Tag: catalogus

  • Drents Museum groot in Microkosmos

    De mens heeft altijd gejaagd en verzameld, nog vóór hij begreep waarom. Wat ooit noodzaak was, werd later verlangen. Ooit joeg de mens op dieren en verzamelde hij wat de natuur bood; later verschoof de jacht naar objecten en werd verzamelen een manier van kijken. Van overleven naar bezitten, van noodzaak naar betekenis. In jagen als actieve gerichtheid en verzamelen als behoud en ordening verenigt de moderne mens beide in de figuur van de collectioneur – een houding die haar vroegste, tastbare vorm vindt in de Wunderkammer. Een dergelijk kunst- en rariteitenkabinet is een wereld in het klein, een microkosmos. Een aantal eeuwen geleden had iedere zichzelf respecterende, meer dan gemiddeld vermogende familie een dergelijke verzameling. Die werd aangelegd tijdens reizen naar vooral het Oosten en de binnenlanden van Afrika. Maar ook in Europa was genoeg te ontdekken om als rariteit te verzamelen. Echter na de 19e eeuw raakte de wonderkamer enigszins uit de gratie en ontstonden uit dergelijke bonte verzamelingen oudheidkamers en musea.

    Drents Museum, Microkosmos, Wunderkammer, rariteitenkabinet

    Het Drents Museum, ooit ontstaan om archeologische en historische vondsten te bewaren en te tonen, besteedt aandacht aan het fenomeen Wunderkammer in een soort van afscheidstentoonstelling voor de scheidende museumdirecteur Harry Tupan. Kunsthistoricus Tupan is een verzamelaar en heeft in zijn museumtijd de collectie op alle deelgebieden fors uitgebreid: “Een levenslange zoektocht naar schoonheid en verwondering. (…) Ik doe heel veel vanuit mijn gevoel”. Als hartstochtelijk en gepassioneerd collectioneur met een fijne neus voor bijzondere voorwerpen en kunstobjecten zit je in een museum uiteraard op een droomplek. Er is een ruimte tot je beschikking waar al het verworven materiaal kan worden opgeslagen en, belangrijker, aan publiek kan worden getoond. Hoewel de inhoud van een Wunderkammer vroeger alleen geopend werd voor familie en vrienden, tegenwoordig is een museum laagdrempelig en voor iedereen toegankelijk.

    Cabinet of curiosities

    Het rariteitenkabinet is de voorloper van het museum. In die wereld waarin objecten en attributen van overal en nergens, die weinig overeenkomsten met elkaar schijnen te hebben, zijn samengebracht draait het vooral om verwondering – steeds opnieuw keert dat woord terug, schoonheid en het zonderling bijzondere van de vertoning. Het Drents Museum heeft in het bestaan meerdere van dergelijke eigenaardige tentoonstellingen georganiseerd. Het museum beschouwt deze Microkosmos als één groot kunstwerk waarin traditionele objecten uit de Wunderkammer praktijk samengevoegd worden met wonderlijke hedendaagse kunstwerken. Want het cabinet of curiosities staat weer volop in de belangstelling. Meer dan de gangbare tentoonstellingen van beeldende kunst is de verwonderkamer een belevenis op zich, daarom niet verwonderlijk dat moderne jagers en verzamelaars, hedendaagse kunstenaars, er heil in zien het onder de aandacht te brengen.

    Drents Museum, Microkosmos, Wunderkammer, rariteitenkabinet

    In het museum kan de bezoeker zich vergapen aan de opstellingen en uitstallingen, waarin de objecten zich merkwaardig genoeg natuurlijk tot elkaar verhouden. Onder de titel Microkosmos is het museum als een zoekplaat om al die schoonheid te ontdekken. De verrassend vormgegeven catalogus kan daarbij een reisgids zijn. Achtergronden van de bijzondere verzamelstukken worden gegeven, verzamelaars komen aan het woord, kunstenaars geven uitleg over hun werk en de geschiedenis van de Wunderkammer wordt belicht. De uitgave is een waar verzamelobject en een welkom naslagwerk wanneer de kabinetten van de tentoonstelling straks zijn uitgeruimd. Het Drents Museum, altijd op zoek naar de verwondering, heeft onder leiding van Harry Tupan meerdere van dergelijke bijzondere tentoonstellingen georganiseerd, en daarbij meerdere passende catalogi uitgegeven als rariteiten in de boekenkast, zoals Viva la Frida!

    Historische verzamelingen

    In de begeleidende publicatie wordt dat instinct expliciet benoemd: “Noem het menselijk instinct, noem het een drang of soms een verslaving, het zit in de menselijke natuur om te bewaren. Om te overleven, te herinneren, uit persoonlijke fascinatie of als middel om jezelf mee te presenteren naar de buitenwereld.” Lees ik als inleiding op een hoofdstuk in het boek. “Deze individuele bewaardrang was het startpunt van verzamelingen en uitzonderlijke ‘collecties’. Als instellingen gaan verzamelen, wordt er nieuwe invulling gegeven aan die drijfveer. Kennis vergaren, onderzoeken en vergelijken, maar ook financiële motieven spelen een rol.” Niet alleen het rariteitenkabinet en later het historisch museum is een middel om de wereld te ontdekken, ook in het kunstmuseum kan een tot dan onbekende nieuwe wereld worden aangetroffen. De objecten hebben een verhaal, een boodschap die nu kritisch benadert zal worden. De historische verzamelingen zijn in het verleden niet altijd op een manier verworven die een schoonheidsprijs verdient. Verzamelen is immers onlosmakelijk verbonden met commercie en handel. Maar het is geschiedenis en toont hoe men destijds de wereld bekeek en zich dacht de schoonheid ervan te mogen toeëigenen. De medaille heeft twee zijden. Er is de verwondering over de verzameling en over de manier van verwerven. De verzamelaars van toen hebben heel wat uit te leggen en excuses te maken.

    Drents Museum, Microkosmos, Wunderkammer, rariteitenkabinet

    Het boek beschrijft en de tentoonstelling toont een keur aan verzamelingen, waarbij Tupan hoopt “dat monden van mensen gaan openvallen doordat we het onbekende naar binnen hebben gehaald”. Microkosmos laat natuurlijk objecten en kunstwerken van anderen zien, maar deze wereld in een Wunderkammer is toch vooral de omgeving waarin Harry Tupan graag verkeert. Er is in de uitgave dan ook ruim aandacht voor Tupan, die na ruim 45 jaar verbonden te zijn geweest aan het Drents Museum in september 2025 met pensioen is gegaan. Daarnaast komen verzamelaars aan het woord die hem fascineren als mens, hoe ze eruit zien, zoals ze zich gedragen en zoals ze doen. Dat weerspiegelt zich in hun collecties vindt Tupan. “Eigenlijk is die collectie hun spiegel, ze zijn het.” Ze hebben de behoefte om hun wereld te ordenen en betekenis te geven aan dingen, gedreven door verwondering en nieuwsgierigheid.

    Bewondering en verbazing

    Verder komt uiteraard het verzamelen zelf aan bod, de opbouw en inrichting van de rariteitenkabinetten door de eeuwen heen. Daarin spiegelt zich tevens de eigenaar, en reflecteert de wereld en de maatschappij in de tijd dat de Wunderkammer is ontstaan. Iedere uitstalling heeft een eigen historische waarde, de persoonlijke beleving van degene die het heeft samengesteld. Vooral het vervreemdende en het exotische trok en trekt nog altijd de aandacht. Het is fascinerend te zien wat men zoal belangrijk vond om te verzamelen.

    Drents Museum, Microkosmos, Wunderkammer, rariteitenkabinet

    Behalve het oproepen van bewondering en verbazing droegen de rariteitenkabinetten ook bij aan kennisvermeerdering en praktische toepassing. Het waren niet slechts bonte collecties bijeengebracht van over verre grenzen, maar deze bevatten tevens talloze meestal merkwaardige verhaallijnen. Het schijnt dat alles wat bij wijze van spreken los en vast zat werd verzameld. Van de kleinste schelp tot de grootste krokodil en alles wat daar als artificialia en naturalia tussen zit. De inhoud van een dergelijk kabinet, dat inderdaad begint als kast met laden en bij uitbreiding van de collectie uitgroeit tot een volgestopte ruimte, is een verzameling objecten die niets met elkaar te maken lijken te hebben. Echter zijn de voorwerpen met zorg uitgekozen: voor wat ze waard zijn, voor de herinnering die ze bij zich dragen, of wat ze voor de toekomst of het verleden betekenen. Voor de verzamelaar heeft het een persoonlijke betekenis. De buitenstaander kan zich er kostelijk mee vermaken.

    Kunstenaar is ontdekkingsreiziger

    De Wunderkammer staat opnieuw in de belangstelling en hedendaagse kunstenaars houden zich er op een moderne manier mee bezig. De klassieke Wunderkammer gaat over exclusiviteit, tegenwoordig juist over inclusiviteit. Pronkte men eertijds met zeldzame voorwerpen, nu worden kunstobjecten gemaakt van alledaagse materialen. Zo verschuift de aandacht maar blijft de verwondering het toverwoord. Het weerspiegelt een diepgewortelde menselijke fascinatie voor verzamelen, ordenen en bewaren. Het is niet slechts een etalage van exotische curiosa, maar een kritisch podium waarin vragen over duurzaamheid, kennis en macht worden gesteld. Een spiegel van de tijd waarin we leven. De kunstenaar is ontdekkingsreiziger en vindt andere manieren om met bestaande materialen nieuwe verhalen te vertellen. De Wunderkammer is volwassen geworden. De jagers en verzamelaars uit het verleden zijn in het heden nog altijd op zoek naar rariteiten om collecties aan te leggen. De wereld verwondert zich.

    Microkosmos, de wereld in een Wunderkammer. Publicatie ter gelegenheid van de gelijknamige tentoonstelling in het Drents Museum. Van 7 september 2025 tot en met 1 maart 2026. Waanders Uitgevers / Drents Museum, 2025.

    Drents Museum, Microkosmos, Wunderkammer, rariteitenkabinet
    Drents Museum, Microkosmos, Wunderkammer, rariteitenkabinet
  • De mooie dingen van Jan Mankes

    Het prettige van een catalogus, als horend bij de dubbeltentoonstelling van Jan Mankes in de musea Arnhem en Belvédère, is dat niet alleen het werk wordt besproken maar de tekstschrijvers tevens dieper doordringen in het hoe en waarom van de kunstenaar. Naast een kunstboek waarin het oeuvre van de schilder wordt doorgenomen is het een geschiedschrijving die de man in de tijd plaatst. Hij laat zich inspireren en wordt beïnvloed door zijn omgeving namelijk en door de tijd waarin hij leeft, of in dit geval heeft geleefd. Hoewel Jan Mankes chronologisch thuishoort in het begin van de 20e eeuw, sluit zijn werk inhoudelijk en stilistisch aan bij de fin de siècle-stroming. Qua sfeer, symboliek en esthetiek past het bij de thema’s verstilling, introspectie, natuurmystiek en bezit een zekere melancholie.

