Tag: beschouwing

  • Grenslijnen gegumd in Wonderkamers. Uit.

    Bestaat er een grens tussen observatie en emotie. Staat het één los van het ander. Of is de grens vaag en overlapt juist het één het ander. Zoals in een venndiagram; de doorsnede van observatie en emotie. Dat het verzamelde beleven perceptie deelt met het geconcentreerde gevoel. Want kijken roept iets op. Zien gaat niet zonder indruk. Impressie gaat met expressie. Het kijken naar kunst maakt iets los, zet de mimiek op positief dan wel op negatief. De mondhoeken en de duim gaan omhoog of naar beneden. De emoji is blij of keurt het af. In de kunst is dat een grens, tussen goed of slecht is geen uitweg, er bestaat geen niemandsland voor de twijfel. De schoonheidszin heeft evenwel smaak. Een bloemige bijsmaak of een naargeestige nasmaak. Ieder zijn/haar/hun meug.

    Zo is de observatie in Wonderkamers op dit moment. Bij het daar getoonde werk van de drie kunstenaars Marjolein Spitteler, Karen Vennik en Sigrid Hamelink kan ik maar nauwelijks mijn emotie de baas. Krullen mijn mondhoeken op als de snor van Dali. En dat is bijzonder volgens een andere kunstenaar, Meiro Koizumi. In een promotievideo voor De Pont Museum in Tilburg hoor ik hem zeggen: “Het is heel moeilijk om mensen aan het huilen te maken met een schilderij. Maar met bewegende beelden, met video, is het heel gemakkelijk om mensen in twee minuten aan het huilen te maken. En dat is hoe krachtig dit medium is.” Bij Wonderkamers aan de Heirweg in Nijeholtwolde is daarom misschien wel de kunst geïntegreerd in een installatie met objecten en lichtbeelden. Ik vind het op de zolderverdieping van het Batavushuisje. En het is inderdaad bijzonder, maar emotioneert mij niet tot tranen toe. Althans niet in de door Koizumi gestelde tijdspanne.

    In lichtbeelden te beluisteren

    In de installatie verleggen Vennik en Hamelink hun grenzen en zoeken de lijnen van de zichtbaarheid. Of eigenlijk het kader van onzichtbaarheid. Want wat ze laten zien valt fysiek nauwelijks te bekijken, maar wel mentaal te ervaren. In het schemerdonker zie ik een stellage van hout met lijsten en een beeldfiguur. Op en door deze samenhang is een drieluik geprojecteerd, waarvan de gevallen vogel op de bolle buik van het beeld verschijnt. Dat schilderij vind ik op de begane grond van dit gebouw terug. En wat aan beeld verloren ging in de installatie zie ik daar in afgepaste kleuren, en merk op dat er meer figuratie is dan enkel die vogel. Maar wat ik boven nog meer zichtbaar denk te missen is het verhaal, dat tussen de dunne planken door in lichtbeelden te beluisteren valt. Daarvoor moet ik op de kruk gaan zitten en me concentreren op het nauwelijks bewegende beeld. De vertelling toont zich niet letterlijk, maar ik voel aan dat het meer is dan wat zich laat bekijken. De diepere betekenis maakt indruk en kan in de achtergrond mij emotioneel bewegen. Doordat de fysieke ruimte van de zolder beperkt is maak ik onderdeel uit van de installatie, ik zit er bij wijze van spreken bovenop en middenin. Daardoor is de mentale ruimte groot en word opgenomen door de geest die door de installatie zich een weg zoekt. Het pakt me op, in een meditatief moment raak ik figuurlijk betrokken bij de opstelling.

    Verbaasd en verdwaasd, mijn ogen wennen amper aan het lichtend licht uit het schemerduister, wankel ik de trap af om me te verdiepen in de kunst op de begane grond. Daar tref ik dus dat drieluik van Karen Vennik aan. Vennik, die vooral de donkere kant van het wezen beeld geeft, schildert met zwarten waarin kleur extra opvalt maar niet opvallend aanwezig is. Daardoor belicht zij dramatisch het dood zijn van het leven. De schaduwkant van de handeling. Het onderworpen en verworpen leven, dat ontdaan van boeien uit de kooi vlucht en onderweg het loodje legt. Geen opgewekt thema om opgeruimd te beschouwen. Het zet me aan het denken, te mijmeren over de profetische eindtijd, een apocalyptisch armageddon. De natuur verzet zich nog krampachtig tegen beter weten in, de vredesduif valt uitgeblust ter aarde. Er is geen weg naar vrede, vrede is de weg. Maar wanneer deze weg vol obstakels ligt en gebarricadeerd is blijft de vrede ver weg.

    Avontuurlijke figuren

    Mezelf bij elkaar rapend draai ik welgemoed om en treft mijn blik de wand met de wolk uitingen van Marjolein Spitteler. Op het eerste gezicht denk ik te weten wat ik zie, maar word ik door de kunstenaar op het verkeerde been gezet. Vogelfiguren en visdieren trekken schaduwen over schelpen en zaaddozen. Het lijkt alsof de natuur in celdeling organismen met elkaar verbindt. Dat grenzen vervagen en nieuwe lijnen worden geknoopt. Over het zorgvuldig bedachte en minutieus uitgewerkte schepsel, een creatuur dat ik geklemd tussen twee glazen plaatjes door de microscoop te zien kan krijgen, is de uit een stuk materie gesneden gestalte van een vogel, vis of ander biologisch wezen gelegd. Daardoor is dat wezen denkbaar aanwezig, legt het een schaduw over het gestel. Het is er niet, maar toch ook weer wel. Het resulteert in unieke composities, waarbij je goed moet kijken wat je ziet. Pas opmerkt wat je ziet wanneer je beter kijkt.

    De avontuurlijke figuren van Sigrid Hamelink dansen tussen deze uitingen door in de ruimte. Ze vervagen de grens van realiteit en abstractie en trekken de lijn door van observatie naar emotie. Wie vaker een bezoek heeft gebracht aan de Wonderkamers zal de mensvormen bekend voorkomen, want Hamelink heeft een eigen herkenbare stijl van beelden ontwikkelt. Hoewel het veel variatie is op het thema, de mens kent voor zichzelf tenslotte legio houdingen en uitdrukkingen, blijft het altijd een unieke beeldspraak. De menselijke persoon krijgt positie en expressie in de compositie, drukt gestroomlijnd de essentie van de gemoedstoestand uit. Enkel het wezen van de emotie, de kern van het zijn, zonder blikken of blozen. De houding is de expressie, de mimiek ontbreekt of is onpersoonlijk. Zo kan ik het mezelf toedichten, kan ik me ermee vereenzelvigen, wordt het mijn identiteit. Sta ik niet op een afstand te beschouwen, maar word ik onderdeel en is mijn selfie een groepsportret. Of beter kan ik mijn zijn over het wezen van de uitdrukking leggen, zoals Spitteler dat in haar tekeningen doet.

    Aandacht luisteren

    De ruimtelijke figuren van Hamelink hebben een geschetst evenbeeld in tekeningen langs de wand. Het schijnt mij nieuw werk van haar hand, waarin ze de houten beelden laat acteren in een natuurlijke omgeving. Zo kan ze de sfeer naar zich toe trekken, want de ruimte bepaald toch de persoonlijkheid van de creatie. Niet altijd kan zij in een tentoonstelling de beelden in een passende sfeer zetten, op papier heeft ze deze mogelijkheid wel. Zo beleven haar wezens avonturen in ruimte en tijd, gaan een band aan met de natuur en verbinden de menselijke gestalte met de eeuwigheid.

    De geest die ronddwaalt in de Wonderkamers laat mij mentaal verdwalen. In de stilistiek van deze beeldende kunst kan ik mijzelf vinden. Hoef daar niet lang naar te zoeken, maar moet wel aandachtig luisteren naar wat de sfeer mij influistert. Dan doorzie ik het wezen en lees mijn zijn. Achter het zichtbare beweegt de stemming, kronkelt als een adder onder het gras. Heb ik deze echter bij de kop gepakt, dan voel ik de onderliggende betekenis aan mijn water. Zie ik verder dan mijn neus lang is en kan ik tot tranen toe bewogen raken. Bij wijze van spreken laat ik de beelden de vertelling doen. Lees ik tussen de regels door, zie ik tussen de lijnen, de vlakken en de kleuren het grote geheel. En dat maakt de waarneming tot ontroering. De grenslijn tussen observatie en emotie is gegumd. Uit.

    Tentoonstelling “Grenslijnen”, werken van Marjolein Spitteler, Karen Vennik en Sigrid Hamelink bij Wonderkamers, Heirweg 57 in Nijeholtwolde. Van 11 mei tot en met 29 juni 2025.

