismen van Lastra. En naast die kleurenpracht ogen deze stijlvol grijs. Van der Kooi zet deze schepsels op een voetstuk door zeepaardjes, kwallen, slakken, wormen en andere weekdieren en ongewervelden voornaam in te lijsten. In fijne potloodlijnen zet zij de lichamen op en kleurt ze in met pastelkrijt. Zo scherpzinnig gedetailleerd dat deze niet zouden misstaan in een zoölogisch boek, een onderzees herbarium.

    Vooral in een wolk gezet of gehangen krijgt het de idee van een verzameling. Uit de biotoop gevangen en teruggeplaatst in een eigen intieme omgeving. Figuurlijk opgeprikt zoals een collectioneur dat met vlinders en insecten doet. Een installatie van gekaderd leven. Voornamelijk die vorm van presenteren maakt de tekening tot een kunstwerk, omdat deze daarmee een niveau meer krijgt, een dubbele laag. Van der Kooi voegt niets van haarzelf toe aan de plaat, zij respecteert de wezens zoals ze zijn en zich voordoen. De kleine zeedieren zijn in figuratie al kunstig genoeg van en uit zichzelf. Daar kan alleen nog wat lichtval op, over of onder, om de persoonlijkheid te benadrukken.

    Het verborgene komt boven water

    Wat Van der Kooi doet is een natuurkundig verantwoorde tekening maken van de waterwezens. De Schepper heeft daar al voldoende mee geëxperimenteerd, daar hoeft de kunstenaar geen schepje bovenop te doen. Wel is het kader waarin de doordachte schepping is opgesloten met zorg gekozen. De wezens zijn al eeuwen bestaande zeedieren, die meteen bij de eerste gedachte al vrijwel af bleken en nauwelijks behoefden te evolueren.

    Met “Waar Water Leeft” kan de bezoeker tot kort in het nieuwe jaar de gedachte wereld onder water beleven. Niet fysiek duik je daar onder de diepzee in of waad je snorkelend door sloot en plas, maar wordt wel een tip van de waterspiegel opgelicht om een blik te werpen naar wat zich daar in die wonderlijke wereld voordoet. Het verborgene komt er boven water, de duisternis wordt uitgelicht.

    Waar Water Leeft. Werken van Sin-ming Sit, Susana Mulas Lastra en Lolkje van der Kooi bij Galerie Getekend, Stationsstraat 6 in Heerenveen. Van 9 november 2025 tot en met 4 januari 2026.

  • Het addertje onder het maaiveld van Monique Koning

    Las ik ergens dat Jeanne Bieruma Oostings mantra was “Je kunt geen twee heren dienen”? Jeanne Bieruma Oosting, de vrouwelijke kunstenaar die koos voor de kunst als relatie. Maar dat was een eeuw geleden. In 100 jaar is er veel veranderd, maar niet het feit dat je lastig op twee paarden kunt wedden. Om helemaal voor de kunst te gaan koos Oosting voor een leven zonder echtgenoot, zonder kinderen, zonder huishouding. In haar tijd had de vrouw geen rechten en stond zij onder curatele van de man. Gehuwde vrouwen hadden voor de Nederlandse wet evenveel rechten als misdadigers en ‘onnozelen’, lees ik in de biografie van Oosting door Jolande Withuis geschreven. In die maritale macht van de echtverenging paste het niet dat de vrouw de kunst zou dienen. In haar tijd waren echter meerdere vrouwen die niet onder een juk wilden werken, waarvoor het uitoefenen van een vak geen vanzelfsprekend recht was maar wel een wezenlijke behoefte. Hun werk was hun biotoop.

    Het bestaan van alleenstaande vrouwen toen was niet eenvoudig, maar de kunst betekende levensgeluk. Dus koos Oosting niet voor het geluk van een gezin en kinderen, want “heel mijn leven en mijn denken draait om schilderijen. Het is mijn adem.” Was zij getrouwd met haar kunst? Is daar niet een parallel te trekken met de vrouw die als kloosterlinge wil leven. Het geluk bij God zoekt en kiest voor een celibatair bestaan. Is zij getrouwd met haar geloof? Het zijn zo gedachten die ik krijg bij de werken van Monique Koning. Maar het heeft natuurlijk helemaal geen overeenkomst, het slaat de plank behoorlijk mis. Want hoe anders is het nu, de vrouw heeft zich in 100 jaar los van de man gevochten. Hoewel in gedachten van het gros van de mannen de vrouw nog steeds een bezit is.

