Tag: beschouwing

  • Heerenveen, vruchtbare bodem voor kunst?

    Volgens directeur Marco van der Werf zit er iets in de grond, in de (Heeren)veengrond, dat mensen met hun gaven daaruit tot bloei kunnen komen. Deze conclusie trekt hij gezien de lange lijst op Wikipedia van bekende personen die van Heerenveen zijn. En dat zijn dan niet enkel sporters – voetballers, schaatsers – maar ook kunstenaars – schilders, schrijvers, musici. Van der Werf typeert Heerenveen als broedplaats voor beeldende kunst, een rijke artistieke voedingsbodem. Bezoekers van ‘zijn’ museum ontdekken deze zomer en herfst hoe kunstenaars uit de gemeente Heerenveen en omgeving uitgroeiden tot namen van nationale en internationale betekenis. Hij zet het Friese Haagje echter nog net niet weg als kunstenaarskolonie zoals Bergen, Laren en Oosterbeek dat zijn. Met ROOTZ toont Museum Heerenveen een zestal kunstenaars die hun wortels in deze plaats hebben.

    Nationale kunst met Heerenveense wortels

    De zes nog levende kunstenaars in de tentoonstelling zijn slechts een smalle dwarsdoorsnede van de groep die banden heeft met de gemeente Heerenveen. “Er is in eerste instantie gekeken naar dat wat we al in de collectie hadden”, vertelt Van der Werf desgevraagd. “En dat zal zeker geen compleet overzicht zijn van alle aan Heerenveen verbonden kunstenaars. Het idee voor de tentoonstelling was die kunstenaars te laten zien die hier geboren en getogen zijn, en daarna elders de vleugels hebben uitgeslagen. Kunstenaars die nog in Heerenveen wonen passen daar niet bij.” Ook blijkt het kostenplaatje een grotere groep in de weg te staan, daar het verzekerde vervoer van schilderijen hoog en voor een klein museum erg kostbaar is. De kunstenaars Siert Dallinga, Robert Zandvliet, Jan Worst, Jochem Hamstra, Robert Geveke en Rabbo Ploeger vormen het vertrekpunt van een tentoonstelling die lokale wortels verbindt met internationale artistieke ontwikkeling.

    De voedingsbodem en het groeien zijn als metafoor voor de tentoonstelling genomen, met voornamelijk de boom als dragend middelpunt. Het decor waarin de kunstwerken worden getoond is samengesteld uit de diverse stadia van de groei: van wortel tot kroon. Takken hangen aan het plafond, behang van schors, zaden op de grond uitgespreid. De kleuren groen en bruin, de museumzaal is als de habitat van de boom getint. De stamboom van de Heerenveense kunst. Van het begin als aankomend kunstenaar tot aan de kroon op het werk, de internationale erkenning. De presentatie is dan ook niet chronologisch per kunstenaar, maar gebouwd rond diverse algemene thema’s. Dat geeft ruimte om naast de basis tevens nadruk te leggen op de karakteristieken van het Friese landschap. Het museum introduceert dat op de website als volgt: “De tentoonstelling is vormgegeven als een boomstructuur: van ‘wortels’ (jeugd en oorsprong) via de ‘stam’ (ontwikkeling en doorbraak) naar de ‘kroon’ (erkenning en meesterwerken). Deze ruimtelijke opzet maakt de groei van kunstenaars – van lokaal talent tot (inter)nationaal erkend kunstenaar – letterlijk inzichtelijk voor bezoekers.”

    Bestaat de Heerenveense School?

    Wat is het dat de bodem van Heerenveen zo rijk maakt, dat het talent er zo op kan gedijen? Zijn het de noeste veenarbeiders die de grond hebben bewerkt, staat de sociale armoede aan de basis of zijn het de heren van het Veen die zich hebben verrijkt, de Oranjes die tussen de bomen hun heil zochten. Kan dit het Friese licht zijn, waarvan Heerenveen een graantje meepikt. Of zal het de spanning tussen intimiteit en ruimte zijn, tussen dorp en streek, tussen bebouwing en landschap. Is er een overeenkomst te ontdekken tussen de kunstenaars, dat zij zich aan elkaar verbonden weten, niet alleen omdat ze Heerenveen als plek van oorsprong hebben. Kan de kunst van de een worden vergeleken met die van de ander. Of is de voedingsbodem van Heerenveen zo universeel dat die evenzo goed vruchtbaar kan zijn op een willekeurige plaats elders. Kortom, bestaat er een Heerenveense School?

    Museum Heerenveen, ROOTZ

    Enkele decennia geleden heeft kunstenaar Louis le Roy – jazeker, die van de ecokathedraal – de term Heerenveense School gelanceerd. Later is dat nog eens weer opgepakt door de plaatselijke kunstenaarsvereniging Pro Forma. Dat kan betekenen dat er een gemeenschappelijke opleiding is voor kunstenaars die van Heerenveen zijn. Dat er een lesmethode bestaat die het karakter bepaalt van kunst uit Heerenveen. Of dat er een beweging van gelijkgestemde kunstenaars zich hebben verzameld op deze plek, te vergelijken met de Haagse School. Het verzamelgebouw dat ooit dienst deed als MULO en later MAVO en waar nu onder meer Museum Heerenveen onderdak vindt draagt nog de naam Heerenveense School, maar voor de rest is er niets aan gelijkgestemdheid te vinden in het werk van Heerenveense kunstenaars. Toch is het interessant om te zien wat er geworden is van de kunst die hier een oorsprong heeft gevonden en breed wordt gewaardeerd.

    Herinneringen van Heerenveen

    Het is natuurlijk niet beslist noodzakelijk dat de getoonde kunstenaars laten zien waar de stamboom wortelt. Maar voor een instelling als Museum Heerenveen, voortgekomen uit de oudheidkamer en nog altijd de historie van de plaats koesterend, is dat wel mooi meegenomen. Rabbo Ploeger zet de skyline van Heerenveen in maanlicht en gevels aan het Breedpad in opkomende nevel. Het doet denken, maar herinnert niet volledig meer. Siert Dallinga heeft vanuit zijn slaapkamerraam de blik op Tjepkema’s molen die oprijst achter jaren 60 nieuwbouw. Het geheel in zwart-wit als een foto uit de schoenendoos op zolder. Een niet-ingekleurde herinnering. Jochem Hamstra krijgt, wanneer hij de ogen sluit na een dag werken in zijn Groningse atelier, nog de bootjes in de Van Engelenvaart op het netvlies. Hamstra is een schipperskind, de woonboot lag in de Herensloot langs de Polderdijk.

    Museum Belvédère, schenking Judith en Peter Plasman
    Siert Dallinga – Soldaat in bos

    Voor de rest zijn er geen tastbare aandenkens, die het museum in de boeken kan wegschrijven als souvenir. Het maakt wel duidelijk waar de inspiratie voor deze tentoonstelling vandaan komt. Het getoonde werk van de kunstenaars is totaal verschillend van elkaar. Daarin is geen lijn of parallel te herkennen. Het Heerenvener zijn is enkel de reden dat ze op deze manier in Museum Heerenveen zijn gecombineerd. De conservator en het team inrichters hebben van dat krappe gegeven wel een ruime presentatie gemaakt. Daarin passen de abstracten van Robert Zandvliet naast de vervreemdende schijnwereld van Jan Worst en de cartooneske portretten van Robert Geveke.

    Er wordt al gesproken over een vervolg op deze tentoonstelling ROOTZ, want er is natuurlijk veel meer materiaal van en over de Heerenveense kunst. In een ROOTZ 2.0 of zelfs een ROOTZ 3.0 kunnen al die andere kunstenaars die nu overgeslagen zijn een plaats krijgen. Een samenwerking met Museum Belvédère wordt niet uitgesloten, daar dit gebouw wordt uitgebreid en daarom voor een periode zal sluiten. Op voorhand geeft Belvédère al een voorproefje. In de westvleugel wordt namelijk een bijzonder aantrekkelijk schilderij van Siert Dallinga getoond: Soldaat in bos. Het smaakt naar meer, en er is meer, veel meer. Het veen van de heren was vruchtbaar en is dat nog steeds.

    ROOTZ. nationale kunst met Heerenveense wortels bij Museum Heerenveen, Minckelersstraat 11 in Heerenveen. Van 27 juni tot en met 1 november 2026.

    Museum Heerenveen, ROOTZ
  • Christiaan Kuitwaard: waar stilte zichtbaar wordt

    Hij heeft bij wijze van spreken vanuit de schaduw het vretende licht de ruimte gegeven. Op het moment echter dat dit licht alle donkerte had opgegeten veranderde Christiaan Kuitwaard zijn standpunt en breidde zijn gezichtsveld uit van het kopje op tafel tot het landschap bij Cornwall of de petgaten in De Deelen. Nog altijd is het licht wel de leidende factor en de verstilling het uitgangspunt. Dat is te aanschouwen in de tentoonstelling “Christiaan Kuitwaard – stilteschilder” in Museum JAN. In Amstelveen toont Kuitwaard een representatieve dwarsdoorsnede van zijn oeuvre. Het is derhalve een overzicht van ruim dertig jaren noeste arbeid in het atelier achter zijn huis in Oldeberkoop. Maar ook gaat hij wel het veld in om en plein air de stilte vast te leggen.

    Licht dat stilte schept

    Het licht dat schaduwen maakt van waaruit vormen opdoemen boeit Kuitwaard mateloos. Uit die vlakverdeling bouwt hij in eerste instantie zijn composities op, die schuren tegen de abstractie in de zin van versimpeling van het beeld. Door de werking van schaduw aangestoken door het licht komen voorwerpen aan het licht. Maar ook in de donkerte weet de vorm zich te manifesteren door een schijnsel op te vangen. Die tweestrijd, waarin het licht de duisternis ruimte ontneemt, voltrekt zich in stilte. Dat niet-geluid klinkt door in het werk. De serene stilte schreeuwt zich van de dragers.

