Tag: fabels

  • Wij zijn niet meer dan wat wij weten van het leven

    In het graafschap Pembrokeshire aan de westkust van Wales wist men in 1866 al dat gezond leven de mens doet bloeien en groeien. En daar poëzie dieper indaalt dan proza rijmde men met die wetenschap “eat an apple on going to bed, and you’ll keep the doctor from earning his bread”. Twintig jaar later zijn deze gevleugelde woorden door Amerikanen verbasterd tot het nu nog bekend in de oren klinkende “an apple a day keeps the doctor away”. Een pront eindrijm blijft hangen. Bij het lezen van de tweede bundel filosofische fabels van Jan Bouwstra maak ik van dat treffende gezegde dan losvast “a fable a day keeps the blues away”, of in goed Nederlands “een fabel per dag en je leeft met een lach”. Want dat is het recept in deze toch wel meer dan enigszins merkwaardige tijd, waarbij het water ons tot de lippen staat en wij naar adem happen. Meer dan een enkeling zal daarbij staan te juichen aan de zijlijn, en deze figuren raad ik daarom ten stelligste aan de bundel ongeopend op de plank te laten liggen. Maar al de anderen, die in zak en as zitten om het gebeuren overzee en dichterbij in de grachtengordel, kunnen even uit de duistere malaise raken met Bouwstra’s fabels.

    Het is voor mij in elk geval een welkom voorschrift, een gewenst precept. Had ik deze beleving al zo met de eerste bundel “De brilslang, de boktor en de andere dieren”, deze tweede bundel doet daar een schep bovenop: “De krekel, het bos en de wereld”. Omdat ik zo in de put scheen te zitten las ik zelfs meerdere fabels per dag om op de been te blijven. En ieder kort verhaal tovert een glimlach rond mijn mond. Ik zie de zon weer achter de wolken in het water schijnen. De fabels zijn een zonnetje in huis, een kwinkslag bij iedere donderslag. De vrolijke noot in een treurige compositie. Ik zou wensen dat zekere personen onder ons het eens zullen lezen om tot andere inzichten te komen, hoewel ik ze hierboven verzocht de bundel in de kast te laten. Dus mezelf tegensprekend zou ik willen dat ze in deze fantasie losjes rond de lippen worden en niet zo’n stijf gezicht opzetten.

    De Fabeltjeskrant

    Verkneukelde ik me vroeger al bij de uil, de vos en de bevers van De Fabeltjeskrant. Een tv-programma voor kinderen dat zeker ook volwassenen aansprak. De levensvragen werden toen al door de vilten dieren laagdrempelig gemaakt, zodat de jonge kijkers antwoorden kregen op vragen waar volwassenen niet over durfden denken. In de fabels van Jan Bouwstra zijn die lastige kwesties tot eenvoudige vraagstukken gemaakt. Niet dat de schrijver oplossingen biedt, maar hij legt de dieren conclusies en uitwegen in de mond. Zij dienen als spreekbuis voor zijn kijk op de wereld. Anderszins zou hij veel kritiek op zijn bord krijgen, nu echter is hij de schaduw van de uil en kan zich verschuilen achter de bomen. De dieren bekijken hun leefomgeving op de open plek in het bos en langs de oever van de vijver met de blik van het kind – een naïef inzicht zogezegd. Maar de krekel, de mier en de neushoorn worden niet als kinderen, maar blijven dieren waarvoor het bos de wereld is.

    De dieren lijken net mensen, met dezelfde mensenwensen en dezelfde mensenstreken, echter behouden het natuurlijke instinct. Daarom kan het zijn dat een gesprekspartner van het ene op het andere moment wordt opgegeten, omdat deze lekker oogt en het de honger stilt. In het bos lopen onnozelaars rond die enkel de eigen lusten najagen. Maar er zijn ook mijmeraars die de loop der dingen proberen te duiden. En er zijn dromers om het moment te beschouwen. Deze diverse bewoners dienen allemaal een doel, namelijk het verklaren van het leven. Wie kunnen beter het zijn relativeren dan de dieren. Of wie kunnen beter als metafoor van de mens worden ingezet dan de pad, de mol en de struisvogel. Jan Bouwstra voert een hele Artis aan dieren op, van kleine kleverige slakjes tot langnek giraf en van het stekelbaarsje tot de olifant.

