Tag: Freek de Jonge

  • “Ik begin met ik. Dat lijkt me het beste voor een autobiografie.”

    Voordat ik het derde deel van de memoires van Freek de Jonge opensla, lees ik het boek over de schilder Jopie Huisman. Ze waren vrienden, Freek en Jopie. Het boek “Schilder van het mededogen” gaat over Huisman, maar is het verhaal van Jopie. De voddenboer en schilder heeft tegen het eind van zijn leven het idee daadwerkelijk langzaam te verdwijnen. Hij maakt ook een vaag zelfportret op de rug gezien zittend achter zijn ezel, een laatste schilderij. Die gedachte van ontsnappen van het leven komt ook bij mij op wanneer ik “De Zeeuwse jaren” lees. Dat Freek tegen de tijd van zijn 80e levensjaar denkt langzaam uit het beeld van Nederland te verdwijnen. Misschien dat hij daarom op de achterbank bij André van Duin gaat zitten, terwijl hij daar eigenlijk geen zin in heeft. Maar zijn zoon zegt hem het wel te doen, ‘anders raak je helemaal in de vergetelheid’.

    Fotografisch geheugen

    Zoals voor verfilming een boek wordt gedramatiseerd, zo heeft Freek de Jonge voor zijn memoires het leven gefantaseerd. Dat speelt door mijn hoofd wanneer ik deel 3, “de Zeeuwse jaren”, lees. Niet dat deze plausibele wetenschap een geamuseerd lezen in de weg staat. Integendeel. Freek zal een fotografisch krachtig geheugen bezitten. Dat moet ook wel wil je vele avonden lang jaren achtereen op het podium staan om een onemanshow af te draaien. Of het zit allemaal nog in zijn hoofd opgeslagen of hij zal een nauwgezet dagboek hebben bijgehouden. Want hij weet nog precies wat er zich in zijn leven door de tijd heeft afgespeeld. Kent nog exact de woorden die gezegd zijn in de dialogen. Kan zelfs de kleding en de haardracht van mensen die met hem optrokken en langs hem zijn gegaan uit zijn geheugen opdiepen. Hij is een goede getuige met een sterk verhaal. Een vertelling uit de eerste hand, een toeschouwer van zijn eigen leven met een ervaringsdeskundig relaas.

    Natuurlijk is er niemand die Freek’s memories op feitelijkheid natrekt. Geen lezer die gaat googelen om te kijken of het allemaal wel waar is wat Freek schrijft. Of het fantasie is of een grote dosis realiteit uit de herinnering behelst aangedikt met wat humor en drama. Freek is tenslotte een komiek. We nemen hem met een korrel zout.

    “Ik moest vanmorgen denken”

    Neem nu de brainstormweek in Oudehaske. Het spreekt mij aan, omdat ik er ook ooit eens heb vertoefd en mijn vrouw er op een steenworp afstand haar jeugd heeft doorgebracht. Zwom in en zeilde op het verveende meertje. Toch kan ik weinig achterhalen van wat Freek over de camping bij het Nannewiid schrijft. Collega cabaretier Jacques Klöters schrijft in één van zijn columns, die steevast beginnen met de woorden ‘Ik moest vanmorgen denken’: “Freek vertelde later in interviews over de week in Oude Haske waar hij met medecorpsleden Bram, Just Enschede en Eddy Habbema aan het eerste programma werkte. Ze hadden wat poplp’s bij zich, Freek een lp van Toon Hermans. De conference van de Sprekert, daar kon Freek geen genoeg van krijgen. Hij voelde zich aangetrokken tot de woordspelingen en quasi-diepzinnigheden en maakte ze ook.

    Verderop in het boek word ik echter meteen al gelogenstraft op mijn scepsis, wanneer Freek van het verleden naar het recente heden springt. Hij lijkt een writers block te hebben, van de voorgenomen discipline om te schrijven komt weinig terecht. Er zijn te veel actuele zaken die hem in de weg zitten om zijn herinneringen op een rij te zetten. Zijn toestand en die van zijn vrouw, en al die andere zaken daar buiten om, zitten zijn creativiteit in de weg. Het is niet duidelijk of hem dat overkomt wanneer hij middenin 1968 zit wanneer zijn vader is overleden.

