Tag: Christiaan Kuitwaard

  • De Deelen volgens Kuitwaard en Van Dijck

    Dacht ik in het boek het silhouet van Sjoerd de Vries in een werk van Christiaan Kuitwaard te ontdekken (Zie “Natuurgebied De Deelen weergegeven in veertig schilderijen). Een schaduw mijmerend de moerasbosjes en petgaten beschouwend. In de tentoonstelling op dit moment bij Museum Belvédère waart de geest van wijlen Sjoerd inderdaad voelbaar door Christiaans schilderijen en daarbij de werken van Bruno van Dijck. Het boek was er eerder dan de tentoonstelling. Echter met het bezoeken, bezien en bewerken van de inspiratie, bron van bezieling, is het allemaal begonnen. Nadat Kuitwaard en Van Dijck elkaar tijdens een eerdere presentatie in Belvédère ontmoetten en het klikte qua leven en werken. De overeenkomst komt tot uiting op de omslag van het boek met geschilderde impressies van het natuurgebied. De werken lopen naadloos in elkaar over, dragen eenzelfde karakter en bezitten een eendere sfeer.

    Die uitgave is een handzaam in harde kaft gevat boekje, niet groter in afmeting dan de werken zelf. De inhoud besprak ik een half jaar geleden en was bijzonder benieuwd naar de latere presentatie in het museum. Om de werken in het echt te zien, de verf te kunnen ruiken, de penseeltoets en krijtstreep te kunnen aanvoelen, de sfeer te proeven, het gevoel te krijgen die de mannen in De Deelen hadden. Want ze zijn ter plaatse gegaan om de stemming te ervaren die Sjoerd dus voor hen had, en Evert en Jelle en Willem hadden. En de bron waaruit nu nog Jan Snijder put. Niet dat ik de karakteristieke rietkragen zal ontdekken, die Sjoerd bij leven en welzijn in boekomslagen heeft gekrast. Of de paling opmerk waarvan Evert het vel gebruikte om te beelden. Ik zie niet de dauw over de velden, de nevel tussen de struiken, de witte wieven van Willem. Ieder mens, en in dit geval elke kunstenaar, die het gebied in trekt heeft daarvan een andere beleving.

    Broeders in de kunst

    Voor de tekst in het boek ging Han Steenbruggen naar het natuurgebied dat hij voordien enkel kende van het werk van de Deelenschilders en het boek dat Thom Mercuur ooit samenstelde over De Deelen. Hij dompelde zich in het licht van voorjaar en najaar, dat strijklicht dat de vegetatie welhaast van onderen belicht alsof het spelers op een toneel zijn, voor het voetlicht. Vooral dat vroege en late schijnsel is in dit gebied belangrijk. Het maakt en breekt de sfeer. Meest in dageraad en schemer, lente en herfst, tekent de natuur het leven langs de rietkragen en tussen de struiken. Is het boek nog opgedeeld naar kunstenaar, in de tentoonstelling worden de werken in relatie tot elkaar getoond. Vallen de overeenkomsten en tegenstellingen in benadering van de werkelijkheid beter op. Het een kan in het ander schuiven, maar valt er niet als blauwdruk overheen.

    De broeders in de kunst Bruno en Christiaan waren daar in De Deelen in het voorjaar van 2023 voor een week, deden en plein air inspiratie op langs boorden, in velden en op plassen. Bruno nam zijn bevindingen mee naar het atelier in Zoersel bij Antwerpen, maar Christiaan ging vanuit zijn werkplek in Oldeberkoop nog vaker terug op andere tijdstippen van het jaar en momenten van de dag. Want mei bleek toch niet de geëigende maand te zijn om de stemming van gele rietkragen en diep zwart water te vatten. Daarvoor was de herfst het juiste jaargetijde. Het moment dat de natuur zichzelf afbreekt om opnieuw te kunnen beginnen. Zich te ruste legt om in winterslaap te gaan en uitgerust en lentegroen een volgend jaar aan te vangen. Het strijklicht van de lage zon door de maanden waarin de r zit geeft het waterrijke landschap een bijzondere kleur en uniek karakter. Tinten die op andere momenten nauwelijks worden gehaald, of het zal de schemer zijn, het ogenblik dat de dag door de nacht breekt en andersom.

    Vertalingen van de werkelijkheid

    Over zijn beleving op verschillende momenten in het natuurgebied schreef Han Steenbruggen een drietal essays voor het boek met schilderijen van De Deelen. De publicatie, simpelweg als “De Deelen” betiteld, bevat een veertigtal kunstwerken van Van Dijck en Kuitwaard, plus nog enkele sfeerfoto´s van het gebied en de kunstenaars aan het werk. De tentoonstelling is een ruime keuze uit deze serie. In beelden vatten de schilders de werkelijkheid samen, in teksten recapituleert de schrijver zijn bevindingen. In de tentoonstelling zijn die beeldende bewoordingen niet verwerkt, de catalogus dient als leidraad en richtsnoer. Wegwijzer om het gebied eens te bezoeken en de plekken die de kunstenaars visueel beschrijven te ontdekken.

    Het is bijzonder te ervaren hoe twee kunstenaars op dezelfde plek tot diverse vertalingen van de werkelijkheid komen. En toch zo goed op elkaar inspelen en aansluiten. In de eigen stijl en op de persoonlijke manier met enige invloed van de ander heeft het duo boeiende sfeerbeelden gemaakt. De omgeving is vooral landschappelijk en horizontaal bekeken, maar deze vlakheid verdiept zich en vindt grond in stil water. Er is geen leven nog van vogels en insecten. De kunstenaars hebben geen oog voor langstrekkende snelle bewegingen van opvliegende ganzen en zoemende bijen. De blik kleeft aan het struikgewas en het kabbelende water. De tijd is op het meest sprekende en karakteristieke moment stil gezet, bevroren en geportretteerd. De verfhuid is wel bewerkt met de achterkant van het penseel of het zwart van houtskool om beweging te suggereren. Het trekt lijnen door de sfeer, geeft contour aan het gevoel.

