Tag: dichtbundel

  • De X-factor van Marc Fabels

    Hoe kan ik de schuld krijgen omdat ik niet zie dat ik blind ben. Ik vertaalde vrij de titel van de verder Nederlandstalige dichtbundel van Marc Fabels. Ik probeerde de tape van het omslag los te trekken. Maar ik kon er letterlijk geen nagel achter krijgen. Die paarse plakband is onderdeel van de smoezelige tekening, maar zo realistisch aanwezig dat het net echt is. Die afbeelding van de tape daagt mij uit verder te kijken dan mijn neus lang is. Te doorzien waar het figuurlijk over gaat in de bundel. Maar hoe kan ik de schuld krijgen omdat ik niet zie dat ik blind ben. Blind ben voor de gedichten van Marc Fabels, als ik al ergens de schuld van moet krijgen. De vraag waar het grenzeloos vertrouwen was in de goedheid van zelfs de allergrootse klootzakken, blijft daardoor groezelig. In dat gestelde probleem, waarmee Fabels met de deur in huis valt en dat als een rode draad door de bundel loopt, maakt de dichter zich kwaad en vloekt ongegeneerd. Alsof een verwensing het antwoord kracht bij zet. De retorische vraag zet meteen de toon. Als je maar de juiste woorden sprak. Als ik de ogen maar opende om de poëzie van Marc Fabels te doorzien. Blijf ik blind voor zijn regels, dan vind ik ook de juiste woorden niet. En krab ik vruchteloos de tape af van de doornig getekende bloemen. Week ik echter de woorden los van de zinnen dan laat ik de tekst me wel bekomen.

    De X die groot op het omslag prijkt, is veel meer dan een grafisch motief. Zij staat voor de blinde vlek, het kruispunt, het onverklaarbare en het ontbrekende. In woorden die titels vormen als crux, lux, rex en jinx fungeert zij als een soort magnetisch middelpunt waarrond de gedichten zich bewegen. De bundeltitel – how can I be blamed for failing to see that I’m blind – maakt van die X uiteindelijk een teken van het niet-zien: niet de onbekende die opgelost moet worden, maar de blinde plek die zich niet eenvoudig laat opheffen. Alles in deze bundel draait om de vraag wat het betekent om niet te zien dat je niet ziet. De X blijkt het punt waar al deze motieven samenkomen: het niet-zien, het zoeken naar betekenis, het afbreken van zekerheden.

    De blinde vlek

    Blindheid en niet-zien vormen een paradox: hoe kan ik verantwoordelijk worden gehouden voor het niet opmerken van mijn eigen onvermogen om te zien? De bundel voelt autobiografische kwesties aan de tand. Het bekentenisachtige aspect krijgt hier een universele lading. Het ‘ik’ spreekt weliswaar vanuit een persoonlijke ervaring, maar de blindheid waarover het gaat blijkt een menselijke conditie: niemand ziet zichzelf volledig. “Vind maar eens de juiste woorden die niet / iedereen al gebruikt of op zijn minst / een volgorde die recht doet aan je / onverwoestbare ijdelheid” Dat is waar ik ook mee stoei: de juiste woorden vinden en deze op volgorde zetten om, in dit geval, een dichtbundel juist te omschrijven. De letters in woorden te passen om wat staat geschreven te waarderen. “Vind maar eens een zin die niet / per seconde verandert, verdwijnt of / raadselachtig zwijgt / – liever staar je je / blind op het wit tussen de woorden alsof / de verlossing van al je voorgeprogrammeerde / dromen zich zal openbaren in een flits”. Fabels heeft mijn aandacht met dit eerste gedicht meteen te pakken. Ik lees mezelf erin: “vergeet het maar / zo uitverkoren / ben je niet”.

    Met de handen in de ogen

    Zijn gedachten meanderen rond afkeer en passie. Bloeien als de door hem getekende bloemen. Prikken als de doornen van die afgebeelde distels. En verdorren wanneer de concentratie verslapt. Fabels overdenkt zichzelf, bekijkt de man in de spiegel en vindt er het zijne van. Wie is de duivelskunstenaar die in gedachten alles tot goud laat worden? Wanneer hij maar de juiste woorden vindt. De X staat voor een woord dat onvindbaar is. Te mysterieus om de X in woorden te vangen. Het lijkt alsof de betekenis ervan is weggevallen, dat Marc Fabels in deze bundel zichzelf weer zoekt. Met de handen in de ogen wrijvend probeert hij in zijn eigen blik, herinnering of blindheid door te dringen. “wat heb je nou / eigenlijk gedáán / wát heb je nou / eigenlijk écht / gedaan / waar je niet / jaren later / met schaamte / voor het verkloten / van zo veel tijd / op terugkijkt?” Precies dat is het algemene in zijn teksten. Vraag ik me dat ook niet af waar ik mijn kostbare tijd ooit eens mee heb verkankerd.

    In de kleine bundel, slechts 11 poëtische expressies, gaat het om niet-zien en het onzegbare. Steeds opnieuw keert hetzelfde probleem terug: zien wat zich onttrekt aan het zien. Om non-existente X-files waarvan de crux een exit strategy is. Een spel met de taal om het onzichtbare te beschrijven. Het verscholen ego in het licht te zetten, zodat ik als lezer in dat geheim kan doordringen. Er mezelf aan kan spiegelen, me erin verliezen, omdat het zo dicht bij mijn eigen identiteit ligt. Het is weinig dichters gegeven om zich zo nauw met hun lezers te verbinden. Althans in mijn geval raak ik aan de poëzie van Marc Fabels. Het doet me wat en zet mij aan de juiste woorden te vinden. De woorden die recht doen aan het schimmellinnen en het bladdergoud, de stapelzinnen en de hapertaal – broze beelden, loze woorden. Zelfs de allergrootste klootzak bloeit erbij, iets breekt in hem wanneer hij halverwege de bundel tot inkeer komt: het boekje niet terzijde schuift maar juist met stijgende belangstelling tot het einde leest.

    Exit strategy

    Het einde. Ook dat beschrijft Fabels. De titel ‘exit strategy’ roept de gedachte aan een geregisseerd vertrek op. In de context van de bundel kan die uitgang worden gelezen als een metafoor voor sterfelijkheid of dood. In dat meedogenloze vogelperspectief, de geest hangt boven de dode man, ziet de dichter zijn eigen afscheid aan. “ik zag heus wel hoe / de letters die je sprak / zich radeloze mieren rond / de genadeloos dichte kist / wisten terwijl ze woorden / wilden zijn maar toch / moet ik zeggen / heb je mooi gesproken / alles wat je vertelde / is exact / hoe ik was” En precies zo lees ik hem: zoals hij was, zo ben ik.

    How can I be blamed for failing to see that I’m blind. Marc Fabels. Dichtbundel. Uitgave Paper Crown, 2026.

    Marc Fabels
  • Onder vreemden, tussen bekenden

    Ga tot de mier, gij luiaard! Zie haar wegen, en word wijs; dewelke, geen overste, ambtman noch heerser hebbende, haar brood bereidt in de zomer, haar spijs vergadert in den oogst.’ of ‘Als je van beren leren kan, Van slimme beren leren kan, Dan sta je later zelden meer voor aap.’ In de dierenwereld ben je zelden onder vreemden. Het plantenrijk echter is ruim bedeeld met voorbeelden waarvan de mens ruimschoots kan opsteken. Het mycelium om maar iets te noemen, waarvan de paddenstoel het zichtbare vruchtlichaam is, vertakt zich onzichtbaar ondergronds tot een wijd verbreid netwerk. Door microscopisch dunne schimmeldraden, hyfen, zijn de bovengrondse schimmels met elkaar verbonden. Dat ondergronds fijnmazige netwerk is van levensbelang, het leert ons dat ook wij mensen onderling met lijnen aan elkaar zijn verbonden. Dat geen schepsel kan leven buiten de eenheid, zonder de gemeenschap. Dat zijn altijd zijn is met, dat wezen altijd samen is.

    Levend tussen vreemden

    Een uitspraak van Merlin Sheldrake – fungi teach us that life is relationship – is de ruggengraat van de dichtbundel van Laura Mijnders. Het is de rode draad in haar bundel “Tussen vreemden”, waardoor de beschreven gebeurtenissen binnen de verhaallijn met elkaar zijn verbonden. Dat plot is in de bundel onderverdeeld in drie parten. Door de teksten volg ik de jonge Laura tot een volwassen Mijnders. De titel van het boek zet mij echter op een verkeerd been, want de dichter beweegt zich onder bekenden. Hoewel ze zich natuurlijk kan voelen als levend tussen vreemden. Want zelfs bekenden kunnen je als onbekenden overkomen. Dat jij je met je gedachten en ideeën misplaatst voelt tussen de grote gemene deler van het gezin of de vriendenkring. Een vreemde in het ouderlijk huis door niet begrepen te worden. Ongezien zijn.

    In de verzen komt dat niet meteen tot uiting, die buitenstaander in het groepsgevoel. Tussen vreemden voelt Mijnders zich gekend, leest het. Echter schijnen die vreemden niet zo bijzonder. Ze vormen tezamen de wortels van haar bestaan. Ze kan niet zonder hoewel ze dat op een moment wel zou willen. Broers zoek je niet uit, die krijg je. Voorbijgangers kun je uitzoeken, deze vind je. In het eerste deel, of hoofdstuk, lees ik Laura Mijnders als een opgroeiend mens. Nog onwetend van de grote mensenwereld. Jeugdherinneringen die verwonderen. De plek in het gezin. De plaats in het zijn. Haar zijn. Rafelranden aan het opgroeien. Maar ook loopt het kind-wezen door het ouder-zijn, mengt zich de dochter met de moeder. Het geheel is verwarrend, maar op detail blijft de poëzie vertederend.

    Korte verhalen in keurslijf van strofen

    Het is een loslaten van de jeugd, het eigen zijn en dat wezen van die ander die voor haar heeft gekozen. Niet uit vrije wil, maar zo zoals het even loopt. Het zijn persoonlijke regels, individuele woorden, die mij een inkijk geven in het leven van deze dichter. En er zijn overeenkomsten, parallellen te trekken – ik voel verwantschap, ik proef eendracht en zie consensus. Hoe kan het dat een vreemde zich toch als een bekende in mijn leven kan begeven. Het moet dat mycelium-effect zijn. Het gevolg van die weids verbreide vertakkende wortelstokken. Ergens verkleven de hyfen van Mijnders met mijn schimmeldraden.

