Tag: essays

  • Aanwezig bij Peter van Lier voel ik mij aangesproken

    Het is mijn gewoonte om tijdens het lezen van een boek alinea’s van belang aan te strepen. Fragmenten in de tekst die ik belangrijk acht om achteraf nog eens over en door te lezen. Om op die manier mijn bespreking van het boek inhoud te geven. De uitgave “Geachte afwezigen, Het verweer van de poëzie” door Peter van Lier ziet er na lezing nogal gestreept uit. Vrijwel elke alinea is steekhoudend om nog eens te lezen. Daarom las ik het boek tweemaal voordat ik me ertoe kon zetten er een eigen tekst tegenaan te schrijven. Eenmaal om de woorden te lezen, andermaal om de tekst te doorzien en toen was ik verkocht. Om de aanwezigheid van de werkelijkheid van twee kanten te bezien las ik het boek eens en nog een keer. Door opnieuw en weer te lezen namelijk zie je details, merk je meer of zelfs andere werkelijkheden op dan dat je eerst zag.

    “Geachte afwezigen”, heft hij aan

    Het verweer van de poëzie. Dat is op diverse manieren uit te leggen. Is het oppositie of juist defensief. Moet de poëzie verdedigt worden, en tegen wie dan. Of komt het in opstand, geeft het weerstand. Kan het zich persoonlijk verdedigen, met woorden betekenissen om zichzelf slaan. De vitters en de hekelaars, de muggenzifters en de mierenneukers, ofwel de critici een hak zetten. Van Lier hijst zich op de spreekkist, gaat op de praatstoel zitten en richt het woord tot mij de lezer. “Geachte afwezigen,” heft hij aan. Ik kijk om en inderdaad ik ben alleen in de ruimte, mijn kamer. Hij spreekt mij dus niet aan, maar de mensen die er niet zijn; de afwezigen. Ik voel me niet aangesproken daarom en ben een en al oor, zeker nadat ik tot tweemaal toe de aanwezige was. Maar ik zal beter moeten weten, want ik was afwezig en raak door de schrijver bij de les. Ik dagdroom niet langer uit het vensterraam van de taal, maar wordt wakker geschud door Van Liers’ filosofische intuïties en poëtische bevindingen.

    Poëtische fascinaties

    Het verweer is niet de individuele verdediging van Peter van Lier om de poëzie terug binnen de werkelijkheid te plaatsen. Het zijn de wapens van anderen die hij in de strijd gooit. Door de gedichten van een voorgaande generatie dichters en van dichtende generatiegenoten voor mij door te lichten en uit te leggen scherpt Van Lier mijn geest. Pas in het laatste essay besef ik zijn reden dit boek geschreven te hebben. Dan is hij niet meer de onderwijzer, de onderzoeker die zijn eigen poëtische fascinaties in een ruimere context plaatst, de leegte bestrijdt. Hierin blijft hij bij zichzelf en plaatst zich terug in de opvoeding. Komt in verweer tegen zijn constructief aangelegde vader, of maakt paradoxaal een buiging voor ‘ons’ pap. Toch achteraf. “…mijn vader het had over de vele jaren die het licht van verre sterren erover doet om ons te bereiken en dat een ziel dus ook wel heel lang onderweg zal zijn om de hemel te bereiken.

    Ik raak hem niet kwijt

    Aldus is de hele bundel in 24 korte verhalen geen verweer. Van Lier hoeft zich als dichter niet te verdedigen voor het dichtwerk. Het is veeleer een eerbetoon aan het vrije vers, de moderne poëzie. Deze dichtkunst heeft een grond, een groei en een bloei. Peter van Lier is de tuinman die mij wijst op prachtige bloemen, geurend en kleurend in de ochtendzon. Hij geeft aanwijzingen hoe de tere planten te determineren, deze met zachtheid te behandelen om een bloeiend en voor mij boeiend resultaat te creëren. Niet filosofisch onderlegd leest het boek van Peter van Lier voor mij toch niet onbekend. Ik kan een lange wandeling met de schrijver ervan meedenken, maar soms slaat hij een pad in dat mij welhaast doet verdwalen. Ik raak hem kwijt, tast in het niets buiten de werkelijkheid, maar hij vindt mij terug binnen woorden die zijn zinnen vormen. Waar ik de richting kwijt ben en telkens op een doodlopende weg stuit, neemt hij mij in zijn tekst weer bij de hand en leidt mij bijdehand terug op het juiste pad.

