Tag: bespreking

  • Het springende moment van Ike Smitskamp

    Zij probeert het moment te vatten. Nee, beter: zij pakt het moment. Vangt de essentie van een beeld dat opeens en onverwacht haar netvlies raakt. Zomaar, tsjak! Ike Smitskamp noemt dat een springend moment. Een fractie van tijd die haar in het oog springt, waarbij haar gemoed stuitert. Een beeld trekt de aandacht. Het intrigeert en inspireert haar zó, dat ze het op hetzelfde ogenblik dat het zich voordoet wil vastleggen. Dat moet. Maar natuurlijk gaat de tijd verder, rolt het moment weg, heeft ze langer nodig dan die ene tel om het te tekenen. Het is echter op haar netvlies gebrand, met een fotografisch geheugen weet ze het beeld vast te houden en te reproduceren.

    Het potlood als geheugen

    Het potlood is haar in de snelle beweging behulpzaam. Daarmee kan ze snel een schets opzetten die het moment blijft volgen. Overigens is ze vrij het beeld verder in te vullen, het is op dat moment haar indruk. Ze heeft het zich toegeëigend. Toch blijft ze steeds bij de waarheid, omdat ze altijd dat weergeeft wat ze heeft gezien. Smitskamp verzint er niets bij, het is haar waarheid zoals ze de echtheid interpreteert. Het kan wel zijn dat meerdere momenten samenkomen in een enkel beeld. Het kan ook zijn dat Smitskamp een gedachte heeft opgeslagen die er uit moet, dien vorm verlangt. Is dat een aanslag op de werkelijkheid? Kunnen twee werelden niet samen optrekken?

    Achter het springende moment, het plotseling geziene, krijgt Ike Smitskamp niet altijd de vinger achter – ze begrijpt niet altijd evengoed wat ze ziet. Dat is een reden om het vast te leggen, zodat ze het later kan doorzien en eventueel verder uitwerken. Ze legt het met potlood op papier stil, maar eigenlijk is het volgens haar het springende moment  dat háár stillegt. Veel van die springende momenten staan afgebeeld in het boek “Tekenwerk 2020-2024”, een archivering van kortstondigheid.

    Herinneringen tekenen

    De momenten zijn vluchtig, worden opgeslagen in de voorbijgaande tijd. Feitelijk tekent Smitskamp aandenkens, ze maakt letterlijk en figuurlijk herinneringen. Een geheugen van de tijd. Een souvenir in het moment. Die vrijheid heeft ze, en daarvoor hoeft ze niet met rugzak en navigatie in de hand de zon te zoeken of bergen te beklimmen. Haar vrijheid kan zich in de achtertuin verschuilen, daar kan het moment vanachter een bosje opeens naar voren springen. Soms loopt ze er aan voorbij en valt het oog er niet op, en dan is het er, onaangekondigd. Op dat moment moet Smitskamp er iets mee. En doet ze er iets mee.

    Het ontregelt haar denken, dat springende moment. Om opnieuw in te regelen neemt ze potlood en papier ter hand. “Al tekenend doe ik ingrepen zoals je die ook zou doen in een verhaal, om je boodschap echt helder en van jouw te maken”, schrijft zij in het boek over haar tekeningen. Ze legt vast wat ze zag en wat ze daarbij ondervond. Het kleurt het beeld, zodat het moment wordt toegeëigend. Dat fragment tijd is voortaan haar ogenblik. Wanneer ik door het boek blader, kan ik die momenten meebeleven. Als het ware neem ik de bewaarplaats door waarin de kaarten met momenten op dag en datum gerubriceerd in een bak staan.

    Ike Smitskamp, tekenwerk
    Donderdag 17:04u. 17:22u. 17:36u.

    Door de ingrepen wordt het moment tot gearchiveerde tijd gemaakt, tot op de dag en het tijdstip vastgelegd, ligt dat specifieke ogenblik vast. Het is onwrikbaar bevroren in de tijd. Daarbij krijgt het nog een titel mee, het moment wordt omschreven en is niet een abstract beeld. Hoewel de essentie wel een versimpelde weergave van het ervaren moment kan zijn. Door de ingrepen kan de tekening een gelaagd karakter krijgen, kan het moment de tijd overlappen en doorlopen buiten het kader. Want uiteraard laat tijd zich niet (be)dwingen.

    Smitskamp beslist later nog of dat moment zich kan laten mengen met meerdere ogenblikken. Op die manier blijft de beweging van tijd over verschillende momenten zichtbaar. Of worden diverse fracties van tijd samengebracht in een soort van collage, een samengestelde tekening. Maar altijd blijft dat ene springende moment, het beeld dat zich opeens voordoet en waardoor het gemoed van de kunstenaar een sprongetje maakt, het uitgangspunt. Het is die inspiratie die bepalend is voor de weergave. “Door te tekenen, door vertraging in te zetten”, citeer ik de kunstenaar, “geef ik kwetsbare momenten uit de werkelijkheid een ereplaatsje. Op deze manier archiveer ik kortstondigheid.”

    Van venster tot vogelvoederplank

    En waarmee kan het allemaal beginnen. Wat kan een springend moment zijn. Een blik uit het venster van de caravan. De inkijk in het trappenhuis. Het kijkje tussen de luxaflex. Wat doodnormaal lijkt kan door verloop van invallend zonlicht ineens zo anders zijn. Dat schaduwen verschillende gezichten bieden. Dan kan zo’n moment ineens opspringen waar het anders gewoon was blijven liggen. Die gezellige figuratie langs de muur opeens tot dreigende schimmen wordt. Ook kan een mus op de vogelvoederplank in de tuin, gezien tussen de lamellen van raambekleding door, een wonderlijk mooi moment zijn.

    Blikvelden breken door dubbele ramen, langs geopende deuren, onder tafels, boven kasten. Alles kan inspireren wanneer het maar anders is dan het normale. Misschien is het wel een opspringende gedachte die in een stil moment ontstaat. Opvallend even, en dan weer door. Die ene tel pakt Ike Smitskamp en laat het doorvloeien op papier. En soms is de tekening met enkele trefzekere bewegingen niet af. Dan moet er iets bij waardoor het moment er een laag bij krijgt. Dat er aan de tijd een ogenblik wordt vastgeplakt. Zodat de tekening een ruimtelijke collage wordt. Of dat een kleurlijn of -vlak het in de eeuwigheid zet. Dat het platte vlak zich verheft tot ruimte. Dat de tekening opstaat waar het moment een gat in de lucht sprong.

    Meestal doorzie ik wel die ingeving, deze bevlogenheid van de eerste aanblik. Maar soms is de voorstelling niet meteen herkenbaar, valt het moment bij wijze van spreken in scherven van het papier. Dan is mijn inlevingsvermogen bepalend voor de manier waarop ik omschrijf wat ik zie. Zoals de maker de vrijheid al tekenend ervaart, voel ik deze speelruimte aan in de uiteindelijke tekening. Ik ondervind daar het alleenrecht om mijn waarheid eraan te koppelen. Veelal blijft de werkelijkheid datgene wat ik door haar ogen in potlood op papier zie verschijnen. Het kan ook zijn dat ik niet een tafel zie, of een deur, de trap, maar er mijn eigen beeld aan verbind.

    Licht dat tijd zichtbaar maakt

    In haar werk is Ike Smitskamp bezig met lichtval en schaduwwerking. Met het potlood kan ze fijne nuances aanbrengen en het licht werkelijk over het papier laten vallen. Het zet het vastgelegde moment in beweging, alsof de tijd erin doorloopt. Zodoende zijn het, ondanks het statische karakter, dynamische beelden. Een subtiele animatie van kleur kan in bepaalde composities de sfeer verlevendigen of juist vervreemden. Ondanks of dankzij dat de werkelijkheid tegen het licht wordt gehouden, kan deze echtheid zich vervormen tot een abstracte gewaarwording. De momenten uit de tijd genomen, de details uit de realiteit ontvreemd, geven de uitsneden van leven een geheimzinnig karakter. De bijzonderheid wordt tot karakteristiek in het werk van Ike Smitskamp.

    Ike Smitskamp tekenwerk, archivering van kortstondigheid. Uitgave in eigen beheer, 2025.

  • Bijna een halve eeuw eigenwijs en eigenzinnig

    Wie wat bewaart, die heeft wat. En meestal is dat ‘wat’ een zolder boordevol herinneringen. Want wanneer je iets bewaart, is het over het algemeen niet makkelijk ergens afstand van te nemen of iets weg te doen. Dan lijkt alles van waarde en neemt niets te veel plaats in beslag. Ook al kijk je er nauwelijks meer naar om, je mist het wanneer het verdwenen is.

    Maar eens komt het moment dat je zult moeten opruimen, ontzamelen. Een keuze maken tussen hetgeen blijft en dat wat weg kan. Want wat zal men ermee doen wanneer jij er niet meer bent? Bij leven kun je beter zelf bepalen wat van waarde is, wat minder belangrijk is en wat weg kan. Van waarde blijft op zolder of verhuist naar een lager gelegen ruimte. Wat minder belangrijk is, kan aan deze of gene die het interessant vindt om te bezitten worden geschonken. En wat weg kan, dat kan gewoonweg weg — worden weggegooid. In “Top Hole Records, 46 jaar eigenwijs” laten Josh Haijer en Jan Schlimbach letterlijk en figuurlijk zien waar verzamelen en ontzamelen toe kan leiden.

    Het klinkt echter allemaal zo zakelijk en verstandig; theoretisch klopt het als een bus. Maar uit eigen ervaring weet ik dat schiften in de praktijk geen eenvoudige zaak blijkt te zijn. Mijn zolder puilt zo langzamerhand uit, om maar niet te spreken van mijn boekenkast. Zo zal de bovenverdieping van Josh Haijer er denkelijk ook bij staan. Hij is een verzamelaar. En niet alleen van stoffelijke zaken, maar ook van anekdotische herinneringen. Niet alleen fysieke spullen, maar ook mentale gedachten. Dus zal zijn bovenkamer ook wel een rommeltje zijn, denk ik.