    Apen en beren, mug en olifant

    De schrijver, dichter en biochemicus is een meester in het beschrijven van sferen. Vrijwel iedere fabel zet in de eerste regel een duidelijke stemming neer. “Het was herfst en de hemel bracht wit licht naar het bos, zonder de glimlach die de zomer er meestal bij schonk.” Oplettend lezend wordt in de bundel het najaar besproken, maar het beoordeelde leven brengt het zonlicht in de sombere dagen. “Aan de hemel dreven wolken over, als sluiers van traagheid die het zonlicht dempten.” Maar ook tuurt de brilslang naar de einder, terwijl de krekel behoefte heeft aan een praatje: “Het gekleurde licht van de ondergaande zon verspreidde zich over de afzonderlijke wolken, die als flarden van het oneindige voor de hemel langsdreven.” Want juist in de schemer, van de dag en van het jaar – van het zijn, verdienen levensvragen antwoorden, krijgt de zinzoektocht een doel.

    De schepsels van Bouwstra relativeren de moeilijkheden zoals alleen dieren dat kunnen doen. De mens ziet apen en beren op de weg en gaat ze het liefst uit de weg. Het dier maakt ook wel van iedere mug een olifant, maar luwt snel de storm in het glas water. De fabel toont in spiegelbeeld de mens. Juist door een dergelijke vertelling kijkt de mens op zijn neus, worden de zwakheden en de imperfectie sarcastisch duidelijk. Waar de filosofie als denkwijze moeilijk verteerbaar kan zijn, omdat de visie lijkt te zweven tussen verstand en gevoel, krijgt deze door de humoristisch getinte fabel een lage drempel.

    Gepokt en gemazeld

    Jan Bouwstra neemt mij aan de hand mee het bos in, de open plek op om me naast de vijver in het gras te vleien en te luisteren naar zijn verhalen. Soms glimlach ik om de in mijn ogen stommiteiten of lach ik om onbedoelde woordgrappen. De uil kijkt me dan vanaf zijn tak gezeten streng aan en heft zijn vleugel tot bezwerende vinger. Het bestaan wordt doorgenomen en dat is niet om te lachen, zo gebaart de vogel. Wel is de reflectie van het menszijn, de spiegel die ons door de fabel wordt voorgehouden, in hoge mate een karikatuur, een schets waarin ik ons bij de neus voel genomen. In de korte verhalen horen wij een echo van onszelf. Het dier staat niet enkel symbool voor de mens, het dier in deze vertellingen is de mens.

    De dieren zijn gepokt en gemazelde filosofen. Met een hoogbegaafd hoofd als van de giraffe, evenwel met laagbegaafde benen, proberen zij de eeuwigheid in woorden te verpakken. Ontdekken ze dat een ziel dat is wat voor jou denkt en voelt en wil. Is het werken een ziekte van het denken. Komt verholen de populistische politiek voorbij en wordt God eens ingeschakeld, want niets menselijks is het dier vreemd. “Wij zijn niet meer dan wat wij weten van het leven”, verdwaalt de brilslang tussen uitspraken, veronderstellingen en aannames, “en het leven is niet meer dan wat het weet van ons.” “Zijnden in het zijnde zijn wij”, vult de uil een leegte met gedachten op daar praten twijfel zou zaaien. De dieren filosoferen over het zijn en denken na over het niet-zijn. Wie zijn wij, vragen ze zich af, waarom zijn wij. Zo sjokken ze rond in hun hoofd. Buurten in de hoofden van anderen om gedachten van anderen te ontmoeten en die met hen mee te nemen. Gedachten die zich mengen om van betekenis te zijn. Voor iemand die er oog voor heeft.

    En ik lees nog eens een fabel om de dag aan te kunnen. De lichtvoetige schrijfstijl van Jan Bouwstra verlicht mijn levensstijl. Als geleerd esculaap schrijft hij mij het recept voor om het leven aan te kunnen. Als gediplomeerd kwakzalver mengt hij fantasie met filosofie tot fabel, waarbij de fantasie een hoog gehalte van waarheidsvinding heeft. Hij is de chirurgijn die mijn gedachten fileert en mijn hoogmoed scalpeert. Met zijn humor haalt hij de mens van de ivoren toren en plaatst deze tussen de dieren die hun spiegelbeeld in het water van de vijver begroeten.

    De krekel, het bos en de wereld. Jan Bouwstra. Filosofische fabels. Illustraties Angela van der Meulen. Uitgeverij Noordboek, 2025.

