Tag: Dolph Kessler

  • Een vergeten schipbreuk centraal in de kunst

    Nadat wij van de 5, 2 schepen verloren hadden, dreef het Walvisch-spek en de Traan om ons heen, op welker reuk de Beeren in menigte af kwamen, waarvan wij eenige dood schoten, die door het volk van de twee bij ons zijnde schepen, wegens gebrek een leeftogt, werden ingezouten. De zoodanige, die er dadelijk van aten, vonden dit vleesch niet onsmakelijk, maar na verloop van twee dagen, ging hun het vel in den mond en van den tong als mede op andere plaatsen van het ligchaam en van handen en voeten af.” Bij het lezen van deze passage uit het dagboek van de Amelander walvisvaarder Hidde Dirks Kat kreeg Dolph Kessler kippenvel op meerdere plaatsen van het lichaam. Mij lopen de rillingen over de rug wanneer ik het dagboek in bewerkte vorm naar 19e eeuws Nederlands verder doorlees.

    Hidde Dirks Kat, Egbarta Veenhuizen
    De jacht op een walvis. Tekening: Egbarta Veenhuizen (315 x 170 cm. / 2016).

    Het boek waarin dat ‘Dagboek van eener reize ter walvisch- en robben-vangst gedaan in de jaren 1777 en 1778’ staat afgedrukt, vond ik in de vitrine bij de presentatie van Egbarta Veenhuizen in Museum Belvédère. Daar had de kunstenaar tot voor kort een kamer ingericht met werken geïnspireerd op haar verblijf op Groenland. “Tijdens een reis in het voorjaar van 2015 naar Groenland sloten wij (…) dat land in ons hart”, schrijft Kessler. Een plek die tot de verbeelding spreekt, op dit moment eerder hot dan cool. Een half jaar later ontdekte Kessler bij toeval het dagboek van de walvisvaarder. Hij raakte in de ban van Hidde Kat. En ook partner Egbarta Veenhuizen liet zich inspireren door de 18e eeuwse dramatiek.

    Groenland, Egbarta Veenhuizen
    Installatie “Groenland” van Egbarta Veenhuizen in Museum Belvédère.

    Veenhuizen heeft mij gevraagd haar kunstzinnige doen en laten met betrekking tot Groenland, in museum en atelier, filmisch vast te leggen voor een door mij te maken internationale video van het project. Om met huid en haar in de materie op te gaan, leek het mij verstandig het boek dan maar te lezen, dat beschikbaar kwam toen de tentoonstelling werd uitgeruimd. En het blijkt ook mij aan zich te binden. Niet alleen door de spanning van het huiveringwekkende avontuur, ook de gedetailleerde beschrijving van het leven en werken van de ‘wilden’ en de eigen gevoelens en angsten van Kat boeien mateloos.

    Bijgeschaafde tekst

    Het door Wijdemeer in 2018 uitgegeven boek heeft als kern het journaal van de Amelander walvisvaarder Hidde Dirks Kat. Het verhaal is een van de inspiratiebronnen voor Veenhuizen om de bewoners van Groenland en hun historie te betrekken bij en in haar kunst. Tegelijkertijd schiet Dolph Kessler met de fotocamera in de aanslag een grote serie platen van de omgeving aldaar en de bewoners van Groenland. Het dagboek werd onderdeel van een project in het culturele hoofdstadprogramma 2018. De schrijver Kat is dan ook van verschillende kanten tegen het licht gehouden. Het dagboek is literair doorgenomen. Er is onderzocht waarom het pas 40 jaar na de scheepsramp van 1777, in het jaar 1817, wordt uitgebracht. Het past in een tijd dat historisch waargebeurde verhalen hoog worden geacht en dat het verhaal als lering en vermaak voor schoolkinderen kan dienen. De scherpe kanten worden echter van het origineel afgehaald. Het wordt herschreven in de spelling van die tijd en niet in het ouderwetse Nederlands van Kat.