  • Kunst is de afslag nemen om van de vertrouwde route te raken

    Wanneer alles al is gezegd en geschreven. Ieder beeld een afbeelding heeft gekregen en elke stemming een melodie. Wat kan er dan nog worden toegevoegd om de beleving compleet te maken. De cirkel lijkt al rond. En toch weten kunstenaars – beeldmakers, toonzetters, woordvormers – daar iets origineels aan toe te voegen, iets wat nooit eerder gezien of gehoord is, nooit is opgemerkt. Een ingeving, een inspiratie, om wat niets is iets te laten zijn. De kunstenaar recyclet het ongeziene in een object wat gezien kan worden, het ongehoorde in gehoord kan zijn. Een lege drager krijgt beeld zoals nooit te zien, te lezen of te horen was. Veel beeldbouwers vinden letterlijk het wiel opnieuw uit, omdat de kunst zich blijft door ontwikkelen, blijft voorwaarts gaan. Dat is de kopgroep die voor het peloton uit koerst. De voorlopers komen het eerst aan de meet, terwijl de volgers op een afstand nakomen. Het is een metafoor die de spijker op de kop slaat.

    Heeft de componist slechts 8 noten om mee te werken en de beeldend kunstenaar maar 6 kleuren om mee te scheppen. Toch zijn daar genoeg mogelijkheden tussendoor om niet gelijkend te klinken en om niet overeenkomend te tonen in vergelijking met een eerder gemaakte compositie. Een reproductie van wat was, een kopie van dat is, is een verrijking van het bestaande wezen, een aangename variatie op het thema. Toch weten voortrekkers, noem het influencers, niet te variëren maar nieuw uit te vinden, een thema te verbreden niet te verlengen. Zij zijn origineel in denken en doen. Zij weten het scala aan onderwerpen te vergroten. Is de verlenging een kopie van techniek en verbeelding, de verbreding geeft een ander inzicht en uitbeelding.

    Mee in de algemene emotie

    Is de kunst een kopie van de werkelijkheid, het vernieuwende is een beeldende afdruk van de beleving. Wat ik zie kan herkenning geven, maar aan het abstracte beeld herinner ik mijn emotie. Het raakt mij in de ziel, kan overdonderen. Maar het kan zijn dat mijn antenne niet staat afgesteld op de zender en ik de essentie mis van het beeld dat ik beschouw. Dat kan. Maar dat hoeft geen probleem te zijn zolang het gepresenteerde maar in de waarde blijft waarmee het klaarblijkelijk is gemaakt en wordt aangeboden. De voorlopers, de lijsttrekkers, gaan immers aan de meute vooruit. Nu, vandaag en hier wordt de kwaliteit nog niet gezien, omdat het begrip er nog niet is. Pas later, morgen en daar is er herkenning in het tentoongestelde en wordt het begrepen. Dat is de kant die zichtbaar is, de tastbare werkelijkheid, althans de waarheid volgens deze individuele kunstenaar. Het onzichtbare dat zich achter het beeld bevindt, dat is het gevoel en deze is universeel. Ook wanneer ik het aanraakbare niet kan vatten, ga ik mee in de algemene emotie.

    Deze alzijdige emotie is strak aanwezig op dit moment in Afslag BLV bij het Kunstenaarscollectief De Tegel. De vier kunstenaars van het collectief onderzoeken hoe beelden, materialen en concepten verschuiven in betekenis. Zij vragen zich in hun composities af wat echt is en wat een kopie, waar ligt de grens tussen origineel en reproductie zo willen ze weten. In hun werk proberen ze daarom het evenwicht uit tussen herkenning en vervreemding, tussen constructie en illusie. Met mij als toeschouwer bevragen zij de werkelijkheid opnieuw en vanuit diverse tegenstrijdige standpunten. Het onderzoek geeft een persoonlijke visie en kan visueel vervreemdend werken. De uitkomst kan voor de maker duidelijk zijn, maar voor de beschouwer raadselachtig.

    De hand van de meester

    De bedoeling kan op die vage scheidslijn tussen oorspronkelijk en nabootsing liggen of beter gezegd tussen authentiek en replica. Dat kunst een doorslag is van de realiteit was vastgesteld. Dus kunst is sowieso een kopie, waarin de werkelijkheid op een andere manier dan de zichtbare realiteit wordt benaderd. Dan spreekt men van echt en waar, van origineel en oorspronkelijk. Maar het model voor het beelden is te vinden in de ruimte om ons heen, de omgeving, de natuur, het zijn. Kunst leert ons anders naar de dingen kijken, beter observeren, aandachtig luisteren. Het benadrukt en maakt opmerkzaam. Ook al is alle decoratie verdwenen en is de essentie van het beeld gebleven, dan nog is in de abstractie een realiteit te ontdekken.

    Terug naar de Afslag, die een afslag in de kunst aanwijst. Van het bekende pad dat herkenning geeft en een vertrouwde route volgt, stuurt deze afslag op een weg naar een conceptuele benadering van creëren. Niet alles wat gezien is kan meteen worden aanvaard als waar en echt. De composities in Afslag BLV schijnen individuele maaksels en geen producten van een collectief. Toch zijn deze de opbrengst van een kritische reflectie en onderlinge dialoog. Een eigen gedachte wordt in de groep gegooid en is besproken. Men heeft het er over, de kunst in het algemeen en de eigen waarheid. En dat geeft bijzonder originele afschriften, die aangeven dat deze onlangs afgestudeerde kunstenaars in de kopgroep voor het peloton uit koersen. Niet de uitgestippelde etappe volgen, maar een afslag nemen om aan de meet te komen. Daarin zijn elementen van en uit bestaande en eerder ontwikkelde composities te onderkennen. Een nieuw inzicht staat nooit op zichzelf en staat altijd onder invloed van de omgeving, van het toen en daar, van het hier en nu. Maar doordat deze kunstenaars de werkelijkheid opnieuw bevragen geven zij een origineel antwoord op herkenning en vooral op het waarnemen van emotie. De menselijke relatie krijgt een illustratief beeld, de intermenselijke verstandhouding heeft beeld omschrijving. Meest op een abstracte manier, maar ook wel aangrijpend en is de juiste snaar geraakt. Zoals echte kunst de juiste toon zet en een kopie altijd door de mand valt. In het origineel de geest zit en uit de reproductie het hart gestoken is. Zelfs artificiële intelligentie mist het menselijke vakmanschap, nog. Maar wanneer zal de hand van de meester node gemist worden?

    SIMULACRA. Tentoonstelling Kunstenaarscollectief De Tegel. Abel Kamps, Indira de Boer, Jens Buis, Sverre van der Velde. Bij Afslag BLV, dependance Museum Belvédère, Minckelersstraat 11 in Heerenveen. Van 2 maart tot en met 18 mei 2025.

  • Tegenstellingen die elkaar aanvullen in een twee-eenheid

    Waad ik door de branding. Loop over droog gevallen aarde. Zie ik wier dansen op het ritme van stroming. Prikkelen strandkiezels mijn ongeschoeide voeten. Schuren breuken in steen mijn eeltige zolen. Dan voel ik de vrijheid, het ongeregeld oeverloze leven. Bekijk ik de buitenkant van het zijn. Het zichtbare wezen. Ninet Kaijser beeldt dit af in elke schoonheid die het mogelijk heeft met kleurpotlood op papier. Ik hoor het water door de bedding stromen om de meest prachtige kleuren te polijsten. Haar composities strelen de ogen, liefkozen de blik.

    Datgene wat ik zie en ervaar langs kustlijnen en over rotsformaties vertaald Kaijser letterlijk in haar tekeningen, op het eerste gezicht. Dat is haar uitgangspunt, de basis van het werk is de zichtbare werkelijkheid. Al beeldend ontstaan er echter elementen en dimensies die zij nader gaat onderzoeken in nieuwe tekeningen. Kaijser, en ik al kijkend met haar, ontdekt diepere lagen in het vlakke zien. In de tekeningen verwerkt zij de tijd die de werkelijkheid laat verglijden. Ik merk stroming in stilstand op, beweging in rust. Door lijnen, vlakken en kleuren dynamisch over de drager te laten gaan krijgt het werk een filmische gewaarwording en ontstaan tijdloze landschappen.

    Na lang en aandachtig kijken zie ik golven spatten op stenen, wuiven grassen mij toe. Er dartelt zelfs een vlinder voorbij, een vis steekt verwonderd de gladde neus uit het water. Kaijser tekent echter geen levend wezen in haar werk, er is slechts water, aarde en stenen. Door de beweging zie ik luchtspiegelingen, voeg ik al starend elementen toe die niet zichtbaar zijn maar door mijn fantasie worden toegevoegd. De tekeningen zijn opgebouwd met minuscuul kleine en korte lijnen. Zo is verfijnd de natuurlijke stofuitdrukking vastgelegd.

    Dat wat ik zie en beleef zet Ninet Kaijser letterlijk in een vrije vertaling op papier, op het tweede gezicht. Wat op papier komt te staan bestaat niet, lijkt er altijd geweest te zijn maar is een nieuwe werkelijkheid. Het is de fantasie van de tekenaar die intuïtief een mogelijke omgeving vastlegt. Het had zo kunnen zijn. En natuurlijk is het zo, want de natuur manifesteert zich in de meest ondenkbare vormen, presenteert de waarheid in de echtheid van zichzelf. Tijdens het tekenen begeeft Kaijser zich in het landschap en ervaart de realiteit, maar het is een echtheid die niet waar lijkt te zijn. In het kijken zie ik een omgeving die een reële beleving geeft. Het is er, dus het zal er zijn. In gedachten dring ik door de onnatuurlijk natuurlijk lijkende lagen heen om mijn eigen voorstellingsvermogen aan te boren.