    Talentvol

    Monique Koning kan desalniettemin dienen als het voorbeeld van vrouwelijke kunstenaars die twee werelden niet samen en tegelijkertijd kunnen bestieren. Er moeten keuzes gemaakt worden of het is afzien om er voor 1O0% voor te gaan. Je kunt jezelf in tweeën delen en voor het een en het andere gaan. Dan komt het talent nauwelijks boven het maaiveld uit en verliest de gave aan zeggingskracht. Het is daarom niet bijzonder dat vrouwelijke kunstenaars besluiten zich niet aan een relatie te binden en geen gezin te stichten, hoe moeilijk die beslissing dan ook is. Een huwelijk waaraan over het algemeen het verwekken van kinderen verbonden is leidt af van het heilig moeten en het creëren van iets uit niets. Maar het bloed kruipt dikwijls waar het niet gaan kan en de natuur roept herhaaldelijk.

    De talentvolle Monique Koning laat haar gave bijschaven aan de kunstacademie waar ze technieken uitdiept en voor haarzelf kansen schept. Na de studie ontwikkelt zij zichzelf en komt met verrassend gemanipuleerde beelden voor het voetlicht. Ze zet grote levensvraagstukken te kijk, maar kan ook teder een dode vogel tegemoet treden. In die kwetsbaarheid zit ze graag in de schaduw van ene Jan Mankes. Nog voor AI zich gaat bemoeien met het vervormen van beelden, stort Koning zich analoog en digitaal op het aanpassen en bewerken van beelden. Binnen de haar zelf getrokken kaders zet ze de wereld naar haar hand. De realiteit wordt een bovenaardse waarneming. Surrealistisch leert ze het bestaan te herschikken en in metaforen te doorgronden. Dat werk toonde ze al diverse malen aan de buitenwereld. En ze leek te groeien in die beeldtaal. Maar telkens opnieuw wanneer ze mij wees op weer een andere vertoning van haar werken op een diverse plaats, keek ik naar dezelfde fotografische afbeeldingen en fijnzinnige tekeningen. Ze scheen stil te staan in ontwikkeling, want er kwamen geen nieuwe experimenten bij.

    Zelfstandige vrouw

    Stilstand is achteruitgang, maar het talent van Koning is dusdanig groot dat de oude werken zich in een andere omgeving telkens lijken te vernieuwen. De vondsten hebben eeuwigheidswaarde en kunnen nog lang mee. Gelukkig maar, want Monique Koning heeft nu eerst voor het gezin gekozen, en voor de opvoeding van twee blozende knullen tot gezonde jongemannen. En dat vergt veel van haar tijd en creativiteit, zodat ze kunstzinnig niet verder komt dan kleine opdrachten voor het ontwerp van geboortekaarten. Ze houdt deze kunst klein, kleinkunst om bezig te blijven, om grip te houden. Die ontwerpen doen er toe en vallen in de smaak. Maar voor uitwerking van gedachten op groot formaat komt ze niet toe. Deze inspiraties slaat ze op haar harde schijf op, legt ze in gedachten vast voor later. Maakt hier en daar eens een schets om de feeling met de ingeving niet kwijt te raken. Maar verder bewijst zij dat je keuzes moet maken.

    Schaamteloos bloot

    Voor het gezin wordt de kunst even afgeremd en komt tot stilstand. Maar de motor blijft draaien. Later wanneer dat kroost op uitvliegen staat kan de creativiteit alsnog botvieren. Monique Koning dient geen twee heren, of het moeten haar zonen zijn. Ze is een zelfstandige vrouw die mag kiezen. En dat doet ze ook. Ze geeft de voorkeur aan het gezin en de kunst schuift op de achtergrond, maar raakt niet buiten beeld.