    Kalm in beweging

    Kuitwaard geeft dan het licht ruimte in zijn werk, waar Van Dijck zich richt op beweging. Het stille water spiegelt de tonen van het voorjaar. Leliebladeren liggen als een school vogels op dat water. Hoewel dit liquide oppervlak zich monumentaal in het portret uitspreidt, het egaal en ongerimpeld over de drager ligt, is de verfhuid kalm in beweging. Met subtiele verfvegen weten de schilders dynamiek te brengen in de stille gelatenheid. Het is niet een opvliegende gans die gakkend de stilte doorbreekt, maar de wind die het water doet golven in de vroege ochtend. Vooral dat tijdstip van de dag maakt de stemming, bouwt de sfeer. In latere uren is die magie in werkelijkheid verdwenen, maar voegen de schilders deze in abstractie aan hun werk toe.

    De mannen zijn er niet tijdens de hardvochtige en te zonlichte zomermaanden. De tijd waarin de mens tot leven komt, maar de natuur in stemming omslaat. Het hoogtepunt van de dag is ook niet het middaguur, wanneer de zon op het hoogste punt staat en elk contrast vervaagt. Een dag is als een jaar, met eenzelfde afwisseling van seizoenen. De uiterste sfeer is er in de vroege morgen en het begin van de avond, in het voorjaar en het najaar. Bij uitspruiten en afsterven. De bloei is daarentegen hoewel in schoonheid op het toppunt het minst tot de verbeelding sprekend.

    Sereen landschap

    De kunstenaars geven vooral de stilte van en in dit gebied een plek. In de schilderijen ritselen bladeren en rimpelt water. Terwijl op de achtergrond het verkeer over de snelweg raast is serene rust en welkome eenzaamheid in deze natuur ter plaatse te ervaren. Wie De Deelen bezoekt of heeft bezocht zal dit beamen. Dit vredig zwijgen van de ooit door mensenhanden gemaakte omgeving is te doorvoelen in de schilderijen van Bruno van Dijck en Christiaan Kuitwaard. Zij portretteren een gebied waar de natuur weer bezit van heeft genomen nadat de mens het heeft verlaten. De petgaten herinneren nog vaag aan de modderige landarbeid van turfstekers. De natuur heeft teruggenomen wat het eerder is ontnomen.

    Waar Kuitwaard de rust figureert en de kalmte vorm geeft in een sereen landschap, daar vat Van Dijck het moment op detail en bemerkt het wateroppervlak een zojuist opgevlogen eend. Die beweging valt nog af te lezen in de geschilderde impressies, hoewel de sfeer alweer rust ademt. Kuitwaard is een bedaarde schilder die gelaten en beheerst de omgeving met zijn penseel beschouwt. Van Dijck heeft een wildere toets, berustend expressief. De composities zijn spontaan overdacht, immers de schetsen van ter plaatse gemaakte inbeeldingen zijn de grondslag voor de uitwerking. In de verftoets moet later de eerder ervaren sfeer opnieuw worden opgeroepen. De tijd heeft het beeld getekend, de herinnering kan andere gedachten de ruimte geven. Daarom geeft Van Dijck in zijn werk de abstracte emotie een plek, waar Kuitwaard de realiteit vorm geeft. Zo sluit het werk op elkaar aan. Is het ene complementair aan het andere. Richt de Vlaming zich op het detail, waar de Fries het grote geheel ziet. “De Deelen” is een geschilderd document van een bijzonder landschap.

    De Deelen. Christiaan Kuitwaard & Bruno van Dijck. Schilderijen van een natuurgebied. Tentoonstelling bij Museum Belvédère, Oranje Nassaulaan 12 in Heerenveen – Oranjewoud. Van 28 juni tot en met 21 september 2025.

  • Natuurgebied De Deelen weergegeven in veertig schilderijen

    Om de emotie te doorvoelen die Sjoerd de Vries en Jan Snijder aan de petgaten en langs de rietkragen ervoeren, trok Han Steenbruggen natuurgebied De Deelen in. De plek kort ten noorden van de plaats Heerenveen kent de museumdirecteur tot dan van schilderijen, van een kort bezoek waarbij hij nauwelijks verder kwam dan de dijk en van een boek dat Thom Mercuur in het jaar 2000 samenstelde en uitbracht. Verder was Steenbruggen niet gekomen met het gebied, maar hij wilde toch verder kijken dan dat zijn zicht vanaf de weg kon reiken. Vooral toen Bruno van Dijck en Christiaan Kuitwaard het voornemen hadden om een week en plein air te werken langs de boorden van De Deelen. Voor de sfeer die De Vries en Snijder opriepen in hun werk koos Steenbruggen echter het verkeerde seizoen. Hij was er in het voorjaar, net als Van Dijck en Kuitwaard er in mei 2023 waren. Om de stemming van gele rietkragen en diep zwart water te vatten bleek de herfst het juiste jaargetijde. Het moment dat de natuur zichzelf afbreekt om opnieuw te kunnen beginnen. Zich te ruste legt om in winterslaap te gaan en uitgerust en lentegroen een volgend jaar aan te vangen. Het strijklicht van de lage zon door de maanden waarin de r zit geeft het waterrijke landschap een bijzondere kleur. Tinten die op andere momenten nauwelijks worden gehaald, of het zal de schemer zijn, het ogenblik dat de dag door de nacht breekt en andersom.

