Tag: collage

  • Marike Hoekstra werkt met verdriet in Trauerarbeit

    There will be other songs to sing, another fall, another spring, but there will never be another you.” Door de deur is meteen de drempel geslecht. De toon is gezet. ‘Trauerarbeit’ raakt de juiste snaar wanneer je er gevoelig voor bent. En dat ben ik. Het boek dat de weerslag is van een project spreekt aan, daar het over verlies gaat en de omgang daarmee. De zin op de titelpagina komt uit de jazzstandard “There will never be another you” geschreven door Mack Gordon voor de musical “Iceland’(1942), later gezongen door onder meer Chet Baker, Frank Sinatra en Andy Williams – kortgeleden nog door Rickie Lee Jones. Heel dikwijls kunnen anderen verwoorden waar jij met moeite woorden aan kunt geven. Zo gebruikt Marike Hoekstra teksten van elders in haar beeldende taal, omdat het wiel niet opnieuw uitgevonden hoeft te worden. Omdat verdriet en rouw universeel zijn, passen bestaande woorden, klanken en beelden vaak als een aangemeten jas. Een jas die je aan de kapstok kunt hangen en voor een moment aan iets anders wilt denken. Maar die jas hangt daar in het zicht. Soms storend aanwezig, maar meestal een uitkomst bij regenachtig weer – de tranen zijn nooit ver.

    Kun je werken aan verdriet? Je kunt werken met verdriet, dat moet wanneer het je overkomt. Verdriet kun je niet verwerken. Verdriet is nooit af, nooit klaar. Er staat geen punt achter verdriet, altijd een komma en soms zelfs een dubbele punt. In ‘Trauerarbeit’ draagt Marike Hoekstra het verdriet op handen. Letterlijk. Op het omslag is dat in tekening al meteen zichtbaar gemaakt. Het is niet eenvoudig de gelaagde tekeningen in het boek te duiden. In hun expressiviteit geven deze een directe impressie van de emotie. En dat is niet eenvoudig door een buitenstaander te beoordelen. Het dient bekeken te worden, aangevoeld, begrepen. Dus houd ik me liever bij de sfeer waarin het boek zich aandient wanneer ik het open.

    Een eeuwige vlam

    Om te werken met verdriet daarvoor kent de Nederlandse taal geen juiste term die de lading dekt, schrijft Marike Hoekstra in haar nawoord ofwel de verantwoording. Er is zoiets als (professionele) rouwverwerking, dat impliceert dat het verdriet eens klaar moet zijn. Dat je over het dode punt raakt en verder met het leven gaat. Maar dat is niet mogelijk. Het dode punt is geen stip op de horizon. Er is licht aan het eind van de tunnel, maar heel vaak wordt dat door iets of iemand uitgedaan. Soms is er een iets of iemand die het vuur opstookt. Want een vonk is er altijd, een eeuwige vlam.

    In de toelichting geeft Hoekstra uitleg aan haar kunst. Beelden hebben echter geen verklaring nodig. Zodra er tekst in het beeld verschijnt rijzen er vragen, dan wenst de kijker antwoorden. Zonder titel en zonder woorden leeft het beeld, kan het een individuele gewaarwording zijn. Maar duikt een tekst op, een uitgeschreven gedicht in de schildering of een uitgeknipt fragment in een collage, dan is de ervaring onpersoonlijk, dan spreekt het gevoel van de maker honderduit. Omdat het hier echter zeer persoonlijke kunst betreft waarbij ik aansluiting moet zoeken om de betekenis ervan te vinden, is de motivering van het werk een welkome aanvulling. Het is geen uitleg derhalve maar een toelichting, een verantwoording waarom het er is en de manier waarop het er is zoals het er is. De inspiratie van het zijn.