    Het is rond …

    Om niet te vergeten heeft hij alles daarom op schrift gesteld, want je zult in de tijd maar iets kwijtraken of niet meer kunnen vinden — niet op de juiste woorden kunnen komen. En wat er aan te zien en te betasten materiaal was, werd gefotografeerd. Zo is een omvangrijke database ontstaan, die als vruchtbare grond heeft kunnen dienen waarop een forse boom kon groeien. Met een enorme kruin en veel vertakkingen; een groot wortelstelsel houdt het geheel in evenwicht. De stamboom van Top Hole Records.

    Top Hole Records, Josh Haijer, Jan Schlimbach, Uitgeverij Passage

    Labelbaas Josh Haijer heeft samen met journalist Jan Schlimbach een boek gemaakt als catalogus van een leven in de muziek, want dat zijn de herinneringen waar het hier om gaat. Een verkapte autobiografie van zelf musiceren en het uitgeven van wat anderen lieten klinken. Een biografie van zijn label Top Hole. Of eigenlijk een bijbel waarin diverse boeken de eer aan het label en de baas laten, een heilig boek dat alle lof toezwaait aan een brutaal idee dat is uitgegroeid tot een eigenwijs product.

    … er zit een gat in …

    De lijvige uitgave — want een zolder vol spullen en een hoofd vol gedachten hebben ruimte nodig — gaat voornamelijk over het label Top Hole Records. Het boek is een prachtig naslagwerk over de geschiedenis van Top Hole, juist omdat het niet alleen de bekende namen behandelt, maar ook de vele vergeten bands uit de Nederlandse underground bevat. Niet alleen kan Haijer terugkijken en trots zijn op wat met het label is bereikt, Schlimbach weet ook uit veel van de mensen die er nauw bij betrokken waren een verhaal los te trekken. Zo is het boek “Top Hole Records, 46 jaar eigenwijs” feitelijk een bloemlezing van de Nederlandse alternatieve popmuziek vanaf 1980. Want Top Hole heeft geen eigen gezicht; je kunt het product niet in een bepaald genrevakje stoppen. Top Hole is bij wijze van spreken van veel markten thuis, maar vooral met die kramen die bij andere uitbaters niet gezien worden.

    Top Hole Records, Josh Haijer, Jan Schlimbach, Uitgeverij Passage, Facebook

    Josh Haijer vroeg zich op een goed moment af of ik het boek al uit had, zodat ik erover kon schrijven. Ik denk dat dit zo’n vier weken was nadat ik op de socials had vermeld dat het bij de fijne post in mijn brievenbus was beland. Maar nee, zover was ik nog niet, want Haijer had immers zelf al bij het 40-jarig jubileum een boek willen uitbrengen. Die intentie moest danig worden bijgesteld, want er was zo veel informatie en er waren dusdanig veel verhalen te vertellen. En eigenwijs als het label is, werd niet gekozen voor het volgende klinkende jubileum, maar ergens tussendoor: 46 jaar in 2026. Dus wanneer de samenstellers de tijd hebben genomen om een standaardwerk af te leveren, hoe zou ik daar dan binnen enkele weken over kunnen schrijven? “Maar ons boek heet niet Top Hole 47 jaar!

    … en het draait

    Het lezen van kaft tot kaft neemt nogal wat tijd in beslag. Want het zijn me een herinneringen die er door het boek worden opgehaald. Natuurlijk via de artiesten die in de labelcatalogus staan, die ooit in vooral de Blue Tape Studio in Luinjeberd hun muziek hebben opgenomen. Top Hole grossierde niet in one-hit wonders of hoge noteringen; daarvoor was de muziek misschien te weinig toegankelijk voor het grote publiek. Hoewel er toch op de longlist namen staan die je daarop niet verwacht, namen die meer zijn dan alternatief. Illustere namen van voor de minder verwende massa duistere groepen. In het wereldje vermaard. Die, evenals het label waarop zij hun werk uitbrengen, dwars eigenwijs zijn en weigeren muziek te maken voor Jan en alleman. Behalve dan wanneer Josh’ band The Security op pad gaat als The Happy Tunes en de jaren zestig terug op het podium brengt. Van nostalgie kun je leven.

    Top Hole is niet vies van een dosis humor en brengt de kortste song ooit uit. “Nee’s niks” van De Raggende Manne duurt zes seconden en krijgt in Hilversum vreemd genoeg overmatig veel airplay. Het “Mèh” van The Boegies werd door Kees van Kooten geprezen als “een hoogtepunt van de anarcho-poëzie”. Een nummer van iets meer dan twee minuten dat desondanks is uitgegroeid tot een van de meest legendarische punknummers uit de Nederlandse underground. Juist de combinatie van absurditeit, eenvoud en onvergetelijkheid bleek aantrekkelijk voor Josh Haijer om het op te nemen in de stal van Top Hole Records. Het is rond, er zit een gat en het draait – van opname tot plaat, van vinyl tot cd. Meer van deze obscure muziek maakt van het label een opvallend vreemde eend in de bijt. In het boek wordt die eigenaardige vogel van alle kanten aangeschoten en de zevende hemel in geschreven.

    Als je niet doorgaat bereik je niets

    Top Hole Records, 46 jaar eigenwijs” is ook wel een handboek voor bands, beginnend of gevestigd, door de verhalen uit de eerste hand die erin staan. En een gebruiksaanwijzing voor hoe je een label opzet en inricht. Hoe het werkt bij opnemen, mixen, uitbrengen en distribueren. Alles wordt middels werkers van het eerste uur uitgelegd. Diverse bands die aan Top Hole zijn gelieerd passeren de revue en halen herinneringen naar boven. Sappige anekdotes maken het boek prettig leesbaar. En natuurlijk verluchtigen de vele albumhoezen, affiches, bandfoto’s en andere beeldende memorabilia de teksten. Verder staat de volledige catalogus beschreven en is er een tijdlijn in de kantlijn waar veel belangrijke en minder belangrijke onderwerpen naar voren worden gehaald. Groepen gebruikten Top Hole als springplank om in het diepe van een majorlabel te duiken. En artiesten die Top Hole gebruiken als laatste strohalm in een afbrokkelende carrière. Het is allemaal opgetekend in het door Josh Haijer zelf op een bijzondere manier vormgegeven boek; een parel voor de verzamelaar.

    Top Hole Records, Josh Haijer, Jan Schlimbach, Uitgeverij Passage

    Ik stond aan de zijlijn. Was wel muzikaal actief, maar had niet de kwaliteit om opgemerkt te worden. Ik stond weleens op het podium van Het Pakhuis met een batterij percussie en speelde ooit met een punkband in de Blue Tape Studio. Ik werd ook eens gevraagd om op een klokkenspel het intro te spelen voor een beoogde Hollandse hit. Maar verder dan een opname in een Groningse studio en een drietal songs in de studio van de Wereldomroep in Hilversum is het niet gekomen. Herinneringen.

    Top Hole Records, 46 jaar eigenwijs. Josh Haijer & Jan Schlimbach. Uitgeverij Passage, 2026.

    Top Hole Records, Josh Haijer, Jan Schlimbach, Uitgeverij Passage

  • Een tekenkabinet vol verwondering

    De fysieke presentatie mag dan zijn afgelopen, gelukkig hebben we de foto’s nog. En de catalogus die mij door curator Manja van der Storm is toegestuurd. De werkelijke aanwezigheid van de tekeningen laat zich echter niet in een boek vangen. Toch zal ik het daarmee moeten stellen. Het heeft uiteraard meer waarde de tekeningen in de werkelijkheid te bekijken, om het aanzien en de beleving, het karakter en de uitstraling ervan aan te voelen. Toch geven het boek en de webshop een goede indruk van wat het Tekenkabinet zoal te bieden heeft.

    Ooit boog ik mij al over het kabinet bij eerdere presentaties. De door kunstenaar Van der Storm geïnitieerde tentoonstelling van tekenwerk op klein formaat (maximaal A4) beleeft inmiddels haar veertiende editie. Feitelijk kan ik deze teksten welhaast ieder jaar overschrijven en mijzelf citeren.

    Wat goed werkt, verandert niet

    Er verandert namelijk weinig aan de opzet, omdat deze staat en dus niet hoeft te worden gewijzigd. Never change a winning team: wat goed werkt moet je niet veranderen. De doos is duurzaam, enkel de inhoud kan telkens wijzigen. Er is een kern van kunstenaars die voortdurend opnieuw nieuw werk inlevert. Om die as draait dan de inbreng van wisselende deelnemers. Het zijn er veel, te veel om in deze tekst afzonderlijk te benoemen. Daarom is het zaak het Tekenkabinet als geheel te beschouwen. Soms een lade open te trekken en te zien wat er in zit. Maar geen bespreking per individu, om aan anderen geen afbreuk te doen.

    Voorheen omschreef ik het Tekenkabinet als staalkaart van de tekenkunst. “Het meldt op de website geen galerie, geen kunstenaarsinitiatief, collectief of vereniging te zijn – kunstenaars worden geen lid, maar deelnemer per editie. Het is een onafhankelijk podium voor grootse hedendaagse, autonome tekenkunst op klein formaat. Tentoonstellingen, webshop en de daarbij behorende catalogus geven aandacht aan diverse stijlen binnen de tekenkunst.”

