Tag: filosofie

  • Wij zijn niet meer dan wat wij weten van het leven

    In het graafschap Pembrokeshire aan de westkust van Wales wist men in 1866 al dat gezond leven de mens doet bloeien en groeien. En daar poëzie dieper indaalt dan proza rijmde men met die wetenschap “eat an apple on going to bed, and you’ll keep the doctor from earning his bread”. Twintig jaar later zijn deze gevleugelde woorden door Amerikanen verbasterd tot het nu nog bekend in de oren klinkende “an apple a day keeps the doctor away”. Een pront eindrijm blijft hangen. Bij het lezen van de tweede bundel filosofische fabels van Jan Bouwstra maak ik van dat treffende gezegde dan losvast “a fable a day keeps the blues away”, of in goed Nederlands “een fabel per dag en je leeft met een lach”. Want dat is het recept in deze toch wel meer dan enigszins merkwaardige tijd, waarbij het water ons tot de lippen staat en wij naar adem happen. Meer dan een enkeling zal daarbij staan te juichen aan de zijlijn, en deze figuren raad ik daarom ten stelligste aan de bundel ongeopend op de plank te laten liggen. Maar al de anderen, die in zak en as zitten om het gebeuren overzee en dichterbij in de grachtengordel, kunnen even uit de duistere malaise raken met Bouwstra’s fabels.

    Het is voor mij in elk geval een welkom voorschrift, een gewenst precept. Had ik deze beleving al zo met de eerste bundel “De brilslang, de boktor en de andere dieren”, deze tweede bundel doet daar een schep bovenop: “De krekel, het bos en de wereld”. Omdat ik zo in de put scheen te zitten las ik zelfs meerdere fabels per dag om op de been te blijven. En ieder kort verhaal tovert een glimlach rond mijn mond. Ik zie de zon weer achter de wolken in het water schijnen. De fabels zijn een zonnetje in huis, een kwinkslag bij iedere donderslag. De vrolijke noot in een treurige compositie. Ik zou wensen dat zekere personen onder ons het eens zullen lezen om tot andere inzichten te komen, hoewel ik ze hierboven verzocht de bundel in de kast te laten. Dus mezelf tegensprekend zou ik willen dat ze in deze fantasie losjes rond de lippen worden en niet zo’n stijf gezicht opzetten.

    De Fabeltjeskrant

    Verkneukelde ik me vroeger al bij de uil, de vos en de bevers van De Fabeltjeskrant. Een tv-programma voor kinderen dat zeker ook volwassenen aansprak. De levensvragen werden toen al door de vilten dieren laagdrempelig gemaakt, zodat de jonge kijkers antwoorden kregen op vragen waar volwassenen niet over durfden denken. In de fabels van Jan Bouwstra zijn die lastige kwesties tot eenvoudige vraagstukken gemaakt. Niet dat de schrijver oplossingen biedt, maar hij legt de dieren conclusies en uitwegen in de mond. Zij dienen als spreekbuis voor zijn kijk op de wereld. Anderszins zou hij veel kritiek op zijn bord krijgen, nu echter is hij de schaduw van de uil en kan zich verschuilen achter de bomen. De dieren bekijken hun leefomgeving op de open plek in het bos en langs de oever van de vijver met de blik van het kind – een naïef inzicht zogezegd. Maar de krekel, de mier en de neushoorn worden niet als kinderen, maar blijven dieren waarvoor het bos de wereld is.

    De dieren lijken net mensen, met dezelfde mensenwensen en dezelfde mensenstreken, echter behouden het natuurlijke instinct. Daarom kan het zijn dat een gesprekspartner van het ene op het andere moment wordt opgegeten, omdat deze lekker oogt en het de honger stilt. In het bos lopen onnozelaars rond die enkel de eigen lusten najagen. Maar er zijn ook mijmeraars die de loop der dingen proberen te duiden. En er zijn dromers om het moment te beschouwen. Deze diverse bewoners dienen allemaal een doel, namelijk het verklaren van het leven. Wie kunnen beter het zijn relativeren dan de dieren. Of wie kunnen beter als metafoor van de mens worden ingezet dan de pad, de mol en de struisvogel. Jan Bouwstra voert een hele Artis aan dieren op, van kleine kleverige slakjes tot langnek giraf en van het stekelbaarsje tot de olifant.