    Titelblad 1e uitgave dagboek Hidde Dirks Kat, tekening Egbarta Veenhuizen

    De passage op 7 oktober “de Klok 9 uur gingen wy met ons 49 Man weg, twee bleeven in de Sloep leggen, die niet gaan konden, de eerste dag verdronken daar verscheiden van het Volk by ons, ik zelfs raakte 2 maal tussen de Schotsen, en over het Hooft toe nat, maar kreegen my weer, moesten toen met die natte Kleeren loopen…” wordt in het dagboek van 1818: “Sommige onzer, pogende van de eene op de andere schots te komen, geraakten, door de gladheid van het ijs, tusschen de schotsen, in het water, verdronken, en werden tusschen het ijs verpletterd. Ik zelf geraakte tweemaal van het ijs af, doch werd telkens weêr opgehaald en gered door de twee haken, vóór dat het ijs zich weêr toesloot, en moest zoo met mijne natte kleederen al den volgenden tijd gaan, hetwelk mij ongemeen verzwakte.” De taal van het hart wordt overmatig omgeven met dramatiek, alsof het een script geworden is voor een rampenfilm of avontuurlijke opera.

    “Des kreegen wy zo een hoge Zee”

    Het is de meest vergeten schipbreuk uit de vaderlandse geschiedenis. Maar met het opzetten van het project en de verschijning van het boek proberen de samenstellers deze vergissing recht te zetten. Want het is me nogal een geschiedenis. Bij tijd en wijle een dramatisch verhaal met de nodige ontberingen in de diepvrieskou van Groenland. Het avontuur begint naar verhouding zo melodramatisch meeslepend mooi. Monsterde Kat als commandeur voor zijn vaart op een groot aantal schepen aan om een succesvol bedoelde walvisvaart aan te vangen. Maar hadden ze nog in de thuishaven wel in de gaten welke beproeving en ellende de zeelieden te wachten zouden staan aan de overzijde van de Atlantische Oceaan tegen de poolcirkel? Konden ze zich kleden tegen de strenge kou en de snerpende wind? Tweehonderdvijftig jaar geleden was de maatschappij daarop nog niet ingericht. Lezen we nu over de verschrikkingen, dan kunnen wij ons daar nauwelijks een voorstelling bij maken. Maar toch, wanneer je de originele tekst van Kat volgt, is het als een dramatische film waarbij de Hel van ’63 een hittegolf is.

    Schilderij Abraham Storck (1644-1708) Foto zuidkust Groenland: Dolph Kessler

    De originele tekst is dus logischerwijs geweld aangedaan. Het oorspronkelijke manuscript is herschreven naar de tijd dat het is uitgegeven om het makkelijker toegankelijk en leesbaar te maken. De achttiende-eeuwse schrijfwijze is in de nu alweer verouderde moderne spelling gezet. In die tijd werd de taal aangepast en vernieuwd en keek men anders aan tegen werkelijkheden en de realiteit. Maar hoewel er kommer en kwel is weggeschreven, blijft staan dat de reis allesbehalve een pretje moet zijn geweest. “…des kreegen wy zo een hoge Zee, dat wy dagten, dat wy de dag niet weer beleeft zouden hebben, die Schotsen stieten ze geweldig tegen malkanderen, dat het droevig was te hooren.”

    Ongekerstend maar sociaal vaardig

    Eerst, aangekomen bij het ijs, worden er een aantal walvissen gevangen. Maar al snel vergaan er enkele schepen door storm en onweer, door aanvaring met ijsschotsen. Wanneer het schip van Kat als verloren wordt beschouwd en de omgeving overloopt van traan en vet van uitgebeende walvissen, komen ijsberen op bezoek. Natuurlijk is er nauwelijks plek om te schuilen, dus zal de vijand bestreden moeten worden. Het levert welkome proviand op, want de scheepsbeschuiten raken op. Kat schrijft beeldend, ik kan me inleven. Van dag tot dag word ik meer matroos: ik sta op een vrije walvisloze dag aan de reling en kijk over de uitgestrekte ijsvlakte. Sluit ik mijn ogen, dan zie ik welhaast niets anders dan wit ijs en zwart water. Voelt de punt van mijn neus koud aan, dan beginnen mijn bevroren tenen te tintelen. Beeldend beschreven voel ik de ontberingen aan den lijve.

