Tag: De Kunsthof

  • Werkelijkheid als uitgangspunt

    Waar Jan Snijder vertrekt vanuit de werkelijkheid en haar abstraheert tot gevoel, houdt Sabine Liedtke het zichtbare vast, maar tilt het uit de werkelijkheid naar een geconstrueerde, bijna onwerkelijke wereld. Het zijn de kunstenaars die op dit moment te zien zijn in De Kunsthof te Appingedam. Zij verbeelden niet de werkelijke omgeving; zij bepalen het innerlijk landschap. Het terrein van de emotie geven zij een in hun geest passend beeld. Die beeltenis kan schuren aan de werkelijkheid, maar is nooit de realiteit in zichzelf.

    Trekt Jan Snijder met potlood en papier de wereld in, dan schetst hij het zichtbare. In het atelier werkt hij die verbeelde gedachten uit tot een uitdrukking van zijn indruk van dat moment op die plaats. Voor hem heeft die omgeving een plek omdat hij daar, toen en daar, zijn inspiratie opdeed. Vanuit de werkelijkheid dus. Zodoende boetseert Snijder met potlood en penseel het Friese landschap naar zijn hand. Het is het gevoel dat hij heeft bij hetgeen hij ziet, observeert en ondergaat. Die emotie legt Snijder eerst globaal vast in een schets op die plek in dat land. Later wordt die uitgewerkt. Iedere krijtlijn en elke verfstreek geeft de toon, bepaalt de sfeer.

    Hoewel autodidact zou Jan Snijder een zoon van Museum Belvédère kunnen zijn. Hij beweegt zich in dezelfde geest: het Friese landschap, wind, water en wad, niet als afbeelding maar als abstract uitgangspunt. Daarin kan ik naadloos meegaan wanneer ik zijn manier van kijken overneem alsof het mijn eigen inzicht is. Dat kijken, daar gaat het bij Jan Snijder in eerste instantie om. Hij ziet, neemt waar, heeft daar een idee bij. In klad neemt hij dat mee naar huis om het in het net uit te voeren. Dat gevoel kan door de gedachte echter vertroebelen, in de tijd door de geest worden bijgeschaafd. Dat is juist wat de abstractie doet: het hoeft niet te kloppen met de zichtbare werkelijkheid als het maar parallel loopt aan de emotie.

    Abstractie als herinnering

    Abstracte ingevingen bij werkelijke observaties. Zo overdenkt Snijder de omgeving. Hij gebruikt elementen uit het landschap zonder deze in perspectief te zetten. De onderdelen zijn nauwelijks herkenbaar, maar nog wel is de werkelijkheid eruit af te leiden. De uitsnede is tijdloos, zonder plaatsaanduiding, van overal. Het is niet de essentie van de zichtbaarheid, maar het wezenlijke van de emotie daarbij. Iedere vlek, veeg of lijn stuwt mijn blik een nieuwe richting in. Er is veel te zien en genoeg te beleven in het werk van Jan Snijder. Het inspireert tot opnieuw kijken, nog eens kijken. Stilstaan en terugblikken.

    De details bouwen met elkaar een ondervonden landschap op, niet naar de waarneming in beeld gebracht, maar als het gevoel bij die plek, die plaats. Daarbij hoef ik niets van de werkelijkheid te herkennen. Er kan een herinnering aan een vorm zijn, zodat ik mijn emotie kan zetten tegen die van Snijder. Mijn beleving is de herbeleving van zijn ervaring. Niet door zijn ogen kijk ik naar wat ik zie, maar door zijn geest beleef ik wat ik ervaar in zijn werk.

    Jan Snijder is van de ratio, van het begrip voor het landschap, de natuur. Om daarop grip te krijgen leert hij de kijker zijn werk begrijpen. Niet met uitgesproken dwarse abstractie: in zijn composities is altijd nog de aanleiding tot het beeld te herkennen. Zijn onderzoek kan mijn beoordeling zijn. Hij kijkt voor mij, ik zie hem na.