    Eigenlijk zijn het geen gedichten, maar korte verhalen die Mijnders in een keurslijf van strofen dwingt. Als de alinea’s in proza zijn de coupletten in poëzie. Deze dichtwijze houdt het midden tussen proza en poëzie – balanceert op de rand van tekst en lied, maar valt nergens in de verkeerde kant. Daardoor ontstaat een natuurlijke vertelstem die ruimte laat voor reflectie. Het blijft het uiterlijk van dichten houden, het ritme van woorden in regels die nergens rijmen.

    De Groninger bodem

    In het tweede deel leert Mijnders de wereld kennen, althans probeert zij wat liefde is. Onderkent dat paddenstoelen haar de weg wezen, zonder het zijn van relaties te weten. “tijdens het hardlopen denk je het ineens / te begrijpen: hoeveel groter de dingen zijn / dan jij en hoe angstaanjagend veel ellende er / voor dat besef steeds weer nodig is: een crisis / een impasse, een eind of misschien een begin”. Ze leeft zich in, in de Groninger bodem. En dat doet ze wonderwel grondig en overtuigend; ik haal de provincie zo voor de geest, en zie de aarde hoofdschuddend spreken. En ik word van de ene herinnering in de andere gegooid, soms heb ik een déjà-vu en dan weer kijk ik op van het blad en stel me een situatie voor. Haar gedichten hebben de breedte van korte verhalen. Het klinkt zo vertrouwd, maar staat toch zo ver van mij.

    Laura Mijnders, poëzie, dichtbundel

    Deel drie betekent afscheid nemen. Na jeugd en volwassenheid is ouder zijn een natuurlijke lijn. Niet dat de dichter een overrijpe toestand heeft bereikt. Zij neemt afstand van wat rest. Wat overblijft van een geleefd leven. Het is onvermijdelijk dat het eens klaar is, maar nooit af. “een dorpsgenoot vroeg me ooit wat er van / me zou overblijven als ik nu eindelijk eens besloot / wie ik zou willen zijn”. Het is niet het einde van een eigen leven, maar het slot van een voorgeslacht. Een moeder die de dochter niet meer herkent. Een zijn dat langzaam een was wordt. “er is sprake van een vader die zijn gedachten / tussen de nerven van het houten bed rusten laat, hij weet / van de half opgegeten haring die door de kamer zwerft”.

    Mijnders spreekt zich niet uit. Ze gebruikt metaforen om haar leven te duiden. Om het leven van de vreemden om haar heen te vatten. Beschrijft in gevleugelde woorden geuren en kleuren. Achter dat bloemetjesbehang echter zit een donkere angst geplakt. Een spanning die in de gelaagde poëzie een schoongeveegde stoep verbeeldt. Het is alsof er een zon achter de wolken schijnt, dat deze na regen de kop opsteekt. Maar Mijnders lacht meermalen als een boerin met kiespijn. Een schampere grijns in de mimiek van een levensstuntelaar. Ze knoeit zich echter niet door de taal. “… er is geen / gewenst antwoord mogelijk op de vragen /  / die we niet langer stellen en dus nemen we / genoegen met wat er is, ik las ooit dat alles / energie is, dat we met elkaar verbonden zijn”. “Je wordt vanzelf weer nieuw” zijn de famous last words van de dichter in deze bundel. Daar houd ik me dan maar aan vast.

    Tussen Vreemden. Dichtbundel van Laura Mijnders. Verschenen bij Uitgeverij Passage Groningen, 2026.

    Laura Mijnders, poëzie, dichtbundel

  • Wibo Kosters stemt de stad poëtisch op zijn gevoel

    Van het platteland, dat ben ik. Met een weids uitzicht over de velden. Het landschap overzichtelijk. Sloten tot de einder, zover het oog reikt. Niets staat mijn blik in de weg, of het zouden de bomenrijen in het coulisselandschap moeten zijn. Het decor van een achterland. Een omgeving dat met moeite een agglomeratie is. Een dorp kent geen stadsuitbreiding, het implodeert eerder. De mensen trekken er weg naar de drukte waar het gebeurt, komen terug wanneer de rust gezocht wordt. Weidse uitzichten trekken wanneer de einder verdwijnt achter meerdere etagehoge bouwwerken. De ruimte gezocht wanneer huizenrijen benauwend werken.

    Van buiten de stad dat ben ik. Ik versta een dialect die de tweede taal van het land genoemd is. En de grachtengordel is verder dan op steenworp afstand, de randstad niet binnen handbereik. Ik ben uitwoner van de stad. Daarom trekt dichter Wibo Kosters mij met zijn teksten tussen de bouwkunstige huizenblokken, de industriële gebouwen, de woontorens en wolkenkrabbers. Het oog reikt niet verder dan het verkeerslicht dat zelden op groen springt. De poëzie van de stad maakt mij inwoner, in gedachten. Het heeft alle schijn van een hersenspoeling, Kosters doet zijn best. De werkelijkheid is in zijn poëzie een abstract gegeven. Het absurdisme van hoge huizenbouw en overvolle parkeerplaatsen in vergelijking met mijn handzame lage landen met hier en daar een boerderij en een dorp rond een kerktoren schijnt afschrikwekkend.

    Wibo Kosters, inwoner, dichtbundel, poëzie

    Met zijn aandacht de omgeving zien

    Paradoxaal lijkt de dichter vanuit de poort van de Achterhoek naar de Koekstad te komen om er alleen te zijn, anoniem te zijn. Alleen staat niet voor rust, anoniem niet voor eenzaam. Tussen alle mensen die als mieren rondlopen kun jij je alleen voelen, niemand kent je en slaat acht, je bent anoniem. “langzaam groeit de stad / in mij / worden straten namen / gezichten mensen” Want wanneer jij de stad bent ken je het stratenplan als je broekzak, blijven gezichten niet anoniem, worden figuren personen. Geen randfiguren of figuranten, maar hoofdpersonen in jouw rolprent die een Oscar voor de meest creatieve regisseur verdient.

    Wibo Kosters noemt zijn dichtbundel “inwoner”. Het is zijn debuut als dichter. Daarin onderzoekt hij wat de stad maakt en wat het betekent daar te zijn. Hij woont in dit boek en ik kan er een tijdje verblijven. Medebewoner zijn, door zijn ogenblik naar de wereld kijken. Met zijn aandacht de omgeving zien. Ter illustratie van de teksten heeft kunstzinnige broer Bas Kosters simpel complexe tekeningen gemaakt, om niet te zeggen abstract naïeve schetsen. De huizenmannen doen mij denken aan blockheads (hit me with your rhythm stick resoneert tussen de lijnen). Blokhoofden in de diverse betekenissen van het woord. Een grijs huizenblok met rood puntdak vormt het hoofd. Een half open blik, een platte neus, de donkere wallen onder de ogen tekenen een uitgeputte indruk, een slaperig karakter. Maar het figuur moet wakker blijven, want de stad slaapt nooit. Er is altijd leven, nooit rust – zelfs in nachtelijk duister blijven mieren actief. Vandaar de omwallingen want de stad is een vermoeiend fenomeen.

    Wibo Kosters, inwoner, dichtbundel, poëzie, Bas Kosters, Neil Young

    Een gelaagde beschouwing

    De bundel is gedicht rond een song van Neil Young. ‘Ambulance Blues’ kreeg een nieuwe tekstuele jas, waar de albumhoes van ‘On the beach’ – de blues is daar onderdeel van – is gekopieerd met een blokhoofd die naast de schoenen loopt. Het motto van poetry slammer Kosters is een strofe van de Canadese zanger: “I am a lonely visitor / I came too late to cause a stir”. Kosters voelt zich zo’n eenzame bezoeker van de stad en loopt blind door de straten van zijn herinneringen. Al schrijvend en beschrijvend, peinzend en filosoferend, stil staan en turen, is hij te laat om opschudding te veroorzaken. Met zijn poëzie probeert Kosters de stemming nog enigszins te ontwrichten.

    De muzikant van oorsprong observeert en koppelt wat hij om zich heen ziet gebeuren aan zijn eigen geschiedenis en ontwikkeling. De bundel ‘inwoner’ is dan ook een autobiografie. Hij beschrijft zijn ervaringen van de straat, zijn gevoel tussen de huizen, zijn emotie als eenling in de stad. “ik lijk slechts een schim / achter een gordijn / in een gedicht”. Kosters zingt een vrolijke noot waarmee hij de toon zet in zijn gedichten. Het observeren en koppelen, zijn cynische kijk op de wereld, formuleert een humoristische ernst. De gedichten hebben een gelaagde beschouwing, waar bij herhaald lezen opeens het kwartje valt.

    Wibo Kosters, inwoner, dichtbundel, poëzie, Bas Kosters

    Mensen vluchten, gaan eropuit

    Hij verheerlijkt de stad niet, want merkt ook wel de onhebbelijkheden aan de lijve. Door zijn eigen leven erin te schrijven worden de gedichten wel persoonlijk van sfeer. Dan raap ik dat kwartje van de vloer en probeer me in zijn wezen te verplaatsen. De teksten zijn wel cryptisch van toon, maar heb ik de smaak te pakken doorzie ik het geheim van de poëzie, zijn poëzie. Kijk ik met andere ogen naar die grote stad, wordt ik in gedachten van provinciaal een stedeling. Zie ik de tekortkomingen en de achterlijkheden van het centrum. De gezelligheid en het plezier in kerk en kroeg tegen beter weten in. Merk ik hoe de dingen intermenselijk werken, dat op sociaal niveau er nog weleens steekjes vallen. In de stad ben je anoniem, soms onzichtbaar lijkt het wel. Ga je in de grote massa mee. Daarom vluchten mensen, gaan ze eropuit, naar het strand of halfpension in een schuildorp. De tumbleweed rolt niet door de straten, de wijken zijn niet verlaten – maar veelal is het gevoel daar wel, ben je eenzaam in de meute en wordt je meegevoerd door de stroom. Op weg naar onbekende verte. Maar hulp is onderweg.

    Het laatste deel in de bundel raakt het meest aan schrijvers persoonlijkheid. Het ontroert mij aandoenlijk. Dan is de lach van de grap uitgeklonken en grijnst de boer die kiespijn heeft. Dan wordt het leven serieus, omdat blijkt dat er een einde aan is. Kosters draait de sleutel in het slot en sluit af. Gezien het voorgaande prettig uit de toon valt, is het hier en nu meeslepend in mineur. Magere Hein klopt aan de deur en wanneer je eens hebt open gedaan klinken de woorden bekend in de oren: “je glipte weg terwijl de een sliep en de ander buiten rookte / en op dat moment bleven / je lijden / hoop / wijsheid en alles wat verborgen was geweest / verborgen” om af te sluiten met “misschien hoorde je een laatste lied op je hemelse ontvangst / dat moeten we ons hele leven zoeken / door de knoppen ergens tussen de zenders te draaien”. Kosters draait zijn ontvanger echter op majeur en laat zijn bundel niet triest eindigen. Er is immers hulp onderweg en het koninkrijk van de stad ligt open voor dochterlief, zij groeit van prinses tot koningin.