    Het afspekken van een walvis Foto: Groenland in 2015, Dolph Kessler

    Maar er is hoop. Want hoewel er bemanning doodvriest, staat hulp paraat. Wat Kat steevast ‘wilden’ noemt, zijn Inuit – de autochtone inlanders. Ondanks dat deze ongekerstend zijn, hebben ze christelijke hebbelijkheden en zijn sociaal vaardig. Een lang verhaal kort: hoewel het boek bij de uitgever is uitverkocht, valt het vast nog te lezen bij de bibliotheek of is aan te schaffen via de boekhandel. Kat en zijn bemanning — wat er nog van over is — worden gered en belanden in de thuishaven. Ze zijn helden. Twee opvarenden publiceren meteen hun dagboek. Kat echter is zo onder de indruk van zijn wederwaardigheden en houdt het verhaal eerst voor zich. Tientallen jaren later geeft hij toch toestemming zijn ervaringen te boekstaven. Zelf acht hij dit niet dermate noodzakelijk, maar men vindt dat het niet vergeten mag worden. Ameland, want daar slijt Hidde Dirks Kat zijn laatste jaren, is trots op zijn walvisvaarder die na deze rampzalige reis dan maar de koopvaardij ingaat.

    Hidde Dirks Kat, Groenland, walvisvaart

    De koude rillingen

    Het boek is een volledig naslagwerk met daarin een kaart, waardoor de tocht over zee per mijl en aan land per kilometer kan worden gevolgd. Het dagboek van de Amelander walvisvaarder staat derhalve centraal, maar de uitgave is extra bijzonder gemaakt door er interessante teksten aan toe te voegen. Zo wordt de bewerkte versie die in 1817 is uitgegeven onder de loep genomen. Wat deed het veranderen, waarom waren de wijzigingen noodzakelijk, is het script zorgzaam aangepast? Kat blijkt niet alleen de tocht van dag tot dag te beschrijven om zo de unieke historie in de geschiedenis te plaatsen, ook is hij een opmerkzaam mens en bekijkt nauwgezet de behuizing en vervoermiddelen van de Inuit. De walvisvaart krijgt aandacht en Groenland in de tijd van de walvisjacht. Het levensverhaal van de man en het Ameland van Hidde Dirks Kat worden in afzonderlijke hoofdstukken beschreven. En er wordt gedetailleerd gekeken naar het feit of Kat een held te noemen is.

    Fotograaf Dolph Kessler omschrijft wat hem en zijn partner Egbarta Veenhuizen raakte op dat grote ijs. Maar eerst was daar het dagboek dat dit grote ijs beschreef en Kessler de koude rillingen over de rug deed lopen en waarvan hij bijzonder warm werd van binnen. De diagnose: koorts. Koortsachtig ging het paar op zoek naar de sporen van Kat. Veenhuizen met een schetsboek, Kessler met de fotocamera. In de ban van het landschap werd het een project voor Kunstmaand Ameland 2015 en later onderdeel van Culturele Hoofdstad 2018. En nog steeds reist Veenhuizen met haar Groenlandinstallatie langs musea en denkt erover bij de al bestaande figuren nieuwe te maken en te laten aansluiten bij het verhaal.

    Het dagboek van de Amelander walvisvaarder Hidde Dirks Kat. De meest vergeten schipbreuk uit de vaderlandse geschiedenis 1777-1778. Diverse schrijvers. Tekeningen Egbarta Veenhuizen. Fotografie Dolph Kessler. Uitgeverij Wijdemeer, eerste druk januari 2018.

    Hidde Dirks Kat, Groenland, walvisvaart
  • Museum Belvédère 20 jaar: en verder…

    De jongensdroom is geen bedrog

    De kleine Thomas ging de deuren langs met zijn zelfgemaakte kijkdoos. Voor een stuiver mocht je door het gat kijken naar een landschap. Dit was zijn eerste museum. De grote Thom zet een kijkdoos in de bossen van het Friese Oranjewoud. Binnen laat hij zijn smaak in de moderne en hedendaagse kunst zien. Buiten past de natuur in zijn beeld: water, riet en veen, de uitgestrekte bossen. In dat landschap bracht Thom Mercuur zijn jeugd door, daar ging hij stropen, vissen en eieren zoeken. Met die schilders heeft hij affiniteit, daar ligt zijn gevoel, dat is mooi. Mercuur toont de eenvoudige schilder van het platteland, die groot is door de eigenzinnigheid. De provinciaal die zijn gevoel legt in de zichtbare omgeving. Het is de eenvoud in de manier waarop het landschap wordt benaderd.