    Basis van de schoonheid

    Ik beschouw deze bedachte droomwereld bij Galerie Getekend, waar het werk van Ninet Kaijser wordt gepresenteerd in combinatie met de tekeningen van Ans Tellegen. De beweging van Ninet Kaijser bevriest daar in de verstilling van Ans Tellegen. Waar Kaijser de tijd neemt zet Tellegen deze vast. De werken lijken tegenstrijdig. De kleurige schijnbare echtheid tegenover het kleurloze beeld achter de realiteit. Maar toch geven de kunstenaars in tekeningen elkaar de hand en is de tentoonstelling een eenheid, een harmonieuze samenstelling. Ofwel het ene vult het andere aan, de werkelijkheid en de achterkant van de waarheid maken de werken tot een echte beleving.

    Ans Tellegen laat namelijk zien wat ik niet ervaar wanneer lopend door het veld, hink-stap-springend langs de oever zigzaggend over een smalle rivier. Of juist verzandend aan het strand, de blote voeten openhalend aan scherpe schelpen. Mijn bloed kleurt aan de tinten van Kaijser. Maar Tellegen toont in haar zwarte lijnen en vlakken, waar iedere kleur uit verdwenen lijkt, de essentie van de zee en het strand, de kern van het gesteente langs de beek, het wezen van de aarde. En die ervaring is abstract, valt nauwelijks te omschrijven. Daarom verbeeldt Ans Tellegen dat aspect voor mij, voor ons.

    Het is de basis van de schoonheid, die op zichzelf een esthetisch beeld geeft. Schaduwen glijden langs formaties en maken vormen in de ruimte. De wijdte van beleving en fantasie. De speling van lijn en vlak die samen een landschappelijke ervaring deelt. Tellegen toont niet de zichtbare werkelijkheid, maar het beeld achter deze waarheid. Niet de uiterlijke waarneming schetst zij, maar de voelbare voorstelling krijgt een beeldende omschrijving. Haar lijnen en vlakken zijn als het ware mijn mentale observatie. Het plaatje dat ik in gedachten voor ogen krijg terwijl ik de werkelijkheid beschouw.

    Zo is de beleving van met name de natuur bij Galerie Getekend compleet, constateerde ik al hierboven. Onderga ik de werkelijkheid en doorleef daarbij de essentie achter die waarheid. Niet enkel is het een zichtbare sensatie, maar tevens een voelbare gewaarwording. Aan beide zintuigelijke elementen is voorstelling gegeven, zodat het afgeronde beeld van de tentoonstelling een absolute gewaarwording geeft.

    Tentoonstelling werken van Ninet Kaijser en Ans Tellegen bij Galerie Getekend, Stationsstraat 6 in Heerenveen. Te zien van 30 maart tot en met 18 mei 2025.

  • Dromen zaaien en fantasiën oogsten

    Wetenschappers van de Universiteit van Cambridge die al enkele jaren de planeet K2-18b bestuderen, vermoeden dat de planeet vol zit met microbieel leven. Dat hebben ze ontdekt door naar de chemische samenstelling van de atmosfeer te kijken met de James Webb ruimtetelescoop. Stel je nu eens voor dat deze exoplaneet, 124 lichtjaar verwijderd van en ruim 2,5 keer groter dan de aarde, het leven bevat dat Anne ten Donkelaar creëert in haar kleurige en fleurige composities. Door de oerknal, waaruit volgens wetenschappelijke overlevering het leven in beginsel is ontstaan, met een oorverdovend muisstille explosie aan bloemzaden die de ruimte werden in geslingerd en daar op die planeet in het bijzonder zijn terecht gekomen, zich hebben uitgezaaid en vervolgens zijn ontkiemd en zich hebben voortgeplant. Een cyclus door een werelds jaar, maar dat kan op die planeet natuurlijk heel anders in elkaar steken.

    Een natuur die op aarde niet kan en heeft bestaan, niet waar maar met gesloten ogen wel echt, kunstzinnig gekunsteld door de kunstenaar. Onderdelen van de bedachte vegetatie zijn waarheid, maar door kruisen en kweken is een nieuwe echtheid ontstaan, een in onze ogen onwerkelijk werkelijke flora. Een surrealistisch samenstel van wortels, stengels en bloemen. De resultaten van die botanische inteelt zijn nu te zien bij Museum Galerie Heerenveen.

    De natuur is er naar de hand gezet van de kunstenaar, die zich als eigentijdse creator bemoeide met de aloude schepping. Zij creëert in fijnzinnige collagetechniek een nieuwe plantenleer, waarvan de botanici wel pap lusten. De inhoud van de plantenkas gaat met elkaar een relatie aan: uit een enkele bloemknop spruiten verschillende bloemen. De kleuren bestrijken een heel palet aan tinten en knallen welhaast uit het kader door Ten Donkelaar aangegeven.

    Om het nog meer tot de verbeelding te laten spreken geeft een fotografische benadering van dit thema een dromerige sfeer. Stengels, bladen en knoppen dansen om elkaar tegen een nevelige achtergrond. Als een dynamisch stilleven. Of reiken als een tuil ballonnen naar de hemel. Op de plaats gehouden door kleurig paktouw te verbinden met relatief zware moeren en bouten. Wederom een bovennatuurlijke gewaarwording die de ogen streelt.

    Planten vol in bloei

    Terug naar K2-18b, niet genoemd naar een zet op het schaakbord – het is de eerste planeet die gevonden werd rond de ster K2-18 in het 18e sterrenstelsel. NASA heeft daar al een leger naar vooruit gestuurd om de natuur er te exploreren. Niet om het te vernietigen voor nieuw menselijk leven, dat zou SpaceX doen, maar om er vreedzaam een verdroomde maatschappij op te zetten. Ten Donkelaar heeft daar alvast een model van en voor gemaakt. In haar idee wit geschilderde soldaatfiguurtjes schieten niet met scherp. Integendeel, uit de lopen openen zich bloemen of kleuren explosies zich in de atmosfeer. Diverse objecten in een gezamenlijke opstelling, die afzonderlijk van elkaar kunnen worden aangeschaft. Maar wanneer het legertje Idealisten bij elkaar blijft is het een droombeeld, beeld het een geïdealiseerde wereld uit, een fata morgana.

    Maar wie zegt ons dat wij niet over een betere wereld mogen dromen? Waar het altijd voorjaar is en planten vol in bloei staan. Waar bloemkronen een dans uitvoeren onder water. Waar bloemen opstijgen als ballonnen, aan een draadje naar de zon. Waar de natuur gereconstrueerd is zodat het eeuwig leven schijnt te hebben. In een plantenkast bij de tentoonstelling zijn zinspelingen en vingerwijzingen verzameld toegespitst op een herbarium. Het greenhouse cabinet is een ideeënbus voor nieuwe creaties. Daaruit ontspruiten inspiraties om volgende collages te scheppen. Van dat begin zijn elementen terug te vinden in de resulterende constructies. Het idee is gezaaid in dit kabinet en wordt geoogst in de werken.

    Tussen hier en de exoplaneet

    Het componeren plaatst de kunstenaar in de schoenen van de schepper. Want zij maakt heel wat stuk was, repareert gebroken libellen en vertrapte planten, verdronken vlinders geeft zij nieuw leven. Het legt de macht in haar schoot om de schepping naar haar hand te zetten, door haar vingers te vormen. Het ontvouwt fascinerende resultaten. Aandachtig kijk ik om te ontdekken welke planten en bloemen deze variatie aan verbeeldingskracht omvat.

    Deze bloemcomposities met een diepere laag van betekenis geven een vrolijk beeld, dat past in deze voorjaarstentoonstelling rondom Pasen. Want dat feest luidt opgestaan leven in, het is eerst gestorven voordat het opnieuw bloeit. Het rijsje dat voortkomt uit de afgehouwen tronk, een scheut uit zijn wortelen zal vrucht voortbrengen.

    Deze collages en platen zijn een lust te beschouwen echter minder interessant in vergelijking met de wand “Cloud Village”, composities die zweven tussen hier en de exoplaneet. Daarop kan ik meer en beter mijn fantasie loslaten, omdat Anne ten Donkelaar hiermee zichtbaar uit haar dak gaat. Eveneens als de bloemcomposities onwerkelijke werkelijkheden, maar die meer tot de verbeelding spreken omdat deze passen in sferen van sagen en legenden. Aan deze collages kleven klassieke verhalen en gevoelens daarbij, die mondeling dan wel schriftelijk van vroeger naar nu werden en worden overgeleverd. Deze beklemtonen een sfeer van luchtfietsen en droombeelden, en doen recht aan de idee van uitvinder Da Vinci. In deze sferen ontdek ik de kunstenaar, de atmosfeer reflecteert mijn zijn als in een fantastische bevlogenheid. Ik zit bij wijze van spreken op de punt van de stoel om maar niets van het verhaal te hoeven missen. Wat onmogelijk lijkt blijkt mogelijk; het is niet waar maar het had waar kunnen zijn.

    Tentoonstelling “Dromen zaaien”, werken van Anne ten Donkelaar. Bij Galerie MUGA, Museum Heerenveen, Minckelersstraat 11 in Heerenveen. Van 9 maart tot en met 27 april 2025.

