Tag: bespreking

  • Repelsteeltje – verder kijken dan Grimm

    “Er was eens een land niet ver hier vandaan. In een tijd, maar net voorbij.” Waarschijnlijk dacht de kleine Herman toen al verder dan zijn neus lang is, op schoot bij vader Jan gezeten en met rode oortjes luisterend naar het verhaal dat deze voorlas. Dat hij veronderstelde dat er uit Repelsteeltje meer te halen viel dan de gebroeders Grimm hadden gedaan. En Herman deed het later zeker niet dunnetjes over: hij dikte het verhaal aan zodat het staat als een huis in het land waar de werkelijkheid haar grenzen vergeet. De verbeelder Van Veen weet hoe ver hij de verbeelding kan oprekken. Hij dwaalt door een achter de woorden van de gebroeders Grimm schuilgaande wereld. Daar ontdekt hij dat niets menselijks sprookjesfiguren vreemd is.

    Een sprookje krijgt vleugels

    Aangevuld met vrolijke liedteksten en speelse muziek, met maatvast koor en ritmische dans daarbij, kon de als musical omgewerkte vertelling zo de planken op. En op het podium stond dat spektakel deze zomer ook bij het Herman van Veen Arts Center op Landgoed de Paltz in Soest. Een familievoorstelling rond een tijdloos sprookje dat in een eigentijdse jas gestoken is. Het verhaal verscheen onlangs als boek bij de voorstelling, met illustraties van Rozemarijn van den Berg.

    Repelsteeltje, Herman van Veen, Rozemarijn van den Berg, Harlekijn Holland

    Kwam Repelsteeltje in het theater al tot leven, in het boek krijgt de hervertelling welhaast vleugels door de tekeningen van de studente Fine Arts aan de Hogeschool voor de Kunsten Utrecht. Met haar werk krijg ik een kijkje in het kamertje achter haar ogen, dwaal ik door haar wereld. Fantasierijk en creatief zet Rozemarijn de woorden van Herman kracht bij. Het geeft het verhaal, dat toch al sterk tot de verbeelding spreekt, een extra speelse laag mee. Met haar illustraties krijgt de jonge Rozemarijn van den Berg niet alleen de gelegenheid haar verbeelding naast die van Herman van Veen te leggen, maar ook de ruimte om zich als beeldend kunstenaar te laten zien. Van Veen geeft haar een podium, zoals hij vaker jonge mensen de kans heeft geboden hun talent te ontplooien.

    De gebroeders Grimm zullen zich genoeglijk glimlachend omdraaien in hun graf, want de schrijfstijl van het herschreven sprookje is cabaretesk en kleinkunstig. Wie het sprookje kent zal in de hervertelling herkenbare passages teruglezen. Veel delen zijn er echter bij gefantaseerd, die het verzinsel meer sfeervol maken. Herman van Veen heeft het sprookje een eigen voor hem herkenbare draai gegeven. Hij verstaat de kunst om een bekend verhaal opnieuw te vertellen en er iets van zichzelf aan toe te voegen. Zijn repertoire, ofwel zijn oeuvre, zit daar vol mee.

    Het verhaal openvouwen

    Het plot van Grimms Repelsteeltje is in de kern een verhaal over een onmogelijke belofte, een noodlottige overeenkomst en de macht van een naam. Het sprookje begint met een opschepperij, groeit uit tot een onmogelijke opdracht en eindigt met een naam die alles verandert. Maar wat als een verhaal meer mogelijkheden in zich draagt dan de verteller ooit heeft kunnen vermoeden? Misschien is het die gedachte die de kleine Herman, luisterend naar zijn vader, al op het spoor komt. Om er jaren later een eigen vorm aan te geven.

    Bijna profetisch lijken de gebroeders Grimm een uittreksel te hebben geschreven van het verhaal dat Herman van Veen veel later zou uitwerken. Grimms sprookje is dun en kort – een simpele vertelling bijna; Van Veens vertelling is dik en lang – een groots opgezet relaas. Herman maakt er eerder een volwassen verhaal van, met dubbele bodem en gelaagde inhoud, dan een verhaaltje voor het slapen gaan.

    Repelsteeltje, Herman van Veen, Rozemarijn van den Berg, Harlekijn Holland

    Diverse menselijke onhebbelijkheden en duivelse plagerijen zijn in de verhaallijn verwerkt. Andere personages en figuranten krijgen een opvallende plek. Dat is ook wel nodig wanneer het sprookje als musical op de planken komt, lijkt me. Om het enigszins magere oorspronkelijke verhaal theatraal aantrekkelijk te maken is de vertelling opgeblazen door eigentijdse facetten toe te voegen. Het plot is aangescherpt en de moraal wat nadrukkelijker aangezet. Dat opgeheven vingertje is omfloerst ten tonele gevoerd, verdekt opgesteld in het verhaal, tussen de regels door voor het voetlicht gekomen. Zong de minstreel toch: “Oude mensen verdwijnen in hun dromen, terwijl de jonge mensen nieuwe mensen maken.” Ook de gebroeders Grimm bewerkten en herschreven later hun sprookje. De Grimms namen het op in zeven opeenvolgende edities van hun verzameling en bewerkten de tekst tussentijds. Uit het bestaande verhaal haalden ze meer dan er aanvankelijk in zat, waarna Herman van Veen nog dieper graaft en meer lagen aanbrengt. Hij gaat met zijn Repelsteeltje verder waar de gebroeders Grimm ophielden.

    Een spiegel van verbeelding

    Het is een verhaal vol fantasie, want dat was de oorspronkelijke vertelling ook al. Nu overgoten met toverij en onvermoede wendingen. Er leefde een tovenaar, zo begint het. Alles speelt zich immers af in een duister en mysterieus verleden, in een land aan de rand van wat we weten. Ons weten reikt niet verder dan wat wij kunnen geloven, maar dat kennen wordt opgerekt door sprookjes en gelijkenissen, parabels en fabels, sagen en legenden. De krachten in een dergelijke vertelling kunnen niet bestaan maar gebeuren binnen de grenzen van het verhaal toch. Door deze droomachtige sfeer komen de luisteraars op het puntje van de stoel te zitten, hangen ze aan de lippen van de verteller. Want hoewel wij weten hoe het loopt en afloopt, worden we toch telkens weer verrast door het verhaal. Alsof bij het steeds opnieuw kijken naar een film andere wendingen en handelingen worden ontdekt.

    Herman van Veen rekt de waarheid op, verlengt de fantasie. Waar Grimm het verhaal in zijn tijd heeft samengevouwen, vouwt Van Veen het in onze tijd open. Hij bouwt het uit en heeft de context met de tekeningen van Van den Berg verbreed. De grondtoon is dezelfde gebleven, maar er zijn andere klanken aan toegevoegd. Het draait om hebzucht, rijkdom die onbereikbaar is, misleiding, goedheid en verlangen. Al deze eigenaardigheden wisselen elkaar af, iedere deur in het blijspel gaat open en weer dicht, spelers komen van iedere kant het toneel op en verdwijnen langs een andere weg. Het is een komen en gaan van voorspoed en tegenslag. In Repelsteeltje herkennen wij onszelf, ieder personage zou een rol kunnen spelen in mijn eigen leven. De fantasie staat niet ver van de waarheid, de verbeelding schuurt tegen de werkelijkheid. Het is niet echt, maar het had waar kunnen zijn. Eigenlijk houdt Van Veen mij een kraakheldere spiegel voor, waar deze bij Grimm nog beslagen is.

    “En toen… leefden ze nog lang en gelukkig. Zo eindigt elk sprookje want anders is het niet waar.”

    Repelsteeltje. Een hervertelling van Herman van Veen, met illustraties van Rozemarijn van den Berg. Uitgeverij Harlekijn Soest, 2026.

    Repelsteeltje, Herman van Veen, Rozemarijn van den Berg, Harlekijn Holland
  • Kijken alsof je nooit volwassen bent geworden

    In gewone taal geschreven kunstgeschiedenis, of beter gezegd: in duidelijke taal, is dit stukje cultuurhistorie laagdrempelig beschreven. Daar deze dikwijls in lastige bewoordingen, zo niet hoogdravende vaktaal, wordt omschreven. Maar dit boek blijft bij de basis van het kunnen weten. Vliegt niet op naar hogere sferen van historici en professoren, die de kunst schijnbaar tot een elitair verschijnsel maken. Terwijl kunst er voor de massa is, ofwel zou moeten zijn. Kunstwerken behoren onder het volk te rouleren of althans voor de mensen zichtbaar te zijn. Niet in depots en kluizen staan te verstoffen, bij wijze van spreken. Ook de tekeningen en schilderijen van Vincent van Gogh moeten zichtbaar zijn. Soms gaat er één voor een astronomisch bedrag van hand tot hand, maar de meeste hangen zichtbaar in bijvoorbeeld het Kröller-Müller Museum. Daar zijn ze thuis, want om een plaats te krijgen bij ons boven de bank is mijn budget niet toereikend.

    Het kind dat bleef kijken

    Hoewel het boek “Vincent” van Janneke Ipenburg in opzet voor kinderen is geschreven, hebben grote mensen en volwassenen er zeker ook een les aan. De schrijver laat Vincent van Gogh in eenvoudige bewoordingen zijn leven meemaken. Als een autobiografie geschreven biografie. Vincent wordt beschreven als kleine jongen die een dode veldmuis tekent, tot de grote bebaarde man die zichzelf van het leven berooft. Als kind ligt de wereld voor hem open, als volwassene ziet hij er geen uitweg meer in. Hoe een mens van vrolijk opgeruimde ziel tot een depressieve donkere geest kan uitgroeien. Het is een triest verhaal, maar wel met zonnige hoogtepunten voordat de duistere dalen een mens tot nietig verklaren. Zijn fantasie in de werkelijkheid blijft voortleven met de kunstwerken. Met zijn scherpe blik is hij altijd kind gebleven dat onderzoekt en speurt naar nieuwe manieren om het zichtbare tastbaar weer te geven. Met beschouwende voetnoten wordt de tijdlijn van zijn bestaan in het boek als in vogelvlucht doorgenomen.