    Hoekstra is in de tijd op reis gegaan, vanwege haar verdriet echter nooit meer thuis gekomen. Die dag van verlies heeft haar leven gebroken, er is een voor en een na. Door de tekeningen een beeld aan het verdriet te geven, verdwijnt het niet. En dat is ook niet de bedoeling. De kunst is geen uitlaatklep, het is een middel om het verlies als een gevonden goed te kunnen beschouwen. Het tekenen is een ritueel geworden om met verdriet te werken. Het is geen verwerken, want het verdriet moet niet weg. De gebeurtenis, oorzaak van het verdriet, is geweest. De treurnis echter is.

    Loze beloften

    Verdriet zit niet tussen de oren, het werken ermee is een dagtaak. Het betaalt niet uit, maar loont wel – het levert iets op. Werken met verdriet, trauerarbeit – rouwarbeid, geeft het leven kleur maar het krijgt niet de glans die het voorheen had. Je kunt het oppoetsen tot je een ons weegt, het blijft een lachen als de boer met kiespijn. Door de zielenpijn heen denk je de zon achter de wolken te zien schijnen. Na regen komt zonneschijn, na lijden komt verblijden, na storm komt stilte; het zijn holle frasen – loze beloften. Want je kunt geen krokodillentranen huilen, er bestaan geen rozen zonder doornen. “Kleine zorgen kun je delen. Maar er is een soort verdriet dat mensen niet meer kunnen helen. En dat hoeft ook niet“, hoor ik Toon Hermans bij leven zeggen. En zo is het. En Vasalis schreef “Veel soorten van verdriet, ik noem ze niet. Maar een, het afstand doen en scheiden. En niet het snijden doet zo’n pijn, maar het afgesneden zijn.”

    Marike Hoekstra haalt in haar werk Vasalis meermalen aan, want de dichter en psychiater kan met woorden troosten waar de kunstenaar probeert met beelden te helen. “Moeder, zeid hij, waarom schreit gij? / Waarom greit gij op mijn lijk? / Boven leef ik, boven zweef ik / Engeltje van ’t hemelrijk”; Joost van den Vondel draagt de pijn, waardoor het leed beter te verdragen is. De woorden van Paternak maken een winternacht tot zomerwende. Een tekst kan het beeld overnemen, echter nooit vertalen. De taal van het woord past never nooit niet de spraak van het beeld. Een beeld zegt meer dan duizend woorden is niet zomaar bedacht. Het beeld is universeel, het woord plaatsgebonden.

    Geboortedatum

    Het boek ‘Trauerarbeit’ spreekt mij aan, zoals het iedereen zal aanspreken die met rouw te maken heeft. Het boek is daarin een goede raadgever, omdat het past als een handschoen. Vele van de tekeningen zijn zo als pleister op mijn wonde te leggen. Niet om te helen of te genezen, maar om ermee te leren omgaan. Vooral een specifieke datum in het boek bleek bij mij de weemoed op te roepen, waardoor ‘Trauerarbeit’ voor mij een bijzonder kleinood is geworden. Een boek dat een ereplaats in mijn boekenkast heeft gekregen. Wanneer je ontdekt dat jouw geboortedatum een bijzonder moment betekent in het verlies bij een ander mens schept dat een band. Een verbinding is gelegd, die niet fysiek is en waar die ander geen weet van heeft. Nu wel, nu ik het hier beschrijf. Zo is Noah, het onderwerp (middelpunt) en inspiratie voor het boek, opeens eigen en vertrouwd. Ik zal voortaan op mijn verjaardag denken aan zijn geboortedag. Zo dragen mensen samen het leed van de wereld.