    Apen en beren, mug en olifant

    De schrijver, dichter en biochemicus is een meester in het beschrijven van sferen. Vrijwel iedere fabel zet in de eerste regel een duidelijke stemming neer. “Het was herfst en de hemel bracht wit licht naar het bos, zonder de glimlach die de zomer er meestal bij schonk.” Oplettend lezend wordt in de bundel het najaar besproken, maar het beoordeelde leven brengt het zonlicht in de sombere dagen. “Aan de hemel dreven wolken over, als sluiers van traagheid die het zonlicht dempten.” Maar ook tuurt de brilslang naar de einder, terwijl de krekel behoefte heeft aan een praatje: “Het gekleurde licht van de ondergaande zon verspreidde zich over de afzonderlijke wolken, die als flarden van het oneindige voor de hemel langsdreven.” Want juist in de schemer, van de dag en van het jaar – van het zijn, verdienen levensvragen antwoorden, krijgt de zinzoektocht een doel.

    De schepsels van Bouwstra relativeren de moeilijkheden zoals alleen dieren dat kunnen doen. De mens ziet apen en beren op de weg en gaat ze het liefst uit de weg. Het dier maakt ook wel van iedere mug een olifant, maar luwt snel de storm in het glas water. De fabel toont in spiegelbeeld de mens. Juist door een dergelijke vertelling kijkt de mens op zijn neus, worden de zwakheden en de imperfectie sarcastisch duidelijk. Waar de filosofie als denkwijze moeilijk verteerbaar kan zijn, omdat de visie lijkt te zweven tussen verstand en gevoel, krijgt deze door de humoristisch getinte fabel een lage drempel.

    Gepokt en gemazeld

    Jan Bouwstra neemt mij aan de hand mee het bos in, de open plek op om me naast de vijver in het gras te vleien en te luisteren naar zijn verhalen. Soms glimlach ik om de in mijn ogen stommiteiten of lach ik om onbedoelde woordgrappen. De uil kijkt me dan vanaf zijn tak gezeten streng aan en heft zijn vleugel tot bezwerende vinger. Het bestaan wordt doorgenomen en dat is niet om te lachen, zo gebaart de vogel. Wel is de reflectie van het menszijn, de spiegel die ons door de fabel wordt voorgehouden, in hoge mate een karikatuur, een schets waarin ik ons bij de neus voel genomen. In de korte verhalen horen wij een echo van onszelf. Het dier staat niet enkel symbool voor de mens, het dier in deze vertellingen is de mens.

    De dieren zijn gepokt en gemazelde filosofen. Met een hoogbegaafd hoofd als van de giraffe, evenwel met laagbegaafde benen, proberen zij de eeuwigheid in woorden te verpakken. Ontdekken ze dat een ziel dat is wat voor jou denkt en voelt en wil. Is het werken een ziekte van het denken. Komt verholen de populistische politiek voorbij en wordt God eens ingeschakeld, want niets menselijks is het dier vreemd. “Wij zijn niet meer dan wat wij weten van het leven”, verdwaalt de brilslang tussen uitspraken, veronderstellingen en aannames, “en het leven is niet meer dan wat het weet van ons.” “Zijnden in het zijnde zijn wij”, vult de uil een leegte met gedachten op daar praten twijfel zou zaaien. De dieren filosoferen over het zijn en denken na over het niet-zijn. Wie zijn wij, vragen ze zich af, waarom zijn wij. Zo sjokken ze rond in hun hoofd. Buurten in de hoofden van anderen om gedachten van anderen te ontmoeten en die met hen mee te nemen. Gedachten die zich mengen om van betekenis te zijn. Voor iemand die er oog voor heeft.

