Tag: fotografie

  • Ze hielden over ons de wacht

    Vreemde bouwsels verspreid over en in het landschap. Hoog oprijzend maar niet passend tussen bomen en struikgewas, dus daarom de aandacht op zich vestigend. Onwezenlijk in de omgeving als ongedefinieerde bouwwerken van een verleden tijd. Voor en door die tijd open gewerkte torens in een experimentele architectuur. Zijn het follies? Met een decoratief, kunstzinnig of ludiek karakter, zonder doel dan er enkel te zijn. Of dienen ze ergens toe, hebben ze een serieuze functie. Dat hadden ze, ooit, de luchtwachttorens. Want dat zijn het, bouwsels om op hoogte de hemel in de gaten te houden, te speuren naar niet geïdentificeerde vliegende objecten van vijandelijke makelij. Tijdens de Koude Oorlog, waarbij west en oost gescheiden door een muur als kemphanen tegen over elkaar stonden, waren er honderden verspreid over het land opgericht. Nu zijn er nog een paar handenvol van die verdedigingswerken over, als beschermde monumenten vooralsnog aan de sloophamer ontkomen.

    Bij het tot stand komen van het netwerk torens om de veiligheid van het land te dienen was de betekenis ervan voor de verdediging van luchtruim en grondgebied eigenlijk al achterhaald. De uitkijkposten dienden geen functie meer. Werden ongewild en onbedoeld excentrieke toevoegingen in het landschap. In aantal vanuit de lucht gezien een dreiging vormend, onderwijl ze de wacht hielden over het land. Wij konden rustig gaan slapen, want de manschappen – vrouwen kregen geen toegang – van de dienst KLD (Nederlandse Korps Luchtwachtdienst), beschikkend over een best gezichtsvermogen – ofwel behept met arendsogen, speurden handmatig de lucht af op vermeende vijandelijke handelingen. In die tijd van de Koude Oorlog. Er was immers de dreiging van Rusland.

    Het belang en gewicht verloren

    Slechts een enkele maal drong een ongewenst schijnend vliegend object het luchtruim binnen – het bleek een tuig vliegend onder Russische vlag komend van een vliegshow in Frankrijk die enkele luchtfoto’s van de natuur in Limburg wilde maken. Voor de rest van de tijd draaiden de manschappen duimen, onderwijl turend door kijkers met blocnotes in de hand en mobilofoons aan het oor. De wapenwedloop was de torens echter te snel af, want berekent op door propeller aangedreven vliegtuigen bleken de nieuwerwetse straalvliegtuigen te rap voor het blote oog. En was het contact over een mogelijke vijandelijke overtreding te langzaam op de juiste plek om adequaat in te kunnen grijpen.

    De torens verloren het belang en gewicht, werden gesloopt of overgeleverd aan de tand des tijds. Zeventien staan er nog hier en daar door Nederland. Alle met eenzelfde architectonische structuur op de tekentafel ontworpen door Marten Zwaagstra. Wanden met een honingraatstructuur van prefab schokbeton te hergebruiken wanneer de dienst van de torens erop zou zitten. Want de luchtafweer zou tijdelijk zijn, de dienst wist dat de tijd het functionele karakter zou inhalen. Maar dat ging sneller dan gedacht en verwacht. Welgeteld achttien jaren hielden de torens de wacht. Er gebeurde al die jaren niets, de mannen zaten daar op hoogte bij wijze van spreken uit hun neus te vreten in ploegendiensten van drie uren – want ze moesten wel scherp blijven. Ze zagen alleen spreeuwen, uilen en wilde ganzen. Maar vogelkijkhutten behoeven niet door het Rijk worden opgericht en onder bevel vallen van de Koninklijke Luchtmacht.

    Koude Oorlog

    Volgens de uitgave “Het kunstwerk als kunstwerk, luchtwachttorens in Nederland” werden de torens spelers in een absurdistisch theater. Fotograaf Herman van den Boom zette de overgebleven torens op de gevoelige plaat, omdat hij gefascineerd raakte door de surrealistische bouwwerken en het fantastische verhaal erachter. “Een militaire organisatie die haar eigenlijk nutteloze ideeën met grote toewijding realiseert, haar leden in zinvolle uniformen steekt en ze verheft tot redders van het vaderland.” Waar een klein land groot in probeert te zijn, maar te sloom tot actie overgaat. “Een schelmenstreek”, noemt Van den Boom het, “een politiek gemotiveerd theater over een ernstige Russische bedreiging voor de bevolking of gewoon geldbelangen?

    De Russen zijn tot nu nooit komen opdagen. Op dit moment is de dreiging meer voelbaar dan tijdens de Koude Oorlog. Rusland heeft de oorlogstaal uit de koelkast gehaald en opgewarmd tot niet te pruimen kost. Nu zouden de torens van meer belang zijn, ware het niet dat deze tegenwoordig beschouwd kunnen worden als uitgestorven dinosaurussen. Het skelet steekt nog fier boven de bomen uit, maar de kracht is er allang uit verdwenen. Het kunstwerk heeft de huid afgedaan en dient ontveld geen enkel doel meer, anders dan dat het herinnert aan voorgewende spannende tijden met een denkbeeldige vijand. Pas nu is deze fantasie werkelijkheid geworden en beheerst dit het wereldbeeld negatief.

    Verdedigingswerken

    Herman van den Boom heeft met de fotocamera in de aanslag de resterende militaire follies bezocht. Er van alle kanten platen van geschoten om de historische waarde in beeld te brengen. Hoewel deze rotte tanden vloeken in de omgeving zijn ze van onschatbare waarde voor de geschiedenis van Nederland. Doordat ze eigenlijk nooit een duidelijk omschreven doel hebben gediend, omdat de dreiging enkel op papier bestond. Theoretisch was er een noodzaak, terwijl in de praktijk het een onnodige actie was. De foto’s in het boek lichten deze bijzondere angststoornis uit. Vanuit de vrees voor de oost heeft het verleden unieke bouwwerken nagelaten. De erfenis van de Koude Oorlog, die pas decennia na de val van de muur warm is geworden, laat een indruk achter van angst en vrees.

    De verdedigingswerken trekken sporen in de omgeving, maar doordat het overgrote deel is verdwenen kan het bedoelde netwerk niet meer worden ontdekt. Achteraf gezien is het jammer dat er zoveel al zijn verdwenen, maar niet verwonderlijk omdat zonder functie de torens eerder een sta in de weg waren dan ter meerdere eer en glorie van het landschap beschouwd konden worden. Over horizonvervuiling gesproken. De betonnen bouwsels kunnen nu worden bezien als kunstwerken in de zin van cultureel waardevolle herinneringen. “Men herkent er een torenachtige structuur in, of een klimhek, of misschien iets voortgekomen uit de bouwdoos van een gigantisch kind…

    Het zijn spelingen van een maatschappij die werd gedreven door angst voor een vermeende vijand. Laten we deze bouwwerken koesteren, hoewel ze te lelijk zijn om aan te zien zijn deze te mooi om neer te halen. Het boek vertelt naast de verbeelding het verhaal van de luchtwachttorens. Daardoor is het een fotoboek, maar ook een historisch verantwoorde uitgave. Heb ik me met de fotograaf ooit verbaasd over het bestaan ervan, nu ken ik het doel en de veronderstelde noodzaak. Het is een bladzij in het geschiedenisboek die niet hoort te worden uitgescheurd. Met zijn uitgave stelt Van den Boom dit vast en voegt juist een pagina toe. Een katern in de canon van Nederland.

    Het kunstwerk als kunstwerk. Luchtwachttorens in Nederland. Herman van den Boom, fotografie. Uitgave Verbeke Foundation, 2021.

  • 101 MOVIES: urbexfotografie avant la lettre

    Rijd je door een leeg landschap, onherbergzaam zelfs, een open vlakte, hier en daar een versteende boom of een joshua tree. De ruime ruimte langs de boorden van met name Route 66, een lange historische rit dwars door de Verenigde Staten van Amerika. De weg is helaas als hoofdweg tussen staten gesloten in 1985 omdat het traject irrelevant was geworden vanwege het Interstate Highway System. Maar die toeristische route dus door het landschap van de onbegrensde mogelijkheden. Op die vlakke gronden doemen van de weg af gezien voor Hollandse begrippen onwerkelijke objecten op. Grote schermen, billboards, vervallen bouwwerken die een groots verleden ademen. Het kenmerk van de roaring fifties. Herman van den Boom kon in 1976 de toen nog normaal in gebruik zijnde route volgen op zijn zoektocht naar drive-in theaters. Want dat is wat gezien werd vanaf de route als verlaten kunstwerken in die weidse atmosfeer. Langs ’s heren wegen  laat hij in dynamische beelden de road movie vastlopen, zet hij de herinnering stil en documenteert zodoende het leven.

    Is de traditionele bioscoopzaal meestal volgepakt met mensen, hoofden in allerlei soorten en maten – grote en kleine, kalende kruinen en weelderige bossen haar, die dan vooral in de weg en voor het beeld zitten. En neemt er net voor jouw een dame plaats met een veel te grote en te hoge hoed op, zodat dit obstakel het kijkplezier danig in de weg zit. In de drive-in bioscoop bestaat dit probleem niet. Vanuit de veilige ruimte en intieme sfeer van de auto kun je de film door de voorruit kijkend volgen op een immens groot scherm. Het is als televisiekijken, nog voordat dit begrip op het hoogtepunt van de drive-in alom bekend werd. Drive-in bioscopen zijn een fenomeen in de Verenigde Staten van Amerika, waar alles groot-groter-grootst en groots moet en kan zijn. Er is ruime ruimte genoeg.

    Voor filmprojectie ingerichte terreinen

    De autobioscoop beleefde het hoogtepunt in de jaren 50 van de vorige eeuw met ruim 4000 terreinen verspreid in het landschap, maar was in de decennia daarvoor en daarna ook al een populair concept. Bezoekers konden uitgaan, maar tegelijkertijd toch in privésfeer samen binnen zijn als vrienden of als gezin en belangrijker nog als verliefd stel. In het Amerika van die dagen waren seksuele avances in het openbaar namelijk verboden. Enkel met Valentijnsdag en alleen dan mocht men elkaar in het openbaar zoenen. Geen wonder dat de laatste rij auto’s op het terrein van de drive-in bekend stond als lovers’ lane, daar was minder oog voor de film maar meer voor elkaar. In de jaren 60 verloor de bioscoop in deze vorm aan populariteit. Deze filmzalen zonder muren bleken op den duur weinig rendabel, de (geluids)kwaliteit hield te wensen over en filmmaatschappijen wilden niet meer dat hun blockbusters hier werden vertoond.