    Tot in de haarvaten en de plasbuis

    Dat dit oprakelen van dat verleden hem zoveel verdriet geeft en hij ook nog de eigen actuele neergang meemaakt, of dat hij nog met het boek moet beginnen. In elk geval is het daar gesitueerd tussen de bladzijden van wat voorviel in dat jaar. Tussen de sterfdag en de begrafenis wordt hij, Freek, en de lezer, ik, met hem bepaald bij het hier en nu. Tot in de haarvaten en de plasbuis wordt een en ander beschreven, zijn ongezonde terugval en die van vrouw Hella. Legt in het heden uit hoe hij over zijn verleden schrijft. Welke moeite en tegenzin het hem kost alles terug te halen van het verleden in het heden om het te noteren. ‘Het leven leiden, het lijden leven’ – lees ik ergens in de qua aantal woorden omvangrijke memoires.

    Met enige weemoed in zijn pen schrijft Freek breedvoerig over wat hem in de jaren 60 van de vorige eeuw overkwam. De ontdekking van het studentenleven met vooral feesten en weinig studie, de ontgroening. Freek is meer bezig met zijn voornemen op het podium te staan dan in de collegebank te zitten. Het optrekken met familie en vrienden, “Ik had vrienden, natuurlijk. Niet zoveel. Nooit gehad. Ik had genoeg aan mezelf.” De kalverliefde, “ik was overvallen door iets wat groter was dan mijn gekoesterde toneelverlangen.” De gewaarwording van seksueel genot, deze pagina’s in het boek kunnen in de schaduw staan van de erotische roman ‘Vijftig tinten grijs’.

    Ach, het zijn allemaal van die zaken waar een gezonde jongeman in de bloei van zijn leven tot volle wasdom mee te maken heeft en krijgt. Het geloof, God, die een leven lang vat op hem blijft houden, maar niet het handvat is waaraan zijn vader houvast heeft. Zijn vader speelt in het boek een belangrijke rol, zoals vaders dat doen in de levens van zonen. Het komt flagrant tot uiting wanneer hun aardse levens elkaar scheiden, het sterven van zijn vader zet Freek met beide benen op de grond.

    Dan, in het hoofdstuk 2023, laat De Jonge het achterste van zijn tong zien, geeft hij inzicht in zijn verdriet. Hij zet als het ware de deur wijd open naar zichzelf, een deur die altijd op een kier bleef staan in zijn doen en laten, zijn leven en werk, zijn shows. Het leven was een show tot de waarheid aan het licht kwam.

    Eeuwigheidswaarde

    Deze interval in de memoires van de jaren 60 geeft aan “de Zeeuwse jaren” een eeuwigheidswaarde. Zonder dat was het een flauw grappig evenwel aantrekkelijk leesbaar boek gebleven, een autobiografie van een jongen die komiek wilde worden. “Je moet vanuit het niets beginnen. Geen verwachting, louter verlangen. De mensen moeten naar jou toe komen. Je moet niet uit zijn op gezelligheid. Probeer vanuit het ongemak te spelen.”

    Op een goed moment wordt Bram Vermeulen het verhaal in geschreven. Een punt waarop ik aldoor gewacht heb, want Bram en Freek, Neerlands Hoop (in Bange Dagen) blijft als instituut tot de verbeelding spreken. Het is bijzonder te lezen hoe toegenegen Freek over Bram schrijft. Dat hij inziet niet zover te hebben kunnen komen zonder zijn inbreng. Het was een verstandshuwelijk dat op het hoogtepunt in een scheiding uitliep. Dat te constateren neem ik een voorschot op deel 4. Maar de mannen verdwenen nooit uit elkaars gedachten, hoewel er wel wrok en jaloezie bleef. “In onze samenwerking zag Bram zichzelf graag als de dienstbare, onmisbare aangever die mij de gelegenheid bood te scoren. (…) Hij had inzicht, hij had smaak en bovenal kritiek die niet irriteerde maar uitdaagde en stimuleerde andere keuzes te maken.”