    Een werkelijkheid die niet werkelijk is

    Ook Sabine Liedtke beleeft het landschap niet emotieloos. Maar haar gevoel beweegt zich als het ware in tegengestelde richting van dat van Snijder. Zij houdt vast aan het zichtbare, vertaalt dit echter niet in een realiteit. Het is wel werkelijk wat ik zie in haar verbeelding, maar die werkelijkheid is als een folly: een zorgvuldig opgebouwd beeld dat herkenbaar is, maar nergens helemaal werkelijk wordt.

    Zoals die beelden van Liedtke zijn te benoemen, laat zij de eindigheid in haar werk doorwerken en zet zij de composities in de eeuwigheid. Het is haar hemel, haar leven na de dood. Uit het nest als kraamkamer vliegt het leven om even later de dood te vinden. Waar het ei het wezen belooft, is de dood nooit ver weg. Schijndood, zacht, kan een wezen zonder leven zijn. De levenloze vogel, dode dingen als afgebroken takjes. Waar ik bij andere, niet met name te noemen kunstenaars, echte takjes als kunst waarneem heeft Sabine Liedtke deze getekend, stuk voor stuk.

    De vogel ligt er mooi bij, de snavel toe en de veren gladgestreken alsof afgelegd door de doodgraver. De dood wordt een gaaf antwoord op het leven. Niet mooier dan het is, maar meer toegankelijk door het lijk af te zonderen, afzonderlijk te laten zien. Dat is wat Sabine Liedtke doet: het onderwerp apart zetten, het van de bestaande context halen en het vervolgens uitzonderlijk in het niets in beeld brengen. Isoleren om beter te kijken, om in te kunnen zoomen op het onderwerp. Het vakkundige ontwerp bestuderen en de gedetailleerde uitwerking aanschouwen.

    Van voorstelling naar denkbeeld

    Echter, in de gemeenschap van de natuur is dan wel het detail te bestuderen; het samenzijn vormt de omgang met elkaar. Bij een hoop takken kun je een afzonderlijke ent oplichten alsof Mikado het spel is. Losse takjes op een rij turven het leven. De natuur schrijft de jaarringen van zich af en weet zodoende hoeveel tijd van zijn er nog is, met het klimaat in gedachten.

    Bij de composities van Liedtke meanderen mijn gedachten tussen voorstelling en denkbeeld, van werkelijkheid naar de opvatting daarover. Mijn idee van leven en dood reflecteert in haar werk. Waar Snijder de werkelijkheid door zijn emotie vervormt, past Liedtke het zijnde aan haar concept van die realiteit aan. De werkelijkheid van Jan Snijder is abstract omdat zij een gevoel verbeeldt, maar de werkelijkheid van Sabine Liedtke zweeft daarboven. Het irrealisme schijnt onwerkelijk, maar is in metafoor de ware werkelijkheid.

    Een eigen weg

    Kortom, het werk van beide kunstenaars is uniek in zichzelf. Zij kunnen wel beïnvloed zijn, gedreven vanuit een andere geest, en zich daardoor hebben laten leiden, maar zij gaan daarmee een eigen weg. Want zowel Jan Snijder als Sabine Liedtke staan in een traditie, zetten sporen in de kunstgeschiedenis. Zij geven een persoonlijke draai aan wat eerder is uitgesproken en afgebeeld. Zij groeien in een eigen stijl en borduren individueel voort op de thema’s landschap en natuur. Hoewel hun werken een realistische basis hebben, draait het uiteindelijk om het gevoel dat zij oproepen.

    Tentoonstelling schilderijen van Jan Snijder en tekeningen van Sabine Liedtke bij De Kunsthof, Blankenstein 2 in Appingedam. Van 15 augustus tot en met 4 oktober 2026.

    Foto’s © Gerbert Jonkman

    De Kunsthof, Sabine Liedtke, Jan Snijder
  • Cocreaties van Wim Biewenga in presentatie met Lieve van Loon op het Hoogeland

    Herinneringen zijn er om op te halen. Ze liggen te wachten in het geheugen. Zijn daar ooit achtergebleven in en door het leven te leven. Door de jeugd, via de middelbare en volwassen jaren heen, blijven deze daar overwegend onaangeroerd hangen. Wanneer er bij een voorval of door een gebeurtenis gedachten aan iets speciaals zijn, komen ze wel tevoorschijn en voor het voetlicht. Maar anders blijven ze tussen de coulissen dwalen, wachtend op het moment dat ze echt nodig zijn en hun rol moeten uitspreken. Is het leven voor het grootste deel geleefd, dan komen herinneringen wel boven water.