  • Op excursie door het leven met Octavie Wolters

    Octavie Wolters is graag in de natuur. Tussen wollegras, kroontjeskruid en onder bramenstruiken, populieren ligt haar tweede natuur. Daar is zij geaard, op die grond gedijt ze goed. Dat wezen van buitenleven en natuurschoon beschrijft zij liefdevol en gedetailleerd. Zittend aan de keukentafel met haar boek “Dit gaat nooit voorbij” geopend voor me liggend heb ik het idee dat ik met haar in dat veld ben. Want zij is geen bosmens. Octavie Wolters is van de horizon, van de open velden, de akkers. Bossen zijn haar te nauw, dan kan ze niet van zich afkijken en voelt zich opgesloten. In mijn fantasie bij haar verhaal wandel ik met haar, draaft de Friese hond die kan slootjespringen voor ons uit en zwijgt W. W is haar levensgezel die de natuur met haar deelt. Ik ben daarbij, wanneer ik mijn ogen sluit en haar teksten in mij om laat gaan.

    Zij is geen wereldreiziger. Zij houdt van haar kleine, nabije omgeving. Het land dat ze zo goed kent en dat haar iedere dag weer iets nieuws laat zien. Octavie hoeft niet ver te gaan, daar in dat open veld vindt ze haar antwoorden. En haar vragen. “Ik weet nooit wat het doel is van alles, van de mens, de wereld, het leven. Of van mij.” De scholeksters halen hun gevederde schouders op en zeggen: “Dat hoeft je toch ook niet te weten?” En Wolters is het daar mee eens toch: het is goed zo – alles is er, dat is reden genoeg. Ze kan het geluk aanraken. Het gaat als een vogeltje op haar wijsvinger zitten. De essentie van geluk is de vogel, de liefde ervoor. “Dat gaat nooit voorbij”, denkt ze hardop.

    Vereenzelvigen met de gevederde vrienden

    Die gedachte werd de titel van haar nieuwste uitgave, waarin zij spreekt met de vogels die ze treft op haar wandelingen. Ze vraagt zich af hoe vogels tegen de dingen aan kijken. In die fantasie zou het mooi zijn om met hen te kunnen praten. Octavie Wolters praat natuurlijk niet werkelijk met de merel, de kievit en de kokmeeuwen. Maar het woord is gewillig en het beeld volgzaam. Want niet alleen beschrijft Wolters haar gesprek en de omgeving waarin die samenspraak plaats vindt, ze maakt ook een afbeelding van de gesprekspartners. Dit doet zij door de plaat uit te snijden in linoleum en deze vervolgens kleurig af te drukken. Het spreken met de mezen, de zwaluwen en de ekster doet zij in gedachten. Die denkbeelden schrijft ze op en tekent ze uit, zodat het wel lijkt of de vogels net mensen zijn. De bever zwijgt, maar de mus, de kleine zwartkop en de blauwborst voeren het hoogste woord.

    In gedachten spreekt ze feitelijk met zichzelf. Geeft zichzelf weerwoord of diepzinnige antwoorden op gelaagde vragen. Levensbeschouwelijk, bespiegelend, contemplatief. Ze is graag in de natuur, houdt van de vogels. En kan daarom hun verenpak aantrekken. En die jas past haar goed, al is de coupe en de stijl afwijkend. Ze observeert zo dikwijls en dermate intensief, dat ze zich met de gevederde vrienden kan vereenzelvigen. In haar gedachten vindt ze troost bij de vogels, in zichzelf. Het is als bidden. Moeiten en zwarigheden uitspreken en deze als het ware op het bordje van een hogere macht leggen. Bij Octavie Wolters is die macht de natuur, zijn dat de vogels. Bidden is net zo goed praten in jezelf, met een denkbaar persoon in gedachten discussiëren. Die iemand is ergens geloof je, maar zeker weten doe je het niet. Wolters gelooft in de vogels, vertrouwt op de natuur. Legt haar gemoed en gevoel bij hen neer in de fantasie van het verhaal. En ze krijgt antwoord, waar de goede god schijnbaar zwijgt.

    “Sommige dingen gebeuren gewoon”

    Haar verhalen zijn fabels, de vogels krijgen het gemoed van mensen. Geleerde mensen, want ze geven beschouwelijke antwoorden op de vragen van het leven. De vragen in het leven waarmee Octavie worstelt. Ze filosofeert over het zijn, bepeinst het wezen. Probeert een vinger achter het bestaan te krijgen, het aanwezig zijn hier en nu te vatten. Ze verbaast zich over dingen die zomaar gebeuren zonder dat iemand het opmerkt. “Sommige dingen gebeuren gewoon”, zegt de winterkoning. “Soms valt er iets voor zonder dat iemand op de wereld ervan weet”, denkt Wolters. Is het dan wel echt gebeurd wanneer niemand het opgemerkt heeft, filosofeert ze verder. “We kunnen soms alleen maar een verhaal verzinnen.” Dat beaam ik en sla de bladzijde om.