    Hoewel de tentoonstelling mensen trekt die zich willen wentelen in de stilte van Kuitwaard en zodoende afleiden van het ervaren ervan, kan ik mij concentreren op de werken omdat deze door vorm en inhoud de aandacht versterkt vasthouden. In iedere compositie kan ik mij laven aan wat de schilder met zijn werk verbeeldt. De stilte in zijn schilderijen straalt rust uit, of het nu de schittering van licht op water is of het rumoer van stammen in het bos, het rinkelen van kopjes of het ruisen van de wind. Alle drukte komt tot rust in de werken van Kuitwaard, zoals de tijd stopt in een schilderij. Het is een moment van contemplatie, alsof zich een vesper in het kunstwerk voltrekt: een verstilde ontmoeting van licht en donker.

    In het getoonde overzicht ziet de beschouwer de schilder groeien in zijn werk. De ingeslagen weg lijkt een beperking te zijn, maar opent juist ongedachte perspectieven. Het licht speelt altijd een rol in de kunst bij elke kunstenaar. Zonder licht is er immers geen beeld en kan het penseel aan de wilgen. Kuitwaard echter gebruikt dat licht niet om de werkelijkheid uit te drukken, maar om een emotie vast te leggen. Ieder schilderij en elke tekening geven een gevoel bij het onderwerp weer. Een moment van ontroering dat de kunstenaar wereldkundig wilde maken. Het is zijn manier van communiceren. Zijn wil om duidelijk te maken dat gewone dingen heel bijzonder zijn. Het zijn de kleine dingen die het hem doen…

    Het kopje en de schotel hebben van zichzelf al een bepaalde stilte in zich. Dat gebruik legt Kuitwaard niet vast, maar juist het nabeeld dat in het netvlies brandt en gezien wordt wanneer ik mijn ogen sluit. Dan opeens verliest het voorwerp de oorspronkelijke betekenis en leeft het dode ding. Water is van zichzelf nooit zo vlak als een spiegel. Er is altijd wel een rimpeling van wind of schittering van zonlicht, schaduw op en in het water. Kortom, water is voortdurend levend en in beweging. Christiaan Kuitwaard echter legt dat rumoer stil, maar behoudt de dynamiek. Het is alsof dat verbeelde water nog steeds kabbelt en klotst. Het is de kracht van de kunstenaar om beweging stil te leggen in versteende stroming; de beschouwer verplaatst de penseeltoets in gedachten.

    Het ritueel van de maandag

    Bij deze tentoonstelling is een derde deel in de reeks white box paintings verschenen. De 277 werken daarin opgenomen, de nummers 392 tot 668, worden integraal in het museum getoond. Uit nood geboren, schrijft curator Gijsbert van der Wal in zijn voorwoord. “Kuitwaard zat vast (…). Als op maandagochtend zijn echtgenote naar haar werk en zijn kinderen naar school waren, moest hij zichzelf weer aan het schilderen zetten en dat kostte weleens moeite – want wat dan precies, en hoe, en waarom eigenlijk.” Om zichzelf te stimuleren en activeren besloot hij op iedere maandag na die specifieke maandag in september 2010 een klein stilleven te maken. Daarvoor bepaalde hij de randvoorwaarden die na verloop van tijd werden opgerekt. Nog altijd echter moet het voorwerp, ook na nummer 668 van 30 oktober 2025, in één dag op papier of doek staan. Het is langzamerhand een ingesleten routine geworden die het schilderen als vanzelf op gang brengt.

    Of zoals Gerbrand Bakker zijn zeer korte verhaal over een op de kop gezet kopje eindigt: “In mijn binnenste roert zich iets, precies zoals Kuitwaard met de white box paintings zijn werkweek in beweging zet.” Bakker is één van de elf schrijvers die hebben bijgedragen aan het boek. Ieder heeft een stilleven gekozen om er iets van te vinden. Het geeft een verrassende kijk op de serie werken. “In deze beker zit niets”, reflecteert Paulien Cornelisse. “Hij is leeg, al zou je kunnen zeggen dat de achtergrond het glas vult. En is de beker er zelf eigenlijk wel? Alleen de weerspiegelingen zijn te zien. Het is een herinnering van een beker die ooit ergens stond, die ooit door iemand helemaal werd leeggedronken.

    De wereld opnieuw verbeeld

    Voor het wekelijkse ritueel kan ieder voorwerp en elk ding in de huishouding worden gebruikt. Alles wat maar zijn blik kruist en waar zijn oog aan blijft haken, kan onderwerp van verbeelding worden. Het voorwerp maakt hij zich eigen, alsof het onder zijn handen opnieuw ontstaat. De serie is zo langzamerhand een kunstwerk op zich geworden, waaronder de kunstenaar zijn handtekening nog niet heeft gezet. Het is niet af en zal dat misschien nooit zijn. Het is dan klaar wanneer de maker uit de tijd gaat. Echter zal het geen punt zijn, maar een komma. Een onvoltooide compositie, als de Symfonie in b-klein, D 759, van Franz Schubert. Ooit aan begonnen maar nooit af hebben kunnen maken.

    De stilte als monument

    In een strak raster gehangen vormen de kleine schilderijen samen een monumentaal tableau, waarin de herhaling niet tot monotonie leidt, maar tot verdieping. De verstilde werken drukken zich rumoerig uit langs de wanden van JAN. De blik schiet alle kanten op en je kunt je nauwelijks concentreren op een enkel werk in de serie, omdat een andere afbeelding alweer de aandacht opeist. Tot rust kom ik bij de afzonderlijke werken uit het oeuvre van Kuitwaard. Zoals het zicht vanuit het atelier over de tuin naar het woonhuis. Geschilderd in elk jaargetijde met een eigen karakter van steeds hetzelfde beeld. Wat zal deze aanblik de schilder rust geven, turend door het raam de natuur van de wilde tuin in. Die contemplatie, dat beschouwend kijken, ligt in ieder werk besloten. In de essentie van het zien, uit de onderzoekende blik wordt een meditatief moment vast gelegd. Vrat het licht zich een weg door de schaduw; Kuitwaard laat de werkelijkheid goed smaken.

    “Christiaan Kuitwaard – Stilteschilder”, tentoonstelling bij Museum JAN, Dorpsstraat 50 te Amstelveen. Van 11 april tot 13 september 2026. “277 WBP, 11 ZKV”, 277 white box paintings & 11 zeer korte verhalen. Uitgeverij Wijdemeer, 2026.

    [zaalfotoos Eddy Wenting]

  • Oude verhalen, nieuwe werelden

    Wie een nieuwe wereld schept moet niet vreemd opkijken wanneer er mensen zijn die daar niet inpassen. Is het de grote schepper niet ook overkomen? Hij schiep een fantastische wereld, maar de mens wist er geen raad mee. Het had zo mooi kunnen zijn! In dat eerste geval was er helemaal niets. Alles was woest en ledig. Die Schepper is de blauwdruk van de kunstenaar: Hij maakte van niets iets en zag dat het goed was. Het is een godenverhaal. Zo’n vertelling die de kunstenaars Édua Mária László en Huba Hónigh maar al te graag zouden willen verbeelden. Ook zij scheppen een nieuwe wereld, maar niet uit het niets.

    De geschiedenis als grondstof

    László en Hónigh moeten het in Afslag BLV echter doen met wat voorhanden is, met dat wat de geschiedenis hen heeft overgeleverd. En met dat feitenrelaas creëren zij een wereld die er voorheen niet was. Een nieuwe wereld, maar geen nieuwe aarde. Ze willen het kind niet met het badwater weggooien. Oude waarden zijn van levensbelang, dat blijkt telkens weer. De kunstenaars plukken van overal elementen die zij nodig achten om in een andere context te gebruiken. Zo lijkt de tentoonstelling in Afslag BLV een samengeraapt allegaartje. Wie echter zijn of haar ogen de kost geeft, zoals de kunstenaars voordien hebben gedaan, zal een afgemeten en evenwichtige presentatie kunnen beschouwen.

    Afslag BLV, Édua Mária László, Huba Hónigh, Myth Makers

    De kunstenaars grijpen terug in de tijd, want dat is wat voorhanden is om te gebruiken. De overgeleverde verhalen en door de tijd ontstane geloofssystemen vergelijken en voegen ze samen om tot een afwijkende beeldtaal te komen. De beeltenissen doen wel vertrouwd aan omdat wij eraan gewend zijn, maar door de gewijzigde betekenis is onze ervaring anders. Alhoewel we vooruit willen kijken en liever niet achterom. Wij kunnen echter leren van het verleden de toekomst in. Wanneer we niet toch maar wat vaker over onze collectieve schouder willen kijken.

    László en Hónigh proberen het verleden te kennen. Herkennen er zaken in die nu plaats vinden, want het verleden echoot in het heden. Wat eens was, keert als het getij terug, eb en vloed in een eeuwige golfbeweging. Ze staan aan de zijlijn en zijn toeschouwer, observeren de tijdslijnen en geven daaraan nieuwe betekenissen en leggen andere verbanden. De kunstenaars verbinden door lijnen te trekken, overeenkomsten te zien. Van daar naar hier en terug. Ze leren van de geschiedenis en proberen oude waarden nieuwe betekenissen te geven. Wat als. Stel dat.

    Monument voor de fietsende Nederlander

    Om grip te hebben op een en ander is de tentoonstelling in Afslag BLV in drieën opgedeeld. Zo heeft de bezoeker van de ruimte beter overzicht en kan houvast vinden aan de thema’s Nederlandse identiteit en globalisatie, de oudheid, zelfmythologie. Vooral dat laatste is bijzonder interessant, maar daar kom ik later op terug. Vanaf het begin is het Huba Hónigh die archiefmateriaal verwerkt tot collages. Niet enkel in het platte vlak op een drager, maar ook gaat hij de ruimte in. Opvallend in het verhaal van Nederland is de “Rain Totem”, een toren van fietsen en wegmeubilair verheft zich als een geïmproviseerd monument in de tentoonstellingsruimte. De installatie lijkt een ode aan de fietsende Nederlander. Niet snelheid of efficiëntie staan centraal, maar de vanzelfsprekendheid waarmee de fiets al generaties lang deel uitmaakt van het dagelijks leven.

