Tag: Friesland Post

  • Passie voor de Friese taal op muziek van Bach

    In het najaar van 2008 maakte ik voor het Fryske maandblad Friesland Post een reportage over de Fryske Passie. Met Jan Rot, Eppie Dam en Gerben van der Veen had ik gesprekken. Jan Rot had namelijk de Duitse taal van de Mattheus Passion omgezet in hedendaags Nederlands, waarna Eppie Dam deze tekst vertaalde in het Frysk. Het onderstaande artikel verscheen in de editie van januari 2009:

    De solisten kunnen het Duits van Bach’s Matthäus Passion dromen. Het koor kent het “sind Blitzen, sind Donner in Wolken verschwunden?” uit het hoofd. Daarom is het een hele klus de tekst in het Fries te zingen. Hertaalde Jan Rot de passie twee jaar geleden in eigentijds Nederlands, Eppie Dam zette deze woorden over in de Friese taal. Dirigent Gerben van der Veen vindt dat het kleurrijke en krachtige Fries goed past op dit klassieke monument. “Is bliksem en tonger it flokken fergongen!?” bekt fantastisch.
    Kamerkoor Capella’92 gebruikt elke repetitie om de tekst, die door Eppie Dam op cd is ingesproken, eigen te maken en in ‘geef Frysk’ uit te spreken. Straks komen deze koordelen en koralen samen met de aria’s en recitatieven van de solostemmen. De hoekdelen voor de pauze, waar eigenlijk een jongenskoor staat voorgeschreven, worden ingevuld door een kinderkoor. Uiteindelijk wordt dit alles over de klanken van barokorkest Florilegium Musicum gelegd.

    Zorgen dat alle noten er zijn

    Van der Veen zocht na tien jaar een uitdaging om de Matthäus in kleinere bezetting uit te voeren. Daarom is het koor Capella’92 van zijn thuisbasis Centrum voor de Kunsten a7 ingezet om deze versie uit te voeren. “Ik ben gewend geraakt om bepaalde intenties in de tekst te leggen. Bepaalde koralen zijn heel ingetogen en aria’s erg uitbundig, daar geef je een zeker karakter aan”, zegt de dirigent, die moet zorgen dat alle noten er zijn. “Het is geen letterlijke vertaling, dus is er een heel andere lading. De verhaallijn loopt door in de koralen, terwijl het bij Bach losstaande reacties zijn als overpeinzingen door het koor. Ik moet goed nadenken hoe ik de noten laat klinken, waar leg ik accenten, wat voor karakters geef ik ze mee, waar breng ik nuances aan.

    Gewikt en gewogen

    De hertaling van Jan Rot schudt de mensen wakker en zet ze op het puntje van de kerkbank. Opeens worden klanken woorden met betekenis. De taal is te begrijpen met een inleefbare gevoelswereld. Zo komt ook de muziek direct aan en krijgt iets terug van zijn oorspronkelijke kracht. Over elk lidwoord heeft Rot wel vier keer gewikt en gewogen. Zowel dat beschouwende als het emotionele karakter zijn terug te vinden in de vertaling van Eppie Dam. “Voor veel Friezen is het Nederlands de taal van het hoofd, terwijl het Fries totaal is ingebed in alle vezels van het hart. Daarom dalen de woorden van de Fryske Matteus dieper in ons neer en raken ons tot in de ziel”, vindt hij. Dam is benieuwd of het de jongeren net zo zal aanspreken als de Rotmatteus doet. De kennis van de Friese taal neemt vooral af onder de jeugd, dat zou het werk weer minder toegankelijk kunnen maken.

    Menselijk verhaal

    De kracht van Rot’s hertaling is dat hij het verhaal niet voor lief neemt, maar het juist wil vertellen. Het laat dingen zien”, vertelt de Friese schrijver die geroerd is door en gelooft in het werk van Rot. “Bijvoorbeeld hoe instituten en machthebbers omgaan met de eenling die er andere ideeën op na houdt. Wie idealen heeft en afwijkt van de letter of de heersende mening, zal daarvoor een prijs betalen. Dat is een wetmatigheid van alle plaatsen en van alle eeuwen. Daarmee is het lijdensverhaal van Jezus vooral een menselijk verhaal geworden. Deze Matteuspassie stelt vragen. Hoe sta je zelf als mens in de wereld? Sluit jij je aan bij de massa en roep je mee in het koor van het grote publiek? Blijf je trouw aan je ideeën en aan je zielsverwanten, of laat je ze vallen en ben je uiteindelijk net zo broos als dat kleine rotsje Petrus?

    Louter passie

    De Matthäus Passion is in het Duits een instituut, dat verandert niet. Uiteindelijk zal dat het nu ook in het Nederlands worden. “En wie weet in het Frysk”, zegt Dam. “Met mijn vertaling hoop ik in elk geval te laten zien dat geen taal te klein is om het hoogste culturele erfgoed te kunnen dragen. Elke moedertaal geeft er – dankzij de authentieke emotionele lading – een extra dimensie aan zoals geen vreemde taal dat kan. De Fryske Matteus is louter passie.”