    Eenvoud spreekt uit het gebouw en de omgeving. Een zwarte doos is geplaatst over het water wat eens het grand canal van een stadhouderlijke buitenplaats was. Platen basaltsteen zijn onregelmatig in de gevel gezet, waardoor er spleten vallen die worden bewoond door vleermuizen en vogels. Het gebouw ligt op de grens van natuur en cultuur, land en water, en sluit een park af dat barokke lijnen uit de zeventiende eeuw volgt. Huize Oranjewoud, het oude hoofdgebouw van dat park, was ooit lustslot en zomerverblijf van verschillende adellijke families. Staatsbosbeheer heeft, om het verdwenen noordelijke deel van de parkaanleg te reconstrueren, de landschapsarchitect Michael van Gessel de opdracht gegeven de vergeten heldere structuur terug te brengen. Om oud en nieuw samen te laten gaan, het museum aan het eind van de zichtas van het landgoed en de stijl van de Franse tuinarchitect Daniël Marrot in ere te herstellen.  Nu ligt er weer een eenvoudig park in formele aanleg met lange lanen en grachten. Gezien vanuit het huis lijkt de Prinsenwijk dwars door het museum te stromen om op te lossen in de oneindigheid van het waterrijke open Friese landschap.

    Elke kamer is een kunstwerk

    De architect Eerde Schippers heft de rechtlijnigheid van het park en het landschap rondom doorgetrokken in zijn ontwerp van het museum. Het langwerpige gebouw, 104 meter lang en 13 meter breed in één bouwlaag, zal in de loop van de tijd door haar omgeving worden opgenomen, wanneer de bomen en struiken zijn volgroeid en de gevels verkleurd. Het museum is vrijwel geheel gesloten, enkel ter hoogte van de kantoorruimten zijn de muren onderbroken door de sfeer van nauwelijks brekende ramen. Het rust op een glazen voet, bij avond lijkt vanwege het licht van binnen het geheel te zweven. Het museumcafé is een open ruimte boven het water van waaruit de bezoeker aan de ene kant over de wijk het woud inkijkt en, wanneer hij zich omdraait, over het water de boerderijen en boswallen ziet.

    De doos is globaal door het café in twee stukken gedeeld. De rechterkant geeft plaats aan de vaste collectie, waarbij de diverse expositiekamers van maat kunnen wisselen door verplaatsbare tussenwanden. Mercuur ziet elke kamer als een kunstwerk, dat voor de bezoeker rust uitstraalt. De lange diagonaal door de ruimte moet de nieuwsgierigheid in de volgende kamer trekken. Links van het café is ruimte voor wisselende tentoonstellingen. De getoonde kunst wordt enkel door kunstlicht beschenen, vanwege de geslotenheid van het gebouw. Er is een klein beetje strijklicht van buiten door het glas op maaihoogte.

    Vormgeving straalt rust uit

    De vormgeving van het gebouw straalt rust uit, zoals Staatsbosbeheer de omgeving wil laten ademen. Er schijnt weinig licht van binnen naar buiten om de dieren in het donker niet al te veel te storen. Bij de aanleg van museum en park is rekening gehouden met de bestaande natuur. Het gebouw is wel af, maar de omgeving zal nog enkele jaren nodig hebben zich te vormen. De natuur is nu nog modderig, de paden soms nog onbegaanbaar. Het heeft de tijd nodig zich in oude glorie te herscheppen.

