Tag: Eerde Schippers

  • Museum Belvédère 20 jaar: in de kinderschoenen

    Wordt Thom Mercuur’s droom werkelijkheid?

    Museum en doolhof bij belvédere in Tjaarda’s Bos: een unieke drie-eenheid

    Het is mijn laatste poging. Wanneer dit project verzandt, probeer ik het niet opnieuw. Dat kan ik ook niet maken tegenover de particuliere bruikleengevers.” Thom Mercuur wil een museum voor moderne kunst in Oranjewoud. Het eerdere idee om een dergelijk museum aan de oevers van het Tjeukemeer te laten ontstaan ging roemrijk ten onder. Maar Mercuur is een doorzetter en probeert het opnieuw in het Tjaarda’s Bos aan de voet van de vorig jaar gerestaureerde uitkijktoren. Belvédère, museum voor 20ste eeuwse kunst. “Want”, zegt Mercuur, “belvédere betekent mooi zien en dat geldt niet alleen voor het uitzicht vanaf de toren, dat zal straks ook het geval zijn in het museum. Het moet een museum van de stilte worden, geheimzinnig en boordevol mystiek.

    Was de opzet aan het Tjeukemeer groots en duur, met een bouwplan van top-architect Aldo van Eyck – nu wordt het een sober en relatief goedkoop gebouw geboren uit de pen van de mindere god Eerde Schippers. Maar de inhoud blijft nog telkens kwalitatief gezien van een hoog gehalte. Is het de Nederlandse musea eigen om het nationale produkt opzij te schuiven en de internationale kunstenaar meer te roemen, Mercuur is daarentegen meer dan trots op de schilders van eigen Friese bodem. Zelfs zo trots dat de vaste collectie van Belvédère zal bestaan uit werk van onder meer Jan Mankes, Gerrit Benner, Sjoerd de Vries, Willem van Althuis, Tames Oud, Tinus van Doorn en Thijs Rinsema. Aan vriend Boele Bregman zal in het bijzonder veel aandacht worden besteed, hoogstwaarschijnlijk krijgt hij een eigen zaal toegemeten.

    Werk van Friese kunstenaars

    Het uitstallen van Friese kunst alleen geeft echter een te eng draagvlak. Daarom wil initiatiefnemer Mercuur de zaak breder maken door vanuit de basiscollectie lijnen te trekken naar medestanders en stijlovereenkomsten. De Friese kunstenaars hebben zich nooit verenigd in een bepaalde groep, maar zaten en zitten ook niet alleen te werken op een terp. Er zijn voldoende relaties te leggen met nationale en internationale kunstenaars, die met eenzelfde manier van werken bezig zijn en waren. De mogelijkheden om zo een boeiende collectie aan te leggen lijken onuitputtelijk. Vertrekpunt voor de exposities blijft steeds het werk van die Friese kunstenaars. De collectie zal, ondanks dat deze vast is, blijven wisselen. Er is zoveel voorradig en er kan een scala aan werk in bruikleen genomen worden, dat de tentoonstelling in september van een ander gehalte kan zijn dan deze in januari was. Zo blijft Belvédère springlevend en kan Thom Mercuur emotioneel met de kunst bezig zijn. “Het nieuwe museum voor 20ste eeuwse kunst wordt in eerste opzet een museum waar mijn stempel op drukt. Er zal werk hangen dat ik mooi vindt.”, vertelt de oud-conservator van het Coopmanshûs te Franeker en het Fries Museum te Leeuwarden, en eigenaar van het Tripgemaal Museum te Gersloot. “Ik sta open voor nieuwe stromingen, maar niet alles spreekt mij aan. Vanuit de vastgestelde museumformule kan ik bijvoorbeeld het werk van Gerrit Benner combineren met dat van leden van kunstenaarsvereniging De Ploeg en is de sociaal bewogen Boele Bregman te relateren met Bart van der Lek en Chris Beekman. Er zijn lijnen te trekken vanuit de constructieve kunst naar het socialisme. Het sociaal-realisme van De Stijl komt dan in beeld. Johan van Hel, voor mij één van de beste schilders in Nederland. Herman Kruyder, waarvan alleen werk in particuliere collecties is weggestopt en daarom nooit in een museum te zien zal zijn. Met een Picasso kan ik niets, maar een Mondriaan sluit uitstekend aan bij deze formule.

    Een persoonlijk museum

    Doordat Thom Mercuur voor het Tjeukemeer-project al verscheidene particuliere bruikleengevers had benaderd, is de vaste collectie nog morgen op te halen. Zo zullen er tenminste 8 schilderijen van Jan Mankes te zien zijn, terwijl deze schilder op andere plaatsen in Friesland niet of nauwelijks vertegenwoordigd is. Geen profeet is geëerd in eigen land. Daarnaast zal Mercuur de warmte moeten vinden om werk in bruikleen te krijgen, zodat deze Mankes’ galerij nog is uit te breiden. Verder komt veel werk uit de eigen collectie van Mercuur.