    Moeilijke delen

    Het was voor mij geen gespreid bed”, zegt hij doelend op Rot die al woorden op noten had gezet. “Sommige delen kon ik bijna voor de hand weg vertalen, andere passages plaatsten me voor grote problemen. In sommige gevallen kostte het me weken om ze op te lossen. Simpele korte zinnen zorgden voor de meeste problemen. Nog liet Pilatus zich overstemmen, zingt Rot’s verteller wanneer de stadhouder niet opgewassen is tegen het volksrumoer. ‘Noch liet Pilatus him overrule’, ‘Noch liet Pilatus de earen hingje’, ‘Noch liet Pilatus [dit en dat]’. Zo zeurt het nacht en dag door in mijn hoofd, totdat opeens de oplossing eenvoudig voor de hand ligt. ‘Noch liet Pilatus syn stim net jilde.’ Zo simpel dat het is alsof de vertaler er geen werk van heeft gehad.
    Rots, opzij, licht Jezus bij! Alsof het onder een zwerfkei verscholen ligt, zo moeilijk kom ik aan het gewoon voor de hand liggende rijmwoord. ‘Rots, hjirwei, skyn Jezus bij!’ Dat is misschien wat vertalen is: steeds keien, basaltblokken en tegels omdraaien, om te kijken of er iets onder ligt. Ik heb eelt in mijn handen gekregen. Van alle vertaalwerk dat ik tot nu toe heb gedaan, is de Fryske Matteus verreweg de lastigste klus geweest.

    Goed gekeken

    Eppie heeft goed gekeken”, zegt Jan Rot, “want het is belangrijk dat de vertaling de muziek niet aantast. Van mijn tekst mag afgeweken worden. Liever ten koste van Jan Rot dan ten koste van Bach.
    Bij de première zal Rot in de Grote Kerk van Leeuwarden naast zijn stiefmoeder zitten, “want die is Fries dus dat zal wel helpen”. Zij zal het “Kappe! Kringen! Lit him los!” voor Jan vertalen in “Schande! Laat dat! Laat ‘m los!” waar Bach “Laßt  ihn, haltet, bindet nicht!” hoorde.

    Friesland Post, januari 2009

  • Museum Belvédère 20 jaar: het begin

    Thom Mercuur en zijn museum van de stilte

    De contrasten moeten het museum leuk maken. Het is beslist niet alleen een Friese aangelegenheid. Dat zou voor de Friezen ook niet goed zijn. Daar hebben ze te veel niveau voor. Ze zijn het waard om naast de internationale schilders te staan. Ik probeer ze op een plaats te zetten waar ze thuis horen, en dat ze beslist niet minder zijn. Dat probeer ik met het museum te bereiken. Voor mijn gevoel laat ik het neusje van de zalm van de Friese moderne kunst zien.

    Op woensdag 24 november opent het museum Belvédère in Oranjewoud haar deuren. Een museum voor 20e eeuwse en hedendaagse kunst in een historisch gereconstrueerd park. Een jongensdroom komt dan uit. In de jaren 50 bedachten Boele Bregman, Thom Mercuur en Sjoerd de Vries dat het aardig zou zijn een museum te stichten voor 20e eeuwse en hedendaagse kunst. En dat hun werk dan naast tijdgenoten en stijlgenoten zou hangen. Mercuur is er 16 jaren mee bezig geweest om een en ander voor elkaar te krijgen. Tweemaal is het mislukt, maar uiteindelijk heeft het plan vorm gekregen op een unieke plek in de historische bossen van Heerenveen.

    Innerlijke bewogenheid

    Zonder Boele was Belvédère er niet gekomen. Ik was 16 jaar toen hij voor mij de deur naar de kunst opende. Nu kan ik zeggen: nou Boele, het hangt jongen, allemaal. Daar denk ik ook aan terug, want zo praatten wij er vroeger over. We hadden het over politiek, over literatuur, over film, maar vooral over beeldende kunst. Boele heeft mij leren kijken. Wij waren de jongeren en hij was de oudere. Die rol speel ik nu ten opzichte van jonge kunstenaars als Christiaan Kuitwaard, Jan Snijder en Jochem Hamstra. Ik ben altijd gericht op kijken. Het zien is voor mij heel essentieel. En dat zien heeft niets met intelligentie te maken, dat heeft met gevoel te maken. Schilderijen hebben altijd mijn fascinatie gehad. En bij wie het is begonnen? Eigenlijk bij Jan Mankes.

    Het wordt geen museum van het grote geweld, maar van de rust en de stilte. Hij toont vrij ingetogen schilders. En dat de meeste daarvan autodidacten zijn is toeval. 