    Iedere tekening een eigen meug

    Als een kabinet met laden, een puntzak vol snoep. “Eigenlijk geeft iedere la die ik van het kabinet opentrek een nieuwe verwondering. Een ander helder zicht op de kunst van het tekenen. Ieder snoepje uit de zak heeft een eigen meug, geeft een persoonlijk genot. Het Tekenkabinet houdt van tekenkunst zoals ik van al het lekkers in die puntzak snoep houdt. Het toont daarom jaarlijks een selecte collectie, want uit de aanmeldingen zoekt het Tekenkabinet representatief werk waarin het tekenen tot recht komt.”

    Gaf ik het Tekenkabinet als ministerraad tekenbevoegdheid.  Kleinkunst, want het is lange tijd het ondergeschoven kind in de kunst geweest. Kunst met een kleine k. Het deed ertoe als schets voor het echte werk, voor de kunst met een grote K. Maar onder meer door stimulatie van Tekenkabinet en de acties van galeries gespecialiseerd in tekenkunst groeit het tekenen groter en wordt volwassen.”

    Zette ik het op een platform voor autonome tekenkunst. “Het is een reisgids om het zich vrij gevochten land van de tekenkunst tot in elke uithoek te ontdekken en leren kennen. Waarschijnlijk zijn nog niet alle facetten belicht, maar het tekenkabinet laat wel veel kanten van deze kunstvorm zien. Het is een letterlijk en figuurlijk kleurige opsomming.”

    Het papier als vruchtbare grond

    Zo constateer ik, mijn verzameling catalogi door de verschillende jaren heen doorbladerend, dat de tekenkunst zoals gepresenteerd door het Tekenkabinet een groei doormaakt. Het papier is een vruchtbare grond waarop deze manier van uitdrukken zich kan ontwikkelen. Al lang is potlood en inkt, krijt en kool geen schetsmateriaal meer als voorstadium van een volwaardig kunstwerk. Er wordt naar hartenlust met het medium geëxperimenteerd. Vanuit de werkelijkheid wordt vereenvoudigd en via een abstracte weg keert men terug naar de realiteit. Alles is mogelijk en alles wordt gebeurlijk.

    De catalogus, de webshop en de pop-uptentoonstellingen, zijn een visitekaart voor het tekenen. Nu de expositie is afgelopen, kunnen de werken blijven schitteren in druk en langs de digitale weg worden gekocht. Van iedere kunstenaar is in de catalogus een representatief werk opgenomen, geselecteerd door de organisator uit het aanbod. Daarbij staan titel, techniek en formaat vermeld. Tevens is het contact in de vorm van een webadres opgenomen, zodat de eerste kennismaking een verder onderzoek mogelijk maakt. Zo is er door de jaren heen een waaier aan mogelijkheden binnen deze manier van kunst bedrijven ontstaan. Een dwarsdoorsnede van de Nederlandse tekenkunst, een rijk palet, een kleurige bloemlezing. Over het hele spectrum is een typerend beeld geschetst.

    Het beeldmerk van het Tekenkabinet

    Aan de opzet en de presentatie is weinig veranderd. Het idee ontstond en kreeg een uitwerking die een stevig fundament bleek, voldoende om vaste grond onder de voeten te krijgen en te behouden. Wat enkel wijzigt, is een opvallend detail: het beeldmerk van het Tekenkabinet. Daarin komt telkens een onderdeel van de tekenpraktijk naar voren. Waren het eerder al het schaafsel van een potlood, een stalen puntenslijper, de verschillende hardheden van het potlood met telkens een uiterst scherpe punt, een prop gefrommeld papier of een witte museumhandschoen; in 2026 is het opnieuw een puntenslijper, onmisbaar voor de tekenaar. Een rode kunststof variant met duidelijke gebruissporen. Wie vervolgens de website van het kabinet bezoekt, vindt daar de legio voorbeelden die door de jaren heen in de laden ervan zijn opgeborgen.

    En ik sta buiten met mijn neus tegen de etalageruit gedrukt. Het water loopt mij bijkans in de mond bij het zien van zoveel lekkers. Ik word er hebberig van en koester mijn boekjes in de plastic winkeltas. Ik zou naar binnen willen stormen en mijn boodschappenlijst afwerken. Aan de kassa een XXL-puntzak vol lekkernijen willen afrekenen. En er thuis stuk voor stuk van willen genieten. Nu kan ik mij slechts verlekkeren aan en in de cadeaugids, en dat maakt al veel goed.

    Tekenkabinet XIV. Catalogus van de tekenkunst op klein formaat. Concept, vormgeving en productie Manja van der Storm, mei 2026.

    tekenkabinet, amsterdam
  • Rein Dool heeft geen titel nodig om aan te spreken

    Zonder titel toont Rein Dool zijn werken van de laatste twee jaar. En daaruit blijkt dat kunst geen leeftijd heeft. Dat zelfs een ouder kunstenaar nog jeugdige werken maakt. Rein Dool is van 1933. Aan groei in de kunst zit geen slot, het eind is nooit in zicht. De kunstenaar gaat niet met pensioen; er zijn geen geraniums anders dan te verwerken in een stilleven. Het werkbaar leven stopt echter niet, er is geen afronding, geen sprake van een stil leven.

    Kunst bedrijven is een manier van leven. Kunstenaar word je niet, dat ben je. Dat is anders dan bij alle andere vakken die te beoefenen zijn. Er is geen opleiding tot kunstenaar, het doen is de leerschool. Een academie onderwijst technieken, maar inspiratie en gevoel zijn van nature aanwezig. Dat zit in je DNA, dat valt niet te leren.

    De kunstenaar in zijn werk

    Het creëren, het van niets iets maken, zit Rein Dool in het bloed. Hij is er ooit mee begonnen om zichzelf te vinden en is er nooit meer mee gestopt. Want hij heeft zichzelf erin gevonden: ‘Het tekenen gaf me een doel in het leven. Als ik maar kon tekenen, dan was het goed. Ik tekende om mijzelf te worden.’ En ik ontdek hem tussen de verfstreken en potloodlijnen door. Zijn werk — dat is Rein Dool. In ieder werk vindt hij zichzelf opnieuw uit. Dat heeft geen titel als aanwijzing nodig. Het verdient een objectief kijken.

    Dool experimenteert en groeit in zijn kunst. Met de opzet van iedere nieuwe serie verrast hij de beschouwer. Elke volgende reeks geeft een andere kijk op de kunstenaar. Hij wijzigt zijn invalshoek en levert mij een oorspronkelijk perspectief. De prille werken ogen jong en dragen onzichtbaar een inmiddels meer dan negentigjarig leven in zich. Ieder nieuw werk is echter even fris en levendig als dat wat een half leven eerder werd gemaakt.

    Een eerste ontmoeting

    Werk van Rein Dool zag ik eerder in de multidisciplinaire tentoonstelling On the Spot in Museum Belvédère. Dat was in de zomer van 2017, een eerste overweldigende kennismaking. Een selectie tekeningen uit zijn serie Parken zette mij tot lyrische woorden aan en ik schreef een bewogen artikel; een citaat: ‘Niet de suggestie van een koele bries bezorgt de kijker kippenvel of een aangename rilling over de rug, maar de nauwkeurige manier waarop de tekenaar met de emotie speelt. Dat wat hij daar zag staat op papier, maar het geeft een poëtisch gevoel. Het is een dichterlijke vrijheid in tastbare beeltenis uitgevoerd. (…) Het is een park om in weg te dromen. Een beeld om te mijmeren. Laat mij hier maar figuurlijk versterven.’

    Steeds een andere tekentrant

    Er zijn tekenaars die op een bepaald moment een stijl en een manier van werken omarmen en zich daarin vasthoudend blijven uitdrukken. Bij Rein Dool is daarvan geen sprake; hij wisselt voortdurend van tekentrant. Zo ontstaat een veelzijdig oeuvre. Daarbij vraagt hij zich af of iedereen wel ziet dat het allemaal door een en dezelfde kunstenaar is gemaakt.

    Als jonge tekenaar ontdekt Rein Dool zijn talent voor het tekenen naar de werkelijkheid, het wonder dat je dankzij nauwkeurig kijken en beschouwen, en door het oefenen van je hand, alles om je heen kunt weergeven met een potlood. Bekijk je het onderwerp zorgvuldig van alle kanten, zie je volume en diepte, dan begint het onder je handen steeds werkelijker te worden. ‘Zijn oog voor het absurde van het ogenschijnlijk gewone en alledaagse vormt voor Dool een onuitputtelijke bron van inspiratie’, lees ik in een publicatie.

    Van werkelijkheid naar essentie

    Het beelden naar de uiterste werkelijkheid geeft hem het vermogen daarnaast ook de essentie van het beeld te pakken. In zijn werk kan hij door te kijken welhaast fotografisch realistisch zijn, maar juist door die kennis van zaken kan hij dingen weglaten totdat een veelzeggend abstract werk ontstaat. Want het tekenen en schilderen naar de werkelijkheid, dat hij steeds beter beheerst, voelt vaak ook als een inperking van zijn vrijheid. Hij durft de werkelijkheid los te laten en ontdekt hoe weinig er nodig is om een mens te maken. Om de essentie van de mens vast te leggen. Dat houdt verband met zijn anders kunnen kijken, beter kunnen zien en doorzien, zijn oorspronkelijke handschrift en zijn verwondering over de wereld, zijn medemens en zichzelf. Rein Dool is een verrassende tekenaar met soms wonderlijk werk.

    Het doolhoofd

    Hij doolt als het ware door de kunst, maar verdwaalt niet in verschillende stijlen, want alles past hem. Rein Dool grasduint en neemt van iedere techniek iets mee. Zo komt hij niet tot een eenduidige stijl waaraan je de meester onmiddellijk herkent, vandaar zijn retorische vraag of men wel kan zien of het allemaal door dezelfde kunstenaar is gemaakt.