    Over zijn beleving op verschillende momenten in het natuurgebied schreef Han Steenbruggen een drietal essays voor het boek met schilderijen van De Deelen. Een veertigtal kunstwerken van Van Dijck en Kuitwaard, plus nog enkele sfeerfoto´s van het gebied en de kunstenaars aan het werk. Deze foto´s in zwartwit om de kleur over te laten en aandacht te geven aan het schilderwerk. Het is bijzonder te ervaren hoe twee kunstenaars op dezelfde plek tot diverse vertalingen van de werkelijkheid komen. Op de eigen manier met enige invloed van de ander heeft het duo boeiende sfeerbeelden gemaakt. Wanneer ik in dezelfde maand van het voorjaar het gebied bezoek zoals zij deden, kan ik hun versies van het landschap zo geografisch en naadloos daarin plaatsen. In latere maanden heeft de natuur zich geïnnoveerd tot een betere versie van zichzelf of de uitvoering juist zo bewerkt dat het amper in de eigen schaduw kan staan. Maar ieder moment heeft schoonheid en stemming. ‘De eeuwigheid duurt ieder ogenblik’, citeer ik Steenbruggen die een schilder die ook dichter was aanhaalt.

    De blik kleeft aan het struikgewas

    Op de plek zelf hebben de kunstenaars in de open lucht gewerkt en geschapen. Van Dijck heeft dan thuis in het atelier nog schetsen uitgewerkt waarbij de herinnering aan het verblijf in het gebied bruikbaar was. Kuitwaard heeft later nog De Deelen op diverse momenten bezocht, maar voor Van Dijck bleek het minder waardevol om vanuit België voortdurend naar het noorden te reizen. Hij had genoeg aan tekeningen en zijn geheugen. Van Dijck heeft dus de natuur gevat vrijwel aan het begin van de cyclus van haar jaarlijkse bestaan. Het gebied schudt zich de kou van de winter af en straalt omfloerst de zomer tegemoet. Er is veel ontluikend groen dat zich fluisterend spiegelt in het water. De omgeving is vooral landschappelijk en horizontaal bekeken, maar deze vlakheid verdiept zich en vindt grond in stil water. Er is geen leven nog van vogels en insecten. De kunstenaar heeft geen oog voor langstrekkende snelle bewegingen. De blik kleeft aan het struikgewas en het kabbelende water. De verfhuid wordt wel bewerkt met de achterkant van het penseel of het zwart van houtskool. Het trekt lijnen door de sfeer, geeft contour aan het gevoel.

    Subtiele verfvegen

    Kuitwaard geeft dan het licht meer ruimte in zijn werk. Het stille water spiegelt de tonen van het voorjaar. Leliebladeren liggen als een school vogels op dat water. Hoewel dit liquide oppervlak zich monumentaal in het portret uitspreidt, het egaal en ongerimpeld over de drager ligt, is de verfhuid kalm in beweging. Kuitwaard weet met subtiele verfvegen dynamiek te brengen in de stille gelatenheid. Het is niet een opvliegende gans die gakkend de stilte doorbreekt, maar de wind die het water doet golven in de vroege ochtend. Vooral dat tijdstip van de dag maakt de stemming, bouwt de sfeer. In latere uren is die magie in werkelijkheid verdwenen, maar voegen de schilders deze in abstractie aan hun werk toe. Kuitwaard is er niet alleen in die maand mei, maar ook nog in september en november. In februari weet hij ook eenzelfde bezieling van het landschap te bereiken. Duidelijk niet in de hardvochtige en te zonlichte zomermaanden. De tijd waarin de mens tot leven komt, maar de natuur in stemming omslaat. Het hoogtepunt van de dag is ook niet het middaguur, wanneer de zon op het hoogste punt staat. Een dag is als een jaar, met eenzelfde afwisseling van seizoenen. De uiterste sfeer is er in de vroege morgen en het begin van de avond, in het voorjaar en het najaar. Bij uitspruiten en afsterven.

    De natuur heeft teruggenomen

    Han Steenbruggen weet in zijn korte verhalen de tendentie van de schilders te schetsen. “Kuitwaard blijkt gevoelig voor milde tonen van strijklicht en schaduwvelden”, schrijft hij. “Zijn atmosferische impressies zijn als dagdromen. Ze koesteren de diepere geheimen van het landschap, zijn vervuld van lichte melancholie, maar dragen nooit de sporen van een zwaar gemoed.” Van Dijck kent een onrustiger natuur vindt Steenbruggen. Hij schildert met lossere toetsen en vegen die structuur vinden dankzij lijnen of krassen. In zijn schilderijen ritselen bladeren en rimpelt water. Maar beide kunstenaars geven vooral de stilte van en in dit gebied een plek. Terwijl op de achtergrond het verkeer over de snelweg raast is serene rust en welkome eenzaamheid in deze natuur ter plaatse te ervaren. Wie De Deelen bezoekt of heeft bezocht zal dit beamen. Dit vredig zwijgen van de ooit door mensenhanden gemaakte omgeving is te doorvoelen in de schilderijen van Bruno van Dijck en Christiaan Kuitwaard. Zij portretteren een gebied waar de natuur weer bezit van heeft genomen nadat de mens het heeft verlaten. De petgaten herinneren nog vaag aan de modderige landarbeid van turfstekers. De natuur heeft teruggenomen wat het eerder is ontnomen. De mens zorgde voor afbraak, de natuur voor herstel. Die gesteldheid is daar nu te vinden, deze toestand is realiteit en zal gewaarborgd moeten worden voor de toekomst. Dus komt de mens weer om de hoek kijken om de natuur een hand te helpen. Zo werken we samen aan een betere wereld.