    Tijdsbeeld met open einde

    Het derde deel in de serie memoires van Freek de Jonge geeft vooral een tijdsbeeld. Een tijdsbeeld met een open einde. Want slechts staat het slot van het verhaal aan het begin van wat de knuppel in het hoenderhok van het cabaret deed gooien. Neerlands Hoop heette vernieuwend te zijn, achteraf bezien passend in de tumultueuze periode van toen. Ik kan niet wachten die wederwaardigheden door Freek op mijn bordje opgeschept te krijgen. Het zal smaakvol zijn. Maar nu hap ik met genoegen nog van “de Zeeuwse jaren”, waarin tot de verbeelding sprekende voorvallen die deze jaren de revue passeren langskomen en in de memoires meespelen. Het is daarom ook een soort van historisch verantwoord boek, gezien vanuit het perspectief van een enkel persoon die tot het collectief geheugen is gaan behoren. Maar langzaam in het niets verdwijnt als stip op de horizon aan de andere kant van de Oosterscheldekering, zoals afgebeeld op de omslag van het boek. In het roze van de weemoed en het groen van de herinnering. Het repertoire van Neerlands Hoop mag dan gedateerd zijn, in de eigen komische shows en de memorabele boeken heeft Freek voor de eeuwigheid een monument nagelaten. Voor zichzelf een standbeeld opgericht.

    De Zeeuwse jaren. Memoires 3. 1962-1969. Freek de Jonge. Uitgeverij Atlas Contact, 2024.

  • Weten dat de woorden op zijn mooist klinken wanneer Freek ze zelf leest

    Memoires, ironisch bedoelt zonder een grap te willen zijn. De herinneringen in het boek “Kom verder!” zijn feiten en verzinsels losjes gecombineerd tot een geschiedkundig onzuivere vertelling. Door overlevering verkregen en uit het geheugen opgediept. Dat er hiaten zitten en dat deze opgevuld moeten worden, daar is de schrijver zich van bewust. Maar hij kan dat naar eer en geweten doen, want hij is Freek de Jonge en mag weleens een scheve schaats rijden. Het zij hem vergeven en het maakt het geschrevene alleen maar meer lezenswaardig. Zijn schrijftrant is even levendig vaak en dubbelzinnig soms als zijn  shows op het podium.

    Kom verder!” is de biografie van een familie, een familiegeschiedenis die volgens Freek feitelijk begint bij de Hervorming – de kerkelijke omslag. In het boek vangt het verhaal zo’n beetje aan bij de wonderbaarlijke vingerwijzing Gods, een duiding welke richting het leven van Freeks grootvader Willem op zou moeten gaan. Hij wordt door de grote baas zelf geroepen, op een onbeduidend hek in het veld waar hij de koeien hoedt. Hoe symbolisch, de brandende braamstruik is ingeruild voor een zonnesteek op een onbedekt hoofd.

    Bloed, zweet en tranen

    Wie denkt dat “Kom verder!” een boek is vol cynisme, zoals de schrijver overladen is met humor en dit zijn leven lang op de planken brengt, komt van een koude kermis thuis. De Jonge rekent niet af met het verleden voor zijn geboorte. Zet zich niet af van zijn familie, maar verheft zijn vader tot held van het verhaal. Willem is voor het heil geroepen en Andries zal dit ten uitvoer brengen. De familie is in mannelijke lijn en door de geslachten heen een familie van evangelisten en predikanten. Andries, de vader van Freek, is voorbestemd het woord vanaf de kansel te verkondigen. Hoe hij van kleine jongen tot grote man zover komt, met alle vreugde en smart – het vele bloed, zweet en tranen – daarover gaat het verhaal.