    Naast uiterst realistische tekeningen, zoals de Parken-serie, zet Rein Dool even vrolijk abstracte verbeeldingen op. Zijn werk is echter nooit volledig abstract; er blijft altijd een realistische ingang bestaan. Zo zijn de meest recente tekeningen een stilering van het leven. Een versimpeld beeldmerk. De essentie van het zijn ligt erin vast, zit opgesloten in de gelaagde voorstelling. Kern van iedere tekening in deze serie is de karakterisering van het gelaat. Het tot zijn essentie teruggebrachte menselijke profiel, door dichter Tom van Deel ooit treffend ‘doolhoofd’ gedoopt.

    De doorlopende golvende lijn van voorhoofd, via neus tot kin vormt een grimas. Daarin bevindt zich steeds een alziend oog dat afgetekend contact maakt, dat apert communiceert binnen en buiten het werk. Niet telkens is dat hoofd direct zichtbaar en soms maakt het deel uit van het lijnenspel in de tekening, maar altijd is het ergens aanwezig. Alsof de kunstenaar, als een Alfred Hitchcock, steeds even opduikt in zijn werk en ziet dat alles goed is. Want ook het leven van Rein Dool is een scheppingsverhaal.

    Tussen realiteit en abstractie

    Zijn de meeste werken opgebouwd rond constructivistische elementen, zo nu en dan sluipt er een realistisch getekend stilleven de compositie binnen. De geconstrueerde omgeving wordt dan een verstild landschap. De mens die verrukt raakt van huisje-boompje-beestje-werk, gechargeerd gesteld ‘de jongen met de traan’ die hij of zij boven de bank heeft gehangen, zal bij de gedetailleerde realiteit van Dool verzuchten: zie je dat, hij kan het wel. Alsof kunnen tekenen enkel het exact weergeven van de werkelijkheid behelst. Rein Dool heeft daaraan geen boodschap en bezigt beide waarheden. Hij kan eenvoudig vanuit de realiteit opgaan in abstractie om vervolgens terug te vallen op de werkelijkheid. Het is eenvoudigweg hoe hij zich wil uitdrukken.

    Kijken zonder titel

    Het is fijn dat het boek met tekeningen 2024-2025 als opschrift Zonder titel heeft. En dat ook de werken daarin zonder titel gaan. Daardoor wordt het kijken ernaar, het zien ervan, een persoonlijke belevenis. De richting van het beschouwen is namelijk niet vooraf bepaald; die kan ik zelf kiezen en daar mijn gevoel, en dus mijn waarheid, tegenover zetten. Hans Locher, voormalig directeur van het Gemeentemuseum Den Haag, schrijft in zijn voorwoord onder meer over het doolhoofd: ‘Een aanwezigheid die zowel speels als ernstig kan zijn, in rust stevig gepositioneerd maar ook fel dominerend dan wel nerveus gekanteld, zwevend en doorzichtig, vlak langs de onderkant of bovenkant van een voorstelling bijvoorbeeld. (…) Zoek dan ernaar, zou ik zeggen. Vooral ook al zoekend en plotseling vindend kan je opgenomen worden in het visuele avontuur van deze tekeningen, een avontuur dat rondom dit motief nog heel veel meer omvat dat je kan raken.’

    Het is tevens aangenaam dat het voorwoord van Hans Locher de enige tekst in het boek is. Daardoor kan de beschouwer zich volledig onderdompelen in het kijken naar de werken en wordt hij niet gestoord door afleidende omschrijvingen van de kunst of belevenissen met de kunstenaar. Van de diverse werken staan op het naastgelegen titelblad slechts de techniek, het formaat en het jaar van ontstaan vermeld. Verder niets dan het nummer van de pagina.

    Zonder titel is dus een prentenboek, een uitgave als reisgids om de wereld van Rein Dool te ontdekken. Van harte aanbevolen.

    REIN DOOL, zonder titel, tekeningen 2024-2025. Met een voorwoord van Hans Locher. Waanders Uitgevers, Zwolle 2026.

    Rein Dool, zonder titel, tekeningen
    Rein Dool, zonder titel, tekeningen
  • Haas krijgt een droom terug

    Het overkomt mij ook weleens. Dat ik mooi midden in een zalige droom zit en dan plotseling, door een achteraf verklaarbare reden, wakker schrik. De droom valt dan als een kaartenhuis in elkaar, als een ton in duigen, spat als een luchtbel uiteen – rinkeldekinkel. Van de droom herinner ik me nauwelijks iets, alleen de grote lijnen en dat het fijn was daar achter mijn oogleden. De gedachte eraan doet mij glimlachen. Vooral dat mooie gevoel wil ik daarna terug. Maar opnieuw in slaap vallen brengt die specifieke droom niet weer op het netvlies. De droom is weg, verdwenen, opgelost in de tijd.

    Een fabel met een blijde boodschap

    Rikkert Zuiderveld heeft vast zo’nzelfde ervaring gehad, misschien zelfs vaker dan eens. Dat hij plots uit een zoete droom ontwaakt en het liefst terug wil naar diezelfde slaaptoestand. De taalsmid van nature schrijft er een verhaal over. Kennen we hem van poëzie, gedichten en liedteksten, in proza spreekt hij eveneens een gedegen woordje mee. Meer in het bijzonder schrijft hij ditmaal een fabel, want dieren spelen in zijn vertelling de hoofdrol – er is geen mens in te zien, maar wel te herkennen. Die dieren zijn immers precies als mensen, met dezelfde mensenwensen en dezelfde mensenstreken.

    Rikkert Zuiderveld, Leontine Gaasenbeek, Buddy Books

    In de gedaanten van Haas en Muis houdt Zuiderveld de lezer een spiegel voor. Haas wil zijn droom terug is derhalve een stichtelijk verhaal met een kern van waarheid. Rikkert is een gelovig mens en ziet het goede in de mens. Niet zijn geloof verplicht hem daartoe; hij doet dat uit overtuiging. Zijn fabel over Haas, die zijn droom terug wil, is dan ook min of meer een vertelling met een blijde boodschap. De boodschap van vriendschap en vertrouwen, van hoop en delen. Het kan zo mee als katern bij de Bijbel, een apocrief boek, welhaast een gelijkenis.

    Er bestaat echter geen twijfel over de authentieke strekking van dit geschrift. Wat eerst een vergeefse onderneming lijkt, krijgt aan het slot een ruimere betekenis. De droom wordt niet teruggevonden, maar de zoektocht blijkt zelf een droom te zijn. Daarin schuilt de belofte van het verhaal: wat verloren lijkt, kan in de verbeelding blijven voortbestaan. Dromen zijn niet alleen voorwerpen die je kunt verliezen of terugvinden, maar ook een ruimte waarin je kunt verblijven. De zoektocht mislukt uiterlijk, maar slaagt innerlijk.

    Kijken en lezen

    Het verhaal lijkt voor kinderen geschreven om zelf te lezen of om te worden voorgelezen. Voor hen werkt het als een sprookje, bijna met het slot van: en ze leefden nog lang en gelukkig. Voor volwassenen echter is het een fabel, een verhaal met een moraal. De symbolische betekenis laat zich tussen de regels door lezen en komt bovendien tot uitdrukking in de tekeningen.

    Rikkert Zuiderveld, Leontine Gaasenbeek, Buddy Books

    Voor de jeugdige lezer heeft Leontine Gaasenbeek namelijk kleurige en fleurige illustraties gemaakt. Kijkplaten die het verhaal vrolijk en meeslepend verbeelden. Zo kan de lezer vooral kijker zijn en hoeft hij minder de gelaagde vertelling te doorzien. De tekeningen geven de vertelling panoramisch weer, waarbij de blik op oneindig kan worden gezet, zodat de kleine beschouwer helemaal kan opgaan in het verhaal. Het als het ware kan beleven als een droom.

    De zoektocht van Haas

    Een fantasie waarin Haas wordt gewekt door de opkomende zon en opeens zijn droom kwijt is. Hij is klaarwakker, maar wenst liever nog wat door te soezen om die zalige gedachte niet kwijt te raken. Echter beslist de zon, en daarmee de dag, anders. Haas wil die mooie nachtelijke gedachte terug en gaat eerst krampachtig op zoek naar de overhaast verdwenen droom.

    Onderweg voegt Muis zich bij hem, voorziet hem van bruikbaar materiaal, zoals een zonnehoed, eten voor onderweg en een tas om spullen te dragen. Met zijn olijke opmerkingen relativeert Muis de al te serieuze speurtocht. Hij is een vriend voor het leven.

    Rikkert Zuiderveld, Leontine Gaasenbeek, Buddy Books

    Het tweetal komt diverse dieren tegen – zoals Vlinder, Grote Pad, Boer Beer en Moeder Kangoeroe – maar niemand weet waar de droom van Haas is. Die mooie droom. Haas deelt met hen de dingen die hij onderweg kreeg aangereikt: een boodschappenkar voor de ezel om zijn last te dragen, een paraplu voor het grijze paard dat in de regen zijn zebrastrepen kwijt werd, de hoed voor Konijn om zijn goochelkunsten te doen. Zaken waarvan Haas dacht dat hij ze nodig had, maar die uiteindelijk beter op hun plaats bleken bij anderen. Delen geeft een fijn gevoel.

    Een droom die terugkeert

    De tocht duurt zolang het licht is. Aan het eind van de dag gaan de twee moe en onvoldaan terug naar huis. Maar de hoop op een goede afloop is de hele dag gebleven. Thuis vallen Haas en Muis, dicht tegen elkaar aangekropen, in slaap. “Haas valt in slaap en droomt en droomt, heel diep, de hele nacht.” En de volgende morgen eindigt het verhaal zoals het is begonnen. Haas heeft zijn droom terug. De hele reis van de vorige dag blijkt een droom te zijn geweest…

    Haas wil zijn droom terug. Tekst Rikkert Zuiderveld, illustraties en vormgeving Leontine Gaasenbeek. Uitgave Buddy Books, 2026.