  • De werkelijkheid lostrekken in stroken, in vlakken en vorm

    Het lijkt tegenstrijdig, dat metaal in de natuur. Die menselijke ingreep in de schepping. Streed Don Q. in zijn dagen ook al tegen de verdomde windmolens die nu nog weer de horizon bevuilen. Waren die toen van hout, zijn de onze van staal. De honderd jaar oude belvedère toren stak tot voor kort nog fier uit boven het bosrijke Oranjewoud, beton past tussen hout. Een paradox, mens en natuur. Wie er met de toekomst gaat strijken wist Louis le R. maar al te goed. Zodra de mens de handen ervan aftrekt is het grijs in een ommezien groen. Overwoekeren planten stenen, herstelt de natuur scheve verhoudingen. Die schijnbare tegenstelling vind ik terug op dit moment  in Kunstlokaal No.8. Dikwijls schijnt het daar niet te passen, maar wordt een tweedeling rap tot een eenheid. Dit keer zet de tentoonstelling mijn gedachte op de man van La Mancha en de ecokathedraal. Dit om een ingang te vinden, een weg te gaan, langs de los-vaste regels van en in de natuur, een vinger te krijgen achter het wetmatig zink en het gevlochten object.

    Engelengeduld

    Het werk van Flos Pol heeft twee kanten van belevenis. In de serie geschilderde grondwerken legt zij als het ware het fundament, slaat ze palen in vruchtbare bodem, om er de verweven horizon op te bouwen. Er is geen figuratie anders dan raster van kleur en vlak. Tralies waarachter de werkelijkheid lijkt opgesloten, enkel wanneer ik mijn gedachten erover laat gaan kan het losbreken en de vrijheid vinden. Dan zie ik achter de abstracte waarheid een reële echtheid.

    In de gevlochten werken is de werkelijkheid vervlochten tot een abstracte beeltenis. Een afbeelding samengesteld uit mislukte en daardoor afgekeurde werken. Schilderijen die er niet mochten zijn, of schutbladen waren van doordrukwerken, worden door Pol hergebruikt in deze matten. Een daad van recycling, maar ook van herinterpretatie. Deze anders voor de prullenbak beschikbare flodders krijgen een nieuwe betekenis. De in repen gesneden vellen zijn de draden voor de weefsels.

    Met engelengeduld laat Pol deze stroken kruislings gaan, bovenlangs, onderdoor. Dwarsdraden in een golfbeweging tussen en over kettingdraden. Vanwege dat golven van de stroken bruisen kleuren, vlakken en figuraties dooreen. Als in een overvloed aan beeltenis maakt het beeld een dynamische afbeelding. De figuratie is door elkaar geschud en er ontstaan daardoor nieuwe gezichten, andere invalshoeken, haakse betekenissen. De oude lijnen zijn nog zichtbaar, maar krijgen een nieuwe duiding. De vlechtwerken hebben wel het karakter van zielenweefsels van primitieve volkeren. Een mat waaraan waarde gehecht is en wordt. Onderdeel van een grootse beleving, een religieuze beeldvorming. Met recht grondwerken, waarin de basis van zowel aarde als leven is gevormd. Aarde, de natuur waarin wij verkeren. Leven, het zijn hier en nu op het verleden daar en toen.

    Pol weeft wel strotouw en siergras in. De strenge spanning wordt dan beweeglijk doorbroken. Nog steeds is het grondplan van het traliewerk zichtbaar, maar de inbreng roert zich tegendraads en laat de compositie beven. Als de trillende atmosfeer bij warmte, een luchtspiegeling op de route. Niet dat Flos Pol mijn zinnen wil bedriegen, zij vlecht structuur in een kunstmatig landschap om mij de schoonheid van de natuur te tonen. En dan uiteindelijk lijkt zij helemaal klaar met die gestrenge schering en inslag, schopt ze tegen het weefgetouw zodat een warboel aan rechte toeren averechts werken en steken zich laten vallen. Beeld en kleur, vorm en volume raken in de knoop.

    En tenslotte biologeert een kleine compositie in deze opzet mijn blik, het acrylverf op linnen verbeeldt een opgeschoonde omgeving. Een zompend stuk grasveld waarin bruinen en gelen de sfeer maken. Een realisme dat rust geeft in de dynamische drukte van vlechten en vervlochten. Een schier contemplatieve structuur om in stilte te beschouwen. Het heeft niet de beweeglijkheid van verweven einders en geverfde grondwerken, maar schetst de werkelijkheid in een abstract beeld. Het toont schijnbaar dat mijn voorkeur uitgaat naar de min of meer tastbare werkelijkheid, terwijl voor abstractie om en nabij mijn aandacht geringer is. Niets is echter minder waar.

    Architectonische ingang

    Die werkelijkheid in dat abstracte beeld wat Pol uittekent schetst ook Manja Hazenberg in de ruimtelijke beleving. Uit geëtst zink snijdt en soldeert zij wiskundige vormen. Vierkanten en cirkels, in elkaar geschoven staand op een sokkel of solitair hangend aan de wand. Structuren die geconstrueerd lijken, maar zo te vinden zijn in de derde dimensie. Geen toeval, eerder een systematiek met ruimte voor spel. Het zijn herkenbare contouren en typische patronen. In het grijze staal licht koper op of schittert bladgoud.

    De kubusvormen hebben een architectonische ingang en kunnen zo modellen voor bouwwerken zijn. De essentie van de gedachte, de kern van het zijn. Een schets voor monumentaliteit. Nu in het moment. Geleid door de idee van Leonardo van Piso, aka Fibonacci, legt Hazenberg verbanden in haar werk met de gulden snede. Dat wiskunstige gegoochel met getallen gaat ver terug in de tijd. Zo brengt zij de kunst van het metrum, berg van de cadens, in de tentoonstellingsruimte hier en nu in. Geeft zij beeld aan het konijnenprobleem en de bijenstamboom in een abstracte weergave. De beschouwer herkent dat zo direct niet terug, deze vormen die door differentievergelijkingen en matrixrekeningen zijn gefigureerd. De beschouwer kan onbevangen kijken zonder zich deze wonderlijke wereld van het getal te realiseren.

    De werken van Hazenberg verhouden zich tot de vlechtmatten van Pol als de belvedère in het bos. Lijken koel in de warmte, gereserveerde menselijkheid tussen toeschietelijke natuur. Ze vullen elkaar echter aan alsof natuur zonder mens geen eenheid is. Niet naast elkaar, maar bij elkaar en samen. Zo zoeken beide kunstenaars naar de essentie van het bestaan, vorm en waarheid, hoe echtheid zich toont in abstractie. Ieder vanaf een eigen standpunt en met individuele middelen die hen persoonlijk aanspreken. Elementen die enerzijds speels en anderzijds gestructureerd de grond van het wezen onderzoeken, de basis van het zijn. Dat wat ten grondslag ligt aan kijken, aan begrijpen, aan het maken zelf. En wie goed kijkt, merkt dat het er allemaal al is, maar nog niet helemaal zichtbaar. Alsof de kunst mij uitnodigt de werkelijkheid zelf een stukje los te trekken, in stroken, in vlakken, in vorm.

    Expositie werken van Flos Pol en Manja Hazenberg, in de expositie Natuur en Wetten bij Kunstlokaal No.8, Schoterlandseweg 55 te Jubbega-Schurega. Te zien van 5 tot en met 27 april 2025.

  • Hij is niets – zijn kunst is alles

    Dat boek van Oscar Voch, dat los-vast catalogus is bij de tentoonstelling ‘fluisteringen’ in Museum Belvédère, dat boek is welbeschouwd niet enkel een kunstboek gezien in het licht van de beeldende afbeeldingen daarin, maar zeker ook in de denkbeeldige teksten. Oscar Voch is een kunstenaar die op twee benen loopt, maar zich vasthoudt aan een duidelijk idee en een scherpe mening over zijn kunst en de Kunst in het algemeen. “Goede Kunst is half werk. De andere helft ontstaat in de geest van de beschouwer.”

    Hij is een begenadigd beeldmaker en een begiftigd schrijver – beeldbouwer met woorden. Zijn filosofische bespiegelingen kan Voch kwijt in fotowerken, gemanipuleerde fotografie. Maar ook in oneliners, stellingen en korte verhalen. In de taal komt hij meer zichtbaar tot een punt, geeft hij makkelijker uitleg van zijn gevoelens. In het beeld brengt Voch een mystieke ofwel mysterieuze inslag in de openbaarheid. Zijn standpunt in woorden is beter te volgen. Dat wil echter niet zeggen dat hij in beelden geen meester is. Het verhaal snap je in eenmaal of tweemaal lezen, het beeld begrijp je pas wanneer het intiem en intens wordt beschouwd. “Scheppen is of moet zijn: herscheppen. Het opnieuw scheppen van de werkelijkheid, maar in een andere vorm.”