    Naast de permanent ten toon te stellen vaste collectie, zullen er jaarlijks 5 wisselende exposities worden georganiseerd. Over de inhoud daarvan staan nog geen vast omlijnde plannen op papier. “Een expositie als van bijvoorbeeld Jochem Hamstra of Jan Roos in Theater Romein te Leeuwarden, kan dan in dit museum worden gemaakt. Dergelijke goede jonge kunstenaars van eigen bodem, met mogelijk weer een blik terug op de vaste collectie, passen in de formule. Het zijn niet alleen de Friese kunstenaars waaraan in dit Friese museum aandacht wordt besteed. Een kunstenaar krijgt een tentoonstelling omdat hij bijzonder is, niet om zijn Friese achtergrond. Het museum had op een willekeurige andere plaats in Nederland of waar dan ook op de aardbol kunnen komen te staan. Datgene wat de streek heeft voortgebracht dient getoond te worden, voor mij is die streek Friesland. Ook een Klaas Gubbels, waarvoor ik al diverse exposities heb georganiseerd, sluit aan op deze zienswijze. Zo zal het een persoonlijk museum worden, dat mijn smaak vertegenwoordigd. Daarom wil ik het ook maar 5 jaar runnen en het dan aan een ander overlaten. Ik ben een voorstander van het werken in termijnen, anders raak je te veel verbonden met de zaak. Directeur word ik niet van het nieuwe museum, er is een stichting in het leven geroepen. Ik wil wel veel doen, maar ik kan onmogelijk alles tillen.

    Een gepotdekselde laarzendoos

    Belvédère, museum voor 20ste eeuwse kunst, wordt in een schets van architect Eerde Schippers een 65 meter lang eenvoudig ogend gebouw. Met een breedte van 12,5 meter en de in verhouding geringe hoogte heeft het geheel het aanzien van een laarzendoos. Het bouwsel komt in de lengterichting van het strook bos te staan met de voorzijde gericht naar de Bieruma Oostingweg. Pal voor de entree komt op een bed van grind een kunstwerk van Ids Willemsma te staan. De lange wanden zonder ramen van het museum worden aan de buitenzijde gepotdekseld, de horizontaal aan te brengen planken worden dakpansgewijs over elkaar gezet. Het bouwwerk krijgt daardoor de sfeer van een oude boerenschuur. De planken krijgen het intense rood als van de eerste cementsteenhuizen op landgoed de Eese, de kleur die past in het complementaire groen van het bos. Het museum zal een unieke drieëenheid vormen met de uitkijktoren en het doolhof. Want deze verloren gewaande speeltuinattractie zal in een iets gewijzigde vorm in het Tjaarda’s Bos worden herplant. Op de oorspronkelijke plaats, bij Hotel Tjaarda en nu verworden tot een kaalgeschoren voetbalveld, waren de afmetingen hoegenaamd vierkant. Bij de Belvédère zullen de paden in de hof meer langgerekt zijn, maar vastgehouden wordt wel zoveel mogelijk aan de bestaande tekening en plattegrond. In het midden komt als vanouds een gebouwtje met lachspiegels. Verder wordt het geheel gecompleteerd met de bestaande ponybaan en het theehuis “Oebele”. Het oude wandelpad vanaf de Marijke Muoiwei zal in ere worden hersteld. Zo is het Tjaarda’s Bos in de toekomst aantrekkelijk voor het hele gezin. Vader en moeder gaan het museum in, kijken naar kunst en drinken wat. De kinderen kunnen de toren beklimmen, zich een weg uit de doolhof zoeken en een ritje op de pony maken. Bij het theehuis is er voor iedereen een versnapering. Althans wanneer de grootse plannen tot uitvoering gebracht kunnen worden. Aan Thom Mercuur zal dat niet liggen. “Ik vond de situering aan het Tjeukemeer destijds zeer goed voor een museum voor moderne kunst en ben van mening dat dat in de bossen van Oranjewoud weer het geval is. Het museum alleen is echter te elitair en heeft geen overlevingskans, het moet hier in dit bos en dan in samenspraak met de andere attracties. Het enige voorbeeld in de lande van een dergelijke opzet is het Kröller-Möller museum op de Hoge Veluwe.

    Culturele verrijking

    De iets naar binnen geschoven glazen gevel herbergt een ruime entree met informatiebalie en boeken- en reproduktieverkoop. De permanente collectie wordt getoond in het voorste gedeelte van het museum, dan volgt een flexibel in te delen ruimte voor de wisselende exposities. Achter de diverse expositiezalen bevindt zich een multifunctionele ruimte met een buffet of klein restaurant. In deze ruimte kunnen milieuorganisaties tentoonstellingen inrichten onder auspiciën van Mercuur. In het reataurant of op het terras kan de bezoeker zich te goed doen aan milieuvriendelijke produkten.

    De stichting Belvédère, verantwoordelijk voor de restauratie van de betonnen uitkijktoren, staat vierkant achter de plannen van Mercuur. En ook mevrouw Gerda Graafsma, eigenaresse van het Tjaarda’s Bos, wil alle medewerking verlenen aan dit project. Stichtingsvoorzitter Hans Wezenaar hierover: “Al tijdens het plannen en uitwerken van de restauratie hadden wij het idee dat er meer dan alleen die belvédère in dat bos moest zijn. Onze gedachten gingen toen al uit naar zoiets als een museum of een beeldenroute. Besloten is om ieder individueel initiatief daartoe te ondersteunen.” Het museum is er echter nog niet, want eerst moeten er nog de nodige vergunningen van de gemeente Heerenveen komen. De plek heeft geen bestemming als bouwterrein, dus er dient een bijzondere toestemming voor te komen. Daarna moet het project met behulp van sponsors financieel rond gemaakt worden. De stichtingskosten zijn begroot op ruim anderhalf miljoen gulden. In Belvédère kunnen 3 mensen werken op vrijwillige basis. Men rekent op een jaarlijks bezoekersaantal van 25.000 mensen. Volgens Wezenaar is dit voor Heerenveen een unieke kans om ook haar culturele kant op te vijzelen. “Voor de hele provincie zal het een bijzondere culturele verrijking betekenen. Ik hoop daarom dat dit project gerealiseerd zal kunnen worden.

    Archiefstuk: Heerenveense Courant juli 1994.