    Wibo Kosters, inwoner, dichtbundel, poëzie

    En ik ga naar huis en sluit dit stukje af met leven dat verstoft, verbrandde turf dat verwaait in de wind om de hoek van de straat. Dit mij meest dierbare vers uit de bundel wil ik de lezer hier niet onthouden. Het is zo herkenbaar, zo algemeen en toch persoonlijk. Het maakt een stemming, stemt het gemoed af, er is geen vals gevoel in – de andere overigens niet tekort gedaan: “ik kom je as halen / omdat niemand zich er / raad mee weet /  / het zit in een neutrale kartonnen dood / die een geschenkverpakking voor wijn lijkt /  / ik pak je uit en maak / een selfie met je asbeker / whatsapp mijn broers / dat we een eindje gaan rijden / doe je een veiligheidsgordel om /  / thuis zet ik je op zolder / met een asbak en een blikje bier / ik sluit af en rijd / met alle mogelijke omwegen naar huis”

    inwoner, Wibo Kosters, gedichten. Bas Kosters, illustraties. Uitgeverij Anderszins, 2018.

  • Mijn kop blijft aan bij de poëzie van Peter van Lier

    In eerste ontmoeting met de titel “kop blijf aan” moest ik van mijzelf denken aan dementie en alzheimer, hot-items bij het ras vergrijzende Nederland. Maar begaf ik mij in de inhoud van de dichtbundel van Peter van Lier met dat opschrift “KOP  BLIJF  AAN”, probeerde ik de tekst tot mij te nemen, begreep ik meer van de keuze voor deze titel. Je moet je kop erbij houden om de hersenspinsels van de dichter te lezen. Om het te begrijpen moet je kop aan blijven. Open staan voor wat je leest. Je zeker niet laten afleiden door prikkels en ruis, het wezen zo eigen.

    De zinnen zijn geen regels, de woorden gaan een eigen weg over de bladspiegel. De strekking van het verhaal, want dat is het toch wat Van Lier in het kort in ieder vers wil zeggen, wordt versterkt met duidingen tussen haakjes. Net alsof het geheel verduidelijkt moet worden, aangedikt. Overbodige informatie? Zeker niet, het tussen haken zetten heeft juist meer gewicht. Zo krijgt die toevoeging expliciet aandacht. Het is een aanvulling op de tekst of beter een commentaar. Het geeft het gedicht een luchtig karakter, de ernst is doorspekt met humor zoals doorregen biefstuk lekker sappig is of gorgonzola heerlijk kruidig.

    Ondoordachte opzet van doordachte tekst

    Op de kaft van de bundel zie ik een wirwar van rechte lijnen in wit op zwart met accenten rood. Een illustratie die veel weg heeft van zenuwprikkels, de communicatie in het lichaam zodat het kan handelen. Wanneer de kop aan blijft en ik me begeef in de bundel ziet mijn brein er zo ongeveer uit, stel ik me voor. Het is eerstens al een zenuwslopende aanblik, tot bloedens toe volg ik met de ogen de lijnen. Wat verbinden deze, welke informatie wordt overgebracht. Het verbeeldt de natuurlijke bronnen die in de bundel beschreven zijn.

    Gaandeweg lees ik me in, in de zin van dat ik de stijl van de dichter begin te begrijpen. Het opschrift dat vetgedrukt boven het vers staat is niet de titel, maar de eerste regel ervan. De regels waaieren vervolgens over de bladspiegel. Een enkel woord krijgt, zich los gemorreld, extra aandacht. Het lijkt een enigszins ondoordachte opzet van een doordachte tekst, maar er valt een vast stramien in de verschillende gedichten te ontdekken. Het past in een format zogezegd. En het is daarin gegoten.

    Van Lier observeert het leven

    Tot zover de technische kant. Het gaat in deze poëzie natuurlijk om de emotie, in welke vorm dat is gegoten blijft bijzaak. Peter van Lier brengt een ode aan alledaagse zaken. Zaken die zo raken ondergesneeuwd door de loop der dingen en verdwijnen in het drijfzand van de tijdgeest. Emotie is de drijfveer, maar wordt in het openbaar nauwelijks beleden. De gedichten tillen op van de metaforen. Handelingen erin genoemd worden gespiegeld zodat ik me er mogelijk in kan herkennen. Wat staat geschreven heeft overigens over het algemeen een andere duiding dan de aanvaarde betekenis. Op die manier worden de dagelijkse zaken uit het normale getrokken om abnormaal te lijken. Maar het zijn gebeurtenissen van 13 in een dozijn. Heel gangbaar, heel neutraal. Maar worden bijzonder in de woorden van de dichter.

    Hij is een filosoof, vriend van de wijsheid, studeerde kennis. Om diepere vragen over het leven, de werkelijkheid en menselijke ervaring te begrijpen en te beantwoorden kijkt hij dus met een andere blik tegen het zijn aan. Die zienswijze en deze denkwijze kan hij niet kwijt in de authentieke dichtkunst en het zuivere rijmschema. Van Lier observeert het wezen. In een stijl die minimaal maar duidelijk in woordbeeld laat zien hoe hij in de wereld staat. Poëzie kortom waarin nauwkeurige waarneming, verwondering en filosofisch denken samenkomen. Het past niet echt in een vakje, maar wil ik het in een hokje wringen dan kan ik schrijven dat de poëzie van Peter van Lier axiomatisch van aard is: zij stelt vast, zonder bewijs, en laat het denken aan mij. En ik moet er wat van denken, iets van vinden. Ik ben geen normale lezer zoals een ieder die zich de bundel van Van Lier eigen maakt. Ik lees met een ondertoon. En wanneer ik dan de juiste toon heb gezet, de vrolijke noot correct aanvoel, dan kan ik mij een mening vormen en over de bundel mijn licht laten schijnen.

    Citaat

    Hij komt naast mij staan en wijst me op de elementen die zijn wereld kleuren en duiden. Op welke manier ik volgens hem de omgeving geschetst in poëzie kan benaderen en bewonderen. Dat is niet die van de rijmelarij, maar van de poëzie met een grote P. De dichter die de werkelijkheid buiten de realiteit beziet en in eigen ervaringstaal omschrijft. Daar kan ik op eigen houtje een weg in vinden, echter Van Lier reikt mij een gids aan zodat ik niet zal verdwalen in taal en betekenis”, citeer ik mijzelf uit een bespreking van een eerder boek van Van Lier. En dat is nog voortdurend steekhoudend, zij het dat hij toen schrijver was en nu dichter is.

    Aha-erlebnis

    Schreef ik al dat de woorden over het papier waaieren, vooral in de paragraaf “met enig houvast” dansen deze letterlijk over de pagina’s. Er lijkt echter geen houvast te zijn totdat ik de spelregels van het spel doorheb en begrijp. Die ‘aha-erlebnis‘ brengt een vrolijke sfeer in. Ik heb niet de oplossing, maar heb wel inzicht. Maar de tekst zoals deze door Peter van Lier is vorm gegeven laat zich niet uitspreken, voorlezen. In mijn verslag van de presentatie van onderhavige bundel merkte ik dat al op: “Poëzie zal niet voorgelezen worden, gedichten moeten gelezen zijn. Bij het voorlezen gaan woorden verloren, gedachten krijgen geen ruimte. (…) Op gelegenheden dat dichters samenkomen en zichzelf met hun werk aan toehoorders presenteren, verdwijnt het mysterie van de poëzie.”

    Ik probeer op deze plek de schrijfwijze te duiden, maar vraag mij tegelijk af of dat zinvol is. Als beschouwer tracht ik een toelichting te geven, in de hoop de inhoud van een besproken boek toegankelijker te maken. Maar moet ik op die stoel gaan zitten om dit mysterie op te lossen? Verdwijnt de magie wanneer het systeem dan blootligt? Deze poëzie is geen rebus. Abstracte kunst laat zich niet uitleggen – zij is er. Dat is voldoende. Dat moet genoeg zijn. De dichter heeft zijn wezen in woorden gelegd. Dat cryptogram kan ik ontrafelen, maar even goed kan elke andere lezer tot een tegengestelde uitleg komen. Aanpassen en inpassen, het gedicht schikt zich naar de eigen gewaarwording, laat zich opnemen in de persoonlijke ervaring. Kunst is emotie, abstractie is gevoel, axiomatisch is een reden.

    Tegenwoordige tijd

    KOP  BLIJF  AAN” is een bloemlezing uit eerder verschenen bundels. Maar nergens is datering en niets is gedateerd. Of het zal het moment zijn na de pandemie dat mensen weer naar buiten mogen en zich gedragen als koeien in de lente losgelaten uit de stal: “hek open, kudde los” / “Daar staan we dan, onwennig”. Het gedicht leest actueel, de gedichten laten zich modern lezen, van deze tegenwoordige tijd. Zijn wezen, dat van Peter van Lier, lijkt eeuwig – is geen dooddoener. Van onpeilbare waarde om aan vast te houden. En dat is zelfreflectie, want die kop moet aanblijven. Uit die kop komt de idee tot bloei, maar het moet het wel blijven doen.

    In mijn bespreking over het boek “Geachte afwezigen” van Peter van Lier uit 2017 merkte ik al op dat zijn poëzie er is en gewoon mag zijn. Het heette een verweer van de poëzie te zijn, maar de dichter hoeft de gedichten niet te verantwoorden. “Van Lier hoeft zich als dichter niet te verdedigen voor het dichtwerk”, schreef ik. “Het is veeleer een eerbetoon aan het vrije vers, de moderne poëzie. Deze dichtkunst heeft een grond, een groei en een bloei. (…) Ik kan een lange wandeling met de schrijver ervan meedenken, maar soms slaat hij een pad in dat mij welhaast doet verdwalen. Ik raak hem kwijt, tast in het niets buiten de werkelijkheid, maar hij vindt mij terug binnen woorden die zijn zinnen vormen. Waar ik de richting kwijt ben en telkens op een doodlopende weg stuit, neemt hij mij in zijn tekst weer bij de hand en leidt mij bijdehand terug op het juiste pad.”

    KOP  BLIJF  AAN  Peter van Lier, gedichten. Uitgeverij Opwenteling, 2025.