    Van oude mensen en dingen die voorbijgaan

    Die voorbije tijd lijkt verloren, maar de momenten worden teruggevonden. Wanneer er nauwelijks nog toekomst schijnt, lijken herinneringen belangrijker te worden. Die ogenblikken zijn opnieuw te beleven, te voelen en te ruiken. De geluiden komen terug in gedachten, de smaak van vroeger. Beschouwend, figuurlijk over de schouder kijkend en bespiegelend letterlijk dat wat was herbelevend. Er wordt gegraven in het geheugen om iets tastbaars op te diepen, er zijn grijpbare dingen fysiek verborgen in enveloppen en dozen op zolder. Lang niet aangeraakt en bekeken. Foto’s met lachende mensen, oude brillen, bijbeltjes en andere geschriften, ansichtkaarten van lang vervlogen vakanties. Onooglijke zaken die maar blijven, want herinneringen nemen nauwelijks plaats in, dus waarom ze wegdoen.

    Wim Biewenga, Gerard de Kleijn

    Werkend leven vastgelegd in notities

    Tussen de paperassen van weleer vond Wim Biewenga de werkboekjes van zijn vader. Vader Tjasse Willem was bij leven landbouwer in het noorden van Groningen. Zijn leven is werken en dat werken staat geadministreerd in een soort van dagboeken. Werkboeken waarin de hoeveelheid dagelijkse arbeid per dag en datum is uitgeschreven. Voor hem toen als geheugensteun bij de groei van het gewas, de inzet van personeel, de kosten en het weer. Vader is overleden wanneer Wim puber is. Lang zijn de boekjes onaangeroerd weggestopt, maar te belangrijk in de emotie om er afstand van te doen. De vondst brengt Wim terug bij zijn vader, hij ontdekt erin en het voert hem terug naar het Hooge Land waar hij is geboren en getogen. Denkend aan die streek, het werk dat er gedaan is. Bieten rooien, koeien opzetten, vlas inhalen, koolzaad eggen. Het schoffelen, het zaaien, het oogsten, het dorsen. En alles gedaan door hetzelfde personeel.

    De aantekeningen gebruikt Wim om Tjasse Willem te laten voortleven in zijn kunst. Is vader landbouwer, de zoon is kunstenaar. Hoewel de twee lang niet meer aan tafel zitten, brengt het hen nader tot elkaar. Het herinnert Wim aan vroeger, maar niet uit nostalgische overwegingen hergebruikt hij het beschreven papier. Door vaders schrijfsels raakt de zoon geïnspireerd en interpreteert hij de notities in tekeningen. Met Oost-Indische inkt, Siberisch krijt en pastel bewerkt hij de teksten en werkt deze grotendeels weg. Enkel de voor hem en in de beeltenis belangrijke aantekeningen blijven leesbaar. Het werkblad is zijn canvas, de drager van zijn kunst.

    Twee werelden nader tot elkaar gebracht

    In het boek dat verscheen rond dit project, door organisator en curator Gerard de Kleijn omschreven als coproductie tussen vader en zoon, worden vraagtekens gezet bij deze werkwijze. “Wat bezielt hem? Heeft hij expres bepaalde aantekeningen weggelakt of schuilt de betekenis juist in wat nog wel leesbaar is? Behelst zijn bewerking een commentaar of is het een puur willekeurige interventie? Drukken de toevoegingen van Wim een verlangen uit naar de tijd en het land van zijn jeugd? Of is het een ode aan de eenvoud en de puurheid van de landbouw van vroeger?” De beschouwer mag er de antwoorden bij schrijven. Zoals iedere kunst vragen oproept, is dat hierbij niet anders. Deze manier van werken is puur emotioneel, het brengt twee werelden nader tot elkaar. Het laat de tijden overlappen.