    De verhalen zijn uiterst persoonlijk. Voor de vogels, en door de vertellingen dus ook voor mij, opent zij haar ziel. Ze heeft angsten, net als ieder mens. Wolters is bang dat zonder angst zij ophoud te bestaan. De angst is bij haar gaan horen, is een deel van haar geworden, een onmisbaar orgaan. Lang heeft ze zich vastgeklampt aan hoop, aan een verwachting, aan de gedachte dat alles ergens goed voor is. Ze denkt aan alle paden en wegen in haar hoofd, de herinneringen, toekomstdromen, alles in het hier en nu, waar ze aan werkt of mee bezig is. In het gladde wateroppervlak waarin de wolken voorbijdrijven ziet ze de reflectie van zichzelf. De visjes flitsen door haar heen alsof deze haar gedachten zijn. Het is een wereld van beelden, woorden zijn er niet nodig.

    “Iets kan er tegelijkertijd zijn en niet zijn”

    Het zijn gedachten waarmee een ieder die serieus in het leven staat wel worstelt. ’s Nachts van wakker ligt. Troost zoekt overdag. Het zijn universele levensvragen die antwoorden verdienen, die om raad smeken en een uitweg zoeken. “Troost is er als al het andere al lang vervlogen is”, zeggen de mezen. Haar levensverhaal smeert Octavie Wolters uit over de seizoenen, deelt deze op in de maanden van het jaar. De winter, de lente, de zomer en de herfst, alle hebben een eigen karakter en signatuur. Het gemoed valt zwaar wanneer de blaadjes vallen bijvoorbeeld. In september denkt ze aan haar kindje dat er zo hartverscheurend niet meer is maar daardoor een nieuw soort aanwezigheid vormt. “Iets kan er tegelijkertijd zijn en niet zijn.” Gemis is nooit weg, vindt ze. Maar de pijn van de leegte kan wel gevuld worden. Ware woorden, de mees had het niet beter kunnen bedenken.

    Dit gaat nooit voorbij’ is een prentenboek voor volwassenen, maar in de platen kunnen kinderen zich ook heel goed vinden. De vertellingen verhalen over levensvragen en het vinden van troost in de kleine wonderen van de natuur. Die vragen zijn te groot voor kinderen, wel lijken me de beschrijvingen van de omgeving aan te sluiten bij hun beleving. Volwassenen zullen bij de platen, portretten van vogels in weelderige flora, zelf een verhaal voor kinderen kunnen fantaseren. Deze platen hebben een klare lijn zonder veel omhaal van vlak en kleur. Duidelijk en essentieel, helder het karakter van de vogel in zijn habitat verbeeldend. Daarbij improviseren de verbeeldingskracht en het voorstellingsvermogen als vanzelf een verhaal. “De zon schijnt en de lucht voelt ineens warmer vandaag, al is het een wat schijnheilige warmte met een ondertoon van tochtige vrieskou. (…) De randen van de dagen worden langzaam zachter, het licht dimt, het lawaai verstomt.” De ekster vliegt op, maakt een rondje om de boomkruin en krast me gedag.

    Dit gaat nooit voorbij. Octavie Wolters, tekst en illustraties. Uitgeverij Ploegsma, 2024.

  • In dierverhalen maakt Toon Tellegen filosofie overdenkbaar

    Heb ik het nieuwe boek van Toon Tellegen gelezen, zak ik lekker onderuit in mijn fauteuil. Behaaglijk in de stof dat me welhaast omsluit zo kruip ik er in weg. Sluit mijn ogen. De tekeningen van Thé Tjong-Khing doemen voor mijn toegedekte pupillen op. Deze illustraties laten de zojuist gelezen verhalen achter mijn oogleden tot leven komen. Dan droom ik weg op de woorden en de pennenstreken. Waan ik mij dat onschuldige dier dat vol met vragen zit waarop menselijkerwijs geen antwoorden mogelijk zijn. Wat zal ik graag die eekhoorn of deze mier zijn, de olifant of het nijlpaard. Leven zonder je zorgen te maken om de grote vragen des levens. Je verwonderen om details, je afvragen wat er is daar verderop. De mammoet zal ik willen zijn die op zijn beurt de olifant wil zijn. Om gelukkig te leven in het nu en niet dat toen.