    Eigenzinnig, een perfectionist

    Zijn kunst heeft geen woorden nodig, het spreekt voor zichzelf. Nauwkeurig bekeken. Uitleg is wel op de plaats voor zijn visie op kunst en de Kunst. Op zijn eigen bewegen in dat métier. Hoe hij er tegenover staat. Deze filosofische reflecties tillen automatisch zijn werken naar een hoger peil. Maar ook zonder het boek te lezen en enkel plaatjes te kijken, is de kracht van zijn leven en werken, zijn doen en laten te onderkennen. Oscar Voch weet zich in beelden poëtisch te uiten. De fotowerken zijn als gedichten, de figuratie in het beeld rijmt, de beeldmerken verhouden zich ritmisch tot elkaar. Naast proza waarin hij mijmert over de Kunst schrijft hij poëzie. Ook daarin is het metrum en de klanksymboliek in orde, even perfect afgewogen als in zijn beeldende kunst. Want alles moet kloppen en samenvallen met de idee van de kijker casu quo de lezer. Opbouw en begrip vergen tijd. Niet meteen is het punt gemaakt en doorzien.

    Oscar Voch is een bijzonder kunstenaar. Eigenzinnig, een perfectionist. Zijn oeuvre is beperkt, omdat een werk pas klaar is wanneer het af is. En dat af gaat door de ogen van de kunstenaar door een strenge selectieprocedure. Een werk is niet zomaar af, het valt niet zelden buiten de boot en verdwijnt in de prullenbak. In het boek en tijdens de tentoonstelling zijn 50 fotowerken te zien die door de ballotage zijn gekomen, waar Voch dubbel en dwars tevreden over is. Deze zijn volgens hem voldragen en voltooid. “De kunstenaar die denkt, ik ben er, is nergens meer. Een kunstenaar is hoogstens voor het moment tevreden.

    Idee van schilderijen

    Die voltooide werken zijn de hoofdwerken – voor een tweeërlei uitleg vatbaar. Het zijn de voornaamste werken, en ze zijn ontsproten in de gedachte. Geïnspireerd op het leven om het leven in zinnebeelden te duiden. Volgens Voch zijn het zelfportretten zonder dat zijn hoofd altijd in beeld is. Want in ieder werk is hijzelf aanwezig daar hij het is die het heeft gemaakt. Ook komt zijn kop op en in menig werk voor, want je hebt jezelf toch altijd bij je. Jou gezicht ken jij zelf het best, dus jij kunt jou mimiek eenvoudig bijstellen. Als eigen opdrachtgever heb jij jezelf in de hand. “Ik ben niets – mijn Kunst is alles.”

    Hoewel het fotowerken betreft hebben de composities het idee van schilderijen. Voch stelt het hoofdwerk samen uit diverse gedetailleerde beelden. Zo ontstaat een collage terwijl de oorsprong van knip- en plakwerk niet te achterhalen is. De fotograaf maakt er een schilderachtig geheel van middels computerprogramma’s als Photoshop. Hij neemt uit een beeldcollectie, een plaatdatabank, de meest aansprekende delen om er een welluidend en spraakmakend resultaat van te krijgen. Zet zijn werken niet overvol met details en figuratie, want minder is meer – om de boodschap te brengen is weinig woord in dit geval beeld nodig.

    Versiering hoort in de Kunst niet thuis. Want  het draagt niet bij. En wat niet bijdraagt, is te veel. Omdat het afleidt en daardoor verzwakt.

    Kitsch schreeuwt, kunst fluistert

    Dan vervolgt het boek met vroeg werk, waaronder composities die zijn gemaakt toen Voch nog niet beschikte over digitale technieken en hij dus niet diep in het beeld kon ingrijpen. Ze tonen wel dat hij al de goede weg is ingeslagen. Dat hij het pad van de melancholie met verve bewandelt, maar dat deze scherp wordt afgebeeld en niet in nevelen is gehuld. Interessant is het hoofdstuk ‘schetsen/varianten/proeven’, omdat dit een blik in de keuken geeft. Dat ik over zijn schouder meekijk op het computerscherm en beschouw hoe een digitale collage tot hoofdwerk wordt. Het pad ligt bezaaid met struikelstenen, is gevuld met hobbels en gaten. Het is een mijnenveld waarin Voch moet oppassen waar hij zijn voet zet voor een volgende stap. Soms merk je in deze werken dat hij wel het idee heeft, maar dat de uitwerking nog geen daadkracht kent. De inspiratie heeft beeld, het resultaat kan echter een andere draai hebben gekregen tijdens het proces.

    Om het oeuvre compleet te maken, want de cirkel hoort rond te zijn, is een beeldcategorie ‘curiosa’ toegevoegd. Daarin is Voch minder serieus, kan er weleens een grapje vanaf en staat de lach nader dan de snik. In min of meer huiselijke kring maakt hij onder meer kerstkaarten en promotiemateriaal, die toch niet onder de korenmaat moeten blijven. “Kitsch schreeuwt. Kunst fluistert.”

    Publicist Lex van Haterd zet in een verkorte biografie leven en werk van Oscar Voch op rij in de tijd. Hij vraagt en geeft antwoorden op vragen als wie en wat Oscar Voch is. Is hij minder beeldend kunstenaar of is hij meer beschouwend schrijver. Wat zijn de thema’s en motieven die Voch als onderwerp opvoert en waar vindt hij de inspiratie. Zet de kunstenaar zelf al de deur van zijn werkkamer open, Van Haterd doet zijn kunstige werkwijze uit de doeken. Het geeft een verhelderend beeld op de vervreemdende beelden die gezien kunnen worden. Wie Oscar Voch is daar geeft de publicist geen sluitend antwoord op, want zullen wij elkaar als mensen volledig kunnen kennen. “Een eenling, een individualist, een solist is hij ook, hij wil wel bij een groep horen, maar alleen als hij zijn persoonlijke vrijheid kan behouden.” De belangrijkste motivatie voor het boek is dat Voch wil blijven bestaan, ook na zijn dood. “Mijn grootste angst is dat mijn digitaal fotografische kunstwerken later in een kartonnen doos tegen een boom staan in de regen”, vertelt hij Van Haterd. “Mijn fotowerken staan in een boek, mijn werk is beschreven, dus ik besta!

    Contemplatie

    Bij Museum Belvédère vindt het werk van Oscar Voch een klankbord in de schilderijen van Jan Mankes. Op het eerste gezicht lijkt het een vreemde combinatie, maar is niet toevallig gemaakt want de weemoed die in beide oeuvres ligt besloten hebben een duidelijke relatie tot elkaar. Mankes bracht met verf en penseel een melancholieke sfeer die Voch met moderne technieken doorzet. Niet zozeer in onderwerpkeuze staan ze op dezelfde lijn, maar wel in stemming en het oproepen en in beeld brengen van een zwaarmoedig gevoel. Zij het dat er geen depressieve kijk op het leven en de wereld wordt gegeven. Het is in beide gevallen een verbeelding van een contemplatief leven. “Aan het artistieke gehalte van een kunstwerk moeten we gaan twijfelen, wanneer het veeleer gedachten dan gevoelens bij ons oproept.

    Contemplatie betekent letterlijk het scheiden van iets uit zijn omgeving, en dat is vooral wat Voch met zijn werk doet. Dat iets zet hij in een afwijkend decor, zodat hij zich in beeldspraak kan uitdrukken. Mankes had dat zicht van nature en hoefde het beeld niet te manipuleren om de verbeelding te laten spreken. Toch zijn het twee zielen één gedachte, hoewel de tijd hen beide afzondert kunnen ze optrekken in een enkele tentoonstelling. Niet naast elkaar, nog wel gescheiden door een wand. Dus de bezoeker moet het gevoel opgedaan bij Mankes werk vasthouden wanneer hij om de hoek de fotowerken van Voch bekijkt, en andersom. De kunstenaars fluisteren beide het leven, spreken op zachte toon het zijn. Dat maakt het werk zo intiem en eigen.

    Oscar Voch. Tentoonstelling “fluisteringen” bij Museum Belvédère tot 22 juni 2025. Uitgave  “Fotokunst – Photo art”. Highbrow House, januari 2025.

  • Jan van der Kooi is zichzelf wanneer niemand kijkt

    Het schijnt zo eenvoudig te maken. Het zelfportret. Want je hebt jezelf toch altijd bij je. En stil model zitten is makkelijk, want geconcentreerd kijk je naar jezelf dus onbeweeglijk in de houding ben je sowieso. Het lijkt niet moeilijk. Een landschap tekenen. Het ligt er statisch bij. De enkele windvlaag die de boomtoppen vriendelijk doet zwaaien, de troep vogels die rumoerig overvliegt, het storende gezoem van een bij op zoek naar honing – je hoeft dat allemaal niet te registreren en vast te leggen in krijt op papier. Zo gemakkelijk is dat echter allemaal niet, schijn bedriegt. Tekenaar Jan van der Kooi weet dat en onderkent dit. Het model is onder handbereik, maar blikt iedere dag anders, elk moment heeft een eigen oogopslag.

    Een kop tekenen is geen sinecure. Men gebruikt zichzelf wel om de portretkunst te oefenen. Om het kleurgebruik van huid en haar in de vingers te krijgen. Glimmertje in de ogen, stand van de neus, glanzende lippen – het maakt en breekt de herkenning. Je hebt jezelf zoals geschreven bij de hand, dus dat maakt je bijdehand om te schetsen met potlood en verf. De plaatsing van ogen, neus en mond kan naar verhouding correct ingepast worden. Maar om daaraan een stemming te geven of een karakter in te brengen is minder ordelijk te doen. De gelaatkunde in de beeldende kunst is van een andere orde. Het is een kunst op zich om de persoonlijkheid in een portret te brengen, de ruimte in het vlak te krijgen.