    In “de oudheid” werken de kunstenaars samen om hun eigen mythen te creëren. Oude verhalen vormen derhalve het vertrekpunt voor nieuwe verbeeldingen. De klassieke vertelling vormt de voedingsbodem, onder de oppervlakte aanwezig om de verbeelding te voeden, maar niet om simpelweg geïllustreerd te worden. Elementen uit de geschiedenis zijn gebruikt om te spreken in de actuele tijd. Vanuit die symbolische wereld uit lang vervlogen tijden kijken de kunstenaars naar het hier en nu. Zij worden onderdeel van het vroeger om in het heden te spreken. Ze maken zichzelf tot geschiedschrijvers. Historici, niet om het verleden over te schrijven maar om het te overschrijven. Er een eigen laag aan toe te voegen.

    Een persoonlijke mythologie

    In de derde ruimte maakt Édua Mária László zelf de overlevering. Door religie, liturgie en christelijke symbolen in haar kunst binnen te voeren probeert ze deze tot een persoonlijke geloofsbelijdenis op te zetten. Er is meer tussen hemel en aarde, dat is wat de Myth Makers mij willen doen geloven. En ik denk dat het zo is. In devote beschouwing kniel ik welhaast voor het altaar in deze ruimte neer, maar ik houd me in, ik zal gezien zijn! Ik pas mij aan deze nieuwe wereld aan en voel me als Adam in het paradijs. In de ruimtelijke kijkplaat kan de beschouwer zijn of haar ogen de kost geven. Er valt voldoende te consumeren. De museale presentatie valt niet, ondanks de opdeling, in delen uit elkaar. Er is een opbouw in balans, zoals de collagekunst evenwichtig kan zijn. Op het eerste gezicht schijnt het als los zand aan elkaar te hangen, maar bij nadere beschouwing en aandachtige blik blijkt het een hechte constructie te zijn.

    Afslag BLV, Édua Mária László, Huba Hónigh, Myth Makers

    Aan die nieuwe wereld van deze levende legenden kan ik me wel aanpassen. Ik hoef niet van de appel te proeven om mij te laven aan de vruchten van deze mythevormers. Hun tuin van heden in Afslag BLV ligt er aangeharkt bij. Er groeit nergens kruid op een ongewenste plek. Wel is ruimte gelaten voor de eigen interpretatie en ontdek ik hier en daar een niet eerder gezien plantenras. Probeer er een Latijnse naam aan te geven, maar kom niet verder dan tulipa sylvestris. Deze kunstenaars hebben van iets niets anders gemaakt. Het verleden vormt de voedingsbodem voor een nieuwe werkelijkheid. Dat niets zegt alles over dat hun nieuwe wereld reflecteert op – zich spiegelt aan de bestaande aarde. Dus daar ben ik wel vertrouwd mee, zoals ik ook wende aan de blauwdruk van de Schepper.

    Tentoonstelling “MYTH MAKERS”, werken van Édua Mária László en Huba Hónigh bij Afslag BLV, Minckelersstraat 11 in Heerenveen. Van 7 juni tot en met 23 augustus 2026.

    Afslag BLV, Édua Mária László, Huba Hónigh, Myth Makers

  • De installatie als sleutelwerk van ZhongNai in Galerie MUGA

    De achteloos neergesmeten installatie die ZhongNai in het midden van zijn tentoonstelling bij Galerie MUGA achterliet, is minder gedachteloos ontstaan dan dat het er bijligt. Eigenlijk is dit het kunstwerk dat duidelijk laat zien welke boodschap de kunstenaar met zijn werk wil vertellen. Dat het een spiegel is waarin de huidige tijd zich weerspiegelt. Dat het de chaos toont wanneer structuren zich losmaken van de oorspronkelijke vorm. Het is geen onverschillige opvulling van de ruimte, deze hoop verf en touw, resten en lagen van wat eens een geordend motief was. De kunstenaar toont hierin dat het scheppen belangrijker is dan de schepping. Dit conceptuele kunstobject vertelt meer over de falende structuur dan de schilderijen zelf.

    ZhongNai, Galerie MUGA

    Het materiaal waaruit de composities zijn opgebouwd lijkt even achteloos tegen de dragers gesmeten als de hoop afval op de vloer van de tentoonstellingsruimte. De werken zijn echter weloverwogen in balans, in tegenstelling tot de gang van zaken waarop het geïnspireerd is. De opzet en uitwerking raken namelijk aan de actuele spanningen: systemen die wankelen, mensen die op zoek zijn naar houvast en duidelijkheid, een samenleving die steeds meer draait om relaties, kwetsbaarheid en sociale dynamiek. De huidige maatschappij lijkt uit elkaar te vallen, zoals de composities als los zand aan elkaar schijnen te hangen.

    De dwangbuis van de schoonheid

    Datgene wat er op de vloer ligt uitgespreid is precies waar het hier om gaat. Kunnen de schilderijen nog worden vastgesnoerd in de dwangbuis van de schoonheid; de installatie wringt zich uit het esthetische keurslijf. Kunst is emotionele expressie, kent sociale kritiek, heeft culturele reflectie en biedt ruimte voor persoonlijke groei – maar hoeft zeker geen schoonheid te bezitten. Zonder pracht kan het nog bekoren. Het zal een knap staaltje werk zijn, maar hoeft geen kunstje te zijn. Juist wanneer het schuurt aan wat wordt gezien als fraai en mooi, heeft het meer zeggingskracht, vertelt het een verhaal, brengt het de boodschap over.

    Of deze kunst van ZhongNai haar boodschap zonder toelichting duidelijk maakt, is maar de vraag. Dat de achteloze bezoeker zich het verhaal door de werken laat vertellen is niet zeker. Ik kan er in opgaan, er een emotie bij betrekken. Ik ben in mijn leven al aan veel kunstwerken voorbij gegaan. Mijn oog, mijn blik, is gaan wennen en kan overweg met de diverse uitspattingen die zich in de kunst kunnen voordoen. Zonder verantwoording van de maker kan ik zijn (of haar) schepping doorzien en waarderen. Niet iedereen beschikt over dat vermogen. Vooral wanneer het kunstwerk weinig figuratief is, is het niet eenvoudig een ingang te vinden. Een landschap of stilleven, dat is gemakkelijk te consumeren. Maar een abstract heeft minder direct verhaal, is vaak taai en moet herkauwt worden.

    Schoonheid in het beschadigde

    Ook zonder het achterliggende verhaal, de verantwoording die het werk verstaanbaar maakt, is het een plezier naar de schilderijen te kijken. Er valt in de met opzet beschadigde structuur een weloverwogen constructie te herkennen. ZhongNai heeft niet maar wat aangerotzooid, maar is bedachtzaam met de materie omgegaan. Ondanks dat het werk troep lijkt heeft het een zekere schoonheid. Vooral het gebruik van enkel blauwen en bruinen maakt het werk niet schreeuwerig, het is juist contemplatief van karakter. De aardkleuren verwijzen naar de oorsprong. Naar dat waarin de inspiratie ervan ligt.

    Door de composities wordt een veelheid aan emoties opgeroepen. Wie er niet onverschillig aan voorbij loopt, maar er aandacht aan geeft zal een gevoel van afkeer kunnen oproepen. Geen weerzin in de composities, maar afschuw van het verhaal dat het mogelijk maakt. Afgrijzen van de maatschappelijke gedachte waarmee de kunstenaar werkt. Walging over de leiders die willens en wetens de constructie aan het afbreken zijn. Dat is de diepere zin van deze schilderijen, het feit dat ze gemaakt moesten worden. Dat ZhongNai het nodig heeft gevonden het op deze manier te maken.

    Chaos als methode

    “De werken tonen geen instorting als eindpunt”, lees ik in de geschreven verantwoording, “maar als een moment van transformatie. Chaos wordt geen bedreiging, maar een methode: een manier om door instabiliteit heen te bewegen zonder haar te willen oplossen.” Deze kunst is in wording schrijft de kunstenaar nog. De betekenis toont zich pas bij de ontmoeting tussen werk en bezoeker. Op ooghoogte zie ik het zoeken, het twijfelen van de kunstenaar. Eens begonnen en geen uitweg gevonden. Het maandaggevoel, de creatieve blokkade. Maar dan opnieuw beginnen, want de boodschap moet worden doorgegeven. In vogelvlucht kijk, voel en ervaar ik de chaos die zich nog tot ritmisch geheel moet vormen. Ga ik door de knieën en ervaar in kikkerperspectief de toestand tussen constructie en verval, tussen spanning en loslaten, dan beschouw ik de richting waarin ZhongNai denkt en werkt.

    ZhongNai, Galerie MUGA

    Het is geen hap-slik-en-wegkunst, makkelijk te verorberen. De bezoeker moet moeite doen het te doorzien. Daarom is het zaak te zien en door te zien, te kijken en te blijven kijken. Langer dan de gemiddelde 30 seconden de afzonderlijke werken te beschouwen. En dat is geen sinecure, want de schilderijen zijn zoekplaten die de aandacht onwillekeurig langer vasthouden. In de ongestructureerde composities ontstaan onbedoelde figuraties. Feitelijk maakt de bezoeker zelf het verhaal in het kijkproces, ondervindt zelf de kwetsbaarheid. De verbeelding van ZhongNai maakt verbinding, zijn idee nestelt zich in mijn denken. Dat is het fraaie van deze chaos die in balans is.