    De monografie met teksten van Stefan Kuiper, Froukje Pitstra en Marlene Deutinger legt leven en werk van Jan Mankes uit. Hoe de omgeving naar hem kijkt maar vooral op welke manier hij de wereld ziet. Doordat Mankes zijn gedachten in brieven op papier heeft gezet is het leven van de schilder als een puzzel in elkaar te schuiven. De lezer leert de persoon achter de kunst kennen. In dit geval spreekt niet alleen het werk voor zich, maar onderstreept de biografie het nog eens vet.

    Fluisteren met verf en kleur

    Jan Mankes leeft in een tijd dat er veel veranderingen gaande zijn, het zijn onstuimige tijden. Wordt hij kort voor de eeuwwisseling geboren, raakt hij onder invloed van een gewijzigde kijk op de mensheid en maakt de eerste grote oorlog in Europa mee. De kunstwereld verzet de bakens en slaat wegen van het experiment in. De kunst is niet slechts meer documentatie, een kopie van de zichtbare werkelijkheid, maar laat in abstracte afbeeldingen ruimte voor de emotie. Mankes echter lijkt schijnbaar op een afstand van het woelige westen een eigen sfeer te scheppen. In eerste instantie vormt zijn verstilling zich in Friesland, langs de Schoterlandse Compagnonsvaart in het lintdorp Beneden Knijpe dat zucht onder de vervening. Later vindt hij geluk in Den Haag, maar moet om zijn gezondheid rusten in Gelderland. De plaats Eerbeek is zijn laatste adres, daar het leven van de schilder voortijdig eindigt. Althans op relatief jonge leeftijd moet hij het tijdelijke voor het eeuwige inruilen.

    Op de leeftijd van 30 jaar heeft hij dan al een bijzonder oeuvre opgebouwd dat wordt geroemd om de onderscheidende kwaliteiten. Met verf en kleur weet hij als geen ander te fluisteren en een sfeer op te roepen die weinig meer van doen lijkt te hebben met het hier en nu, schrijven Saskia Bak en Han Steenbruggen in de inleiding van de uitgave “Mooie dingen zijn zoo eenvoudig”. Het is vooral Mankes zelf die aan het woord is in de essays die over hem zijn geschreven om de kunst van deze min of meer teruggetrokken kunstenaar te duiden. Onverstoorbaar, positief wars van de zichzelf opnieuw uitvindende kunstwereld, ontwikkelt hij een vorm van onwerkelijk realisme dat in stilistisch opzicht gerelateerd is aan de schilderkunst van de oude meesters. Echter grijpt hij niet terug, maar blijft bij zichzelf. Hij houdt zijn werken klein en de onderwerpen onder handbereik.

    Wordt zijn werk vaak beoordeeld op techniek en stijl, in het boek komt meer het gevoel dat door de schilderijen en het grafiek spreekt tot uiting. De sfeer van geheimzinnigheid en melancholie wordt bepaald door momenten van de dag, het schemeren van de avond – het meest weemoedige moment van de dag – weerspiegelt vooral de mysterieuze kant van de schilder, het stille water met de diepe grond. Zijn werken ademen de stemming van de donkerte, waarin gedachten filosofisch met de beschouwer aan de haal gaan. De avondlijke sfeer is een herkenbaar terugkerend motief volgens Stefan Kuiper in zijn essay: “Op geen ander moment zijn we ons zo bewust van het verstrijken van de tijd als tijdens die ogenblikken waarop het laatste licht wegsijpelt. Geen ander moment is tegelijkertijd zo vervuld van verlangen.”

    Mankes thuis in Belvédère

    De schilderijen hebben een diepere lading dan op het eerste gezicht aanschouwelijk is gemaakt. In de weergegeven onderwerpen schuilt symboliek, deze zijn een metafoor van hoe Mankes zijn wereld aanziet en beleefd. De emotie is voortdurend in de abstracte realiteit aanwezig. De spirituele verstilling is nooit ver weg. Ieder werk is een meditatief moment op zich. Het is dat wat het werk ook nu nog, meer dan een eeuw na zijn dood, veel mensen aanspreekt. Mooie dingen die in handen van Jan Mankes zo eenvoudig schijnen. Zo teder en liefdevol op doek zijn gezet of op koper getekend en in hout gegutst. Bij het kijken naar deze werken overvalt mij bij wijze van spreken een vlaag van melancholie, een mistroostig gevoel kruipt vanuit mijn onderbuik omhoog. Het is dit sentiment van ‘Het Dorp’ van Wim Sonneveld of de ‘Zuiderzeeballade’ van Sylvain Poons. Voor de oppervlakkige kijker straalt het die melancholische nostalgie uit, de hang naar hoe het was en niet meer zal zijn. Zo zal Mankes dit tijdens het schilderen niet doorvoelt hebben. Hij schiep zich een wereld die paste aan zijn gemoed, zijn wezen. Een wereld die achter de waarheid schuil gaat, halverwege de droom en het ontwaken. Geen droomwereld, maar een dromerige wereld. Wie namelijk dieper kijkt dan de huid merkt het innige schilderen, het onderwerp dat van binnenuit straalt. “Kunst is uiting geven aan geestelijk leven”, vond Mankes zelf. “Aangezien het zuiver geestelijke, het ontembare niet te noemen is, neemt men stoffelijke dingen te baat als middel.

    Zonder arrogant te klinken beweer ik dat Jan Mankes thuis hoort in Museum Belvédère. Want heeft hij niet een belangrijk deel van zijn oeuvre aan Het Meer gemaakt, langs de Woudsterweg gelopen om tot rust en inkeer te komen, misschien voorvoelt dat daar ooit een museum opgezet rond zijn werk zou komen. Natuurlijk is Gelderland ook een plek, met name Arnhem en Gorssel dat een driehoek maakt met Eerbeek, waar Mankes’ werk plaats heeft. Echter is Oranjewoud toch bij uitstek het dorp waar Jan Mankes zicht op had gekeken vanuit zijn atelier. Het museum is zijn thuis en wanneer er op een bijzonder moment daar geen Mankes te zien is raken bezoekers verbolgen.

    Tentoonstellingen

    De monografie en de dubbeltentoonstelling geven deze schilder van de kleine dingen een bewuste positie in de kunstgeschiedenis. Nog nu klinkt zijn filosofie van het schilderen door en laten kunstenaars zich door hem inspireren. Zij gebruiken niet één-op-één zijn stijl, maar laten de geestelijke visie voortleven, de verbeelding en het overstijgen van de werkelijkheid. In het boek worden een drietal hedendaagse kunstenaars genoemd waardoor het werk van Mankes tot in de 21e eeuw resoneert. De uitgebreide oeuvrelijst maakt het boek tot een bijzonder naslagwerk. Door archieven, brieven en documenten diepgaand uit te pluizen is een voor dit moment complete lijst van werken opgesteld. De samenstellers Jan de Lange en Maarten van Doremalen hebben er kennis en tijd ingestoken om alle werk van Jan Mankes met gegevens boven tafel te krijgen. Wetende dat er nog meerdere werken aan de lijst zullen kunnen worden toegevoegd. Hoewel de aanleiding allang uit de tijd is, is het overzicht van wezen en werk een levende bron.

    Waar Museum Belvédère zich in de presentatie richt op de periode waarin Mankes in Friesland woonde en werkte, relateert Museum Arnhem zijn werk aan dat van generatiegenoten en met hedendaagse geestverwanten. Zo ontstaat er overzicht en inzicht. Is het werk in de musea bij wijze van spreken aanraakbaar, en maakt de dubbeltentoonstelling bewust op welke manier dit doorklinkt naar de huidige tijd. Jan Mankes begreep de kern van zijn tijd, de essentie van het wereldgebeuren. De grond van het bestaan is bezinning, stil tot inkeer komen, meditatief wat was overdenken om verder te kunnen. Leren van het verleden. Mankes maakte dit in zijn werk zichtbaar, niet meteen duidelijk. Tussen de regels door in het mijmerende verfgebaar is de verstilling te proeven. Bij het kijken naar zijn werk, live in de musea of bladerend in het boek, ben je voor een moment van de wereld om deze te reflecteren.

    Jan Mankes. Mooie dingen zijn zoo eenvoudig. Monografie en oeuvrelijst verschenen bij dubbeltentoonstelling ‘Jan Mankes, verstilling en strijd’ in Museum Arnhem en ‘Jan Mankes, uiting geven aan geestelijk leven’  in Museum Belvédère van 25 januari tot 24 augustus 2025. Uitgave van beide musea bij Waanders Uitgevers, 2025.

  • Reisgids door Neerlands striplandschap

    De catalogus “50 jaar Stripschapprijs” van Museum of Comic Art in Noordwijk aan Zee is een boek die past in de bibliotheekkast onder de titel geschiedenis. De uitgave bij de tentoonstelling leidt de lezer door het Nederlandse striplandschap van 1974 tot 2024. Wie het gelezen heeft is helemaal op de hoogte van het wel en wee, het doen en laten, leven en werken van de vaderlandse striptekenaars. Althans het neusje van de zalm. Door het bezoeken van de tentoonstelling in MoCA kan de lezer die dan kijker is zich vergapen aan originele schetsen en tekeningen. Hoewel de Stripschapprijs ‘slechts’ een halve eeuw bestrijkt zijn dit wel de meest belangrijke jaren dat het beeldverhaal uit de kinderschoenen in volwassenlaarzen terecht is gekomen. Werd er eerst wat minzaam naar het fenomeen gekeken, tegenwoordig is het een volwaardig literair en kunstzinnige uiting.

    Elk jaar vanaf 1974 heeft Het Stripschap een prijs uitgereikt aan de striptekenaar die volgens een jury op dat moment toonaangevend het beeldverhaal vorm gaf. In het eerste jaar is dat een uitgever van oude strips en kan MoCA daarom in de catalogus met Het Stripschap teruggaan in de tijd. Want “in de jaren zestig van de vorige eeuw is de eerste naoorlogse generatie striplezers volwassen geworden en als gevolg hiervan verandert de kijk op het beeldverhaal in Nederland”. Vol weemoed en nostalgie wordt omgekeken en terugverlangd naar de kapiteins, piloten, ridders, detectives en piraten – hoofdpersonen en bijfiguren uit de strips van kort na de oorlog. De herdrukken vinden gretig aftrek en worden verslonden door de fans.