    Die betere wereld weten Van Dijck en Kuitwaard, en voor hen De Vries en Snijder, nu al vast te leggen. Zij bieden een blik vooruit, behouden de sfeer en fixeren de emotie bij het gebied. Steenbruggen probeert dat in woorden te doen door te proeven van het landschap. Zich erin te begeven, de geest die de kunstenaars in hun werk legden ter plekke aan te voelen. Met een scherp mes kerfde Sjoerd de Vries rietkragen in karton, Jan Snijder veegt het vermoeden van wind en de meewarige stilte in elk schilderij. Steenbruggen spreekt met de boswachter over de toekomst van het gebied. Het boek De Deelen is zo een almanak voor wie het gebied daadwerkelijk intrekt. Een wegwijzer om deze natuur te doorgronden. En zie ik daar het silhouet van Sjoerd de Vries in Kuitwaards’ compositie 22.11.2023? Ik zal het onderzoeken wanneer Museum Belvédère de schilderijen in de zomer van 2025 zal tonen. Dan kan de echte sfeer worden gepakt die het duo in het natuurgebied heeft ervaren. Want het boek, hoewel met een uitstekende vormgeving waarin de werken goed tot uiting komen, is als catalogus best geslaagd maar blijft toch surrogaat voor het bekijken van de ‘echte’ schilderijen. Ik verheug me op de tentoonstelling.

    De Deelen. Het natuurgebied in 40 schilderijen van Bruno van Dijck & Christiaan Kuitwaard en 3 teksten van Han Steenbruggen. Uitgeverij Wijdemeer, 2024.

  • Wonderkamers laat hier en nu beschouwen

    Hier is het waar ik ben. Hier is waar het gebeurd. Hier laat zien wat nergens anders bekeken kan worden. Ik ben daar, was. En ik zie het, zag. Hier, daar. Hier in de galerie heerst stilte, waar de showroom daar meer drukte geeft. De stilte van binnen, van de kunst hier. Buiten dringt wel door in binnen, hier. De enkele auto die over de Heirweg rijdt, even verder weg de Heerenveenseweg met zwaar verkeer. En vandaag, nu, hier; die dag, toen, daar schuurt Sigrid hout voor een of andere nieuwe installatie. Of ik daar last van heb, of het me stoort hier te beschouwen. Natuurlijk niet, want zij moet verder nu hier de expositie hangt en mooi is en gelukt zoals zij het voor ogen had, hier gedacht heeft. Dan niet uitpuffen na het inrichten, niet bij de pakken neerzitten, op de lauweren rusten – nee, er moet gewerkt worden. En weer door.

    Dus, het geluid stoort me niet. Ook de ruis, in het Batavushuisje van toen waar de Wonderkamers nu is, hindert me niet bij het beschouwen van het werk waar het hier nu eigenlijk om gaat. De expositieruimte en de voormalige fietsshowroom, de Wonderkamers, grenst aan het atelier dat goed beschouwt de eigenlijke Wonderkamer is. In die werkruimte voltrekt zich het wonder van de schepping van weer een ander iets uit niets. De werkbank ligt bezaait met onderdelen, materiaal en gereedschap. Het is een lust om er te kijken zonder te beschouwen. Even afgeleid dus, maar niet verstoort. En dan weer door.

    Beelden van porselein en hout

    In de Wonderkamers beschouw ik HIER. Hier, de verzamelnaam voor de presentatie van werk van een viertal kunstenaars. Van kunstenaars hier uit de buurt. De buurt is Nijeholtwolde. Krap genomen maar breed gekozen. De kunstenaars komen namelijk uit de wijde omgeving, maar zijn wel van hier, en nu. Rondom te zien, nu hier dan daar. Natuurlijk is Sigrid Hamelink zelf van de partij als eigenaar en uitbater van de Wonderkamers. Zij toont eigen werk en past daarbij werk van anderen aan. Haar beelden van porselein en hout verhouden zich naadloos bij elk door haar gekozen werk van collega-kunstenaars. Het heeft in de loop van de tijd al menige gast weerstaan en stand gehouden bij het geweld van diverse aanzitters.

    De vormen van Hamelink zijn geconstrueerd naar het evenbeeld van de mens. De mens als vorm is inspiratie voor de kunstenaar. De beweging in het lichaam, de dynamiek van ledematen ten opzichte van de romp, zijn voortdurend aanleiding een gedaante te figureren. Geen portretten van personen, de beelden van Hamelink zijn onpersoonlijke figuraties. Het individu is geen mensenkind of sterveling. Het drukt een gevoel uit, past bij een stemming. Het is de ontroering van Hamelink als maker bij het leven. Sluit aan op het sentiment van de beschouwer hier, de bezitter van het werk daar. Grote vormen uit hout gesneden of van klei geboetseerd. Kleine gestroomlijnde gedaanten van wit porselein op een zwarte basis als drager. Of een wolk van die kleine figuren op een paneel, een rij kleine mensen tegen de wand. Netjes in gelid zonder zich te storen aan de naaste.

