Tag: gedichten

  • Het voormaolig stàdsie Utreg van Peter Knipmeijer

    Karel V, wie kent hem niet? Voor de onwetenden dan, een korte uitleg. Karel V, levend van 1500 tot 1558, was keizer van het Heilige Roomse Rijk en koning van Spanje, en heerste over een uitgestrekt Europees wereldrijk. In 1545 verbleef hij in Utrecht in het Duitse Huis, waar een bijeenkomst van de Orde van het Gulden Vlies plaatsvond. Het huidige Grand Hotel Karel V is naar hem vernoemd ter herinnering aan dit historische bezoek. Punt.

    En Peter Knipmeijer, kent iemand hem? Jawel, want hij is een Nederlandse dichter, geboren in 1970. Hij debuteerde in 2010 met de bundel Tweelingsterren en was van 2012 tot 2018 lid van het Utrechts Stadsdichtersgilde. Hij woont tegenwoordig in Terneuzen en publiceert gedichten in bundels en tijdschriften. Knipmeijer is de bedenker van de topo, een poëtische vorm die hij zelf ontwikkelde en waarmee hij andere dichters inspireerde. Dus.

    Waarom ik deze twee heren in deze bespreking samenvoeg is omdat de chefkok van Restaurant Karel V in Utrecht Knipmeijer in het voorjaar van 2023 de opdracht heeft gegeven 5 gedichten te schrijven voor bij het dan nieuwe menu: “iets met de stad, een mooi loom gevoel, zomerige shizzle en een goeie vibe”. Hoewel Peter van Amersfoort is voelt hij zich toch verbonden met zijn ‘voormaolig stàdsie Utreg’. Voormalig, want de experimentele en vernieuwende dichter Peter Knipmeijer woont nu in Zeeland. Maar het gebeier van de Dom resoneert nog in zijn gedachten.

    Reisgids om emotie van Utrecht te verkennen

    De 5 in opdracht geschreven gedichten vulde Knipmeijer aan met 9 oude en 14 nieuwe, want hij was toch lekker bezig. Het zijn kort en bondige aantekeningen geworden van zijn gevoel bij de stad. Veelal autobiografisch – zichzelf geportretteerd langs de grachten, over de bruggen, in de werfkelders – daar net als bij kunstschilders jij zelf het beste model bent. Van de 28 schetsen heeft de dichter een dun boek samengesteld, een soort reisgids om de emotie van Utrecht te verkennen en herkennen. De “Utrechtse notities” is verschenen als deel 43 van de Gaia Chapbooksreeks.

    Been there, done that – ik was daar, maar het er zijn verveeld niet: Utrecht is een prachtige stad, er gaat niets boven. Daarom hoef ik de emoties die Knipmeijer in zijn notities legt niet te verkennen, want ik herken ze alle. Hij weet die stemming en deze sfeer scherp neer te zetten, de ontroering duidelijk te vatten. Niet verwonderlijk dat collega-dichter Ingmar Heytze schreef “Je kunt de man uit Utrecht halen, maar Utrecht niet uit de man”. En hij kan het oprecht weten, want de dichter en performer is op en top Utrechter in hart en nieren.

    Ik waan mij langs de grachten

    Het zijn spitse beschouwingen die de dichter in experimentele poëzie giet. In halve bewoordingen die ik heel kan opvatten. Hij schrijft niet alles wat gezien is, maar ik kan toch de hele sfeer aanvoelen. Knipmeijer heeft aan een half woord genoeg om mij het plaatje helemaal te beelden. Hij maakt zijn zinnen niet af, laat ruimte voor en geeft plek aan mijn idee. De witruimte is adembenemend. Automatisch vul ik dan de stemming aan, aldus zijn de gedichten interactief. Ik dien mijn geest bloot te leggen om de naakte waarheid onder ogen te zien. De dichter geeft de voorzet zodat ik op doel kan schieten. Het ligt aan mijn aanvoelen, of beter invoelen, of ik scoor.

    Bij de gedichten van Knipmeijer waan ik mij langs de grachten en op de terrassen van Utrecht. Voel een bries, merk de zwaluwen in het hemelsblauw en hoor oude klokken galmen. Denk ik een kreeft in de Singel te zien; de excentrieke edelman Everard Meyster had grootse plannen met Utrecht als havenstad. Zo leer ik door dichters woorden nog iets van toen, van jaren her. En er zijn meer aanduidingen die ik naar betekenis opzoek. De notities zijn niet eenvoudige aantekeningen, maar gaan meervoudig dieper de gedachten in. Reflecteren, overdenken, filosoferen.