    Expositie “Structure Failure”, werken van ZhongNai bij Museum Galerie Heerenveen (Galerie MUGA), Minckelersstraat 11 in Heerenveen. Van 25 mei tot en met 5 juli 2026.

    ZhongNai, Galerie MUGA

  • Paludanus en Smitskamp in Galerie Getekend: waar het vlak ruimte wordt

    In Galerie Getekend stap ik niet alleen de zaal binnen waar op dit moment de lopende tentoonstelling zich bevindt, maar ook een virtuele ruimte die door het daar hangende werk wordt opgeroepen. Ofwel stap ik een zaal binnen en betreed vervolgens de ruimte die het papier uit zijn vlak heeft losgemaakt. In de echte, fysieke ruimte openen afgebeelde ruimten op papier een tweede, niet letterlijk bestaande ruimte waarin ik mij als beschouwer kan begeven. Tussen de muren van de galerie ben ik me ervan bewust dat ik kunstzinnig onderdak ben. Geef ik mijn ogen er de kost dan kan ik van de opgeroepen ruimte in het werk smullen.

    Galerie Getekend, Patricia Paludanus, Ike Smitskamp

    De twee kunstenaars, figuurlijk daar aanwezig, delen de zichzelf toegemeten ruimte op eigen wijze in. Hoewel de drager, het papier, een vlak is, verandert de kunst dit in een ruimte. Het platte vlak draagt een gesuggereerde ruimte. Die van Patricia Paludanus wordt opgeroepen door diverse lagen kleurpotlood over elkaar te zetten. De uitgestrektheid is er niet maar de kleurstelling doet dat vermoeden. In een toegepaste architecturale omgeving denk ik me op een bovenzinnelijk terrein te begeven. De kunstenaar neemt me mee in haar wereld van inspiratie. In haar voorstelling van hoe de aarde erbij zou kunnen liggen.

    De speler in het landschap

    Ik vermoed mij in een computerspel te bevinden met kleurige decors. Deze platen zijn echter niet digitaal gegenereerd en algoritmisch opgebouwd. Hoewel de fijn gedetailleerde composities anders doen vermoeden. De hoofdpersoon ben ik: kijker én deelnemer aan dit rollenspel, in deze role-playing game. Ik bepaal namelijk zelf de actie die ik in dan wel met de tekening zal ondernemen. Ik maak zelf de keuze of het mij aanstaat en welk verhaal mijn personage in het beeld krijgt. Natuurlijk is dat altijd de waarheid bij het kijken naar kunst. Niet wat ik zie verbeeldt de echtheid, maar het gevoel wat ik daarbij heb. De emotie die ik er tegenaan kan zetten is de kracht van het werk.

    Dit werk van Paludanus is bijzonder sterk. Het neemt mij in zich op, laat mij de rol van verwondering spelen. Het script schrijft bewondering voor. Ik parkeer mijn bevreemding in de kast vol schappen en trek nieuwe waardering aan, zoals ik mijn schoenen verwissel langs de bowlingbaan. Ballen rollen over het speelveld, verdwijnen in gaten. De vloer van het podium golft en breekt open. De flipperkast rinkelt. Bingo! Het spel is gespeeld. De kunstenaar heeft gewonnen door mij van haar kunnen te overtuigen. Een andere ruimte binnen de galerie wacht. Ik wissel van plaats. Waar Paludanus mij door een denkbeeldig landschap liet dwalen, brengt Smitskamp mij eerst tot stilstand. Niet de ruimte dient zich aan, maar de tijd.

    De tijd als vertrekpunt

    Het is Vrijdag, 08:20 uur. De deur staat open en nodigt mij de ruimte van Ike Smitskamp in te gaan. Ik sta nog enigszins bedremmeld voor de drempel. Maar een magnetische aantrekkingskracht verlaagt de opstap. Of had ik hier Maandag, 16:09 uur moeten zijn om mij correct in te leven. Of Zondag, 21:12 uur. De werken van Smitskamp zijn op tijd gecomponeerd. De bedachte ruimte is een overdacht universum. Het is er niet, maar had er wel kunnen zijn. Er is geen plaatsbepaling, enkel een tijdsaanduiding.

    Ook hier kan ik in vrije wil een persoonlijk verhaal laten aansluiten. Fijne lijnen kruisen zodat vlakken ontstaan, alsof de afbeelding breekt en zo dadelijk in scherven van het papier kan vallen. De gesuggereerde ruimte is zo breekbaar als glas, maar zit zo stevig in de sponning dat het raam er niet uit zal springen. Hoewel de kunstenaar losjes binnen de lijntjes kleurt, is de voorstelling niet altijd klaar en af wanneer het kader is bereikt. Er kan nog geen punt achter het verhaal, dus tekent Smitskamp door op een volgend blad dat vervolgens als een collage wordt ingeplakt.

    Tussen beeld en beschouwer

    Echter is het een illusie, het schijnt zo te zijn als ik het schrijf. De gelaagdheid is in het vlak aanwezig en niet fysiek voelbaar. Zo is er wel een indruk van perspectief en dus van ruimtelijkheid. En wat gebeurt er dan precies tussen het papier, het beeld en de beschouwer? Waar bevind ik mij wanneer ik tussen de lijnen door kijk, deze vlakke ruimte in. Kan ik mijzelf in het werk van Smitskamp onderbrengen zoals ik dat deed in de composities van Paludanus? Daar was ik hoofdpersoon, speel ik hier een bijrol? Daar was ik deelnemer, ben ik hier toeschouwer?

    Galerie Getekend, Ike Smitskamp

    Door een venster kijk ik de ruimte in en zie wat er plaats vindt in de hal, in het trappenhuis, op de zojuist gedweilde plavuizen, onder de transparante tafel. Verwonderd sta ik te kijken. Welhaast met de mond vol tanden. Maar ik blijf krampachtig mijn mening vormen. Zojuist heeft er in het beeld actie plaats gevonden, meen ik te constateren. Het geluid van stilte echoot weg. In het zwart en wit van het grafiet, in voorkomende gevallen aangevuld met een zweem onbepaalde kleur, ontdek ik een gelaagde wereld, een in coulissen opgebouwd landschap binnen dan wel buiten.

    Wanneer de klok doorloopt

    In een flits moet het de kunstenaar zijn ingevallen. De inspiratie is er altijd plotsklaps, als een donderslag bij heldere hemel. En dan moet de ingeving eruit! De gebruikte techniek verlangt aandacht en zet niet meteen het beeld op papier. Zo kan de bevlogenheid worden gekooid en zal de eerste liefde uitgroeien tot verliefdheid. Het moment van dat eerste gezicht wordt dan wel de titel van de compositie. Daarin is de tijd stil gezet, terwijl bij de uitwerking de klok doorloopt. In sommige gevallen wordt de impressie van die beweging abstract uitgedrukt.

    Kortom is in de galerie een virtuele ruimte ontstaan die alleen in de verbeelding van mij als beschouwer bestaat. Het vlak blijft plat, maar komt in mijn voorstelling op me toe. Ik denk dat er ruimte is, een lengte en hoogte en breedte, maar weet dat het blijft steken bij de tweede dimensie. Lichamelijk kan ik er niet zijn, maar geestelijk stap ik over de drempel en bezoek de ruimte. Soms blijkt het een escaperoom waarin ik naarstig de uitgang zoek. Een doolhof waar ik telkens een doodlopende weg insla. Bij het werk van Patricia Paludanus en Ike Smitskamp echter stop ik de sleutel in mijn achterzak en verblijf liever langer dan strikt noodzakelijk in hun ruimte. Maar Vrijdag, 17:00 uur sluit de zaak en gaan de lichten uit. Ik trek de buitendeur achter me in het slot, terwijl het daglicht me overvalt. Opnieuw moet ik leren kijken – de ogen laten wennen aan de realiteit. Binnen sprong mij de blik open voor de suggestie, buiten herijken mijn ogen op de werkelijkheid. De gesuggereerde ruimte tegenover de concrete werkelijkheid. Het is maar waar je het liefst verblijft.

    Tentoonstelling Patricia Paludanus en Ike Smitskamp bij Galerie Getekend, Stationsstraat 6 in Heerenveen. Van 23 mei tot en met 12 juli 2026.

  • De rest van het beeld

    Hoe eenvoudig wil je het hebben. Hoever kun je gaan in versimpelen voordat het nulpunt bereikt is. Of het doel van Wilma Vissers het bereiken van het nulpunt is, hoeft niet duidelijk te zijn. Het resultaat van haar zoektocht is zichtbaar in Kunstlokaal No.8. Want het scheppen van kunst is toch een zoektocht. Een speuren naar het persoonlijk ultieme werk. De een zoekt het in de fysieke werkelijkheid, de ander neigt naar de geestelijke realiteit. Dat zoeken zonder het ooit te vinden is voor de beschouwer van de stappen in het proces bijzonder aangenaam. Vaak lijkt een werk voor dat moment klaar en af, maar in het totale beeld is er geen voltooiing. Het is de zoveelste stap in de goede richting, het traject echter kan telkens aangepast en verlegd worden. Wanneer ik Wilma Vissers volg zie ik groei en ontwikkeling, reis en onderneming. In tekening en wandobject valt ze voortdurend terug, of beter ziet ze telkens vooruit naar, eenvoud in uitbeelding en zeggingskracht.