    Zijn visie en uitleg

    Het ‘Geachte afwezigen,’ is verre van een droog boek, niet ‘geen doorkomen aan’, geen harde noot die gekraakt moet worden. Hoewel de taal gangbaar is zweeft het gevoel nog weleens boven mijn werkelijkheid weg. Geen vaktaal, maar wel filosofische redes. Van Lier is een boeiend verteller, geen docerend uitlegger. Ik lees bij hem niet de les, maar hij geeft mij wel uitleg over zijn visie. Leest de dichter en bespreekt het werk. Probeert de woorden voor mij duidelijk te maken. Zijn filosofische achtergrond staat hem daarbij terzijde. Maar het is en blijft zijn visie en uitleg, hoewel hij wel andere uitleggers citeert om zijn standpunt te waarborgen. Soms in wat wollige uitspraken, een diep denker eigen. Maar niet vanaf een ivoren toren uitgesproken. Hij komt naast mij staan en wijst me op de elementen die zijn wereld kleuren en duiden. Op welke manier ik volgens hem de omgeving geschetst in poëzie kan benaderen en bewonderen. Dat is niet die van de rijmelarij, maar van de poëzie met een grote P. De dichter die de werkelijkheid buiten de realiteit beziet en in eigen ervaringstaal omschrijft. Daar kan ik op eigen houtje een weg in vinden, echter Van Lier reikt mij een gids aan zodat ik niet zal verdwalen in taal en betekenis.

    Met andere ogen

    Hij haalt het werk van dichters aan die voor zijn werk van belang zijn. Waarop hij zijn werk kan gronden. En tussen neus en lippen door verklaart hij dat werk van deze dichters. In zijn bewoordingen, zoals hij hun teksten opvat en van betekenis acht. Geen recensie maar een uitleg. Hij zit niet op de stoel van de criticus maar veeleer op de zitplaats van de leraar die niet belerend wil zijn. Hij geeft uitleg aan en legt lijntjes neer, knoopt combinaties en relaties aan elkaar. Zodat ik met andere ogen naar de woorden kijk, met rode oortjes de zinnen lees. Wist ik niet wat ik las. Was ik afwezig in mijn gedachten omdat andere zaken mijn aandacht afleiden van de moeilijkheidsgraad van deze door Van Lier aangehaalde poëzie.

    Schrijvers uitleg

    Gaat de magie ervan niet verloren wanneer het gedicht wordt uitgeplozen en op de zin en het woord wordt verduidelijkt. Peter van Lier lijkt dit nodig te vinden om de poëzie te verdedigen. Om het te kunnen plaatsen in en wapenen tegen de proza. In de eerste plaats dat van anderen en in het bijzonder zijn eigen dichtkunst. Het is schrijvers uitleg, ik kan het daarentegen anders interpreteren. Maar na lezing wordt mijn gedachte wel die kant op gestuurd. Ik kan het gedicht niet meer objectief en onbevangen tegemoet treden: het leest zoals Peter de uitleg eraan gegeven heeft. Eigenlijk zal ik eerst de geciteerde gedichten moeten lezen voordat er de uitleg van Van Lier op los gaat. Nu weet ik soms de strekking niet en begeef mij koud in de kennis van de schrijver. Hij weet mijn onkunde te omzeilen door op een leesbare manier te schrijven. Hij verlaagt voor mij drempels, opent deuren. Ik krijg een inkijk in de filosofisch getinte poëzie. Maar het is slechts een glimp van waarde, de echte parels blijven in de schelpen. Ik zal mij de albums aanschaffen, mij inlezen in de overgenomen en toegewijd uitgeweide poëzie. Om zo de hogere dichtkunst mij enigszins eigen te maken. In het verweer schoot Peter van Lier met scherp en raakte wat mij betreft doel.

    Geachte afwezigen, Het verweer van de poëzie. Peter van Lier. Poëziecentrum, 2017.

  • In de ontdekking van de aarde vind ik mijzelf

    In de verzamelde essays van Huub Oosterhuis, uitgebracht in 2022 bij uitgeverij Ten Have, ontdek ik het leven van de schrijver. Daarin ontdek ik mijn geloof zoals ik het niet had gedacht te belijden. De teksten van Oosterhuis namelijk sluiten aan op mijn weten, zonder dat ik dat voordien heb geweten. Hij vond de woorden die ik niet voor mogelijk had gehouden. Het opent mij de ogen en ontsluit het mysterie van het geloof. Het opent mijn hart om het woord tot mij te nemen. Zo dacht ik dat het was, maar ik heb het nooit zo gezien.

    Oosterhuis is een voorganger, hij gaat mij voor in het interpreteren van de bijbel, van het geloof, het leven. Ook zet hij voor mij zaken op losse schroeven. Zo zoals ik van kinds aan de dingen kinderlijk aanneem, gooit hij ze aan stukken. Blaast als de grote boze wolf niet alleen voor mij heilige huisjes omver. Uit de scherven zoek ik dan mijn nieuwe denken, mijn geloven zoals ik niet dacht het te verwachten dat het ooit kon zijn. Hij breekt mijn geloof niet stellig af, maar leert mij op een andere manier de dingen te bekijken, te doorzien. Niet aan de oude wereld vast te houden, maar een nieuw aarde ontdekken. Op een andere manier de bijbel te lezen. Mij andere inzichten te geven hoe te leven in de naam van de geest die men God durft te noemen.