    En ik lees nog eens een fabel om de dag aan te kunnen. De lichtvoetige schrijfstijl van Jan Bouwstra verlicht mijn levensstijl. Als geleerd esculaap schrijft hij mij het recept voor om het leven aan te kunnen. Als gediplomeerd kwakzalver mengt hij fantasie met filosofie tot fabel, waarbij de fantasie een hoog gehalte van waarheidsvinding heeft. Hij is de chirurgijn die mijn gedachten fileert en mijn hoogmoed scalpeert. Met zijn humor haalt hij de mens van de ivoren toren en plaatst deze tussen de dieren die hun spiegelbeeld in het water van de vijver begroeten.

    De krekel, het bos en de wereld. Jan Bouwstra. Filosofische fabels. Illustraties Angela van der Meulen. Uitgeverij Noordboek, 2025.

  • Het web gesponnen, het weefsel gewoven, het leven geleefd

    Stel je voor. Ik denk mij in. Beeld in gedachten af. Schilder mij een man krom gebogen achter een weefgetouw. Zwoegend en zwetend vervlecht hij horizontale en verticale groepen draden tot een weefsel. Bloed, zweet en tranen – schering en inslag. Werp ik een blik over zijn schouder zie ik dat de draden reeksen letters zijn, die woorden vormen en zinnen rijgen. Met deze horizontale letterreeksen weeft de man, laat ik hem voor het gemak Adrie noemen, een patroon dat door verticale regels een weefsel wordt. Een spinsel van woorden, een netwerk van denkbeelden, een complex gedachtegoed. Adrie windt zich over allerlei zaken op en rolt zijn doen en laten voor mij uit. In levensbeschouwelijke bewoordingen, met een duidelijke visie op politiek en religie, schrijft hij mij zijn waarden van het bestaan voor. Zijn bestaan, dat een spiegel voor mijn zijn kan zijn. Hij dringt niet op en praat niet aan, houdt geen voet tussen de deur. Maar legt in filosofisch eenvoudige teksten uit waar het volgens hem op staat, waar het volgens Adrie naar toe zou moeten gaan om de wereld leefbaar te houden.

    Niet uitstellen tot morgen

    In zijn recent uitgebrachte boek “Weefsels” laat Adrie Krijgsman in taalbeelden zien hoe alles in dit leven op deze wereld aan elkaar vast zit en met elkaar te maken heeft. Torn je een draad uit het weefsel los is de doek meteen geen lap meer, mist er een lijn om het geheel compleet te maken. Proactief met een over het algemeen positieve kijk op het leven en een sterk arbeidsethos weet Krijgsman zijn tijd efficiënt te beheren. Hij stelt niet uit tot morgen wat vandaag gedaan kan worden, volgt zijn dagelijkse routine en prioriteert de zaken. Daardoor is hij een veelschrijver en daarmee een woordsmid die een grote productie aan uitgaven op zijn naam heeft staan. Want met dat ik “Weefsels” lees valt er een nieuw boek door de brievenbus. “Hlub!” is een beklemmende vertelling staat achter op het omslag, met de komst van een smerige grijze hond, een oude geliefde en de dood die steeds dichterbij komt. Maar daarover later geschreven…

    In ”Weefsels” stelt Krijgsman doordringende vragen aan zichzelf en aan mij als lezer. Hij had de scherpzinnige antwoorden daarop best voor zichzelf kunnen houden, maar zijn intelligent geestige zienswijze moet de wereld in, moet kenbaar gemaakt worden en gekend zijn. Het maakt er de wereld een zucht beschouwelijker op, het leven een moment meer levenskrachtig. Door de zienswijze van anderen op mij te laten inwerken, door nieuwe draden aan mijn weefsel toe te voegen, krijgt mijn mening een grotere inhoud en kan ik de zon achter de wolken zien schijnen. De dichterlijk-filosofische bespiegelingen van Adrie Krijgsman in “Weefsels” zetten mij aan het denken, reflecteren mijn kijk op de wereld. Hij schrijft ware woorden.