    “Vincent” is een eenvoudig album met heldere teksten en beeldende tekeningen. Met als subtitel “Leven om te schilderen” kan de hoofdpersoon trots zijn ook op deze manier in de dood voort te leven. Voor kinderen geschreven, want de historie laat zien dat de schilder dol was op kinderen. Hij was een echte kindervriend en familieman, die echter nooit het zoete genot van een gezin mocht smaken. Zijn verhaal is volwassen, door Ipenburg bekeken met kinderogen. De tekeningen zijn daarom net als de teksten in eenvoud, maar veelzeggend beeldend en ondersteunen perfect het verhaal. Ten volle in de leefwereld en het gedachtegoed van het kind. Van het kind Vincent dat ogenschijnlijk maar niet volwassen wilde worden. Hij leefde in zijn eigen wereld. Is dat niet werkelijk met alle kunstenaars zo, dat ze de kindertijd maar niet willen loslaten? Dat ze de fantasie van vroeger echter niet krampachtig vasthouden, maar dat het een natuurlijk proces is om de wereld met andere ogen te bekijken. Dat ze het zijn zien alsof dit voor het eerst op hun pad komt. En zo ons, waarvan het zicht al vervuild is, laten zien hoe het kan zijn. Kinderogen zien nog de romantiek in het zijn. De zon zien schijnen achter donkere wolken. De zon als het ware zien zakken in de Zuiderzee en dat met een palet kleuren de eeuwigheid in schilderen. Niet tekenen als een kind, maar kijken alsof je nooit volwassen bent geworden. Zo kan ik het prentenboek “Vincent” doornemen en zijn belevenissen op de voet volgen.

    Het leven tekent hem

    Het leven tekent hem, letterlijk. In het boek is hij eerst een stralend kind, zich verwonderend over de kleine dingen des levens. Maar gaandeweg kromt zijn rug en hangen zijn schouders. Het leven valt hem zwaar, maar de zonzijde houdt hem staande. Hij leeft om te schilderen, maar soms lijkt het wel dat hij schildert om te leven. Vincent is hét prototype van de kunstschilder. Gaat helemaal op in zijn werk, leeft een armoedig bestaan, is een bohemien. Een zwerver door het leven in de kunst. Naarmate de tijd vordert sombert hij steeds meer. Niet het schilderen slaat hem neer, maar het leven doet hem dieper naar de dood zakken. Het werken met kleuren en licht houdt hem juist op de been, trekt hem steeds terug het leven in. “We kunnen eigenlijk alleen onze schilderijen laten spreken”, schrijft hij in zijn laatste brief aan broer Theo. Vincent heeft veel brieven geschreven en daardoor is zijn leven en werken duidelijk geboekstaafd. Daardoor kunnen wij nu nog met hem meeleven.

    Schilderijen spreken, tekeningen vertellen

    De tekeningen van Janneke Ipenburg hebben de kracht van Vincents schilderijen in zich. Met eenvoudige belijning en in kleurvlakken en figuratie is een meervoudige zeggingskracht bereikt. Zijn schilderijen spreken, de tekeningen van Ipenburg vertellen. Details uit Van Goghs schilderijen komen terug in de prenten van het boek. Zo kan de levenslijn beeldend gevolgd worden. Zien we de schilder zijn geliefde onderwerpen schilderen. De landarbeiders met gekromde ruggen. Schilderend en plein air in de duinen bij windkracht acht. Hij schetst de aardappeleters en schrijft erover naar Theo. Deze toont hem werk van de dan moderne schilders en laat hen met hem kennis maken. Vincent leert ervan, zoals het leven hem leerde schilderen want op een academie hield hij het maar (te) kort uit. De verf stroomt door zijn aderen, warm als de late zomerzon. Zijn stijl ontwikkelt zich van de bruine verfstreken bij mijnwerkers en landarbeiders naar lossere stippen en streepjes in felle kleuren bij zonnebloemen en sterrenacht. In Frankrijk vindt hij prachtig licht en een machtige sterrenlucht.

    De natuur geeft hem zoveel vreugde, het landschap genoeg voldoening om te schilderen. Ook maakt hij graag portretten. Maar het leven geeft hem smart, hij eet slecht en drinkt veel. Dat leven richt hem uiteindelijk te gronde, het vreet hem op. Maar altijd blijft het schilderen de laatste strohalm. Daarin vindt hij troost, ook als hij weer in de war raakt. “Beste Theo, (…) Ik mag nu alleen tekenen, omdat ik vorige week mijn verf probeerde op te eten. Ik weet ook niet wat mij bezielde.” ‘Hij sluit zijn ogen. Hij ziet nog steeds de zon. Maar ik voel niets, denkt hij.’ Zijn emotie echter sluit hij op in de schilderijen en daarmee sluit hij ook zijn leven af. Het slot in het boek is daar veelzeggend, want niets gaat de schrijver uit de weg. Wat zo mooi is begonnen, eindigt triest. ‘Wist het korenveld wat er zou gaan gebeuren? Het ziet de man met de rode haren, zijn rug gebogen. Zijn vermoeide ogen gericht naar de wolken. De wind aait zijn gezicht, nog eenmaal… De grond, waar hij zo van hield met alle hartstocht die in hem zat, vangt hem op.’

    Vincent. Leven om te schilderen. Janneke Ipenburg, tekst en illustraties. Uitgave Kröller-Müller Museum, Otterlo in samenwerking met Uitgeverij Leopold, Amsterdam, eerste druk 2026.

    Kröller-Müller, Vincent van Gogh

  • VIS – een verhaal met een staart

    Noem je jou kind Vis, dan vraag je om problemen zou je zeggen. Dan wordt het kind op latere leeftijd mogelijk vanwege die naam gepest en getreiterd. Daar kun je vergif op innemen. Net zo met namen als Wolf of Vlinder , Beer,  Mus, Maan en Bloem. Kinderen kunnen vals en gemeen zijn. De ouders kunnen het wel een prachtig ongewone naam vinden, passend in een trend, maar het kind wordt er mee opgezadeld. En alles dat vreemd klinkt is aanleiding voor hilariteit, scherts en plagerij. In de graphic novel van Will Kranendonk en Irene Schiphorst noemt de moeder het kind Vis en, je raadt het al, “ik denk dat mijn naam de reden is dat ik geen vrienden heb“.

    Een boom als vriend

    De moeder van Vis geeft haar die naam, omdat zij tijdens de zwangerschap droomde van een grote roodbaars en een stem die zei dat haar kind even krachtig zou zijn als de rode vis. Vis voelt zich zwak en leeg. Ze voelt zich in de steek gelaten door ouders die altijd aan het werk zijn en vraagt zich af waarom ze altijd alleen thuis is wanneer ze uit school komt. In haar gedachten, die voor haar waarheid zijn, wordt Vis vrienden met een pratende boom. Deze oude eik helpt haar door eenzame momenten. De ervaringsdeskundige recht haar rug wanneer ze haar breekbaarheid met hem deelt. Het lijkt een soort god, bijna een religie, want de eik zegt dat het er altijd is, “hier middenin het park“. Vis kan er al haar zorgen kwijt, al haar levensvragen laat ze los op de boom. Is het een vurige wens om een vriend te hebben of een ouder waartegen ze kan leunen? Een arm om de schouder, bij wijze van spreken. Dat ze daarom spreekt met een boom. In een magisch verhaal vinden mysterieuze gebeurtenissen plaats, die echter niet vreemd aandoen en ongewoon overkomen. Kranendonk en Schiphorst trekken mij met woord en beeld makkelijk binnen in hun wereld van fantasie.

    Een nieuw kind komt in de klas. Hoewel ze Renee heet noemt iedereen haar Peer. Dat schept vrijwel meteen een band; vis en peer. Ze vormen samen de rare namen club. Vis toont Peer haar geheime plekje in de struiken. Eindelijk heeft zij een vriend en komt minder bij de boom. Op een dag komt Peer niet op school, de reden is onduidelijk. Maar later zal blijken dat de blauwe plekken op haar lichaam niet van een ongelukkige val komen. Het verhaal meandert soepel van de dromerige fantasie naar de wakkere werkelijkheid. Het is een verhaal als een parabel met een harde kern van waarheid. Het pesten op school, het huiselijk geweld.

    De meisjes zijn tienermeiden met pret en problemen die bij de leeftijd passen. Zij delen hun fantasietjes en geheimpjes. Peer heeft echter een groot geheim waarover ze niet wil praten: je loopt niet te koop met wat er thuis gebeurd, vooral niet wanneer je er voor schaamt. Het geheim van Vis is de boom. Ze gelooft in de boom en troont Peer er later in het verhaal ook naartoe. En Peer verstaat de boom, maar een man die zijn hond uitlaat in het park hoort dan weer niets. Wanneer Vis na lang zeuren toch eens mee mag naar het huis van Peer, is ze daar onderdeel van de negatieve sfeer. De boze moeder en de dreiging van de onredelijke vader. Door alles heen blijft Vis Peer steunen en er blijkt meer te zijn tussen de vriendinnen.