    Het verhaal van vader. Een vertelling vol religieuze invallen die de kerkgeschiedenis aanstippen. Ook de historie van de Nederlanders als natie hebben een aandeel. Maar het is vooral de geschiedschrijving van een familie, die midden in het leven staat en een levenslot met God heeft. De roeping, de opdracht het verhaal van barmhartigheid te verspreiden. De goede zaak onder de mensen kenbaar te maken. Het zijn geen heiligen, hoewel Freek gaandeweg het boek zijn vader wel op een voetstuk zet waar hij meerdere keren dreigt vanaf te vallen.

    Freek de Jonge

    Het zijn gewone mensen, die met vallen en opstaan het leven trotseren. Niets menselijks is hen vreemd. De twijfel slaat regelmatig toe, omdat theoretische en praktische verleidingen op de loer liggen om hen af te leiden van het smalle pad naar de brede weg. De duivel als guerrillastrijder kan zo uit de bosjes springen en in de aanval gaan. Maar het geloof houdt stand. De kudde van dorpse gelovigen reageert niet meewarig wanneer de vrouw van de dominee al maanden zwanger blijkt te zijn bij het ja-woord aan het altaar. Vader gaat bij de deuren langs om daarvoor zijn schuld te betuigen, maar de plattelanders reageren gelaten. Niets menselijks schijnt hem vreemd.

    Dagboeken

    Het verhaal start dus met die roeping. Daarna lees ik de gangen van de jongen en later de man die in het boek vader wordt genoemd. In het eerste hoofdstuk schept dat nog verwarring, want de vader van de vader is ook vader. Wie is nu wie. Gaandeweg wordt dit duidelijk en ook na nog eens opnieuw het begin begonnen te zijn. Bij de eerste lezing scheen ik nog niet klaar voor dit verhaal, ik was er nog niet aan toe en verzandde in dat eerste deel. Zojuist had ik namelijk de dagboeken van Bram Vermeulen gelezen en beschreven. De twee cabaretiers gaan toch de toekomst in als een duo. Wie Bram zegt neemt Freek in één adem mee. En Freek duikt meerdere malen als negatieve zender maar zeker ook als positieve kracht op in die dagboeken. Dat gevoel hing en die smaak bleef na, dus liep ik vooralsnog vast in de memoires van Freek en legde het boek een aantal maanden ter zijde. Maar toen de geest er dan was, ik me door het boek geroepen wist openbaarde zich het mysterie van Freek de Jonge.

    Bram Vermeulen

    Andries de Jonge is een denker, op het filosofische af bijna. De lezer, ik, ga mee in de dagdromen, overpeinzingen en mijmeringen. Als jongen de zaken die een jeugdig persoon zoal bezig houden. Als man de gedachten over, in het geval van deze dominee, het ambt, het geloof en de religie, God. “Zijn gepieker neigde naar het obsessieve. (…) Naar hoe Gods ogen alles zagen bleef het gissen. Had Hij wel ogen? Als je alles ziet schieten ogen vermoedelijk tekort.” En hoe zal hij de Waarheid verkondigen. “Wat verwachten de mensen van mij? Wat wil ik van die mensen? Wat verwacht ik van God? Wat wil ik van het leven? Wat heb ik te bieden?” Vragen die in het boek een zeker antwoord krijgen, door de aandachtige lezer op te merken.

    Mythologisering van een leven

    Het is een handig format, een toegepaste opzet voor een fantast als deze Freek. Gedachten die op zijn gegaan in de nevel van het verleden, kunnen naar believen met eigen mijmeringen worden ingevuld. De leemtes in het verhaal worden aldus fantastisch opgevuld. De gedachten van de schrijver worden de overpeinzingen van zijn hoofdpersoon. Hij legt het hem in de mond. Want wie zal de waarheid achterhalen. Wie zal weten wat echt is en wat niet. Welke de gedachten van de vader zijn of dat het de filosofie is van de zoon. Maar wat geeft het. Want het gen van de verbeelding ging natuurlijk over van vader op zoon. Wat de zoon denkt zou heel goed uit de gedachten van de vader kunnen zijn gekomen. De non-fictie wordt ingevuld met fictie. De werkelijkheid met fantasie. Want wie denkt dat Columbus Amerika ontdekt heeft? “Amerika hoefde niet ontdekt te worden. Het lag er allang en had ook al een naam.” Dat is dan de mijmering van de aardrijkskundeleraar. Zo draaien de herinneringen om elkaar in kruissteek zodat er uiteindelijk een lappendeken ontstaat, een souvenir van waarheid en fantasie. Van zus was het en zo had het gebeurd kunnen zijn. De mythologisering van een leven.