    Het Stripschap

    Het Stripschap zag in 1967 het levenslicht met als doel de acceptatie van het beeldverhaal te bevorderen. Door middel van een tijdschrift en speciale winkels, de stripantiquariaten, krijgt deze vorm van recreatieve media extra aandacht. Door de instelling van een prijs, die tijdens de jaarlijkse Stripdagen wordt uitgereikt, wringt en dwingt de strip zich op een relevante plek in de samenleving. De strip doet ertoe. Vanwege Margreet de Heer, Stripmaker des Vaderlands van 2017 tot 2020, staat het beeldverhaal op de literatuurlijst.

    Door de jaren heen heeft Het Stripschap vele gevestigde namen geëerd met een prijs. Maar na verloop van tijd komen ook jonge talenten boven drijven in de kweekvijver en kan de lezer naar hartenlust vissen vangen, groot en klein. Van iedere striptekenaar of -schrijver wordt in het boek het doopceel gelicht in vlugschrift. En wordt uiteraard het juryrapport aangehaald en uitgelegd. Op deze manier is, zoals geschreven, de catalogus een wegwijzer door stripland. Met talloze afdrukken van door de diverse prijswinnaars gemaakte tekeningen is het naast een reisgids een atlas, een platenboek die het oeuvre van de vertellers in beeld brengt. Eigenlijk een portfolio voor Het Stripschap, daarmee kunnen ze de boer op om hun doel na te streven: de erkenning van het beeldverhaal.

    De stripbladen

    Naast de opsomming van prijswinnaars geeft het boek inzicht op en uitleg van wat er nog meer speelt binnen de grenzen van stripland. Zo komen onder meer de krantenstrip en graphic novels, strips in publiekstijdschriften en de strip voor volwassenen in tekst en beeld aan bod. Een bijzondere periode in de opleving van het beeldverhaal langs de paden van de literatuur vormt het underground tijdperk. De strip wil zich los maken van het kinderlijke imago en richt zich op onderwerpen voor volwassenen. Het vindt zijn oorsprong in de Verenigde Staten en Frankrijk en Nederland pikt er een handvol graan van mee. Er worden tekeningen gemaakt en tijdschriften opgericht die niet bepaald voor een jong publiek bedoeld zijn maar uitsluitend voor de meest gerijpte lezer. “Dit soort strips past uitstekend in de vrijgevochten sfeer van de protestgeneratie van de jaren zestig”, lees ik. Maar zoals die jaren veel beloven en weinig waarmaken, komen de vrijgevochten stripmakers bovengronds en wordt de strip na de eeuwwisseling weer braaf – op een enkele uitspatting na.

    De stripbladen die in de jaren 60 de poten onder de kruk van de Donald Duck proberen door te zagen blijken kweekplaatsen voor nieuw talent. Hoewel de Nederlandse Disneystal en zeker de studio van Marten Toonder zich in deze niet onbetuigd laten. Beide zijn een leerschool voor tekenaars die eerst de meester volgen, later uitvliegen en zelf aan de slag gaan. Het meest bekend van de bladen is de Pep die naast de Sjors een oudere leeftijdsgroep aanspreekt. Later fuseren beide tijdschriften tot Eppo. Vele jonge abonnees hebben ongeduldig iedere week de postbode afgewacht om de nieuwe avonturen van hun striphelden te volgen en te beleven. Ik was daar één van en het Stripschapprijsboek is dan ook een trip down memorylane voor mij. Kreeg ik rode oortjes bij Tante Leny en Titanic, ik voelde me een volwassen lezer met De Vrije Balloen en Eppo. Het Stripschap opent mij echter de ogen, omdat er veel meer is op het gebied van de Nederlandse strip dan ik ooit kon vermoeden.

    Het MoCA

    Met de uitgave door het MoCA, het enige échte stripmuseum van Nederland, krijgt de Stripschapprijs, de belangrijkste stripprijs van Nederland, smoel voor de eeuwigheid. Ook internationaal spreidt het de wieken, want de tekst in het boek kreeg een Engelse vertaling. Het MoCA is sowieso autoriteit op dit gebied, want het bracht eerder standaardwerken uit over het beeldverhaal. Naslagwerken als ‘Covers, adventures in comic art’, ’80 jaar Toonder Studio’s’, ‘Grensverleggers, innovative dutch comic artists’ en ’70 jaar vrolijk weekblad Donald Duck’. En het organiseert daarbij spraakmakende tentoonstellingen. Het museum is derhalve een eldorado voor de stripliefhebber en een paradijs voor creatieve geesten.

    50 jaar Stripschapprijs 1974-2024, the most important dutch comic award! Catalogus bij de tentoonstelling in het Museum of Comic Art te Noordwijk aan Zee, 30 november 2024 tot 18 mei 2025. Uitgave MoCA, november 2024.

  • Soulmates: het gevoel van thuiskomen

    Intussen is duidelijk dat particuliere verzamelaars een essentiële schakel zijn in de kunstsector”, schrijft Henri Swagemakers in het boek dat zijn collectie fotografie als onderwerp heeft. Het boek is de catalogus bij een tentoonstelling van deze deelcollectie in Stedelijk Museum Breda: Soulmates. Er kan worden gesteld dat zonder verzamelaars musea nauwelijks bestaansrecht hebben. Musea zelf hebben amper financiële middelen om het hoofd qua uitbreiding van de aangelegde verzameling te kunnen bekostigen. Men is aangewezen op fondsen, sponsoren èn verzamelaars. Niet alleen particulieren verzamelen, ook bedrijven en instellingen als banken leggen een kunstcollectie aan. Ook worden er musea gesticht om een verzameling onderdak te bieden, daarvan bestaan in Nederland diverse voorbeelden. Swagemakers zegt over de verzamelaar als schakel: “Voor galeries om te verkopen, voor kunstenaars om geld voor hun werk te ontvangen en bekendheid te verkrijgen, voor musea als bron van bruiklenen voor tentoonstellingen en om al dan niet door schenkingen en legaten hun collecties te versterken.

    Kunstbeleving een visueel gebeuren

    Op de planning van musea worden het tonen van verzamelingen meermaals ingevoegd. Dat is een goede zaak, zodat onderdelen van de collecties niet ongezien in kluizen verdwijnen. Dat de kunst kan bekeken worden en zichtbaar blijft, want de kunstenaars hebben hun werk voor het licht gemaakt – niet voor de duisternis van het depot. Het is een kwestie die meerdere malen op het bordje bij Swagemakers terecht komt: “Vind je het niet jammer dat niemand anders het door jou gekochte werk nog te zien krijgt?” Maar hij dient van repliek door te stellen dat musea per jaar 4 procent van hun bezit tonen. Het kan zelfs zo zijn dat sommige stukken nooit meer worden geselecteerd om publiekelijk te laten zien, omdat deze in geen enkele opstelling passen. Swagemakers vindt het overigens een vreemde vraag, die nooit gesteld wordt aan een rekeninghouder met een groot financieel bezit: “Vind je het niet jammer dat je zo veel geld hebt waar je niets mee doet?” Geld hoeft niet gedeeld te worden met derden, kunst kennelijk wel.

    Voor oud-advocaat Henri Swagemakers is kunstbeleving in de eerste plaats een visueel gebeuren. Het zien optimaliseert de beleving, het hebben maakt die ervaring mogelijk. Hij is een liefhebber die zich graag omgeeft met kunst en daar de financiële middelen voor heeft. Hij koopt voornamelijk werk van jonge kunstenaars die nog niet in de belangstelling staan, nog niet bekend zijn als zodanig. Het voordeel daarvan is dat deze nog niet aan de prijs zijn, en hij helpt door de aankoop de kunstenaars op weg. Veelal blijkt later dat zijn aanschaf een goede keuze was, omdat het werk in waarde is vermeerderd en de kunstenaar naam heeft gemaakt. Echter van een belegging is bij Swagemakers geen sprake, hij koopt kunst omdat hij een liefhebber is. Wat in zijn collectie komt blijft daar, hij verkoopt nauwelijks door. “Het verwerven van kunst is vooral emotie”, vindt hij. “De beslissing iets te kopen maakt het spannend. Het werk moet me iets doen, het mag mooi of bizar zijn of wat dan ook. Het werk moet een gevoel oproepen, daar gaat het om.

    Swagemakers Collection

    De werken in ‘Soulmates’ roepen een gevoel op, niet enkel bij Swagemakers als bezitter maar ook bij mij als toeschouwer. De fotografie in de Swagemakers Collection heeft voornamelijk het menselijk figuur als onderwerp. De verschijning van de mens op de gevoelige plaat is daarin een rode draad. De scenes zijn samengesteld in de studio of op een plek in de buitenruimte waar het kunstfoto’s betreft. Maar ook zijn er gedocumenteerde platen bij die onderweg zijn geschoten in binnen- en buitenland, waarbij het toeval door de lens is gestuurd. In het analoge tijdperk kunnen afdrukken tijdens het proces of achteraf geretoucheerd worden, dit betreft dus het klassieke handwerk. Bij de digitale fotografie worden foto’s bewerkt op de computer en daarna geprint, tot op de pixel precies kan gewerkt en aangepast worden. Als het ware wordt de fotograaf een schilder en is de werkelijkheid getransformeerd tot fantasie. Hoe de uitwerking van AI ofwel kunstmatige intelligentie op de kunstfotografie zal zijn valt af te wachten. De kunstenaar vindt wel weer een weg daarin en zal het naar zijn of haar hand kunnen zetten, hoewel het computersysteem menselijke vaardigheden nabootst: aanleren, redeneren, anticiperen en plannen om zichzelf automatisch bij te sturen.

    Conservator Marjolein van de Ven is trots een selectie van de bijzondere fotoverzameling in Stedelijk Museum Breda te kunnen tonen. Zij verhaalt in haar voorwoord in het boek over haar bezoek aan Swagemakers en op welke manier de verzameling van schilderijen en tekeningen tot stand is gekomen. De nadruk kwam pas later op de fotografie te liggen, wanneer kunstenaars dit medium steeds vaker in hun werk gebruiken. Daarnaar gaat in eerste instantie de interesse van Swagemakers uit, maar al snel komen ook de traditionele fotografen bij hem in beeld. “Intussen is het medium niet meer weg te denken en omvat zijn collectie fotografisch werk in uiteenlopende stijlen en technieken van circa zeventig kunstenaars”. De grenzen vervagen tussen genres. Met name eigent de mode-industrie zich steeds meer de beelden van de kunst en de kunstfotografie toe.