  • Opwenteling presenteerde twee nieuwe dichtbundels: Frisse friese wind

    Poëzie zal niet voorgelezen worden, gedichten moeten gelezen zijn. Bij het voorlezen gaan woorden verloren, gedachten krijgen geen ruimte. Lees je een gedicht jezelf bij voorkeur hardop voor dan zijn regels te beschouwen, momenten te overdenken. Als Maria kan ik deze in mijn hart bewaren, ze ter harte nemen en de betekenis overwegen wanneer ik ze met mij meedraag. Want dan groeit de waarde op vruchtbare bodem. Misschien nog wel het sonnet, de ballade of de elegie. Maar het vrije vers en de visuele poëzie laten zich minder eenvoudig uitspreken. Zelf lezen geeft de idee plek. 

    Op gelegenheden dat dichters samenkomen en zichzelf met hun werk aan toehoorders presenteren, verdwijnt het mysterie van de poëzie. Wordt een gedicht voorgelezen, dan gaat er fysiek altijd wel iets mis. Is de stem te zacht of werkt de microfoon niet, of staat de spreker te dicht bij de microfoon en exploderen bepaalde letters: k, p, t. Ook daalt een gedicht pas in wanneer je het langzaam leest, de zinnen voor je uit bedenkt en nog eens terug haalt en leest. Wordt het voorgedragen dan is de intonatie ongelijk aan mijn voorstelling hoe het zou klinken, de snelheid mis ik en de kracht is voor mij gebroken. Poëzie laat zich niet voorlezen, het nodigt uit gelezen te worden. 

    Dat dacht ik toen de dichters Peter van Lier en Edwin de Groot hun nieuwe bundels presenteerden in de voormalige zuivelfabriek van Marrum. De uitgever stelde het hoge noorden zondag 26 oktober Opwenteling voor. Hij, dat is Arnoud Rigter, blies met anderen in het millennium de in de roerige jaren 60 van de vorige eeuw opgerichte uitgeverij van dwarse poëzie nieuw leven in. Vooral dat werk van die dichters welke niet in de pas lopen vinden er onderdak: gedichten met smoel. Experimenten met op een andere tegendraadse manier van presenteren wordt omarmd, combinaties van beeld en tekst. Opwenteling is een fonds met een eigen (poëtisch) karakter dat de regionale aard overstijgt. Een uitgeverij die niet alleen debutanten uitgeeft, maar staat voor poëzie van bijzondere, experimentele kwaliteit. Rigter sprak over het woeste poëzielandschap van dit moment, een terrein dat teveel gecultiveerd is omgespit en waar nauwelijks nog talent uit wordt opgediept. Hoe wonderlijk dan ook dat plots twee in Friesland wonende dichters hun kop boven het maaiveld uitstaken en afzonderlijk van elkaar dit voorjaar een manuscript instuurden. De gedichten die op het bureau van Rigter terecht kwamen sloten aan bij wat Opwenteling wil zijn. Verhalend en experimenteel, twee uitersten die ter linker en ter rechter zijde, oost en west, het complete veld van woordspelingen bestrijken. 

    Vers van de drukker

    Gezien door de ogen van Edwin’s alterego Timofei Sofer, de blik van een Joodse bosarbeider uit Oost-Siberië. “ALMACHT / de taiga met zijn gaoende muil / de zure honger van de veenmoerassen / / de geur van hars zo dik / als een zwaarlijvige trapezeartiest / / en de sapstroom die de lente kan lezen, hoe / de dieren de winters uitzingen / / de overtuiging van de rivier die ik, als ik het kon / een plekje bij het raam zou geven” 

    En een persoonlijke kijk op de wereld hopend dat de herinnering niet dementerend vervaagd, Peter van Lier heeft de leeftijd dat zijn hoofd hem in de steek kan laten. Wie zijn bundel doorbladert zal zeker weten dat de dichter moeite heeft dit werk voor te dragen. De typografie heeft zin in druk, niet in klank. Maar met enige houvast kan ik hier citeren:  “Een hoog perspectief ziet alles wat beneden het hoofd / / plaatsvindt als grazend vee? We leven in een wereld van / instincten en voorbijgaand verkeer, elke richting levert hoofd- / zakelijk twisten op en riekt uiteindelijk (volg het nieuws maar / na tienen) naar digestie. Welk conflict wordt hier per hoofd / van de bevolking (ook dat van jou!) uitgevochten? Het lichaam / kromt zich (een bemoedigend teken) om laag-bij-de-gronds het hoofd / van heel de sleetse rataplan te ontdoen? Luister goed.”

    De dichters lezen enkele voorbeelden uit de vers van de drukker verschenen bundels. Gastdichter Annet Zaagsma leest bijna onhoorbaar gedachte woorden voor die de terminologie van het woordenboek hebben. Ik zal ze met een lampje moeten zoeken in de dikke Van Dale, maar niet kunnen vinden. Deze staan naast anderen in de laatst uitgekomen bundel van Zaagsma. “tepelnijd / zelfst, naamw. (m.) uitspraak: [‘tepǝlnɛit] / / tepelnijd (ingetrokken) komt in de beste dromen voor. / het gepigmenteerde & knopvormige uitsteeksel dient te allen tijde / voor het blote oog onzichtbaar te zijn in het zichtbare spectrum. / een superkracht wordt verondersteld. speelt een belangrijke rol / in de pauze van door mannen gedomineerde sporten. / het internet staat vol met slechte recensies. / / niet te verwarren met: tafeleend” En daar heb je het al, in het gesproken woord komt de kracht van wat poëzie kan zijn nauwelijks tot niet over. Een enkele kwinkslag in de al te serieus bedoelde verzen verdwijnen in de fluistering die door de haperende microfoon maar niet worden versterkt. 

    Talige samenkomst

    Een op en top Friese dichter, door Edwin de Groot in het programma geschoven – omdat hij het met hem erover had tijdens fietstochten en hem daarom op dit voetstuk plaatste en hem daarbij het eerste exemplaar van zijn bundel overhandigde – declameerde zijn uitgesproken sterk getaalde werk. De Friese taal die meer krachttermen kent dan welk dialect dan ook geeft het gesproken woord ballen. Het gespierde woord spreekt zelfs de slechte verstaander aan. Lubbert Jan de Vries las niet voor maar sprak uit, met bladgedicht als geheugensteun. Door zijn hele ziel en zaligheid achter het rebelse gedicht te zetten bleven de zinnen langer hangen. De gebalde vuist van de Friese taal kan beluisterd worden zonder gelezen te zijn. 

    Het was een talige samenkomst die werd opgeluisterd door de gitaarklanken van Jetze de Vries, want muziek kan wel worden voorgespeeld. Je behoeft niet zelf te kunnen spelen, de kunst is te (be)luisteren. Het kan behang zijn, terwijl tekst aandacht verdient. De muzikale intermezzo’s dienden als de witte regels in een gedicht. Even op adem komen. Overdenken wat is gezegd en voorbereiden op wat komen gaat. De stilte in een vesper. Momenten van bezinning. Maar de klanken waren verre van contemplatief, ze vertaalden als het ware de woorden die voor en na werden en zouden worden gesproken.

    De eerste exemplaren van zijn bundel gaf Peter van Lier aan twee oudgedienden in het dichtersveld waaraan hij veel heeft gehad in de 20 jaar dat hij in het Friese land doorbrengt. De van oorsprong Brabander streek in 2004 hier neer, net achter de Waddendijk, om er samen met zijn relatie Machteld van Buren het Friese kunstlandschap te verrijken. Martin Reints sprak zijn waardering uit en las vervolgens voor uit eigen werk. Eeltsje Hettinga besprak het werk van Van Lier en bracht het mysterie van de poëzie voor het voetlicht. Hij las niet voor maar interpreteerde a la prima vista de woorden uit de bundel. Vooral het eerste gedicht had zijn bijzondere aandacht, dat hij vakkundig overbracht op de luisteraars die het luisteren na een programma vol woorden wel moe waren. Waar aandacht verslapt zou de voordrachtskunstenaar de teugels moeten laten vieren, een stap terug en er het zwijgen toe doen. 

    Het was achteraf gezien echter een prettige middag daar in Marrum. De poëzie had de aandacht en velen wisten na afloop de gang naar de tafel van Opwenteling te vinden, om er een al dan niet gesigneerd exemplaar van de vers van de pers gekomen bundels aan te schaffen. Ik zal mij op een later moment buigen over de inhoud van de mij toegeschoven recensie-exemplaren van de bundels, om een steekhoudende beschouwing op mijn blog te plaatsen. Nog even een hapje en een sapje tegen kostprijs genomen, een praatje gemaakt en overleg gepleegd. Niet alleen oor en mond kwamen ruim aan bod, ook het oog werd gelaafd. Drie immens uitvergrote waterfoto’s van Dolph Kessler overspoelden de ruimte. Wave. Hoog opspattende golven van een zee ver van de Friese meren trokken de aandacht wanneer de concentratie op het gesproken woord enigszins werd beneveld. Achter het geïmproviseerde podium hing aan de gescheurde muur het drieluik “What does your soul look like” van Machteld van Buren. Kunst ontstaan in deze ruimte voor deze ruimte, even voor nu. 

    Presentatie dichtbundels van Edwin de Groot en Peter van Lier in de voormalige zuivelfabriek te Marrum. De dato zondag 26 oktober 2025.

  • Mijn vlieger staat doof aan de horizon

    Autobiografisch scan ik de verwikkelingen van Harry van Doveren. Ik lees de nieuwe bundel “ik kan vliegen” woord voor woord nauwkeurig, kopieer de tekst in gedachten naar mijn eigen wezen om het achter mijn oogleden te kunnen projecteren… In deze dichter herken ik mijzelf omdat hij zichzelf figuurlijk bloot geeft tussen de regels door van zijn poëzie. Bij zijn beschreven aannames van persoonlijk beleefde ervaringen ontgaat mij aanvankelijk de logica, zoals ik soms eveneens versteld sta van mijn eigen schrijfwijze na een nachtje slapen. Aan zijn denkkader moet ik eerstens wennen, maar daarna staat in tweede instantie zijn dichtkunst mij helder voor ogen. Ik ben uitgeslapen.

    De axiomatische poëzie lijkt in experimentele zin enigszins abstract, omdat Van Doveren zich bedient van beeldspraak en overdrachtelijke uitdrukkingen. Mooie vondsten die tot nadenken stemmen, evenwel de lading letterlijk dekken. En natuurlijk wenst de lezer dezes dan voorbeelden. Welnu, wat te denken van “volgde waarheid en leugen op de evenwichtsbalk” en hoe te mijmeren met “zag geschiedenis opgerold terug in celluloid” of stil te staan bij “herboren beesten kruipen als kruimels uit de braadpan” en “vliegen werd een horizon begraven”.

