Meteen al in het voorwoord tot zijn in eigen beheer gemaakte gedichtenbundel zie ik in gedachten beeldend kunstenaar en performer Erik de Boer op een toneel staan, terwijl ik in de zaal daarvoor zit. Door hem word ik toegeschreven als zeer geachte lezer. En dan breekt de voorstelling los, letterlijk. In deze eerste tekst geeft hij aan wie hij is en ik krijg het beeld voor ogen van Herman van Veen die op de bühne een nummer over enkel het woord Amsterdam heeft. Een samenspraak met zichzelf in drievoud, een kleine 5 minuten lang. Een simpel gegeven wordt een groots nummer. Een nonsenstekst puur gericht op klankuitingen. Onnozel en ongecompliceerd. En wat wil het toeval, wanneer dat al bestaat, op het eind van dit wat een gedicht had kunnen zijn noemt Erik die Herman bij zijn naam in een rijtje van obscure personen, tussen Karel Appel en Jan Ketelaar. Vereenzelvigd De Boer zich met hen? Rotzooit hij maar wat aan of is hij de clown, een potsenmaker. De performance op papier, de uitvoering in woorden aan mij voorliggend zal het doen uitwijzen.

Dadaïstische en absurdistische insteek
Hij stelt zich daarna ten overvloede nog eens uitgebreid voor met een hartelijke groet. “Dit boek heb ik met zeer veel genoegen geschreven en vormgegeven. Voor u is dit boekwerk het uiteindelijke kunstwerk. Voor mij is uw reactie op dit boekwerk het uiteindelijke kunstwerk.” Dus zet ik mij nu maar aan die ingekleurde afbeelding. Teken ik de persoon voor mij uit, schilder ik zijn pogen en schets zijn wagen. Want het omslag van het in een zwarte ringband gestoken stapeltje vellen papier zet mij meteen al op een andere gedachte. Zijn waging pogen laat mij anders denken, de woorden van gene zijde bekijken en de zinnen van dit bestaan tegendraads doorzien. De kaft wordt gesierd met een duif. Deze vogel vind ik koerend op een zeer vreemde zich telkens met één klank toevoegende herhaling even verder terug. “Ik ben een duif, / ik ben een dichter. / Ik draag u voor / Wat ik te vertellen heb.”
Zijn gedichten hebben veelal een dadaïstische en absurdistische insteek. Met zijn prikkelende en ontregelende teksten zet hij mij, de lezer, op het verkeerde been en hoopt dat ik dwars ga nadenken. De gedichten zijn geschreven om er een voorstelling mee te maken. Getoonzet voor een performance, een klankrijke voordracht. Eigenlijk zal ik ze hardop voluit moeten spreken, wil ik de correcte intonatie hebben en beter begrijpen wat ik zeg. Want Erik de Boer wil mij nog weleens bij de neus hebben, een loopje met me nemen. In de met ernst geschreven teksten klinkt een overdosis humor door. Bij sommige van de gedichten wordt een instructie gegeven, een handleiding wat lijfelijk te doen bij het lezen. Al dan niet hardop, elke seconde afwisselend naar de tekst en op te kijken, op willekeurige momenten borden kapot te gooien, en zo meer.