    Mooi vind ik het hoe De Kleijn die twee werelden als cocreaties wegzet in de uitgave ‘Wim Biewenga – zelfde personeel’. Hij ziet in de arbeid van vader Biewenga de ‘onderbouw’, het Rijk van de Noodzaak. Het werk van zoon Biewenga staat voor het Rijk van de Speelsheid, de ‘bovenbouw’. Daar bevinden zich ook de religie, de filosofie en de dichtkunst volgens De Kleijn. “Met het speels bewerken van de dagboeken vindt er een synthese plaats tussen het Rijk van de Noodzaak en het Rijk van de Speelsheid, Noodzaak en Speelsheid gaan in elkaar over.” Wim Biewenga speelt met zijn herinneringen, filosofeert beeldend over de werkelijkheid van Tjasse Willem Biewenga. Over de nuchtere mededelingen tekent Wim een poëtische toevoeging. Zo vullen beide werelden, beide rijken, elkaar aan.

    A trip down memory lane

    “Verwondering is de inspiratie van waaruit Wim Biewenga werkt. Het is zijn drijfveer om te maken wat hij maakt. Van de gecompliceerde wereld maakt hij een versimpelde uitdrukking”, onder meer met deze woorden opende ik onlangs een tentoonstelling van zijn werk in De Kunsthof te Appingedam. “Herinneringen spelen een spel met zijn gedachten. Vanuit het verleden maken indrukken zich uitdrukking in het heden. Of beter gezegd: de uitdrukking maakt zoveel indruk dat het een beeld verdient. Dat het verleden mag voortleven in het heden, naar de toekomst toe.” Deze uitstalling laat een kleine greep uit ‘Zelfde personeel’ zien, in De Kunsthof in een tableau met zes bewerkte aantekeningen. De complete serie behelst meer dan 100 bladen. De presentatie is een trip down memory lane, want het meest recente werk in het oeuvre van Biewenga is hier gehangen. In die composities kijkt hij om en ziet ‘zijn’ Hoogeland. De plek waar hij een jeugd doorbracht. En hij beschouwt vormen die spellen duiden, meccano, houten speelgoed. De tamme kraai die meeging op de schouder naar school. Maar ook de humor waarmee zijn werk is doorregen. Het is een vrolijke tentoonstelling met een open blik naar het verleden. Dat belooft wat voor de toekomst, want Wim Biewenga blijft bezig. Ondanks een eerdere verschillende carrière leeft en beleeft hij de kunst in hart en nieren.

    Een zoekende kunstenaar

    Het toen van Biewenga is gecombineerd met het nu van Lieve van Loon. Zij is nog zoekende in de kunst. Niet verwonderlijk, daar zij pas twee jaar geleden een kunstopleiding heeft afgerond. Alle kennis die ze heeft opgedaan schudt ze van zich af om het goede te behouden. De voedingsbodem waarop haar kunst kan groeien, haar stijl zal bloeien. Nu is het nog rondkijken, experimenteren, heeft haar kunst nog niet de kracht in eenvoud. Het simpele gegeven dat de sterke kant is van haar mede-exposant. Er zijn al wel puntige composities opgehangen, maar het geheel valt enigszins uit elkaar doordat er nog geen duidelijke lijn valt te ontdekken. Het is een manco, maar dat hoeft geen probleem te zijn.

    De thematiek drijft enigszins uiteen, hoewel Van Loon de onderwerpen wel in eenzelfde stijl probeert vast te leggen. Tafels, potten en flessen – zo eigen aan het stilleven – stelt ze rumoerig en levendig, beweeglijk zelfs, op in haar composities. Een dynamisch leven door deze in een enkele compositie van diverse kanten te laten bekijken. Wat opvalt zijn de dik aangezette omtreklijnen waarbinnen grote vlakken zich bewegen. Zij is tevens glazenier en maakt glas-in-loodramen, wat deze vorm van creëren als gevolg heeft. Binnen het vak loopt nog geen lijn, er is nog geen weg van A naar beter. Maar de belofte ligt in de lijn der verwachting. Ik denk dat ik wel meer zal zien en horen van deze Lieve van Loon.