    Rust en ruimte, eenvoud en eigenheid, dat is wat museum zowel als park willen uitstralen. Voor Thom Mercuur is het een levensmissie, die is uitgekomen. Maar het is niet enkel een vervulling van zijn droom. Begint de kunst van Mercuur bij de schilder Jan Mankes, Boele Bregman geeft hem in de jaren vijftig de opdracht een museum te stichten. De doeken van beide schilders hangen niet bijzonder te zijn tussen al het andere werk in het museum, maar hebben wel een speciale plaats gekregen. Want Mercuur geeft op zijn gevoel de kunst een plek. Hij is galeriehouder, kunsthandelaar, verzamelaar en was conservator van het Coopmanshûs in Franeker en het Fries Museum te Leeuwarden. Zestien jaar geleden begon zijn kruistocht voor het museum voor moderne en hedendaags kunst in Friesland. Eerst met het plan om een buitenmuseum te zijn van het Fries Museum aan de oevers van et Tjeukemeer. Een groots en duur bouwplan werd door architect Aldo van Eijck ontworpen. Maar het provinciebestuur doorkruiste deze plannen en het Fries Museum, verwikkeld in een reorganisatie, had genoeg aan zichzelf. Mercuur vestigt zich in een monumentaal gemaal aan de rand van natuurgebied De Deelen ten noorden van de plaats Heerenveen. Het is een gebied waar de door hem bewonderde kunst uitstekend past. Daar toont hij oud gereedschap uit de veenderij en schilders van het Friese landschap. Maar Thom blijft dromen van een echt museum.

    “Discussie over kunst is zinloos”

    Dan valt zijn oog op het Tjaarda’s Bos in Oranjewoud, met aan de voet van een gerestaureerde betonnen uitkijktoren een door Eerde Schippers ontworpen eenvoudig ogend gebouw. Het restauratiebestuur van de toren, geformeerd uit de plaatselijke Rotary Club, had wel oren naar zijn plannen. Een museum namelijk zou de exploitatie van de toren ten goede komen. Mercuur had zijn bestuur gevonden en ging vol goede moed van start. Toen al had Thom rust en stilte voor ogen.

    Want”, zei hij destijds, “belvédère betekent mooi zien en dat geldt niet alleen voor het uitzicht vanaf de toren, dat zal straks ook het geval zijn in het museum. Het moet een museum van de stilte worden, geheimzinnig en boordevol mystiek.

    Maar staatssecretaris Geke Faber gooit in het jaar 2000 roet in het eten door het plan af te keuren. In de beslotenheid van het – ooit door hotelier Tjaarda aangelegde – bosperceel mocht geen museum verrijzen. Hij had het zijn laatste poging genoemd en leek een illusie armer. Maar doordat veel bruikleengevers steun hadden toegezegd en he bestuur niet meteen wilde afhaken zette Mercuur door. In samenspel met de gemeente Heerenveen en Staatsbosbeheer werd de huidige plek gekozen. Het geheel is volledig op de schop gegaan en heeft als het ware het karakter gekregen van wat ooi het plan was bij het Tjeukemeer: land en water, rust en riet. 

    Degene, die een dwarsdoorsnede van de Friese kunstwereld verwacht hoeft niet naar Museum Belvédère te gaan, want dat is niet wat Mercuur laat zien. Er hangt juist die kunst waarbij hij een bepaald gevoel heeft, een emotie die zich niet laat omschrijven. “Een schilderij dat technisch niet goed is, kan juist mooier zijn dan iets dat wel goed is”, zegt hij daarover. “Het heeft het of het heeft het niet. Gevoel is niet te benoemen. Heel mooi is niet altijd mooi. Daar zijn geen regels voor. Discussie over kunst is zinloos: je vindt het mooi of niet, punt.”

    “Het gaat er niet om hoe je schildert”

    In Friesland is in de vorige eeuw veel kunst gemaakt die te maken heeft met het landschap waarin ze is ontstaan. De mensen komen naar Friesland voor dat platteland en daarom moet die kunst ook te zien zijn in de provincie, vindt Mercuur. “Het Tjeukemeer was een goede plek, maar dit is meer uniek. Hier valt alles op zijn plek. Ik heb het onbewuste bewust gemaakt, want de vorm is ontleend aan de schoenendoos van vroeger. Ik kan niet schilderen, dus laat ik in deze kijkdoos het werk van anderen zien, dat ik mooi vind. De mensen zullen het gevoel zien waarmee het is gemaakt en waarmee ik het heb opgehangen. Friezen als Jan Mankes, Boele Bregman en Gerrit Benner zijn heel diep gegaan. Ik ben niet zo voor de realistische schilderkunst, daar heb ik weinig mee. Het gaat er niet om hoe je schildert, als je je ziel er maar inlegt.