De absurdist en de dramaturg
Maar wat is nu eigenlijk een dadaïstische insteek. Dada, dat is zegt Wikipedia een culturele beweging die tijdens de Eerste Wereldoorlog ontstond als negatieve reactie op de beestachtige en mensonterende verschrikkingen. In de Dada-beweging werd het artistieke gebeuren door kunstenaars brutaal en schokkend bespot om de schijnheilige waarden van de toenmalige ‘beschaafde’ wereld aan te vallen. Schrijver Richard Heulsenbeck omschreef dat zo: ‘De dadaïst acht het noodzakelijk om zich tegen de kunst uit te spreken, omdat hij door de oplichterij van kunst als morele veiligheidsklep heen kijkt.’ Ondanks dat is Dada van grote invloed geweest op de verdere evolutie in de beeldende kunst. Dada is dus een van oorsprong zeer politiek geëngageerde pacifistische beweging van links-denkende kunstenaars die zich afzetten tegen de maatschappij. Zij maken geen kunst, maar anti-kunst en verwerpen het centrale idee van het modernisme dat vernieuwing leidt tot verbetering (van de kunst en de maatschappij).
Grote woorden, die ik als zodanig in de onderhavige bundel als uitwerking niet terugvind. Of het moet in de twee gedichten die deze stroming als onderwerp hebben zitten: ‘Een dadagedacht’ en ‘Dada-drama’. Maar wel lees ik het balorige, opgewekte en tegendraadse karakter van De Boer zeker in die overige levendige teksten. Hij neemt de wereld met een grote korrel zout. En waagt een poging dat op papier uit te schrijven en op het toneel uit te beelden. In ‘De absurdist en de dramaturg’ zie ik hem zo over het toneel zwalken, beeld ik me zo in. En ‘Trompettergeroffel’ is zo’n fijn nonsensgedicht waarin klankuitingen van waarde zijn. Om wel te spreken van ‘De man die iets achter in zijn keel had’, ‘De man die heel vaak in de reden werd gevallen’ en ‘De man die te emotioneel was’. Teksten die moeten klinken, die uitgesproken moeten worden willen deze oprecht indalen.

Stilte A.U.B
De woordenspinsels zijn niet van de lucht. Als een spin in het web trekt De Boer de woorden als ten dode opgeschreven vliegen naar zich toe. Kapselt deze in, bekijkt ze van voor en achter, en maakt er een smakelijk hapje van. Het zijn allemaal monologen en dialogen vol waarheden, maar de realiteit erin is omgekeerd, verdraaid. Daardoor leest het weleens lastig, maar zodra de lezer dan de oorsprong ziet kan het niet anders of er verschijnt een glimlach om de mond. Zelfs zware onderwerpen worden lichtvoetige thema’s door de pen van Erik de Boer. En hij grijpt de lezers aan op zwakke punten. Want een ieder maakt dat bijvoorbeeld weleens mee dat je iets kwijt bent en het met moeite niet terug kunt vinden. De dichter maakt daarvan geen poëzie, maar schrijft in proza een inleiding en de instructies, zonder tot het werkelijke gedicht te komen: “Tot slot de hoop opgeven”.
En o ja, ‘Stilte A.U.B.’ heeft wel die absurdistische insteek als voorbeeld. Hoewel de stilte geen absurd gegeven is. Een twee pagina’s lange inleiding is een rumoerig voorwoord voor een zeven pagina’s aan stilte. Geen ‘Sound of Silence’, maar een “Poem of Emptiness’ die klinkt als een klok met een kapotte klepel. Een waarlijk interactief gedeelte in het boek. Zeven pagina’s niets, nada, nul. Een tekst die past in de kunst van ZERO. Het is niets maar tegelijk is het alles. Dada. De dichter laat het schrijven over aan de lezer. “Het is uiteindelijk een gedicht geworden dat per individu heel anders te ervaren en te interpreteren valt.” Waarvan acte.

En dan tot slot vind ik een vijftal plakbriefjes in mijn recensie-exemplaar van de gedichtenbundel. Alsof ik de versie kreeg die De Boer gebruikt bij een optreden. De briefjes zijn met de cijfers van 1 tot 5 bij diverse teksten bevestigd. Als herinneringen in volgorde. Het moet nergens over gaan, maar het kan geen kwaad. Ik blader nog maar eens en waag een poging, oh nee in de idee van deze dichtende kunstenaar is het een waging pogen, om een insteekhoudend relaas te schrijven. Want dat boek van Erik de Boer is werkelijk stelverontbaar zaanwinnig! En dan neem ik nog maar een kakje boffie om af te kicken van de overdosis grappige geestigheid. Dat kan. Want alles kan; koffie kan, thee kan, water kan.
Een Waging Pogen. Gedichten Erik de Boer. Druk en uitgave in eigen beheer, 2021.