    Geen exacte wetenschap

    Deze figuurtjes kunnen zo gegleden zijn uit de verlaten landschappen van Christiaan Kuitwaard. Hij stelt zijn veldezel in de omgeving op en legt in de openlucht vast wat hem voor ogen komt. En plein air, ter plaatse, schetst hij de vrije natuur. Een schets in verf om de idee, het gevoel van daar vast te houden. Dat ene moment in beeld te beschrijven. Het is daarom geen exacte wetenschap, geen gedetailleerde blik. Het is de stemming die de toon zet, de sfeer waarin de klank klinkt. Met recht een compositie, zowel in verf als vorm is het een deun die me bekend voorkomt. De snelle blik van Kuitwaard, een oogopslag, blijft op mijn netvlies staan. Niet helder en duidelijk, maar zuiver zoals de omgeving zich aan mij kenbaar maakt. Inzichtelijk zoals ik dit pleinairisme aanvoel. C’est le ton qui fait la musique; c’est le caresse qui fait la peinture.

    Nieuw leven in de maak

    Ook Ton Broekhuis begeeft zich voor zijn professie in de omgeving. Het natuurgebied De Rottige Meenthe, of dichter bij huis zijn eigen tuin. Daar legt hij planten vast in de herfst van het leven. Deze zijn de bloei voorbij en geven al hun kracht nog voordat ze afsterven. Want de dood is een ander zijn brood, ofwel in het sterven ontstaat nieuw leven. Voordat iets opnieuw kan beginnen dient het voorgaande te verdwijnen. Het zijn dat door Broekhuis op macroniveau is vastgelegd heeft het leven gedaan, de groei staat stil en is uit de tijd gegaan. De laatste kracht is gezet in zaaddozen, waarin het nageslacht zit opgesloten. Er is nieuw leven in de maak. De plant sterft af en reïncarneert in een vergelijkbare te herkennen gedaante. Broekhuis vereeuwigd het leven, een onderdeel in een eeuwige cyclus van jaar op jaar, jaar in jaar uit. Het zijn betoverende opnamen, mysterieuze platen. Het leert mij beter kijken naar planten. Wanneer in de herfst mijn tuin de bloei voorbij is, zak ik op de knieën en beschouw zoals Ton Broekhuis kijkt.

    Een kwal op het droge

    Aan Sigrid vraag ik of er iets op de verdieping te zien is, want meestal richt zij daar een duistere Wonderkamer in om lichtbeelden te laten zien. “Er is alleen maar rotzooi”, zegt ze. Dus er is daar niets, het is allemaal hier. Maar wanneer ik de tentakels die uit het plafond van de voormalige showroom komen aanzie, vermoed ik dat er zich toch iets afspeelt op de zolder. Een geheimzinnig tafereel van een weelderig groeiende plant veronderstel ik. De wortels komen door de planken en voelen beneden aan de atmosfeer. Ik kan me hier in de installatie van Mathilde Hemmes begeven. Wordt onderdeel van haar compositie. Ik kan de tentakels laten bewegen. De door gekleurde wollige draden omwonden wortels, met hier en daar een textiele luchtbel, trillen wanneer ik langs ga. Het is een eigenaardige gewaarwording, een opwindende ervaring. Want je weet niet wat je bemerkt. Zijn het wortelstokken of zijn het vleesbomen en begeef ik mij in een darmkanaal. Aan de wand hangt een uitgedroogd leven, tevens een zijn na de bloei schat ik in. Een kwal op het droge. De lichaamsbellen geplet, de tentakels neerhangend. Is dit een model van wat zich in de ruimte en daarboven afspeelt. Ligt op de zolderverdieping een lubberig gedrocht dat de flexibele organen en grijparmen tussen de planken naar beneden door wurmt. De rillingen lopen me over de rug. Hier.

    HIER. Expositie werken van Ton Broekhuis, Sigrid Hamelink, Mathilde Hemmes en Christiaan Kuitwaard. Bij Wonderkamers, Heirweg 57 in Nijeholtwolde. Daar te zien van 25 mei tot en met 23 juni 2024.

  • Winterflarden dwarrelen op tintelende gedachte voor mij uit

    Het is als kijken door een beslagen ruit, wanneer ik de nieuwe bundel van Jan Kleefstra open en zijn teksten lees. De beslagen ruit weerhoudt mij van zien. Ik zie de ruit, maar niet wat er achter zit. Schimmen zie ik, geen scherpe contouren. In het doffe venster wordt de wereld gesmoord. De realiteit is gesluierd zoals de bruid voordat het bevrijdende ofwel het verbindende ja-woord heeft geklonken. Op die manier maar dan anders treed ik de gedichten van Kleefstra in de bundel “Winterflarden” tegemoet. Na eerste lezing helderen de woorden niet. Blijft het raam vaag, het perspectief onduidelijk. Dieper moet ik gaan, de woorden wegen. De ogen van de pagina’s afhouden om de blik in het oneindige te laten vertrekken. Geen verstand op nul echter, want de rede dient tastbaar te blijven. Ik dien de gedachten over wat ik lees laten gaan. En dan komen als vanzelf beelden naar boven. Beelden die bij woorden passen. De film die draait bij zinnen. De regels treffen doel. Het ja-woord klinkt, de ruit schoon geveegd. En dan worden opeens de woorden duidelijk, kijk ik er naar en zie waarde en betekenis. De bruikbaarheid, de draagwijdte. Weegt het zwaar of blijft het licht als een veer.

    Kunst is geen exacte wetenschap

    De woorden werden door Kleefstra gewogen en in zijn samenstelling niet licht bevonden. Volgens Uitgeverij Aspekt, waar deze zesde bundel onlangs verscheen, veegt de dichter wat flarden winterrestjes bijeen en staart naar de wolken. En dat is precies wat ik doe. Ik lees snippers tekst om mij een beeld te vormen. En tuur dan in de verste verte door het raam van mijn kamer. Ins Blaue hinein laat ik onvoorbereid de woorden in mijn geest indalen. Om boven mijn verstand te komen met het vermoeden welke betekenis Kleefstra aan de compositie heeft gegeven, aan het gedicht heeft opgedragen. Want de precieze strekking valt lastig te achterhalen. Kunst is geen exacte wetenschap. Een werk zal zichzelf moeten verantwoorden, een gedicht verdient geen uitleg. De verdienste is juist dat het geen toelichting nodig heeft. Het verklaart zichzelf voor wie de tijd neemt het uitzicht tot inzicht te laten indalen, zodat het duidelijk wordt.