    Van de duizenden voor filmprojectie ingerichte terreinen zijn er naar verhouding weinig overgebleven, misschien nog enkele die in gebruik zijn gebleven of opnieuw opgetuigd tijdens de coronapandemie. De verlaten gronden in een gecultiveerd landschap met vervallen schermen en reclameborden zijn een gewild en gewillig onderwerp voor fotograaf Herman van den Boom. Hij bezocht de Verenigde Staten van Amerika zodoende om deze plekken vast te leggen, de overblijfselen van een tijd voordat de kijkkasten de huiskamers hadden veroverd. Voordat een bulldozer deze laatste historische plekken van de cinema en plein air met de grond gelijk zal maken en er in de omgeving niets meer herinnert aan de film en het kijken, heeft hij deze typisch Amerikaanse plekken van samenkomst en recreatie als een document vastgelegd, gearchiveerd.

    Platen in zwartwit

    Het is een wonder dat er op het moment dat Van den Boom op zoek gaat en het land afstroopt er toch nog zoveel van deze theaters bestaan. In Nederland zouden deze allang zijn opgeruimd zodra ze werden verlaten, want wij vegen ons stoepje graag schoon. Na diverse tentoonstellingen kreeg de serie pas in 2022 een uitgave in de vorm van een fotoboek. Het boek ‘101 movies’ laat zijn speurtocht naar deze bijzondere plekken zien. Hoewel de ruimten praktisch waren ingericht en destijds dubbel en dwars aan het doel beantwoordden, lijken het nu mysterieuze plekken in het landschap. Unheimische bakens in de overwegend lege en aangeharkte omgeving. Even spookachtig als de leeggelopen mijnwerkersdorpen alwaar tumbleweed door verlaten straten tolt. Een natuurlijk decor voor een wilde western. In deze sfeer en in die reeks van unieke bezienswaardigheden die een tijd van weleer fluisteren kan de drive-in worden geplaatst. Destijds was het er een vrolijke bedoening, een drukte van belang met af- en aanrijdende auto’s, nu is het er griezelig stil in de leegte van de verloren tijd.

    Het vastleggen van vervallen drive-in bioscopen kan geschaard worden onder urbexfotografie. In dat metier is het alsof fabrieken en huizen, paleizen en kerken overhaast  zijn verlaten. Het interieur staat er zo bij dat het gisteren nog werd gebruikt en morgen verleden tijd is. Het stof en de rag tonen aan dat de gebouwen al langere tijd in onbruik zijn geraakt, maar ze ademen nog altijd de sfeer en stemming van weleer. In het opgeruimde Nederland zou een dergelijk pand allang met de grond gelijk zijn gemaakt, hoewel er hier en daar in het Hollandse landschap nog wel enige zijn te vinden waar dit gevoel kan worden ervaren. Vooral over de grens verschuilen bouwvallen zich tussen bomen en op privégronden. De fotografen die deze plekken bezoeken moeten er dikwijls veel moeite voor doen om binnen te geraken. Meestal is de plek afgezet met hekken en zijn de ramen dicht getimmerd: no entrance, verboden toegang. Maar wanneer men binnen is kunnen de mooiste sfeervolle platen worden geschoten getuige de fraai vormgegeven fotoboeken die daarvan getuigen.

    Op de manier als dat ik die fotografie van vervallen gebouwen bekijk blader ik door het boek van Herman van den Boom. Mij verwonderend over de platen in zwartwit. Er staan geen kleurenfoto’s in zodat de sfeer die is vastgelegd nog meer buiten de tijd valt. Van den Boom hoeft geen moeite te doen om de terreinen te betreden. De schermen en verwijsborden staan vrij in de ruimte, als stilzwijgende herinneringen. Bakens in de tijd, een vervlogen periode van amusement. De plekken schijnen zo te zijn achtergelaten nadat de laatste film is afgetiteld en de auto’s zijn weggereden: the end. Ze ademen een onwerkelijke sfeer. Decors van een film, terwijl het onderdelen zijn om juist de film op te projecteren en te aanschouwen. De drive-in is zelf tot bezienswaardigheid geworden. De grote witte schermen, nauwelijks verkleurt door weer en wind in de tijd, staan klaar om als dragers te dienen voor bewegend beeld. Maar de dynamiek is eruit, de recreatie is geworden tot creatie. Creaties, producten van een tijd die nu terugkijkend overladen is met nostalgie. De maaksels herinneren ons aan een wereld toen geluk heel gewoon was, schijnbaar betere tijden.

    Verwaarloosde materiaal

    De reclameborden schreeuwen allang niet meer om de aandacht. De neonreclame is gedoofd, maar prijst nog de laatste film aan. De drive-ins waren al attracties, maar zijn nu toeristische bezienswaardigheden. Met weinig opsmuk, simpel om doelmatig om de filmliefhebbers van toen te bedienen. Nu zijn het ruïnes die het landschap niet verfraaien maar wel decoreren. De fotograaf verheft de plekken tot kunstwerken. Portretteert de schermen, maar toont ook de achterkant die meer interessant is. Het geraamte van het functionele kunstwerk is meer bezienswaardig dan het gladde en effen scherm zelf, het geeft kijkplezier XL. De zwartwit fotografie maakt het verwaarloosde materiaal tot een dramatische documentaire. Tegen een strakke lucht of aangrijpende wolkenpartij speelt de drive-in de hoofdrol in een decor van door mensen aangeharkt landschap. Overdag is het een onwerkelijk schouwspel omdat het natuurlijk bedoelt is om in het donker te stralen. Maar ook in de avond blijft het daar nu duister, licht ook de reclame niet meer op. Het terrein ligt er verlaten bij, de bandensporen van limousines en ander rijdend materiaal zijn gewist, het doek blijft leeg, pijlen wijzen naar niets. The End.

    101 MOVIES. a survey of American drive-in theaters / 1976. Herman van den Boom, fotografie. Klaus Honnef, voorwoord. Uitgave Éditions Yellow Now, 2022.

  • Hij is niets – zijn kunst is alles

    Dat boek van Oscar Voch, dat los-vast catalogus is bij de tentoonstelling ‘fluisteringen’ in Museum Belvédère, dat boek is welbeschouwd niet enkel een kunstboek gezien in het licht van de beeldende afbeeldingen daarin, maar zeker ook in de denkbeeldige teksten. Oscar Voch is een kunstenaar die op twee benen loopt, maar zich vasthoudt aan een duidelijk idee en een scherpe mening over zijn kunst en de Kunst in het algemeen. “Goede Kunst is half werk. De andere helft ontstaat in de geest van de beschouwer.”

    Hij is een begenadigd beeldmaker en een begiftigd schrijver – beeldbouwer met woorden. Zijn filosofische bespiegelingen kan Voch kwijt in fotowerken, gemanipuleerde fotografie. Maar ook in oneliners, stellingen en korte verhalen. In de taal komt hij meer zichtbaar tot een punt, geeft hij makkelijker uitleg van zijn gevoelens. In het beeld brengt Voch een mystieke ofwel mysterieuze inslag in de openbaarheid. Zijn standpunt in woorden is beter te volgen. Dat wil echter niet zeggen dat hij in beelden geen meester is. Het verhaal snap je in eenmaal of tweemaal lezen, het beeld begrijp je pas wanneer het intiem en intens wordt beschouwd. “Scheppen is of moet zijn: herscheppen. Het opnieuw scheppen van de werkelijkheid, maar in een andere vorm.”

    Eigenzinnig, een perfectionist

    Zijn kunst heeft geen woorden nodig, het spreekt voor zichzelf. Nauwkeurig bekeken. Uitleg is wel op de plaats voor zijn visie op kunst en de Kunst. Op zijn eigen bewegen in dat métier. Hoe hij er tegenover staat. Deze filosofische reflecties tillen automatisch zijn werken naar een hoger peil. Maar ook zonder het boek te lezen en enkel plaatjes te kijken, is de kracht van zijn leven en werken, zijn doen en laten te onderkennen. Oscar Voch weet zich in beelden poëtisch te uiten. De fotowerken zijn als gedichten, de figuratie in het beeld rijmt, de beeldmerken verhouden zich ritmisch tot elkaar. Naast proza waarin hij mijmert over de Kunst schrijft hij poëzie. Ook daarin is het metrum en de klanksymboliek in orde, even perfect afgewogen als in zijn beeldende kunst. Want alles moet kloppen en samenvallen met de idee van de kijker casu quo de lezer. Opbouw en begrip vergen tijd. Niet meteen is het punt gemaakt en doorzien.

    Oscar Voch is een bijzonder kunstenaar. Eigenzinnig, een perfectionist. Zijn oeuvre is beperkt, omdat een werk pas klaar is wanneer het af is. En dat af gaat door de ogen van de kunstenaar door een strenge selectieprocedure. Een werk is niet zomaar af, het valt niet zelden buiten de boot en verdwijnt in de prullenbak. In het boek en tijdens de tentoonstelling zijn 50 fotowerken te zien die door de ballotage zijn gekomen, waar Voch dubbel en dwars tevreden over is. Deze zijn volgens hem voldragen en voltooid. “De kunstenaar die denkt, ik ben er, is nergens meer. Een kunstenaar is hoogstens voor het moment tevreden.

    Idee van schilderijen

    Die voltooide werken zijn de hoofdwerken – voor een tweeërlei uitleg vatbaar. Het zijn de voornaamste werken, en ze zijn ontsproten in de gedachte. Geïnspireerd op het leven om het leven in zinnebeelden te duiden. Volgens Voch zijn het zelfportretten zonder dat zijn hoofd altijd in beeld is. Want in ieder werk is hijzelf aanwezig daar hij het is die het heeft gemaakt. Ook komt zijn kop op en in menig werk voor, want je hebt jezelf toch altijd bij je. Jou gezicht ken jij zelf het best, dus jij kunt jou mimiek eenvoudig bijstellen. Als eigen opdrachtgever heb jij jezelf in de hand. “Ik ben niets – mijn Kunst is alles.”

    Hoewel het fotowerken betreft hebben de composities het idee van schilderijen. Voch stelt het hoofdwerk samen uit diverse gedetailleerde beelden. Zo ontstaat een collage terwijl de oorsprong van knip- en plakwerk niet te achterhalen is. De fotograaf maakt er een schilderachtig geheel van middels computerprogramma’s als Photoshop. Hij neemt uit een beeldcollectie, een plaatdatabank, de meest aansprekende delen om er een welluidend en spraakmakend resultaat van te krijgen. Zet zijn werken niet overvol met details en figuratie, want minder is meer – om de boodschap te brengen is weinig woord in dit geval beeld nodig.