    Nu zie ik haar werk weer in Ferron aan de Lindegracht in Heerenveen en maak opnieuw kennis met oude vrienden. Ik probeer met andere ogen door te kijken, te doorzien wat ik eerder niet zag. Het is opmerkelijke kunst die best op herhaling kan. Het werk kan ertegen en misschien boort het in deze omgeving een ander en nieuw publiek aan. Wat ze toont in de gezellige eetzaal zou gezien kunnen zijn als een overzicht van haar oeuvre. Een bloemlezing van het kunnen tot nu. Te bekijken valt werk van in en net na de opleiding. Examenwerk waarin ze zich schaamteloos bloot geeft. Zelfportretten die nauwelijks iets verhullen en waarbij ze speelt met haar lichaam zonder erotisch te verleiden. Zonder kleur, dus in een zwart-witte afdruk op een glinsterende drager, is het een ode aan het lichaam, een poëtische indruk van het lijf, de schoonheid van de mens zonder meer.

    Echter bij Monique Koning schuilt altijd een addertje onder het gras, terwijl ze haar kop boven het maaiveld uitsteekt. De beeltenis geeft een extra dimensie, een dubbele laag. Er gebeurt meer dan op het eerste gezicht merkbaar is. Er moet door gekeken worden om het beeld te doorzien. Wel is het meteen tastbaar, maar ook is een nadere beschouwing op de plaats. Het interieur met de immense boekenwand lijkt een doodnormale plaat, maar er vindt in die bibliotheek van alles plaats. Het is een zoekplaat met onverwachte gebeurtenissen. Daar blijf je naar kijken terwijl je aan een espresso martini nipt of de Pinsa di Ferron aansnijdt. Zo heeft de kunst van Koning meerdere surrealistische twists. Het heeft een verhaal zonder uitleg. Een vertelling zonder woorden. Een vertekende waarheid waarbij de kijker zelf de inhoud dient te formuleren. Zo houdt het werk ons bezig, heeft het een geheimzinnige laag. Ook wanneer we denken te weten wat we zien. Monique geeft er een draai aan die teder is en broos, een warm gevoel geeft van binnen – net als de Marco Porello Langhe.

    Tentoonstelling werken van Monique Koning bij Podium Ferron, Lindegracht 21 in Heerenveen. Te zien tot 28 september 2025.

  • De regelmatige verwarring van een Vlaamse Fries

    Twee jaar geleden kwam ik voor het eerst in contact met het werk van Valère Wittevrongel. Dat was toen in Kunstlokaal No.8 in Jubbega. Mijn betoog begon toen min of meer op deze manier: “Over het algemeen wordt de bezoeker van deze lokaliteit kunst getoond die beroep doet op inleving, ervaring en gevoel. Inleving om de composities op waarde te schatten. Ervaring, de geoefendheid in het kijken naar non-figuratief werk. En gevoel om de belevenis objectief te beleven. Dat heeft tijd nodig bij de ongeoefende kijker, maar is er eenmaal doorzicht in wat gezien is, begrip te doorgronden dan komt het beeld tot leven. In de tweede dimensie ga ik dan als beschouwer de diepte in. De vormgeving aan de oppervlakte geeft gelaagdheid in de verschillende niveaus prijs. Om de compositie te doorzien moet ik staanblijven en verderkijken.” Die tekst zou ik hier op dit moment letterlijk zo over kunnen nemen, en dat doe ik dus ook. Niet omdat Wittevrongel mij dezelfde werken laat zien, wat zal betekenen dat er nauwelijks voortgang in zijn kunst aanwezig is. Geenszins, hij groeit en bloeit op dezelfde vruchtbare grond, zijn bodem. Echter de sfeer is hetzelfde gebleven. In de ruimte van Museum Galerie Heerenveen weet de kunstenaar eenzelfde atmosfeer te brengen. Zijn stemming heeft witte wanden nodig, de ambiance moet het werk ondersteunen en niet afleiden. Zo kan de bezoeker geheel ongedwongen en objectief op de schilderijen ingaan, deze beleven en ervaren.