    Dus de bundel nog eens ter hand genomen. De zinnen langzaam voor mezelf uitlezen, hardop als betreft het een luisterboek. Ik hoor mezelf spreken. De hond schrikt verbaasd op vanuit zijn rustende slaap, spreekt de baas daar een bekend woord? En bij dat aanhoren, tijdens dat luisteren ondertussen, vorm ik in gedachten beelden. De hond, laat ik hem Malin noemen, staat kwispelend naast me. Met een verlangende blik: hoorde ik daar ‘uit‘. De gelezen en uitgesproken woorden – nee, daar was geen uit bij – representeren zich als voorstelling in mijn brein. In de schedel is een filmhuis ingericht om die indruk te projecteren. Want beelden beklijven meer dan omschrijvingen, beschrijvingen verdienen voorstellingen. De beeldspraak van Kleefstra geeft mij een denkbeeld.

    De dichter geeft een half woord

    De dichter speelt met de taal. Zijn vrije verzen vervliegen echter niet. Metrum en rijm zijn geen handboeien of benauwen niet als een dwangbuis. Wel blijft er eenheid van idee en speelt ritme een rol. Het is geen rommeltje, het is meer overdacht dan de orthodoxe dichtvorm. Zoals het abstract meer reflectie verdient dan de realiteit nodig heeft. De werkelijkheid spreekt voor zich, het non-figuratieve ofwel het bovenzinnelijke doet beroep op het gevoel. De dichter geeft, zeg maar, een half woord en daaraan zal ik genoeg hebben. Hij suggereert en ik vul in. De zinnen worden nauwelijks afgemaakt, maar hij geeft voldoende aanleiding om er als lezer op aan te slaan.

    Dat Kleefstra een natuurmens is klinkt tussen de regels door. Hij zet in liefde een boom op voor het bos. Met Christiaan Kuitwaard trekt hij het veld in om zijn wezen aan de planten te verbinden, waar de kunstenaar deze in getekende beelden portretteert. Jan hangt een gedachtewolk aan een tak van de tekenboom. Misschien vind ik daar het verhaal, dat voorzichtig op tintelende lucht voor mij uit zal dwarrelen. In de lege regels, de witte zinnen als bezinning. Kleefstra neemt de woorden van me over en schrijft ‘in het kristal van schimmelende melk / op het achterlijf van de vuurjuffer / heb ik het pad al bijna afgelegd‘. Dat pad zal ik nog vinden.

    Inzicht, doorzicht, beleven

    Het is dat ik tussen de regels door de betekenis en reden vind. In het vrije vers is de leegte van belang. De rust om op gedachte te komen, bij zinnen te komen. Kleefstra schrijft in die lege regels zijn waarheid. In woorden vindt hij de werkelijkheid, die ik zonder woorden abstract beleef. Niet met zoveel woorden omschrijft hij datgene wat hij wil zeggen. Maar door die zin open te laten vul ik deze zelf in. Vooral door meermalen te lezen en de stilte te vinden tussen de zinnen in mijn gedachten raak ik aan de strekking. Inzicht, doorzicht, beleven. ‘Waarom er bomen groeien / het water om de kleinste vlinder vecht / / ik draag er een heldere nacht naartoe / / half onder het waas / waarin druppels gelijk wespen / in de wangen steken / / om de diepe slaap te verontrusten moet ik recht / in het oog van de maan blijven staren / / om stil te zijn heb ik / de schaduw van mijzelf nodig / / om het daglicht te weerkaatsen / moet er iets verloren gaan

    De bundel vindt de afsluiting in een handvol Beschouwingen, als zou het voorgaande in Parelzang, De nabootsing, Ochtendragen en Laatbloeiers geen reflectie op de overdachte werkelijkheid zijn. Kleefstra ziet het zich aan en in raadselachtige gedichten probeert hij uit de warboel van het zijn de schoonheid te pakken. Maar beschouwingen zijn het, alle. Als kloosterling zit hij contemplatief in meditatie tussen wat hij voor zichzelf en de wereld waardevol acht. Trekt de natuur in en beschrijft deze op een wijze om over na te denken, diepzinnig te bespiegelen. En in die spiegel doemt mijn eigen zijn op wanneer ik de waas van het raam veeg. En zoals Kleefstra weleens gedacht heeft en vanuit die gedachte geschreven heeft, zo drijven mijn gedachten als wolken langs de hemel, verwaaien tussen de takken van de boom, vliegen alle kanten uit op de vleugels van de ganzen, de kievit en de ooievaar.

    Het verstand op nul

    Telkens als de weemoed zich aan de seconden vertilt, ontbreekt er wel een verhaal. En toch wordt er gezongen, blijft niemand er bij stil staan. Een bos dunt zichzelf wel uit. Maar wij hebben het geduld niet’, las ik eerder. Dat geduld moet ik hier en nu opbrengen tot het raam droog is en doorzicht geeft, de woorden indalen, de taal zichzelf uitdunt. Daar wacht ik op, maar ‘het wachten komt simpelweg tijd tekort’. In Winterflarden veegt Jan Kleefstra de laatste restjes ijs, sneeuw en kou bij elkaar om welgemoed de lente te begroeten. Het voorjaar nodigt hem uit tot een beschouwelijke reflectie. En ik zie zijn spiegelbeeld in het raam, het venster duidt een weemoedig wezen met een twinkeling in de ogen. Want ‘de lange reis van het woord heeft niet tot bewonderenswaardig zwijgen geleid’. Dat woord mag ook niet zwijgen, want het moet gezegd, het verhaal uitgesproken. De vertelling van de planten, zodat de liefde vanzelf terug keert en het weten nergens meer voor nodig is. Dan lig ik languit in het gras en staar naar de wolken. De blik op oneindig, het verstand op nul.