    “Eigenlijk is het in deze tentoonstelling zaak langer te kijken om iets gewaar te worden”, gaf ik mijn toehoorders tijdens de vernissage als raad mee. “Langer kijken en daardoor ontdekken. Elk kunstwerk heeft een verborgen detail, een plek waar het gevoel kan rusten. Gedachten niet bedenken, niets willen verzinnen of onderscheiden. Dan legt het object, het schilderij – de tekening, als vanzelf zijn aard, zijn karakteristiek bloot. De vorm van kijken overkomt je dan. Ineens merk je iets op, krijgt de beeltenis een handvat. Is er herkenning, spreekt het.”

    Wim Biewenga – zelfde personeel. Tekst en samenstelling Gerard de Kleijn. Uitgave Van Spijk Art Books / Livingstone Editions, 2026. Tentoonstelling werken Wim Biewenga en Lieve van Loon bij De Kunsthof, Blankenstein 2, Appingedam. Van 25 april tot 14 juni 2026.

  • Verwondering – bij een opening in De Kunsthof Appingedam

    Lieve van Loon. Die naam zei me niets. Nu wel. Zojuist maakte ik kennis met haar. Lieve. Zo’n korte kennismaking is voedingsbodem voor liefde op het eerste gezicht. Eerder al, toen haar naam werd genoemd voor een tentoonstelling, googlede ik Lieve van Loon. Ik bezocht haar website en ook daar kan dat eerste contact als introductie uitgroeien tot een directe verbondenheid. Op het eerste gezicht zag ik vrijwel meteen overeenkomst. Verwondering.

    Wim Biewenga. Die naam zegt me iets. Nog steeds. Hij nam op een goed moment telefonisch contact met mij op. Hij had een vraag: of ik zijn expositie in De Kunsthof wilde openen met een gepaste tekst. Hij kan mijn kritiek op zijn werk waarderen, vandaar. Toen ook viel de naam Lieve van Loon. Daar wordt hij graag mee gezien in Appingedam.

    Het herkenbare verandert

    Het werk van Lieve is een nader onderzoek waard. Dus ik heb haar website figuurlijk doorgespit. Dat is het voordeel van internet. Je hoeft de deur niet uit om het portfolio van de kunstenaar te bewonderen. Meteen viel mij de aanhef op de voorpagina op: Wat gebeurt er met een object wanneer het herkenbare verandert? In haar afstudeerproject “Het hervormen van het alledaagse” laat Lieve ons haar bijzondere visie op het dagelijks leven zien. En dat is precies wat Wim doet. Hij verwondert zich over de zichtbare werkelijkheid. Daarvan maakt hij geen huisje-boompje-beestje-schilderij voor boven de bank. Hij prikt door het zichtbare heen en laat de essentie ervan zien. Het herkenbare verandert. De emotie van het dagelijks leven krijgt vorm.

    Verwondering is de inspiratie van waaruit Wim Biewenga werkt. Het is zijn drijfveer om te maken wat hij maakt. Van de gecompliceerde wereld maakt hij een versimpelde uitdrukking. Zijn kunst schuurt tegen een naïeve vormgeving aan. In zijn objecten geeft hij gebruiksvoorwerpen of delen daarvan een tweede leven. Zo kan hij ook eigen oud werk recyclen. Hij schildert over bestaand materiaal heen. Draait een compositie eens om zodat hij een nieuwe kijk kan vastleggen. Herinneringen spelen een spel met zijn gedachten. Vanuit het verleden maken indrukken zich uitdrukking in het heden. Of beter gezegd: de uitdrukking maakt zoveel indruk dat het een beeld verdient. Dat het verleden mag voortleven in het heden, naar de toekomst toe. Kunst maakt Wim aanvankelijk voor zichzelf. Om de wereld te duiden, te begrijpen. De wereld die zo onschuldig leek, toen. Daarom is zijn kijk die van een kind dat nog zonder meer kan genieten van de dingen.