    Mankes heeft een eigen kamer gekregen en Benner, die erg belangrijk was voor de Friese schilderkunst, kreeg er zelfs twee. Thijs Rinsema wordt getoond in samenspel met Kurt Schwitters en Theo van Doesburg in een speciale DaDakamer. Daarnaast gaan de stijlen van Chris Beekman, Vilmos Huszar en Lou Loeber goed samen. Tames Oud is verbonden aan Jean Brusselmans, James Ensor en Floris Jespers. Zo heeft Mercuur naar eigen inzicht en idee lijnen gemaakt en relaties gelegd. De opstelling van de vaste collectie kan wijzigen door te putten uit de bron van bruikleengevers, zij zijn als het ware het depot van het museum. De wisselende tentoonstellingen zullen altijd iets te maken hebben met die vaste collectie.

    Een museum moet de tijd overal op laten inspelen”, zegt Thom. “Bepaalde dingen zijn niet uit dit museum weg te denken, daar zal het ook bekendheid door krijgen. Er kunnen dingen bijkomen, maar nooit ten koste van de fenomenen waar het om draait: Sjoerd de Vries, Willem van Althuis, Jan Snijder, Christiaan Kuitwaard. Een Picasso krijgt ze hier niet weg, want die past niet in de collectie. Het gaat mij erom een beeld te geven van hier en de raakvlakken met elders, stijlgenoten in binnen- en buitenland. Het is een museum waarin de emotie een grote rol speelt. Geen museum van het grote geweld, maar rust en stilte. Dat wil ik vijf jaar leiden en dan waait er een frisse wind, omdat iemand anders – met andere inzichten – de leiding zal overnemen. Maar het moet wel telkens met hetzelfde gevoel worden ingedeeld.”

    Gepubliceerd in Stoockx, vakblad voor makelaars/taxateurs in het hogere marktsegment, uitgave van REG Media (nu Qualis Media), januari/februari 2005. Geïllustreerd met foto’s van Dolph Kessler.

  • Eigengereid beelden van Zoltin Peeter heeft ruimte in een boek

    Hij is een vreemde eend in de bijt. Voor zover je de kunstenaar als eend kunt benoemen en de kunstwereld als bijt betitelen. Hij sloeg zelf dat wak in het harde vakgebied. Geboren in de oorlog als Peter Zwier, de zoon van kunstschilder Dick Zwier. Omdat hij niet de zoon van wil zijn, en de Zwier-werken niet verward worden, laat hij zich vanaf dat moment Zoltin Peeter noemen. Het is de tijd na de middelbare school, wanneer hij het kunstnijverheidsonderwijs gaat volgen. Maar voordien valt zijn talent al op, dat door zijn ouders is gestimuleerd. Peter is een geboren kunstenaar, voor de kunst in de wieg gelegd, het is zijn bestemming. De kunst is zijn leven.

    Dus natuurlijk wint hij prijzen in tekenwedstrijden. De kenners zien een begaafde jongen in hem, die aan het begin staat van een belangrijke carrière. De kunstacademie maakte hij niet af. Peeter kan niet tegen de schoolse atmosfeer, de presentielijst, de toegepaste kunst. Het is 1963. Het is het begin van een eigenwijs pad in de kunst. Op eigen kracht gaat hij zichzelf het vak eigen maken. Ambachtelijke kennis had hij wel opgedaan aan de academie. Maar de techniek zet hij naar zijn eigen hand.

    Eigen grammatica ontwikkelen

    Zo is het formaat van de etsplaten, want hij is voor eerst en al een graficus, die passen op de pers te beperkt voor hem. Hij plakt verschillende zinkplaten aan elkaar, zodat het zijn horizon verbreedt en er lange rechthoekige afbeeldingen ontstaan. Toen al in een eigen beeldtaal, nauwelijks beïnvloedt door bestaande waarden en normen in de kunst. Peeter heeft er succes mee, maar het gaat hem te makkelijk af vindt hij. Men is lovend over het werk van dit jonge talent en het hangt meteen al in gerenommeerde musea. Hij wordt de hemel in geprezen bij wijze van spreken. Het benauwt hem. De jonge kunstenaar verlaat deze smeltkroes om voor een korte tijd zijn tent op te slaan bij de zuiderburen. Geldgebrek drijft hem terug Nederland in.