    De kip en het ei

    Eerlijk gezegd had ik het essay van Peter van Lier in de online De Moanne niet vooraf moeten lezen. Van Lier weet in het grote geheel veelal een enkel werk juist te treffen en daarmee de ganse expositie te vatten. Hij gaat in zijn tekst over het werk van Wilma Vissers terug naar de kindertijd. Aan de hand van de kunstenaar zaagt hij de woorden uit het alfabet en kleurt daarmee mijn beschouwing. “Ik stel me een kind voor, in de weer met een figuurzaag. Eerst uittekenen wat het wil, dan zagen, om vervolgens niet met de voorgenomen vormen aan de slag te gaan, maar met de restvormen, die bij nader inzien veel interessanter zijn”, citeer ik Van Lier. “Overblijfsels hebben geen doel, dat maakt ze voor een kunstenaar als Vissers waarschijnlijk zo aantrekkelijk om te gebruiken. (…) Zo bezien is het de taak van de kunstenaar om de dingen geen enkel doel of nut mee te geven, maar ze slechts te eren als pure aanwezigheid.” Zonder het zich te beseffen laat de recensent van De Moanne woorden uit zijn pen vloeien die ik had kunnen bedenken. Aan hem de eer van de kip, dan kruip ik wel in het ei.

    Het alfabet van het afval

    Eerder, een kleine 10 jaar terug in de tijd, zag ik het werk van Vissers in Kunstlokaal No.8. En later in verschillende omgevingen en uitgaven. Eens schreef ik daarover: “In haar wandelementen is Wilma Vissers uitgelaten levendig. Ronde vormen zetten zich opgetogen van de strak witte wanden af. Gedachten die zich in een kort moment van inspiratie hebben laten vormen, nadat indrukken zich gaandeweg in het geheugen deden nestelen. Het woord ruimte heeft niet veel letters nodig, weinig alfabet om uitbundig te spreken. Vormen die zich onderweg hebben gemaakt, bespelen deze wanden hier en nu.” En vervolgens over de combinatie met landkaarten: “Uit de zichten in het landschap ontstaan vertalingen in vlakken en kleuren. Abstracte werken die veelzeggend zijn zonder titel. Wanneer er een naam aan is gegeven duwt de blik, en daaraan gekoppeld de gedachte, mij in een richting die ik eigenlijk niet wil. Ik wil niet dat de afgewogen gecomponeerde vlakken een rivier duiden, de zee zijn of de wind verbeelden. Ik wil daar mijn eigen fantasie op zetten. Mijn eigen beeld in zien.” En nu kan ik een eigen beeld zien in wat Van Lier kenschetst als restmateriaal van het figuurzagen.

    De restvorm als begin

    Daarin beschouw ik de reïncarnatie van afval, geen recycling maar wel hergebruik. De rest van het zijn leeft in het hier en nu. Vissers verheft het materiaal dat niet was tot wat het mag zijn. En gebruikt de inhoud van het lokaal als restruimte van het object, als werkvlak waarop de beeltenis tot uiting komt. De oorsprong van het object, het eerdere gebruik van de vorm, valt in de uitdrukking niet te achterhalen. Dat is de magie, dat het beeld in het heden is waarbij het verleden is afgelegd, weggesneden ofwel afgezaagd. Uit het afval is een ander figuur gezaagd, geen nieuwe persoonlijkheid maar een karakter dat al in het wezen besloten lag. Daarmee is Vissers een beeldhouwer, een typemaker. Maar ook een beeldbouwer, een plaatmaker. Uit een bestaand beeld een andere zichtbaarheid bouwen. Dat is wat zij doet. Dat kun je als figuurzagen benoemen, ik zie het als beeldmaken.

    Kunstlokaal No.8, Henk Zwerver, Wilma Vissers

    Door kleur aan het hout te geven krijgt het een tegengestelde signatuur. Vissers laat echter delen onbeschilderd zodat in het materiaal het eigen karakter zichtbaar blijft. De nerf geeft het persoonlijke verhaal van het hout weer. Het gebruikte materiaal is dus niet enkel een drager maar behoudt het natuurlijke wezen. Wanneer papier de drager is van de vorm, speelt Vissers een spel met de beeltenis. Dan is het afval niet beeldbepalend, maar kan zij zelf het beeld bepalen. Dan zie ik meer en beter wie de kunstenaar in Wilma Vissers is.

    Een dialoog aan de muur

    Henk Zwerver plaatst een komma waar Wilma Vissers een punt zet. Dat klinkt paradoxaal en dat is het ook. Want schreef ik niet eerder dat de kunstenaar voortdurend op zoek is naar het kunstwerk dat alles zegt wat hij of zij te zeggen heeft? En dat die zoektocht nooit is afgerond, het verhaal nooit tot een slotzin komt. Toch loopt Zwerver verder waar Vissers even de pas in houdt. Geeft hij een wending aan haar verhaal. Hij heeft meer woorden nodig en is duidelijk tussen de zinnen door. Want niet wat ik beschouw is de vertelling, maar wat voelbaar is tussen de beelden. Door in een collagesfeer diverse fragmenten aan elkaar te koppelen ontstaat een waarheid. De kracht van het beeld echter is niet wat zichtbaar is, maar wat ik in de gelaagde prent kan aanvoelen. De emotie behoeft geen beeld. Zij zweeft als in een surrealistisch schilderij boven het waarneembare.

    Letters als vormen

    In de collages van Zwerver spiegelt zich het leven, reflecteert het zijn. Het verhaal dat ik aan de platen hang, de woorden die ik aan de beelden geef, zal niet de taak zijn waarin de kunstenaar zich uitspreekt. Bij kunst is dat ook geen pre. Het is er, de kunstenaar heeft er iets mee gezegd. De beschouwer mag er een indruk van hebben die tegengesteld is aan de uitdrukking. Vooral wanneer de prenten geen titel hebben, zoals in dit geval het geval is. Zonder vingerwijzing kan de gedachte alle richtingen op gaan. Wanneer de kunstenaar daar niet van gediend is zal hij of zij er een naam aan geven, zodat de toeschouwer in een vooraf bepaalde richting gaat beschouwen. Maar in het geval van Zwerver kan ik mijn gedachten ongegeneerd laten zwerven. Kan ik in de waarneembare werkelijkheid van de beeldschetsen een voor mij aanvaardbare realiteit herkennen.

    Niet alleen zijn het beeldfragmenten, ook gebruikt Henk Zwerver letters in zijn composities. En letters manen tot lezen, woorden herkennen en tekst doorzien. Terwijl de collages eigenlijk alleen maar gezien willen worden: verstand op nul en blik op oneindig, zoiets. Daarom dien ik de letters te zien als vormen, onderdelen van het beeld. Geen alfabetfragmenten, maar beeldkarakters.

    Waar het beeld verder gaat

    Het is improviseren en verkennen in Kunstlokaal No.8. Eigenlijk is het dat altijd, iedere keer weer wanneer er een duo-presentatie zichtbaar wordt. Hoewel curator Marcel Prins serieus afweegt welke kunstenaars en kunstwerken een dialoog met elkaar kunnen aangaan, blijft het een improviseren hoe dat aan de muren van het lokaal uitwerkt. Het is een verkennen van de ruimte dat uiteindelijk telkens goed uitpakt. Het verhaal heeft body, de vertelling staat.

    Improviseren en verkennen. De kunst van Henk Zwerver en Wilma Vissers bij Kunstlokaal No.8, Schoterlandseweg 55 in Jubbega. Van 6 tot en met 28 juni 2026.

    Kunstlokaal No.8, Henk Zwerver, Wilma Vissers
  • Cocreaties van Wim Biewenga in presentatie met Lieve van Loon op het Hoogeland

    Herinneringen zijn er om op te halen. Ze liggen te wachten in het geheugen. Zijn daar ooit achtergebleven in en door het leven te leven. Door de jeugd, via de middelbare en volwassen jaren heen, blijven deze daar overwegend onaangeroerd hangen. Wanneer er bij een voorval of door een gebeurtenis gedachten aan iets speciaals zijn, komen ze wel tevoorschijn en voor het voetlicht. Maar anders blijven ze tussen de coulissen dwalen, wachtend op het moment dat ze echt nodig zijn en hun rol moeten uitspreken. Is het leven voor het grootste deel geleefd, dan komen herinneringen wel boven water.

    Van oude mensen en dingen die voorbijgaan

    Die voorbije tijd lijkt verloren, maar de momenten worden teruggevonden. Wanneer er nauwelijks nog toekomst schijnt, lijken herinneringen belangrijker te worden. Die ogenblikken zijn opnieuw te beleven, te voelen en te ruiken. De geluiden komen terug in gedachten, de smaak van vroeger. Beschouwend, figuurlijk over de schouder kijkend en bespiegelend letterlijk dat wat was herbelevend. Er wordt gegraven in het geheugen om iets tastbaars op te diepen, er zijn grijpbare dingen fysiek verborgen in enveloppen en dozen op zolder. Lang niet aangeraakt en bekeken. Foto’s met lachende mensen, oude brillen, bijbeltjes en andere geschriften, ansichtkaarten van lang vervlogen vakanties. Onooglijke zaken die maar blijven, want herinneringen nemen nauwelijks plaats in, dus waarom ze wegdoen.

    Wim Biewenga, Gerard de Kleijn

    Werkend leven vastgelegd in notities

    Tussen de paperassen van weleer vond Wim Biewenga de werkboekjes van zijn vader. Vader Tjasse Willem was bij leven landbouwer in het noorden van Groningen. Zijn leven is werken en dat werken staat geadministreerd in een soort van dagboeken. Werkboeken waarin de hoeveelheid dagelijkse arbeid per dag en datum is uitgeschreven. Voor hem toen als geheugensteun bij de groei van het gewas, de inzet van personeel, de kosten en het weer. Vader is overleden wanneer Wim puber is. Lang zijn de boekjes onaangeroerd weggestopt, maar te belangrijk in de emotie om er afstand van te doen. De vondst brengt Wim terug bij zijn vader, hij ontdekt erin en het voert hem terug naar het Hooge Land waar hij is geboren en getogen. Denkend aan die streek, het werk dat er gedaan is. Bieten rooien, koeien opzetten, vlas inhalen, koolzaad eggen. Het schoffelen, het zaaien, het oogsten, het dorsen. En alles gedaan door hetzelfde personeel.