    De dieren stellen elkaar vragen waar wij mensen niet opkomen, misschien nog niet aan toe zijn deze te bedenken. Die voor ons gesneden koek zijn, menen we. Omdat het onwerkelijke gedachten schijnen te zijn, niet realistisch. Niet ter zake doend, maar voor de dieren juist heel hier en nu. Oh, wat zal ik graag zo blank in het leven staan, als een onbeschreven blad. Zo zoals de dieren die in de verhalen van Tellegen kinderlijke vragen stellen. Het mensenkind heeft die onbevangenheid van deze dieren nog. Grote vragen stellen, die boven hun macht lijken te gaan. Kleine antwoorden verwachten, die de wereld en het leven tastbaar maken, begrijpelijk.

    Het heel is al, het is de ganse ruimte

    Toon Tellegen maakt met zijn verhalen filosofische vraagstukken bereikbaar, begaanbaar en voelbaar. Het diepste mijmeren landt door zijn woorden eenvoudig in mijn denken. Ik doorzie aan de hand van zijn vertellingen, die welhaast voor kinderen geschreven lijken te zijn, het bestaan beter. Levensvragen die voor de kleine krekel antwoorden verdienen om het leven aan te kunnen en de wereld verstaanbaar. Wat is er achter de muur waarop eekhoorn en mier stuiten na een lange reis. Daar is niets. Ik vraag me weleens af of het heelal een einde kent. Het heel is al, het is de ganse ruimte. Maar naar menselijke maatstaven bestaat oneindig niet. Net zoals eeuwig geen optie is in het leven. En wat is daar dan na, wanneer die onmetelijke ruimte afgemeten is. Eekhoorn breekt er zijn hoofd over, terwijl de mier genoegen neemt met niets. Zoals de mol en de aardworm onder de grond op het einde van de aarde stuiten, niet meer verder kunnen graven en onverrichte zake terugkeren. Dat was zeker de fundering van een huis zal de lezer raden, want de mens wenst wel overal een passend antwoord op. Mol en worm zingen elkaar in slaap en praten nergens meer over. De muis deed een niet te geloven ontdekking: wij bestaan niet. Dus is de olifant verzonnen, die op zijn beurt ontdekt dat de toekomst een vergissing is.

    De dieren van Tellegen zijn vrije denkers

    In zijn boek laat Tellegen de dieren vragen stellen die ertoe doen. Vraagstukken waarmee de schrijver misschien al langer rondloopt, maar aan niemand heeft durven voorleggen nog. De kans dat hij voor gek wordt verklaart namelijk is niet gering. De mensen van nu zijn zo rationeel dat de fantasie uit haar voegen barst en vervliegt in de tijd. De werkelijkheid staat hoog in het vaandel en degene die daarvan afwijkt wordt met liefde afgeschoten. Daarom zijn het de dieren die hoger kunnen vliegen en dieper kunnen graven. Zij nemen geen blad voor de mond, maar vragen waar het opstaat. Daarom maakt Tellegen van de dieren net mensen.

    De verhalen zijn fabels waarin de moraal tussen de regels door gelezen kan worden. In de beeldspraak wordt een abstracte waarheid duidelijk gemaakt. Want is dat niet de kern van de filosofie, je bezig houden met fundamentele vragen over het bestaan, de werkelijkheid, de rede, waarden en het verstand. De dieren spreken met elkaar na diep nagedacht te hebben. Ze bevragen elkaar om het zijn te onderzoeken, mogelijkheden te argumenteren, op hun manier logisch te denken. De dieren van Tellegen zijn vrije denkers. Naar menselijk idee is er geen logica in te ontdekken, maar de vragen zijn steekhoudend en doen er zeker toe. De schrijver geeft overigens geen duidelijk afgepaste antwoorden. De dieren denken het te weten, maar de lezer blijft veelal in het ongewisse en moet dieper in de gelaagde verhalen duiken om een waarheid te bevestigen.

    Die dieren zijn net mensen

    In de filosofie van Toon Tellegen zweeft de waarheid niet boven de werkelijkheid. Maar kun je wel in gedachten hoog boven de realiteit vliegen om de feiten te overzien. De dieren kijken in hun onnozelheid van onder op het zijn, maar spreken er over alsof ze het van boven bekijken. Ze maken de levensvragen beschouwelijk, handzaam en laagdrempelig. Ze spreken hun ongecompliceerde gedachten aan elkaar uit om meer te weten te komen van het bestaan en het doel, de zin van het leven: waar gaan we eigenlijk heen.