    Bijzondere fotoverzameling

    In het boek bladerend maak ik een reis door de collectie van Henri Swagemakers. Ben ik onderweg langs de weg van de werkelijkheid die zich aldus voordoet en zoals gezegd kunstzinnig is gecomponeerd. Door een eigenzinnig standpunt in die realiteit te kiezen kan dat zijn worden vervormd tot een beeld dat boven de waarheid zweeft. Dat ik mijn fantasie moet focussen om de voorstelling te begrijpen. Achter de zichtbare echtheid schuilt dikwijls een verborgen verbeelding. De werkelijkheid speelt een spel op het wereldtoneel, het theater van de inbeelding. De fotograaf stelt scherp op het visioen in de coulissen om daar zijn of haar verhaal mee te doen. Wat ik zie is niet het oogmerk, maar wat ik voel is het objectief. De fotograaf probeert mijn emotie te kietelen om wat ik ervaar anders te beleven, mijn hongerende ogen de kost te geven en mijn dorstige blik te laven.

    Kunstwerken zijn als soulmates

    Ook de opkomst van digitale media en de kneedbaarheid van de fotografie door de snelle technologische ontwikkelingen gaat niet aan Swagemakers voorbij”, schrijft Van de Ven en  noemt enkele voorbeelden daarvan op. Deze maken zichtbaar dat de verzamelaar “volgt wat er in de kunstscene gebeurt en met zijn aankopen inspeelt op de ontwikkelingen waar hij affiniteit bij voelt. (…) Tijdens het maken van keuzes vertrouwt hij sterk op zijn intuïtie.” Met elk werk voelt Swagemakers een sterke verwantschap of aantrekkingskracht en in elk werk herkent hij iets van zichzelf. De kunstwerken zijn als soulmates, het voelt voor de verzamelaar als thuiskomen, samenkomen in de ziel. “De werken uit mijn collectie zijn in de loop der jaren door mij als het ware ontdekt en daarna uitgekozen”, voegt Swagemakers toe. “Zo heb ik (…) bereikt dat ik me kan omgeven met kunstwerken die ik fantastisch vind.

    Het boek toont naast enkele zaaloverzichten van de tentoonstelling op een aantal bladzijden nog thumbnails van andere werken uit de collectie, waar onder meer het Schuilnest van M.C. Escher en het Zelfportret van Jan Mankes het meest opvallend zijn. En nog een aanbeveling tot slot: “Ik hoop dat elke lezer van deze publicatie, maar vooral ook elke bezoeker van de tentoonstelling zich de ogen uitkijkt en geniet zoals ik geniet van het resultaat van mijn gesprokkel!” Want kunst hoort niet in mappen opgeborgen en achter gesloten deuren in depots te schuilen, kunst moet gezien en beleefd worden. Met “Soulmates” doet Stedelijk Museum Breda een verwoede poging en draagt Swagemakers daartoe een steen bij. Kijken dus! En genieten!

    Soulmates – Swagemakers Collection. Tekst Marjolein van de Ven, Henri Swagemakers. Catalogus bij tentoonstelling fotografie in Stedelijk Museum Breda (t/m 16 maart 2025). Uitgave VanSpijk [photo] Artbooks, 2024.

  • Golven als metafoor voor ruimtelijke vrijheid

    Een fenomeen dat groter is dan de mens zelf. Datgene wat niet in een enkele oogopslag is te bevatten. Waardoor jij je als mens klein voelt, verloren bijna. In de ruimte van het grootse zijn. Bij dat overweldigende gevoel, die overdonderende ervaring, valt het gemoed stil, staat mijn wezen perplex. Je zou in aanbidding willen neervallen, maar ik houd mijn rug recht – ik word gezien. Echter deze devotie overkomt Angeline Lips niet, integendeel. “Het gaat over gevoel van vrijheid in kleur, licht en reflecties in vlekken en vegen.” Zij geeft beeld aan autonome gedachten door de golven van de zee en de toppen van bergen te schilderen, want daar gaat mijn contemplatie in de eerste regels over. Haar werk laat de zee zien en de bergen bekijken, maar haar schilderijen en etsen gaan niet over die zee en deze bergen. Het gaat niet over je klein en nietig voelen aan de rand van de branding en langs berghellingen.

    Bewegingen in een watervlakte

    Het gaat over het gevoel bij die plek, over de imponerende ervaring van de ruimte. Dat zet Lips om in verfstreken en kleurvlekken. In grote schildergebaren passend bij het onderwerp, maar ook op klein formaat wanneer het thema minder meer verlangt. Ik zie daarin wel de zee en de golven, maar de vegen vertegenwoordigen een andere waarde die verder gaat dan de werkelijkheid. Deze lijken op bewegingen in een watervlakte, stilte van versteende flanken, maar zijn een metafoor, een beeldmerk om vrijheid en ruimte uit te drukken. De indruk van natuurlijke speelruimte geeft op doek en papier een los van de werkelijkheid gezongen sfeer. Het herbergt de ruimtelijkheid waarin Lips zich verliest, maar waarin ze zich tegelijk terugvindt. Daarmee zij het zelfportretten, de kunstenaar heeft het gevoel gefigureerd. Iets wat zij diep van binnen ervaart, zoals ik ondervindt bij het zien van de werken. Een onbestemd gevoel van positieve verlatenheid, optimistische eenzaamheid.

    Fysiek zijn het beschilderde doeken en is het gekleurd papier, maar intrinsiek is het veel meer dan dat. Zichtbaar schijnt het de werkelijkheid, ik denk die zee en bergen te zien, maar voelbaar zijn de werken abstracte composities. “Ze schildert niet zozeer de zee”, schrijft auteur, curator en kunstconsultant Alex de Vries in de inleiding van de mij voorliggende catalogus, “maar verbindt zich met de zee, met haar beleving ervan.” De verfhuid is dus de drager van het gevoel, de ervaring. Het is echter geen verhalende kunst, er is geen diepere betekenis dan het uitdrukken van emotie. Het zijn eerder dichterlijke verbeeldingen. Poëtische afdrukken van indrukken over weidse en ruimtelijke vrijheid.

    Met geen penseel te verbeelden

    Dat overweldigende gevoel van wanneer je op het strand staand over de branding uitziet op die schier oneindige vlakte van de zee. Ergens ver weg is de einder, maar je weet niet wat daarna is en komt. Je hebt een vermoeden, de vrijheid lonkt. Die verbijsterende ontroering bij de aanblik van tot in de wolken oprijzende rotsblokken. Het is met geen pen te beschrijven, met geen penseel te verbeelden. Tussen de regels die de verhalenverteller er over schrijft door en in de verfstreken die de kunstschilder er van beeldt staat die emotie te lezen en te zien. Niet in de werkelijkheid, maar in het naschilderen van de getroffen zijn daarbij. Het vastleggen van de sensatie op het moment. Enkel de dichter kan in beeldende poëzie dat gevoel weergeven. In woorden kan de poëet de stemming vatten. Het is Lips gelukt om als de dichter woorden schrijft de verf in een poëtisch beeld te schilderen. De composities rijmen in vormgeving en uitdrukking. De stilte en zuiverheid van het machtige natuurgeweld ervaar ik in haar werk. Ik ervaar de vrijheid om er stil van te worden.

    In de uitgave “Making Waves”, als catalogus bij een tentoonstelling van Angeline Lips in Galerie Lange Hezel 46 te Nijmegen, schrijft Alex de Vries dat haar werk meer is dan stemmingsbeeld en juist een poëtisch karakter heeft zo ik zelf al ervoer tijdens het doorbladeren en beschouwen. “Ze zijn niet, zoals proza in de literatuur, beschrijvend van aard en schilderkunstig dus niet afbeeldend. Ze kennen als gedichten een beeldspraak die aan het denken voorafgaat en iets in de geest veroorzaakt waar we rationeel geen greep op hebben.” Geen grip heb ik op deze grootsheid die Lips uitwerkt. Ongrijpbaar is de weidsheid die zij buiten de kaders van het schilderij laat treden. Met haar werk zet ze mijn gedachten in beweging. Ga ik nadenken over haar gevoel van vrijheid, dat deze aansluit bij mijn ervaring wanneer ik de stranden en hellingen zie, tuur naar de einder en opkijk tot de hemel. Waves like mountains, bergen als golven. Making waves, terwijl zij de verf roert en beroert. Ze maakt golven die mij overspoelen, ik verdrink in haar verfschappen.

    Making Waves. Angeline Lips. Uitgave bij gelegenheid van de tentoonstelling in Galerie Lange Hezel 46 te Nijmegen van 31 augustus t/m 22 september 2024. Uitgeverij De Zwaluw, 2024.

  • Dansen van Herbert Nouwens in de Belvédère Suite

    Het is een hot item in de circulaire economie. Om gebruikte en voor het oorspronkelijke doel afgeschreven producten te recyclen. In de kringloop van het zijn gaat niets verloren. Want dat is immers de letterlijke betekenis van circulair: cirkelsgewijs. Maaksels verliezen hun waarde en worden in het geheel hergebruikt. Of in delen gesplitst en verwerkt tot grondstof voor een nieuwe creatie. De cirkel is rond. Bedrijven houden zich ermee bezig, de maatschappij is er vol van, van hergebruik en recyclen. Het scheiden van afval om waardevol materiaal niet af te stoten en geenszins te vernietigen.

    Kunstenaars lopen voor op de massa. Zij zijn de kopgroep, de massa is het peloton. Ze zetten een tandje bij om het tempo te versnellen of knijpen de handrem aan om de beweging even stil te laten vallen. Want de massa moet weleens wennen aan de vooruitgang, aan de snelheid in de tijd. Zich het nieuwe stilaan en geleidelijk eigen laten worden.

    Hergebruik

    Kunstenaars zijn meesters in het hergebruik. Zij recyclen de zichtbare werkelijkheid tot een platte realiteit die uit de verf komt. Dat is een hergebruik van emotie, terugwinnen van sfeer en stemming. Letterlijk hergebruiken zij de verf als materiaal, de modder aan een kwastje wordt uitgesmeerd over een doek. De dode materie gaat leven, krijgt de adem van de kunstenaar ingeblazen. Door de manier waarop de kunstenaar dat doet, welke techniek daarvoor wordt aangewend, ontstaat er in het platte vlak een ruimte. De tastbare waarheid wordt tot zichtbare realiteit gerecycled. Dat deed de kunstenaar al lang voordat circulair en recycle in zwang raakten.

    Er zijn kunstenaars die in het klein recyclen door aan het strand of langs de weg te jutten, in de bouw of op het land te speuren. Op zoek naar producten die zijn afgedaan en weggegooid en in collage achtige kunstwerken kunnen worden verwerkt. Herbert Nouwens is er zo een die  dit in het groot doet. Hij hergebruikt scheepsrompen bijvoorbeeld om deze een nieuw leven aan te meten. Hoewel je van dood materiaal maar amper kunt zeggen dat deze in een andere vorm tot leven komt. Het is bij wijze van spreken en taalkundig gezien op de keper beschouwd een hergebruik van woorden. Niet de vorm wordt teruggewonnen, deze heeft afgedaan. Het is de grondstof die tot een andere gestalte wordt gesmeed.