    Zoltin experimenteert met licht en schaduw in wiskundige vormen. Eerst op papier, later in de ruimte. En weer zijn de kenners enthousiast. In 1976 verlaat hij voorgoed de drukke randstad om naar het stille Friesland te vertrekken. Eerst in een klein huis, later kan hij een grote boerderij op het platteland betrekken. In het Friese ontwikkelt de eigen beeldtaal, kristalliseert uit. Maar Peeter blijft zijn hele leven bezig een eigen grammatica te ontwikkelen. Hij probeert al experimenterend grip te krijgen op zijn werk, de beeldtaal vast te houden om er een verhaal mee te kunnen vertellen. Die taal krijgt gaandeweg minder woorden, het beschreven blad heeft steeds meer lege ruimte nodig om beter aan te spreken. Van de wilde hond die hij was in zijn beginjaren, heeft hij zichzelf getemd om als gedomesticeerd wezen ijle kunstwerken te maken. Zijn taal is verfijnd en spreekt met een handvol letters duidelijk aan.

    Het soortelijk gewicht van de verbeelding

    Het staat allemaal beschreven in het dikke boek ‘ZOLTIN PEETER, tussen romantiek en modernisme‘. Zijn ganse biografie als kunstenaar. Door journalist Dirk van Ginkel, die nauwgezet het leven en werk van Zoltin Peeter belicht. Fotograaf Dolph Kessler, bij leven als testamentair executeur aangewezen door de kunstenaar, is initiatiefnemer van het boek. Zoltin Peeter liet zich ruim twee jaar geleden euthaniseren, nadat vier maanden daarvoor een ongeneeslijke keelkanker was gediagnosticeerd. Kessler zet Peeter in kunsthistorisch perspectief, terwijl dichter en schrijver Peter van Lier voor het boek een essay schrijft met als titel “het soortelijk gewicht van de verbeelding”. Hij bekijkt een gene zijde in de biografie en zet Peeter neer als romantisch modernist. Verder is de dikke pil gevuld met een greep uit het omvangrijke oeuvre van de kunstenaar. Vanaf het prille begin tot het laatste werk voor het moment van zijn dood. In het boek is dat, naast de vele etsen, tekeningen en objecten, stijlvol gesymboliseerd in een krantenartikel over zijn deelname aan de vijfde Parijse Biënnale en de laatste tekening op zijn eigen rouwkaart.

    En dan die vreemde eend. Zoltin Peeter koos zelf voor een plek buiten de kunstwereld. Met zijn uiterst persoonlijke werk, wars van stromingen maar wel onder invloed van heersende ismen. En met zijn woonplek buiten de randstad. Eerst al door van het westen naar het noorden te trekken. Van de omgeving waar je moet zijn om alles te beleven, naar een rustige plek ver weg van deze opgeblazen wereld. Hij interesseert zich niet langer voor het werk van vakgenoten, maar is vooral benieuwd naar wat er in zijn eigen atelier ontstaat. Van diverse reizen naar Noorwegen en IJsland komt hij terug met stapels tekeningen en de fascinatie voor stromend en dynamisch vallend water.

    Een vorm van hardop denken

    Ter plaatse maakt hij kleine schetsen in boekjes om een eerste indruk van de omgeving vast te leggen. “Tekenen is de snelste manier om een entree te vinden in een grote hoeveelheid materiaal. (…) Het tekenen is vooral belangrijk op het moment zelf, als een vorm van hardop denken.” Deze kladvormen worden later of zelfs al tijdens de reis, opgezet in grotere tekeningen terwijl hij thuis in het atelier op metershoge vlakken een en ander verder uitwerkt. Zo groot als de man lang is, om de beeltenis nog te kunnen reiken binnen de kaders van het papier. Het zijn eigenaardige uitingen die van top tot teen de emotie van de maker verbeelden. In een beeldtaal die zijn weerga niet kent.