    Ik citeer mezelf

    Is voor mij het werk van Lieve van Loon een kennismaking met een nog onbekende wereld, het werk van Wim Biewenga zoals dat hier hangt is voor mij eveneens nieuw. Eerder zag ik werk en dacht er het mijne van. Ik citeer mezelf:

    “Ogenschijnlijk gebeurt er niets in het werk van Wim Biewenga. Maar dat is gezichtsbedrog, een optische illusie. Want er is beroering onder het waarneembare vlak en tussen de getrokken lijnen. Het niets is schijn, er valt van alles te zien. Er is onrust in de verwerking van verf, de huid verbergt aantekeningen van eerdere gedachten. Deze kunst is een geconstrueerd niet-zijn van wat het zijn kan zijn. En is. Je went aan vormen en denkt daardoor in beelden herkenbare situaties te zien. Maar Biewenga haalt juist deze herkenning uit die gewenning van het dagelijkse kijken. Hij gaat eraan voorbij. Het detail krijgt bij hem een nieuwe betekenis.” Einde citaat.

    Geïnspireerd door de titel ‘langs berg en dal klinkt hoorngeschal’, humor die wel in mijn straatje past, schrijf ik het volgende op: “In het werk van Wim Biewenga ontbreekt de samenhang tussen geschilderd beeld en tastbare omgeving. Wat ik zie heb ik niet eerder gezien. Het komt me niet bekend voor. Er rest enkel ruimte en ritme, samengesteld door kleuren, lijnen en abstracte geometrische vormen. Mijn blik denkt het beeld wel te kunnen plaatsen in de werkelijkheid. Mijn ogen zoeken verbanden en relaties met en in de realiteit. Maar dat is geforceerd en niet zo bedoeld. Ik wil dat, dat mag. Maar het is niet strikt noodzakelijk om in de gepenseelde situatie een verbinding te leggen met een bestaand beeld. Feitelijk heeft het werk van Biewenga geen omschrijving nodig. Het spreekt voor zich en elke beschrijving werkt minder krachtig dan het beeld is. Een beschouwing zonder woorden.”

    Niet de werkelijkheid opzoeken

    Tot zover, want voor een beschouwing zonder woorden heeft Wim mij hier natuurlijk niet laten komen. Telkens wanneer ik zijn werk tref, heeft het een andere vorm en uitstraling. Hoewel hij op leeftijd is, lijkt hij de jonge geest van Lieve te hebben. Het werk van beide kunstenaars rijmt in deze presentatie. Niet zozeer wat betreft vormgeving, maar wel door de verwondering voor het beeld. De spanning die door de kunst kan worden opgewekt. Door weinig te laten zien waar veel te bekijken valt. Biewenga kijkt terug op zijn leven, haalt herinneringen op. Vindt een werkboek van zijn vader. Gebruikt de beschreven bladen als drager voor beeltenissen die bij hem opkomen bij het lezen van de notities. Daarmee laat hij zijn vader voortleven, want zonder zijn inbreng zou het boek bij het oud papier belanden. Op die manier waardeert Lieve dagelijkse dingen op. Handelingen en voorvallen die in de tijd wegzakken, redt zij uit de vergetelheid. Haar werk beeldt deze alledaagse dingen uit die meer aandacht verdienen, lees ik op haar website: alledaagse voorwerpen en taferelen die in het volle zicht verborgen zijn. De inspiratie die haar tot werken aanzet, dien ik vanuit een ander perspectief te zien. Niet de werkelijkheid opzoeken, maar de emotie vinden.

    Langer kijken om iets gewaar te worden

    Terug naar de werken nu die hier te zien zijn, want daarvoor ben ik gekomen. De werkelijkheid van Wim is niet afgetekend in uitdrukking. Het blijft ontspannen zonder opgewonden te raken. Ik kijk gespannen naar de taferelen om te zien welke drift erachter zit. Welke hartstocht heeft de kunstenaar ertoe gebracht deze indrukken op deze manier te formuleren en te verbeelden? Het is niet meteen zichtbaar wanneer ik alsmaar probeer de realiteit erin te duiden. Zonder reden. Met slechts een onbegrensde blik om uit de behoefte van de voorstelling te komen. Wat ik zie, dat is het; ik moet me overgeven. Vertrouwen hebben in de waarheid, de hele waarheid en niets dan de waarheid van Wim Biewenga. Zolang ik dat niet kan opbrengen, blijft zijn werk een mysterie. Haak ik vroegtijdig af, dan zal zijn schoonheid voor mij nooit zichtbaar zijn. Dus neem ik voor mezelf het verband met de werkelijkheid weg en stap in de realiteit van Biewenga. Mijn verstand op nul, maar de blik scherp en verscherpt. Het werk is doordringend en indringend. Het houdt de aandacht, want de onwerkelijke werkelijkheid wil gepeild en ontrafeld worden. Deze woorden zou ik welhaast naadloos op de composities van Lieve van Loon kunnen leggen. Het is haar waarheid, haar schoonheid, haar wereld die de mijne kan zijn wanneer ik me eraan overgeef.