    De plattegrond van de gedachte noem ik het werk van Valère Wittevrongel. Het is geen realistisch gegeven, maar een abstract gevoel. Doordat er niets in te zien is, geeft het alles weer. Zonder vooringenomenheid kan ik in het werk opgaan, dit ondergaan. Mijn verstand kan op nul en de blik op oneindig, omdat ik niets hoef te zien en me geen voorstelling behoef te maken. Overal wil de mens een beeld hebben om er waarde aan te hechten. Er iets in zien zonder dat het een voorstelling heeft, non-figuratief is. Maar bij Wittevrongel, die zijn inspiratie ordent in vlakken en kleuren, kan ik gedachteloos kijken – afwezig welhaast. Zo gezegd kan het werk meditatief zijn: in stilte overpeinzen, kalm geen oordeel vellen. De gedachte in vlakken verdelen om in kleuren de diepte in te gaan. Het is niets en toch is het alles, herhaal ik mezelf. Want herhaling is toch onder meer de kracht van deze kunstenaar. Hij herhaalt zichzelf om het werk te hernieuwen. Het schijnt een eenheidsbrij, maar is voortdurend een variatie op het thema.

    Het werk van Wittevrongel heeft geen titel, niet anders dan een plaats- en tijdsbepaling van waar en wanneer het is gemaakt of in welke serie het thuishoort. Voor de kunstenaar van waarde maar voor de beschouwer nietszeggend. Een titel zou de gedachte sturen, een kant op laten gaan die niet gewenst is. Het werk moet ongedwongen tegemoet worden getreden vindt de kunstenaar zelf, een titel leidt af en bevooroordeeld de gedachte. Het wil niets zijn. Geen landschap in de zin van een horizon op een derde van het beeldvlak. Het heeft wel dat voorkomen, maar het is een spel met kleur en vlakverdeling. Toevallig overeenkomend met ons beeld van wat een landschap is.

    Tijd nodig zich te openen

    Wittevrongel zoekt naar een figuratieve diepte. Hield hij zich steeds bezig met de oppervlakte, waarin vlakken en lijnen door kleurwerking en lichtinval een doorzichtig spel spelen. Nu is die oppervlakkigheid niet meer voldoende en gaat de kunstenaar met kleur op zoek naar een diepzinniger uitdrukking. Hij brengt doelbewust onrust in de orde. Niet om verwarring te zaaien, maar om de spanning op te voeren. De stilstand lijkt in beweging. De waterspiegel komt in beroering wanneer er een blad opvalt, de aanraking van een steen geeft opwinding. De rust raakt verstoord en komt tot leven. In dat leven zoekt Wittevrongel een ander niets, vindt er een diverse abstractie. Geen verdieping in het zijn, want de werken gaan in het niets al diep genoeg om met iets aan het oppervlak te komen.

    De kunst van Valère Wittevrongel heeft tijd nodig om zich te openen. In eerste instantie lijken het dood geverfde werken, ondoordringbaar omdat het meest een ode aan het zwart schijnt. Later varieert hij met unikleuren. Door goed te kijken, de tijd daarvoor te nemen, geeft het werk de inhoud prijs. Zie je ruimte waar eerst enkel leegte scheen te zijn. In gedachten heb ik de ruimte nodig om de leegte op te vullen. Het is geen kunst van de korte blik, maar van de lange adem. Kijken om te zien, dat is het devies. Dat heeft op de keper beschouwd geen woorden nodig. En laat ik dan de woorden voor wat ze zijn, het oordeel links liggen, er niet meer omheen praat. Dan zie ik dat de verf in dunne laag is opgebracht, waardoor de structuur van de drager zichtbaar blijft. Daardoor lijkt het of de kleur tot leven komt en zich intensiveert. De penseelstreek is nauwelijks zichtbaar, laat staan in het ogenblik voelbaar. Egale vlakken die in intensiteit van tint en bestreken met vernis naar voren komen of zich juist naar achter bewegen. Als in een coulisselandschap geeft dit ruimte aan het zicht. Ook schijnen de vlakken onder en over elkaar langs te schuiven, er is gezichtsbedrog, een optische illusie. Het vlak op zich is de huid van het canvas zonder hoogte en diepte, maar de kleur en het licht maken er een perspectivisch geheel van. Het neemt zich tot je of stoot je af. Het slokt je op of spuwt je uit. De tijd zal het leren. Voor het geoefende oog is het makkelijk werk, maar voor de lekenblik is het niet eenvoudig te doorgronden. Het is in orde, maar doordat het niets is geeft het onrust. Je krijgt er geen vinger achter en dat schuurt. Orde en onrust dus, echter als metafoor voor het werk van Valère Wittevrongel. Een Vlaamse Fries, dat geeft regelmatig verwarring.