    Het boek geeft een goed beeld van het werk, en in mindere mate maar toch vrijwel compleet van het leven van deze bijzondere eigengereide kunstenaar. Een lijvig naslagwerk waarin de lezer, of beter de kijker, stapsgewijs wordt ingevoerd in de geheimen van de abstracte uitingen van Zoltin Peeter. Want emotie is niet te beelden, niet anders dan op de manier die deze kunstenaar heeft gedaan. Daarom is het niet altijd even gemakkelijk het werk te doorgronden. Naast de etsen en tekeningen, die het grootste aandeel in de uitgave hebben, zijn er een groot aantal objecten en installaties in beeld gebracht. Objecten uit restmateriaal, maar even ijl en veelzeggend in uiting: minder is meer. Daarnaast zijn in het boek nog foto’s uit de oude doos en momentopnames van atelier en werkruimte opgenomen. Het boek wil niet volledig zijn, maar geeft toch wel hoegenaamd een afgerond beeld. Wie het doorbladert kijkt in de geest van deze kunstenaar. Veel van de composities zijn echter verloren gegaan, omdat Zoltin de laatste weken voor zijn dood zelf een selectie heeft gemaakt uit zijn werk. De tekeningen en objecten die Peeter niet zo belangrijk vond om te bewaren gingen in de vuilcontainer. Uit de grote hoeveelheid aan werken die mochten behouden blijven heeft de samensteller van het boek nog een keuze gemaakt. Deze mogen dus als representatief voor het totale werk van Zoltin Peeter beschouwd worden.

    Een persoonlijk werkstuk

    Een twee maanden voor zijn sterven in mei 2019 mocht ik Zoltin samen met Han Steenbruggen van Museum Belvédère een morgen lang bezoeken. Om de audio van een interview vast te leggen, en om in en rondom de boerderij video-opnames te maken. Voor een korte film die ik later maakte over leven en werk van de kunstenaar in opdracht van het museum. In vogelvlucht door zijn leven, in eigen woorden door zijn werk. Relativerend met een snuf humor, maar ook de eigen plaats in de kunst wetend. Als buitenstaander, einzelgänger, kijkend naar de kunstwereld en de bobo’s daarin. Het is een persoonlijk werkstuk geworden. Ik kende Zoltin Peeter voordien niet anders dan van openingen voor tentoonstellingen, want interesseerde het werk van anderen hem in mindere mate een vernissage liet hij zich niet ontgaan. Een gedenkwaardig bezoek derhalve. Later sprak ik hem nog toen hij aanwijzingen gaf bij de inrichting van een kabinet van Museum Belvédère met zijn werk. Het bleek later één van zijn laatste openbare acties te zijn.

    Ooit beschouwde ik onder de kop ‘De boodschappenlijstjes van Zoltin Peeter’ zijn werk in de tentoonstelling ‘het oog dient te reizen’ bij Galerie Hoogenbosch op dit weblog. Onder meer schreef ik het volgende: “Geven de tekeningen meer duidelijkheden prijs, dan is het mysterie verdwenen. Teveel werkelijkheid biedt houvast, waardoor het een emotioneel kijken in de weg staat. Dan kan de realiteit de kijker op het verkeerde been zetten, en struikel ik over de hoge drempel zo het wonderlijke atelier van Zoltin Peeter in. Als speler in een spel, pion op het bord. Peeter dobbelt en zet de lijnen uit, markeert het pad waarlangs ik mijn idee laat afdwalen. Voel warmte bij het doek als drager en een koude rilling bij werk op papier. De kunstenaar speelt met het tastbare gevoel en de voelbare emotie van zijn toeschouwer. En ik laat het toe, laat mezelf gaan in mijn kijken, mijn zien. Het is een belevenis!” En het boek ZOLTIN PEETER is een belevenis. Het stond al een jaar in mijn kast, maar er was telkens maar geen goede gelegenheid het te bespreken. Die is er nu wel bij de uitzending van de documentaire over deze kunstenaar dit laatste weekend van oktober op NPO2 en Omrop Fryslân. En op vijf plekken in Nederland zijn kleine verkooppunten van het werk van Zoltin ingericht. Het boek is dus actueel nu, uitgegeven door het ZP Fonds dat de nalatenschap van de kunstenaar beheert en de vreemde eend binnen de bijt houdt.

    ZOLTIN PEETER, tussen romantiek en modernisme. Teksten van Dirk van Ginkel, Dolph Kessler en Peter van Lier. Uitgave Mauritsheech Publishers, 2020.