    In het slot vind ik uitleg van wat die Bijbel is

    ‘De ontdekking van de aarde’ is de titel van de verzameling korte levensbeschouwingen. In het boek ontdek ik niet zozeer de aarde als fysieke planeet, maar eerder de wereld als spirituele verblijfplaats. Het boek is als de bruiloft te Kana. Een vertelling van Johannes in het Nieuwe Testament van de Bijbel. Het feest waar de beste wijn tot het laatst is bewaard. Zo lees ik ook de verzamelde essays. In dit boek zijn de voor mij meest aansprekende verhalen op de laatste pagina’s afgedrukt. Want in het slot vind ik de uitleg van wat die Bijbel is, een toelichting waarnaar ik verlang te lezen en te horen. Hoe en waarom de verhalen zijn ontstaan en nu, 2000 jaar na dato, nog steeds worden gelezen en bestudeerd. Dat er nog telkens nieuwe dingen in kunnen worden ontdekt. Het mogen dan oude teksten zijn, deze zijn nog voortdurend actueel en nergens gedateerd. Ze kunnen worden geplaatst in de tijd van hier en nu. Maar ze hebben dan wel uitleg nodig. Uitleg van bijvoorbeeld een denker en schrijver als Huub Oosterhuis. Ik citeer: “Het boek stelt de vraag hoe mensen op deze aarde menswaardig kunnen leven, in vrede met elkaar; wat moeten ze daarvoor doen en laten? (…) De Bijbel inventariseert en ordent alles wat menselijk is, en gaat daarbij niets uit de weg.”

    De zwanenzang van de poëet

    Voor het laatste ijkpunt, dat is Jezus waarover niets met zekerheid kan worden gezegd, lijkt de essaybundel af te sluiten met de zin van het leven. De teksten van Prediker worden uitgelegd, de kritisch denker die de joodse levensleer op de proef stelt in zijn teksten. Hij blijkt geen koffiedikkijker of ziener met een glazen bol te zijn, want er gebeuren geen wonderen. ”Er heeft nooit een andere wereld bestaan waarin wel wonderen gebeurden, waarin stemmen van buiten dit heelal werden gehoord, of waarin mensen beter, moreel perfecter waren.” Maar voor dat laatste ijkpunt dus schrijft Oosterhuis een actuele zaak. Een zaak die nu nog een heet hangijzer is, ook al is de schrijver uit deze tijd gegaan. In het hoofdstuk dat ‘Dagboek’ getiteld is wint Oosterhuis zich terecht op over hoe wij westerse mensen omspringen met vluchtelingen, met name wat wij noemen illegale kinderen en het generaal pardon. “…als de kinderen van mijn kinderen recht hebben op een zo gelukkig mogelijk leven hier op deze aarde, omdat zij ‘geboren’ zijn, dan hebben ook al die asielzoekerskinderen daar recht op, omdat ook zij ‘geboren’ zijn.” Het lijkt de zwanenzang van de poëet die dichterlijk uitleg geeft aan wat de Bijbel zegt van de liefde tot de vreemdeling. Liefde tot je naaste dat wortelt in het besef van gelijkheid. Oosterhuis zal over zijn graf heen willen ageren tegen deze afbrokkeling van de mensenrechten.

    Wanneer het toch eens niet waar zal zijn?

    Het boek is een autobiografische blik op het leven van Oosterhuis zelf. In verschillende verhalen komt zijn drang te leven zoals hij het leven leefde naar voren. Het gezin waaruit hij voortkwam en waarin zijn geloof ontsproot. De wortels van zijn denken, het groeien van zijn weten en het bloeien als schrijver en dichter. Door zijn essays leer ik deze mens kennen. Hij heeft, of beter had, een uitgebreide bibliotheek waarin talloze bruikbare teksten aansloten aan zijn denken. Hij citeert schrijvers van naam, filosofen en hervormers, dichters en profeten. En zet daar zijn eigen visie tegenaan om tot de ontdekking te komen dat alles uiteindelijk ijdelheid is om met de prediker van het oude testament te spreken.

    Werd hij door God geïnspireerd of kreeg hij deze door de grote schrijvers uit zijn boekenkast te lezen. En heeft hij met zijn eigen denken dit verbonden en samengevoegd tot de dwarse zienswijze in zijn eigen geschriften. Laat ik het erop houden dat Oosterhuis als pelgrim een pad heeft bewandelt op zoek naar uitzicht op het geloof, of beter inzicht in de materie van de religie. Hij lijkt in zijn teksten stellig te zijn en het gelijk aan zijn kant te hebben, maar tussen de regels door lees ik niettemin twijfel. Een mens blijft twijfelen en niet zeker weten. Want wanneer het toch eens niet waar zal zijn? Deze onzekerheid voert hij ook als punt van aandacht aan in zijn essays. En met zijn aarzeling, zonder echter sceptisch te worden, komt hij mij tegemoet in wat te geloven en op welke manier dat past in mijn leven. En of Huub zijn pelgrimage tot een goed einde heeft gebracht, en of hij door de poort van de heilige stad is gegaan, we zullen het niet weten. Want niemand krijgt een pas om over die grens terug te keren naar hier.

    De ontdekking van de aarde. Verzamelde essays. Huub Oosterhuis. Uitgeverij Ten Have, 2022.