    Het epopee over de stad Utrecht

    De metaforen vliegen me om de oren. Want wat is er fijner om niet man en paard te noemen, maar de lezer op het verkeerde been te zetten. Zo zodat deze serieus na dient te denken om door te hebben wat de dichter bedoelt. Dat het niet doordeweeks gedicht is, maar buitengewoon afgesloten. Heb je als lezer de sleutel, dan is het vers snel van het slot. “Studentenhuis, jaren ’80 / Iemand die hotelschool / Iemand die diergeneeskunde /  / Altijd geld tekort / Altijd een park met eenden om de hoek” Ik proef vroeger, ik ruik toen, ik weet voorbij.

    Welke gedichten Karel V op het menu heeft gezet wordt niet duidelijk. Dat is overigens van weinig belang. Het is zijn opstap, de aanleiding voor Knipmeijer om zich weer eens op het vrije vers te storten. Het gaat om het epopee over de stad Utrecht. Een lofdicht van de helden van de straat, de grachten, de stegen. Onder toezicht van de Dom, die hoog boven de stad oprijst. De toren losgebroken van de kerk is het juweel van Utrecht, een bouwwerk waar men trots op is. Ooit beklom ik de 465 treden om vanaf een hoogte van 98 meter boven NAP de stad te bezien. Ik doe dat niet meer, het is te hoog – ik vrees al de stoeprand. Knipmeijer wijdt een speciaal vers aan de Dom. Dat heeft het verleden als onderwerp, de geschiedenis van de toren. Het wie, wat, waar, wanneer, waarom en hoe. Een journalistiek gedicht derhalve.

    Oude klokken galmen links en rechts

    Het meest in het oog springend zijn de dichtwerken 23 tot en met 26. Deze hebben het afscheid als thema, het wegdragen van een vader. Wat de verhouding van de dichter tot deze mens is blijft ongewis. Hij duidt echter scherpzinnig wat er plaats heeft tijdens een dergelijke gang. Het laatste gedicht voordat de DOM ter sprake komt, nummer 27, is het afscheid van het zijn van leven. De weemoed spreekt er boekdelen uit, de spijt, het zelfverwijt. Want hoe vertrouwd klinkt deze emotie: “Je kan jarenlang / Op een terras gezeten hebben / Maar altijd met de rug gekeerd / Naar waar je blik had willen zijn /  / En je kan jaren later / Op een terras belanden / Jezelf opnieuw verliezen in hemelsblauw”. En ik merk de zwaluwen op, voel een bries terwijl oude klokken links en rechts galmen. Wanneer ik de stad eens weer bezoek.

    “De ‘Utrechtse notities’ zijn onontbeerlijk voor iedereen die iets met Utrecht heeft, met goede poëzie, of allebei.” Deze kritiek liet Ingmar Heytze op de achterkant van de bundel afdrukken. Hij neemt mij de woorden uit de mond. En een ieder die het boek tot zich neemt en de gedichten beschouwt zal dit beamen. De notities schetsen de stad en zijn gegoten in opvallend dichtwerk. Om Utrecht te leren kennen of de stad weten te onderschrijven hoe Knipmeijer het zich heeft gedacht. Een gids tot en naar een eeuwige zomer in soft focus.

    Utrechtse notities. Gedichten. Peter Knipmeijer. Uitgave Gaia Chapbooks, 2025.

  • Begrijpend lezen door het drieluik Harry van Doveren

    Het valt niet te lezen, het drieluik poëzei van Harry van Doveren. Echter is daar geen beter Nederlands woord voor het bekijken en begrijpen van aan elkaar geregen letters tot woorden en zinnen, verzen, verhalen. Hoewel lezen nog geen begrijpen is. Je neemt kennis van de inhoud, maar hoeft dit dan verder nog niet te doorzien, aan te voelen of te begrijpen. Echter de poëzei, daarin dien jij je te begeven om het te snappen. Jawel het staat er goed, poëzei, en klinkt antiek maar wil van nu zijn. Om het te verstaan moet ik er instappen, het lezen betreden laten zijn. Mij voorstellen wat er staat. Mijn verbeelding aanspreken, maar niet de fantasie. Een afbeelding maken van de betekenis van de woorden in gedachten. Dat is geen lezen, dat is imagineren, verzinnebeelden. Deze dichtkunst is het symboliseren van de wereld en alles wat daarin aan beelden tot ons komt. Deze dichter vertaalt de wezenlijkheid tot klanken die kunnen klinken en als woorden worden afgedrukt.