    Muziek inspiratiebron

    De beelden van Herbert Nouwens staan imposant in het buitengebied van Landgoed Oranjewoud. Uitgestrooid in het veld, maar niet lukraak geplaatst. De kunstenaar hecht aan de plek waar een beeld is neergezet waarde en betekenis. Het is dat punt waar dit beeld tot recht komt. Bijvoorbeeld de “Vier constructies voor een plek” staan niet zomaar langs de oostgrens van het park. Deze bijzondere objecten doen denken aan anti-tank obstakels en staan in slagorde als een verdedigingslinie. Je zou er zo een rol prikkeldraad langs uittrekken. Een concertina als militair begrip. Past overigens stemmig in de sfeer van de titel van deze presentatie: Belvédère Suite.

    Muziek is voor Herbert Nouwens een inspiratiebron om in en naar te werken. De suite als metafoor voor de plaatsing van negen sculpturen. De suite is een meerdelige danscompositie, waarbij verschillende dansen worden geordend naar hun contrastwerking. Dit samenspel, deze ordening en dat contrast, is terug te vinden in het museumpark op dit moment. Het park is de suite, de beelden zijn de diverse dansen. De beelden verhouden zich met het strakke symmetrische ontwerp van het parklandschap, zoals de dansen zich scharen in het gestileerde schema van de muziek. De logge beelden dansen als het ware lichtvoetig door de natuur. De massieve elementen zijn door Nouwens zo geplaatst dat de sculpturen een open karakter hebben. Het zijn transparante scheppingen, open constructies, als tekeningen in de ruimte. Een choreografie waarin het cortenstaal opveert van de sokkel, een compositie die de zwaartekracht uitdaagt.

    Ruimtelijke gedichten

    Volgens Albert Oost, curator buitenpresentaties van Museum Belvédère, maakt Herbert Nouwens zijn werk vanuit een rauwe behoefte aan activiteit. Oost schrijft een voorwoord in de kleine catalogus bij de tentoonstelling. “Elk beeld is Herberts beeld, aan elkaar gelaste en gestapelde stukken ijzer, een opeenvolging van ogenblikken en overpeinzingen.” In de uitgave worden de diverse dansen in de Belvédère Suite door Juliska Kok van commentaar voorzien. Zij beschrijft de bewegingen en figuren, de passen en posities. “Ruimtelijke gedichten, een vertaling van de spanning tussen het rationele en irrationele” zegt de kunstenaar er zelf van. Hij werkt associatief en vertaalt indrukken in vormen die hij laat groeien door staal te snijden, vervormen, smeden en assembleren. In onderzoek naar de relatie tussen mens, materie, ruimte en tijd. Geïnspireerd door het menselijk bestaan en eeuwen van cultuurgeschiedenis.

    In de binnenruimte van een kamer in de westvleugel presenteert Herbert Nouwens kleine figuren. Tussen de verhalende kunstenaars van “Verhaald – Verbeeld” heeft hij ook iets te zeggen. De kleine beelden in een boekenkast opgetast zijn modellen voor het grote werk. Deze worden echter niet alle uitgewerkt op groot formaat, omdat Nouwens ze benadert als vingeroefeningen. Om een bepaalde vorm in de vingers te krijgen. Het zijn dus kleine werken met een eigen karakter. “Niet letterlijk een model”, zegt hij, “maar meer een globale richtlijn voor het grote beeld.” In deze vormen op handzaam formaat zie je de kunstenaar stoeien met het materiaal. De twee grotere formaten in de kamer zijn een eenvoudig voorspel op wat buiten te zien is, of andersom in tijd een stemmige nabeschouwing. Lectori salutem of post scriptum. Proloog of epiloog. Prelude of naspel. Heb je het buiten gezien, kom je binnen nog eens terug, of andersom.

    Levende representatie

    Lopend over de verharde paden en door het gras tussen de beelden in de open lucht, met de catalogus als aangename wegwijzer op zak, kan ik de gegeven betekenis tegen mijn persoonlijke waarde leggen. Wat ik zou kunnen zien volgens het boekje en wat ik beschouw in eigen ervaring. Beelden als collages van eens gebruikte materialen, samengevoegde onderdelen van ooit werkende installaties. Eerder dichte constructies die door Nouwens geometrisch tot een levende representatie van de werkelijkheid zijn opgebouwd. Abstracte vormen die natuurlijk in de ruimte staan. Alsof deze daar altijd geweest zijn en er nooit meer vandaan zullen gaan.

    Een toren van Babel geplaatst net na de laatste huizen aan de Woudsterweg waar het open veld zich uitvouwt en het museumgebouw opdoemt. “Der Strom”, reikend tot de hemel, geeft de richting aan, een uithangbord voor de presentatie. Daarna doemt de “Poort van Belvédère” op, een object voor deze plek en omgeving gemaakt. Zal later elders een even goede standplaats kunnen krijgen. Want de beelden van Nouwens reizen en zijn in beweging, voordat deze neerstrijken en hun rustplaats vinden.

    Het zijn op zichzelf stille bouwwerken waarin de wind een muzikale compositie kan spelen. De huid van het levende staal is bont kleurig in bruinen, of spiegelt de omgeving in het gepolijste metaal. Materiaal met een leven dat blijft voortleven door de constante corrosie van het staal. De natuur probeert het ijdel, maar weer en wind krijgen er geen vat op. Het materiaal verzet zich hevig en houdt stand. Dolend door deze voor nu tot 22 september gecreëerde beeldentuin stuit ik op een creatie dat bijgeluid maakt. Boven de zucht van de wind klinken melodieuze klanken. Het is “Lamento” waar in een opengewerkte geroeste cilinder gefrommeld plaatstaal hangt. Deze elementen maken op de maat van de natuur een compositie.

    “Kunst is een vorm van denken”

    Titus, zoon van, is getuige van vaders werkwijze. “IJzersterke constructies die zich staande houden onder alle omstandigheden en fungeren als statische markering in de ruimte”, prijst hij de werken van de kunstenaar aan. “Zijn artistieke praktijk is een continu proces van opbouwen en afbreken, om vervolgens weer opnieuw, of beter gezegd verder, te bouwen.” En dan gaat de kunstenaar zelf los in het boekje. Beschrijft zijn doen en geeft verantwoording aan zijn laten. Een achtergrond die niet strikt noodzakelijk is om te kennen, maar door te weten wel de bouwwerken meer reden van bestaan geven.

    Kunst is een vorm van denken”, zegt hij en spreekt mij daar meteen mee aan, “denken in vorm, kleur, ruimte of klank. Het is verwant aan denken in taal. Taal bestaat uit allerlei ingevingen waar je begrippen aan hecht en gevoelens die je omzet in woorden. Door die woorden uit te spreken of op te schrijven, probeer je grip te krijgen op de achterliggende complexiteit.” Ik hang aan zijn lippen en voel me verbonden met zijn werken wanneer hij verder gaat: “Op een gegeven moment denk je, wat ik opgeschreven heb dekt wel ongeveer de lading. De output, of het nu dus een stuk tekst, muziek of een beeldend kunstwerk is, is bijna nooit 100% van wat je als schepper in je hoofd hebt.” Ik lees mijn voorgaande tekst nog eens over en ik ben het met Nouwens eens. Op mijn weg door de tuin en in het museum had ik een ander verhaal in gedachten dan hier uiteindelijk op het blog is terecht gekomen. “Omdat het mij dus ook nooit helemaal lukt, ga ik er mee door.”

    Belvédère Suite. Uitgave bij de tentoonstelling in Museum Belvédère, 22 juni tot 22 september 2024. Herbert Nouwens. Museum Belvédère, 2024.

  • Breitner: een levenlang twijfelen aan eigen kunnen

    Je maakt nu eenmaal vóór je veertigste betere dingen dan daarna.” Met deze uitspraak kwalificeerde George Hendrik Breitner zijn eigen werk. In de uitgave ‘Breitner schilderbeest’, catalogus bij de tentoonstelling in Singer Laren, richt gastconservator Suzanne Veldink haar blik daarom op zijn werk van voor 1900. En inderdaad ontwikkelde zijn werk in die periode zich door alsmaar te kijken en steeds weer te oefenen tot het niveau waarop Breitner als schilder bekend geworden is. In het boek en bij de tentoonstelling beschouw ik het verhaal over wat ik zie wanneer ik naar de schilderijen en de tekeningen kijk. En op welke manier Breitner vlak, vorm en kleur heeft geschikt kan ik tevens door de tentoonstelling en in het boek gewaarworden aan de hand van vijf thema´s die binnen de alledaagse kunstenaarspraktijk in elkaar overlopen: oefenen, figuur, licht/donker, lijn, kleur. Daaraan kan ik na het lezen en bekijken nog het experiment toevoegen, en, niet onbelangrijk: de inspiratie.

    Nadruk op vlak en kleur

    De uitgave van WBOOKS, het boek “BREITNER schilderbeest”, is een tentoonstelling op zichzelf. Door details uit schilderijen over een spread van twee pagina’s af te drukken zit de lezer bij wijze van spreken met de neus op het doek. De afzonderlijke penseelstreken zijn zichtbaar, de contourlijnen na te gaan. Maar ook de complete werken als illustratie bij de teksten zijn subliem opgenomen en afgedrukt. Helemaal naar Breitners doelstelling om de nadruk te leggen op vlak en kleur, lijnvoering en stofuitdrukking. Ieder schilderij en elke tekening is voor de beschouwer een lust zich in de verbeelding te begeven. Maar natuurlijk verdient een bezoek aan Singer Laren om de werken live te zien de voorkeur. Het boek is een uitstekend surrogaat, hoewel de kwaliteit absoluut niet minder is.

    In zijn twintiger jaren was Breitner zoekende en bleef eigenlijk zijn hele schildersleven naarstig op zoek de juiste vorm en het beste uitdrukkingsvermogen te vinden. Op het moment van zijn niet wetende dat deze allang gevonden is. Want al tijdens zijn leven wordt hij door vriend en vijand gewaardeerd en geprezen. Altijd blijft echter de twijfel. Het uitdrukken van wat gezien is komt daarmee op een hoger plan. De onderscheidende artistieke kwaliteiten van Breitner en de vernieuwende bijdragen aan de Nederlandse schilderkunst rond 1900 staan buiten kijf. Niet beseffend dat hij een pioniersrol vervulde hield hij vast aan zijn eigen manier van zien. Elk genre dat hij onder handen nam maakte hij zich eigen en vernieuwde deze door voorbij te gaan aan bestaande regels en gewoontes in de kunstwereld. Daardoor had zijn artistieke ontwikkeling geen rechtlijnig karakter, het wisselde van onderwerpkeuze en aanpak, gedurfd kleurgebruik en expressief lijnwerk.