    Rikkert Zuiderveld, Leontine Gaasenbeek, Buddy Books
  • Waar het lichaam betekenis wordt

    Touch is aanraken, touching is ontroeren. Een persoon aanraken kan ontroerend zijn, emotioneel. Je komt in zijn of haar comfortzone. Je nadert zo dicht dat het intiem wordt. Je treedt een wereld binnen die veilig is, een vertrouwde omgeving. Dat kan confronterend zijn, ongewenste intimiteit. Maar het is ook een welkome gemeenschap wanneer twee lichamen één zijn, willen zijn. Aanraken en ontroeren liggen dicht naast elkaar, betasten en vertederen; het streelt maar kan ook schuren. Het bevoelen kan een bepaald gevoel opwekken, zowel positief als negatief. Zo is het met kunst idem dito. Door kunst kun je worden aangeraakt, het kan je ontroeren. Wanneer het je niet aanstaat, is er geen klik en wenst het kunstwerk geen intimiteit.

    Waar verbinding faalt

    In de kunst van Caren van Herwaarden gaat het dubbel op. In de gelaagde tekeningen zowel als in haar diepzinnige beelden. Het zijn objecten van mededogen. Meelijwekkende creaties, omdat de kunstenaar de zwakke kant van het mens-zijn toont. Zij brengt het streven en mislukken van het menselijk handelen aan het licht. Daar waar de schepping faalt, namelijk bij het maken van verbinding. De gemeenschap lijkt iets gemeen te hebben, maar schijn bedriegt veelal. De gemeenschap wenst homogeen te zijn, maar is eerder heterogeen. Zij steekt als los zand in elkaar. Er is nauwelijks consensus in het grote idee van de groep. Er kan veel onderlinge strijd zijn, omdat de een de ander geen ruimte geeft en er onderling geen respect is. Er is sprake van rechts en links, zwart en wit, welles en nietes. Van Herwaarden prikt door die uiterlijke glans heen en boort tot het matte innerlijk. Zij legt de zwakheid van de mens bloot en beeldt deze zonder versiering af. Ze maakt het niet mooier dan het is en daardoor krijgt het een bepaalde schoonheid.

    Caren van Herwaarden

    Het kan aanstootgevend zijn, zelfs als het ethisch correct lijkt, omdat de kunstenaar een spiegel voorhoudt. De werken laten zien waarvoor wij in de meeste gevallen liever de ogen sluiten. Het onthult onze gebreken en mankementen. Daar willen we echter niet op worden aangesproken. Maar het spreekt voor zich dat wij daar in essentie wel aan moeten geloven. Dat afzetten schept vertedering, zoals de platen in het boek Touch, waarmee de kunstenaar zich presenteert. In tekeningen, collages en samengestelde beelden legt Caren van Herwaarden gebaren en handelingen vast. Meestal bewegingen van het menselijk lichaam, en na een artistiek verblijf in Ierland lopen paarden het werk binnen. „Maar de mens is tragischer, want paarden zijn zich niet bewust van hun sterfelijkheid, ze hangen geen religie aan en zeuren en klagen niet”, dicht Walt Whitman in Song of Myself. Meestal dus bewegingen die normaal lijken, maar ongewoon zijn omdat deze gebaren toenadering inhouden. Zij gebieden aanraking, gelasten het toucheren. Althans, zo zou het in een gemeenschap moeten zijn. Daar is geen afstand, maar juist gewenst bevoelen.

    De taal van gebaren

    Getekende en gepenseelde lichamen, maar ook afbeeldingen van driedimensionale figuren tref ik aan in het boek. Voortdurend is daar dus de interactie met de ander, de anderen als in een gemeenschap. Groepsgewijs staat de boodschap. Soms zelfs als een samengeklonterde troep lijven. De lijnen en vlakken maken vormen die herinneren aan de glooiingen van het lichaam. Het vel dat fysiek inhoud heeft, als een zak met botten en vlees. Maar dat is niet waar het in het werk van Caren van Herwaarden om gaat. Het is de inhoud die geestelijk aanwezig is. Waarmee mentaal wordt gecommuniceerd, waarlangs het contact met de ander verloopt. De gebaren zijn belangrijker. De mimische driften. Van betekenis in het gebaar zijn de handen; deze krijgen uitgewerkte aandacht. Daarin ligt de taal van het lichaam, zoals in gebarentaal voor een doof persoon.

    Caren van Herwaarden

    Sommige kunstwerken zie je niet zozeer, die voel je”, stelt journalist Merel Bem in haar bijdrage aan de uitgave. „(…) natuurlijk zie ik dit werk, het is immers ook gemaakt om naar te kijken. (…) Maar dat kijken gaat gelijk op met voelen.” Het werk van Caren van Herwaarden roept bij Merel Bem dikwijls een lichamelijke reactie op. Ze weet haar steeds weer te raken met de intieme, ontroerende momenten die ze kiest. Dat zie ik ook, dat voel ik aan. Dat is een geestelijke spanning, een mentale geladenheid. Het beeld kruist fysiek mijn blik, terwijl ik er emotioneel door geraakt word.

    Kijken met de handen

    Voor de tekeningen en objecten is licht een element van belang. Zonder licht kan de kunst niet worden gezien. Maar de ruimtelijke beelden van Caren van Herwaarden zouden betast moeten worden om er de geestelijke essentie van te kunnen waarnemen. Kijken met de ogen, zien met de handen. In het essay ‘”zandengel” schrijft filosoof en muzikant Gustan Asselbergs dat hij gelooft in het wezen dat op de tast leeft, over de ander struikelt, zich smerig maakt met de klei onder zijn voeten en niet schrikt van het zweet dat via holtes en huidslabben zijn weg naar buiten vindt. „Wanneer zijn wij ermee begonnen onszelf te maskeren? (…) We zijn gecrasht op de buitenkant der dingen, dat is het hele probleem, en nu durft niemand meer.” Dit kwetsbare lichaam, dat gebaren vergeten is, spreekt de kunstenaar aan. Een beeld dat geworteld is in haar zijn door een voorstelling uit haar jeugd: een halfnaakte, gemartelde dode man hing vroeger bij hen thuis boven de deur van de woonkamer. Dat heeft bewust dan wel onbewust haar kunst gekleurd.

    Caren van Herwaarden, Jap Sam Books

    In de weerslag van het gesprek dat kunsthistoricus en conservator Ludo van Halem met Caren van Herwaarden had, omschrijft de kunstenaar wat haar tot het maken van kunst aanzet. Welke condities daarvoor van belang zijn. Met „de werkplaats” toont zij zichzelf naast haar kunst. Met haar idee in gedachten blader ik nog eens het boek door, herken gevoelens en haak aan bij gebaren. „Wat ik zo bijzonder vind aan tekenen is dat je ook iemand ‘betekent’”, laat ze weten. „Dat je niet zozeer iemands gezicht of lichaam beschrijft, maar vooral betekenis geeft. (…) Je bezielt dan.

    Het lichaam kortom is inspiratie. Het wezen dat is, het onzichtbare lijf. Onpersoonlijk evenwel, want het beeld moet universeel zijn. Eenieder moet zich erin kunnen herkennen. Daarom is er wel een kop, maar geen gelaat. De houding van het lijf is belangrijk, niet het optreden van de persoon. Het lijf is drager van de boodschap, zoals het canvas de verf kan dragen waarin het beeld zich zal vormen. Niet het lichaam als lijf is het beeld, het is de houding die de taal maakt. De gebaren zijn het gereedschap om tot uitdrukking te komen en vormen de indruk. Caren van Herwaarden omarmt haar impressies van het leven. Een onpersoonlijk zijn dat zo universeel is dat het voor iedereen persoonlijk kan worden. Ze kijkt door de kleren en de huid heen, kleedt een persoon tot op het bot uit. Wat overblijft is het gevoel, de emotie. De kern wanneer de verpakking is afgedaan. Om dat te verbeelden heeft ze wel een lichaam nodig, want een gemoed laat zich niet uitdrukken.

    Touch. Caren van Herwaarden. Jap Sam Books, 2023.

    Caren van Herwaarden, Jap Sam Books
  • Onder vreemden, tussen bekenden

    Ga tot de mier, gij luiaard! Zie haar wegen, en word wijs; dewelke, geen overste, ambtman noch heerser hebbende, haar brood bereidt in de zomer, haar spijs vergadert in den oogst.’ of ‘Als je van beren leren kan, Van slimme beren leren kan, Dan sta je later zelden meer voor aap.’ In de dierenwereld ben je zelden onder vreemden. Het plantenrijk echter is ruim bedeeld met voorbeelden waarvan de mens ruimschoots kan opsteken. Het mycelium om maar iets te noemen, waarvan de paddenstoel het zichtbare vruchtlichaam is, vertakt zich onzichtbaar ondergronds tot een wijd verbreid netwerk. Door microscopisch dunne schimmeldraden, hyfen, zijn de bovengrondse schimmels met elkaar verbonden. Dat ondergronds fijnmazige netwerk is van levensbelang, het leert ons dat ook wij mensen onderling met lijnen aan elkaar zijn verbonden. Dat geen schepsel kan leven buiten de eenheid, zonder de gemeenschap. Dat zijn altijd zijn is met, dat wezen altijd samen is.