    Marike Hoekstra viert het leven. Ze heeft geen afscheid genomen. Wel fysiek; het lichaam is gegaan. Door over Noah te tekenen, hem op te nemen in haar kunst, kan ze hem echter blijven liefkozen. Blijven aanraken. Niet met de vingers, hoewel het scheppen van nieuw leven op papier handwerk is, het betasten doet ze nu met haar emotie. Voelen is gevoel geworden. De ene keer liefdevol, de andere keer opstandig en dwars. Die wisseling van stemming valt opmerkelijk duidelijk in de kunstwerken te lezen. Met zachte hand verdraagt verleden tijd werkelijkheid. Met harde hand blokkeert weemoed het verlies. Ermee leven betekent niet achterlaten. Noah is nog steeds onderdeel van het gezin. Door de tekeningen blijft ze in gesprek. Dat betekent niet dat ze haar verdriet niet heeft verwerkt; ze werkt ermee om het vooral niet te vergeten. Het project is geen afgerond geheel, het blijft voortdurend in beweging en groeit uit tot een levende legende. Niet een aandenken als is het een souvenir van een leven, maar een denken aan om niet te vergeten.

    Ik volg haar in het rouwproces. Een ontwikkeling die geen resultaat vergt. Dat resultaat is al het proces op zichzelf. Expressief handschrift. De werkelijkheid abstract. De realiteit is hard, maar moet beleefd. Het kind blijft leven in het sterven, omdat het beeld krijgt. Fotocollages pakken fragmenten, omgeving die herkent wordt, maar het blijft buitenshuis, gaat buiten de mens om, onpersoonlijk. De tekeningen zijn meer nadrukkelijk, geven duidelijk weer waar de geest een uitweg zoekt. Het is niet alles treurnis in dit boek, het is veel meer een liefdevolle uitgave, een monument. Een herinnering aan een leven dat te snel tot een einde is gekomen. Schreef Bram Vermeulen “en als ik dood ga, huil maar niet / ik ben niet echt dood moet je weten / het is het verlangen dat ik achterliet / dood ben ik pas als jij dat bent vergeten” dan houd ik me daar aan vast wanneer ik het boek van Marike Hoekstra nog eens doorblader en de beelden beleef.

    Trauerarbeit. Beeld, tekst en ontwerp Marike Hoekstra. Uitgave in eigen beheer, 2025.

    Marike Hoekstra, Trauerarbeit

  • Ruud van Empel monteert foto-objecten

    Ben ik nog maar amper herstelt van het feit dat ik mijn blik moest lostrekken van de kamerpresentatie “Van nature” bij Museum Belvédère. En ben ik glad door mijn superlatieven heen om de kunst van Daniëlle van Broekhoven daar te beschouwen. [Zie artikel “Drift tot schilderen druipt van doeken”] Loop ik om de hoek figuurlijk tegen het werk van Ruud van Empel aan. Verrassend. In een kleine presentatie staat ook hier de natuur centraal. Museum Belvédère liet het werk van Ruud van Empel al eens eerder zien in een grote overzichtstentoonstelling. Deze kamerpresentatie is een kleine reprise. Net genoeg indrukken om er verbaast van te staan. Hoe speels en onbevangen het werk van Van Broekhoven is, zo gecontroleerd en beredeneerd is de schilderachtige fotografie van Van Empel. Hoewel bij beide kunstenaars de ene handeling de andere oproept. Het werk dat onder de handen ontstaat is leidend in de voortgang van het proces. De ene verfstreek bepaalt de volgende. Het ene fragment zet een volgende op de rol. Het lijkt een intuïtief proces, maar het is een inventieve groei tot er een werkstuk van waarde kan bloeien.

    Fotograaf Van Empel heeft via reizen en door de jaren heen beelden verzameld en geordend in mappen op zijn computer. Uit die duizenden plaatjes kan hij digitaal details knippen en plakken. Met het programma Photoshop kan hij de wereld fotografisch manipuleren en naar zijn hand zetten. Zijn realistisch aandoende omgevingen zijn abstracte landschappen. Enkel bestaand in zijn fantasie, waar ik mijn eigen voorstellingsvermogen op kan loslaten. Wat ik zie lijkt de werkelijkheid maar bestaat werkelijk niet. Door details uit het archief samen te smelten gaat de kunstenaar op de stoel van de Schepper zitten. Uit niets, want het begint met een leeg scherm, ontstaat stukje bij beetje, fragment voor snipper, een iets dat ergens op lijkt. Want ondanks dat de beeltenis herinneringen oproept, een deja vu schijnt, kan het nergens op lijken. Is het bij elkaar gefantaseerd. Kunnen de bouwstenen en geledingen van overal vandaan komen, want Van Empel deed ze immers op zijn reizen langs diverse binnen- maar vooral buitenlandse reizen op.