    Iedere lijn

    Iedere lijn in Van der Koois zelfportret heeft een functie, is doelbewust gezet. Elke stip of veeg is belangrijk als onderdeel van het geheel. Evenzo geldt dit voor het landschap, dat eigenlijk een portret is van de omgeving. Het schijnen allemaal beelden of beeltenissen van eenzelfde karakter; het portret Van der Kooi, het landschap De Veenhoop. In het geval van het zelfportret klopt dat. Bij het landschap valt dit tevens te rijmen, hoewel wanneer je hier of daar kijkt en dus van standpunt verandert en zichtlijn wijzigt de indruk anders is.

    Iedere dag heeft de eigen zorgen en deze tekenen zich af in de uitdrukking van het gelaat. Eigenlijk toont Van der Kooi in het portret een getekende autobiografie. Uit de koppen straalt zijn levensverhaal. Het is een serie in zijn oeuvre, voor iedere week een portret. Zo zie ik hem door de tijd gaan, het zijn leven. In de rimpels lees ik zijn geschiedenis zoals de tijd uit de jaarringen van een boom gepuurd kan worden.

    Geen dood getekende afbeeldingen

    Jan van der Kooi toont in Museum Belvédère veel van die zelfportretten en een veelvoud aan landschappen. Onder de titel “Wie ben je als niemand kijkt”. En inderdaad kijkt er niemand wanneer hij zichzelf vastlegt in het atelier. Turend in de spiegel naar Jan. Wie is hij dan, op dat moment. Niemand ziet hem zwoegen op zijn eigen karakter. Volgens mij is hij daar zichzelf, is hij daar Jan die Van der Kooi vastlegt. En dan, wanneer deze tekeningen een tentoonstelling krijgen en worden gezien, waar kijk ik dan naar, wie zie ik dan. Ik zie Jan, hemzelf, dat is hij. En hij kijkt me wel vorsend aan, zijn getekende blik doorboort mijn gedachten. Het is alsof hij mij doorziet, mij oogt wie ik ben. Terugkijkt vanaf het papier. Hij zag zichzelf, maar in het museum ziet hij mij. Priemende blik, gefronste wenkbrauwen. Veelal met de bril op de punt van de neus beschouwt hij mij, kijkt over het montuur en bepaald mijn blik. Hij biologeert mijn wezen, waar hij eerst zich concentreerde op het eigen zijn. Die onderzoekende oogopslag speurde naar het wezen achter zichzelf, het bestaan in de plooien van het eigen gezicht. En nu deze portretten de ruimte vinden staren ze vanaf de wand naar mij en al die andere bezoekers.

    De werken van Van der Kooi zijn geen dood getekende afbeeldingen. Geen tot in de poriën en tot in de grassprieten vastgelegde werkelijkheden. Hoewel deze realistische portretten en landschappen herkenbaar en plaatsbaar zijn, heeft Van der Kooi er een abstract wezen ingebracht. Als de Schepper er leven ingeblazen. Het zijn geen plaatjes maar levende voorstellingen. Met veel beweging in de lijnvoering is het alsof het portret een knipoog geeft, alsof er opeens een wolf uit het struikgewas kan opduiken. Ik hoor hem grinniken, Jan, zich verkneukelend over al dat aapjes kijken en die verbaasde en bewonderende blikken. Ik hoor de vogels fluiten boven de velden, de zuchtende wind die de bladeren laat ruisen. Van der Kooi heeft de ziel van het wezen geraakt. Zijn wezen en dat van het landschap.

    Langs de boorden van de Veenhoop

    Van der Kooi werkt in traditionele tekentechnieken en heeft een geheel eigen stijl ontwikkeld die het midden houdt tussen realisme en expressionisme”, lees ik op het tekstbord bij de tentoonstelling. Het zijn derhalve geen oppervlakkige werken die ik beschouw, tonen niet sec een gelijkenis, maar boren een diepere laag aan. Die laag waarin de meester zich fijn voelt wanneer niemand kijkt. Hij is alleen in het atelier, eenzaam met zichzelf bezig. Observeert het ego en reflecteert het ik. Toont niet hoe mensen hem zien, de buitenkant. Maar laat de ervaring zijn, het gevoel, de binnenkant. En daarna wordt het in de openbaarheid gegooid, krijgt het beeld in een tentoonstelling. Want het moet gezien worden, onder de mensen komen. En dan kunnen de bezoekers er iets van vinden. Dan is echter de maker er niet bij, deze houdt zich afzijdig. Door de tekening gaat hij figuurlijk in gesprek met degene die naar de tekening kijkt. Kijkt hem aan van achter of over zijn bril, observeert mij, kijkt door mij heen als het ware. Kijkt zo streng en scherp alsof hij bezig is van mij een portret te maken. Dat ik het model ben. En dan loop ik langs de boorden van De Veenhoop, op de oevers van de Headamsleat. Want ik raak in verlegenheid van die priemende blik, die mij achtervolgt en scherper doorziet als dat ik naar mijzelf kijk. Want wie ben ik als Jan van der Kooi kijkt. In die natuur vind ik de schepper terug. De tekenaar die de omgeving schetst. In de gelaagdheid is hij abstract aanwezig, zijn geest waart door het veld omdat het beeld heeft gekregen zoals hij het zag, zoals hij het heeft beleefd.

    Naar de geest van de klassieke meesters, in de lijn van de kunstgeschiedenis, tekent Jan van der Kooi de zelfportretten. Schetst hij het landschap. Zoals de opdrachtgever verlangt dat een portret naar waarheid de geportretteerde eer en recht aan moet doen, zo heeft de kunstenaar de vrije hand om zichzelf te tekenen. Het portret dient te beantwoorden aan uiterlijke schijn, de schoonheid zal afstralen van het evenbeeld. Echter wanneer de tekenaar of schilder zichzelf als model neemt kan hij of zij voorbij gaan aan de esthetiek en beelden naar de waarheid achter het zichtbare. Dan komt de ware aard naar boven.

    Wie ben je als niemand kijkt. Kamerpresentaties getekende zelfportretten en landschappen van De Veenhoop. Jan van der Kooi. Museum Belvédère, van 25 januari tot 22 juni 2025.

  • Ruud van Empel monteert foto-objecten

    Ben ik nog maar amper herstelt van het feit dat ik mijn blik moest lostrekken van de kamerpresentatie “Van nature” bij Museum Belvédère. En ben ik glad door mijn superlatieven heen om de kunst van Daniëlle van Broekhoven daar te beschouwen. [Zie artikel “Drift tot schilderen druipt van doeken”] Loop ik om de hoek figuurlijk tegen het werk van Ruud van Empel aan. Verrassend. In een kleine presentatie staat ook hier de natuur centraal. Museum Belvédère liet het werk van Ruud van Empel al eens eerder zien in een grote overzichtstentoonstelling. Deze kamerpresentatie is een kleine reprise. Net genoeg indrukken om er verbaast van te staan. Hoe speels en onbevangen het werk van Van Broekhoven is, zo gecontroleerd en beredeneerd is de schilderachtige fotografie van Van Empel. Hoewel bij beide kunstenaars de ene handeling de andere oproept. Het werk dat onder de handen ontstaat is leidend in de voortgang van het proces. De ene verfstreek bepaalt de volgende. Het ene fragment zet een volgende op de rol. Het lijkt een intuïtief proces, maar het is een inventieve groei tot er een werkstuk van waarde kan bloeien.

    Fotograaf Van Empel heeft via reizen en door de jaren heen beelden verzameld en geordend in mappen op zijn computer. Uit die duizenden plaatjes kan hij digitaal details knippen en plakken. Met het programma Photoshop kan hij de wereld fotografisch manipuleren en naar zijn hand zetten. Zijn realistisch aandoende omgevingen zijn abstracte landschappen. Enkel bestaand in zijn fantasie, waar ik mijn eigen voorstellingsvermogen op kan loslaten. Wat ik zie lijkt de werkelijkheid maar bestaat werkelijk niet. Door details uit het archief samen te smelten gaat de kunstenaar op de stoel van de Schepper zitten. Uit niets, want het begint met een leeg scherm, ontstaat stukje bij beetje, fragment voor snipper, een iets dat ergens op lijkt. Want ondanks dat de beeltenis herinneringen oproept, een deja vu schijnt, kan het nergens op lijken. Is het bij elkaar gefantaseerd. Kunnen de bouwstenen en geledingen van overal vandaan komen, want Van Empel deed ze immers op zijn reizen langs diverse binnen- maar vooral buitenlandse reizen op.

    Verzamelaar van beelden

    De impressies zijn puur handwerk, hoewel deze met behulp van de computer zijn gemaakt. Maar er komt geen kunstmatige intelligentie aan te pas. Van Empel is de meester van zijn gedachten, in zijn fantasie. Hij legt zichzelf de vragen voor hoe een berkenbos eruit zal zien, de manier hoe bloeiend gras en wilde planten op de akker groeien, welke organismen op de diepzeebodem leven. Hij geeft niet DeepSeek of ChatGPT opdracht om een illustratie volgens zijn aanwijzing te genereren. Van Empel geeft zelf de antwoorden op de vragen, put uit zijn omvangrijke database en komt zo tot verrassende platen.