    Levend tussen vreemden

    Een uitspraak van Merlin Sheldrake – fungi teach us that life is relationship – is de ruggengraat van de dichtbundel van Laura Mijnders. Het is de rode draad in haar bundel “Tussen vreemden”, waardoor de beschreven gebeurtenissen binnen de verhaallijn met elkaar zijn verbonden. Dat plot is in de bundel onderverdeeld in drie parten. Door de teksten volg ik de jonge Laura tot een volwassen Mijnders. De titel van het boek zet mij echter op een verkeerd been, want de dichter beweegt zich onder bekenden. Hoewel ze zich natuurlijk kan voelen als levend tussen vreemden. Want zelfs bekenden kunnen je als onbekenden overkomen. Dat jij je met je gedachten en ideeën misplaatst voelt tussen de grote gemene deler van het gezin of de vriendenkring. Een vreemde in het ouderlijk huis door niet begrepen te worden. Ongezien zijn.

    In de verzen komt dat niet meteen tot uiting, die buitenstaander in het groepsgevoel. Tussen vreemden voelt Mijnders zich gekend, leest het. Echter schijnen die vreemden niet zo bijzonder. Ze vormen tezamen de wortels van haar bestaan. Ze kan niet zonder hoewel ze dat op een moment wel zou willen. Broers zoek je niet uit, die krijg je. Voorbijgangers kun je uitzoeken, deze vind je. In het eerste deel, of hoofdstuk, lees ik Laura Mijnders als een opgroeiend mens. Nog onwetend van de grote mensenwereld. Jeugdherinneringen die verwonderen. De plek in het gezin. De plaats in het zijn. Haar zijn. Rafelranden aan het opgroeien. Maar ook loopt het kind-wezen door het ouder-zijn, mengt zich de dochter met de moeder. Het geheel is verwarrend, maar op detail blijft de poëzie vertederend.

    Korte verhalen in keurslijf van strofen

    Het is een loslaten van de jeugd, het eigen zijn en dat wezen van die ander die voor haar heeft gekozen. Niet uit vrije wil, maar zo zoals het even loopt. Het zijn persoonlijke regels, individuele woorden, die mij een inkijk geven in het leven van deze dichter. En er zijn overeenkomsten, parallellen te trekken – ik voel verwantschap, ik proef eendracht en zie consensus. Hoe kan het dat een vreemde zich toch als een bekende in mijn leven kan begeven. Het moet dat mycelium-effect zijn. Het gevolg van die weids verbreide vertakkende wortelstokken. Ergens verkleven de hyfen van Mijnders met mijn schimmeldraden.

    Eigenlijk zijn het geen gedichten, maar korte verhalen die Mijnders in een keurslijf van strofen dwingt. Als de alinea’s in proza zijn de coupletten in poëzie. Deze dichtwijze houdt het midden tussen proza en poëzie – balanceert op de rand van tekst en lied, maar valt nergens in de verkeerde kant. Daardoor ontstaat een natuurlijke vertelstem die ruimte laat voor reflectie. Het blijft het uiterlijk van dichten houden, het ritme van woorden in regels die nergens rijmen.

    De Groninger bodem

    In het tweede deel leert Mijnders de wereld kennen, althans probeert zij wat liefde is. Onderkent dat paddenstoelen haar de weg wezen, zonder het zijn van relaties te weten. “tijdens het hardlopen denk je het ineens / te begrijpen: hoeveel groter de dingen zijn / dan jij en hoe angstaanjagend veel ellende er / voor dat besef steeds weer nodig is: een crisis / een impasse, een eind of misschien een begin”. Ze leeft zich in, in de Groninger bodem. En dat doet ze wonderwel grondig en overtuigend; ik haal de provincie zo voor de geest, en zie de aarde hoofdschuddend spreken. En ik word van de ene herinnering in de andere gegooid, soms heb ik een déjà-vu en dan weer kijk ik op van het blad en stel me een situatie voor. Haar gedichten hebben de breedte van korte verhalen. Het klinkt zo vertrouwd, maar staat toch zo ver van mij.

    Laura Mijnders, poëzie, dichtbundel

    Deel drie betekent afscheid nemen. Na jeugd en volwassenheid is ouder zijn een natuurlijke lijn. Niet dat de dichter een overrijpe toestand heeft bereikt. Zij neemt afstand van wat rest. Wat overblijft van een geleefd leven. Het is onvermijdelijk dat het eens klaar is, maar nooit af. “een dorpsgenoot vroeg me ooit wat er van / me zou overblijven als ik nu eindelijk eens besloot / wie ik zou willen zijn”. Het is niet het einde van een eigen leven, maar het slot van een voorgeslacht. Een moeder die de dochter niet meer herkent. Een zijn dat langzaam een was wordt. “er is sprake van een vader die zijn gedachten / tussen de nerven van het houten bed rusten laat, hij weet / van de half opgegeten haring die door de kamer zwerft”.

    Mijnders spreekt zich niet uit. Ze gebruikt metaforen om haar leven te duiden. Om het leven van de vreemden om haar heen te vatten. Beschrijft in gevleugelde woorden geuren en kleuren. Achter dat bloemetjesbehang echter zit een donkere angst geplakt. Een spanning die in de gelaagde poëzie een schoongeveegde stoep verbeeldt. Het is alsof er een zon achter de wolken schijnt, dat deze na regen de kop opsteekt. Maar Mijnders lacht meermalen als een boerin met kiespijn. Een schampere grijns in de mimiek van een levensstuntelaar. Ze knoeit zich echter niet door de taal. “… er is geen / gewenst antwoord mogelijk op de vragen /  / die we niet langer stellen en dus nemen we / genoegen met wat er is, ik las ooit dat alles / energie is, dat we met elkaar verbonden zijn”. “Je wordt vanzelf weer nieuw” zijn de famous last words van de dichter in deze bundel. Daar houd ik me dan maar aan vast.

    Tussen Vreemden. Dichtbundel van Laura Mijnders. Verschenen bij Uitgeverij Passage Groningen, 2026.

    Laura Mijnders, poëzie, dichtbundel

  • Van functie naar compositie, bescheiden en informeel

    De tas als drager van om het even welke inhoud is een bruikbaar attribuut in ieder huishouden. Tegenwoordig betaal ik aan de kassa een luttel bedrag, maar voor wat ik ontvang een fors bedrag, wanneer ik vergeten ben een tas mee te nemen voor mijn aankopen. Dat is om de afvalberg in te dammen. Plastictassen zijn daarom not done en ik schaam me bijna wanneer ik er wel één bij me heb of er een aanschaf. De papieren tas past meer bij deze duurzame tijd en kan bovendien voor andere doeleinden worden hergebruikt, terwijl het plastic na meerdere praktische momenten gescheurd en verfrommeld in de vuilnisbak verdwijnt.

    In de kunst van Kees van de Wal gaat het niet om de werkelijkheid, maar om de ervaring van het zichtbare. De functie van de tas als drager is in en door zijn handen niet anders geworden. Hij hergebruikt papieren exemplaren in zijn kunst. Hij recyclet als het ware de tas en geeft het ding een nieuw leven, een ander zijn. Is het eerst een gebruiksartikel, na bewerking is het geworden tot kunstwerk. Nog steeds echter is de tas drager van een boodschap. Zoals het canvas de verf draagt, het papier de tekening, zo draagt de tas de uitdrukking die Van de Wal eraan geeft. Voordat de tas de abstracte afbeelding vormt, vouwt de kunstenaar het papier, lijmt het en beschildert het per object met twee kleuren. Daarbij ligt de nadruk op het handvat. “Wat oorspronkelijk een praktisch detail was, wordt een architectonische vorm, een opening, een kader in het vlak.

    Het heeft iets te vertellen

    Het is afval. Na eerste gebruik meestal al rijp voor de oud-papierbak. Na ondoelmatig hergebruik begint het vaak al te scheuren. De vraag is of Van de Wal gebruikte tassen ter hand neemt, met een geschiedenis, of nieuwe exemplaren waarin nog geen verhaal zit. Een nadere observatie wijst uit dat er gebruikssporen op en aan zitten. Ik zie vouwen en kreukels, maar dat kan ook doordat de kunstenaar er zelf mee aan het werk is geweest. Papier is kwetsbaar en (ver)vormt zich snel door bewerking. Laat ik ervan uitgaan dat er een leven was, een gebruik met ooit een inhoud. Dan heeft het product een verhaal omdat er een toepassing was, ooit. Het heeft iets te vertellen. Er is een geschiedenis, een verleden. Dat verleden wordt door Van de Wal niet veronachtzaamd; hij houdt er rekening mee. Hij maakt de zin echter niet af. Hij begint een nieuwe zin, geeft er andere zin aan. Zet geen punt achter de zin, maar een komma. Overschrijft daarmee in principe het wezen wel. Of is het herschrijven?

    Routekaart voor mijn geest

    Dat werken met papieren tassen staat niet op zichzelf. Het is een lijn die gevolgd is, die ooit begon bij het reliëf van een omgeving aan het landschap voorbij en via van kader, context en samenhang bevrijde vormen – op zoek naar de ultieme vorm, een vorm die niets voorstelt maar alles zegt – uitkomt bij oude kartonnen dozen die inspiratie geven. Van platgevouwen dozen gebruikt hij de vouwlijnen als structuur voor een nieuwe opzet. Ook vouwt hij het volume tot een pakketje waaruit de inhoud is geperst. Laat Van de Wal bij de tassen het handvat figureren als vorm waar het oog op valt, bij de uitgevouwen doos betreft dat de gaten die hij erin laat vallen. Wordt de tas gevormd tot een object dat niet meer herinnert aan de oorspronkelijke vorm, dan is de doos een plattegrond van zichzelf – een routekaart voor mijn geest. De opstaande zijden worden het liggende grondvlak. De ruimte wordt tot vlak, de derde dimensie afgevlakt tot lengte en breedte. Door het karton te kleuren krijgt het een nieuwe maat, niet één die de omvang bepaalt maar één die de hoedanigheid vastlegt. De doos is, uitgevouwen, het bestek van een grondvlak voor de opzet van een ruimtelijk voorwerp. Het gebruik treedt de wereld van de kunst binnen. Is het kunst wanneer de kunstenaar de doos of de tas heeft aangeraakt en hervormd.