    Versiering hoort in de Kunst niet thuis. Want  het draagt niet bij. En wat niet bijdraagt, is te veel. Omdat het afleidt en daardoor verzwakt.

    Kitsch schreeuwt, kunst fluistert

    Dan vervolgt het boek met vroeg werk, waaronder composities die zijn gemaakt toen Voch nog niet beschikte over digitale technieken en hij dus niet diep in het beeld kon ingrijpen. Ze tonen wel dat hij al de goede weg is ingeslagen. Dat hij het pad van de melancholie met verve bewandelt, maar dat deze scherp wordt afgebeeld en niet in nevelen is gehuld. Interessant is het hoofdstuk ‘schetsen/varianten/proeven’, omdat dit een blik in de keuken geeft. Dat ik over zijn schouder meekijk op het computerscherm en beschouw hoe een digitale collage tot hoofdwerk wordt. Het pad ligt bezaaid met struikelstenen, is gevuld met hobbels en gaten. Het is een mijnenveld waarin Voch moet oppassen waar hij zijn voet zet voor een volgende stap. Soms merk je in deze werken dat hij wel het idee heeft, maar dat de uitwerking nog geen daadkracht kent. De inspiratie heeft beeld, het resultaat kan echter een andere draai hebben gekregen tijdens het proces.

    Om het oeuvre compleet te maken, want de cirkel hoort rond te zijn, is een beeldcategorie ‘curiosa’ toegevoegd. Daarin is Voch minder serieus, kan er weleens een grapje vanaf en staat de lach nader dan de snik. In min of meer huiselijke kring maakt hij onder meer kerstkaarten en promotiemateriaal, die toch niet onder de korenmaat moeten blijven. “Kitsch schreeuwt. Kunst fluistert.”

    Publicist Lex van Haterd zet in een verkorte biografie leven en werk van Oscar Voch op rij in de tijd. Hij vraagt en geeft antwoorden op vragen als wie en wat Oscar Voch is. Is hij minder beeldend kunstenaar of is hij meer beschouwend schrijver. Wat zijn de thema’s en motieven die Voch als onderwerp opvoert en waar vindt hij de inspiratie. Zet de kunstenaar zelf al de deur van zijn werkkamer open, Van Haterd doet zijn kunstige werkwijze uit de doeken. Het geeft een verhelderend beeld op de vervreemdende beelden die gezien kunnen worden. Wie Oscar Voch is daar geeft de publicist geen sluitend antwoord op, want zullen wij elkaar als mensen volledig kunnen kennen. “Een eenling, een individualist, een solist is hij ook, hij wil wel bij een groep horen, maar alleen als hij zijn persoonlijke vrijheid kan behouden.” De belangrijkste motivatie voor het boek is dat Voch wil blijven bestaan, ook na zijn dood. “Mijn grootste angst is dat mijn digitaal fotografische kunstwerken later in een kartonnen doos tegen een boom staan in de regen”, vertelt hij Van Haterd. “Mijn fotowerken staan in een boek, mijn werk is beschreven, dus ik besta!

    Contemplatie

    Bij Museum Belvédère vindt het werk van Oscar Voch een klankbord in de schilderijen van Jan Mankes. Op het eerste gezicht lijkt het een vreemde combinatie, maar is niet toevallig gemaakt want de weemoed die in beide oeuvres ligt besloten hebben een duidelijke relatie tot elkaar. Mankes bracht met verf en penseel een melancholieke sfeer die Voch met moderne technieken doorzet. Niet zozeer in onderwerpkeuze staan ze op dezelfde lijn, maar wel in stemming en het oproepen en in beeld brengen van een zwaarmoedig gevoel. Zij het dat er geen depressieve kijk op het leven en de wereld wordt gegeven. Het is in beide gevallen een verbeelding van een contemplatief leven. “Aan het artistieke gehalte van een kunstwerk moeten we gaan twijfelen, wanneer het veeleer gedachten dan gevoelens bij ons oproept.

    Contemplatie betekent letterlijk het scheiden van iets uit zijn omgeving, en dat is vooral wat Voch met zijn werk doet. Dat iets zet hij in een afwijkend decor, zodat hij zich in beeldspraak kan uitdrukken. Mankes had dat zicht van nature en hoefde het beeld niet te manipuleren om de verbeelding te laten spreken. Toch zijn het twee zielen één gedachte, hoewel de tijd hen beide afzondert kunnen ze optrekken in een enkele tentoonstelling. Niet naast elkaar, nog wel gescheiden door een wand. Dus de bezoeker moet het gevoel opgedaan bij Mankes werk vasthouden wanneer hij om de hoek de fotowerken van Voch bekijkt, en andersom. De kunstenaars fluisteren beide het leven, spreken op zachte toon het zijn. Dat maakt het werk zo intiem en eigen.

    Oscar Voch. Tentoonstelling “fluisteringen” bij Museum Belvédère tot 22 juni 2025. Uitgave  “Fotokunst – Photo art”. Highbrow House, januari 2025.

  • Ruud van Empel monteert foto-objecten

    Ben ik nog maar amper herstelt van het feit dat ik mijn blik moest lostrekken van de kamerpresentatie “Van nature” bij Museum Belvédère. En ben ik glad door mijn superlatieven heen om de kunst van Daniëlle van Broekhoven daar te beschouwen. [Zie artikel “Drift tot schilderen druipt van doeken”] Loop ik om de hoek figuurlijk tegen het werk van Ruud van Empel aan. Verrassend. In een kleine presentatie staat ook hier de natuur centraal. Museum Belvédère liet het werk van Ruud van Empel al eens eerder zien in een grote overzichtstentoonstelling. Deze kamerpresentatie is een kleine reprise. Net genoeg indrukken om er verbaast van te staan. Hoe speels en onbevangen het werk van Van Broekhoven is, zo gecontroleerd en beredeneerd is de schilderachtige fotografie van Van Empel. Hoewel bij beide kunstenaars de ene handeling de andere oproept. Het werk dat onder de handen ontstaat is leidend in de voortgang van het proces. De ene verfstreek bepaalt de volgende. Het ene fragment zet een volgende op de rol. Het lijkt een intuïtief proces, maar het is een inventieve groei tot er een werkstuk van waarde kan bloeien.

    Fotograaf Van Empel heeft via reizen en door de jaren heen beelden verzameld en geordend in mappen op zijn computer. Uit die duizenden plaatjes kan hij digitaal details knippen en plakken. Met het programma Photoshop kan hij de wereld fotografisch manipuleren en naar zijn hand zetten. Zijn realistisch aandoende omgevingen zijn abstracte landschappen. Enkel bestaand in zijn fantasie, waar ik mijn eigen voorstellingsvermogen op kan loslaten. Wat ik zie lijkt de werkelijkheid maar bestaat werkelijk niet. Door details uit het archief samen te smelten gaat de kunstenaar op de stoel van de Schepper zitten. Uit niets, want het begint met een leeg scherm, ontstaat stukje bij beetje, fragment voor snipper, een iets dat ergens op lijkt. Want ondanks dat de beeltenis herinneringen oproept, een deja vu schijnt, kan het nergens op lijken. Is het bij elkaar gefantaseerd. Kunnen de bouwstenen en geledingen van overal vandaan komen, want Van Empel deed ze immers op zijn reizen langs diverse binnen- maar vooral buitenlandse reizen op.

    Verzamelaar van beelden

    De impressies zijn puur handwerk, hoewel deze met behulp van de computer zijn gemaakt. Maar er komt geen kunstmatige intelligentie aan te pas. Van Empel is de meester van zijn gedachten, in zijn fantasie. Hij legt zichzelf de vragen voor hoe een berkenbos eruit zal zien, de manier hoe bloeiend gras en wilde planten op de akker groeien, welke organismen op de diepzeebodem leven. Hij geeft niet DeepSeek of ChatGPT opdracht om een illustratie volgens zijn aanwijzing te genereren. Van Empel geeft zelf de antwoorden op de vragen, put uit zijn omvangrijke database en komt zo tot verrassende platen.

    Hij noemt zichzelf geen fotograaf, maar een verzamelaar van beelden en afbeeldingen, een plaatjescollectioneur. Zijn werk is geen fotografie, hoewel hij gebruik maakt van deze techniek om er zijn composities mee samen te stellen. Zelf noemt hij ze foto-objecten. Eigenlijk maakt hij collages door digitaal te schilderen met schaar en lijm. Wie de werking van PhotoShop, of een soortgelijk computerprogramma om foto’s te bewerken, kent weet hoe arbeidsintensief het is om details uit een groter geheel te ‘knippen’ en in een ander scherm te ‘plakken’. Maar het tijdrovende werk geeft een bijzondere voldoening. Uiteindelijk ontstaat een afbeelding die geen fotograaf waar ook ter wereld zal kunnen maken.

    De werelden van Ruud van Empel bestaan niet in realiteit, maar ze kunnen er zo wel degelijk zijn. De natuur is wispelturig, druk, vol en rommelig, creatief. Zo creatief en inventief als Van Empel dat is. In zijn werken meet hij zich met de natuur. Brengt stenen van het Afrikaanse strand samen met de anemonen uit de Indische zee, legt daar enig rivierklei uit Brazilië bij en kleurt het water als in de Oriënt. Zijn wereld is een samenraapsel van wat er op deze aarde alom te vinden is. Hij past het zo zodat het klopt, hij puzzelt een fantasie. Het begint met documentair fotograferen, op zijn reizen neemt hij alles mee waarvan hij denkt dat het later bruikbaar kan en zal zijn. Thuis in de studio volgt een intensief montageproces waarin alle beslissingen worden genomen om tot een resultaat te komen dat in balans is, dat beeldend klopt. Het is een kwestie van schuiven en kijken wat er gebeurd, zien wat het samen doet. Van Empel heeft de compositie onder controle en probeert aldus een realistische foto na te bouwen, schilderachtig en abstract. Hij monteert het beeld uit verschillende foto’s in lagen die transparant van elkaar gezet zijn zodat er in het platte vlak diepte is gesuggereerd. Maar er klopt nooit iets in zijn montagekunst. Het is een onmogelijk gedetailleerd beeld, hoewel het allemaal uiterst realistisch overkomt. Het gaat Van Empel om de vormen, niet om de realiteit weer te geven. Doet hij dat wel dan zou dat heel beperkend zijn. Hij beeldt het leven uit in al zijn meest bizarre vormen, het kan lelijk en mooi tegelijk zijn. Zijn collages geven geen biologisch realistisch kloppend beeld weer. Het zijn zoekplaten om de herkenning te duiden.