    Vis en Peer

    Ergens merkt Vis op dat ze nooit aan jongens denkt, Peer ook niet. Maar ze denken wel aan elkaar. De school en de omstandigheden hebben hen samen gebracht. En bijna aan het eind van het verhaal wordt er gezoend. Op de laatste plaat zitten de meiden dicht tegen elkaar aan boven in de boom en kijken uit over de omgeving. Ze zijn groter dan de wereld, voelen zich eindelijk superieur en stijgen boven zichzelf uit. Bijna klinken de slotwoorden “en ze leefden nog lang en gelukkig” in mijn hoofd. Maar het verhaal begon niet met “er was eens“, want het is geen sprookje. Het heeft elementen van fantasie in zich, de verbeelding van de hoofdrolspeler. Een vlucht uit de werkelijkheid van plagerij en uithuizige ouders. Vis projecteert haar benauwenissen op de oude eik. Het wordt haar steun en toeverlaat, een imaginaire grootvader.

    Zo wisselen de meiden op het laatst ook hun onuitspreekbare geheimen aan elkaar uit. En dat brengt hen nog dichter bij elkaar. Daar springt een vonk over, er ontstaat een prille liefde. Kalverliefde welhaast, ze dartelen door het leven en alles zal hen worst zijn. Peer was onderdanig aan haar moeder, nu echter gaat ze brutaal tegen haar in. De blauwe plekken worden eretekens, Vis en Peer geuzennamen. Het vechten tegen molens sterkt hen.

    Woord en beeld

    Het verhaal van Will Kranendonk is beeldend uitgewerkt door Irene Schiphorst. Zij weet de mimiek van de stilte aanschouwelijk te maken, waarin een beeld meer zegt dan duizend woorden. Die woorden zijn geplaatst in tekstballonnen, zoals het een goede strip betaamt. De ingekleurde tekeningen vertellen wat niet in woorden wordt gezegd. De strip is eigenlijk de zee waarop het schip van het verhaal vaart. Zonder water valt de boot droog. Maar de zee van Schiphorst kabbelt rustig door, waarop het schip van Kranendonk kalm dobbert. Het een kan niet zonder de ander.

    De rode draad in het verhaal is geweld. Fysiek geweld en agressie in woord en daad. Om die draad is een streng van aandacht en liefde gedraaid, zodat deze als een koord door de vertelling loopt. Dat het geweld niet werkelijk wordt uitgebeeld, hoewel het tussen de lijnen door duidelijk aanwezig is, maakt de sfeer grimmig. De lezer weet dat er iets speelt, ziet het in de beweging van de bijrol en kijkt ernaar in de handeling van de hoofdrol. Er broeit iets dat uiteindelijk tot bloei komt. Het thema huiselijk geweld en geweld naar kinderen toe is in een NB na het slot van het verhaal toegevoegd. Er is een verwijzing naar Veilig Thuis wanneer hulp en advies nodig is na het lezen van VIS. Zo is wat een aardig tijdverdrijf zou moeten zijn eigenlijk een verhaal met een staart, een gelaagde vertelling met een uiterst serieuze ondertoon. Getekend door het leven trekken de kinderen de blauwdruk van de ouders over. Brengen verbeteringen aan waar lijnen niet goed lopen en waar de maatvoering onjuist is. Het geweld is een facet dat niet in de opvoeding thuis hoort, maar waarnaar ouders wel grijpen wanneer ze niet bij machte zijn het kind of de kinderen te kneden naar hun beeld.

    Vis. Scenario Will Kranendonk. Tekeningen en inkleuring Irene Schiphorst. Uitgeverij MENLU, 2026.

    Wil Kranendonk, Irene Schiphorst, Menlu, beeldverhaal
  • Schoonheid in rimpels en van plooien

    In het boek staat een prachtige tekening afgebeeld. Een tekening die karakteristiek is voor de kunstenaar waarover het boek gaat. In een schets, een soort studie voor een schilderij, zie ik in enkele trefzekere lijnen de man zichzelf beschouwen. Hij kijkt doordringend en plaatst ondertussen het portret in zijn schetsboek. Niet alle lijnen zijn nauwkeurig gezet, alsof de tekenaar niet helemaal zeker is van zijn beschouwing. Zo lijkt het alsof er beweging in de tekening zit, alsof de tekenaar in zijn compositie aan het werk is. Maar wat mij zo treft is de vorsende blik, de scherpzinnigheid van de ogen. Het lijkt dat de kunstenaar door de mens die hij tekent heen kijkt om de ziel te treffen. Is dat niet altijd het geval? Niet enkel met een portret, maar ook met een stilleven en tevens bij een landschap. De kunstenaar wil het wezen van het onderwerp doorgronden, de essentie pakken.

    Het wezen van de mens

    Het boek dat voor mij ligt, en waarin ik de hierboven beschreven tekening vind, is getiteld “De ouder wordende mens” en belicht het menselijke werk van Sam Drukker. De mens is voor hem een belangrijk onderwerp waarmee hij al diverse thema’s heeft neergezet. Door huid, door rimpels, door de onafheid van schoonheid raakt Drukker geboeid. Of zoals de directeur van Museum MORE Maite van Dijk het in haar voorwoord schrijft: “Bij hem is noch het nostalgische verlangen naar jeugd of zelfs het eeuwige leven, noch de verheerlijking van voldragen levens aan de orde.” Het is in ieder opzicht het wezen van de mens, met al zijn schoonheid en rafelranden. Daarmee is het werk van Drukker een ode aan het leven en een lofzang op de levenslust. “In al zijn werk”, gaat Van Dijk verder, “is de liefde, aandacht, concentratie voor zijn modellen te zien, of de persoon nu in de klare lijn van een tekening is gevat of in de kleurschakeringen van verf.”

    De stelling van Maite van Dijk wordt door de afbeeldingen in het boek en de composities in de tentoonstelling onderbouwd. De uitgave is een catalogus bij de presentatie in Museum MORE – Kasteel Ruurlo. In die opstelling vindt Drukker artistieke tegenhangers in werken van de vaste bewoner van het kasteel, Carel Willink. Zijn geschilderde huid vindt Sam te glad en zakelijk en zet daar zijn eigen weergave broos en menselijk tegenaan. Tegenover een jonge vrouw zet hij een oude man. Niet in de pracht en praal van de kleding maar bloot.

    Tijd op de huid

    De ouder wordende mens is een terugkerend thema in het werk van Sam Drukker. Het is al aan het begin van zijn oeuvre aanwezig, zoals de mens na de geboorte al een ouder wordend persoon is. De mens waarin de tijd een rol speelt, waarin de tijd zichtbaar is. Dus wanneer de kunstenaar een kind afbeeldt, ligt daar het thema van de dood al in opgesloten. Want zonder dood geen leven, zonder oud geen jeugd.

    De ouder wordende mens hoeft niet altijd de oudere mens te zijn. Maar de tijd die vat krijgt op de mens fascineert Sam Drukker. Juist huidrimpels en lichaamsplooien laten zich perfect vereeuwigen. Daar ligt de schoonheid van zijn vak als kunstenaar, vindt hij. Dat is de uitdaging om de ziel van deze mens, dat model te raken. Met zijn scherpzinnig zoekende blik kijkt hij dwars door die onvolmaaktheid heen en zet de volmaakte ziel op de drager. Die drager is tevens een ouder geworden voorwerp – panelen, bedstukken, schoolborden, plankjes uit de afvalbak van de timmerman of uit de vuilnisbak stekend; dekzeilen, zonnewering of scheepszeilen. Het draagt de sporen van gebruik en heeft een kleur van zichzelf. Die smetten en vlekken, krassen en lijnen neemt Drukker op in zijn werk. Het maakt zijn composities tot levende beelden.

    “Een absoluut ideaal gebouwde mens is heel saai”, vindt Drukker, “juist waar hij of zij afwijkt, waar imperfecties zitten, daar vind ik het juist mooier worden. En daarin speelt leeftijd een grote rol.” Het is een bijzondere combinatie van schoonheid en verval. Drukker wil achter de huid kijken. Niet de marsepeinen huid zoals die Willink beeldt, maar de huid laat Drukker uit elkaar vallen in kleuren en tonen, “zodat hij gaat leven, gaat ademen”.

    Sam Drukker beeldt het leven, het menszijn. Enkel dat leven, enkel dat menszijn. Want hij zet de mens of mensen in het niets, zonder achtergrond, omgeving of plaatsbepaling. Zonder decor heeft het lichaam al voldoende decorum, zonder context is het tijdloos. En dan voornamelijk de blote mens, de naakte waarheid. De mens in al zijn blote puurheid of pure blootheid staat bij Sam Drukker voorop. Want hoewel de kleren de man maken, laat Drukker deze liever achterwege om de ware mens te vangen. Kleding is verpakking waar de echtheid zich in verschuilt. Met kleren probeert de mens iets te zijn, zonder is deze zichzelf. “Hoe iemand zijn huid draagt is namelijk veel spectaculairder dan hoe iemand een prachtige jurk draagt.”

    Het boek als ontmoeting

    Het boek laat zien hoe breed dat mensbeeld van Drukker is. Naast schilderijen en tekeningen zijn er ook schetsen en studies opgenomen, waardoor je niet alleen het uiteindelijke beeld ziet, maar ook iets van het zoeken ernaartoe. Juist daarin wordt zichtbaar hoe een kunstenaar kijkt, probeert, opnieuw kijkt en uiteindelijk een vorm vindt die de mens recht doet. De afbeeldingen worden begeleid door teksten die het werk in een breder perspectief plaatsen en laten zien hoe het thema van de ouder wordende mens zich door zijn oeuvre beweegt.