    Orde en onrust. Schilderwerken van Valère Wittevrongel bij Museum Galerie Heerenveen (MUGA), Minckelersstraat 11 in Heerenveen. Van 24 augustus tot en met 5 oktober 2025.

  • Redenatie in 1685 woorden over beelden Henk Visch

    De beelden op het terrein van Museum Belvédère lijken daar op een natuurlijke wijze aanwezig te zijn. Alsof de objecten zoals de bomen in het museumpark daar zijn gegroeid. Daarmee voldoen de objecten aan wat Staatsbosbeheer destijds rond het gebouw als invulling van de openbare ruimte voor ogen had. Namelijk het creëren van een bescheiden bos, zodat het museum welhaast naadloos zou opgaan in de omgeving. Dat de zwarte schoenendoos de aanwezigheid nauwelijks merkbaar kenbaar zou maken. Van dat plan is in de loop der jaren weinig terecht gekomen, nog altijd staat het opmerkelijke museumgebouw met de strakke architectuur te schitteren als afsluitend bouwwerk in de achtertuin van Landgoed Oranjewoud.

    De beelden van Henk Visch schijnen daar destijds tussen de jonge aanplant gezaaid en deze zomer te zijn opgekomen. Ze vormen een ongekunstelde eenheid met het transparante bos en dichtbegroeide grasveld. Om de objecten beter zichtbaar te maken en ervoor te zorgen dat het publiek er ongehinderd omheen kan lopen zijn er paden in het grasveld gemaaid. Jammer eigenlijk, want zodoende krijgen ze bijzondere aandacht en worden uitgetild boven het maaiveld. Feitelijk zoals het museumgebouw zich ook verheft en opstijgt boven de omgeving. Worden ze meer dan de omringende beplanting, zijn een toevoeging terwijl ze van nature op de juiste plek staan, één zijn met de habitat.

    Taal van abstracte beelden

    Over de beelden die naar mijn idee een eenheid zijn met de omgeving dacht ik eerstens niet te schrijven, want over een boom zet je meestentijds ook geen boom op. De beelden zijn er gewoon, je kunt ze bekijken en bewonderen. Er omheen lopen of in het lange gras gaan liggen en de verplaatsing van lucht langs de harde maar levendige huid horen schrapen. Er iets van vinden, maar dit niet uiten. Dat is voor de beelden niet noodzakelijk om aan te spreken. De bloemen in het veld hebben ook geen woorden nodig om te zijn wat ze zijn. En de bomen in gelid geplant verdienen geen kritiek om het bestaan te verantwoorden. Dus loop ik om de werken van Visch en meen er het mijne van, maar laat de sculpturen zichzelf uitdrukken. Ik heb een indruk.

    Zo bezoek ik nog eens vaker het museumpark en laat de taal van de abstracte beelden tot mij komen. Echter de communicatie tussen figuratie en herkenbaarheid laat mij stilvallen. Ik heb er geen woorden voor, kan ze maar niet bedenken, vallen mij niet in. De beelden schijnen meer in zichzelf gekeerd dan dat ze zich tot mij richten. Ik moet moeite doen om interactie te hebben met Henk Visch die via de werken tot mij spreekt. Ik sta daar op dat grasveld letterlijk met de mond vol tanden.