    Een geweldige man

    Het gaat om de persoon en de innerlijke bewogenheid. Ik heb niets met kunstenaars die hun vaardigheid willen bewijzen. Ik houd van duidelijkheid. De fascinatie van de kunstenaar van wat hem bezig houdt, de innerlijke noodzaak, zijn leven lang. Met die schilders heb ik iets. Door die bril kan ik het alleen maar zien en hang ik ze in het museum. Ik trek lijnen van de Friezen in tijd en stijl naar vakgenoten in binnen- en buitenland. Het gaat om de stilte die het uitstraalt. Ik praat veel met kunstenaars die me aanspreken. Alleen in hen kan ik mij verplaatsen. Van anderen, die ik veelal niet begrijp, sluit ik me af. Ik heb daar niets mee, ik kan daar niets mee. Veel kunst gaat dan ook aan mij voorbij. Kunstenaars die misschien wel heel goed zijn, maar ze sluiten niet aan bij mijn gevoel en passen dus niet in de collectie en spelen daarom geen rol in het Belvédère museum. De beperking die ik mijzelf stel moet de kracht van het museum Belvédère worden. Volledig omschrijven kan ik het niet en wil ik het niet. Wanneer de deuren open gaan kan iedereen het zien. Een trainer heeft de meeste moeite met de lui die op de bank zitten. Zo werkt dat en als je daar niet tegen kunt dan moet je er niet aan beginnen. Daarom vind ik ook dat ik het maar kort moet doen – 4 of 5 jaar. De tijd heeft ook een oordeel. Het museum draagt mijn stempel, maar dat verdwijnt wanneer er een ander komt, die het ook goed doet of misschien wel beter. Een frisse wind erin als ik eruit ga, zo moet het. Het moet dan iemand zijn met een duidelijke visie en die voeling heeft met de collectie.

    Kunst zelf uitgevonden

    Gerrit Benner en Boele Bregman zijn heel interessant. Het zijn tijdgenoten. Boele is de dichter en veel met taal bezig. Benner is de expressionist, hij moest verf zien. Twee fenomenen in eenzelfde tijd na de oorlog, dat moet ik in de ophanging laten zien.En dan natuurlijk de relatie naar buiten de provincie. Dat ontstaat al filosoferend en denkend en slapend en lopend en pratend. Daarnaast zijn er de wisselende tentoonstellingen, die hebben inhoudelijk te maken met de vaste collectie. Er moet een verband in zitten, ik kan geen uitersten aan brengen in de tentoonstelling en in de vaste collectie. De eerste tentoonstelling is van Willem van Althuis. Willem is een geweldige man, zo één die de kunst zelf heeft uitgevonden, in zijn eigen abstracte vorm. En in de jaren ’70 al exposeerde in het Stedelijk Museum te Amsterdam. Van Willem wil ik graag een mooie stille tentoonstelling maken, een tentoonstelling die hij verdiend. Willem’s schildersleven was kort, door de ziekte van Parkinson schildert hij al 15 jaar niet meer. Soms jeuken zijn handen, maar eens zei hij tegen me: ‘alles wat ik te zeggen heb Thom dat heb ik toch al gezegd, waarom zou ik nog verder schilderen’.

    Friesland heeft een aantal belangrijke schilders. Thom ergert zich eraan dat deze nooit in een permanente opstelling op een goede manier getoond zijn. Wel eens incidenteel, maar later is er dan niets van terug te vinden in de permanente collectie. Van Gerrit Benner is nooit een goed retrospectief te zien geweest. 

    Subjectief beeld

    Thom Mercuur is een doener, geen vergadermens. Hij wilde ook geen directeur zijn, maar moet dat nu wel worden. Hij moet de baas zijn, anders gaan anderen zich met de collectie bemoeien. 

    Daar kreeg ik een ontevreden gevoel over. We hebben het hier in Fryslân altijd over cultuur. Daar hoort alles bij, daar hoort het landschap bij, skûtsjesilen en reedride, daar hoort zelfs voetballen bij, maar daar hoort natuurlijk ook de beeldende kunst en de poëzie bij. Dat is een totaal, dan krijgt het kracht. Maar cultuur wordt op incidenteel gesubsidieerd, daardoor mist het kracht en treedt het niet genoeg naar buiten. Ik hoop dat het nu met dit museum anders wordt. Wat ik doe heeft altijd een subjectief beeld, het is mijn idee. Objectief kun je nooit een museum maken, want er is zoveel. Ik sluit me af van video en dat soort dingen, omdat het me niet ligt en ik er geen gevoel bij heb. Het wordt bij mij een olieverf en terpentijn verhaal. Dat is de beperking die ik mezelf stel. Het moet dus een heel geconcentreerde collectie worden. De mensen moeten de liefde voelen waarmee het is uitgezocht en met wie het heeft gemaakt. Daar gaat het mij om. Dat probeer ik over te brengen.

    Naast de pasbenoemde zakelijk directeur Stiena van der Ploeg en een groep enthousiaste vrijwilligers wil ik verantwoording afleggen aan het bestuur van museum Belvédère. Met ons allen gaan we ervoor. En als tentoonstellingenmaker en ideeënman wil ik het museum gezicht geven. Ik maak er geen kermis van, dan wordt het ordinair. Het is heel gemakkelijk om dat te bedenken. Een museum van de stilte dus, naar de geaardheid van de collectie. Wat niet betekent dat het niet veel bezoekers mag trekken. Het gaat mij altijd om een artistieke kwaliteit, daar moet het museum ook in uitblinken. Door een fijnzinnigheid, door het gevoel, door smaak. Dat moet het zijn.

    Gepubliceerd in Friesland Post, november 2004.