    Verzamelaar van beelden

    De impressies zijn puur handwerk, hoewel deze met behulp van de computer zijn gemaakt. Maar er komt geen kunstmatige intelligentie aan te pas. Van Empel is de meester van zijn gedachten, in zijn fantasie. Hij legt zichzelf de vragen voor hoe een berkenbos eruit zal zien, de manier hoe bloeiend gras en wilde planten op de akker groeien, welke organismen op de diepzeebodem leven. Hij geeft niet DeepSeek of ChatGPT opdracht om een illustratie volgens zijn aanwijzing te genereren. Van Empel geeft zelf de antwoorden op de vragen, put uit zijn omvangrijke database en komt zo tot verrassende platen.

    Hij noemt zichzelf geen fotograaf, maar een verzamelaar van beelden en afbeeldingen, een plaatjescollectioneur. Zijn werk is geen fotografie, hoewel hij gebruik maakt van deze techniek om er zijn composities mee samen te stellen. Zelf noemt hij ze foto-objecten. Eigenlijk maakt hij collages door digitaal te schilderen met schaar en lijm. Wie de werking van PhotoShop, of een soortgelijk computerprogramma om foto’s te bewerken, kent weet hoe arbeidsintensief het is om details uit een groter geheel te ‘knippen’ en in een ander scherm te ‘plakken’. Maar het tijdrovende werk geeft een bijzondere voldoening. Uiteindelijk ontstaat een afbeelding die geen fotograaf waar ook ter wereld zal kunnen maken.

    De werelden van Ruud van Empel bestaan niet in realiteit, maar ze kunnen er zo wel degelijk zijn. De natuur is wispelturig, druk, vol en rommelig, creatief. Zo creatief en inventief als Van Empel dat is. In zijn werken meet hij zich met de natuur. Brengt stenen van het Afrikaanse strand samen met de anemonen uit de Indische zee, legt daar enig rivierklei uit Brazilië bij en kleurt het water als in de Oriënt. Zijn wereld is een samenraapsel van wat er op deze aarde alom te vinden is. Hij past het zo zodat het klopt, hij puzzelt een fantasie. Het begint met documentair fotograferen, op zijn reizen neemt hij alles mee waarvan hij denkt dat het later bruikbaar kan en zal zijn. Thuis in de studio volgt een intensief montageproces waarin alle beslissingen worden genomen om tot een resultaat te komen dat in balans is, dat beeldend klopt. Het is een kwestie van schuiven en kijken wat er gebeurd, zien wat het samen doet. Van Empel heeft de compositie onder controle en probeert aldus een realistische foto na te bouwen, schilderachtig en abstract. Hij monteert het beeld uit verschillende foto’s in lagen die transparant van elkaar gezet zijn zodat er in het platte vlak diepte is gesuggereerd. Maar er klopt nooit iets in zijn montagekunst. Het is een onmogelijk gedetailleerd beeld, hoewel het allemaal uiterst realistisch overkomt. Het gaat Van Empel om de vormen, niet om de realiteit weer te geven. Doet hij dat wel dan zou dat heel beperkend zijn. Hij beeldt het leven uit in al zijn meest bizarre vormen, het kan lelijk en mooi tegelijk zijn. Zijn collages geven geen biologisch realistisch kloppend beeld weer. Het zijn zoekplaten om de herkenning te duiden.

    Kamerpresentatie Ruud van Empel bij Museum Belvédère, Oranje Nassaulaan 12 in Heerenveen-Oranjewoud. 25 januari tot 30 maart 2025.