    De boekjes die de kunstenaar mij stuurde geven een kleine selectie van werken uit de periode waarin hij zich uitdrukt met dozen en tassen. De indruk is dat hij steeds verder gaat met het loslaten van de werkelijkheid om de ultieme vorm te zoeken. Hoever kan hij gaan om een vorm te creëren die niets voorstelt maar alles zegt? Heeft hij die al gevonden? Kan hij zich al uitdrukken door niets te laten zien, terwijl daarmee alles gezegd is? Het is een interessante evolutie die Van de Wal doormaakt. Waar komt deze ontwikkeling op uit? Ieder jaar maakt hij een boekje met nieuw werk daarin, zo is het plan, om de groei van zijn kunst vast te leggen en te tonen. Ik ben graag toeschouwer en beschouwer. Ik kijk door zijn creaties anders tegen gebruiksvoorwerpen als dozen en papieren tasjes aan. Ik zal deze niet zo snel meer links laten liggen, maar er de aanleiding voor een kunstig object in zien. Hé, is dat niet een Van de Wal? Een kunstwerk zonder titel, dat niets voorstelt maar boekdelen spreekt.

    #06 Wall objects, modest and informal. #07 From function to composition. Kees van de Wal. Uitgave in eigen beheer, februari 2026.

  • De Camino voor thuisblijvers

    Het staat niet op mijn bucketlist. Het is geen droom die werkelijkheid moet worden. Voor mij niet althans. De combinatie van fysieke uitdaging, persoonlijke reflectie, culturele ontdekkingen en een verbinding met een traditie die teruggaat tot de middeleeuwen trekt mij niet over de streep om aan de Camino de Santiago te beginnen. De Nijmeegse Vierdaagse zou een goede training zijn als voorbereiding voor een pelgrimstocht. Of dichterbij huis een avondvierdaagse of georganiseerde wandeltocht, maar verder dan een rondje door het bos met de honden kom ik niet. Een wandelaar ben ik niet. Gelukkig kan de tocht tegenwoordig ook virtueel worden gelopen, het is niet alleen meer een fysiek pelgrimspad. Daarbij worden dagelijkse stappen automatisch omgezet naar voortgang op de route. Hoe anders was dat pakweg tien eeuwen geleden. De uitgave “De Camino de Santiago in 101 voorwerpen” doet daar een boekje over open. Met het boek op schoot volg ik thuis op de bank de route beschouwend.

    Santiago de Compostela, Camino, pelgrimstocht

    Veelvormige ervaring

    Denk ik met de materiële sporen uit heden en verleden de tocht in geuren en kleuren voorgeschoteld te krijgen, dan legt de Camino Academie in dit diepgravende project uit wat de bijzonderheden van het pelgrimeren zijn. Het is daarmee een handboek om de tocht te leren kennen. Als eventuele voorbereiding op een tocht die, wanneer je vanuit Nederland vertrekt, ruim tweeduizend kilometer kan beslaan; wat kun je verwachten, waar houd je rekening mee, wat neem je mee en wat niet. Het fenomeen Camino heeft zich ontwikkeld van middeleeuwse bedevaart naar een veelvormige ervaring waarin wandelen, bezinning, cultuur, toerisme en zelfs digitalisering samenkomen. Ging het vroeger om de eindbestemming – het graf van de heilige Jacobus, tegenwoordig is de route zelf de uitdaging. De pelgrim trekt niet alleen door het landschap, maar ook door zijn eigen gedachten.

    Naast een overlevingstocht, het vergt nogal wat van lijf en leden, is het een belevingstocht, alles maakt een diepe en schier onuitwisbare indruk. Het is een spirituele ervaring, doordat je weet in een traditie van eeuwen te staan die nog lang na onze tijd zal voortduren. Dat je daarvan een klein onderdeel mag zijn stemt tot nederigheid en maakt bescheiden. Zelf vergelijk ik dat met mijn meerdaagse bezoeken aan een klooster. In de getijdengebeden besef ik dat de monniken dit op deze manier al eeuwenlang zo doen, dat het in iedere abdij waar dan ook eenzelfde gebruik is: het bidden voor de wereld.

    Op camino gaan

    De bewustwording van en de belangstelling voor het landschap is nog maar een betrekkelijk jong fenomeen. De authentieke pelgrim had het verstand op nul en de blik op oneindig, omdat het meestal geen vrije wil was maar een opgelegde taak. Anders dan toen is de infrastructuur tegenwoordig overtuigend op pelgrims ingericht. Veel wegen bleven lang onverhard, zodat men letterlijk over zandpaden door het stof liep. Hoewel het lijkt alsof de tocht in vroeger tijden meer een straf en een boetedoening was, schijnt de wandelaar nu in een gespreid bed terecht te zijn gekomen. Natuurlijk is er nog steeds de uitdaging van de vele kilometers die moeten worden afgelegd en de lange tijd die men van huis is. Maar de moderne pelgrim is van alle gemakken voorzien in tegenstelling tot de vroegere bedevaartganger. Het op camino gaan is tegenwoordig een ideale must-do, waarbij de schaduwkanten vaak onderbelicht blijven. “De Camino de Santiago in 101 voorwerpen” helpt mij uit de droom, zodat ik niet bedrogen uitkom als ik, ondanks dat de Camino niet op mijn verlanglijst staat, ooit aan de tocht begin.

    Pelgrimagebeleving

    Het boek gaat in op ieder onderdeel van de voettocht, een reis die overigens ook per fiets kan worden afgelegd. En voor ieder element van de route zijn de nodige materiële sporen beschreven. De voorbereiding, het vertrek, onderweg, de aankomst, de terugreis en het weer thuis zijn. Natuurlijk is het onderweg zijn en de aankomst het belangrijkste van het project, maar de doorwerking en uitstraling die het daarna heeft is minstens zo gewichtig als de reis zelf. De pelgrim staat na de tocht ongetwijfeld anders in het leven. De ervaring klinkt waarschijnlijk lang door in de omgeving. Het invoegen in het dagelijkse leven na de tocht behoort uiteraard tot de totale pelgrimagebeleving. Het is een waardevolle herinnering die zich uit in voorwerpen, dagboeken en verslagen.

    De voorwerpen die in het boek worden genoemd zijn niet enkel souvenirs om te koesteren, maar ook objecten die noodzakelijk zijn voor de tocht. Het zijn voorwerpen die de pelgrimage van toen tot nu kenmerken, waarbij veel aandacht is voor de naamgever, althans de beschermheer, Jacobus. Zijn karikatuur van de pelgrim komt in vele zaken naar voren en is op allerlei manieren vormgegeven. In de voorbereiding zijn het de zaken die mee moeten en kunnen om de tocht meer dragelijk te maken. Maar ook waar aan gedacht moet worden, zoals de kleding, de slaapplaats en de routebeschrijving. Een goede voorbereiding is het halve werk, een juiste training voor aanvang – voldoende kilometers in de benen – is een noodzakelijk kwaad. Onderweg zijn er tal van voorwerpen die tot bezinning manen, maar ook die onmisbaar zijn om tot een tevreden einde te komen.

    Eeuwenlange traditie

    Aankomen in Santiago wordt doorgaans als emotievol ervaren. Het doel is bereikt! Aankomen, bijna altijd in gezelschap van medepelgrims, voelt als een feest of een warm bad. (…) Toch kan ook teleurstelling je overvallen, omdat de tocht ten einde is, of vanwege de drukte, de toeristische sfeer in de stad die zo in tegenspraak is met wat je tijdens je tocht hebt ervaren. Soms is er ook het idee: ik wil nog verder, naar Finisterre, naar de kust, het einde van de wereld.” Deze beschouwing vormt niet het slot van het boek. Evenals Santiago voor veel pelgrims niet het eindpunt is, zo is de aankomst in de verhalenbundel een spoor naar wat daarna komt. Want het leven na de tocht is even zo belangrijk als de wandeling zelf. Wat doet het met een mens zo lang van huis te zijn, over het algemeen alleen op pad te zijn en in een eeuwenlange traditie te staan – of beter gezegd: te lopen.

    Hoewel er door de jaren heen uiteraard allerlei persoonlijke verhalen over de tocht zijn rondgestrooid, geeft het boek toch een algemene indruk van de ervaringen die kunnen worden opgedaan tijdens en na de wandeling. De camino-loper zal veel van de genoemde voorwerpen in het boek herkennen, hem of haar bezorgen sommige passages ongetwijfeld een bijna déjà-vu-achtig gevoel. Wat mij, als caminofiel – iemand die belangstelling heeft voor de weg zonder de behoefte te voelen hem zelf te bewandelen, in het bijzonder aanspreekt is de beschouwende blik na aankomst, terugkijkend over de schouder naar de afgelegde uitdaging. Het hoofdstuk ‘doorwerking en uitstraling’ waarin de tocht gelopen is en hoe dat doorwerkt in het leven en uitstraalt op de omgeving, dat is mijn herleesplek – het ankerpunt in het boek. Want wat doet het met de pelgrimmer wanneer hij of zij weer gewoon mens is en terug in de dagelijkse sleur. Komen de oude gewoontes terug, slaat de routine toe. Hoe lang echoot de camino door in de dagelijkse gang van zaken.

    De Camino de Santiago in 101 voorwerpen. Materiële sporen in heden en verleden. Diverse auteurs. Uitgave van De Camino Academie door Uitgeversmaatschappij Walburg Pers, 2026.