    Kamerpresentatie Ruud van Empel bij Museum Belvédère, Oranje Nassaulaan 12 in Heerenveen-Oranjewoud. 25 januari tot 30 maart 2025.

  • Het varken om te reflecteren op leven en welzijn

    Het meest schrijnende voorbeeld in de uitgave “Een dier / een mens” van hoe wij omgaan met de voor grootschalige consumptie in aanmerking komende dieren is wel de varkens die menselijke karaktertrekken krijgen aangemeten: Het vrolijke varken – Ironie voor kinderen (en volwassenen). En dan natuurlijk vooral deze die een lach op het gezicht brengen: varkens op de motor, een big als baby, parende varkens en zuipende biggen. Het is een serie van kleine olieverfschilderijen die Jaap de Ruig maakte naar aanleiding van kinderspeelgoed en sierbeeldjes. Het zet ook de sfeer van het boek, de tendens van zijn kunst.

    Het boek “An animal / a human being” van Jaap de Ruig geeft een samenvatting van zijn oeuvre in de kunst. Feitelijk een portfolio bij zijn CV, om eens mee te leuren langs de deuren van musea, galeries en andere tentoonstellingsruimten. Om zelf een overzicht te hebben van wat eens gemaakt is, de arbeid vastgelegd als een fotoboek met beschrijving. Het is een levend document, want het werk gaat door – er is nog voldoende om over te verhalen, aan te klagen, tegenaan te schoppen. De Ruig brengt onderhoudende maar gelaagde kunst, beelden die naast boeiend te zijn aan het denken zetten. In veelal confronterende afbeeldingen en ironische animaties houdt hij mij een spiegel voor en reflecteren mijn negatieve gedachten positief.

    Vreselijk vleselijk verhaal

    Dieren zijn een vast gegeven in het werk van Jaap de Ruig. Hij maakt abstracte fabels die uiterst werkelijk aandoen. Het dier krijgt menselijke trekken, terwijl de mens zich gedraagt als een beest ten opzichte van dat dier. De mens kan beestachtig zijn, terwijl het dier dat nooit is. Eerst zijn de meest wilde dieren buitenshuis en tussen de kieren en in de gaten binnenshuis onderwerp van aandacht, later richt de kunstenaars zijn blik op de landbouwhuisdieren. Hij observeert deze in hun habitat, en brengt die leefwereld binnen in de omgeving van de stad. De moderne mens, niet plattelands, is de koe en het varken vergeten als levend dier. Zij zien enkel nog de riblap en het biefstuk op het bord liggen, smakelijk en geurig bereidt door de chef-kok met michelinster.

    Jaap de Ruig is fotograaf. Later omarmt hij de beeldende kunst en kort daarna is de film ontdekt om zijn vreselijk vleselijk verhaal te kunnen verbeelden. “Ik hou van video”, schrijft hij in een essay in de staart van het boek. “Het is beeld en geluid en woord. Het is fantasie en realisme. (…) Het is als vuur, zowel nuttig als gevaarlijk. Het kan koesteren en ontluisteren, het kan democratisch of onderdrukkend zijn, een machtsmiddel in handen van zowel actiegroepen als overheden.” Eerst legt hij de wereld om zich heen in binnen- en buitenland vast, als documentatie van interessante taferelen en bijzondere mensen. In de statische platen is ruimte voor de dynamiek van het alledaagse. Die bevroren beweging ruilt hij echter graag in voor de geschilderde analyse en geïnstalleerde reflectie. Om daarna de confrontatie te zoeken in het letterlijk bewegende beeld met het dier als hoofdrolspeler en figurant, meest als lijdend voorwerp. De beschuldiging wordt wel in bedekte termen weergegeven, in een esthetisch waardevolle omgeving of een bizar aandoend tafereel. Maar meestal is de tenlastelegging overduidelijk en in strijd met onze goede zeden. De Ruig wil confronteren, het gevecht aangaan, de mens in het hart raken, om zo het besef te laten indalen dat het zo niet verder kan en langer gaan. Hij legt de vinger op de zere plek na eerst het korstje er vanaf te hebben gekrabd. Hij maakt stinkende wonden, maar is geen zachte heelmeester.

    Plaatsvervangende schaamte

    Jaap de Ruig is een reiziger, daadwerkelijk in de wereld om van diverse plekken de dagelijkse werkelijkheid naar hier te halen. Hij zwerft door het leven en documenteert het zijn. Met zijn partner zoekt hij het contemplatieve avontuur. Leven in en van de natuur, bij wijze van spreken aan de basis van het bestaan. Daar is de ontmoeting met het dier om de donkere kanten van het bestaan te onderzoeken. Lijden, dood en de strijd tussen mens en natuur en tussen mensen onderling tekenen vooral op de plek zelf en na thuiskomst verbeelden deze zijn inspiraties en composities. Om een punt te maken vervormt hij de realiteit tot meest groteske scènes. Afstotend wanneer hij een kadaver opgraaft of gestorven dieren cremeert boven een vuurton. Het slachten en bereiden van een muskusrat. De handelingen zonder toeschouwers legt hij vast op video. “Afkeer voel ik niet, integendeel, ik schrik ervan, zo vertrouwd is het”, schrijft hij in een dagboek. De schone as en verkoolde botjes gaan in glazen flesjes. De rat wordt smakelijk gegeten. Naast iedere foto van een dode muis, in totaal 144 die in Amsterdamse woningen overlast bezorgden, is een reageerbuis gehangen waar de as van datzelfde dier inzit. Dan zal de lezer van het boek vast met een vies gezicht de blik afwenden of zich met plaatsvervangende schaamte afvragen hoe een mens zoiets smerigs kan bedenken en tot kunst verheffen.

    De Ruig bedenkt verrassende composities met de dierenwereld als inspiratie. Bijvoorbeeld de 160 zinnen die de handelingen op een boerenbedrijf beschrijven, de spinnenwebbollen waarin rag en dode spinnen en vliegen zijn gerold, de spinnenwebbenwand met spinnen in hun web als huisdieren die verzorgd en uitgemest moeten worden, een menselijk wezen dat een eindeloze strijd op leven en dood voert met een kever. Enkele voorbeelden in de schier eindeloze reeks van kunstzinnig spottende opwellingen die Jaap de Ruig tot de buitengewoon zeldzame beeldbouwer maakt die hij is.

    Meer dan een aanklacht

      De kunstenaar komt op creatieve vondsten, maar ziet ook artistieke aanknopingspunten in eigen leven en dat van anderen. Vooral het zijn van nomadische groepen mensen in buitenlanden spreken hem aan. De andere manier van kijken naar het dier. In coronatijd is zijn eigen lichaam onderwerp van onderzoek. Door dit lijf in beeld te manipuleren geeft hij een andere betekenis en gedraagt zich meer dierlijk. Het varken geeft De Ruig een individueel welhaast menselijk gezicht. In de moderne veehouderij worden de dieren genummerd, maar de kunstenaar geeft hen persoonlijke identiteit terug waardoor ze uniek zijn. Dat is schone schijn en stimuleert anders kijken en denken. Het kan openbaar gemaakt, gezien worden, in tegenstelling tot slachttaferelen en -geluiden van varkens, het orkestrale requiem laat zich enkel in een kijkdoos vertonen. Zo prikkelt de kunstenaar de zintuigen. Is er emotie in afkeer, kan de mens tot tranen toe worden bewogen. Denk je het eens in, stel je het eens voor. Kijk naar de poes op je schoot, aai de hond naast je op de bank en denk aan de varkens die als ratten in de val eindigen aan vleeshaken.

      Het is niet alleen de alleseter die in het boek te kijk wordt gezet, de omnivoor die geen oog heeft voor de hem en haar omringende schepping en er naar believen en wellust mee omgaat. Het boek is meer dan een aanklacht. “Een dier / een mens” is de zienswijze van de kunstenaar die met de kunst als middel een ommekeer in denken en doen teweeg wil brengen. Dat kan in schurende bitterheid, maar ook met beschouwende schoonheid. De natuur gaat de eigen gang en is onverschillig in tijden van crisis. De flora en fauna acteert op een hoger plan dan de homo sapiens, het intelligente primaat, dat doet. De mens is zo dom als het achtereind van een varken, terwijl dat varken zo slim is als een vos in schaapskleren. Met de cognitieve vaardigheden als van een hond of een dolfijn zouden wij onze relatie met hen moeten heroverwegen. Jaap de Ruig doet een poging daartoe en schaart bigmans meteen onder al die andere dieren die zuchten onder de hegemonie en zelfverzonnen suprematie van de rechtopstaande en tweevoetig zich voortbewegende mensachtigen.

      Een dier / een mens – An animal / a human being. Jaap de Ruig. Uitgeverij Caprae, 2024.

    • Soulmates: het gevoel van thuiskomen

      Intussen is duidelijk dat particuliere verzamelaars een essentiële schakel zijn in de kunstsector”, schrijft Henri Swagemakers in het boek dat zijn collectie fotografie als onderwerp heeft. Het boek is de catalogus bij een tentoonstelling van deze deelcollectie in Stedelijk Museum Breda: Soulmates. Er kan worden gesteld dat zonder verzamelaars musea nauwelijks bestaansrecht hebben. Musea zelf hebben amper financiële middelen om het hoofd qua uitbreiding van de aangelegde verzameling te kunnen bekostigen. Men is aangewezen op fondsen, sponsoren èn verzamelaars. Niet alleen particulieren verzamelen, ook bedrijven en instellingen als banken leggen een kunstcollectie aan. Ook worden er musea gesticht om een verzameling onderdak te bieden, daarvan bestaan in Nederland diverse voorbeelden. Swagemakers zegt over de verzamelaar als schakel: “Voor galeries om te verkopen, voor kunstenaars om geld voor hun werk te ontvangen en bekendheid te verkrijgen, voor musea als bron van bruiklenen voor tentoonstellingen en om al dan niet door schenkingen en legaten hun collecties te versterken.