    Sam Drukker, Museum MORE, Kasteel Ruurlo, Waanders Uitgevers

    In het boek lees ik een essay van Yvonne Kroonenberg waarin zij terugkijkt op haar leven en blij is dat ze eindelijk oud is. Het gedicht “nog een keer” van Leo Vroman haalt de angel uit de hang van de oudere mens weer jong te willen zijn. De dichter wil helemaal niet meer dat alles wat hij heeft doorstaan nog eens meemaken en eindigt met “In godsnaam nee, niet nog een keer”. Gedicht en essay zijn inleiding op het werk van Sam Drukker dat het ouder zijn als onderwerp heeft. Maite van Dijk is met de kunstenaar in gesprek, de weerslag van dat interview maakt duidelijk op welke manier Drukker het ouder worden en de dood verwerkt.

    Misschien is het daarom juist die tekening aan het begin van het boek die mij zo bijblijft. Die vorsende blik, die enkele trefzekere lijnen en toch ook de aarzeling daarin. Alsof Sam Drukker niet alleen zijn model, maar ook zichzelf probeert te doorgronden. De mens die kijkt naar de mens. En in die blik zit misschien wel de essentie van zijn werk.

    Sam Drukker – De ouder wordende mens. Uitgave bij tentoonstelling in Museum MORE | Kasteel Ruurlo van 4 juli t/m 6 december 2026. Tekst Maite van Dijk, Sam Drukker, Yvonne Kroonenberg. Waanders Uitgevers ism. Museum MORE, 2026.

    Sam Drukker, Museum MORE, Kasteel Ruurlo, Waanders Uitgevers

  • Charley Toorop, Pyke Koch – alles of niets

    Het lijken tegenpolen. Maar ze hebben voldoende gemeen om elkaar niet af te stoten. Werkt de één vooral naar de natuur en stopt veel emotie in de penseelvoering, de ander is zakelijk in de afbeelding en magisch fysiek aanwezig in de schilderijen. Beide zijn autodidact en bepalen persoonlijk een weg in de kunst met een onmiskenbare stilistische eigenheid. De vrouwelijke subjectieve kant van het leven is complementair aan de mannelijke objectiviteit. Zet Charley Toorop met liefde de mens enigszins naïef in beeld, Pyke Koch geeft de lust in het lichamelijk zijn weer. Liet Koch zich in het begin van zijn loopbaan in de kunst nog enigszins afleiden door het werk van Toorop, later lopen de werelden parallel in de keuze van thema en onderwerp maar verwijderen ze van elkaar. Nog wel blijft in sommige van zijn composities de invloed van Toorop zichtbaar. Charley is 10 jaar ouder dan Koch, maar dat weerhoudt hen niet van een vriendschappelijk en collegiaal contact, en zelfs bij het ouder worden hebben zij een korte amoureuze verhouding. De relatie bekoelt echter wanneer de politiek-maatschappelijke opvattingen teveel van elkaar verschillen.

    Toorop en Koch worden in Nederland gezien als twee van de belangrijkste figuratieve schilders van de twintigste eeuw. In de loop van de tijd vonden er op verschillende plaatsen grote overzichtstentoonstellingen plaats, maar nog nooit kwam beider werk samen in een presentatie. De artistieke ontmoetingen en onverwachte raakvlakken worden in Museum MORE zichtbaar. De biografische en thematische overeenkomsten en dwarsverbanden lees ik in “Alles of niets”, een gezamenlijke uitgave van Museum MORE en Waanders Uitgevers. Maite van Dijk, algemeen directeur van het museum, schrijft in haar voorwoord over hun voorkeur voor de intense, frontale weergave van personen, hun zeer individuele interpretaties van eeuwenoude genres, hun visie op een realistische benadering in de schilderkunst. Mieke Rijnders en Carel Blotkamp, gastconservatoren van de tentoonstelling, beschrijven deze onderwerpen in het boek. Daardoor worden de mensen achter de beelden duidelijk, kan ik de schilderijen met andere ogen beschouwen.

    Een eigen weg in de kunst

    Naast de beeldende kunst hebben Toorop en Koch de liefde voor de muziek gemeen. Beide spelen ze viool en overwegen zij hun leven daarin richting te geven. Echter bepaalt het lot anders. Charley wordt in het schilderen en tekenen onderwezen door haar door zijn kunst geroemde vader Jan Toorop. Pyke gaat op aandrang van zijn ouders rechten studeren, maar breekt deze studie kort voor het afstuderen af. Het oeuvre van Charley Toorop staat deels onder invloed van internationale trends waarin zij een eigen persoonlijk spoor volgt. Ze blijft zich altijd baseren op de directe waarneming van figuur, landschap en stilleven, waar door de aangezette kleuren en de rauwe toets – ongepolijst, lichamelijk en emotioneel – een expressionistische ondertoon zichtbaar is. Een zekere onbeholpenheid in het weergeven van het menselijk lichaam en een gebrek aan gevoel voor ruimte weet Charley Toorop om te zetten in een krachtige beeldtaal. Ze verbeeldt haar wereld naarstig in portretten, stillevens en landschappen – haar oeuvre is uitgebreid, zo’n 400 schilderijen in 45 jaar, met oog voor het kleine leed en de grote emotie.

    De nieuwe zakelijkheid en later het surrealisme hebben Pyke Koch zichzelf eigen moeten maken. Hij las veel over kunst en schildertechniek en volgde colleges over onder meer kunsttheorie en de technische kant van schilderen aan het Kunsthistorisch Instituut. Zijn prikkelende onderwerpkeuze en de precisie van de oude meesters in zijn schilderwerk trekken de aandacht. Hij is een getalenteerd kunstenaar maar weet zijn beeldende kracht niet uit te buiten; in 55 jaar levert hij slechts 125 werken af. Zijn magisch realistische werken staan echter als de monumentale, neoclassicistische huizen van Carel Willink. In de gelaagde werkelijkheid van Pyke Koch schuilt dubbelzinnigheid – niet altijd even goed weet ik waar ik naar kijk, denk ik te weten wat ik zie. “Zijn schilderijen zijn in feite een soort collages”, lees ik in de catalogus, “zorgvuldige samenstellingen van eigen observaties en herinneringsbeelden met citaten uit foto’s, films en beeldende kunst, vooral de schilderkunst van de door hem zeer bewonderde Italiaanse renaissance.”

    Toorop en Koch kunnen in het leven zowel als in de kunst goed met elkaar overweg. Voor Toorop echter is Kochs werk te gekunsteld, te bedacht. Voor haar zijn de mens en de natuur belangrijk: “naakt en direct en echt”. Koch moet niets hebben van de natuur en expressief realisme. Ook de hand van Toorop, zo zichtbaar in haar penseelvoering, staat hem niet aan. Koch zet de werkelijkheid naar zijn hand in de glad geschilderde weergave ervan, tot het moment dat die dreigt zijn geloofwaardigheid te verliezen. “Hij was een bedachtzaam schilder; hij doordacht de voorstelling tot in de kleinste details, voordat hij zich aan het schilderen zette.” Toorop daarentegen vat haar composities aan zonder zichtbaar vooropgezet plan. Zij laat het gebeuren waar hij het toeval regisseert. Waar Koch een schilder is van de erotische suggestie laat Toorop de naakte waarheid zien. Anders dan Toorop gebruikt Koch het vrouwenlichaam als vehikel om een sensuele fantasie vorm te geven.

    Zonder vooropgestelde principes

    Bladerend door het boek en rondlopend in de tentoonstelling word ik bekeken en gevolgd door de meest afwezige maar altijd beschouwende blikken vanaf de schilderijen. Het is of de kunstenaars mij gadeslaan, mijn gangen willen doorzien. Dwars door me heen kijken om mij maar op goede gedachten te brengen. Om te onderkennen dat een gedegen opleiding aan een academie voor beeldende kunsten niet altijd heilzaam is. Dat een mens niet wordt opgeleid tot kunstenaar, maar dat gewoon is. Zonder vooropgestelde principes of theorieën ligt de weg open om een eigen zuivere richting te volgen. „Vooral geen principes – werken – en onze eigen opvattingen verzuiveren”, schrijft Toorop. Ook Koch moest niets hebben van getheoretiseer over de schilderkunst: „Voor de keuze gesteld vlooien te moeten hebben ofwel theorieën over schilderkunst, kies ik: vlooien.”

    Charley Toorop, Pyke Koch – alles of niets. Tekst Carel Blotkamp, Mieke Rijnders. Catalogus bij de gelijknamige tentoonstelling in Museum MORE te Gorssel van 21 juni t/m 25 oktober 2026. Waanders Uitgevers, 2026.

    Pyke Koch, Charley Toorop, Museum MORE, Waanders Uitgevers

  • De smaken van het verleden: zonder zakjes en pakjes

    Je kunt van alles in water gooien, roeren en koken om soep te krijgen. Dat kan ossenvleesch zijn of brood, dat kan zuring zijn of hoender met groenten. Zelfs kan het schildpadde van kalfskop zijn. Soep vooraf en gekookte podding toe, of voor de culinaire liefhebber delicato podding of morellen in brandewijn. Je kunt er zelf de creatieve kok voor uithangen. Beter is het een boek ter hand te nemen om te weten wat er in gaat, hoeveel van alles en de bereiding daarvan. Kookboeken genoeg in de bibliotheek, maar wie echt los wil gaan in grootmoeders keuken schaft zich de bijzondere “Voorschriften ter toebereiding” aan. Het opent een venster op de keuken van weleer.

    Peter J. van der Hoek stelde het samen uit een met de hand geschreven exemplaar in het archief van zijn schoonvader. Het is een verzamelaarsobject, want van het origineel bestaat er maar één. De recepten zijn door de moeder van deze schoonvader in het begin van de 20e eeuw opgetekend. Niet enkel een verzameling onderscheiden spijzen en gebakken, maar tevens een bron van kennis die – volgens samensteller Van der Hoek in zijn voorwoord, “vaak van moeder op dochter werd doorgegeven”. Een soort van volksverhalen dus, maar dan op het gebied van kookvoorschriften.