    Eigenlijk is het in deze tentoonstelling zaak langer te kijken om iets gewaar te worden. Maar is dat niet met alle kunst zo, vraag ik me retorisch af zonder antwoord te krijgen. Langer kijken en daardoor ontdekken. Want ieder kunstwerk heeft een verborgen detail, een plek waar het gevoel kan rusten. Gedachten niet bedenken, niets willen verzinnen of onderscheiden. Dan legt het object, het schilderij – de tekening, als vanzelf zijn aard, zijn karakteristiek bloot. De vorm van kijken overkomt je dan. Ineens merk je iets op, krijgt de beeltenis een handvat. Is er herkenning, spreekt het.

    Inleiding bij de vernissage van de expositie werken van Wim Biewenga en Lieve van Loon in De Kunsthof te Appingedam, de dato 23 april 2026.
  • Wegbereiders van het naoorlogse modernisme in Groningen

    Hij is een autoriteit. Zo mag je hem best benoemen, deskundig op het gebied van de Noord-Nederlandse kunst en dan met name die uit Groningen. Kunstenaarsvereniging De Ploeg is zijn specialisatie. Met zijn aanstelling als directeur/conservator van Museum Belvédère bracht Han Steenbruggen in 2008 de Groningers naar Friesland. Daarvoor was hij werkzaam bij het Groninger Museum en rondde een onderzoek af naar De Ploeg en de kunst van haar leden. Steenbruggen studeerde Nederlands met als tweede hoofdstudie Kunstgeschiedenis en promoveerde op Wobbe Alkema en het constructivisme.

    Op het moment dat de Stichting De Noordelijke Kunsthof in Appingedam het 70-jarig bestaan wil vieren met een tentoonstelling en daarbij een publicatie, springt Steenbruggen in en raadt het bestuur aan aandacht te besteden aan het naoorlogse werk van twee vooruitstrevende Groningse schilders. In de jaren 20 van de vorige eeuw zijn zij lid van De Ploeg en beleven zo de hoogtijdagen van de vereniging mee. Na de oorlog weten de twee noorderlingen aansluiting te vinden bij de bruisende ontwikkelingen die de moderne kunst in Nederland op dat moment doormaakt. Als enige Groningers krijgen zij bij leven een tentoonstelling in het bolwerk van de eigentijdse kunsten het Stedelijk Museum te Amsterdam. Han Steenbruggen noemt Job Hansen en Jan Jordens in zijn tekst voor de bijzondere publicatie van De Kunsthof, wegbereiders van het naoorlogs modernisme in Groningen.

    Het Narrenschip

    Een deel van de vereniging wil na de oorlog voortborduren op de oude waarden. Gematigd voortgaan op de in het interbellum ingeslagen wegen, de breuk herstellen en zo een doorstart maken. Anderen staan open voor vernieuwing en experiment en verenigen zich enkele jaren later in Het Narrenschip. Deze naam is een verwijzing naar de Blauwe Schuit, de in de oorlog clandestiene drukkerij van kunstenaar/drukker Hendrik Werkman. “Het Narrenschip propageert dan ook de vrijheid der kunsten en ziet in Werkman, die vlak voor de bevrijding door de bezetter werd vermoord, zoveel als een artistiek geweten”, schrijft Steenbruggen. De groep zet zich af tegen De Ploeg en wil individuele vrijheid van expressie. In die stroom varen Hansen en Jordens mee. Maar in eerste instantie slaat hun kunst in het noorden nauwelijks aan. Recensenten hebben weinig met abstracte vormen van schilderkunst en prijzen juist kunst naar de directe waarneming. Maar in het westen kan men wel meegaan in de vrijheid van expressie. De beide schilders varen tegen de stroom in en nemen in hun experimenten met een abstracte beeldtaal jongere kunstenaars uit Groningen in hun kielzog mee. Door de aanstelling van een vooruitstrevende directeur door het Groninger Museum raakt het kunstklimaat in het noorden in een stroomversnelling. Steenbruggen beschrijft die naoorlogse jaren, de veranderingen en opnieuw de stilstand. Men is hier nog niet toe aan de eigentijdse schilderkunst, schijnt het. Maar niets is minder waar, echter voltrekt het zich minder snel in vergelijking met het westen van het land.