    Brutaler en vrijer omgaan met de regels

    Hoewel het impressionisme in zijn tijd werd gezien als een schetsmatige schilderstijl, paste het helemaal aan bij zijn manier van kijken en werken. Hij nam als basis het tonale palet en de losse penseelstreek van de kunstenaars van de Haagse School en voegde daar eigenheid aan toe. Door weinig academische ervaring kon hij brutaler en vrijer omgaan met de regels. Misschien dat zijn gebrek aan een voltooide academische opleiding zijn voortrekkersrol positief heeft beïnvloed, hoewel in het geval van Breitner niet van een gebrek als wel van een voordeel gesproken kan worden. Hij haalde zijn kennis en vaardigheden uit het veld, bij kunstenaars die hem inspireerden. In verschillende fases van zijn carrière bleef hij echter wel op zoek naar een grondige technische scholing, in de hoop zo de sluimerende onzekerheid over zijn eigen kunnen te beteugelen. Daardoor kon hij een eigen weg gaan en was het hem mogelijk zonder klassieke ballast te experimenteren en te komen tot waar hij de geschiedenis in is gegaan, als Nederlands impressionist – de kopman van de avant-garde. Zoals hij zelf zei: “Mij dunkt voortbrengingskracht en verbeeldingskracht maken de kunstenaar + een groote X.

    Rauwe werkelijkheid tot stemmige impressie

    Schilderachtig wilde hij historiestukken neerzetten. Op detail de realiteit vangen. Maar hij besefte al snel dat hij het juist moest hebben van de dingen die hij om zich heen zag gebeuren in plaats van anekdotes uit het verleden aan te halen. Dynamisch en met brede verftoets bracht hij figuren in beeld. Het beeld werd monumentaal. Hij voelde zich steeds meer aangetrokken tot een opkomende, anti-academische richting in de Haagse schilderkunst. Het vastleggen van een bepaalde sfeer op een zeker moment was daarbij meer belangrijk dan een verhalend onderwerp. Voor Breitner was een verhaal vertellen met veel details en een correcte tekening gaandeweg van minder belang dan kleur, lijn en expressie. Hij schetste de rauwe werkelijkheid tot een stemmige impressie. Zijn werk oogt speels en spontaan. Eerst nog modelleerde hij zijn beeld zorgvuldig met oog voor detail, later werd zijn penseelvoering krachtig en sprekend. Alledaagse figuren werden met ferme streken in soms hoekige vormen en met harde contouren tegen een donkere achtergrond geplaatst. Gebeeldhouwd in verf, uit de verf ontstaan. Na een zichtprobleem viel hij terug op het detail in de nauwkeurige stofuitdrukking. Hij leek geland op zijn artistieke basis, maar vandaar uit werd hij colorist. Hij had voordien de werking van kleur en vorm perfect onderzocht en kon opnieuw loslaten. Het werk robuust in kleurvlakken opbouwend.

    Nieuwe realiteit

    In kleurrijke, vrij geschilderde werken lijkt Breitner, na jaren van zoeken, zijn artistieke streven te hebben verwezenlijkt. Door thema’s telkens opnieuw onder handen te nemen en zichzelf bij elke versie uit te dagen was hij op dit punt aangekomen, steeds zoekend naar vooruitgang. Met de nadruk op kleur en expressie in plaats van vormvastheid was Breitner zijn tijd vooruit. Hij maakte een nieuwe realiteit door bestaande en bedachte elementen te combineren. Inspiratie kon Breitner vinden in een bijzondere vorm, opvallende kleur of toevallige beweging. Hij zette geen feitelijke weergave op doek, maar koos bewust voor wat hij de kijker wilde laten zien. Selecteerde en componeerde naar hartenlust, daarbij proberend zo dicht mogelijk bij de realiteit te blijven. Hij gebruikte later zelf genomen foto’s als instrument bij het componeren van zijn schilderijen. Maar maakte ook getekende en geschilderde schetsen en plein air, daardoor kon hij in zijn atelier diezelfde sfeer oproepen als dat hij ter plekke had ervaren.

    Zijn beeldopbouw lijkt eenvoudig, maar met enkele verfstreken kon Breitner doeltreffend een figuur neerzetten. Hij wist een schetsmatige uitvoering perfect te combineren met een volwaardige compositie. In dit vrije schilderen maakten de figuren zich los en ontstonden op afstand gezien ‘uit de verf’ – een ruimtelijke illusie. Men had kritiek op de schetsmatige wijze van schilderen en het ogenschijnlijk onvoltooide karakter van zijn werk. De beoordeling op stijl en techniek boven het onderwerp bleef hem levenslang achtervolgen. Breitner werkte vanuit zijn eigen visie op de werkelijkheid, waarin hij de schoonheid van het dagelijkse leven zonder hang naar nostalgie uitdrukte in gedurfde heldere kleuren en een brede markante verftoets. Hij zocht stug door naar een eigen handschrift. Zo vond hij uiteindelijk zijn ‘groote’ X.

    BREITNER schilderbeest. Tekst Suzanne Veldink. Voorwoord Jan Rudolph de Lorm. Verschenen ter gelegenheid van de tentoonstelling in Singer Laren van 15 mei tot en met 8 september 2024. Uitgave WBOOKS Zwolle in samenwerking met Museum Singer Laren, 2024.

  • Albrecht Genin ontwierp logo’s voor een complexe wereld

    Een maagdelijk wit vel papier nodigt uit er een lijn op te zetten en nog één en een vlak te duiden, een compositie aan te vangen. Maar het onbeschreven blad kan ook tegenstaan, de inspiratie dood slaan. Je zit mijmerend, de hand beweegt niet, er komt niets naar boven dat beeld dient te hebben. Dan liever een ondergrond genomen dat al eens iets heeft ontvangen, al een verhaal in zich heeft. Jij hoeft dat alleen maar aan te vullen, in te vullen met jouw idee over de herinnering. Dat is wat Albrecht Genin doet, of beter heeft gedaan. De Duitse kunstenaar leefde van 1945 tot 2013. Op dit moment wordt zijn werk getoond in Museum Nairac , daarbij is een catalogus getiteld “Ocean Stories” verschenen bij Livingstone Editions / Van Spijk Artbooks.

    Omdat Genin niet wilde beginnen op een wrede witte ondergrond, gaf hij de voorkeur aan geprint materiaal zoals Bijbels, wetboeken, kaarten, partituren en grootboeken om op te werken”, schrijft Jeroen Dijkstra van de Livingstone Gallery in het voorwoord tot het boek. Dijkstra stipt kort de levensloop van de kunstenaar aan, daar de tekeningen in de bundel opgenomen al boekdelen spreken. “Wanneer hij muziekpapier gebruikte kon een compositie beginnen met een lijn, maar dan liet hij deze lijn groeien tot een figuur. Met een bladzijde uit een boek is de helft van de afbeelding al aanwezig. Mooi materiaal om een tekening te beginnen daar het eerste werk al gedaan is.”

    Genin zocht de lichtheid van het bestaan

    Wars van de kunstwereld met zijn artistieke trends en kritieken, afkering van musea, galeries en kunstruimten kon Genin bij leven een bijzonder oeuvre opbouwen. Het lukte hem het leven, wat hij beschouwde als de absurde realiteit, te vertalen in een leefbare fantasie. Dijkstra legt de manier van werken uit, ontrafelt het mysterie. Ruwe contouren met veelal emotionele, soms zelfs donkere ondertonen worden afgewisseld met een heel bijzonder gevoel voor humor. Genin zocht de lichtheid van het bestaan. Voor zijn afbeeldingen inspireerden hem de dagelijkse handelingen van Thaise vissers op weg naar de rivier, de boeren die de velden ploegen. Locaties werden inwisselbaar door het beeld te versimpelen tot alleen enkele zwarte lijnen. Op die manier kan het evengoed een boer in Normandië zijn of vissers aan de oever van de Nijl. Mannen met speren rond een kampvuur kunnen ook grottekeningen in Afrika zijn of rotsschilderingen van Aboriginals in Australië. Het vereenvoudigen van een complexe wereld tot haar essentie, omdat de wereld al ingewikkeld genoeg is. “Because I really enjoy it when I am able to do it with ease.

    In zijn werken op papier gebruikte Genin meestal zwarte olieverf of oostindische inkt. “Black is more exciting for the process, the composition becomes more divined.” Hij was van mening dat kleur het ontstaan van een afbeelding beperkt. Zwart legt de basis voor concentratie op de compositie, kleur leidt af van de abstractie van het beeld. Door het boek, dat in beelden de verhalen vertelt van Genins reizen naar het Verre Oosten, te bladeren zie ik wat de kunstenaar bedoelt met dat de compositie met zwart meer goddelijk wordt. De tekeningen lijken van een andere orde te zijn, een parallel universum. De figuren, met ogen maar zonder neus, brengen een mysterieus spel voor het voetlicht. En inderdaad hebben de tekeningen de sfeer van rotsschilderingen, van beeltenissen die het leven bezweren. Van tekens die de wereld tot haar essentie versimpelen.

    De figuren zijn tot wezen versimpeld

    Het boek is over verschillende rubrieken uitgesmeerd. Ingedeeld naar de diverse dragers die door Genin voor de tekeningen zijn gebruikt. En iedere ondergrond – boek, muziekblad, geschreven tekst, ingevuld grootboekrekening, logboeken – hebben een eigen sfeer in beeltenis. De figuren zijn tot het wezen versimpeld, de basis waarop de handeling dan wel de boodschap het meest tot recht komt. De drager heeft als verhaal voldoende, niet als leesbare tekst maar als zichtbaar tekstbeeld. Het is het decor van de tekening, heeft er zijdelings betekenis door. De achtergrond maakt de levende vlek speels. Zou het op blank papier zijn gezet zal het een te harde overgang kennen, van het blad springen en minder kracht hebben. Juist deze afweging van geprint onder getekend, die balans van wat was en later is, geeft de compositie een dimensie meer. Het is tastbaar gelaagd.

    Schoonschrift nodigt tot geladen dynamiek

    Op muziek gezet acteren de figuren een danse macabre, een levendige dodendans. En staat de dirigent onstuimig voor zijn orkest. De notenbalken nodigen meer uit om op het thema muziek het beeld te laten klinken. De noten op de balken brengen een melodieuze sfeer in. Er is meer dynamiek dan in de relatief statische boekbladen. Net als in de boeken de tekst zich niet laat lezen, kan het uitgeschreven muziekstuk niet op noten gespeeld worden. Het is behang om de tekening vertrouwd en intiem te maken. De titel van het muziekstuk is meestal aanleiding voor een tekening. Zo is het muziekblad beter onderdeel van de compositie dan bij de andere items voor verbeelding.