    De aantekeningen gebruikt Wim om Tjasse Willem te laten voortleven in zijn kunst. Is vader landbouwer, de zoon is kunstenaar. Hoewel de twee lang niet meer aan tafel zitten, brengt het hen nader tot elkaar. Het herinnert Wim aan vroeger, maar niet uit nostalgische overwegingen hergebruikt hij het beschreven papier. Door vaders schrijfsels raakt de zoon geïnspireerd en interpreteert hij de notities in tekeningen. Met Oost-Indische inkt, Siberisch krijt en pastel bewerkt hij de teksten en werkt deze grotendeels weg. Enkel de voor hem en in de beeltenis belangrijke aantekeningen blijven leesbaar. Het werkblad is zijn canvas, de drager van zijn kunst.

    Twee werelden nader tot elkaar gebracht

    In het boek dat verscheen rond dit project, door organisator en curator Gerard de Kleijn omschreven als coproductie tussen vader en zoon, worden vraagtekens gezet bij deze werkwijze. “Wat bezielt hem? Heeft hij expres bepaalde aantekeningen weggelakt of schuilt de betekenis juist in wat nog wel leesbaar is? Behelst zijn bewerking een commentaar of is het een puur willekeurige interventie? Drukken de toevoegingen van Wim een verlangen uit naar de tijd en het land van zijn jeugd? Of is het een ode aan de eenvoud en de puurheid van de landbouw van vroeger?” De beschouwer mag er de antwoorden bij schrijven. Zoals iedere kunst vragen oproept, is dat hierbij niet anders. Deze manier van werken is puur emotioneel, het brengt twee werelden nader tot elkaar. Het laat de tijden overlappen.

    Mooi vind ik het hoe De Kleijn die twee werelden als cocreaties wegzet in de uitgave ‘Wim Biewenga – zelfde personeel’. Hij ziet in de arbeid van vader Biewenga de ‘onderbouw’, het Rijk van de Noodzaak. Het werk van zoon Biewenga staat voor het Rijk van de Speelsheid, de ‘bovenbouw’. Daar bevinden zich ook de religie, de filosofie en de dichtkunst volgens De Kleijn. “Met het speels bewerken van de dagboeken vindt er een synthese plaats tussen het Rijk van de Noodzaak en het Rijk van de Speelsheid, Noodzaak en Speelsheid gaan in elkaar over.” Wim Biewenga speelt met zijn herinneringen, filosofeert beeldend over de werkelijkheid van Tjasse Willem Biewenga. Over de nuchtere mededelingen tekent Wim een poëtische toevoeging. Zo vullen beide werelden, beide rijken, elkaar aan.

    A trip down memory lane

    “Verwondering is de inspiratie van waaruit Wim Biewenga werkt. Het is zijn drijfveer om te maken wat hij maakt. Van de gecompliceerde wereld maakt hij een versimpelde uitdrukking”, onder meer met deze woorden opende ik onlangs een tentoonstelling van zijn werk in De Kunsthof te Appingedam. “Herinneringen spelen een spel met zijn gedachten. Vanuit het verleden maken indrukken zich uitdrukking in het heden. Of beter gezegd: de uitdrukking maakt zoveel indruk dat het een beeld verdient. Dat het verleden mag voortleven in het heden, naar de toekomst toe.” Deze uitstalling laat een kleine greep uit ‘Zelfde personeel’ zien, in De Kunsthof in een tableau met zes bewerkte aantekeningen. De complete serie behelst meer dan 100 bladen. De presentatie is een trip down memory lane, want het meest recente werk in het oeuvre van Biewenga is hier gehangen. In die composities kijkt hij om en ziet ‘zijn’ Hoogeland. De plek waar hij een jeugd doorbracht. En hij beschouwt vormen die spellen duiden, meccano, houten speelgoed. De tamme kraai die meeging op de schouder naar school. Maar ook de humor waarmee zijn werk is doorregen. Het is een vrolijke tentoonstelling met een open blik naar het verleden. Dat belooft wat voor de toekomst, want Wim Biewenga blijft bezig. Ondanks een eerdere verschillende carrière leeft en beleeft hij de kunst in hart en nieren.

    Een zoekende kunstenaar

    Het toen van Biewenga is gecombineerd met het nu van Lieve van Loon. Zij is nog zoekende in de kunst. Niet verwonderlijk, daar zij pas twee jaar geleden een kunstopleiding heeft afgerond. Alle kennis die ze heeft opgedaan schudt ze van zich af om het goede te behouden. De voedingsbodem waarop haar kunst kan groeien, haar stijl zal bloeien. Nu is het nog rondkijken, experimenteren, heeft haar kunst nog niet de kracht in eenvoud. Het simpele gegeven dat de sterke kant is van haar mede-exposant. Er zijn al wel puntige composities opgehangen, maar het geheel valt enigszins uit elkaar doordat er nog geen duidelijke lijn valt te ontdekken. Het is een manco, maar dat hoeft geen probleem te zijn.

    De thematiek drijft enigszins uiteen, hoewel Van Loon de onderwerpen wel in eenzelfde stijl probeert vast te leggen. Tafels, potten en flessen – zo eigen aan het stilleven – stelt ze rumoerig en levendig, beweeglijk zelfs, op in haar composities. Een dynamisch leven door deze in een enkele compositie van diverse kanten te laten bekijken. Wat opvalt zijn de dik aangezette omtreklijnen waarbinnen grote vlakken zich bewegen. Zij is tevens glazenier en maakt glas-in-loodramen, wat deze vorm van creëren als gevolg heeft. Binnen het vak loopt nog geen lijn, er is nog geen weg van A naar beter. Maar de belofte ligt in de lijn der verwachting. Ik denk dat ik wel meer zal zien en horen van deze Lieve van Loon.

    Eigenlijk is het in deze tentoonstelling zaak langer te kijken om iets gewaar te worden”, gaf ik mijn toehoorders tijdens de vernissage als raad mee. “Langer kijken en daardoor ontdekken. Elk kunstwerk heeft een verborgen detail, een plek waar het gevoel kan rusten. Gedachten niet bedenken, niets willen verzinnen of onderscheiden. Dan legt het object, het schilderij – de tekening, als vanzelf zijn aard, zijn karakteristiek bloot. De vorm van kijken overkomt je dan. Ineens merk je iets op, krijgt de beeltenis een handvat. Is er herkenning, spreekt het.

    Wim Biewenga – zelfde personeel. Tekst en samenstelling Gerard de Kleijn. Uitgave Van Spijk Art Books / Livingstone Editions, 2026. Tentoonstelling werken Wim Biewenga en Lieve van Loon bij De Kunsthof, Blankenstein 2, Appingedam. Van 25 april tot 14 juni 2026.

  • Marije Bouman fluistert de geest van het landschap

    Zocht Marije Bouman eerder met haar werk grenzen op die een niemandsland omzoomden. Een omgeving waar niemand is en waar de sterveling geen weet van heeft. Alleen de mens die niet rationeel kijkt maar met gevoel beschouwt, kan er kennis van nemen. De landschappen van toen leefden in grensgebieden. Pasteltinten zweefden mijmerend over de composities. Deze beeldden geen concrete zaken af, maar maakten abstracties om in een wendbare gedachte tot werkelijkheid te worden. En nog steeds is de rust en de stilte van dat abstracte terrein in haar huidige werk te vinden. In de non-figuratie onderzoekt zij de essentie van het landschap. De kern van het wezen der natuur. In een summier aantal lijnen en enkele kleurvlakken tekent zij haar contemplatieve emotie bij het landschap in waterverf op papier. Het is geen werkelijk landschap, hoewel dit wel het uitgangspunt is en de inspiratie vormt. Maar door haar blik en uit haar handen is het een landschap van de geest. Geen tastbare waarheid, maar voelbare echtheid.

    Het is kijken en laten inwerken. In het zalige niet-zijn ben je niet meteen vriend. Kleuren bewegen over tinten, flarden en korte verfstrepen verhouden zich als vlakken in een collage. Daarin wil het oog een houvast. Maar het hoeft niet te ontdekken, want het kan zo zijn als het is. Bouman fluistert het landschap. Met zachte tonen zet zij een eigen wereld in de werkelijkheid. En ik moet goed luisteren en beter kijken, anders zien, om aan te sluiten bij haar mythisch denken. Het is geen mysterie, het is een meditatieve staat van zijn. Diep in gedachten verzonken mijmert zij zich een zijn dat relateert aan een landschap, dat de associatie legt met de tastbare zichtbaarheid. Zo kijken en aanvoelen is een benadering die mij, en al die andere westerse mensen met mij, stelselmatig is afgeleerd. Zo lees ik dat althans in haar inleiding, een manier van kijken die zij op haar beurt beschouwt in de Chinese denkwijze. “De oude Chinese meesters gebruikten het landschappelijke om hun filosofie uit te drukken en om een verlangen op te wekken naar berg, bos en rivier. Dit werd met poëzie en in beeld uitgedrukt. Uit de beheersing van het schrijven van karakters vloeiden de teken- en schilderkunst voort.”

    Inkijk op de eeuwigheid

    In die zin heeft Marije Bouman de gave om de kern van het landschap te raken. In aquarel of met gemengde techniek maakt zij grensgebieden. Op de scheiding tussen waarneming en gedachte verbeeldt zij een niemandsland. Een gebied waar de tijd geen vat op heeft; het is er tijdloos. Een inkijk op de eeuwigheid. Als de grootmeester Kwo Sji over de velden door de tijd in de toekomst keek, zo gebruikt Marije Bouman de elementen aarde, water en lucht als de levenskracht in haar werk. En ik neem haar advies ter harte: “Laat ieder die tot rust wil komen deze bundel ter hand nemen.” De daarin opgenomen kunstwerken, dichtregels en oude doch zeer inzichtelijke en ook zo poëtische tekstfragmenten over de Chinese landschapskunst zetten mij aan de kamerpresentatie in Museum Belvédère te bezoeken. Echter ervaar ik daar niet optimaal de sfeer die Bouman oproept; uit een naastgelegen kamer klinkt het slotakkoord van een andere Friese kunstenaar. Storend op dat moment, maar de ingetogen lyrische werken van Bouman handhaven zich desondanks. Deze staan in de rumoerige wereld als een kalme oase.