      Kunstbeleving een visueel gebeuren

      Op de planning van musea worden het tonen van verzamelingen meermaals ingevoegd. Dat is een goede zaak, zodat onderdelen van de collecties niet ongezien in kluizen verdwijnen. Dat de kunst kan bekeken worden en zichtbaar blijft, want de kunstenaars hebben hun werk voor het licht gemaakt – niet voor de duisternis van het depot. Het is een kwestie die meerdere malen op het bordje bij Swagemakers terecht komt: “Vind je het niet jammer dat niemand anders het door jou gekochte werk nog te zien krijgt?” Maar hij dient van repliek door te stellen dat musea per jaar 4 procent van hun bezit tonen. Het kan zelfs zo zijn dat sommige stukken nooit meer worden geselecteerd om publiekelijk te laten zien, omdat deze in geen enkele opstelling passen. Swagemakers vindt het overigens een vreemde vraag, die nooit gesteld wordt aan een rekeninghouder met een groot financieel bezit: “Vind je het niet jammer dat je zo veel geld hebt waar je niets mee doet?” Geld hoeft niet gedeeld te worden met derden, kunst kennelijk wel.

      Voor oud-advocaat Henri Swagemakers is kunstbeleving in de eerste plaats een visueel gebeuren. Het zien optimaliseert de beleving, het hebben maakt die ervaring mogelijk. Hij is een liefhebber die zich graag omgeeft met kunst en daar de financiële middelen voor heeft. Hij koopt voornamelijk werk van jonge kunstenaars die nog niet in de belangstelling staan, nog niet bekend zijn als zodanig. Het voordeel daarvan is dat deze nog niet aan de prijs zijn, en hij helpt door de aankoop de kunstenaars op weg. Veelal blijkt later dat zijn aanschaf een goede keuze was, omdat het werk in waarde is vermeerderd en de kunstenaar naam heeft gemaakt. Echter van een belegging is bij Swagemakers geen sprake, hij koopt kunst omdat hij een liefhebber is. Wat in zijn collectie komt blijft daar, hij verkoopt nauwelijks door. “Het verwerven van kunst is vooral emotie”, vindt hij. “De beslissing iets te kopen maakt het spannend. Het werk moet me iets doen, het mag mooi of bizar zijn of wat dan ook. Het werk moet een gevoel oproepen, daar gaat het om.

      Swagemakers Collection

      De werken in ‘Soulmates’ roepen een gevoel op, niet enkel bij Swagemakers als bezitter maar ook bij mij als toeschouwer. De fotografie in de Swagemakers Collection heeft voornamelijk het menselijk figuur als onderwerp. De verschijning van de mens op de gevoelige plaat is daarin een rode draad. De scenes zijn samengesteld in de studio of op een plek in de buitenruimte waar het kunstfoto’s betreft. Maar ook zijn er gedocumenteerde platen bij die onderweg zijn geschoten in binnen- en buitenland, waarbij het toeval door de lens is gestuurd. In het analoge tijdperk kunnen afdrukken tijdens het proces of achteraf geretoucheerd worden, dit betreft dus het klassieke handwerk. Bij de digitale fotografie worden foto’s bewerkt op de computer en daarna geprint, tot op de pixel precies kan gewerkt en aangepast worden. Als het ware wordt de fotograaf een schilder en is de werkelijkheid getransformeerd tot fantasie. Hoe de uitwerking van AI ofwel kunstmatige intelligentie op de kunstfotografie zal zijn valt af te wachten. De kunstenaar vindt wel weer een weg daarin en zal het naar zijn of haar hand kunnen zetten, hoewel het computersysteem menselijke vaardigheden nabootst: aanleren, redeneren, anticiperen en plannen om zichzelf automatisch bij te sturen.

      Conservator Marjolein van de Ven is trots een selectie van de bijzondere fotoverzameling in Stedelijk Museum Breda te kunnen tonen. Zij verhaalt in haar voorwoord in het boek over haar bezoek aan Swagemakers en op welke manier de verzameling van schilderijen en tekeningen tot stand is gekomen. De nadruk kwam pas later op de fotografie te liggen, wanneer kunstenaars dit medium steeds vaker in hun werk gebruiken. Daarnaar gaat in eerste instantie de interesse van Swagemakers uit, maar al snel komen ook de traditionele fotografen bij hem in beeld. “Intussen is het medium niet meer weg te denken en omvat zijn collectie fotografisch werk in uiteenlopende stijlen en technieken van circa zeventig kunstenaars”. De grenzen vervagen tussen genres. Met name eigent de mode-industrie zich steeds meer de beelden van de kunst en de kunstfotografie toe.

      Bijzondere fotoverzameling

      In het boek bladerend maak ik een reis door de collectie van Henri Swagemakers. Ben ik onderweg langs de weg van de werkelijkheid die zich aldus voordoet en zoals gezegd kunstzinnig is gecomponeerd. Door een eigenzinnig standpunt in die realiteit te kiezen kan dat zijn worden vervormd tot een beeld dat boven de waarheid zweeft. Dat ik mijn fantasie moet focussen om de voorstelling te begrijpen. Achter de zichtbare echtheid schuilt dikwijls een verborgen verbeelding. De werkelijkheid speelt een spel op het wereldtoneel, het theater van de inbeelding. De fotograaf stelt scherp op het visioen in de coulissen om daar zijn of haar verhaal mee te doen. Wat ik zie is niet het oogmerk, maar wat ik voel is het objectief. De fotograaf probeert mijn emotie te kietelen om wat ik ervaar anders te beleven, mijn hongerende ogen de kost te geven en mijn dorstige blik te laven.

      Kunstwerken zijn als soulmates

      Ook de opkomst van digitale media en de kneedbaarheid van de fotografie door de snelle technologische ontwikkelingen gaat niet aan Swagemakers voorbij”, schrijft Van de Ven en  noemt enkele voorbeelden daarvan op. Deze maken zichtbaar dat de verzamelaar “volgt wat er in de kunstscene gebeurt en met zijn aankopen inspeelt op de ontwikkelingen waar hij affiniteit bij voelt. (…) Tijdens het maken van keuzes vertrouwt hij sterk op zijn intuïtie.” Met elk werk voelt Swagemakers een sterke verwantschap of aantrekkingskracht en in elk werk herkent hij iets van zichzelf. De kunstwerken zijn als soulmates, het voelt voor de verzamelaar als thuiskomen, samenkomen in de ziel. “De werken uit mijn collectie zijn in de loop der jaren door mij als het ware ontdekt en daarna uitgekozen”, voegt Swagemakers toe. “Zo heb ik (…) bereikt dat ik me kan omgeven met kunstwerken die ik fantastisch vind.

      Het boek toont naast enkele zaaloverzichten van de tentoonstelling op een aantal bladzijden nog thumbnails van andere werken uit de collectie, waar onder meer het Schuilnest van M.C. Escher en het Zelfportret van Jan Mankes het meest opvallend zijn. En nog een aanbeveling tot slot: “Ik hoop dat elke lezer van deze publicatie, maar vooral ook elke bezoeker van de tentoonstelling zich de ogen uitkijkt en geniet zoals ik geniet van het resultaat van mijn gesprokkel!” Want kunst hoort niet in mappen opgeborgen en achter gesloten deuren in depots te schuilen, kunst moet gezien en beleefd worden. Met “Soulmates” doet Stedelijk Museum Breda een verwoede poging en draagt Swagemakers daartoe een steen bij. Kijken dus! En genieten!

      Soulmates – Swagemakers Collection. Tekst Marjolein van de Ven, Henri Swagemakers. Catalogus bij tentoonstelling fotografie in Stedelijk Museum Breda (t/m 16 maart 2025). Uitgave VanSpijk [photo] Artbooks, 2024.

    • Sporen van oorlog en natuur in de Bibliotheek

      Hoewel het doodnormale dagelijkse plaatjes schijnen. Kale bomen, regendruppels in de sloot, een bewogen bloemenveld, vallend licht door ramen. Gewone alledaagse taferelen lijken het, geen hemelbestormend kunstzinnige fotografie. Ademen toch die doordeweekse momenten een beklemmende sfeer. Het is de context waarin ze getoond worden, namelijk. Kleine waterkringen in de sloot spreken van weemoed, laten denken aan verloren en vergeten herinneringen. Trieste souvenirs uit het geheugen verbannen omdat de gedachte eraan te gruwelijk is voor woorden. Ik bekijk het werk van Gerhild van Rooij in de kleine tentoonstelling “Sporen van oorlog en natuur” in de Bibliotheek Heerenveen.

      Algemene gemeenplaatsen

      Hoewel het dertien in een dozijn plekken lijken, herinneren de plaatsen in deze vormgeving aan treurnis en verdriet. De hemelse tranen in water geven aan dat ook God weent over wat wij mensen elkaar aan doen. In oorlogssituaties vergeten wij maar al te makkelijk dat wij naar Zijn evenbeeld zijn geschapen. Vergeten voor het gemak het tweede gebod om over onze eigen schaduw heen te kunnen stappen. In de oorlog, in een situatie waarin de vrede ver te zoeken is, ligt ons hoger belang veraf van het menselijk zijn. Door die algemene gemeenplaatsen in beeld te benoemen echter worden wij ertoe bepaald. Omdat de expositie in de kern draait om oorlog en vrede koppelen wij daaraan die beelden eenvoudigweg. Staat de expres bewogen plaat van een veld weidebloemen voor de onbereikbare maar lonkende natuur achter het prikkeldraad. Wuiven de boomkruinen in de wind van de verwachting.

      De onzekere toekomst

      Banieren om de hoek van deze wat rommelig ingerichte tentoonstelling, vijf overgebleven affiches uit een serie, verbinden woord en beeld van wanhoop en hoop. Daarin komen beeldmerken en tekstfragmenten samen om in vlugschrift de sfeer van een concentratiekamp te duiden. Het prikkeldraad, de wachttorens, de onzekere toekomst, het wordt alle verbonden door de prikkel in het draad dat gevangenen doet ontmoedigen de weg naar vrijheid te zoeken. Een portret van Ben Strik, herinnering die nooit vlucht, welk verhaal over Kamp Vught de spil van de tentoonstelling is. Gerhild van Rooij was er, tig jaren na de mensonterende gebeurtenissen daar plaats vonden, en zette haar ontzetting om in gedichten, haar verwondering om in foto´s.

      Geschoten op locatie

      De donkere gang beleefde ze, de gang waar het (kunst)licht van buiten door de ramen viel dit betekende dat er weer iemand gedwongen de dood zou vinden. De isoleercel waar men zo dicht op elkaar stond gepakt dat levenden lijken ondersteunden. Naakt stond men daar, de stank van uitwerpselen overheerste de lucht van bloed, zweet en tranen. Achter het prikkeldraad nodigde de vrije natuur de gevangenen over het hek te klimmen, de vrede tegemoet. Maar die uitbraak moesten ze met de dood bekopen. Die verhalen, nauwelijks te bevatten, markeren het gemoed bij het werk van Gerhild van Rooij. Zichtbaar tekenen ze zich af in de nauwelijks geënsceneerde platen geschoten op locatie. Het is wachten op het juiste moment. Dat geduld heeft achteraf geen bewerking nodig om tot die bepalende sfeer te komen, want dat spreekt sowieso naturel boekdelen.