    Santiago de Compostela, Camino, pelgrimstocht, Walburg Pers
    Santiago de Compostela, Camino, pelgrimstocht
  • Met Egbarta Veenhuizen op reis door het innerlijk landschap

    Uitingen van de rijkdom die een reis door het innerlijk landschap kan bieden“, zo besluit kunsthistoricus en publicist Rients Kooistra zijn intro tot een boek over het werk van kunstenaar Egbarta Veenhuizen. Het is een enigszins gedateerd boek, maar de kunst die daarin getoond wordt blijft actueel. Zoals vrijwel elk kunstwerk niet tijdgebonden is. Vrijwel, want wat te denken van kunst die uitsluitend in het heden wil leven, zoals politieke propagandakunst en satirische prenten. Deze lopen het risico door datzelfde heden ingehaald te worden. Dat maakt het niet minder interessant, maar wel meer kwetsbaar voor veroudering dan kunst die zich richt op meer universele ervaringen. De persoonlijke ervaringen van Egbarta Veenhuizen blijken universeel, algemeen, om niet te zeggen wereldwijd aansprekend. In een uitgave bij Mauritsheech Publishers met een oplage van 500 exemplaren zal het boek inmiddels wel aan de man zijn. In de museumwinkel van Belvédère zag ik het liggen en het interesseerde me. Door een opdracht een korte film over haar Groenland-project te maken kreeg ik van de kunstenaar een gesigneerd exemplaar met als tegenprestatie dit artikel.

    Het werk dat in het boek, met als ondertitel ‘het raadsel wordt er niet minder om‘, staat afgedrukt omvat twee decennia van scheppen: 1990 tot 2010. Twintig jaren waarin het raadsel van creëren alsmaar dieper is doorgespit en uitgebeend. De dramatiek van het zijn, het mysterie van het leven, heeft kop en staart in de tekeningen van Veenhuizen. Handelingen en gebeurtenissen krijgen symbolische betekenissen, de menselijke figuur als metafoor in een cartooneske omgeving.

    Het beeld mij eigen maken

    Van de raad maak ik dus een daad door het boek te openen. Ik ga op reis door het innerlijk landschap. En probeer daarbij mijn landschap in dat van Veenhuizen te passen, zodat beide samenvallen – dat ik haar betekenis aanvoel. Want wat zie ik, welk beeld neem ik waar, wat is er aan de hand? Volgens Kooistra lijken de tekeningen rebussen en heeft de kijker als taak van de losse onderdelen één geheel te maken. Egbarta Veenhuizen geeft de woorden aan waarmee de lezer van haar beeld een verhaal dient te maken. De titel van het werk geeft nog een ingang. Echter, wanneer het werk zonder titel zich manifesteert, komt het aan op mijn eigen verbeeldingskracht. Feitelijk zijn dat de meest speelse werken, omdat ik dan een persoonlijke verklaring aan de tekening kan geven – het beeld mij eigen kan maken. Bij een opschrift gaat mijn gedachte een bepaalde kant op. Slaat mijn gedachte een weg in die door de kunstenaar is gewezen.

    In het geval van Veenhuizen is de benaming echter even cryptisch als het beeld zelf. Krijg ik de kop maar niet bij de romp, geeft het etiket het raadsel een gelaagde inhoud. Dus houd ik mij de uitspraak van Max Kozloff, in de vertaling van Huub Mous, maar voor: “The eye can never be forced to ’think’, but the mind can be made to see“: “Het oog kan niet denken, maar de geest kan zien“. Ofwel niet het verstand op nul, maar wel de blik op oneindig. Dan zie ik slechts de buitenkant van een mens, die de verpakking is van die persoon. Het voorkomen, het aangezicht, is de gedaante van een mens. In dat silhouet schuilt het karakter, de geaardheid van het wezen. De tegenwoordigheid is wat ik als werkelijkheid beleef, het innerlijk is een abstract gevoel. De ziel van de figuur is dan te ontdekken wanneer de luchtbel wordt doorgeprikt, van het glazen huis de ruiten zijn ingegooid. De essentie van het beeld ligt in een diepere laag.

    Het kijken naar het werk van Egbarta Veenhuizen kan vragen losmaken waarop het zichtbare beeld geen antwoorden geeft. Wie zijn het, hebben ze een naam? De figuren zijn niet ‘naar het leven’ getekend. Een krantenfoto of een vergrijsde afdruk uit het familiealbum kan een bron van inspiratie zijn, maar over het algemeen is het portret uit het hoofd opgezet. Het gaat Veenhuizen ook niet om een specifiek persoon, meent kunsthistoricus Huub Mous. “Het gaat haar om de relatie tussen haarzelf als kunstenaar en een menselijke figuur die zij observeert.” Wie een mens tekent maakt zich een voorstelling van die persoon. Hij of zij ziet een beeld, een uiterlijke gestalte, observeert in zijn of haar verbeelding een lichaam, een houding. De kunstenaar heeft in de praktijk voldoende beeldmateriaal opgedaan om zonder model theoretisch een nauwkeurig lijf te beelden. En zelfs door de buitenkant een beeld te presenteren dat de binnenkant weergeeft. Die emotie, dat gevoel, spreekt dan in het zichtbare beeld, de tekening.

    Verplaatsen in de geest

    Het kijken naar de werken van Veenhuizen vergt doorkijken. Niet wat ik zie is wat het is, maar wat zich achter de voorstelling bevindt. De zichtbare werkelijkheid maskeert de inspiratie, het achterliggende idee. Het figuurlijke mombakkes verbergt de emotie van de maker. De maskers gaan af wanneer de kijker door die façade prikt en op eenzelfde golflengte komt te zitten. Dat vereist inleven en meevoelen, je verplaatsen in de geest van de kunstenaar. Dat is geen eenvoudige opgave, zoals ook het oplossen van een vijfsterrencryptogram dat niet is. Complexe woordspelingen, dubbele bodems en anagrammen kenmerken de hersenbreker. Egbarta Veenhuizen verwerkt in haar composities beeldspelingen, gelaagde visuele verwijzingen en beeldraadsels, waarvan de oplossing zich pas gaandeweg openbaart. Het is noodzaak zich in te leven in de denkwijze van de puzzelmaker. Wat bedoelt deze, wat heeft hij voor ogen? Je blokt en puzzelt, peinst en beredeneert. En opeens, eureka!, heb je de oplossing, het antwoord. Zo is dat met de kunst van Veenhuizen. Je kijkt en beschouwt, doorziet en overdenkt, en dan gaandeweg opent het beeld zich en begrijp je het idee. Het is niet eenvoudig, hoewel het picturaal herkenbaar is. Dat komt door die gelaagde betekenissen en visuele dubbelzinnigheden. De abstracte werkelijkheid, de symbolische realiteit. Logo’s van de emotie. Beeldmerken van het gevoel.

    Laat ik Huub Mous weer aan het woord: “In het werk van Egbarta Veenhuizen gaat het niet zozeer om het mechanisme van de betekenisgeving, maar meer om de manifestatie van een betekenis als zodanig.” Dat was eerst, zo is het begonnen. Het vroege werk heeft nog niet geheel de vorm gekregen die het zou moeten hebben, waar Veenhuizen naartoe wil om zichzelf te uiten. Ze is als kunstenaar nog in de groei. Haar kunst is nog in ontwikkeling. Het werkt langzaam toe naar de betekenis die in de houding en de mimiek van het lichaam ontdekt gaat worden. En daarmee komt dan de gelaagdheid in het werk binnen. En hoeft de kunstenaar niet meer te observeren, maar kan vanuit zichzelf werken.

    Het lijf is figuurlijk gezien haar lichaam. De verbeelde uitdrukking is haar gevoel. Dat maakt de werken puur persoonlijk, voor de buitenstaander minder makkelijk te doorgronden. Echter, Huub Mous weet wat daarvan de oorzaak is, misschien. “Misschien omdat het onbewuste moment van de artistieke creatie meer ruimte heeft gekregen in het proces dat aan het ontstaan van de voorstelling vooraf ging.” Een mooie volzin die de essentie van het werk probeert te vatten. Is de figuur meer herkenbaar, de duiding van het beeld blijft duister. Is er een verschuiving naar een verstaanbaar beeld, het antwoord op de vraag blijft dubbelzinnig. Dat is daarom dan ook de ondertitel van het boek: het raadsel wordt er niet minder om.

    Nog is het werk mysterieus, geheimzinnig. Veenhuizen weet haar kunst steeds dubbel te laden. Niet alleen in het platte vlak, maar zeker ook in een ruimtelijk beeld. Maar dat laat dit boek nog niet zien. Na dit boek zullen bezoeken aan arctische gebieden haar kunst thematiseren. Maar dat is gezegd met de kennis van nu. In 2011 had Veenhuizen er nog maar één reis opzitten. En lonkten Groenland en IJsland nog. Was de koude nog niet in de composities geslopen. De werken in dit boek stralen de warmte van het mogen scheppen. Het plezier in het tekenen, het ontdekken van aansprekende thema’s, het experimenteren met nieuwe technieken en handschriften. Het boek toont het werk niet in chronologische volgorde. De focus ligt eerst op het dan nieuwste werk. Waarna stapsgewijs door het oeuvre wordt gegaan, een stap achteruit en dan twee vooruit. Zo kan de betekenis met terugwerkende kracht duidelijk worden. Van het heden in 2011 naar het verleden van 1990. De reis door het innerlijk landschap heeft nog niet de eindbestemming bereikt, er is nog voldoende rijkdom te ontdekken.

    Egbarta Veenhuizen, het raadsel wordt er niet minder om: een selectie van werk (1990-2011). Tekst Rients Kooistra, Huub Mous. Uitgave Mauritsheech Publishers, 2011.

    Egbarta Veenhuizen
    Egbarta Veenhuizen
    Broos geheel