    Ja, ik besef dat de zinnen uit hun verband zijn genomen en schijnen gekortwiekt. Dat er voor dan wel achter de woorden betekenissen zijn en volgen. Maar veel van de gevleugelde regels zijn goed als oneliners en kunnen best alleen de kooi uit de lucht in. Dat is de kracht van Harry van Doveren, dat het dichten een ongerijmd welhaast labyrintisch geheel lijkt maar juist staat als een huis. De lezer moet alleen wel durven die woning binnen te gaan om de heterogene pannenlappen tot homogene lappendeken samen te brengen.

    Onderzoeken en ondervinden

    Autobiografisch leer ik de mens Van Doveren door zijn woorden kennen. Door zijn taal mij eigen te maken, zo zodat ik het woordelijk kan verstaan, letterlijk kan horen. Om slechts enkele gelezen woorden beter in de context te begrijpen zoek ik verder buiten de teksten. Om te weten wie Jannis Kounellis was, welke de pijlen van Statius zijn en wat udon is en waar Geilo ligt. Mijn neus is niet zolang dat ik de betekenis uit mijn hoofd kan oplepelen. De dichter zet mij aan tot intellectuele handelingen om mijn kennis te verbreden en mijn geest te ontwikkelen waarbij mijn kunde zich verdiept.

    De bundel “ik kan vliegen” deelt zich in drieën. Drie hoofdstukken of perioden van tijd. De voorjaren gaan inderdaad over de lente van des dichters leven. Het onderzoeken en ondervinden, het uitproberen en evalueren, het leven leren verstaan door kennis van goed en kwaad. Het paradijs is verlaten en de hof van heden ligt met een grimlach voor hem open. Ik ervaar de tekst wel als déjà-rêvé, dat had je gedroomd, of beter beleef ik het als déjà-vu, been there done that. “in mijn voorjaren was ik er stellig van overtuigd dat / ‘ik hou van je’ zeggen onherroepelijk was en meedogenloos / eenduidig * gelijk wiskundige symbolen en formules”.

    In de tussenjaren legt Harry zijn voorjaren af – “wikkelde touw om mijn schoolboeken”. Het is de tijd van volwassen zijn, meneer Van Doveren zijn. De wereld is evenwel nog eenvoudig en begrijpelijk. En ik volg hem op de voet, schrijf mijn eigen wezen achter zijn gelikte pen. Maar het zijn wordt ongemerkt verward, het wezen raadselachtig. De maatschappij roept – nog niet in de kantlijn. Zijn wereld als béta is in die jaren tussen onweten en weten complex. “het komt / er op aan wat ik doe zeg of schrijf” In zijn lente kon hij groter zijn dan de tijd, maar in de jaren van onderscheid leek hij juist kleiner en nietiger dan Pluto in het zonnestelsel.

    Hij zoekt verbanden, sorteert teenlengtes, wilde zich blijven herkennen in het rumoer van de nacht – in het vinden van kracht in zwakheid. Hij strijdt met zichzelf zoals Jacob met de engel, met zijn verleden en zijn schuldgevoel. En langzaam verdwijnt het werkzame leven naar de kantlijn, is nog slechts een stelling in de marge. Dan is er de vrijheid van de najaren.

    Het leven in dichten vangen

    Hij reist nog wel door voor- en tussenjaren, omdat deze bestemmingen vorm moeten hebben en duidelijkheid krijgen. Een mens is wie hij was. De dichter dicht dichter bij zichzelf. De dichter beschouwt meer helder in de nadagen van wat een levenlang heet. “een stevige wind met een ongemakkelijk verleden” en de wind draait en legt zich neer, welhaast te rusten – welterusten. Hoewel Van Doveren lijkt af te rekenen met het zijn waarvan hij voordien onderdeel van uitmaakte, is het echter een balans opmaken – plussen en minnen, voren en tegens. Hij maakt een overzicht en kijkt wat het heeft opgeleverd. Neemt afscheid, speelt over en begint overnieuw: “blijf drinken tot jij in de lobby van het hotel verschijnt in / doorschijnende kousen met zwartfluwelen handschoenen / ivoorwitte bovenarmen en een nauw boordje om je hals” en eet met smaak een kers uit de tuin van Tsjechov. En ondertussen mijmert de dichter zonder scrupules door. Probeert het leven in dichten te vangen, sluit het zijn op in woorden, strooit letters als afgevallen bladeren in de herfst, het najaar, de najaren. In deze jaren door schade en schande wijs geworden doorziet hij zichzelf in wezen. Hij formuleert aannames als waarheden. Gedachte echtheid is zijn werkelijkheid waarmee ik instem wanneer het me uitkomt. “diepte en hoogte horen thuis in het vocabulaire van een / kunstenaar omdat hij de enige is die zijn hele leven lang / afdaalt opstijgt en voortdurend zoekt naar de plek waar / het lood de bodem raakt en de hemelse geest bloeit

    De voorjaren zijn vervlogen, de tussenjaren maakten opvliegend, zodat Harry van Doveren in de najaren kan vliegen. Natuurlijk zet hij geen punt, trekt hij geen streep; hij beleeft de trage tijd waarin het duister verleden gekuist is met bloedrode verf. Hij zet het niet, maar het sluipt wel binnen: de punt. Maakt hij zich woordelijk zorgen? Ziet hij in de donkerte van de avond door het gordijn een rood met zwart gevuld teken voor het raam staan? Zijn dromen bedrog, spreekt de dichter de waarheid. Dat teken is metafoor voor de wachtende (die met de zeis?), het wakende einde of het nakende slot. “ik denk de laatste tijd zo vaak aan hem en aan wat dan – “ Ja, wat dan.

    Het betreft hier een open einde. Natuurlijk denkt de mens wanneer de jaren van het zijn opraken aan een afronding, ooit, eens. Maar nu nog niet. In de bundel “ik kan vliegen” dicht Harry van Doveren zijn leven. Het is ongemeend een autobiografie. Een persoonlijke levensbeschrijving in puntige zinnen, scherp als het slagersmes in mijn keukenla. Het zet een kerf in mijn vlees. Ik voel het warme bloed langs mijn huid stromen. Op tijd stelpt de dichter echter het levensvocht dan weer. Zet mij op een verkeerd been en brengt mij vervolgens opnieuw in evenwicht. Het is aan hem gelegen dat ik blijf lezen, namelijk. Kennen en weten. Ik vlieg met hem mee naar de regenboog. Mijn vlieger staat doof aan de horizon. Geen nood meer te ledigen, geen noot meer te lenigen.

    Harry van Doveren. Ik kan vliegen. Gedichten. Gaia Chapbooks, 2025.

  • Het addertje tussen de regels door

    Verhalende dichtkunst. Dan denk ik meteen aan iemand als Homerus, Poe of Shakespeare. The Canterbury Tales of De Goddelijke Komedie. De vertelling is op rijm gezet en beslaat legio versregels en talloze strofen. Het narratief van Jolanda Kooijmans heeft daarmee van doen, maar ook weer niet. De epiek van Venus and Adonis, Ilias en Odyssee vind ik er niet in terug. Hoewel de dramatiek van deze onderwerpen wel overeenkomen met de thema’s kwaad, vervreemding, verdraaiing en angst. De duivel vliegt als een raaf tussen de regels door, maar krast ook luid hoorbaar op een afstandje. Ik meen er Edgar Allen in te horen. Ik bespreek de dichtbundel ADDERTJE, waarin smakelijk satan wordt opgediend.

    De vertellingen lopen over verschillende pagina’s door en zouden eigenlijk in een enkele adem moeten worden gelezen. Hoewel je de losse onderdelen best kunt opvatten als een krantenstrip. Drie plaatjes, niet meer, maar het smaakt naar meer. Dus de volgende ochtendkrant meteen op de strippagina gekeken voor het vervolg. Zo houdt Kooijmans mij ook bij de les en kan ik niet wachten de volgende pagina te lezen. Vooral in het vierde verhaal in de mij voorliggende bundel, CONSTANT, geeft de dichter iedere keer aan het eind van de tekst een preview van de volgende bladzij en deze begint daar met de laatste regels van de vorige om de draad weer op te pakken. Zo golven de apocalyptische verhalen door van de ene naar de andere cliffhanger.

    Vlag die lading dekt

    Op elke pagina lijkt een afgerond deel uit het verhaal te staan, maar het heeft geen begin en geen eind, het kan echter uitstekend los – bevrijdt van het geheel – gelezen worden. Zo goed zit de poëzie van Kooijmans wel in elkaar, dat de details op zichzelf staan en als onafhankelijk gedicht kunnen worden gelezen. Maar telkens blijft de lust het volledige verhaal te kennen. De magie zit in de losse onderdelen, zoals de krantenstrip de betovering verliest waanneer verzameld in een album. Het raakt de spanning kwijt – de lezer wil geprikkeld worden om de aandacht vast te houden. Desondanks dat dwingt in theorie Kooijmans mij de bladzij om te slaan en de volgende pagina te lezen. Gehypnotiseerd van de woorden gaat mijn blik in extase door de bundel.

    Aan ADDERTJE heeft de bundel de titel te danken. Het is de vlag die de lading dekt. Want onder het gras, kronkelt Addertje tussen de regels door en jeukt in mijn gedachten wanneer het me op het verkeerde been zet, ik de zin niet meteen doorzie en kan ontleden. Het diertje, een mensje gelijk, wordt verrassend geboren in en door een bevroren meer. Er is niet op het gerekend en lacht daarom in een vuistje. ‘een lege maag komt ter wereld / met Addertje eromheen’ Een lege maag, want het heeft voortdurend honger. Zin in, zoals ik honger naar wat komen gaat in de poëzie van Jolanda Kooijmans. Addertje merkt zijn wereld op, om zich heen. Merkt vreemdsoortigheden op die zich wenden en keren, meanderen door het verhaal.

    Beeld aan de woorden

    Wanneer ik denk de verhaallijn ingelezen te hebben, doemt er een nieuw feitje op waardoor ik uit de tekst raak en bij vrijwel het begin opnieuw begin om maar niets te missen. Addertje valt na een volvette voeding, een dieet van zwaluwkuikens, terug in de geadopteerde moederschoot. Ook hij/zij/hun heeft ergens gaandeweg iets gemist of over het hoofd gezien en denkt opnieuw voor een geboorte te beginnen. Door de kuikens ontwikkelt het amfibie vleugels en wordt een kleine draak. ‘uit haar bek komt een roze damp / en een tong als een flakkerende vlam’ Waar lees ik dat, ik ga op mijn stappen terug. Sloeg zijwegen in zodat ik van het rechte pad afraak aan de hand van Kooijmans. Stap stap stap.