    Daarom besluit ik er niets over te schrijven, er geen beschouwing op los te laten, mijn kritische kijk in te slikken. De beelden zijn er gewoon, ik accepteer hun aanwezigheid. Ik nam er genoegen mee, had er vrede mee en deed er het zwijgen toe. Totdat ik het essay van Peter van Lier op de website van De Moanne, podium voor kunst en cultuur in Fryslân, onder ogen kreeg en belangstellend las. Ik ben fan van deze dichter en essayist, die de wereld filosofisch bekijkt en met een korrel zout kruidt. Na zijn beschouwing over het enkele werk “Unguided Tours” tot mij genomen te hebben, kon ik mij niet langer stil houden over de rest van de groeisels die staan te bloeien tussen akkerschermen, zuring, boerenwormkruid, sintjacobskruid en al die andere wilde zaailingen. Ik vond ook iets te zeggen van “Subterranean Man”, van “Piazza del Popolo”, over “The Shadow” en “Die Sammlung”. Ik voel mij die man die woorden eet, liggend in het zojuist gemaaide gras – de harde sprieten prikken in mijn huid. Ik neem stilzwijgend de omgeving tot mij, ik consumeer de woorden die tot mij komen en waaruit ik mij een idee vorm. Mij een voorstelling maak van wat ik aan vervormde figuratie om me heen zie.

    Menselijke gestalten

    Geen enkele menselijke figuur in dit museumpark gevormd in brons heeft een natuurlijke gestalte. Er is altijd wel iets verwrongen in de houding, is de pose van het lijf onbestaanbaar. Voor het gevoel klopt er iets niet, de emotie moet de verdieping zoeken om de standen te duiden. Wat zie ik en wat zegt mij dat. Of moet ik wat ik zie simpel voor waarheid aannemen en er geen diepere betekenis in wensen te zien. Het beeld is er gewoon, niet meer en niet minder, zoals de eik in mijn achtertuin. Daar uit een eikel ontstaan en tot wasdom van een meter of tien gekomen. Zo zijn de sculpturen uit het brein van de kunstenaar ontsproten en geplant in het museumpark. Die kun je zwijgend aanschouwen, stil beschouwen. Peinzend en bedachtzaam bewandel ik de gemaaide paden die als olifantenpaadjes vooraf al platgetreden zijn. En na de woorden van Peter van Lier is mijn visie gekleurd, maar wel in de tint die bij mij past. De kleurstelling vloekt niet, de woorden smaken mij als zoete broodjes. Van Lier is de engel die mij op de tong piest.

    De figuren van Henk Visch zijn geen mensen. De menselijke gestalten figureren gevoelens. Drukken emoties uit en kunnen daarom zich vervormen als contortionist ofwel slangenmens. De houdingen vloeken met de gangbare anatomie van het lichaam. Je zou er een plaatsvervangende hernia van oplopen. Geen mensen, wel sculpturen van brons, metaal en aluminium. Werken die herkenbare vormen aannemen, omdat de emotie een tastbare uitweg dient te hebben. De balans tussen abstract en realiteit is in evenwicht op de figuratie. Het is waarheid wat ik zie en eventueel kan bevoelen, maar het is niet echt. De emotie blijft een aftreksel van de werkelijkheid, het kan niet grijpbaar echt zijn. Het is een aandoening als een virus dat niet bestreden moet worden. Het ontroert maar is niet te doorgronden. Je kunt niet omschrijven waarom het een wel mooi is en het andere niet. Om dat gevoel te bepalen dien je te leren kijken. Je blik moet wennen, een korte oogopslag geeft geen doorslag. Kijken en beschouwen, het beeld proeven, de smaak overwegen. Stil staan en bewonderen.

    Kan het leven uitdrukken?