    Vuchtige krabbels

    “Wie door deze pagina’s bladert“, schrijft Van der Hoek verder, “proeft de sfeer van een keuken, waarin de tijd anders liep. (…) Wat dit document zo uniek maakt, is de serieuze toewijding van de auteur.” Het zijn geen vluchtige krabbels van ingrediënten en mengsels, het is een levenswerk dat meer is dan een kookboek; het is een culinair tijdsbeeld. De recepten, veelal vanaf hier en nu bekeken uit de oude doos, kunnen uiteraard nog bereid worden. Zij het wel dat keukenprinsen en -prinsessen vandaag de dag beschikken over de modernste apparatuur zodat van het traditionele koken nauwelijks nog sprake is. In het begin van de vorige eeuw werd gekookt op kolenfornuizen en moesten uit de onbespoten groenten van het land het zand worden gespoeld en de wormpjes worden gezocht.

    Peter J. van der Hoek, kookboek, oud geschrift

    Nu bewaren wij voedsel in blikken of is het ingevroren, toen werden sperziebonen, augurken en pruimen geconserveerd door deze te wecken. Nog wel kennen wij zuurkool van het vat, maar zoute boontjes zijn alleen bij de gespecialiseerde groenteman te krijgen. De eetgewoonten veranderen met de tijd. Het koken heeft een andere invulling gekregen. Het is daarom dat de bewerker van de oude recepten een oproep doet: “Laat dit werk een inspiratie zijn om je eens te verdiepen in een tijd waar zakjes en pakjes hun weg naar onze keukenkastjes nog niet hadden gevonden.“

    Aan de slag met een oud kookboek

    Dus zet ik een pan op het vuur en leg een snijplank op het aanrecht. Sla het boekje open, en zet mij aan het bereiden van een driegangenmenu. Zal ik iets eenvoudigs maken of zal ik mijn huisgenoten eens verrassen. Met de 142 verschillende recepten kan ik goed uit de voeten. Niet alleen vind ik er voorgerechten, hoofdgerechten en nagerechten bij; tevens is er met het boekje bij de hand gebak en koek te maken. Daarom stook ik de oven terloops ook maar even op. Ik begin met een eendvogelen soep en lees: “Men neemt een eendvogel half gebraden; vervolgens de bladen van savooijen kool aan stukjes gesneden en twee uijen fijn gehakt, te zamen met wat boter en blom bruin gebraden, dan doet men hierbij de eendvogel met de jeu, de runderbouillon en een weinig gestoten nagelen, en kookt dit te zamen, zoo dat de soep zeer gebonden wordt.” Het water loopt me nu al in de mond – op naar de poelier voor de eendvogel, want deze zal ik maar niet zelf gaan schieten in het park.

    Aan tafel

    Ondertussen zet ik me aan de bereiding van het hoofdgerecht. Daarvoor zijn de diverse onderdelen afzonderlijk beschreven. Zoals om geforceerd van vleesch of hoen te maken, dan wel runderlapjes te prepareren. Recept voor aardappelen. Doe ik eens gek, en maak een pasteij van een kalfstong of vleesch. Jus en sausjes erbij, bijvoorbeeld geleij van aalbessen of abrikozen-moes. Wanneer alles staat te sudderen en te pruttelen ga ik nog even wat conserveren en leg paling in het zuur, snijd ik citroenen voor het kruis om ze in een Keulsche pot te leggen en laat ik 8 pond frambozen vieren-twintig uren lang koud op 3 pint beste wijnazijn trekken.

    Peter J. van der Hoek, kookboek, oud geschrift

    Tijd voor het toetje. Gekookte podding, sago podding, beschuit podding, zwam podding – er is van alles wat. Creme à la vanielle, Rijnsche wijn vlade, creme vierge, appel struijfjes, grilje-papjes – te kust en te keur. Ook kan ik het menu afsluiten met een stuk taart bij de koffie. Amandeltaart, appelentaart, ordinaire tulleband, wafelen, wentelteefjes of appelpanjets. Voor bij de thee ’s middags maak ik nog evenveeltjes: ½ pond blom, 4 eijeren, 4 kommetjes melk, natte gist de schil van een citroen geraspt, suiker naar de smaak, dan in kleine vormen gebakken. Of zustertjes: een half maatje blom, 5 eijeren, krenten, rozijnen, sukade, snippers en amandelen naar gissing. De vorm gesmeerd met boter, heel dik beslagen en een kommetje boter. Van de karrewij-koekies, de rooma-kintjes, de kaneel-wafeltjes, de hoeren-koekjes en spritzen mag het bezoek nog één nemen – want twee is een paar.

    Terug naar het boekje

    Het is een nieuwsgierig boekje dat de tijdgeest in zich heeft. In eigen beheer door Peter J. van der Hoek in kleine oplage uitgebracht en uitgedeeld bij familie en vrienden. Maar eigenlijk verdient het een ‘echte’ uitgever en een groot publiek, omdat het de sfeer van weleer ademt. Er verdwijnt veel en dat is op zich geen probleem, wat echter behouden blijft van toen geluk heel gewoon was, moet worden gekoesterd. In het boekje kan ik terugbladeren naar gisteren, het gevoel van vroeger proeven. En zelfs werkelijk de smaken van het verleden in de mond nemen, wanneer ik de moeite neem te koken als grootmoeder.

    Tussen de recepten door zijn foto’s van het originele handschrift geplaatst. Aan het eind is zelfs de inhoudsopgave zoals de schrijfster deze heeft gemaakt afgedrukt. Bij de bewerking van het oude geschrift is de destijds gebruikte taal zoveel mogelijk leesbaar oorspronkelijk gehouden. Daarom is tot slot een verklarende woordenlijst afgedrukt, omdat in het Interbellum het Nederlands nog anders klonk dan nu. Die oude, in onbruik geraakte uitdrukkingen krijgen een hedendaagse vertaling. Want die eerder genoemde evenveeltjes, dat zijn kleine koekjes gemaakt van evenveel delen van de ingrediënten. Delicato podding is verfijnde, zachte pudding. Hoeren-koekjes is waarschijnlijk een verbastering van ‘entreheures’ (tussendoortjes), ‘heure-koekjes’. Zustertjes zijn dan luchtige deegbolletjes.

    Om de geur en smaak van de keuken van weleer nog eens te proeven is dit boekje een handreiking om aan het kokkerellen te slaan. En dan zal blijken dat de verfijnde keuken en de delicate smaken van nu een verleden hebben in het toen. De hedendaagse aanhangers van verse producten, vooral onbespoten zo van het land, kunnen zich verlustigen aan “Voorschriften ter toebereiding”. En al die andere lekkerbekken die eens zonder zakjes en pakjes lekker willen bekken.

    Voorschriften ter toebereiding. Een venster op de keuken van weleer. Bewerking van een oud kookboek door Peter J. van der Hoek. Uitgegeven in kleine oplage in eigen beheer, 2026.

    Peter J. van der Hoek, kookboek, oud geschrift

  • Wat achter de oogleden blijft

    Sommige verhalen lees je uit, waarna je het boek dichtdoet, weglegt en verdergaat. Andere vertellingen blijven bij je. Dat komt niet doordat je wilt kunnen navertellen wat erin gebeurt, maar omdat een beeld of een gevoel zich niet zomaar laat loslaten. Dat heb ik bij Twa skinken, de graphic novel van Elske Schotanus. Het is de beeldbewerking van een oude Friese sage, verteld aan volksverhalenverzamelaar Ype Poortinga door Roel Piters de Jong, een van de vertellers van wie Poortinga verhalen optekende. Poortinga nam de tekst op in zijn verzameling volksverhalen De held en de draak.

    Een nacht die blijft

    Tijdens het lezen en bekijken van Schotanus’ bewerking ben ik niet zozeer bezig met het verhaal als gegeven. Het is eerder alsof ik meer door de beelden en minder door de tekst een wereld betreed die ik niet helemaal begrijp, maar waarin ik mij laat meenemen. Al bij het begin hangt er iets geheimzinnigs over de gebeurtenissen. Niet zozeer een raadsel dat opgelost moet worden, maar iets wat zich niet volledig laat verklaren. Alsof er naast mijn dagelijkse werkelijkheid een andere waarheid bestaat die zich soms maar een kort moment toont.

    Wat mij vooral bijblijft, is de ontmoeting in de herberg – de kern van het verhaal. Een plek die niet bestaat, maar waar gezelligheid is en ruimte voor een mysterieuze ontmoeting. De omgeving heeft iets lichts en bevrijdends. Alsof het leven daar even niet wordt bepaald door wat kan en niet kan. Hoofdpersoon Ids ontmoet er zijn geliefde die eerder in het verhaal tastbaar aanwezig was. Met haar brengt hij een nacht door die aanvankelijk als werkelijkheid wordt ervaren, maar zich later aan het alledaagse leven lijkt te onttrekken. Het is een ontmoeting die naar meer doet verlangen, maar niet tot een gezamenlijk leven leidt. Juist dat maakt de droomachtige sfeer voor mij zo geladen: wat even als een nieuw begin voelt, draagt al het verdriet van wat niet kan blijven.

    Tijdens het lezen ervaar ik die blijkbaar gedroomde nacht bijna als een interval in de tijd. Er is geen verklaring nodig. Er is alleen het treffen, de samenkomst. Een sfeer alsof ik daar eerder ben geweest. Omdat anderen in het verhaal zeggen dat de herberg niet bestaat of al lang verdwenen is, blijft er iets vreemds aan die scène. Het is alsof ik naar een herinnering kijk die niet van mij is.