    Het is stil in de composities van Marije Bouman. Er heerst rust voor wie zich erin ingeeft. Wie langer blijft staan kijken om de emotie die Bouman erin heeft gelegd aan te voelen, kan erin meeleven. Echter ligt er ook een bepaalde geladenheid tussen de zichtbare lagen kleur, alsof de natuur en het landschap in spanning afwachten wat komen gaat. Want de stilte zal eens doorbroken worden. Niet in het ogenblik dat Bouman heeft vastgelegd en waar zij alle drukte uit heeft weggeschilderd, maar wel in de momenten die volgen. En dat hoeven geen rumoerige tellen te zijn; dat kunnen ook zeer wel in zichzelf gekeerde tijden zijn. Maar dat er iets staat te gebeuren heeft Bouman er onbewust in gelegd, als een zin die niet is afgemaakt. De kijker vult aan, denkt door, maakt af.

    Stilte zichtbaar in inkt

    Bouman laat zich leiden door Chinese wijsheid. Daarin kan de introverte kunstenaar zichzelf vinden. Niet enkel het beeld maar zeker ook het woord inspireert haar. “Poëzie is schilderen zonder de vorm en schilderen is zichtbaar geworden poëzie“, is zo’n gevleugelde uitspraak. De klassieke Chinese meesters waren vooralsnog diepe denkers. Het filosofisch beredeneren lijkt daar wel uitgevonden. China wordt vaak beschouwd als de oudste ononderbroken beschaving ter wereld, met een geschiedenis die duizenden jaren teruggaat. Hoewel het niet per se het biologisch oudste volk – in de zin van de eerste mensen op aarde – is, is de Chinese cultuur en samenleving een van de langstlopende die tot op de dag van vandaag voortduurt. In de poëzie en de beeldende kunst is de Chinese traditie voor velen een richtinggevend voorbeeld geworden – niet door luidheid, maar door verstilling. In het werk van oude penseelmeesters als Kwo Sji wordt het landschap niet vastgelegd als afbeelding, maar als ademruimte: een plek waar kijken en denken in elkaar overgaan. Schilderkunst, kalligrafie en poëzie raken er elkaar zonder grens. Onder de lange schaduw van een denktraditie die met Confucius verbonden is, krijgt aandacht een vorm van oefening, en oefening een vorm van levenshouding. Zo ontstaat een kunst die niet alleen iets toont, maar iets laat gebeuren: stilte die zichtbaar wordt in inkt.

    En dat is precies wat er in de composities van Bouman gebeurt. Haar kunst toont niet alleen iets, maar laat iets gebeuren: ik proef er de stilte. Het raakt die filosofische denktraditie. Zij toont een transparant landschappelijk portret. Teer en dromerig, in het schemergebied van de werkelijkheid. De lyrische verbeelding van hetgeen er schijnt te zijn, een ingebeelde omgeving. Opgepakt in het voorbijgaan, gezien en overdacht. De herinnering aan een moment is dikwijls mooier dan het moment zelf. Je onthoudt sneller de schoonheid dan dat je de lelijkheid in gedachten bewaart. Dat mooie van de omgeving zet Bouman neer in transparant geschetste lijnen en licht aangezette kleuren. Pasteltinten zweven mijmerend over de composities. Een in opzet expressief gedetailleerde weidsheid van het landschap. Deze beelden geen concrete zaken af, maar maken abstracties om in een wendbare gedachte tot werkelijkheid te worden. Niet die werkelijkheid is benadrukt, maar wel het verlangen naar rust en ruimte in de realiteit. Na een omgang in het landschap worden thuis de gedachten uitgewerkt. Er wordt dan een sfeer toegevoegd, namelijk de emotie die zich na het moment buiten in het geheugen heeft vastgezet. De omgeving aangevuld met de gedachte; dat klinkt abstract en dat is het ook. Abstract landschappelijke portretten, derhalve.

    De stilte in gedachten

    Marije Bouman brengt abstract poëtisch werk dat voortkomt uit de passie voor de natuur. De composities relateren aan wolkenluchten en landschappen. In enkele gebaren is de verf in het beeld gezet. Het betreft verstilde grensgebieden, plekken waar iets nog niet is vastgezet maar al wel vorm begint te krijgen. In de Chinese kunsttraditie het gebied waar schilderkunst poëzie wordt, en poëzie beeld. Letterlijk kan in de literati-traditie een schilderij een gedicht bevatten, en kan een gedicht een landschap oproepen. Het grensgebied is daar geen scheiding, maar een overlap – een dunne laag waar kijken, lezen en denken samenvallen. Het terrein van Marije Bouman ligt tussen droom en werkelijkheid. Het niemandsland tussen abstractie en realiteit. Een omgeving die zich voordoet in gedachten bij het zichtbare onderwerp. Kijk in het rond, aandachtig naar wat je ziet. Sluit de ogen, dan verschijnt dit beeld op het netvlies. Als het ware een projectie achter de oogleden. De stilte in gedachten.

    En sla ik de uitgave bij die museale tentoonstelling open, dan maak ik een natuurlijke beweging naar de mystieke ruimte. De transcendente atmosfeer die ligt besloten tussen de pagina’s door de afdruk van diverse werken. De zachtheid waarmee Bouman haar composities kleur geeft, komt goed tot uiting in dit drukwerk. Hoewel op kleiner formaat dan het originele werk, hebben deze reproducties dezelfde sfeer. In speciale gevallen aangezet met een hardere penseel of scherpe pen, wanneer een luidere toon noodzakelijk is. In het hart van de uitgave laat Bouman de oude Chinese meester aan het woord. “De geest van het landschap” doorlezend vormen de beelden in het boek stemmige illustraties bij de tekst. “Daar zijn verschillende wijzen waarop men een landschap kan schilderen. Het kan uitgespreid worden over groote composities en toch niets overbodigs bevatten. Het kan tot een klein bestek teruggebracht worden en toch niets ontberen. Ook zijn er verschillende manieren om landschappen aan te zien. Nadert men ze met het ontvankelijk gemoed van den natuurliefhebber, dan is hun waarde groot; nadert men ze met trots of zelfgenoegzaamheid in de ziel, dan hebben zij ons weinig te zeggen.”

    ELEMENTEN. Marije Bouman. Kamertentoonstelling Museum Belvédère, Oranje Nassaulaan 70 in Oranjewoud. Van 21 februari tot en met 7 juni 2026. Publicatie met een selectie uit de serie gecombineerd met fragmenten uit een belangrijke elfde-eeuwse verhandeling van de Chinese inktschilder Kwo Sji. Uitgave in eigen beheer, 2026.

  • De werkelijkheid op dubbele afstand bij Lars van Wieren?

    Alledaagse mensen. Van die figuren die we elke dag kunnen tegenkomen en die langs ons gaan. In de winkelstraat, op het dorpsplein, langs de levensweg. Die je eenmaal ziet en dan nooit meer, maar die wel beklijven. In een soort van déjà-vu komen ze terug. Herkenbare personen, maar niet de buurman of buurvrouw. Wel alsof je ze eerder hebt gezien, hebt getroffen. Echter niet in het veld, onderweg of gaandeweg. De bekende gezichten komen van beeldschermen, reclameborden en uit tijdschriften, dagbladen. Ze komen zo vaak voorbij dat ze familiair lijken, vertrouwd zijn. Kennissen, kameraden. Geen vrienden, daarvoor is de afstand tot het bekende en beroemd-zijn te groot. Maar ze zouden wel zo op de koffie kunnen komen of bij een diner kunnen aanschuiven, proosten op het leven tijdens een intiem feestje. Mensen van alle dag, die algemeen bekend zijn, met uitgetekende gezichten.

    Tweedimensionale afbeeldingen

    Hoewel ik veronderstelde buiten de galerie nog zo’n bekend gezicht te hebben gezien, zijn de door Lars van Wieren afgebeelde mensen van een andere tijdruimte, een andere dimensie. Bekend door de droombeelden waarin ze zijn gemaakt en waarmee ze het leven kleurrijker maken. De mensen zijn wel echt, maar de personages waarmee ze worden vereenzelvigd, zijn bedacht. De figuren spelen een rol, figureren in een leven dat niet bestaat. Of althans: dat een bedachte afspiegeling is daarvan. Het zijn wordt erin uitvergroot, is grotesk opgebouwd. Deze wereld is een maakbare omgeving, die vertrouwd aandoet omdat ze zo nauw tegen de waarheid aanschurkt.

    Die gezichten ken ik dus van schilderijen, schermen en andere tweedimensionale afbeeldingen. Het is het herkennen, maar niet het weten. De gelaatstrekken merk ik op, die kan ik thuisbrengen. Maar waar die woning staat, is mij onduidelijk. Ik onderscheid iets, maar identificeer het niet. Dat is dan ook niet het doel van de schilder. Omdat de personen op bestaande mensen moeten lijken, daagt het Van Wieren uit ze te schilderen. De figuren zijn echter niet zichzelf, maar spelen een rol in de beeltenis, die een afwijkend onderwerp van de figuratie kan hebben.

    De wezenlijkheid

    Minder is de werkelijkheid het oogmerk van de kunstenaar, meer om een vreemde fantasie vorm te geven. De aan de herkenning morrelende personages spelen een spel waarvoor geen script bestaat. Ze improviseren een dialoog of zijn in samenspraak met de omgeving. Het decor is een entourage waarin niet verwacht wordt dat ze acteren. De kunstenaar ontmaskert de actie, niet om de handeling, maar om het schilderproces. De affaire is slechts een opstap, een aanleiding om zichzelf en de kijker uit te dagen. De realiteit biedt houvast, maar wordt door de samenstelling van de compositie makkelijk losgelaten.