      Van Rooij is met Ben Strik, onder meer aan hem is de tentoonstelling een eerbetoon, terug gegaan naar de plek van verschrikkingen. Niet om er de heroïsche verhalen te horen, de aantallen vermoorden te vernemen en de barakken en wachttorens van Kamp Vught te bezoeken. Maar om het kleine leed, de leegte in de ogen, de stilte uit het verleden te voelen. Een hand op het prikkeldraad, de blik op oneindig. De gedachte aan duisternis en dood – waarom zij wel en ik niet -, licht aan het eind van de tunnel. Gerhild van Rooij heeft die abstracte gedachte in beeld weten te brengen, er woorden aan gegeven.

      Immens maar stil verdriet

      De kleine tentoonstelling in de Heerenveense bibliotheek verbindt die beelden met woorden. Tussen de regels door en langs de platen is het verhaal voelbaar. Het verhaal van verschrikking en onmenselijk leed is tastbaar onder woorden en in beeld gebracht. Op een abstracte manier, waardoor niet meteen duidelijk is welk leed wordt aangeroerd. Wanneer ik anders kijk naar wat ik zie, mijn oor te luisteren leg naar wat ik lees, ontdek ik het beeldmerk van immens maar stil verdriet. Niet alleen van die oorlog die op 4 en 5 mei herdacht wordt, maar zeker van wat er daarna plaatshad en nog altijd plaatsvindt. Het is een smet op het blazoen van de wereld.

      Schatbewaarder nalatenschap

      Gerhild van Rooij is schatbewaarder van de nalatenschap van kunstenaar en dichter Jan Loman. In deze tentoonstelling wordt vooral zijn literaire werk subtiel verbonden met het onderwerp oorlog en natuur. Daarin of daardoor heeft ook Loman zijn sporen nagelaten. ‘het maaiveld verhult / scherven uit terpaarde en / luchtafweergeschut’. In een scherpe haiku drukt hij een universum aan gedachten uit. Want het bedekken van wat eens geweest is, het aan het oog onttrekken van een verleden, werkt een vergeten in de hand. Dat is triest voor de mensen waarvoor de scherven zo belangrijk zijn, want het is hun leven, het is hun verhaal, een geschonden leven en vergeten verhaal. Maar het kan ook een verstoppen zijn om te bewaren, zodat het niet wegraakt in de vergetelheid. Dat het ooit eens weer boven water komt als bewijs van wat was. Schrijver Martsje de Jong zei dat zo treffend in haar openingswoord van de tentoonstelling: “De wierheid, hoe skrinend ek, hâldt har plak yn it ivich argyf dat ús grûn is.” Die scherven liggen onder het maaiveld verborgen, in de klei begraven, onder het zand bedolven. Maar wanneer we het kunnen gebruiken om het verleden te duiden in de toekomst is het eenvoudig op te graven. Het is de grond waarop wij leven, een eeuwig archief zoals Martsje de Jong het noemt.

      Laagdrempelige activiteit

      Een rommelig ingerichte tentoonstelling noem ik het. Eigenlijk komen de beelden en teksten van Gerhild van Rooij niet goed uit op deze plek in de Heerenveense bibliotheek Mar & Fean. Voordeel is wel dat het een laagdrempelige activiteit is. Na het uitzoeken van boeken, het lezen van een tijdschrift, kan een ieder er een kijkje nemen. Geen korte snelle blik over het tentoongestelde, maar een aandachtig opnemen van de indringende beelden en de aangrijpende teksten. Niet enkel is 4 mei het thema, niet slechts de Tweede Wereldoorlog staat in beeld. Het sluit aan bij het vieren van bevrijding, voor ons. Terwijl elders in de wereld vrede een ideaal is, maar ver weg staat van het dagelijks leven. Vrede gaat niet alleen over geen oorlog. De sporen die Gerhild van Rooij als voorbereiding voor het werk te zien in deze tentoonstelling heeft gevolgd maakt dat meer dan duidelijk.

      “Sporen van Oorlog en Natuur”. Foto’s en teksten van Gerhild van Rooij. Tentoonstelling in Bibliotheek Mar & Fean, Burgemeester Kuperusplein 48n in Heerenveen. Te zien van 4 mei tot en met 14 juni 2024.

    • Het Drenthe van Karin Broekhuijsen andermaal op de plaat gezet

      Het is vandaag de dag amper voor te stellen. Dat de provincie Drenthe vroeger meer water was dan land. Voordat er bewoning was waren de uitgestrekte velden zompig moeras. Een enkele in de ijstijd door opstuwing ontstane heuvelrug, ontstaan in de ijstijd bleek maar bewoonbaar. Het was de verbinding tussen zuid en noord, de enige toegangsweg door de woestenij. Nu ligt de provincie er droog bij en lijkt minder waterrijk dan Friesland of als het Land van Maas en Waal dat zijn. Maar schijn bedriegt. Nadat de moerassen werden verveend en afgegraven, zijn er tal sloten, vaarten en kanalen aangelegd. Enkel tot doel het overtollige water weg te laten stromen en de gewonnen turf vandaar af te kunnen voeren. Drenthe had destijds zelfs een zeehaven, de vierde van Nederland in grootte en betekenis. Door de verandering in het klimaat wil men echter maar graag het water in de provincie houden en wordt er aan gerichte beheersing gedaan. Dat is in een notendop waar het in de uitgave “Drenthe Waterland” om gaat. Duidelijk te maken dat Drenthe wel degelijk een waterrijke provincie was en nu ook weer wil worden.

      De uitgave van Koninklijke van Gorcum is in de eerste plaats een fotoboek. Het zoveelste in de reeks van fotograaf Karin Broekhuijsen over ‘haar’ provincie. Daarmee bewijst ze eens te meer een scherp oog te hebben voor romantiek en werkelijkheid, beleving en gevoel. Ze weet de mooiste plekjes in de natuur te vinden. Locaties die over het algemeen verborgen blijven, omdat ze afgelegen en nauwelijks bereikbaar zijn. Niet om een toeristische almanak te hebben, een VVV folder om de provincie te promoten. Hoewel het boek niet zal misstaan in het schap van de ANWB winkel, is het doel de schoonheid van Drenthe onder de aandacht te brengen. Zonder de mensen in grote stromen over de heide te laten banjeren, maar om thuis op de bank te genieten van flora en fauna. De nevel over de velden en de sloten in de vroege winterochtend, de stralen van de ondergaande zon langs het hunebed in de late zomeravond.

      Provincie heeft uitstraling van woest en ledig

      Vincent van Gogh was in zijn tijd, we noteren 1883,  al helemaal lyrisch van Drenthe. “Drenthe is zóó mooi, zoo zeer pakt het me algeheel in en voldoet mij absoluut dat ik, indien ik niet voor altijd hier kon zijn, ik liever ’t maar niet gezien had. Het is onbeschrijfelijk schoon.” En omdat het zo onbeschrijfelijk schoon is zet Karin Broekhuijsen het op de gevoelige plaat en maakt de lezers van haar boeken deelgenoot van wat Vincent ooit zag. Er is in die eeuw veel veranderd en niet altijd ten voordele van de provincie. Maar het provinciebestuur, de waterschappen, Staatsbosbeheer en het drinkwaterbedrijf proberen de oude waarden in een nieuwe schoonheid om te vormen. Drenthe bleef in de volksmond achtergebleven gebied, waar het goed toeven en verpozen is bij het hunebed in het bos en bij de schaapskudde op de heide. Juist doordat Drenthe voor bewoning minder in trek was, heeft de natuur zich daar weten te handhaven. Is er van de oorspronkelijke grond en begroeiing weinig overgebleven, de provincie heeft toch de uitstraling van woest en ledig behouden.

      Prachtige foto’s worden afgewisseld met informatieve teksten over het ontstaan van Drenthe, het watersysteem, de kansen en bedreigingen. Aan de hand van de foto’s zou je willen dat de schoonheid eeuwigdurend is. Dat de dadendrang van de mens niet meer kapot zal maken dan dat het al heeft gedaan. Dat de natuur de kans krijgt zichzelf te herstellen. Dat de mens niet langer de wil heeft alles naar zijn hand te zetten, maar in de natuur de ware meester ziet. Meteorologen Reinout van den Born en Grieta Spannenburg, de vaste auteurs in de boeken van Broekhuijsen, weten duidelijk uit te leggen hoe het zat en verder moet met Drenthe als Waterland. Door wetenschappers en ter zake kundige mensen aan het woord te laten wordt mij duidelijk hoe de provincie ervoor lag, hoe de mens erin heeft gewerkt en op welke manier de oude waarden terug in de streek gebracht kunnen worden. Niet omdat vroeger alles beter was, dat natuurlijk ook, maar om de waterbeheersing in en voor de toekomst te waarborgen.

      Voor dag en dauw

      Al het water in Drenthe komt van boven. Er komen geen grote rivieren in uit die water van elders aanvoeren. Er zijn geen grote meren waarin water zich vermeerdert. Alles wat er is komt door neerslag – regen, hagel en sneeuw. In het verleden is er water van onder gekomen. Opgestuwd door de krachten van de aarde. De pingoruïnes zijn daar nog de stille getuigen van. Door beregening raakte de heuvelrug als een spons verzadigd en werd het water op natuurlijke wijze afgevoerd door kleine rivieren naar plekken elders, buiten de provincie. In de tijd van de vervening werden deze meanderende stromen recht getrokken en nieuwe kanalen gegraven. Nog steeds werd dus het water niet behouden voor de provincie zelf. Pas in de tegenwoordige tijd beseft men dat het water in de provincie moet blijven als voorraad voor minder waterrijke jaren.

      Voor dag en dauw is Karin Broekhuijsen in het Drenthse veld te vinden om er de meest prachtige platen te kunnen schieten. En is op die ene dag het perfecte plaatje niet voorhanden, dan komt ze op een andere dag terug om de juiste sfeer wèl te kunnen pakken. Broekhuijsen is zo’n fotograaf die urenlang kan zitten wachten om het juiste en meest tot de verbeelding sprekende moment vast te leggen. Ze is een perfectionist en neemt geen genoegen met enkel documentatie van de provinciale luister. “Met haar boek helpt Karin de bewustwording rondom water te vergroten”, schrijft woordvoerder WMD Drinkwater Andries Ophof in zijn voorwoord. “Door de lens van haar camera ziet ze details die je normaal niet ziet. En dat alles legt ze vast.” En ik kan er van genieten.