    De werkelijkheid laat een spoor na

    Het ontroert me, omdat ik ook weleens een dergelijke stemming in een droom ervaar. “It wie him net slagge har los te litten. Syn tinzen slingeren allegeduerigen hinne en wer tusken langst en haat.” De nacht krijgt een wakker vervolg, wanneer de volgende morgen iets tastbaars van die nacht aan het licht komt. De skinken, de Friese hammen die in een naburig dorp bezorgd hadden moeten worden, liggen in de sneeuw. Dat ze daar, op de plek van de gedroomde herberg, werkelijk liggen is genoeg. Ze vormen een spoor van iets wat niet bewijsbaar lijkt. Wat is werkelijkheid, wat is droom?

    De weemoed van het gewone leven

    En juist daardoor wordt de sage voor mij meer dan een wonderlijk verhaal. Het gaat ook over herinneringen, verlies en momenten die voorbij zijn. Onder de geheimzinnige sfeer voel ik ook iets verdrietigs. De liefde die in die nacht zo dichtbij lijkt, krijgt geen vervulling. Het leven gaat verder, maar niet zoals je na zo’n ontmoeting misschien zou geloven. Hopen dat dromen geen bedrog zijn.

    Dat maakt de sage voor mij minder een verhaal over een wonder dat de werkelijkheid overwint, dan over een verlangen dat heel even waarheid wordt. De dood blijft dood. Het verlies blijft verlies. En toch is die ontmoeting er geweest. Een moment hoeft niet eeuwig te duren om betekenis te hebben. Een liefde hoeft niet in het dagelijks leven te worden voortgezet om werkelijk te zijn geweest. Soms blijft er alleen een beeld over. Een herinnering. Een spoor in de sneeuw.

    Een verhaal om in te verdwijnen

    De kracht van Elske Schotanus zit voor mij in de manier waarop zij die oude sage opnieuw vormgeeft. Haar manier van tekenen maakt het verhaal tot een droombeeld. Mysterieuze en lugubere, bijna surrealistische plaatjes die zij met de iPad heeft gemaakt. De lijnen en vlakken lijken losjes op papier gezet, met hier en daar fotografisch materiaal. De achtergronden schijnen met een airbrush te zijn aangebracht. De personages op de voorgrond hebben een vluchtig karakter. Het maakt de sfeer speels en dromerig, alsof ik het verhaal voor het slapen gaan lees en het mij in de fantasie meeneemt.

    Zo blijft Twa skinken bij mij achter als een verhaal over liefde, verlies en de grens tussen droom en werkelijkheid. Niet als een les, maar als een ervaring. Een nacht waarin alles even mogelijk lijkt. Een ochtend waarin de werkelijkheid terugkeert. En twee skinken in de sneeuw, die laten zien dat ook het onmogelijke soms een spoor nalaat.

    Twa skinken. Graphic novel, tekst en tekeningen Elske Schotanus. Bewerking van een Friese sage. Uitgeverij DeRyp, 2026.

    tekst in de fryske taal
    Elske Schotanus, Utjouwerij DeRyp, beeldverhaal, sage

    NB enkel het omslag is van de hand van Elske Schotanus, de andere illustraties komen van elders

  • De wildernis onder mijn voeten

    Het is er het seizoen voor. Dat denk ik. Omdat deze maanden van september tot en met november voor zover ik me kan herinneren verbonden zijn met het fenomeen paddenstoel. Wanneer de bladeren van de bomen zijn gevallen, schijnt het moment daar voor de zwammen om deze netjes op te ruimen. De vochtig warme grond met nevel over de velden lijken de aangewezen omstandigheden voor deze schepsels. Geschonden takken en gehavende stronken geven onderdak aan de mysterieuze wezens die er zomaar uit het niets opeens zijn. Het spreekwoord klinkt daarom welluidend en correct: ‘als paddenstoelen uit de grond schieten’. Want gisteren waren ze er niet, maar vandaag staat er opeens een heksenkring in het groene gras.

    Geertje Geertsma, paddenstoelen, Uitgeverij Blinuet, Stadspark Groningen
    Vliegenzwam © Geertje Geertsma

    Niet alleen herfst

    Echter, niet enkel is de herfst het jaargetijde waarin de paddenstoel zich op z’n gemak voelt. In ieder seizoen kan hij de kop opsteken, hoewel elke tijd een eigen vorm van groeien heeft. Ik lees dit wanneer ik het bijzonder leerzame boek van Geertje Geertsma bekijk. De tekenaar heeft niet alleen een kunstboek afgeleverd, maar geeft samen met anderen in tekstuele bijdragen een biologieles over de paddenstoel. Geertsma zwerft al jaren door het Stadspark Groningen met haar ogen naar de grond gericht. Haar blik legt de magische wereld van de paddenstoel vast. Wat ze ervaart, van de gangbare Vliegenzwam tot de zeldzame Parasietbeurszwam en van het Gewoon Fluweelpootje tot het Knikkend kalkkopje, neemt ze mee naar haar atelier. Daar tekent ze uit de herinnering in fijne lagen wat ze heeft gezien. De paddenstoelen die ze op papier zet zijn dan ook niet naar de natuur getekend en daardoor onbruikbaar om de soort te herkennen. Maar wat geeft het, het is de schoonheid die herkend wordt.

    De paddenstoelen die Geertje Geertsma tekent geven uitdrukking aan haar emotie bij het onderwerp. Ze werkt vanuit een theoretische grondslag, die haar kunst een diepere conceptuele gelaagdheid geeft. Het concept betreft hier het seriegewijs benaderen van het thema paddenstoel. Het boek heeft als titel ‘4 Seizoenen 100 Paddenstoelen’ en is opgezet rond het 100-jarig bestaan van het Stadspark. Geertsma vond daarin de aanleiding 100 soorten paddenstoelen en slijmzwammen te tekenen en als boek uit te geven. Inmiddels heeft ze er door haar gedrevenheid 17 bij gemaakt en moest het titelblad worden aangepast. Het grote boek heeft als extraatje een klein broertje gekregen. Bij dat miniatuurboekje heb je bijkans een vergrootglas nodig om teksten te lezen en afbeeldingen te zien. Het bevat 43 van de allerkleinste soorten uit de grote broer, maar dan op ware grootte samengebracht en niet sterk verkleind afgedrukt. Het is een literair kleinood naast de officiële uitgave. Een leuk hebbedingetje.

    De paddenstoel is uitermate geschikt als decor voor een sprookje, als zitplaats voor de kabouter, als bankje voor de elf en als dansvloer voor de heks; de tovenaar brouwt er een drankje van. Het straalt iets geheimzinnigs af, heeft een mysterieuze bijsmaak. Misschien is het plotseling verschijnen ervan daaraan ook debet. En dat het zoveel verschillende verschijningsvormen heeft. Het overal de kop kan opsteken, geen plant is en geen dier, op zichzelf staat en niet in een vakje past.

    Geertje Geertsma, paddenstoelen, Uitgeverij Blinuet, Stadspark Groningen
    Zadelzwam © Geertje Geertsma

    Leren zien

    Uit de tekeningen van Geertsma kun je de liefde voor het onderwerp zien en aanvoelen. Ze heeft oog voor hetgeen anderen zomaar ongemerkt kunnen vertrappen. De kleine leefwereld in het grote park. De wildernis onder mijn voeten, waaraan ik voorbijloop en die ik niet opmerk. Die kleine exemplaren in dat miniboekje zijn daarvan een sprekend voorbeeld. Want wie kijkt nu op of om naar bekertjes, kopjes, vingertjes en wieltjes van amper 1 centimeter groot. Op mijn tenen loop ik niet door het park of het bos, over de weide en het grasveld. Ook neem ik geen vergrootglas mee wanneer ik met de honden een wandeling maak. Men ziet mij niet liggen in het natte gras of op de drassige grond. Na het bekijken van het boek van Geertje Geertsma is de aandrang dat te doen wel groter geworden, is mijn nieuwsgierigheid gewekt om de natuur nader te beschouwen.

    Geertje Geertsma doorkruist met een willekeurig plan het stadspark en speurt de bodem af naar de schoonheid van die omgeving. Haar wandeling lijkt op het schijnbaar ordeloos groeiende mycelium, het schimmelnetwerk dat de wereld bijeenhoudt. Het wortelstelsel van de zwammen vertakt zich kriskras ondergronds en verbindt de paddenstoelen met elkaar; het is haar navigatiesysteem. Tijdens die tochten slaat ze de zichtbare wereld op, maakt er foto’s van. Deze dienen als richtlijn, een geheugensteun, want ze tekent ze niet na. In haar hoofd heeft ze beelden gevormd die de basis zijn om te gaan tekenen. Ze verbeeldt wat ze zich herinnert, ze geeft beeld aan haar gevoel.

    In haar kunst maakt ze het ongrijpbare grijpbaar, het onbegrijpbare begrijpbaar. Veel paddenstoelen zijn minuscuul van afmeting, op microformaat; Geertsma maakt deze handzaam, zelfs op ware kleine grootte. De meeste paddenstoelen zijn raadselachtig van karakter, ondoorgrondelijk van aard. De kunstenaar maakt juist doordat ze deze niet naar echtheid tekent inzichtelijk. Haar emotie bij de natuur geeft het onderwerp, dat in dit boek het thema is, een lichtzinnige dimensie bij een filosofisch perspectief.