    Freek de Jonge, Heidenskip

    Ook kan ik als lezend schrijver meegaan in de gedachten, want “wanneer worden letters woorden? Wanneer woorden zinnen? Hoe ontstaat uit een paar zinnen een verhaal? Wat geeft het een betekenis waardoor het verteld blijft worden? Na hoeveel keer vertellen wordt een betekenis de moraal?” Mijmeringen die ik één-op-één kan overnemen, kan nazeggen. Dus naast dat het een geanimeerde vertelling is, legt het ook vingers op wonden bij wijze van spreken. Vooral de religieus onderlegde mens wordt er in aangesproken. Al de anderen krijgen een goede inkijk in het leven met de Bijbel in de hand. Freek blijkt evenzeer de predikant die zijn vader was. Het zit in het DNA.

    Diepen dalen en pure wanhoop

    Het is geen luchtig boek, hoewel het ook niet zwaar op de hand is. Freek gaat niet vluchtig over de zaak heen, hij beschrijft het avontuur van zijn vader niet met een korrel zout. Wel is zijn schrijftrant kruidig en beschrijvend. Het zal zo een script zijn voor een dramatische film. Het is niet enkel zijn geschiedenis, maar veel meer het verhaal voordat Freek als Freetje (Frederik Jan Georg) in 1944 het levenslicht ziet. De roeping van grootvader, het dilemma van vader om wel of geen dominee te worden. Het wordt allemaal diepzinnig en gedetailleerd uit de doeken gedaan en voor het voetlicht gebracht. Als het ware zit ik op de voorste rij en kan zomaar mikpunt worden van schrijvers’ zelfspot. Diepe dalen en pure wanhoop treffen het gezin, naast hoge toppen en vrolijke momenten. “Hem overkwam het diepste verdriet dat een man kan treffen, machteloos toezien dat de vrouw die hij liefheeft haar pas gebaarde kinderen verliest.

    Freek de Jonge

    De geschiedenis herhaalt zich, keer op keer. Het klinkt door in “Kom verder!”, het eerste deel van het kwartet memoires van Freek de Jonge. Een verteller pur sang. Een memoralist van het zuiverste water. Een moralist? Dat maakt de lezer uit. Een geschiedschrijver die niet enkel afgaat op zijn eigen herinneringen en die van zijn naasten, maar zeker ook de literatuur die de teruggehaalde tijd beschrijft openslaat en nagaat. Zijn vingers glijden langs de woorden en zetten zinnen vast in zijn hoofd, om er dit verhaal van te maken. Op zijn website zijn deze bronnen aangegeven. Op die freekdejonge.nl staan meerdere wetenswaardigheden die het boek tot standaardwerk maken. Op de site leest hij zijn boek zelf voor. De woorden klinken niet als holle vaten, want Freek weet en beseft waar hij het over heeft. “Kom verder!” eindigt dan in de liedtekst van het emotionele ‘de stem van vader’. Een lied, psalm welhaast – voor de koorleider, waarin hij zijn vader bezingt als dat jongetje op zondagmiddag die verliefd is op de stem van vader. “Kom verder!” is ook een boek om verliefd op te worden. In de ban van de ernstige en vrolijke toon. De verhalen stemmen tot nadenken, maar lezen als een avonturenroman.

    Kom verder! Memoires 1. Freek de Jonge. De Roje Hel bv. / Atlas Contact, 2021.

    Freek de Jonge, Atlas Contact, biografie