    Enkel de essentie van de emotie krijgt vorm en heeft naam. Het gevoel komt niet simpel overeen met de titel. Soms is de naamgeving meer abstract dan de vorm is. Om emotie ruimtelijk vorm te geven is geen sinecure. En om dit daarnaast toegankelijk te maken voor publiek verdient een schoonheidsprijs. De schoonheid van de vormgeving, de kern van beelding. Laat ik eens lezen hoe Peter van Lier daarin staat. Met zijn filosofische ondergrond graaft hij zich diep in de materie in. Ondergraaft hij mijn objectieve blik misschien wel. Ik ben min of meer bevooroordeeld wanneer ik een derde keer een rondgang maak door het museumpark. Want hoe formuleerde hij dat ook alweer, ik citeer: “Het beeld is voor mij de ultieme weergave van een filosoof die zich met het gehele zijn van de werkelijkheid inlaat, met alles wat aanwezig is tussen hemel en aarde. In die hoedanigheid drukt het beeld beschouwelijkheid uit of contemplatie. (…) De titel van het beeld is Unguided Tours, wat te vertalen is met: ‘Rondleidingen zonder gids’. Die rondleidingen kunnen door de lichamelijke gebreken niet fysiek worden uitgevoerd, maar wel mentaal. Vlij je deze zomer nog neer in het bloemenveld voor het Museum Belvédère en bezie dit beeld dat zich zo bewust lijkt op te houden tussen hemel en aarde. Laat je geest meevoeren op de toer die het ons voorspiegelt. Kijk net zolang naar het beeld tot het niet meer vreemd of afstotend aanvoelt, maar vertrouwd en misschien zelfs aanlokkelijk.

    En dan zie ik geen haas met gespitste oren aan de overkant van het Grand Canal ofwel de Prinsenwijk staan. Dan zie ik de angst in de ogen van het beest wanneer het voor de koplampen van een snel naderende auto komt. Die emotie is bevroren in brons. Hij hoort en ziet alles, maar in deze tel is al die kennis vergeten. Stroomt er geen bloed maar adrenaline door de aderen. Heeft een brons aderen? Kan het leven uitdrukken? Heeft het een kloppend hart of beeld ik me dat in om het koude brons in gedachten te kneden tot warme klei. Er mijn idee in te vormen, vorm te geven, uit te drukken. Terug naar de haas. Het staat rjocht op en del langs de waterkant. Stokstijf als een reiger op jacht. Het  overlevingsmechanisme staakt in het moment; de moeilijke keuze tussen vechten of vluchten. De grize giet him oer de grouwe; de koude rillingen zetten de rug op slot en de oren op scherp. In “Nightlife” is de dood nader dan het leven. Het tedere konijn tussen het riet is een angsthaas, een held op sokken om sloffend een goed heenkomen te zoeken.

    Op die manier bevriest Henk Visch een emotioneel moment. Zit er meer achter de vorm op het eerste gezicht. Met Van Lier vlij ik mij in het hoge gras en kauwend op een strootje overdenk ik het hier en nu. Peinzend haak ik aan het moment en tel tot tien voordat ik me aan een mening waag. Want een standpunt geeft een voorstelling, terwijl de vorm geen oordeel verdient om de stelling die het heeft in te nemen. De beelden hebben waarde zoals deze zijn. Hun existentie is de essentie van het wezen. Ze drukken datgene uit wat in woorden nauwelijks een afdruk kan hebben. Dus laat ik mijn ogen sluiten en van het nabeeld op mijn netvlies genieten. Het een waarde toedichten die persoonlijk eigen is. In gedachte contact maken met de schepper dezes om de weerklank van zijn emotie te vatten.

    En natuurlijk kan ik heel best mijn eigen smaak bepalen, daarvoor heb ik Peter van Lier niet nodig. Kan ik heel goed feilbaar het verschil tussen professie en amateurisme kennen. Echter Van Lier zet mij op een spoor, zet de wissel om zodat ik net een andere kant oprijdt. De zaken van gene zijde bekijk terwijl ik normaal gesproken aan deze kant van de feiten sta. De filosoof biedt mij een onveilig terrein aan, dat ik met gezonde belangstelling betreedt. En ik filosofeer en redeneer er op los, al 1681 woorden lang.

    Unguided Tours. Henk Visch. Beelden in het museumpark en kamers van de westvleugel. Museum Belvédère, Oranje Nassaulaan 12 in Heerenveen-Oranjewoud. Van 28 juni tot 21 september 2025.