    De straatvegers van het bos

    Een aantal ter zake kundigen doet in het boek een boekje open, licht een tip van de sluier op over het wezen paddenstoel. Onderwijst over de diverse soorten en verschillende vormen. Zwammen echter niet over het nijvere opruimwerk van schimmels, want ze weten dat het vakkundige vuilnismannen zijn, die schoon schip maken van park, bos en veld. Ieder jaargetijde heeft zijn eigen straatvegers van het bos. Niet zo snel als dat ze verschijnen hebben ze takken en stammen opgeruimd, het aanharken is een kwestie van tijd. Maar is eenmaal de arbeid aangevangen, dan verdwijnt op den duur de dood in de grond. Want alles ontspringt en groeit uit de aarde, maar verdwijnt na verloop van tijd daar ook weer in. Ashes to ashes, dust to dust, met hulp van de paddenstoel.

    Het boek van Geertje Geertsma opent de ogen voor de schoonheid die de aarde voortbrengt. Kijk ik wel goed uit of ik niets vertrap onder de zolen van mijn laarzen wanneer ik van de gebaande paden in het bos afwijk. Natuurlijk mag dat niet, dat buiten de lijntjes kleuren, maar het kreupelhout inlopen en mij bukken totdat ik zwammetjes en elvenbankjes op ooghoogte heb, is met het kleine broertje van het grote boek wel heel verleidelijk. Met de tekeningen toont Geertsma niet enkel de liefde voor het vak, maar ook haar passie voor de natuur. Met genegenheid portretteert ze de vruchtlichamen van het mycelium tot in het kleinste detail. Ieder haartje en elk toefje, alle belijningen en variatie in kleur heeft ze hartstochtelijk in beeld gebracht. En dan te bedenken dat ze ‘slechts’ 117 exemplaren van de wereldwijd beschreven 160.000 schimmelsoorten heeft getekend. Wetenschappers schatten echter dat de werkelijke teller pas ergens tussen de 2 en 3 miljoen stopt. Zovele soorten zullen er in het Stadspark Groningen niet voorkomen, maar Geertsma kan nog wel even voort met deze serie. “Sommige knoopjes lijken op bloemen, andere op hersenen en soms zijn ze opgeblazen of grootsporig. Ze zijn mij een groot deel van mijn leven niet opgevallen tot ik beter leerde ‘zien’. Hoe is het mogelijk dat ik ze niet eerder zag!”

    4 Seizoenen, 100 Paddenstoelen (en nog 17 extra). Geertje Geertsma. Plus een miniatuurboekje. Illustraties: Geertje Geertsma. Teksten: Geertje Geertsma, Lucette ter Borg, Jorinde Nuytinck en Rick Middelbos. Uitgeverij Blinuet, 2026.

    Geertje Geertsma, paddenstoelen, Uitgeverij Blinuet, Stadspark Groningen
    Geertje Geertsma, paddenstoelen, Uitgeverij Blinuet, Stadspark Groningen
    Het kleine broertje
  • Waarom zal ik het levensverhaal van Elmar Kuiper kennen?

    Waarom zal ik het levensverhaal van iemand kennen. Ik heb al genoeg van doen met mezelf op de rails te houden, bij wijze van spreken. Waarom is de ander interessant. Heeft deze naam of faam. Is dan de biografie roddelpraat, boulevard-geflaneer van de hoofdpersoon. Aandachtvragerij. Soms is een leven zo wetenswaardig dat anderen daar iets van willen kennen. Dat het resultaat van een zijn dermate interessant is dat je dat wezen voordien wilt onderzoeken. Niet Jan-met-de-pet, maar Karel-met-de-kroon. Het verhaal leest dan als een schelmenroman, een heldendicht of een ridderepos.

    Het kan gortdroog zijn omdat zelfs tussen de regels door niets meer valt toe te voegen. Dat alle fantasie is dood geslagen. Dat kan proza doen. In de poëzie kunnen zinnen gevolgd worden door witregels om op adem te komen. Even de gedachten laten gaan. Overdenken wat er zojuist gelezen is om op te laden voordat je verder gaat. Dat kan bij Elmar Kuiper in de uitgave “Wytbekroek“. Zijn gedichten geven minimale aanwijzingen om maximaal te beleven. Want ik lees mezelf in zijn transparante poëzie. Kuiper laat ruimte waarin mijn eigen gedachten kunnen binnentreden. Ik kan mezelf terugvinden in zijn herinneringen, alsof ze van mij zijn, alsof ik deze heb meegemaakt. Een soort van déjà vu: ik was daar, toen ook. Natuurlijk is dat niet zo. Elmar is geen Jurjen of andersom. Maar de schrijver weet het zo te formuleren dat de lezer zichzelf er in herkent, kan herkennen. Dat komt doordat de generatie dezelfde is zodat ervaringen overeen komen. Niet dat de poëzie daardoor aan kracht inboet wanneer wij allen uit de tijd zijn. De volgende tijd neemt de ervaringen mee.

    De roek als verhalenverteller

    Wytbekroek. Roek, uit de familie van de kraaien, heeft een opvallend witte snavel. In het boek is hij de verhalenverteller. Hij skrast en krast zijn geluiden op het papier. De kraai is een mysterieus dier, de roek evenzo een geheimzinnige vogel. Wanneer je hem ziet met zijn kop scheef, is het alsof hij jouw gedachten kan lezen. Weet wat jij denkt en daarop participeert. Die verhalen, geen fantasiën, geeft hij door aan de wereld onderwijl in parmantige pas straten en pleinen overstekend.

    Wytbekroek, Elmar Kuiper, poëzie, kunst

    De kraai foarop is de lieder mei de hege hoed. Wa’t nei syn gong sjocht, sjocht sûnder muoite de gelikenis mei de swarte fûgel, de roek. Allinnich de brede grize snaffel, keal oan ‘e basis, ûntbrekt. De priemende ogen kijken rond zich om te zien of de stoet goed verloopt. Of alles er wel zo devoot aan toe gaat als een rouwstoet betaamt. Een kraai, de grote neef onder de huisvogels, is in zijn zwartheid een onaangenaam dier. Toch is het even sierlijk als een vogel zijn kan. Het laat zich zweven op de winden, de vleugels uitgestrekt en de topjes iets omhoog. Met oog voor detail weet het exact daar te landen waar het wil. Door zijn grootheid kan de vogel in plaats van alleen maar hippen, zoals de vink en de mees doen, ook lopen. De beide poten kunnen zich afzonderlijk van elkaar bewegen en daarmee kan de vogel, parmantig in het rond blikkend, als een heer rondstappen. De kraai is onlosmakelijk verbonden aan de hulpen die een dode naar het graf dragen.

    Zo’n vogel had mijn broer vroeger, een tamme kraai. Gedroeg zich als een postduif. Mensen zeggen dat ze kunnen leren praten, maar dat heb ik die ka nooit horen doen. De roek van Elmar Kuiper kan dat wel, op zijn duistere manier. Hij zegt hem zijn gedachten voor; Kuiper schrijft deze als het gezang van de zwarte vogel op. En tekent bot en onbehouwen uit wat lyrisch in woorden is geschreven. In deze tekeningen is hij de roek, die volgens de mythe kostbaarheden verzameld waarmee een slordig nest wordt gebouwd. Zo rommelig lijken de illustraties van Kuiper ook in elkaar te zitten. Maar het is een evenwichtig samenspel van simpele gedachten die opborrelen in de geest. Een uitweg vinden in woorden, maar beter nog het pad van de beeldende kunst bewandelen. Geen esthetische waarheden, veeleer grof gebroken fantasmen. Deze staan in schril contrast met de poëtische regels.

    Van dichter naar schilder

    Waar zijn poëzie weloverwogen en volwassen is, lijkt hij zich in zijn schilderkunst juist een zekere onbevangenheid te permitteren. Een interessante tegenstelling: de dichter die zijn taal beheerst tegenover de schilder die de verf ruimte geeft om te ontsporen. Zijn zangerige  maar weerbarstige poëzie, waarin werkelijkheid, verbeelding en absurditeit voortdurend in elkaar grijpen, is de inspiratie voor de beeldende kunst. Zintuiglijk ga ik mee op de ritmische balans. Terwijl ik lees, raak ik steeds verder verstrikt in de gedachtewereld van Elmar Kuiper. Herinneringen, gesprekken met ouders, beschouwingen van kinderen – met de dood voor ogen. Het zijn zo onderwerpen van alleman. Daarmee kan ik mij vereenzelvigen. Mijn zijn bestaat ook uit deze elementen van leven. Daarom staat de poëzie van Kuiper met beide voeten in het leven, terwijl de beelden dat leven optillen naar een andere werkelijkheid.

    Wytbekroek, Elmar Kuiper, poëzie, kunst

    Het Frysk danst

    Niet iedereen zal zich daarin kunnen vinden, terwijl wie vooral het wit tussen de woorden leest en de lege regels doorneemt zich in de lyrische besprekingen kan vinden. De taal hoeft dan stellig geen drempel te zijn. Het Frysk danst over het papier, ook voor degene die de spraak niet machtig is. Het gevoel is universeel, de sfeer voor iedereen begrijpelijk. Daarvoor moet je door de woorden heen zien, kijken langs het idioom van de spraak. Dan is het taaleigen niet persoonlijk voor die bepaalde streek, maar kan het zich overal doen gelden. Dan is het onbelangrijk dat je kunt verstaan en het alleen ervaart als klanken.

    “soms

    sykje ik

    in útwei

    sis ik tsjin mysels:

    kop derfoar, El!

    drink ik kofje

    út in mok

    mei I love daddy

    derop

    soms

    tink ik dat ik

    de wurden drink

    dy’tsto my skonken hast”

    Een prachtige gedachte waar ik die van mij in kan plaatsen. Ik kan het Fries spellen en nazeggen. Dat is geen noodzaak, want je hoeft het niet te kunnen spellen, het resoneert in gedachten. Ook wie het Fries niet beheerst kan de poëzie ervaren, fonetisch dan, maar de emotie klinkt erin door en bepaalt het gevoel.