    de Kunsthof, Jan Jordens, Job Hansen

    Architect Hansen, tekenleraar Jordens

    Pas in de jaren 80 is er belangstelling voor expressionistische vormen van schilderkunst. Er is opnieuw aandacht voor Hansen en Jordens die respectievelijk in 1960 en 1962 gestorven zijn. Het noorden is 20 jaar later toe aan hun beeldtaal, die nu nog steeds niets aan kracht heeft ingeboet. Dat valt af te lezen en op te merken aan de werken die in deze bijzondere publicatie zijn opgenomen. Steenbruggen zoekt ze met expertise zelf uit en stelt ook vaardig de tentoonstelling samen. Hij schrijft verder nog van beide kunstenaars een korte biografie. Zo leer ik architect Hansen en tekenleraar Jordens kennen. Zij kiezen uiteindelijk beide voor het onzekere bestaan van het vak kunstenaar. Maar zijn dermate getalenteerd dat ze al snel boven het maaiveld uitsteken. Echter lijkt het er in eerste instantie op dat zij in de verkeerde provincie werkzaam zijn. Een behoudende provincie die niet zo rap met de vernieuwingen in de kunst mee kan. Maar, zoals het veelal gaat met kunstenaars, worden ze na hun dood om hun werk gewaardeerd en is de betekenis van hun kunst ingezien.

    de Kunsthof, Jan Jordens, Job Hansen

    Bladerend door het boekje bewonder ik de composities van Jan Jordens. Frisse werken op board, die in hun abstracte vormen ruimte laten voor mijn verhaal. Een stapeling van onregelmatige vlakken in een afwisseling van heldere en pastelle kleuren. Als een sfeer van collages in kleurvlakken. Schilderingen die voor zichzelf spreken zonder figuratie. De structuur van de drager speelt mee in het resultaat van het werk. Het maakt het levendig en experimenteel, vooral wanneer textiel ruimte krijgt in de opzet. De nabije omgeving van het woonhuis van Job Hansen krijgt vorm in een enigszins naïeve beeldopbouw. Met sterk verdunde olieverf schildert hij in snelle bewegingen op triplex en hardboard. Het is een wilde weelde aan kleuren, die elke compositie tot een feest maken voor het oog. In heldere tinten schetst hij als het ware zijn zicht op het landschap. De vlakken zijn naast elkaar geplaatst, vrijwel nooit is een kleur overschilderd. Het geeft ook hier het idee van een collage in verf. De beelden schuiven ineen tot een geheel dat spontaan expressief is. Wel een bepaalde realiteit behoudt, maar een versimpeling is daarop. De omgeving van Hansen in Groningen is erin te herkennen, maar de werkelijkheid geeft een ander beeld.

    Han Steenbruggen, Job Hansen

    De uitgave is nog compleet gemaakt met een korte opsomming van relevante publicaties over de naoorlogse moderne kunst in Groningen, over Jan Jordens en over Job Hansen. En enkele relevante solo-exposities van de beide kunstschilders. Deze publicatie “JORDENS – HANSEN” verscheen bij de tentoonstelling ‘Jan Jordens en Job Hansen in Galerie Kunsthof Blankenstein’. Georganiseerd ter gelegenheid van het 70-jarig bestaan van de stichting De Noordelijke Kunsthof te Appingedam.

    JORDENS – HANSEN, tekst en samenstelling Han Steenbruggen met voorwoord van stichtingsvoorzitter Iwan Poucki. Uitgave Stichting De Noordelijke Kunsthof, 2021.

    de Kunsthof, Jan Jordens, Job Hansen