    Winterflarden. Jan Kleefstra, gedichten. Illustraties van Christiaan Kuitwaard. Uitgeverij ASPEKT, 2024.

  • BOSWERK maakt duidelijk dat bomen meer zijn dan planken

    De stilte dacht ik. De stilte waar je stil van wordt. Die stilte dacht ik te vinden in BOSWERK. Het boek over het verlies van bomen en bos in Nederland. Maar in geen enkel bos dat dichterlijk schrijver Jan Kleefstra en beeldend kunstenaar Christiaan Kuitwaard bezochten is de stilte te vinden. Dan bedoel ik niet het stille in de natuur, maar het gebrek aan geluiden van de mens. Want overal en alom wordt die stilte van het bos doorbroken, is er het gebruikelijke verkeerslawaai. Dan dreunt er een vliegtuig laag over of raast het verkeer langs. “Was het maar de wind in de douglaskruinen en niet het waanzinnige verkeer”, verzucht de schrijver ergens. Op een andere plek ziet hij een boomkruiper zich verheffen uit het monotone gedruis van de snelweg. Op dat geraas van de snelweg tikken de dennenappels, hameren spechten, tetteren winterkoninkjes. Het dreinende gebulder van verkeer valt als een somber kleed over het zonovergoten veld. “Het verkeer is een misdaad tegen onszelf.”

    Boswerk, Jan Kleefstra, Christiaan Kuitwaard, Annelies Henstra, Wijdemeer

    Advocaat van de bomen

    En het bos, de boom, “lijdt zichtbaar onder het lawaai dat nergens wijkt. Maar ziek wordt ze er niet van, ze heeft ons al meerdere malen overleefd.” Jan Kleefstra is niet somber, hoewel er in en door dat uitdijende gedruis van het verkeer bos verloren gaat. Op de plekken waar hij is en schrijft kan hij nog genieten. Door zijn beschrijving geniet ik mee. En Christiaan Kuitwaard maakt het zichtbaar wat beeldend geschreven is. “Zonder verkeerslawaai zou het hier vrijwel stil zijn”, maar Nederland heeft de stilte allang achter zich gelaten. Ooit vond ik die stilte in het klooster van Diepenveen, verscholen en teruggetrokken tussen bomen. Complete duisternis en echte stilte voordat de monniken wegtrokken naar een Waddeneiland. Hun gestorven broeders liggen daar nog te wachten op de jongste dag. De abdij is gelaten aan een nieuwe gemeenschap. Het is een plek waar mensen dichter bij God, bij zichzelf, bij de medemens en de natuur kunnen komen door stilte en gebed. In de uitgave BOSWERK willen Kleefstra en Kuitwaard hand in hand met ‘advocaat van de bomen’ Annelies Henstra ons ook dichter bij de natuur laten komen.

    Boswerk, Jan Kleefstra, Christiaan Kuitwaard, Annelies Henstra, Wijdemeer

    Bomenliefhebber en bosbewoner Henstra houdt een stevig pleidooi voor de boom, het bos. Want de boom, ouder dan de mens zelf, kan zichzelf maar amper verdedigen tegen het overweldigende geweld dat deze wordt aangedaan. In haar verhaal dat hart van het boek is laat ze het bos spreken, geeft ze een betere blik op bomen. Vanuit haar eigen dagelijkse ervaring vertelt zij hoe wij met bomen omgaan. Vanuit het perspectief waarin de boom er ten behoeve van ons is zijn landen ontbost en wouden leeg gekapt. In haar bos moeten oude bomen wijken voor jonge aanplant. Henstra beschrijft deze actie van Staatsbosbeheer als is het een misdaadverhaal, een romantische thriller.

    In haar verhaal opent Henstra mij de ogen en met mij al de andere lezers van het boek BOSWERK, naar ik mag hopen. Want de boom is geen sta-in-de-weg, enkel geschapen ten faveure van de mens om er mooie planken van te kunnen zagen. De grootste vijand van de boom is de mens. Terwijl juist die boom in groten getale de aarde leefbaar maakt voor mens en dier, en menig plant. “Zonder bomen zou de aarde een onherbergzaam oord zijn”, schijft Henstra. “Zij zijn het verband tussen de zon, de lucht, het weer, het water en de aarde. Al die elementen leiden zij voor ons in goede banen.

    Boswerk, Jan Kleefstra, Christiaan Kuitwaard, Annelies Henstra, Wijdemeer

    Planten tonen hun stemming

    Maar nog te weinig mensen zijn zich hiervan bewust. Want globaal wordt er driftig gekapt. Nog steeds. In BOSWERK proberen schrijver, dichter en tekenaar de lezer daarvan bewust te maken. Is het verhaal van Annelies Henstra schokkende werkelijkheid, het proza en de poëzie van Jan Kleefstra haalt het dromerige realisme naar boven. Het gevoel dat hem bekruipt, de stemming waarin hij komt, leunend tegen een boom terwijl Christiaan Kuitwaard de omgeving bekijkt vanachter zijn veldezel. Aan deze heren heeft het bos goede ambassadeurs. Zij kunnen de belangen van bomen, planten, dieren en insecten uitstekend behartigen. Dat doen zij vol verve in BOSWERK en deden dat eerder met elan in de uitgave VELDWERK.