    De dood is een vast onderdeel van het leven. Een onontkoombaar fenomeen – een grens die iedereen vroeg of laat over moet. Dat een dichter daarover dicht is niet verwonderlijk. Zoals de tekstdichter ofwel liedjessmid verzen maakt die over liefde gaan. Want dat is ook het leven. Maar zo onomwonden als ‘ik hou van jou’ daartoe verlaagt de poëet zich over het algemeen niet. In de poëzie wordt tussen de regels door de liefde bedreven. Ligt het er niet dik bovenop, maar klinkt er wel in door.

    Wytbekroek, Elmar Kuiper, poëzie, kunst

    Elmar Kuiper schilt de woorden van de taal, zoals een appel haar jas laat uitdoen. De letters komen los van het alfabet, waardoor de dichter deze naar eigen inzicht kan leggen. Net als in zijn collages lijken de details soms minder te passen, maar vormen uiteindelijk toch een doorlopend geheel. In de taal is dat beter zichtbaar dan in het beeld. Zijn gedichten zijn geen traditionele poëzie. Het zijn vaak kleine verhalen, met veel suggestieve invallen. Een overmoed aan witruimte waarin de lezer zelf het plot dient in te vullen. Waarom zal ik het levensverhaal van Elmar Kuiper kennen? Wel, omdat hij zijn leven niet aan mij opdringt, maar mij erin laat binnengaan met mijn eigen ervaringen. Kuiper geeft de voorzet, ik schiet op doel. Mis ik dan heb ik het niet begrepen. Meestal echter is het een voltreffer en grijpt de keeper in lucht. Kuiper is een beste aangever.

    Wytbekroek. Elmar Kuiper, poëzie en kunst. Utjouwerij Hispel, 2026.

    Wytbekroek, Elmar Kuiper, poëzie, kunst
  • Henk Zwerver improviseert op papier

    Henk Zwerver plaatst een komma waar andere kunstenaars een punt zetten. Zo begon ik kortgeleden mijn beschouwing over het werk van Zwerver, zoals ik dat zag in Kunstlokaal No.8. Die letters staan nog warm op mijn scherm, het artikel ligt nog digitaal te drogen, zo recentelijk is het geschreven. Als reactie op die recensie stuurde de kunstenaar mij zijn laatste gedrukte uitgave. “Dit is het boek dat de aanleiding vormde tot mijn recente expositie (…), mijn allereerste verschijnen voor publiek en meningsvorming.” Deze bundel collages kan ik voor kennisgeving aannemen, er verder niets mee doen en gezien in de boekenkast schuiven. “Ik stuur het je graag toe omdat jij de eerste bent die in geschreven woord reageerde op mijn spul.” Die conclusie zet mij aan tot dieper denken dan slechts een kijken zonder te zien. Maar zal ik herhalen wat ik eerder schreef? Zal mijn ambiguïteit, onbepaaldheid, andermaal de voortdurende komma onderkennen?

    Henk Zwerver, collages

    Dat is het namelijk wel. Die komma is belangrijk voor zijn werk. Hij gaat verder waar anderen afronden. Zijn idee reikt verder dan het zichtbaar geconstrueerde beeld. In de achtergrond van het een denkt hij door om de voorgrond van het andere samen te stellen. A prima vista betreedt Zwerver een pad dat hij zelf gaandeweg ontdekt. Zo werkt dat in zijn muziek en zo klinkt dat door in zijn kunst. Door de bundel Un appareil photo kom ik op het spoor van Henk Zwerver. Het boek heeft geen tekst, want beelden zeggen meer dan duizend woorden. Dus daaruit kon ik geen verhaal halen. Via zijn website ontdekte ik een andere dimensie, die van de muziek.

    De komma blijft staan

    Zwerver beoefent de vrije geïmproviseerde muziek. En net als dat in de kunst zo werkt, van het realisme naar de abstractie, heeft hij sporen verdiend in meer traditionele stijlen zoals beat en rock. Uiteindelijk maakt hij zich los van het keurslijf van de vierkwartsmaat en gaat het experiment aan door klankonderzoekend, pointillistisch en eigenzinnig de gitaar te bespelen. Diezelfde drang om vrij te zijn vind ik terug in zijn beeldende werk. Hij knipt en scheurt details uit de bekende wereld om er tot dan toe onbekende uitdrukkingen mee te maken. In zijn collages geeft hij omwonden commentaar op het zijn. Door anders te kijken en verdiepend te zien, ontdek ik de onomwonden kanttekening.

    Henk Zwerver, collages

    De aanleiding tot beelden, het materiaal waarmee Henk Zwerver werkt, is genomen uit de zichtbare werkelijkheid. Het resultaat van passen en meten, schuiven en verleggen, is van een onwerkelijke orde. Hij arrangeert en structureert een nieuwe regelmaat. Zo heb ik de wereld om mij heen nooit bekeken. Vanuit dit perspectief is het leven nog minder begrijpbaar dan het al was. Zwerver legt niet uit, maar roept juist vragen op. Hij zet geen punt, maar plaatst een komma. Het is niet zo, het is onder andere.

    Van snaren naar schaar en lijm

    Zijn muzikale domein is dat van de vrije improvisatie, waar klank, stilte en intuïtie belangrijker zijn dan melodie en vaste vorm. Die formulering kan ik over zijn beeldende kunst leggen, het dekt de lading naadloos. Henk Zwerver improviseert niet alleen in muziek. Ook op papier zoekt hij zonder vooropgezet plan naar samenhang. Waar hij als gitarist met snaren en klanken werkt, zijn het in zijn collages schaar en lijm die het beeld laten ontstaan. Hij improviseert dus niet alleen met geluid, maar zeker ook met beeld. Ook zijn collages zijn geïmproviseerde composities; de muzikale werkwijze heeft hij naar het beeld vertaald. Waar de muziek met moeite ingang vindt, zet het beeld deuren open. Alsof Zwerver zelf even genoeg heeft van de gestapelde en exploderende tonen, en afleiding zoekt in rustiger vaarwater.

    Een sprong naar voren, een stap terug

    Dat stille water heeft een diepe grond. Soms is de oppervlakte troebel, maakt kroos het water drabbig, en zie ik door de grote waternavel de bodem niet meer. Het bos en de bomen. De aandacht voor en de uitwerking van Zwervers omgeving maakt zijn wereld tot een abstract gegeven. Wat te denken van al dit knip- en plakwerk, het verstand gaat op nul waardoor de blik op oneindig kan staan. Want zonder punt is het werk oneindig. Henk Zwerver maakt geen punt waar hij een komma zet. Zijn punt is een abstract fenomeen. Niet actuele krantenknipsels maken zijn moodboard, maar fragmenten uit een voorgaand leven. Waar Zwerver in de muziek een sprong naar voren doet, zet hij in zijn collages een stap naar achteren. Het houdt elkaar in balans.

    De kunst is geen afleiding om tot rust te komen van de vrije geïmproviseerde muziek. Ik zie hem in gedachten stijf van de adrenaline de gitaar in de koffer doen, zich natrillend aan tafel zetten en al bladerend de schaar ter hand nemen. Werkend en beeldend komt hij tot rust en laat zich op voor een volgende muzikale sessie. Dat is het niet, dat is een fout beeld. De kunst is een verwacht voortvloeisel van de muziek. Dit gebeurt er wanneer een improviserend muzikant zijn manier van muziek maken naar het beeld vertaalt. Dit laat hij als spoor achter. Dit klinkt. In de bundel is het qua geluid stil, maar in gedachten is het even spraakmakend vergeleken met de klanken op het podium. Waar de cd de geluidsdrager is van de muzikale composities, is de bundel de beelddrager van de collagecomposities.

    Henk Zwerver, collages

    Een fotoapparaat zonder fotograaf

    Un appareil photo, een fotoapparaat. In de bundel is Henk Zwerver volgens de letter niet de fotograaf. Hij heeft de verzamelde beelden niet voor zijn lens gehad. Hij is echter wel de plaatjesmaker, waar hij als praatjesmaker tekortschiet. Het woord in zijn beeld is geen tekst, het is een karakter om in beeld te spreken. Het nodigt uit tot lezen, maar moet een uitnodiging tot kijken zijn. Zwerver legt de taak van fotograaf uit in de samengestelde beelden. De fotograaf ziet de wereld door een afgebakend kader. Zwerver bekijkt de wereld met een groothoeklens en heeft een breder panorama. Hij doorziet het werkelijke beeld. Zijn inzicht gaat voorbij aan de werkelijkheid en zet daar een nieuwe waarheid tegenover.

    Un appareil photo. Henk Zwerver. Uitgave in eigen beheer, voorjaar 2024.

    PS

    Dit schreef Marcel Prins als begeleidende tekst bij de presentatie in Kunstlokaal No.8. Woorden die nagloeien in mijn gedachten, maar mijn mening niet hebben vervormd. Toch wil ik mijn lezers dit knipsel niet onthouden:

    “Collages, met papier, schaar en lijm tot stand gekomen. Evenwichtzoekende composities van tekst- en fotofragmenten die klinken naar een andere tijd. Zwerver is niet alleen zijn naam, hij is een muzikaal circusartiest. Als balancerend kunstenaar daagt hij subtiel uit te kijken naar wat niet vanzelf spreekt. Hij knipt en schuift met historische snippers zoals hij klanken combineert tot ritmes en tonen. De berg verwonderingen reduceert hij. Wat overblijft is een uitgelezen selectie.”

    Henk Zwerver, collages