    Addertje beleeft wat een avonturen, het is nauwelijks niet voor te stellen. Daarom teken ik het voor mezelf in mijzelf gedachtig uit en herinner me eraan. Het geeft beeld aan de woorden. Dat beeld transformeert vervolgens tot een surrealistisch schilderij, een kunstwerk dat meer fantastisch is dan een ware wereld vertegenwoordigt. De metaforen vliegen me om de oren. De symbolen zijn niet van de lucht. ‘wat niet bestaat in de onderwereld / zijn dagen en nachten / Addertje droomt van de zon en de maan / de wilgen en de wind / het gekabbel van het water’ Dat beeld voor ogen houd ik vast in gedachten. Beeldend geschreven, sprekend gedacht. Dit eindigt in een zondvloed, het kwaad schoon gewassen. Moedermeer bedekt de wereld met een kletsnatte mantel (der liefde?), hun vleit zich over het bestaan waar Addertje toeschouwer is. Waar ik beschouwer ben om met krachtige schoolzwemslagen door het verhaal te laveren. Mijn begrip stroomt vol. Wordt vervolgd.

    Dief in de nacht

    ZUUZ is vervolgens een ik-verhaal, een persoonlijk relaas. Meer persoonlijk dan de andere vertellingen. Die ik is namelijk de dichter. Die ik dat kan echter ook heel goed de lezer zijn. Ik hoef niet van een afstandje te lezen, ik kan zelf de vertelling meemaken, het zijn beleven. Maar die ik-persoon staat erbij en kijkt ernaar. Zoals ik de beren zie die broodjes smeren. Het is er niet en toch maak je het mee. Het kan niet zijn en waarlijk valt het voor. De gedachte is met de fantasie een veelkoppig buideldier, dat de waarheid in zichzelf opbergt. Er een moment op kauwt en herkauwt, dan de ontwarde wartaal spuit. Het is andermaal alsof ik Dali in de bundel ontmoet, althans meelift op zijn penseel. Of Magritte of Kahlo. Of Breton, Lucebert. Dicht bij de realiteit ben, deze als het ware kan aanraken. Maar toch blijft die werkelijkheid verpakt in cellofaan. Het schuurt aan de waarheid, maar is er verre van. Het had waar kunnen zijn, maar van een andere kant bekeken, evenwel weer niet.

    Het ik kijkt tv met oudoom Drie wanneer plots de duivel in de beeldbuis verschijnt. Want het kwaad is overal en overkomt mij, ons als een dief in de nacht. Het is familie, maar staat toch telkens als ongenode gast voor de deur. Een zwager waarmee je gebrouilleerd bent, overhoop ligt en dus niet welkom is. Maar hij blijft zich opdringen. ‘hij iz hol van binnen weet je / zijn holte moet gevuld met ophef en gedoe’ En ZUUZ raakt bezeten van de duivel terwijl oom Drie sterft. De pastoor geeft hem het laatste sacrament en ondertussen zit de duivel in haar oor die haar walging en afkeer influistert. ‘de dood is nogal wiedez / alom en aldoor’ Echter oom schijnt schijndood te zijn, hij mag in extra tijd leven. Het verhaal mijmert door, kent uitstapjes en instappen. En uiteindelijk treedt toch de dood bij oom in. Zo vrolijk beschreven dat het een fijn moment zal zijn en waarschijnlijk is. Zo waarschijnlijk dat het huis even opveert.

    Boer met kiespijn

    aan de muur / achter dikke lagen vernis / en de plak van een honderdjarige rookpluim / van een honderdjarige bolknak / ligt een volwassen steur op een eikenhouten tafelblad’ is de beeldende beschrijving van een geschilderd stilleven. Het is na de start van BUBBLEBEEZ VERHALALA het begin. Die start is het slot, zoals een film wel begint met het einde en daarna onthult wat er in de tijden daarvoor heeft plaats gevonden om tot het laatste te komen. Een verhaal over verderf in een hilarisch snoeppapiertje gewikkeld. Het vertelt in gemaskeerd duidelijke taal de misstand met jongelui in kloosterlijke kringen. Zoals de omfloerste trom het teken is van rouw, bedekt de tamtam van het genot verdriet. Achter de lust schuilt wellust, het plezier wordt tegenzin.

    Oogappel Ot lacht als een boer met kiespijn, ondergaat zijn lot want Jezus knipoogt naar hem. Ot houdt zich vast aan de Schrift, daaruit put hij nog enige bemoediging. En de dromen die in de nacht gedroomd worden geven de burger moed maar boezemen ook angst in. Het poëtische verhaal leest als een verwrongen nachtmerrie. Eindigt tot slot zoals het is begonnen en verder. Salvador proef ik, de Verlosser. Het is aan de godin van de jacht gelijk: Dali. Ik mis nog smeltende klokken als de volharding der herinnering. Het surrealisme sluipt tussen de regels door, zet zich vast in de gedachte bij de woorden. Hoewel het fantasie lijkt behandelen de gedichten werkelijke zaken. Het wordt echter niet met ware naam en toenaam verkondigt, modieus gekleed komt de naakte waarheid echter helder aan het licht. Ik kijk door de nevel naar het licht aan het eind van de tunnel. Door de symbolen en metaforen, de parabels en gelijkenissen, slaat de realiteit in als een bom, een donderslag aan heldere hemel.

    ADDERTJE. Jolanda Kooijmans. Gedichten. Koppernik, 2025.

  • De wilde woorden van Annet Zaagsma

    Ze pikt woorden op in de buitenruimte. Flarden van gesprekken. Halve vragen en hele antwoorden. Zinnen die uitdrukking geven, regels die verbeelden. Ach, pikken niet, want dat is ontnemen. Zij gebruikt de woorden die zich in het wild schuil houden, verdekt opgesteld bewegen. Een ieder ander valt het niet op, hoort deze niet. Het ene oor in en het andere uit. Neemt het waar als geroezemoes waaraan geen touw valt vast te knopen. Losse flodders als verknipte snippers, rafelig uit de smurrie van een conversatie. Of die ieder ander beluistert daarin enkel naar de voor hem, haar of hun interessante taal. Te herkennen zinnen, te begrijpen regels.

    Met de woorden die Annet Zaagsma in het wild opvangt, daar haar antenne is gericht op de gewaarwording, maakt zij eigen persoonlijke uitdrukkingen. De woorden gebruikt in haar gebezigde poëzie staan soms denkelijk haaks, maar lopen ook wel parallel aan en langs elkaar. Kunnen naast elkaar bestaan of reageren. Zo vormt zij een beeldend jargon waarbij na aandachtig en meerdere malen lezen het kwartje valt. Niet meteen is de strekking duidelijk, maar daarmee zijn de gedichten geen abstracte woordspelingen. De woorden houden niet altijd de oorspronkelijke betekenis, maar de duiding is wel te herleiden wanneer de lezer cryptisch durft te denken. De realiteit is erin vervormd zal ik opmerken, maar niet verdraaid.

    Wildernis van woorden

    Tussen de regels door kan ik in de kantlijn mijn beeld (be)schrijven. Doodles die niet uit desinteresse in de marge verschijnen, maar mijn voorstelling geven aan de gedachte bij de gelezen uitdrukking. Mijn kantlijnkunst is de kladtekening van de verbeelding. Zo leg ik mijn beschouwing uit waar het woordbeeld de geest ordent tot onuitspreekbare reflecties.

    In de wildernis van woorden kom ik op adem in het wit tussen de strofen. Houd voor even rust en overdenk contemplatief wat gelezen is en hoe dat zich verder laat uitdrukken. Een meditatief moment om de bedoeling in mijn gedachten te laten zinken en vervolgens uit deze inbedding geestelijk herboren weer aan de oppervlakte te komen.

    Dat gevoel kan ik hier niet beschrijven, omschrijven. Zaagsma heeft het immers al voor mij uit geschreven. Aan haar taal kan ik tenslotte geen punt of komma toevoegen, het is al zo duidelijk als dat het er staat. Ik moet alleen de juiste woorden vinden die passen in haar idioom, die voor mij de bedoeling duiden. Die ervaring in haar poëtische beeldverhaal stemt mij tot nadenken en maakt me zwijgzaam om eraan geen woorden vuil te maken. Haar schoonschrift verbetert een klein beetje de wereld. De druppels op de gloeiende plaat zijn onuitspreekbaar op de plek en o zo nodig. Deze kunst van het dichten opent de ogen en verruimt de blik.

    Dubbele laag in betekenis

    De poëzie van Annet Zaagsma kan allerlei onderwerpen aansnijden. Zoals de woorden in het wild worden gevonden, zo dwalen de thema’s ook los rond. Op haar safari kan verkeersinformatie heel wel grond tot inspiratie geven. Of is een catalogisering van lichamelijke signalen bij oplopende spanning door wat dan ook gesloten poëzie met dichterlijke vrijheid. Want vrijheid is niet binnen de lijntjes kleuren, maar een nieuwe tekening maken. Geen rijmelarij, maar het experiment aangaan. Ik diep in die gedachte een boodschappenlijstje uit mijn broekzak op. Daar zie ik echter geen poëtisch beeld voor me verschijnen. Dat klopt en is zo klaar als een klontje, want ik ben niet de poëet die er een dichterlijke draai aan kan geven. Bij mij blijft het lijstje een opsomming van aan te schaffen producten, door de vingers van Zaagsma krijgt het een dubbele laag in betekenis. Ik frommel het papier terug in mijn zak, het zegt niets en heeft geen waarde. Althans wel nu maar zeker niet op een later moment.

    Zaagsma diept woorden uit het woordenboek op en geeft daar een eigen uitdrukking aan. Ze bedenkt geen nieuwe woorden, geen andere betekenissen, maar transformeert in poëtische duiding de bestaande en algemeen aanvaarde formuleringen. Zo zodat ik twee keer moet lezen en dubbel dien te denken om de eigenzinnige verklaring correct te interpreteren. Wel zoals ik het aantref bladerend in die dikke Van Dale, dus woordsoort, woordgeslacht en uitspraak. Zelfs met een verwijzing om een standpunt te visualiseren, een inzicht uit te diepen of juist oppervlakkig te houden. Een voorbeeld:

     doorbraakbloeding / zelfst. naamw. (v.) uitspraak: [‘dorbrak ‘bludɪɳ] / / een doorbraakbloeding komt zo onverwachts als een lawine / in de Amazone. sneeuwschuivers komen te laat, schaamte / is een natuurlijk materiaal. de maan wordt een ongeleid projectiel. / door versoepeling van de ondergoedregel is eeuwig gemengd / dubbel spelen onderdeel van de oplossing. de voor-achterpositie / geeft de grootste kans op succes in toernooiverband.