    Verhaal van de profeet

    Evenwel in woorden gaat hij tekeer, nochtans in zinnen kat hij het zijn af. Maar niet zo dat hij er afstand van neemt, de schrijver is onderdeel van het bestaan zoals dat op dit moment zich voordoet. Hij moet wel mee, zelfs op reis volgt het zijn hem als een schaduw. Daarnaast kan hij wel tegen huisjes die voor anderen (schijn)heilig zijn trappen en ze als de grote boze wolf omver blazen. Gebouwd op zand zijn deze een prooi voor deze denker, van de rots schuift hij ze zo pardoes af het fjord in. Echter altijd op zijn met omhaal van woorden persoonlijk vriendelijke manier. Zo’n stijl dat je in hem gelooft, als in de zalfjes van de kwakzalver of het verhaal van de profeet die niet geëerd wordt in eigen land. Hij windt zich op als een klok, blaast zich op gelijk een kikvors. Spreekt zijn afkeer uit in volle woorden als verweer tegen de holle woorden van de kopstukken van toen die nu politiek gezien nog bovenaan de lijst prijken. In een steekhoudende omhaal van woorden zegt hij waar het op staat. Want in een land als Nederland mag je denken wat je wilt, de gedachten zijn vrij, en je uitspreken en opschrijven wat je denkt en meent – maar hoed je voor de kwaadsprekers, de doemdenkers, de complottheorieën. Zij proberen je kapot te maken, onderuit te schoffelen, want alleen hun waarheid is werkelijkheid. Krijgsman verweert zich filosofisch kranig, wast hen de oren met taal die zij niet kennen.

    Eiland van melk en honing

    Weefsels, dat zijn structuren en vlechtwerken die op veel platformen in de maatschappij te vinden zijn. Krijgsman heeft het erover. Maar vooral schrijft hij over en ageert hij tegen de politieke weefsels. Ergert zich aan de stroperige samenstelling van het parlement, dat dit maar niet van de grond wil komen. Bij het voltooien van de bundel “Weefsels” is dat daar in Den Haag nog niet naar ieders tevredenheid afgerond, dus Krijgsman kan zich nog naar hartenlust opgeilen. Zo zou het schrijven gedateerd kunnen heten, maar de manier waarop Adrie de wederwaardigheden in de tijd zet is het tijdloos en van alle tijden. Hij strooit met metaforen. Belijdt het verleden, zet zijn vroeger in de schijnwerper. Het is de vluchtigheid van terug. De spiritualiteit van toen en daar. In ‘Woorden dichten taal’, een hoofdstuk dat erop lijkt het boekje levensvatbaarheid te geven in combinatie met de laatste oprisping ‘het verdikken van dunne boekjes’, dansen de zinnen in mijn gedachten langs hersenkwabben en ruggenmerg. Op de wijze van Krijgsman heeft hij een melodieuze compositie gemaakt. De dichter in de schrijver richt zich hierin op. Het is het meest vrolijke deel in de bundel, een partitie die ik graag nog eens weer opsla en overlees. Er is rijm en binnenrijm, er is metrum en ritme, parlando en epiek. Het is een tekst die eenvoudig als voordracht kan worden gedeclameerd. In de bundel is het een oase, een eiland van melk en honing.

    Adrie Krijgsman diept zijn kennis niet enkel uit zichzelf op. Hoewel hij peilloos kan duiken in het eigen wezen en met filosofische denkbeelden boven water komen. Of graven tot de harde bodem is bereikt om softe mijmeringen op te halen, starend peinzen. Integendeel, hij heeft een boekenkast vol andere diepe denkers en put daar naar believen uit. Het is een bron waarin hij bij tijd en wijle een emmertje gooit dat vol quoten naar boven wordt getakeld. Het geeft de tekst grond, een basis waaruit blijkt dat niet alleen Krijgsman de wijsheid in pacht heeft. Er zijn zoveel overige wijsheden waarop hij kan aansluiten of kan aanhalen om zijn eigen kunde te staven. Zijn denkbeeld te staven en zienswijze te bevestigen, zijn waarheid en mening te rechtvaardigen. Een filosofie wordt uit meerdere denkbeelden en ideeën gevormd. Weefsels ontstaan uit meerdere draden en patronen, schering en inslag.