    Hij noemt zichzelf geen fotograaf, maar een verzamelaar van beelden en afbeeldingen, een plaatjescollectioneur. Zijn werk is geen fotografie, hoewel hij gebruik maakt van deze techniek om er zijn composities mee samen te stellen. Zelf noemt hij ze foto-objecten. Eigenlijk maakt hij collages door digitaal te schilderen met schaar en lijm. Wie de werking van PhotoShop, of een soortgelijk computerprogramma om foto’s te bewerken, kent weet hoe arbeidsintensief het is om details uit een groter geheel te ‘knippen’ en in een ander scherm te ‘plakken’. Maar het tijdrovende werk geeft een bijzondere voldoening. Uiteindelijk ontstaat een afbeelding die geen fotograaf waar ook ter wereld zal kunnen maken.

    De werelden van Ruud van Empel bestaan niet in realiteit, maar ze kunnen er zo wel degelijk zijn. De natuur is wispelturig, druk, vol en rommelig, creatief. Zo creatief en inventief als Van Empel dat is. In zijn werken meet hij zich met de natuur. Brengt stenen van het Afrikaanse strand samen met de anemonen uit de Indische zee, legt daar enig rivierklei uit Brazilië bij en kleurt het water als in de Oriënt. Zijn wereld is een samenraapsel van wat er op deze aarde alom te vinden is. Hij past het zo zodat het klopt, hij puzzelt een fantasie. Het begint met documentair fotograferen, op zijn reizen neemt hij alles mee waarvan hij denkt dat het later bruikbaar kan en zal zijn. Thuis in de studio volgt een intensief montageproces waarin alle beslissingen worden genomen om tot een resultaat te komen dat in balans is, dat beeldend klopt. Het is een kwestie van schuiven en kijken wat er gebeurd, zien wat het samen doet. Van Empel heeft de compositie onder controle en probeert aldus een realistische foto na te bouwen, schilderachtig en abstract. Hij monteert het beeld uit verschillende foto’s in lagen die transparant van elkaar gezet zijn zodat er in het platte vlak diepte is gesuggereerd. Maar er klopt nooit iets in zijn montagekunst. Het is een onmogelijk gedetailleerd beeld, hoewel het allemaal uiterst realistisch overkomt. Het gaat Van Empel om de vormen, niet om de realiteit weer te geven. Doet hij dat wel dan zou dat heel beperkend zijn. Hij beeldt het leven uit in al zijn meest bizarre vormen, het kan lelijk en mooi tegelijk zijn. Zijn collages geven geen biologisch realistisch kloppend beeld weer. Het zijn zoekplaten om de herkenning te duiden.

    Kamerpresentatie Ruud van Empel bij Museum Belvédère, Oranje Nassaulaan 12 in Heerenveen-Oranjewoud. 25 januari tot 30 maart 2025.

  • Drift tot schilderen druipt van doeken

    Het schilderij dat gemaakt moet worden. De inspiratie die het verdient een afbeelding te krijgen. Iedere keer wanneer Daniëlle van Broekhoven voor een leeg doek staat, is er de drang dit te vullen. Te bekladden met ervaringen die ze opdeed gaande langs stad en land, over berg en dal, de paden op de lanen in. De beelden die ze tijdens wandelingen opdoet gisten in haar gedachten. De ideeën voor weer een nieuw schilderij borrelen uit dat proces op. Als in een roes gaat ze aan de slag, want de verbeelding moet een afbeelding gaan krijgen.” Zo begon ik in november 2021 mijn beschouwing over de uitgave ‘Layers’: De natuur in verf vertaald en gelaagd. Ik zou dat stuk vrijwel een-op-een hier kunnen overnemen, want het standpunt van Daniëlle van Broekhoven om te schilderen is niet veranderd. Met dezelfde daadkracht gaat zij te werk, dat blijkt uit de kamerpresentatie in Museum Belvédère. Maar overschrijven of herschrijven doet haar werk geen eer aan, dus ik begin opnieuw.

    Het is niet toevallig dat de kunstenaar een schepper is. Want uit niets maakt de kunstenaar iets, zoals de Schepper van een woest en ledige wereld een vruchtbare aarde maakte, een land van melk en honing. Maar is dat niets werkelijk niks, nul, nada. Of schijnt in de donkerte toch een puntje licht al. Zit in het zwart toch een stipje wit. Is in de leegte toch een sprankje hoop. De beeldhouwer legt in de klomp steen een beeltenis bloot. Die figuratie zat altijd al in de ruige hardheid verborgen. Het was er al maar niemand anders dan de kunstenaar zag het. Zo is het beeld dat Daniëlle van Broekhoven op het lege doek vastlegt al aanwezig zonder dat het voordien zichtbaar was. Dat wat zij zag in de natuur, herinneringen en gedachten bij situaties, komt ogenschijnlijk intuïtief op het linnen te staan.

    Expressief en vol levenslust

    Mijn werk toont een weergave van natuur, maar misschien nog meer de actie van het schilderen”, schrijft zij in een magazine dat Van Broekhoven in eigen beheer uitbracht als catalogus bij haar kamerpresentatie in Museum Belvédère. Daar toont zij enkele representatieve composities uit haar oeuvre. Aan de doeken is de drift tot schilderen af te lezen. Het is geen heilig moeten dat scheppen van Daniëlle van Broekhoven, maar veel eerder en meer een gemeend willen. Ze ziet er niet tegenop aan het werk te gaan. Verzint geen andere werkzaamheden, zoals het atelier opruimen en verfpigmenten op volgorde leggen, om de dagelijkse arbeid maar zo lang mogelijk uit te stellen. Zij gaat juist graag en veel aan het werk. Het is een hoger goed waarmee ze bezig is. Ze kan niet anders maar ze wil ook niet anders. Dit is haar leven, haar zijn, haar natuur. En die levenslust straalt ze in en door haar werk af op de beschouwer. Deze wordt er vrolijk van. Weet zich opgenomen in de kleuren en de verflagen.

    Expressief en vol levenslust staan plantaardige figuraties op de schilderijen. In iedere verfstreek klinkt het plezier van de kunstenaar. Door het riet en de oeverplanten ruist de zin in het scheppen, de lol van het creëren. Althans ik denk dat ik naar riet en planten kijk. Deze verfstreken geven de idee van vegetatie, maar de flora is abstract weergegeven. De aanleiding, de inspiratie, ligt in de natuur. Maar wat Van Broekhoven ermee doet heeft, zoals ze zelf opmerkt, minder met de werkelijkheid te maken dan met het werken in een abstracte atmosfeer.

    Waarneembare realiteit en abstracte ervaring

    Ik stel me haar zo voor bezig in het atelier. Het opgespannen linnen wordt op de vloer gelegd. Het is maagdelijk wit, onbevlekt, onaangetast. Er schijnt geen figuratie te zijn nog, geen beeltenis op het doek. Maar Daniëlle kijkt ernaar, sluit haar ogen en stelt zich een herinnering voor. Er verschijnt achter haar oogleden en in gedachten een kleurig beeld. Ze opent de ogen en dat beeld wordt als het ware geprojecteerd op het doek. Ze hoeft het alleen nog maar over te trekken. Zoekt de penselen, kwasten en de verf bij elkaar, sorteert de kleuren en gaat aan het werk.

    Er is geen schets, enkel de gedachte projectie, voordat ze bezig gaat. In het hoofd houdt zich de impressie schuil, deze moet bevrijd en er via handen en armgebaren uit. De gedachte kan al werkend worden aangepast en bijgeschaafd. Ze schildert nat in nat met olieverf en acrylverf. Laag over laag. Ze schuurt delen weg en vult details in. Zo boetseert zij het beeld op doek, ontstaat uit het schijnbare niets een herkenbaar iets. In lengte en breedte een monumentaal werkstuk, in diepte een tastbare abstractie. En van de natuurlijke waarneming blijft weinig over, deze is alleen nog vaag in de achtergrond zichtbaar.

    Deze werken begeven zich tussen waarneembare realiteit en abstracte ervaring. Op die grens kan de aandacht de kant van contemplatief contact opvallen of vervliegt de voeling in het voorbijgaan naar een andere kamer in het museum. Het is nauwelijks voor te stellen dat dit werk een iemand niets doet of een ander persoon koud laat. De expressiviteit die van de impressie uitgaat is bindend. Het kleurgebruik overheerst niet, maar is zo overwogen in balans met de figuratie dat het dwingt tot kijken. En kijk je dan, dan houdt het de blik magnetisch vast.

    Magazine bij presentatie

    Het magazine bij de presentatie toont naast de werken die daar te beschouwen zijn een handvol foto’s. Het zijn platen van momenten van inspiratie. Deze fotografie past welhaast naadloos in het plaatje van wat Van Broekhoven met haar schilderijen wenst te duiden en wil vertellen. In deze foto’s zie je als het ware het schilderij opdoemen. Deze vastgelegde waarnemingen in snapshots zijn terug te vinden in haar kunst. De kunst die invoelbaar is. Waarbij ik het moment ervaar.