    Dwalen in de gedichten

    Annet Zaagsma is een dichter met diepgang. Naast de frivole lyriek die op een lichtvaardige manier lichamelijke lusten en psychische lasten schetst, kaart zij klimaatproblemen en milieukwesties aan. Zij wordt daarom ook wel een klimaatdichter genoemd en laat haar materiaal ademen. In die adem maakt ze mij met weinig gemarkeerde woorden duidelijk waar het volgens haar op staat. “ bijtsporen / / vingertoppen / verkennen wat slaapt, zwijgend / tussen heuvels ligt / / bewegen langzaam / heen & weer, wekken het beest / een nat spoor, in een / / allengs zwellend zacht ravijn “ Ik krijg het er warm van in mijn onderbuik, dat is wat wilde woorden met iemand doen. “ drijfvuil / / microbolletjes en meer / raadsels in de route van de riolering / de afbraak duurt de eeuwigheid / / bij het proportioneren van dimensies / zeven we het kwaad uit / schatplichtig aan het kleinste / van het kleinste / / je kunt nog zo dik schillen / in elk klokhuis schuilt cyanide / plastic tot in onze vezels “ Jawel, de plastic soep en het PFAS monster, niet uit te roeien.

    Ik kan dwalen in de gedichten maar zal niet verdwalen tussen de regels door, want Zaagsma geeft mij voortdurend reden mijn zicht te verbreden zodat ik terug kan treden op mijn schreden om nieuw de confrontatie met de uit het wild getemde woorden aan te gaan. Zij maakt de jungle begaanbaar hoewel ik soms door de bomen het bos niet meer zie, door de woorden het gedicht niet meer herken. Dan sta ik voor een moment met de mond vol tanden. Krijg ik echter door te verdiepen een vinger achter de duiding dan doorzie ik de reden van ontstaan en bestaan van deze dichtkunst. Zaagsma blaast niet hoog van de toren om haar punt te maken, maar door het licht ironisch sarcasme kruipt ze onder mijn huid en jeukt de boodschap zodat ik deze moet krabben. Met de voorgeschotelde metaforen krijg ik plaatsvervangende schaamte over misstanden die bedekt beschreven zijn. Sluit ik mij geconcentreerd van mijn omgeving af, ben ik voor het moment van lezen het bezit van de dichter. Dan heeft Annet Zaagsma mij in haar macht en kan via de woorden met mij doen wat ze wil. Door de gedichten kan ze mijn gedachten manipuleren en in de richting sturen die zij in gedachte heeft. Bijt ik de zure appel die mijn beeld verzuurt, want in ieder klokhuis schuilt cyanide. Je ziet het niet maar het is er wel. Zo is het met deze dichtkunst, je leest de reden niet maar deze is er wel. In de kern schuilt de waarheid.

    In elk klokhuis schuilt cyanide. Annet Zaagsma. Dichtbundel. Uitgeverij Opwenteling, 2025.

  • Een jonge hond langs de bierkaai, een wolf in schaapskleren

    Doe ik de bundel verspreide gedichten van Adrie Krijgsman open. Begin ik niet bij het begin zoals te doen gebruikelijk. Maar laat het lot beslissen wat als eerste mijn blik zal kruisen. Dan plots wordt het mij warm van binnen, terwijl ik best zeker weet dat toeval niet bestaat. Op pagina 57 valt het boekje open, jawel, bijkans het midden van de 116 pagina’s tellende softcover. Mijn oog kijkt, mijn geest leest: Van nieuwe jaren, en de dingen die komen. En het is alsof over mijn schouder de dichter dezes de woorden hardop in mijn oor fluistert. Dat hij terugkomt op zijn geschreven woorden, omdat hij daarin hard zichzelf is tegen gekomen ofwel met zijn kop tegen de muur gestoten is, daar was het plafond en hoger kon hij niet komen. Het was op, klaar, gedaan.

    Dit gedicht op pagina 57 verzucht nog een toekomst, het werd een hiernamaals. Krijgsman sluit dit verspreide gedicht af met “het jaar heeft mij ontvangen / en na een korte nacht / alweer koortsvrij verklaard / om alle dagen te behagen / met zotteklap en flauwe kul / bevestigd met een zwaluwstaart / in het absurde van Kierkegaard”. Wij, achterblijvers en ongenode gasten per vergissing aanwezig, weten inmiddels beter. Deze dichter heeft het leven gelaten, is uit de tijd gegaan. Maar deze dichter heeft nochtans de deur niet achter zich dicht getrokken. Hij moest wel zijn lichaam verlaten, maar zijn geest zwerft nog rond in zijn nagelaten oeuvre aan vertellingen, bespiegelingen, reisnotities, gedichten en romans.

    Diverse daarvan werden mij ter bespreking door hem om niet gezonden, omdat hij van een eerste beschouwing gecharmeerd was en ik zelfs de achterflap van een volgende uitgave haalde. De, zoals later bleek bij leven, laatste bundel heb ik zelf besteld: Verspreide gedichten 2019-2024. Om het postuum door te nemen, het in mij te nestelen en als nagedachtenis vervolgens te bespreken. Zo gedacht, zo gedaan.

    Nogmaals dank en hartelijke groet

    Laat ik het verspreide beschouwingen 2020-2024 noemen, waarin ik door de tijd acht uitgaven van Krijgsman mocht bespreken. En waarmee hij telkens erg blij was getuige de reacties: “Met hoop en lef zou ik er bijna trots van worden!”, “En weer zo’n heerlijke, doorwrochte beschouwing (…)”, “Ja, hier word ik wel blij van natuurlijk. Ik had al wat positieve reacties binnen, maar dit is dan een soort Nobelprijs zonder geldsom.” en “Een mooie beschouwing over mijn ‘koffietafelboek’ Dwarswegen (…)”.

    En ook kreeg ik van hem persoonlijke bedanken, die mij dierbaar waren en blijven: “Dag Jurjen. Ontzettend bedankt weer voor je prachtige beschouwing. Ook voor je terechte kritiekpuntjes. Die begrijp ik en ik heb daar zelf ook mee geworsteld. Keuzes voor een ‘mooi’ kunstboek of een toch wat rommelig aandoend overzicht. Het werd het laatste. Nogmaals bedankt!” (Dwarswegen), “Dag Jurjen. Ik wil je weer ontzettend bedanken voor de prachtige beschouwing. Hoewel ik niet van plan ben om te stoppen met schrijven is zo’n positieve beschouwing toch ook een goede stimulans om door te gaan. Nogmaals dank!” (De lente van 23), “Dag Jurjen. Ontzettend bedankt voor de doorwrochte en goed geanalyseerde beschouwing over Tergus. Ik ben er weer heel blij mee!”, “Jurjen, weer met mijn grote dank! Een prachtige beschouwing van Hlub! Ik heb geprobeerd er subtiel een verwijzing naar de Gazastrook in te leggen, maar ben daar blijkbaar onvoldoende in geslaagd, want bij jou kom ik het niet tegen. Geen probleem, de lezer haalt eruit wat hij eruit haalt – en de lezer is de baas! Nogmaals dank en hartelijke groet, Adrie.

    Ik kom mezelf al te vaak tegen

    Maar genoeg veren in mijn reet, over tot de “Verspreide gedichten” waarbij mijn eerdere omschrijvingen van het werk van Krijgsman stand houden. Hoewel ik de gedichten in deze bundel niet eerder onder ogen had, komen ze mij toch meer dan bekend voor. Dit komt naar mijn  mening doordat de woordkeuze en schrijfwijze van Krijgsman mij inmiddels vertrouwd in de oren klinken, of beter echoën in mijn hoofd. Wanneer ik mijn ogen sluit zie ik zijn woorden tot beelden worden. Adrie Krijgsman neemt mijn gedachten mee, wijst me de weg in zijn woorden. De zinnen lees ik over en weer, de regels beklijven wanneer ik de woorden stil in mezelf hardop herhaal. In de gedichten van Krijgsman kom ik mezelf maar al te vaak tegen. Het sluit aan op mijn alledaagse ervaring. Ben ik van dezelfde generatie, dat de jas me zo past. Dat ik aanvoel wat zijn gevoel is bij de dingen. De dingen zijn de ideeën die mijn starende blik kruisen, die over zijn velden of daken komen aanwaaien. Ze passen, daarom vind ik het makkelijk ze te lezen. Verwonder me over hoe de woorden meanderen door de zinnen, dansen in de verzen. De stroom is onstuitbaar. Met lust duik ik erin, in wellust zwem ik erdoor.

    Want citeerde Adrie mij eens op het moment dat ik zijn vergeten filosoof had gelezen en besproken: “Het is een verademing, en dat zeg en schrijf ik niet om bij hem in een goed blaadje te komen om weer eens een vermelding op het omslag van een door hem in eigen beheer uitgegeven boekwerk te krijgen. Krijgsman behandelt kunst en literatuur op een luchtige wijze, maakt van filosofie een jip-en-janneke wijsheid. Laagdrempelig en vermakelijk, maar voortdurend met een serieuze ondertoon. Somtijds is hij een cynicus om daarna te worden tot scepticus. Een sarcast, ironisch knipogend naar de samenleving die hij op reis achterlaat.

    Dichter, denker, kunstenaar

    En “Krijgsman heeft een speelse geest, een filosofische trant van schrijven. Hij houwt de woorden op het papier zodat ze levende beelden worden. Hij is een lyrisch schrijver, die uiterst gedetailleerd de omgeving en de overdenkingen beschrijft. Met een stijlvolle uitdrukkingsvaardigheid, van zo’n intieme intensiteit dat het voor een liefhebber van taal, van mooie poëtische taal, alleen al daardoor de moeite waard is om ze te lezen.

    Van deze woorden is geen punt en komma teveel gezegd of te weinig geschreven. Ook bij de verspreide gedichten lees ik diezelfde lust in het omschrijven van het leven, de wellust om er een vinger achter te krijgen. Hij legt meermaals zijn vinger op zere plekken van leven en welzijn door in diepzinnige woorden te zeggen waar het op staat. Voor hem bleek het leven maar een vinger lang te zijn, maar zijn bespiegelingen en opvattingen over het doen en laten, reuring en geraas van mens en maatschappij doet stof opwaaien en zal lang nawerken. In zijn filosofische reflecties en mijmeringen blijft hij over zijn graf heen ons een spiegel voorhouden waarin tekortkoming en zelfgenoegzaamheid op de hak worden genomen. In puntige taal dat als een twee snijdend mes de ziel klooft. Krijgsman zou je een wolf in schaapskleren kunnen noemen, een kater die je niet zonder handschoenen kunt aanpakken. Hij is altijd een jonge hond gebleven, die stoutmoedig en vurig het leven bleef beschrijven tegen de klippen op langs de bierkaai. Dichter, denker, kunstenaar.