    Op geschreven teksten gaat de beweging verder. Het schoonschrift nodigt uit tot een geladen dynamiek. En ook hier is de tekst achtergrond ter ondersteuning van het beeldmerk. Waar het grootboek door de rechtlijnige verdeling en de levendige notities daarop een paradox in de afbeelding krijgt. Het kan dat dragen. Rollende hoofden zijn ogende stenen, torso´s zonder armen prijzen schoonheid, een ladder voert naar de sterren, het eiland in de zon zinkt in zee. Ocean Stories, een tekening die titel is van het boek, is beeldend een vlucht uit deze wereld, van huis en haard verdreven. Zo staan alle tekeningen symbool voor de donkerte van het bestaan waarin Genin een verlichtend wezen probeerde uit te drukken. Hij heeft getracht de heldere kant van het leven te zien om deze in zwarte expressies om te zetten. Zwart, niet als naargeestigheid, maar om de aandacht vast te houden, te concentreren op kernpunten. Logo´s van een samengestelde wereld. De aarde versimpeld tot haar geaardheid, waarop het leven nog leefbaar is.

    Ocean Stories. Albrecht Genin, tekeningen. Tekst Jeroen Dijkstra. Uitgave Livingstone Editions / Van Spijk Art Books, 2024. Tentoonstelling Museum Nairac Barneveld tot en met 22 juni 2024.

  • De werkelijkheid volgens Antonio López

    Schilderen, daar houd ik echt van. Maar tekenen is ook prachtig, niet iedereen kan dat. Iedereen kan schilderen, maar niet iedereen kan tekenen. In het tekenen vind ik een manier om te communiceren. De taal van tekenen is vloeiend en natuurlijk. Eenvoudig en simpel. Maar tegelijkertijd zo complex.” Dat het niet eenvoudig is om een goede tekening neer te zetten blijkt uit het werk van Antonio López. Wie nog in staat is om de tentoonstelling in het Drents Museum te bezoeken zal dit beamen. Nog tot en met 2 juni presenteert deze meester van het Spaanse realisme daar zijn werk. Wie de zaal binnengaat wordt gewaarschuwd in een donkere ruimte terecht te komen. Hier staan in gedimd tot oplichtend licht enkele van López beeldhouwwerken opgesteld. Houten en gipsen modellen waaruit blijkt dat de kunstenaar meer is dan schilder en tekenaar. In het licht van de zaal daarna vallen meteen de menshoge kinderkoppen op. Het is een overtuigende kennismaking met de kunstenaar.

    Twee grote liefdes

    Voor de catalogus bij de tentoonstelling is algemeen directeur Harry Tupan met Antonio López in gesprek. De kunstenaar is openhartig en spreekt gedetailleerd over de kunst in het algemeen en zijn kunst in het bijzonder, even nauwkeurig als dat hij zijn werk heeft opgezet. Precisie en nauwkeurigheid vormen het fundament van zijn werk, deze zijn voor López essentieel. “Ik heb twee grote liefdes gekend die mij veel hebben geleerd en enorm hebben beïnvloed”, laat hij weten. “Enerzijds de oude, anderzijds de moderne kunst.” In zijn studietijd ontdekte hij het surrealisme en leerde anders naar de wereld kijken. Hij leerde de wereld begrijpen. Zijn vroege werken hebben nog elementen die boven de werkelijkheid steken, maar allengs laat hij deze los en geeft enkel de werkelijkheid weer zoals hij deze ziet. Deze ervaring, die belevenis, wil hij met zijn werk aan de kijker overbrengen. Veel van zijn tijdgenoten waagden de stap naar abstractie, maar López is simpel gelukkig wanneer hij realistische kunst maakt. Het vastleggen van dingen waar hij blij van wordt. Een drang tot herkenbare schoonheid in een technisch uitstekende uitvoering.

    “De wereld is een chaos”

    Echter toch niet met een fotorealistische kijk, een fotografisch oog, hoewel hij wel de werkelijkheid rauw sensitief en schilderachtig wil laten zien. Hoewel de straten leeg zijn is het panorama vol van leven. Een ruimtelijke benadering van de werkelijkheid. In de stadsgezichten is elk detail opgenomen, maar de mens ontbreekt. Niet opzettelijk, door zijn langzame manier van werken concentreert hij zich op statische elementen. Bijna altijd zijn de straten leeg, maken de stadsschilderijen een verstilde indruk. Het zijn werelden waar de tijd stilstaat. In de stilte overheerst de opwinding van het zijn dat er was en weer komen gaat. Het moment dat alles een ogenblik pas op de plaats houdt, de siësta – het leven heeft de deur achter zich gesloten. “De wereld is een chaos en er is een wil in mij om daar structuur in aan te brengen. Ik probeer die structuur door te voeren in mijn werk, anders heb ik het gevoel dat ik ‘val’.

    De werkelijkheid analyseren

    Binnen de hedendaagse Spaanse schilderkunst bestaat er geen andere kunstenaar die de stad Madrid zo waarheidsgetrouw en gedetailleerd heeft verbeeld als Antonio López, stelt kunsthistoricus Albert Mercadé. Bewust van de stedelijke werkelijkheid, de geest van de stad, schildert hij zowel de betere als de slechtere buurten zonder dingen weg te poetsen. Hij heeft een fascinatie voor het mysterie van de weidse vergezichten, de opeengepakte atmosfeer, het compacte licht en de raadselachtige gevels. De mensen zelf afbeelden zou de waarneming van de stedelijke omgeving vertroebelen, alleen hun sporen zijn indirect zichtbaar. Vastgelegd op momenten van maximale rust, rond zonsopgang en zonsondergang om de straten te kunnen afbeelden in hun volle, mysterieuze glorie geeft het de gebouwen en wegen een wonderlijke lading. López zoekt bij voorkeur een hoge positie van welke plek hij als in vogelvlucht een overzicht over de te portretteren stad heeft. Op een dergelijke manier kan hij vanaf dat standpunt de werkelijkheid analyseren. Ontleedt hij het beeld, anatomiseert de tijd in die werkelijkheid. Want hij heeft een grote hoeveelheid tijd nodig om zijn tafereel te maken. In die tijd is hij op reis met het beeld. Het licht van de gaande dag verschuift de werkelijkheid, de realiteit is in beweging en dient telkens opnieuw een duiding te krijgen, verklaart te worden. López wil de werkelijkheid zichtbaar maken maar deze niet letterlijk weerspiegelen. Wat ik zie in de werken is niet het moment op die plek, het is de invulling die de kunstenaar aan de voorstelling heeft gegeven. Hij heeft het niet dood geschilderd, maar levend verbeeld.

    Antonio López wil de werkelijkheid volledig ontleden en isoleren, vereenvoudigen en natuurlijk maken. Aldus kan hij de werkelijkheid op eenvoudige manier presenteren in zijn werk. Door alle ruis uit zijn kunst te bannen blijft als onderwerp de intieme dagelijkse werkelijkheid over. Uiteindelijk is hij tot een nieuwe beeldtaal voor de Spaanse realistische kunst gekomen. De verhaallijnen, versieringen en details zijn verdwenen en het door López gekozen thema is sober, direct en mysterieus weergegeven. Niet ontstaan uit een bovennatuurlijke benadering om de natuurlijke werkelijkheid te overstijgen. Daarentegen een sobere perfectie door steeds iets meer weg te laten. Hij is ervan overtuigd dat een schilderij nooit de volledige werkelijkheid, zoals hij deze wil overbrengen, kan vastleggen.

    Totale realiteit te zien

    Toch denk ik in het Drents Museum en bij het bekijken van de catalogus een totale realiteit te zien. Vooral in de tekeningen zet de kunstenaar zo gedetailleerd de plaats delict op dat er geen werkelijkheid meer bij kan. De getekende, huiselijke inkijkjes van de kunstenaar zijn doorregen met nostalgie. Het mysterieuze karakter wordt niet veroorzaakt door de voorstelling zelf, maar door de manier waarop de kunstenaar die heeft geënsceneerd. De tekening lijkt de kunstenaar te hebben vervoerd naar een verre dimensie. Het interieur dat wel als met een fish-eye objectief wordt bekeken is een portret van de intimiteit van de schilder. Het is een best voorbeeld van de moderne Spaanse figuratie.

    López komt in zijn afbeeldingen van een huiselijke omgeving tot de kern van het alledaagse. Door inkijk te geven in de meest intieme werkelijkheid van de mens, de eigen privéomgeving, opent hij deuren die normaal gesproken gesloten blijven. Hij maakt onder meer het toiletteren tot hoofdzaak, waar het in de kunst meestal bijzaak is. Hij kijkt niet voorbij aan de wasbak of de toiletpot, maar toont deze ongegeneerd in zijn werk. Het ‘gewone’ schilderen, waaraan wij voorbij kijken, dat er schijnbaar niet toe doet, decor is. Maar juist dat voor het voetlicht brengen, uit de coulissen in de hoofdrol. In de tentoonstelling confronteert López de bezoeker met een uiterst gedetailleerde inkijk in de essentie van zijn wezen. Met hem ben ik op reis door zijn eigen huis, krijg ik inzicht in zijn meest persoonlijke universum. In zijn werk worden saaie en schijnbaar onbelangrijke dingen verhoogd tot zaken van betekenis. De grote potloodtekeningen laten precies zien hoe zijn werkruimte erbij ligt. Daarbij nodigt een raambeslag uit om het venster te openen, zo werkelijk heeft de tekenaar zijn onderwerp op papier gezet.

    López is geobsedeerd door het leven. Het natuurlijke leven, precies zoals het is. Het leven is voor hem constant in beweging, maar legt het vast in de duurvorm van de tegenwoordige tijd. Zonder abstracte blik is er geen waardevolle presentatie van de werkelijkheid mogelijk. Het is altijd een combinatie van het tastbare en wat is waargenomen. Objectief versus subjectief. Hoewel het interieur en het stadsgezicht opvallende onderwerpen zijn, richt hij zijn blik ook op het bloemstilleven en portretten. Met een even verfijnde manier van werken komen deze uit de verf op het doek. Zijn gevoel ligt besloten in de werken. López’ geest waart door zijn oeuvre. Door zijn scherpe blik en langs zijn vaardige hand kijk ik in een werkelijkheid waarin de schilder op reis is, altijd onderweg.

    Antonio López, Meester van het Spaanse realisme. Tekstuele bijdragen Harry Tupan, Albert Mercadé, Floor van Heuvel, Violant Porcel en Toine Moerbeek. Uitgave bij tentoonstelling in Drents Museum. Waanders Uitgevers, 2024.