    Weefsels, dichterlijk-filosofische bespiegelingen. Adrie Krijgsman. Uitgegeven bij Brave New Books, 2024.

  • Reisgids door het leven van een vergeten filosoof

    Zoals in de zweterige zomerzon een gekoeld biertje van de tap op een beschaduwd terras wonderen doet, zo leest de proza en poëzie, ja bekijkt de kunst van Adrie Krijgsman zich. Het is een verademing, en dat zeg en schrijf ik niet om bij hem in een goed blaadje te komen om weer eens een vermelding op het omslag van een door hem in eigen beheer uitgegeven boekwerk te krijgen. Krijgsman behandelt kunst en literatuur op een luchtige wijze, maakt van filosofie een jip-en-janneke wijsheid. Laagdrempelig en vermakelijk, maar voortdurend met een serieuze ondertoon. Somtijds is hij een cynicus om daarna te worden tot scepticus. Een sarcast, ironisch knipogend naar de samenleving die hij op reis achterlaat.

    Poëtisch tuurt hij naar de einder

    Het is voor mij kortom een verademing om tussen al de boeken die ik lees door een uitgave van Krijgsman ter hand te nemen. Tussen al die catalogussen over deze en gene tentoonstelling, levensbeschrijvingen van kunstenaars, light verse en axiomatische poëzie. Hoogst interessant, maar het vergt aandacht en concentratie. Dat is in mindere mate het geval met en bij het werk van Adrie Krijgsman. Natuurlijk houdt hij me bij de les. Ik kan, hoewel de tekst filosofisch is en soms een minder realistische kijk op de werkelijkheid geeft, in zijn beeldende verhalen verlicht op adem komen. Of bij zijn verhalende beelden mijn blik op oneindig bepalen en het verstand uitschakelen. Dan neemt de kunstzinnige filosoof mij aan de hand mee zijn wereld in. Poëtisch tuurt hij naar de einder en dichterlijk is de omgeving beschreven. Qua taal en beeld is hij van veel markten thuis, zoals dat heet, hoewel hij altijd op reis is en zelden thuis – in gedachten en lijfelijk. Om maar niet als kikker van de lage landen in de snavel van de ooievaar te belanden, maar de politiek van de koude grond te ontvluchten en van een afstand tot de aanval over te gaan. Maar telkens keert hij terug naar het land waar hij eigenlijk weg wil.

    In één ruk uitlezen

    Om de uitgave andermaal, of op de letter voor een derde keer, aan te prijzen nog dit. Las ik op de achterflap van een roman die bij ons op de leestafel ligt, in dit geval ‘Het Wilde Eiland’ van Karen Swan: “Dit is een boek waar je zolang mogelijk van wilt genieten, maar dat je ook in één ruk wilt uitlezen”. En precies zo vergaat mij dat met ‘De Vergeten Filosoof’. Ik wil zo lang mogelijk genieten van die gedetailleerde beschrijvingen van de omgeving, waar Adrie Krijgsman een patent op schijnt te hebben. Zijn kunstzinnige geest neemt waar om die waarneming en ervaring in een filosofische beleving uit te schrijven. Er ontvouwt zich voor mijn ogen en in gedachten een Krijgsman-landschap. Maar lekker is maar één vinger lang, deze nieuwe uitgave maar 125 pagina’s dik. En ik wil het boek in één ruk uitlezen, omdat ik het resultaat van de zoektocht naar de vergeten filosoof wil weten. Dat houdt de schrijver tot het laatst toe namelijk onder de pet.

    De meest effectieve speurhond

    Zijn reis voert naar Frankrijk, op zoek. Een reis in het spoor; de mens wil een doel. Een prettige en nuttige invulling naar het zuiden. Een voor Krijgsman interessant samenspel van reizen, schrijven en filosoferen. Dus via Google, “de meest effectieve speurhond”, bij de zoekwoorden filosoof en Carcassonne op Pierre Bayle gestuit. Toeval? Hoewel deze denker wordt betiteld als wereldberoemd, moet Krijgsman met het schaamrood bekennen hem over het hoofd te hebben gezien, als culturele allesvreter vaag wetend van zijn bestaan en als onwetende nitwit dus vergeten.