    De kleurige schilderijen zijn expressief in opzet. De impressies hebben over het algemeen aan de werkelijkheid tegengestelde kleuren. Dit gegeven, en het feit dat er een mate van onderscheid en besef van het zijn – de wezenlijkheid – is, maken de composities tot fascinerende fantasieën. Door die tegenstelling van realisme en surrealisme, waarheid en droombeeld, blijft het enigszins flauwe thema energiek.

    Avontuurlijke voorstelling

    Van Wieren vestigt de aandacht op het rollenspel: dat de mens voor de buitenwereld vrijwel nooit zichzelf is. Dat er altijd een mate van afstand zit tussen de zichtbare figuur en het verborgen personage. Tussen het fysieke zijn en het geestelijke wezen. De werkelijkheid vanuit een ander perspectief zien, is de waarheid van deze kunstenaar. Om de realiteit heen lopen, er eens achter kijken om de voorkant duidelijker te zien. Wie de achtergrond kent, zal de schepping beter begrijpen. Voor de kunstenaar geeft een ander standpunt een scherpere blik op zijn eigen werk. Daarom brengt hij wijzigingen aan in het te verwachten beeld en zet hij de werkelijkheid naar zijn hand. Om voor de kijker de beeltenis boeiend te maken en voor zichzelf avontuurlijk.

    Hoewel Van Wieren verwacht afstand te hebben gecreëerd in zijn werken – gezien de titel van de tentoonstelling Double the distance zelfs een grote verwijdering – ontwaar ik toch een vertrouwde omgeving. Wel met een werkelijkheid die tegen de waarheid aanschurkt, maar die zo echt schijnt dat dit nauwelijks opvalt. De historische figuren zijn uit de tijd, maar Van Wieren brengt ze terug in herinnering. “De voorstellingen en figuren lijken uit een andere tijd te komen en wekken de illusie van een droomachtig tijdsbesef, waarin aandacht en concentratie zich losmaken van het heden”, lees ik thuis op het infoblad – op afstand van de tentoonstelling zelf, maar in het bezit van de foto’s die ik er maakte. En zo is het, als het daar geschreven staat: verhalend.

    Double the distance. Schilderijen van Lars van Wieren bij Afslag BLV, Minckelersstraat 11 in Heerenveen. Van 8 maart tot en met 17 mei 2026.

  • De droombeelden van Anne van As

    Zo zal het paradijs erbij hebben gelegen. Of althans, zo zal de sfeer hebben aangevoeld. Daar, tussen de Eufraat en de Tigris. Weelderig groen dat in gedachten kleurt naar de emotie. Land en water vloeien in elkaar over als melk en honing van het beloofde land. Een plek om tot rust te komen, in nederigheid de schepping te aanvaarden. Deze omgeving is nu een slagveld, een schuldig landschap waar raketten inslaan en drones vernietigend werk doen. Anne van As heeft dat oerwoud, de tuin van oorsprong, als inspiratie genomen voor de serie Rêverie. De schilderijen verbeelden een verlangen naar hoe natuur ooit werd ervaren, en tegelijk het besef dat die ervaring nooit volledig terug te halen is. Verlangen naar het paradijs, de hof die er nu verwoest bij ligt.

    Haar roze bril echter wijzigt het uitzicht, mijn ontroering verandert het inzicht. Galerie MUGA is voor even de Hof van Eden. Maar schijn bedriegt. Onder dit groene gras, achter de dichte begroeiing, schuilt een addertje. Zoals de slang in het paradijs de hele sfeer in duigen gooide. De zeepbel met de prachtige kleuren wordt in een moment doorgeprikt. Pats — wat rest zijn tranen, van spijt.

    Geen verloren paradijs

    Ondanks dat is het een feest van herkenning wanneer ik de ruimte van de galerie binnenstap. Ik denk te weten wat ik zie in Museum Galerie Heerenveen. Het uiterlijk is echter niet de waarheid. Het is te mooi om waar te zijn. De schoonheid is de dekmantel voor ontbossing. Het decor zal met voeten worden getreden. Het was wel zoals Anne van As het in haar werk aan ons voorstelt, maar het is het niet meer — zoals ik in de vorige alinea’s al voorzag. Anne van As wil dát in haar werk duidelijk maken. Het is geen verloren paradijs, maar het neigt daar wel sterk naar.

    De groene schoonheid van de jungle resoneert in het schilderen van Van As. De composities zijn esthetisch in orde. Er dringt zich echter een geladen gelaagdheid aan de kijker op. Een gestapelde spanning. De natuur droomt zichzelf schoonheid. De kunstenaar heeft dit ideaal in schilderijen verbeeld. Met titels als Nocturne, Paradis, Reflection en Lush schijnt Anne van As de hemel op aarde te verbeelden. In de mysterieuze schaduw echoot echter het geraas van graafmachines en houthakkers. De kaalslag is aanstaande. Nu nog kan ik genieten van de herinnering.

    Intermezzo voor rust en reflectie

    De kunstenaar is dirigent, slaat de maat. Tik-tik-tik. Het acryl op linnen speelt de eerste streken. Een dromerige compositie klinkt. De dirigent is kunstenaar: met grootse armbewegingen worden verfvlekken op doek gezet, krijgen de instrumentfamilies hun intervallen. Eens strijkt de eerste viool en vallen de blazers in op het ritme van de pauk.

    Maar zo heftig zijn de composities van Anne van As niet. Geenszins. De natuur fluistert in de schilderijen. De materie op doek, zo gevormd dat zij vegetatie suggereert, vertelt op zachte toon — uitbundig — hoe mooi de plantenwereld kan zijn. Is geweest en wil blijven. De luisteraar verdrinkt in de lyrische noten, de beschouwer gaat kopje onder tussen de regels, ofwel de verfstreken door.

    Over tot de orde van het moment

    De kunstenaar fantaseert kleurig voor zich uit. In haar composities verdwijnt de natuur niet, maar verandert van tint. Geen rottige kleuren, maar uitbundige ontbindingen. Zoals de banaan verkleurt, de bloem verdort en het water vertroebelt. De schoonheid van de natuur is ongrijpbaar; ook Anne van As kan deze niet evenaren in haar werk. Daartoe doet ze wel een vruchtbare poging en schept ermee een eigen wereld. De hof die ze aantrof in de jungle — een uitgestrekt mangrovegebied waar land en water in elkaar overvloeien. De diepe rust waarin het landschap zichzelf uitdrukt, geeft de kijker hevige onrust. De verzuring van lijf en leden slaat toe, want ik weet — helaas — wel beter.

    De flora spiegelt in het water op een manier dat er geen overgang is tussen land en plas. Nog één stap voorwaarts en ik houd geen droge voeten. De oever als horizon is verdwenen. Slechts is nog een scheiding te maken doordat de begroeiing een figuratieve uitdrukking heeft, terwijl de spiegeling daarvan een abstracte indruk geeft. En het is er doodstil. De fauna houdt de adem in, want het onheil is aanstaande. Het beeld is oneindig; de blik kan mijmerend langs vervagende gronden naar de onzichtbare einder turen. Maar het is allemaal illusie, een droombeeld.

    Das war einmal

    Anne van As beeldt zich een ongerepte en onaangetaste natuurlijke omgeving in. Zo is het in haar gedachten, zo was het toen zij de jungle bezocht. Feitelijk heeft ze ansichtkaarten gemaakt; de zin “groeten uit …” ontbreekt nog. Plaatjes voor in een reisgids om toeristen te trekken, die zich kunnen vergapen aan hoe het daar kan zijn. Echter geven de afbeeldingen in de folder overwegend de werkelijkheid mooier weer dan deze in het echt is. Te mooi om waar te zijn. Het had zo kunnen zijn, maar: das war einmal. De kunstenaar wil met haar kunst de tijd stilzetten. Herinnering maken, omdat ze weet dat de tijd niet kan stilstaan en de klok niet teruggezet kan worden.

    Van As steekt bezwerend een wijsvinger op om aandacht te vragen. Maar de houtkapper steekt breed lachend de middelvinger op; het zal hem een worst zijn — hout is goud. Van As zal met haar kunst de voortgang van de tijd en de afgang van de natuur niet kunnen stoppen.

    De dirigent zal de baton neerleggen omdat het orkest onwillig de verkeerde noten laat horen. De kunstenaar blijft echter, tegen beter weten in, het penseel over het linnen strijken. Want het moet gezegd, het dient verbeeld. De boodschap is duidelijk, maar verpakt in kleurig papier. De schilder voert de wolf in schaapskleren voor het voetlicht.

    Verborgen geheugen, geborgen herinnering

    Ze schildert de randen van elders en mijmert de spiegeling in haar werk. Pas dan, wanneer ik alles tot me heb laten komen, mijn gemoed heb gelaafd aan de droombeelden — de rêverieën — begrijp ik de eerste compositie van deze tentoonstelling. Caché. De blokhut aan het eind van het bospad is een opslagplaats. Daar slaat Anne van As het geheim van haar herinnering op. Een cache waarin tijdelijk haar geheugen is geborgen — verborgen.

    De bezoeker die vervolgens de ruimte binnenstapt, opent de deur van de hut en laat de bespiegelingen vrij. Een nocturne echoot wanneer ik contemplatief neerzit tussen varens en struikgewas. Mijn spiegelbeeld trekt abstracte vlakken over het water. Ik ga op in de kunst van Anne van As. Van MUGA tot in het oneindige.

    Rêverie. Solo expositie Anne van As. Museum Galerie Heerenveen (aka Galerie MUGA), Minckelersstraat 11, Heerenveen. Van 29 maart tot en met 10 mei 2026.

    Rêverie, Anne van As, Galerie MUGA
    Rêverie, Anne van As, Galerie MUGA