    Iedere vrijdag in de vroege ochtend, een jaar lang, reed het duo naar een plek om zich daar over te geven aan de omgeving. “We hebben de zintuigen opengezet en ons nederig gemaakt. We hebben gekeken en geluisterd.” Om de teksten in het boek te lezen en de illustraties te bekijken zet ik ook mijn zintuigen open. Ik kijk en zie de nevel in het bos optrekken, de bomen lange schaduwen maken, het licht dansen tussen de bladeren. En ik luister naar mijn eigen stem die de woorden geschreven uitspreekt. En nog eens leest omdat het proza zo lekker in het gehoor valt. Zoals beschreven door Kleefstra schijnt het bos nog vol leven en is er grote diversiteit aan insecten, vogels en dieren. Op iedere met tekst bedrukte bladzijde in het boek roeren insecten zich, tonen planten hun stemming, gedragen dieren zich als mensen. Het humeur van de natuur wordt in woorden gevangen. De schrijver verstaat de natuur, is beeldend kunstenaar die in teksten de zinnen beeldhouwt tot beschrijvende realiteit. Wanneer ik mijn ogen sluit en de woorden naklinken in gedachten waan ik mij in het Ketljker Skar of op Landgoed Lauswolt, tussen de duinen op Vlieland en onder de bomen van Oranjewoud, langs de rietkragen van de Tjongervallei of bij de stenen bouwwerken van de Mildamse eco-kathedraal.

    Boswerk, Jan Kleefstra, Christiaan Kuitwaard, Annelies Henstra, Wijdemeer

    Natuur krijgt menselijke trekken

    Wulpen weeklagen de dag aan. Een groene vleesvlieg vraagt zich af waar de nacht is gebleven. Een schorre zilverreiger loopt tussen zieltogende varens waar de zon zich vleit op het water. Dan krijst een gaai de wacht, want baldadig schopt wind zich door de bomen. Schotse hooglanders liggen onderwijl in diepe ernst te herkauwen in de zon. Ik hoor de kuch van een fazant. De tjiftjaf roept zijn eigennaam. Een zonnedronken hommel inspecteert een bloem. Een merel maakt zich luidkeels uit de vleugels, een gaai krast honger, een zwarte kraai lijkt te waarschuwen dat ook een stilte dodelijk kan zijn. ”Ik kan me de stilte wel inbeelden”, lees ik, “maar overwoekerd raken is misschien wel de mooiste dood. Daar waar je in de grond verdwijnt, begint het leven pas echt.

    De natuur krijgt uit de beschouwend filosofische pen van Kleefstra menselijke trekken. In gedachten lig ik dan op de grond dat dronken is van het vele licht. Tussen het hoge gras waar een groep grauwe ganzen patrouilleert. En ik beschouw de lijmerige lucht. Als nu plots al het door mensen voortgebrachte lawaai weg zou vallen, zou het leven zich dan oprichten, opgelucht diep ademhalen en een liefdevolle lach over de wereld leggen? Jan Kleefstra vraagt het zich af. “Zouden we ontluisterd om ons heen staren, een tijdlang doof voor het bestaan blind op zoek naar onze stemmen tasten?” De schrijver leunt tegen de boom, omarmt deze, legt zijn hand op de bast om het gevoel van de boom over te nemen.

    Boswerk, Jan Kleefstra, Christiaan Kuitwaard

    Het bos is niet stil, het is verstild

    Waar Kuitwaard toch meer aan de oppervlakte blijft, hoewel hij stemming geeft aan de tekst, graaft Kleefstra zich dieper in de materie in. Achter de olieverven waan je de krioelende natuur. Kuitwaard geeft niet letterlijk het geschrevene weer, daarbij kan ik een eigen beleving aansluiten. Hij treft de stilte van het bos, waar de tekst dieper graaft – de achterkant van die stilte beschrijft. In het bos van Kuitwaard moet ik goed kijken om de essentie van het beeld te raken. Het bos is niet stil, het is verstild. Het bos van Kleefstra is verre van stil. Er is volop leven dat zich opzichtig roert. Maar ik hoor geen grote variatie in diverse insecten en vogels. Kleefstra probeert de veelheid aan geluiden wel in te brengen door iedere zang en elke brom gewijzigd te benoemen. Was het boek pakweg een halve eeuw eerder geschreven konden er vast meer diversiteiten worden benoemd. In de tekst is ook de kaalslag te horen, die door de kettingzagen en bulldozers van het bosbeheer het boslandschap wordt aangedaan.

    Er is werk aan de winkel in het bos en op het veld. Willen we het slopen van de natuur een halt toeroepen. Dat maakt dit boek luid en duidelijk helder. Daar schrijft Kleefstra over en dat beeldt Kuitwaard af. Zet de verwoesting door dan kunnen we het enkel nog doen met deze weelderige beschrijving van wat eens was. Met deze simpele detaillering in verf op doek, de stemming van het bos, het gevoel van de bomen. De bomen zullen we niet langer moeten zien als gebruiksvoorwerp, maar als de longen van de aarde. We kunnen er niet zonder.

    BOSWERK, over het verlies van bomen en bos in Nederland. Jan Kleefstra (proza), Christiaan Kuitwaard (beeld),  Annelies Henstra (tekst). Uitgave Wijdemeer, 2023.

    Boswerk, Jan Kleefstra, Christiaan Kuitwaard, Annelies Henstra, Wijdemeer, omslag