    Er is een foto waarop hoogwater sporen heeft achtergelaten tussen beplanting, kiezels heeft aangevoerd en achtergelaten. Voor mij is dit residu een metafoor voor de kunst van Daniëlle van Broekhoven. Haar beeld op doek is een overblijfsel van waarneming. Een bezinksel van de emotie bij de plek, het gevoel van wat de natuur te bieden heeft. En die ontroering brengt zij over op de beschouwer. Ik noem in deze de compositie ‘Pines’ bij name omdat ik het meermalen met witte handschoenen aan heb mogen vatten. In mijn tijd als collectiebeheerder van Museum Belvédère heeft deze instelling het aan de verzameling mogen toevoegen. Het bos met dennen lijkt ondergesneeuwd. Ik krijg het er koud van. Dat is wat kunst met je kan doen. Het werkt op je zintuigen. Maar in die kou is warmte, enkele verftoetsen geel en rood brengen een behaaglijke sfeer waarin ik mijn ogen te goed doe.

    Tot slot eindig ik door mijn eigen woorden van toen te citeren: “De compositie is een botanische rijkdom. Vooral wild als een vroege scheppingsdag, niet gecultiveerd en ontgonnen door de geëvolueerde mens. Het is er woest binnen de kaders, maar nooit ledig en altijd in evenwicht. Een lust voor het oog, zo moet het paradijs er hebben uitgezien, ooit eens. Het is een imaginair beeld, een onwerkelijk voorkomen. Daniëlle combineert gedachten tot een bedacht geheel. Maar het kan best wel zo bestaan.”

    Van nature. Kamerpresentatie schilderijen Daniëlle van Broekhoven bij Museum Belvédère, Oranje Nassaulaan 12 in Heerenveen-Oranjewoud. Van 25 januari tot 30 maart 2025.

  • De cirkel is rond door wat is wat blijft

    Het is een troostrijke gedachte: wat is dat blijft. Maar, is dat zo. Dat blijft wat is en dat is wat blijft. Ik ga daarvoor op onderzoek uit in de tentoonstelling nu bij Galerie MUGA. Want daar wordt werk gepresenteerd onder die bemoedigende titel: wat is dat blijft. En het is zo. Want wat ooit op aarde is ontstaan is eeuwig tot de jongste dag. De bijbelse dag waarop de wereld vergaat en er een nieuwe voor in de plaats komt. Zo gaat het verhaal. Tot die tijd moeten we het doen met wat er is, want dat blijft. Er komt niets meer bij en er gaat niets meer af. De lucht die ik inadem is al eens door anderen voor mij ingeademd. Misschien die neanderthaler of deze hunebedbouwer, of door Rembrandt die in Friesland was om er te trouwen, of Mata Hari geboren in Leeuwarden. Al wat er is blijft.

    Water maakt een oneindige cyclus van bevriezing, verdamping, dooi en regen. Maar altijd met hetzelfde volume. De natuur sterft af in de herfst en verrot in de winter, in de lente komt nieuw leven dat bloeit in de zomer – de cirkel is rond. Schijnbaar nieuw ontstaat uit afbraak en dood. Om te sterven moet je leven. Maar alles wat was is gebleven. Alles wat blijft was er al. Blijft niet in de vorm die er was. Het zijn verontreinigd, wordt morsig en goor. Het wezen dat nieuw was wordt oud en versleten, bezoedeld. Wat blijft kan niet in de schaduw staan van wat was. Het blijft weggesmeten, afgesneden van wat was. De hoedanigheid, het voorkomen van de aarde, eens geschapen met goede voornemens, is bevuild door de hoofdbewoners die geen beste rentmeesters bleken.

    In onbruik geraakt voorwerp

    Wat is dat blijft. Ik ben maar resteer niet. Ashes to ashes, dust to dust. Woorden zeggen minder dan beelden spreken. Dus de kunstenaar bijvoorbeeld kan bewijs leveren voor wat is dat blijft. Ik bemerk het in Museum Heerenveen, galerie MUGA. Kijk maar. Voordat hout vermolmt pakt Johan van de Dong het op en verheft het tot een kunstzinnig object. Hij laat de natuur niet het werk doen, laat de vorm niet vergaan maar schept nieuw leven. Blaast de adem in de gestalte en laat een ander figuur ontstaan met een tegengestelde betekenis. Een tak kan al een bestaand herkenbaar uiterlijk in zich hebben. Soms moet afvalhout gevormd of beter vervormd worden tot een andere gedaante. Een figuratie die het voordien niet had.

    In onbruik geraakt voorwerp. Uitgezaagd, doorgezaagd, afgezaagd. Als overschot afgedaan, weggedaan, ontdaan van belang. Juist dat afval kan in handen van de kunstenaar tot betekenis worden. Voor hem heeft het aanzien en is bruikbaar. Precies dat nietswaardig weggesmeten voorwerp geeft hem inspiratie om het te loven en te prijzen, te roemen en te lauweren tot kunstwerk. En niet alleen dat wat volgens de mens afval is, maar ook dat wat de natuur laat afvallen. Art trouvé, junkyart, readymade. De storm die bomen verminkt, de wind die losse takken afbreekt. Die delen uit een groter geheel krijgen als waardeloos brokstuk een nieuwe waarde.

    Tijd en vergankelijkheid

    Gerukt van het leven laat de kunstenaar het reïncarneren tot een uniciteit in de kunst. Het mag er zijn, het is er, het was en blijft. Eerst achteloos verwijderd en nu apart genomen en belangrijk gemaakt – zal de mens dat ook niet willen. Dat men individu is in de massa, ongezien, maar door op een voetstuk geplaatst gezien te worden. Deze objecten van Van der Dong zijn mijns inziens ieder voor zich een zelfportret. Niet zichtbaar, maar voelbaar. In het afgebroken hout zit zijn ziel, dit zijn allemaal Johans die ik zie. In ieder object met een andere stemming, verschillend humeur, eigen zienswijze.

    Op haar beurt portretteert Maaike Nijlunsing tijd en vergankelijkheid in schilderijen. De interieurs van verlaten gebouwen waarin zij de tijd vastlegt maken indruk. Voordien waren deze vol bedrijvigheid, maar nu als zodanig afgeschreven, verwaarloost, aan het lot overgelaten. Dat lot is de tijd die met het aanzien aan de haal gaat en er sporen doortrekt. Sporen van vergankelijkheid, verval, was dat blijft. Nijlunsing toont de voetstap van de tijd. Zoals plaatjesmakers doen middels urban exploring. Fotografen die op urbex locaties het verval vastleggen. Wat achter gesloten deuren en geketende hekken is verborgen. De schoonheid van verval. Overhaast verlaten gebouwen soms met alle huisraad nog erin, onder het stof en de spinrag van de tijd. Wat dat betreft is het binnenwerk dat deze kunstenaar afbeeld na verlating bezemschoon opgeleverd. De spinrag heeft de ragebol gevoeld, de tijd heeft de wonden geheeld. De menselijke drukte is verstomt en een waas van stilte omhult het beeld, maar wat is dat blijft. Daar doet zelfs de tijd niet aan af.

    In beelden een verhaal verteld

    Het gescheurde behang legt een andere dimensie bloot, de kille architectuur is ontbloot van opsmuk. Door de ramen is de speelse natuur te zien. De kunstenaar brengt nieuw leven in wat voor dood is achter gelaten, verlaten. Het perspectief is dramatisch, zo eindigt maakwerk. Het voorland van wat is wanneer het in onbruik raakt. Maar juist deze verwaarloosde en tot ruïnes verworden plekken ontvouwen een onwezenlijke schoonheid. De tijd heeft er vat op, speelt er een spel mee. Met Nijlunsing kijk ik naar binnen, zodat ik de oorzaak en het gevolg van deze situatie mij door haar geschetst kan doorgronden. In dit interieur en overdrachtelijk bij mezelf. De kunst van Maaike Nijlunsing zet aan tot contemplatie, zelfreflectie. Het zijn niet zomaar lukraak portretten van de tijd, ik kan mijzelf zien in de gelaagde beelden, mijn geschiedenis – het fatum op het terrein over de grens van wat is dat blijft.

    Zo vertellen beide kunstenaars in beelden een verhaal van tijd en vergankelijkheid. Ieder met een eigen visie en ander materiaal, vanuit een persoonlijk standpunt, een individuele kijk. Maar met eenzelfde antwoord op de vraag wat de tijd doet met de gelegenheid. Op het blad bij de tentoonstelling lees ik “Waar Johan van der Dong direct met natuurlijke materialen werkt, bouwt Maaike Nijlunsing haar werk op vanuit waarneming en verbeelding.” Maar eigenlijk doen de beide kunstenaars hetzelfde. Van der Dong neemt de natuur waar, wordt er door geïnspireerd om met zijn verbeelding iets nieuws te maken uit wat oud en vervallen is. Terwijl Nijlunsing bezield raakt van materiaal dat de mens heeft verlaten en daarom in bezit is genomen door de natuur, als een ander zicht op de ecokathedraal-filosofie. Verval is aanwezig in de natuur en in door de mens gecreëerde structuren, puur ik nog uit het vlugschrift. Maar wat is dat blijft.

    Wat is dat blijft. Tentoonstelling werken van Johan van der Dong en Maaike Nijlunsing bij Museum Galerie Heerenveen (galerie MUGA), Minckelersstraat 11 in Heerenveen. Van 12 januari tot en met 23 februari 2025.