    Leeg geschreven, punt geraakt

    Proactief met een over het algemeen positieve kijk op het leven en een sterk arbeidsethos wist Krijgsman zijn tijd efficiënt te beheren. Hij stelde niet uit tot morgen wat vandaag gedaan kon worden, volgde zijn dagelijkse routine en prioriteerde de zaken. Daardoor was hij een veelschrijver en daarmee een woordsmid die een grote productie aan uitgaven op zijn naam heeft staan. Dit formulerende voel ik zijn warme adem in mijn nek, bij wijze van spreken. Kijkt hij over mijn schouder aandachtig mee naar de manier waarop ik zijn nalatenschap memoreer. Vanaf zijn leefgebied tussen de sterren nu ziet hij neer op de aarde. Heeft het zwarte gat gevonden in de witruimte van parameters. Lijkt te zijn leeg geschreven, de punt geraakt. Tussen de regels door is echter niet alles gezegd en dus een komma gezet. Beeldend uitgeschreven kan zijn levenswerk nog jaren mee.

    Hoewel naast het leven staand nu, voor eeuwig uit de tijd, geven zijn woorden hoop en schetsen een zekere toekomst. Noem hem een profeet in eigen land, een ziener die het allemaal wel gezien had maar het leven nog zo lief was. Zijn zijn echoot in woord en beeld.

    Vloekende vlierbessen, tierende bramen, de scheldroep der / kerkuil in vroege ontluisterende morgen. De schimpende / bijen die stervend bij bloemen hun opwachting maken. Ver- / schrompelde morgen met opstootjes tegen onleefbaarheid. / / Gaan we wel redden! De moedige, nieuwere wereld is / straks natuurkundig bereik, want genetische voortgang heeft / woordloos gelijk, met betere bijen en bramen. De / nieuwere wereld wordt veel bestendiger, mooier nog.”

    Verspreide gedichten 2019-2024. Adrie Krijgsman. Uitgegeven bij Brave New Books, 2024.

  • Mezelf vinden in de poëzie van Elmar Kuiper

    Is het een afrekening met zijn verleden of een weemoedig terugzien. De voors en tegens in je leven tegen elkaar afstrepen, vereffenen, doe je dat als het einde nadert? Natuurlijk gezien natuurlijk, wanneer de jaren gaan tellen. Zo van, deze schuld heb ik openstaan en dit is mij de ander nog schuldig. Om met een schone lei te vertrekken, wanneer het moment daar is om uit de tijd te gaan. Terugzien is overladen met romantische denkbeelden, hoewel meestal de kwade zaken beklijven. Er is genoeg om vol melancholie aan terug te denken, voor het voetlicht te halen. Maar is dat verleden, mijn eergisteren en gisteren, wel interessant genoeg voor anderen om er kennis van te nemen.

    Wie ben ik, wie is Elmar Kuiper, om dat met de wereld te delen. Zijn terugzien evenwel overlapt mijn omkijken, omdat wij vrijwel van dezelfde leeftijd zijn en zo uit eenzelfde generatie stammen en daardoor in een eender tijdsgewricht zitten. Dan wordt het interessant. Ik herken en herleef. En daarbij heeft Kuiper de gave om in taal de belevenissen universeel te maken, zodat het een ieder zal kunnen aanspreken. Het is zijn verhaal, maar dit kan over verschillende levens gelegd worden. Zijn nieuwe bundel gedichten is wel autobiografisch, maar individueel invoelbaar voor een lezer zoals ik.

    Lânskip, mingde technyk op papier, 30 x 20 sm, 2022

    Herkenbaar en beleefbaar

    Wat was in zijn leven en de wereld van toen vat Elmar Kuiper samen, om niet te vergeten. “Ferlosboartsje” heet het boek en is gesteld in zijn moerstaal het Fries of Frysk zoals men in Friesland zegt, en dat is dan weer Fryslân. Maar genoeg daarover. Terwijl hij schrijft kijk ik over zijn schouder mee in dat verleden naar die tijd van toen. Bij wijze van spreken. Want het is al geschreven, voltooid verleden tijd. Dat wat was kan ook maar alleen uitgeschreven, anders wordt het vandaag en morgen een kwestie van koffiedik kijken.

    Ferlosboartsje, dat is tikkertje met verlos. Tikkertje met één tikker die tikker blijft. Als iemand is getikt dan gaat deze aan de kant staan. De andere spelers kunnen de getikten vrijtikken. Is er nog maar één niet-getikte over, dan wordt de volgende tikker. Dat zie ik gebeuren in het gedicht waarmee Kuiper in 2021 de Rely Jorritsmapriis won, het gedicht waarnaar de bundel is genoemd. Dat is van begin tot eind waar deze poëzie-uitgave om draait. Liefdevol terugzien op het eigen leven als de vader naar het kind. Het eigen zijn doorbladeren en uiteindelijk weten dat jij alleen jezelf kunt bevrijden.

    Niet iedereen is het gegeven om het zo te doen als Kuiper dat doet. Om het voor een ieder herkenbaar en beleefbaar te maken. Niet altijd zijn de juiste woorden te vinden voor een zeker gevoel. Maar wanneer je met de mond vol tanden staat en zijn gedichten erbij neemt en deze doorleest schept dat een band. De dichter kruipt in mijn wezen, het dichtwerk is mijn zijn. Zo zijn er raakvlakken en is de bundel welhaast een deja vu, een herbeleving. Ik was daar ook, ik maakte dat ook zo mee. Been there done that. Ik wie der, ik die dat.

    Op het moment dat ik de bundel in handen krijg, lees ik de achterkant nog voor ik de binnenkant heb open geslagen. Voor mij is het op de kaft gedrukte lichte belijdenis nummer 8 al genoeg bewijs. “ik wol net yn ‘e grûn (te kâld) of yn it fjoer (te waarm) / ik wo net yn in kiste. ik wol gjin stien. lis / / it stoflik / omskot / / ûnder de apelbeam. rop de roeken / dy’t pleisterje by it kanaal. lit se / / tsiere om it each,. om ‘e lever, om it hert. ik wol / / gjin speech, mar skrassende / / lûden, reade / snaffels.” En dan ook nog het eerst korte gedicht waarmee de bundel opent maakt voor mij de cirkel van het leven rond. Het is genoeg. Wat daarna volgt is een invulling, het kleuren binnen de lijnen, citaten uit een biografie.

    Jong selsportret, mixed media op papier, 2024

    Kuiper reist door zijn leven

    bist it feintsje dat boartet / yn it bargegers, dat broem / broem seit en wiis is mei / syn giele Tonka. bist dat / feintsje út dy oare wrâld

    Een andere wereld dat is waar Kuiper over schrijft. Een ander leven lijkt het, want er is zoveel na gekomen dat doet afzien van de bron. Doet vergeten hoe het allemaal begon. Dat jongetje dat uit de eeuwigheid glijdt en zijn longetjes schoon schreeuwt. Dat geplaagd wordt met zijn hazentanden, MichaelJacksonneus en zomersproeten all over the place. Kijkend in zijn eigen dossier schrijft Kuiper over de haarvaten van zijn leven. Over de bron van zijn bestaan. Op ernstige toon met een humoristische blik. Hij spreekt mij aan, hoewel ik weet dat de dichter het over een derde persoon heeft die ik niet ben. Toch voelt het alsof ik naast hem in de Mazda zit, dat ik zijn gesprekspartner ben en ik zwijg. Ik hoor aan en krui de mest naar de bult, voel de trappers van het rode fietsje onder mijn voeren kraken. Kuiper schrijft zo beeldend dat ik wel in zijn wereld ben of geweest moet zijn. En hij laat mij alle hoeken van zijn wezen zien. Het is dat ik hem ben wanneer ik zijn werk lees.

    Kuiper reist door zijn leven. In de bundel is een tekst van de jonge Elmar afgedrukt. Een vroeg werk dat al de kwaliteit van de latere poëzie in zich draagt. Daar zijn al de wortels in te vinden waar de boom op zal groeien en de takken zich uitspreiden naar de hemel. Het is een verhaal, een belevenis dat toewerkt naar een hoogtepunt maar als een nachtkaars dooft. De verteller in de dop heeft daarna veel bijgeleerd, kent zijn hoogtepunten als dichter en houdt de kaars brandende. In het hoofdstuk ‘dripstien’ speelt hij met taal en schrijfwijze. Experimenteert met mijn fantasie. Over een tijdspanne van vier maanden noteert hij elke dag een korte ervaring. Deze zijn achter elkaar doorlopend over de bladspiegel afgedrukt. Het leest als een logboek, een individueel journaal. Een kortschrift van die dagen, daar en toen, op de reis door een leven. In het hart van dit deel zitten zwarte bladzijden met witte letters. Zeker een afrekening, een vereffening.

    Antlit, mingde technyk op papier, 35 x 25 sm, 2022

    De dood is een vriend

    Het zijn de mensen uit de omgeving van de dichter die woorden krijgen toebedeeld in de bundel. En wonderwel schijnen het mijn mensen. Zo schrijft Kuiper de zinnen van zich af en schuift ze naar mij toe. In zijn kracht weet hij mij gesterkt. Hoewel het over oorlog gaat is de vrede altijd onder handbereik. Bij het leven is de dood nooit ver weg, maar is in zijn taal nergens om van te schrikken. De dood is een vriend, zoals het leven een kameraad is. Het is minder eenvoudig er over te schrijven. Een beschouwing laat zich ongemakkelijk uit tekenen. Om reden dat het dichtwerk mij zo nader komt, zo tegen mij aan schuurt. Het lezen gaat mij makkelijk af en ik zie meteen ingangen, maar om daaraan woorden te geven is geen sinecure. Hij doet in woorden een boekje open, geeft mij inkijk in zijn wezen. Naast dichter is Kuiper ook beeldmaker, beeldend kunstenaar. Jammer is het wel dat zijn werk in de stijl van Cobra kleurloos in de bundel is geprint als illustraties. Het mist op deze manier afgebeeld de kracht die de collages vol humor en cynisme bezitten. Maar het werk staat gelukkig kleurig gepost op zijn Facebook-account en LinkedIn.

    Voorin het boek dat Elmar Kuiper mij toestuurt staat een opdracht geschreven aan mij gericht: “Nije fersen oer it paradys, oer de leafde en de dea”. Dat zet meteen de toon. Hij had daaraan kunnen toevoegen: “Oer myn libben en dat fan dy”. Want dat is het, hoewel hij zijn jeugd en het eigen leven te lijf gaat is dat zo mijn pakkie-an. Tikkertje-met-verlos, hij tikt mij, ik mag niet terug tikken, maar op het laatst laat hij mij los en sla ik verlost de bundel dicht.

    Ferlosboartsje. Elmar Kuper. Gedichten. Uitgave met steun van de Provincie Fryslân en het Nederlands Letterenfonds. Utjouwerij Hispel, 2024.

    Each, mingde technyk op papier, 30 x 20 sm, 2022