    Ook niet zo verwonderlijk, hoewel er digitaal talloze verwijzingen naar de filosoof zijn, er een prijs naar hem vernoemd is, hij in de Nederlandse canon is opgenomen en er een monument in Rotterdam staat; Bayle, een kluizenaar die afgezonderd voor zijn tijd tot verrijkende dan wel in onze tijd verreikende gedachten is gekomen. Van de Gouden Eeuw stammend en daarvan op latere leeftijd in Rotterdam een graantje meepikkend. De van oorsprong Franse wetenschapper heeft een groot en veelzijdig oeuvre op zijn naam staan. Dus voor Krijgsman reden zijn kennis op te poetsen en op zoek te gaan naar verblijfplaatsen en het reilen en zeilen van in de loop der tijd enigszins op de achtergrond geraakte filosoof. Een vakantiereis met een missie. Niet alleen het doel Bayle beter te leren kennen, maar ook stad en land waarin hij vertoeft te onderzoeken op heden en verleden. Tijdens de reis doet hij de ene ontdekking na de andere, komt hij nader tot Pierre Bayle. En hij maakt mij daarvan breedvoerig deelgenoot met zijn uitgave “De vergeten filosoof”.

    Zijn liefde voor de natuur

    Wie denkt dat Krijgsman enkel zijn zoektocht beschrijft heeft het mis. Telkens is het eigenlijke onderwerp in zijn boeken de kapstok waaraan het verhaal is opgehangen. Maar spuit hij zijn afkeer en goodwill in meest filosofische benadering uit over mens en maatschappij, en beschrijft meer dan terloops zijn liefde voor de natuur. Net als Bayle dat in zijn geschriften deed zaait ook Krijgsman verwarring in zijn bedenkingen, controversieel, uitdagend. Krijgsman wil zich niet al te veel vereenzelvigen met die vergeten filosoof, maar toch telkens strooit hij de overeenkomsten door de tekst. Zij delen onder meer en boven alles het altijd kritisch doorvragen, voorbij de eigen identiteit.

    Op goed geluk reist Krijgsman stad, dorp en land af in de veronderstelling een spoor op te kunnen pakken van de mens die hem in doen en laten inspireert om een vinger achter zijn leven te kunnen krijgen. Een zijn dat als een jas om zijn wezen past, zijn boek daarover geschreven is het carbonpapier tussen beide levens. Hij ontdekt stukje bij beetje, letter voor alinea, de levensloop van Bayle, zodat hij mij een biografie van deze mens kan uitschrijven. Na de poëtische omhaal van woorden over streek en omgeving gaat hij dieper in op de zoektocht en de vindplaatsen. Laat Krijgsman mij weten wat hij was vergeten.

    Pierre Bayle, zo ontdekt Krijgsman, heeft als filosoof geen gidsfunctie. Hij brengt ons, zijn onwetende opvolgers in de tijd, aan het twijfelen over de zin, van het bestaan? Want een juiste filosoof, in gedachten van Krijgsman, stelt vragen, de consumptiemaatschappij geeft antwoorden en de kunstenaar laat ze vonkend langs elkaar schuren. “Laat mij daarnaast dan maar reizen door leerzame teksten en veelzijdige texturen van het landschap.” Bayle twijfelt aan zichzelf, want is dan in staat zijn eigen zelf te relativeren om zich beter in te leven in het standpunt van de ander. En dat is, lees ik tussen de regels door, tevens het geval bij Krijgsman zelf. De twijfelaars bezitten de halve wereld, omdat zij oog en oor hebben voor de andere helft.

    De vergeten filosoof. Een reis in het spoor van Pierre Bayle. Adrie Krijgsman. Uitgegeven bij Brave New Books, 2024.