  • “Op scherp” zet fotorealisme in focus

    Eens zag ik een kunstwerk hangen, waarvan ik dacht dat het een polaroidfoto was. Met schildertape aan de wand geplakt. Een vakantiekiekje, vrolijk zitten drie figuren naast elkaar in de zon. Het lijken drie generaties – vader, kleinzoon en zoon. Bij nadere beschouwing blijkt het om een klein schilderij te gaan. De gestuukte muur, de tape, de foto en de schaduw, het ruimtelijk effect – het is alle olieverf op doek. Een foto uit het familiealbum was door Gerrit Wijngaarden nageschilderd. Het was voor mij een eerste kennismaking met het fenomeen fotorealisme. Ook zag ik wel de realiteit van Olav Cleofas van Overbeek, een meester van het stilleven. Hoewel de lichtinval in zijn werk bijzonder is met een terugkerende spiegeling, heeft het niet de kracht van fotorealisme zoals ik zie in de catalogus en op de tentoonstelling “Op scherp / In focus”.

    Collectioneren van fotorealisme

    Het Centraal Museum Utrecht is de eerste instelling in Nederland dat zich richt op het collectioneren van fotorealisme. Veel van deze verzamelde werken zijn door tijd vanaf de jaren 80 uitgeleend voor tentoonstellingen elders. Nu toont het museum ze onder eigen dak. Daarbij valt op dat de schilderijen griezelig echt zijn. Aan de minutieus nageschilderde foto´s is een extra dimensie toegevoegd, waardoor er meer lagen van beleving zichtbaar zijn dan in de reguliere platte foto. Een foto is het vastleggen van een enkel moment, het schilderij laat meerdere momenten zien. “Het werk van fotorealistische kunstenaars is bedrieglijk verleidelijk”, schrijft artistiek directeur Bart Rutten in zijn voorwoord tot het boek. “Hun vakmanschap steekt de mechanische precisie van fotoapparaten naar de kroon. (…) Maar de maatschappelijke waarden die erin verborgen liggen zie je makkelijk over het hoofd.

    Achter de façade van de werkelijkheid huist de essentie van de gedachte. Een statement dat de kunstenaar met zijn compositie wil maken. Dat wordt gedaan door de wereld of delen daaruit weer te geven zoals wij deze dagelijks treffen en kunnen zien. Doordat dit zo werkelijk of zelfs hyperrealistisch gedaan is kan ik op mijn vingers natellen dat er iets niet aan klopt. Wat wij als werkelijkheid ervaren trekt fotorealisme in twijfel. Want het is meer dan een knap staaltje kopieerwerk. Bij het zien van fotorealistische werken moet ik daarom alert zijn, beter kijken om de achterliggende boodschappen te lezen. Daarop wijst mij de curator van de tentoonstelling, Esmee Postma. En ook Hanneke Grootenboer, hoogleraar kunstgeschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam, roept mij daartoe op. Zij gaan voor de catalogus beide in op de geschiedenis van het fotorealisme, als laatste isme van de 20e eeuw en reactie op de abstractie van Cobra en het nulpunt van Zero.

    Glimmende auto’s en ronkende motoren

    De transformatie van foto naar verf druist in tegen alles waar het modernisme voor staat. Waar popart de popcultuur en massamedia ironisch verheft, is het fotorealisme een bloedserieuze aanvechting van wat moderne kunst kan en mag zijn. In “Op scherp / In focus” wordt gesteld dat deze kunstvorm uit Amerika is overgewaaid en dat het in eerste instantie voornamelijk een masculiene stijl was. Daarom zie ik glimmende auto’s en ronkende motoren, schreeuwende uithangborden en spiegelende winkelpuien, om niet te spreken van vrouwen in uitdagende lingerie. Uit de gevulde winkeletalages, pick-up trucks en straatbeelden spreekt een specifieke kijk op de wereld. Het zijn snapshots en is een afspiegeling van de vooral welvarende witte mannenwereld. Momentopnames die echter verder reiken dan die zichtbare werkelijkheid. Er staat meer in de compositie dan bij een snelle blik gezien kan worden. Eigenlijk zal ik de eerste laag eraf trekken om de onderliggende huid te ontdekken. Dan denk ik aan wat ik vind bij Ger Eikendal in dezelfde tentoonstelling als waar ik Gerrit Wijngaarden zag. Eikendal gaf mij een optische illusie door onder flarden van afgescheurde affiches nieuwe beelden te tonen. Daar zag ik toen echter nog geen maatschappelijke boodschap in. “Op scherp” focust mij, “In focus” scherpt mijn beeld.

    Het wil geen foto zijn, het wil er voor doorgaan

    Fotorealistische werken van toen en nu roepen op tot vertraging”, schrijft Esmee Postma. “Ze zijn met aandacht gemaakt en verlangen een aandachtige blik.” Hanneke Grootenboer vult aan: “Een vluchtige blik van de toeschouwer is niet genoeg; voor wie de veelzijdigheid van fotorealisme wil doorgronden is beter kijken het devies. Met als aanvullende tip om op je hoede te zijn. Want fotorealisme wil je te pakken nemen, je verrassen, je erin laten tuinen en je wakker schudden.” Door vijf richtlijnen te geven leert ze mij fotorealistisch te kijken en haarscherp te denken over mijn eigen beeldgebruik. Zo zal ik vervreemd raken van mijn omgeving, oppervlakkig zijn en me laten misleiden. Ik zal moeten reflecteren op reflectie, want de uiteindelijke ambitie van fotorealisme is niet zozeer het onthullen van de ware aard, maar het demonstreren van de kracht van de vermomming. “Het wil niet een foto zijn, het wil ervoor doorgaan.” Tot slot ga ik filosofisch kijken daar opzettelijk bedriegen een manier is om de waarheid te vertellen. De camera is vandaag de dag een model geworden voor zowel een manier van kijken als een manier van leven, stelt Grootenboer. De grens tussen privéleven en publieke ruimte wordt vager. Er is weinig ruimte je te verbergen en iedereen laat zich schijnbaar vrijwillig zien. De fotograaf – en dat kan tegenwoordig iedereen zijn met de mobiele telefoon stand-by – deze kijkt indirect naar de wereld, de fotorealist nodigt uit tot een noodzakelijk bewustwordingsproces. Fotorealisme is een filosofie, een attitude.

    Een aanklacht, een protest

    De catalogus toont veel representatieve voorbeelden van deze manier van werken. Vooral gelaagde werken, de composities met een boodschap, komen erin aan bod. Want dat is wat fotorealisme is of wil zijn. De maatschappij een spiegel voorhouden, zodat deze de eigen opgeblazen houding naar de wereld kan aanschouwen. Althans wanneer je daar voor openstaat, dat wil zien, deze tekortkoming door die overvloed. Zo is het fotorealisme meer nog dan andere ismes of stromingen binnen de kunst een aanklacht, een protest. Het wil meer zijn dan een landschapje of stilleventje boven de bank, het doet ertoe en heeft iets te zeggen. Is het dus vooreerst een mannelijke aangelegenheid, het boek snijdt vooral de vrouwelijke inbreng aan. Een bijdrage die de stijl veelvormig maakt, met name omdat het kleurig en seculier is geworden. Niet alleen de witte mannelijke mens heeft een boodschap voor de wereld.

    Op scherp / In focus” laat enkele vrouwelijke realisten aan het woord. Esmee Postma is in gesprek met Audrey Flack. Zij gebruikte foto’s eerst als hulpmiddel bij het schilderen van stillevens en kinderen, maar deze stelden haar later in staat om licht, diepte en schaduwen te bestuderen. Weerkaatsend licht op een parfumglas of het metaal van een gouden armband. “Een foto legt geen belichaamde ervaring vast”, zegt Allison Katz. “Het weerspiegelt het mechanische oog van de camera, dat dingen ziet die wij niet kunnen zien, vanuit hoeken en snelheden en in kleuren en temperaturen die wij niet kunnen zien. (…) Bij schilderkunst geloof ik dat het belangrijkste realisme in het oppervlak zelf zit.” Esiri Erheriene-Essi ziet schilderen als het schrijven van een speculatieve geschiedenis, het samenvoegen van het verleden en het heden, van individuele en gedeelde herinneringen. Want voor alles is een fotorealist een schilder. Een schilder die met fotografisch ingestelde ogen naar de wereld kijkt. De werkelijkheid naar eigen hand zet, de realiteit vervormt en aanpast.

    Uitgepakt smaakt de boodschap zoet

    Terug naar die eerste kennismaking. De vakantiefoto van Wijngaarden en de spiegelende schaal van Van Overbeek. Het is vakwerk, dat zeker. Maar vlak werk, ik vond geen dubbele bodem, ik zag geen boodschap. Die merk ik nu wel op in het werk dat mij in “Op scherp / In focus” wordt getoond. Ik heb geleerd om beter te kijken. De “Blue Caddy”, levensgroot gereden van het omslag van het boek, het verhaal daar omheen, brengt me die geschilderde foto en dit ragfijn en haarscherp stilleven in herinnering. Maar zij, Wijngaarden en Van Overbeek hebben de stilte gezocht, terwijl ik op die qua afmeting confronterend levensgrote schilderijen een tumult aan geluid aanvoel. Het is van een andere orde, het heeft als protestkunst – mocht de maker dat al in gedachten hebben – een mindere waarde, schilderkunstig is het van bijzondere kwaliteit. Want dat is wat fotorealisme is, puur ik uit de catalogus en zie ik in de tentoonstelling. In reactie op de actie van abstracte kunst, uit protest over de huidige vluchtige beeldcultuur. De aanklacht is omfloerst, niet meteen zichtbaar, verpakt in een glamorous watertandend papiertje. Uitgepakt smaakt de boodschap zoet met een scherp zuurtje, het brandt op de tong – de tranen springen me in de ogen, de rillingen lopen me over de rug. Wanneer ik beter zie en door kijk ontdek ik de diepere betekenis, de dubbele bodem, het verborgen verhaal. Het is een aha-erlebnis het opeens te doorzien. En niet enkel een vakkundig gemaakt en schilderachtig opgezet beeld te bekijken, maar deze op waarde te doorgronden. De vast grond blijkt drijfzand waarin ik makkelijk wegzak wanneer ik mijn ogen sluit voor de meerwaarde van het beeld.

    Op scherp: Fotorealisme nader bekeken / In focus: A closer look at photorealism. Tekst: Bart Rutten, Esmee Postma, Hanneke Grootenboer. Verschenen ter gelegenheid van de tentoonstelling in Centraal Museum Utrecht. Uitgave: WBOOKS Zwolle, 2024.