      Werkelijkheid zo waar in beeld

      Met scherp oog voor schoonheid heeft Karin Broekhuijsen het water, de waters, van Drenthe opgezocht. Vooral om in het boek duidelijk te maken dat water belangrijk was en is voor de provincie. Belangrijk was en is voor het land. Niet enkel voor Drenthe kan zo een uniek boek worden samen gesteld. Iedere provincie kent de rijkdom in en om het water. Maar Drenthe heeft Karin Broekhuijsen die deze pracht en praal weet te ontdekken en vast te leggen. En niet alleen de zonnestralen in de bossen, de mist boven de sloten, de spiegeling en schittering in het water, de wolkenpartijen in de lucht maken de sfeer. Ook gaat de fotograaf door de knieën en ziet de kleine wonderen op de grond, slangen, kikkers, padden, bovisten. Ze richt haar lens weer omhoog en pikt de buizerd, de ransuil, de kiekendief en de vlinder uit de lucht. Het is alom leven en vertier in de natuur van Drenthe. Voor wie er oog voor heeft. Bij de foto’s van de wilde narcis, de dotterbloem, het blaasjeskruid, de bosanemoon en klokjesgentiaan komt de wilde geur van het land me bijna in de neus. Terwijl de vogels kwinkeleren, de koeien loeien en de bijen zoemen.

      De platen van Broekhuijsen brengen de werkelijkheid zo waar in beeld dat, wanneer ik mijn ogen sluit, ik dagdroom dat ik langs de rietkragen struin, over de slootjes spring en een zachte motregen op mijn gelaat voel. De geur van het bos en het veld hangt tussen de bladzijden. Maar niet alleen de realiteit zet de fotograaf vast, ook registreert zij het gevoel op die plek. De emotie gevoeld in deze natuur. Het is haar leefomgeving, haar beleving van deze provincie die ze haarscherp op mij overbrengt. En ook ziet zij dat die natuur in elke schoonheid abstract kan zijn. Het is met geen pen te beschrijven, hoewel ik er nu dus toch een groot aantal regels en zinnen aan gewijd heb. Maar het zijn er teveel, de schoonheid moet gezien worden en niet beschreven. Daarom zijn er de fotoboeken van Karin Broekhuijsen om die natuurlijke rijkdom verder te brengen dan de grenzen van de provincie Drenthe.

      Drenthe Waterland. Fotografie Karin Broekhuijsen. Teksten Reinout van den Born en Grieta Spannenburg. Voorwoord Andries Ophof. Drentse bijdrage Renate Snoeiing. Loflied op Drenthe: Martijje. Uitgave Koninklijke van Gorcum, 2023.

    • Tijdreis in verlaten vergetelheid

      Het is feitelijk niet te bevatten dat mensen hun huis met de complete huisraad daarin verlaten. En, nog minder werkelijk, daarin niet weer terugkeren. Actueel is het wel, tegenwoordig met die natuurrampen en oorlogsactiviteiten. Maar waar ik over schrijf hier en nu is van een andere orde. Het huis, en over het algemeen niet het kleine maar wel de villa of state, wordt overgeleverd aan de tijd die ermee kan doen wat het wil. Overigens ook andere bouwwerken als kerken, theaters, fabrieken en scholen staan er wel verlaten en verwaarloosd bij. Het heeft er weg van dat de ruimten overhaast zijn achter gelaten alsof een groot onheil de bewoners of gebruikers bedreigde. Maar het vreemde is dat men dus nooit meer op die plek is terug gekomen, alsof er een boze geest rondwaart of er straling is of giftige damp uit de grond opstijgt. Wat is het raadsel achter deze verlaten en vergeten gebouwen, waarin de tijd zich soms ook verslikt.

      Daan Oude Elferink, Daanoe, urbexfotografie

      Fotograaf Daan Oude Elferink is daardoor gefascineerd, door “the wonderful world of neglect and decay”. Hij speurt de ons omringende landen af op zoek naar dergelijke eenzame bouwwerken. Omdat in Nederland je verlaten schuurtjes in weilanden, oude en lege fabriekshallen of een gesloten pretpark met een lantaarntje moet zoeken reist hij af naar landen waar de tijd wel lijkt te kunnen stil staan. In ons dichtbevolkte landje worden leegstaande gebouwen zo snel mogelijk gesloopt, hoewel er stiekem nog wel enkele plekken als urbexlocatie interessant zijn. Oude Elferink heeft het hier echter wel gezien en kijkt verder dan zijn telelens reikt. En altijd ergens in het buitenland vindt hij wel meerdere locaties die schijnbaar min of meer ongeschonden een groot deel van hun tijd zijn door gekomen.

      Reizen door de tijd

      Nu al in een vierde fotoboek maakt hij mij deelgenoot van zijn bevindingen. Ik reis met hem in de tijd, het boek draagt dan ook als titel “Travel in time”. Over zijn schouder en door zijn lens kijk ik mee naar deze bijzondere ontdekkingen, die soms bij wijze van spreken met gevaar voor eigen leven kunnen worden binnengegaan. Niet alleen zie ik de platen in het boek. In deze uitgave heeft Oude Elferink een dimensie aan het platte vlak toegevoegd. Al steeds wist hij diepte in zijn werk te leggen. Diepte als in perspectief, maar zeker diepte in beleving. Spelend met diafragma en sluitertijd weet hij afmetingen en verhoudingen naar zijn hand te zetten zonder de werkelijkheid uit het oog te verliezen. Maar nu heeft hij met de gratis te downloaden app een aspect van ervaring in het boek ingebracht. Wanneer ik met de app op mijn telefoon de foto scan komt deze tot leven. Ik kan in de ruimte lopen en rond kijken, net als de fotograaf dat op die plek voor mij deed. Maar ook kan ik een video op die plek starten waarin Oude Elferink onder meer laat zien hoe hij een gebouw heeft betreden. Of laat hij een drone boven de omgeving vliegen wat een blik in vogelvlucht oplevert.

      Daan Oude Elferink, Daanoe, urbexfotografie, VR Goggles

      Door VR Goggles stil van verwondering

      Met een speciale bril in een kartonnen houder waarin ik mijn mobiel kan plaatsen, de VR Goggles die is geleverd bij het boek, gaan er nog meer werelden voor mij open. Niet alleen zie ik wonderlijke platen van zonderlinge gebouwen met luxueuze trapportalen, doorgangen, danszalen, keukens en slaapkamers ook geeft de fotograaf mij inkijk in de tijd die van de kapitale huizen, kerken, theaters en fabrieken een bizar schouwspel heeft gemaakt. Van de gevels aan de buitenkant valt de mond al open, zoveel pracht en praal in verval is nauwelijks te beschrijven. Maar eenmaal binnen, voor mij geen moeite maar voor Oude Elferink meestal een hels karwei, ben ik stil van verwondering. De fotograaf zal diezelfde ervaring hebben gehad, denk ik, een rilling over de rug en kippenvel op de armen: het kan niet waar zijn wat ik zie.

      Om zijn werk te verantwoorden geeft hij in relatief korte verhalen aan wat hem beweegt, wat de drijfveer is van zijn expedities en de drang en inspiratie om de ontdekkingen vast te leggen. Het is een bepaalde manier van fotograferen, een tak van sport die urbexfotografie wordt genoemd. Met urban exploring betreedt de urbexer een verlaten en in verval geraakt gebouw om er rond te kijken, te spelen met licht, ruimte en kleur om een mysterieuze sfeer in de te maken foto’s te leggen. Voor sommige fotografen is de spanning van het betreden van verboden plekken juist de reden om urbex fotografie te beoefenen. Want vanaf de weg door de natuurlijke begroeiing mag een gebouw benaderd worden, maar over het algemeen is het streng verboden naar binnen te gaan. Maar juist die dimensie, het vastleggen van een schijnbaar overhaast vertrek, is de kers op de taart. Daan Oude Elferink kan er smeuïge anekdotes van schrijven in zijn boeken hoeveel moeite het hem soms kost de foto’s te maken die hij maakt. Meerdere keren krijgt hij de politie achter zich aan. Vaak komt hij op een bepaalde plek terug omdat er de eerste keer geen doorkomen aan is. Maar ook bezoekt hij een plek meerdere malen daar deze zo merkwaardig is en het interessant is om te zien wat de tijd ermee doet. Dan kan het zijn dat er door storm en wind delen zijn verdwenen of erger dat baldadige jongeren brand hebben gesticht.

      Daan Oude Elferink, Daanoe, urbexfotografie

      Urban exploratian and photography

      In “Travel in time” reis ik zoals gezegd met Daan Oude Elferink naar vergeten plekken. Eerst al nam hij mij in de boeken “Gift of time” en “Touched by time” mee in de mysterieuze wereld van de urban exploratian and photography. Hoewel beelden voor iedere tongval duidelijke taal spreken is het geschreven woord aan landsgrenzen gebonden. De boeken van Oude Elferink zijn in de meest gangbare wereldtaal, het Engels, opgesteld. Internationale uitgaven derhalve, waar hij op meerdere plekken en in velerlei landen goed voor de dag kan komen. In dit boek wordt het kunstje van die eerdere boeken niet nog eens over gedaan. Wel zijn het voor de zoveelste keer opnieuw prachtige platen van mysterieuze plekken. Er lijkt geen bodem in het vat van in de steek gelaten en verwaarloosde plekken te zijn. Steeds opnieuw weet deze fotograaf van die bijzondere door mensenhand geplaatste bouwwerken te vinden. Niet altijd even goed benaderbaar of zelfs hermetisch afgesloten voor de buitenwereld, maar voor Daan Oude Elferink is geen brug te ver en hij opent met relatief gemak deuren die normaal gesloten blijven. Hij voelt zich meerdere malen inbreker of insluiper, echter zonder crimineel doel. Hij kraakt de gebouwen niet om onderdak te zoeken, maar om de beleving er door fotografie in te laten wonen. Zo krijg ik, en krijgen de lezers van zijn boeken, inzicht in ruimten die bewoond werden en waar bedrijvigheid was maar waar de tijd nu lijkt stil gevallen.