    De verhalen in het boek zijn niet alle nieuw. Voor mij wel. De oude verschenen in eerdere uitgaven. Tellegen vulde het aantal voor deze uitgave aan met enkele onlangs geschreven  vertellingen. De filosofische vraagstukken ontroeren in handen van dieren. Door hun onlogische logica zetten de dieren de mensen aan het denken. En soms kan ik een omfloerste lach niet onderdrukken. Die dieren zijn net mensen. Met al hun belachelijke gedachten, ideeën en standpunten. Toon Tellegen houdt ons een spiegel voor. Een lachspiegel waarin we ons zijn vervormd weerzien.

    De verbeeldingen uit ons dagelijks leven projecteert Tellegen op de dieren in zijn verhalen. De eekhoorn en de mier gaan in het eerste verhaal naar de verte, de toekomst. Ze lopen urenlang door naar die verte en stuiten op een muur, kunnen niet verder. De mier klimt op de muur en ziet niets. Kijkt hij in het hiernamaals? Er zijn mensen die menen dat daar inderdaad niets is. En dan de vraag van de krekel aan de schildpad. Is hij er wel zeker van dat hij de schildpad is. Je bent wat je doet, of is dat niet het wezen van het zijn. En de mier kan alles denken. Zich alles indenken en uitdenken. Denken heeft geen geheimen. Verder doordenken dan tot oneindig. Overdenken, toedenken. Maar iemand wegdenken kan ze niet. De neushoorn en het nijlpaard, beide willen het eerst aan de beurt zijn in de winkel van de sprinkhaan. Ze voeren allerlei redenen aan om maar aan te geven dat deze voor de ander eerst aan de beurt is. “Mijn wil bestond eerder dan ik. Die hing al in de lucht toen er nog niks bestond, de hele wereld niet, de zon niet, het was nog helemaal donker en koud en stil, maar mijn wil om vandaag hier in de winkel van de sprinkhaan iets te kopen, die zweefde al rond.” Zijn wij alle niet zo kleinzielig om haantje de voorste te zijn, op de eerste rij te staan, te denken dat het nu onze beurt is.

    Een veruurdag vieren

    Toon Tellegen bedenkt wonderlijke dingen, filosofeert zich een punthoofd. Geeft oplossingen voor onbestaande vraagstukken. Deze zijn echter wel heel werkelijk, wanneer je er goed bij nadenkt, het overdenkt. Er peinzend induikt. Wat te denken van de verjaardag van de eendagsvlieg. Hij heeft maar één enkele dag in zijn leven, dus kan hij slechts een veruurdag vieren. Logisch toch? De krekel is zo nieuwsgierig naar hoe zijn gevoel eruitziet dat hij zich binnenste buiten keert. En wat is de waarde van de tor. Hij is iets waard. Niet helemaal niets. En schrijft het op de muur. “Dat ben ik, dacht hij. Dat moet ik nooit vergeten.” Kun je de grootte van iets afmeten. Wat is groot en wat is klein. Verjaardagen zijn klein, want duren nooit langer dan een dag. Verdriet is groot, onherbergzaam en koud en stil. Maar het kan ook klein zijn, zo weg te blazen. De struisvogel steekt zijn kop in de grond en droomt ergens anders te zijn. Wat zal ik dat graag wensen, me ergens voor afsluiten en menen op een andere plek te zijn dan daar waar ik ben en niet wil zijn.

    En soms praat ik net als de eekhoorn met de dingen in mijn kamer. Vooral nadat ik dit boek van Toon Tellegen en Thé Tjong-Khing heb gelezen en bekeken. Ik leg het voor me op tafel en richt mijn woord tot het boek. Stel de vragen die de dieren elkaar stellen, het boek geeft me de antwoorden. Zoals op iedere pot een deksel past, zo sluit elk antwoord de vraag af. Misschien niet altijd even bevredigend, is het een dooddoener. Nadenkend, in de diepte overdenkend, kan ik de vraagstelling wegdenken en me het antwoord indenken. Tellegen schrijft waarheden als koeien. Thé tekent er een levendige verbeelding bij. En ik zak nog dieper weg in mijn fauteuil. Is het een foute uil?

    Waar gaan we eigenlijk heen. Tekst Toon Tellegen. Illustraties Thé Tjong-Khing. Uitgave Em. Querido’s Uitgeverij, 2023.