      Daan Oude Elferink, Daanoe, urbexfotografie

      Iedere foto geeft te denken

      Bladerend door het boek zie ik het verval als de rimpels in een bejaard gezicht. En niet alleen gangen en trappenhuizen, ook theaterzalen en fabriekshallen. Een rij auto’s achter een kapot geschoten vliegtuig in het veld, een filmdecor? Altijd rijst de vraag wat is er gebeurd, iedere foto geeft te denken over omstandigheden en voorvallen. Ging Oude Elferink voor de eerdere uitgaven eigenlijk altijd het gebouw binnen om er de meest prachtige en surrealistische platen te schieten, voor dit boek pakt hij meerdere malen de omgeving mee. En ontdekt hij tussen de bomen een autokerkhof waarbij welhaast ieder voertuig een eigen graf heeft. De globe staat nog op het bureau van de meester, de tafeltjes van de leerlingen nog netjes in het gelid. De tafel in de eetkamer staat gedekt voor drie, het bed is met hemel opgemaakt, een stoomlocomotief staat aan het eind van zijn Latijn, de Vespa leunt in een verlaten hal. Zou er nog wijn in de vaten in de kelder zitten? Kan de preekstoel nog beklommen worden? Het applaus lijkt weggestorven hoewel het toneelspel op het punt staat te beginnen. De vleugel is door de poten gezakt, de verroeste orgenburggaz zakt scheef aan land. De baggermachine is stil gevallen en hapt naar lucht. Het valentijnsboeket op tafel is tot arrangement met droogbloemen geworden. Van de duikplank wordt niet meer gedoken.

      Daan Oude Elferink, Daanoe, urbexfotografie

      Ontdekkingsreis

      Het boek is een ontdekkingsreis. Een droomwereld onthult zich, want ik had nooit gedacht zoiets te zien. Soms wordt de dagdroom een nachtmerrie wanneer de knekels onder de vloer van de verlaten Italiaanse kerk worden gevonden. Maar de dood en het verval hebben charme. Er schuilt romantiek in de tand des tijds. De 80 jaar oude luxe auto’s, netjes opgeborgen achter stalen deuren voor het oorlogsgeweld, lijken vergeten door de eigenaren en staan in hun safehouse te roesten en zakken door de assen. Het is een bijzondere ontdekking, net als die rij tanks in het veld en het neergestorte vliegtuig in de bossen dat zijn. Rupsvoertuigen in ochtendnevel, een blauw wrak tussen het groen. Zo neemt op meerdere plekken de natuur bezit van wat eens door de mens is gemaakt. En de tijd zorgt daarbij voor een vruchtbare voedingsbodem. Ooit zullen deze plekken met de grond gelijk gemaakt zijn, niet door afbraak of verwoesting, maar doordat ze onderdeel zijn geworden van de omgeving. Nog lang zullen stenen muren en stalen wanden het verval proberen uit te stellen, maar eens is er niets meer en dan hebben we gelukkig de plaatjes van Daan Oude Elferink nog.

      Travel in Time. Fotografie van Daan Oude Elferink. Uitgave Daanoe, 2022.

    • Wilstra en Rijpma brengen een ode aan Noarderleech

      De natuur heeft er terug gewonnen van de mens. Deze dacht daar land te winnen. Buitendijks om het gebied te vergroten. Men wil altijd meer. Eigenlijk evenwel is het een samenwerking. De mens helpt de natuur en andersom. De natuur voert grond aan, klei. Deze aanslibbing wordt door de mens bevordert met dammen en greppels. Het is een ecologisch samenspel dat getijdengebied. Al naar gelang er meer grond wordt aangevoerd valt de aarde droog. De één geeft, de ander neemt. En laat de ander het werk voor een moment liggen dan herneemt de één wat gegeven is. Zo kan een bijzondere streek ontstaan, een rand in de Waddenzee dat onderdeel wordt van het land van Fryslân. Dat is de bedoeling. Dat land heeft het gebied nodig, anders kalft het af en wordt teruggenomen door de zee. Maar de rand waarin land en water elkaar de loef afsteken, met slikken en kwelders en zomerpolders, vormt een buffer. Er zou een dijk omheen gelegd worden, zodat het land daadwerkelijk van de zee was gewonnen. Maar zover is het niet gekomen, zodat er een prachtig natuurgebied is ontstaan. Noarderleech. 

      Noarderleech, Evert Wilstra, Jochum Rijpma

      Onontgonnen grond, variëteit aan plant en dier

      Het is er leeg daar in het noorden. Althans leeg omdat de mens het heeft laten liggen waar het ligt. Maar het is niet leeg van flora en fauna. Juist de natuur is er druk doende voor plant en dier leefbaar gebied van te maken. Laag is het er wel, meestentijds onder de zeespiegel. Kwelders die werden ingepolderd zijn teruggegeven aan de zee en weer van zomerpolder tot kwelder gemaakt. De getijden kregen opnieuw hand in de tijd door het doorsteken van een dijkje. De mensenhand hielp de natuur een beetje. Soms is dat nodig, maar meestal kan de natuur het zelf wel oplossen. Door veranderingen in de tijd, wijzigingen van beleid, krijgt de mens minder invloed op de natuur. Daar in het lege noorden trekt de mens zich terug om ruimte terug te geven aan de natuur. Dat gebied, met de bedoeling het strak en zakelijk in te polderen, heeft de spontane en speelse ontwikkeling van land en water samen teruggekregen. De beloning is een prachtig stuk onontgonnen grond met een variëteit aan plant en dier. 

      Noarderleech, Evert Wilstra, Jochum Rijpma

      De natuur is dankbaar dat het ruimte krijgt om te groeien en te bloeien. De mens geeft die ruimte daar in het Noarderleech. Dus doet die natuur wat aan de mens terug. Wie er rondloopt, waadt door de natte grond, zal beamen dat hier door een onafgemaakt landjepik een bijzonder buitendijks gebied is ontstaan. Een kakafonie aan vogelgeluiden overstemt het ruisen van de wind. Het is er niet leeg en stil, het is daar juist vol van leven en geluid. Maar voor de maatstaven van de mensheid heerst er rust en kalmte, is het een contemplatief gebied, om er beschouwend in te zijn. De natuur gebiedt mij eerbiedig stil te staan en te genieten. En ben ik niet in de gelegenheid het gebied lijfelijk te bezoeken, dan pak ik het boek Noarderleech erbij.

      Genegenheid in de gedichten te lezen

      Voor de uitgave heeft de Afûk, de instelling tot behoud en ter bevordering van de Friese taal, fotograaf Evert Wilstra aan het werk gezet om het gebied fotografisch in kaart te brengen. De oud-fierljepkampioen laat met de foto’s een impressie zien van het landschap als zodanig, maar toont ook de verbinding tussen het landschap, de natuur en de kunst. Er is een prachtig handzaam fotoboek ontstaan waarin de sfeer van het gebied in de ziel wordt geraakt. De liefde voor de natuur ligt erin voor het oprapen. Hoge luchten, een weidse blik, maar ook op de knieën bij een graspol of gebroken kleibodem. Diezelfde genegenheid valt in de gedichten van Jochum Rijpma te lezen. De eco-campingboer lijkt aan de hand van de foto’s zijn lyrische hartstocht te hebben uitgeschreven, maar het is veeleer de natuur daar in het Noarderleech zelf dat hem deed besluiten de loftrompet te steken en een lofzang aan te heffen. In dit gebied daar ter plekke kun je niet anders dan in poëtische verwondering de ogen opslaan, in fotografische vervoering de liefde bedrijven. 

      Noarderleech, Evert Wilstra, Jochum Rijpma

      Het boek gaat met een voorwoord van Henk de Vries, directeur van de provinciale vereniging voor natuurbescherming in Fryslân it Fryske Gea. De vereniging is beheerder van vijftig verschillende natuurgebieden waaronder het Noarderleech. Hij beschrijft en omschrijft het ontstaan van dit voor Europese begrippen unieke gebied. “Door de schaal, de openheid, het mooie licht en het nachtelijk duister werkt het Noarderleech op het gemoed van mensen.” Waarna fotografie en poëzie losbarsten in een beeldend en geschreven ode op dit natuurgebied. Het is om stil van te worden. Even de gedachte leeg maken om de beelden van een gecultiveerde ongerepte natuur te doorgronden. Want het blijft een feit dat de mens er een hand in had hoe het landschap er daar langs de rand van Fryslân bij ligt. Doordat de natuur het werk afmaakt merkt de mens nu op dat het er ongeschonden bij ligt. Dat de inbreng nauwelijks meer merkbaar is en het een maagdelijk landschap lijkt. Het is het zelfoplossend vermogen van de natuur dat op ingrepen pleisters plakt. 

      Daar klimt een man over het hek

      Uitgestrekte kwelders, zover het oog reikt dus tot aan de horizon. Ondergelopen land, rietkragen. Slikken en slenken. Maar ook de bewoners. Vogels op doorreis. Schapen en paarden voor een periode. Dichter op de huid van Noarderleech het riet, het grasland, de kleigrond. Korstmos en vlokken wol aan prikkeldraad. Hé, daar rijdt nog een boer op de tractor, schudt het hooi op. En daar klimt een man over het hek, proberen mensen bij de Tempel van Ids de contouren van Ameland te zien op de dansende horizon. Evert Wilstra was er ieder jaargetijde en toont mij de wisseling van de seizoenen. 

      Noarderleech, Evert Wilstra, Jochum Rijpma

      Jochum Rijpma sluit aan met woorden die de beelden kunnen vervangen. Niet altijd lijkt hij het over Noarderleech te hebben, ook gaan zijn gedachten wel verder mee op de wind. Heft hij een lied aan op mensen die ons ontvallen zijn, een andere werkelijkheid zijn ingegaan maar hun wortels voelden in het Waddengebied. En een liefdeslied of passiespel in korte ongerijmde zinnen breekt de droom van de dichter over Noarderleech open. Een poëet loyaal aan dit gebied, dat voor hem vrouw kan zijn maar evengoed man, mens is om lief te hebben. Te willen schuilen in de schoot van dit landschap, gevleid tegen de dijk. “Sakraal wekker wurden / Wie ‘k foar altiten ferkocht / Oan dit hân tútsjende Leechlân, / Grôtfol sjongend libben.” De gedichten zijn tweetalig. De Friese taal sluit in klank en gevoel aan op het Noarderleech. In de Nederlandse vertaling boet het iets in aan kracht, maar toch “Sacraal gewekt / Was ik voorgoed verkocht / Aan dit hand kussende laagland, / Barstensvol zingend leven.” 

      NOARDERLEECH. Unyk poëtysk lânskip / Uniek poëtisch landschap. Foto’s Evert Wilstra, gedichten Jochum Rijpma. Uitgave Afûk, 2022.