    Harry van Doveren omschrijft de essentie van het wezen cryptisch ofwel bezigt een abstracte poëzie – jawel hier draai ik de ei-klank tot ie-klank voor een actueel begrip. In de poëzie zie ik de betekenis wanneer ik goed kijk. Niet dat hij moeilijke woorden gebruikt, maar rangschikt deze zodanig dat de zinnen lastig toegang geven. Laat woorden uit het verhaal weg om de essentie van het gedicht te grijpen. Het schijnt dat Van Doveren geen verhaler en geen dichter wil zijn, maar is het allebei. De poëzie is in de proza ingevoerd. De proza vertelt, de poëzie raakt de kern.

    Zien om te begrijpen

    Sla ik de bundels open begeef ik me in de genoteerde droombeelden die voor deze schrijver waarheden zijn. Realiteit omdat hij dit zo ervaart. Hij kijkt naar de wereld en kan niet anders dan deze zichtbaarheden zo omschrijven. Want de waarheid is te kostbaar om in platte alledaagse karakteristieken te definiëren. De woorden laten zich bij hem niet zoals gebruikelijk in regels opvolgen tot te begrijpen theoretische volzinnen. De poëzie van Van Doveren moet je zien om deze te begrijpen. Niet lezen, maar bekijken en voorstellen. Dan kom je tot de kern van het wezen in deze onregelmatige gedichten. Ik sluit aan op deze bijeengeraapte werkelijkheid. Ik schep een band met Harry van Doveren, want hij schrijft zichzelf uit en laat de dichter als mens zien.

    Met zijn regels, zonder hoofdletters van elkaar gescheiden door punten, krijg ik inzicht in zijn brein. In die bovenkamer ligt de taal schijnbaar overhoop. Rag en web weggeveegd voordat er helder zicht is op reden en doel. Het laat zich niet lezen, het staat er, het is er. In een klassiek drieluik komt zijn wezen tot mij. Het is alsof een kabinet van bijvoorbeeld Jeroen Bosch is opengeslagen, de scharnieren kraken antiek in de sponning. Voor mij ontvouwt zich een niet gedachte wereld, een niet verwachte aarde. Niet bedacht maar wel denkbaar. De aaibare gedrochten van de schilder koesteren mijn weten. Zij symboliseren een zijn door wangedrag en mishandel. Houden een spiegel voor, een metafoor met opgeheven vinger. Deze terechtwijzing vind ik niet terug in het drievoud van de Van Doveren dichtbundels. Of het zal een zelfreflectie zijn, waaruit ik overdrachtelijk mijn persoon kan beoordelen.

    MACHINE POËZEI

    Kan een machine zoveel emotie tonen als de mens dat doet. Is het gevoel digitaal te maken waar Van Doveren het analoog invoert. Kan de machine, lees de computer, gevoelens hebben en leren delen zoals het menselijk brein dat meanderend kan vastleggen. De computer kan de schijn ophouden, maar het blijft surrogaat. Dit eerste deel doet een beroep op mij. Is een interactieve bundel waarbij ik kan bepalen welke wending het gedicht kan nemen op de vooraf bepaalde mogelijkheden Woorden symboliseren een beleving. Kunnen andere betekenissen hebben dan gangbaar opgevat. Het duurt even voordat de lezer zich in die denkwereld kan begeven, dat deze aanvoelt wat de dichter ervaart. Maar wie de cryptische omschrijvingen eenmaal doorziet kan beelden maken bij de woorden. Al lezende vormen zich dan als vanzelf illustraties bij de tekst. Ik heb de boekjes, zwarte druk op wit, zelf kleurrijk denkbeeldig geïllustreerd – in gedachten van plaatjes voorzien.

    Van Doveren schrijft beeldend, maar de woorden geven geen letterlijke betekenissen zodat de voorstelling op diverse manieren kan worden ingevuld. Soms zijn de gedichten als collages, lijken diverse woorden aan en over elkaar geplakt die buiten het vers weinig met elkaar van doen hebben. “uitvinders geven ons een machine voor het ontmoeilijken van dát andere  – de technische poëzie . in deze verbrandingsoven stoken zij onze verbeelding waarna zij alle letters uit de asla schrapen en ons vervolgens uitstrooien op de zee van hun akkers” en “is doorzetten een bitterzoete gladiool? / is de schaduw licht uit het donker? / is lucht het huiveringwekkende beest / in een stofzuiger? / is zonlicht een machine / één oog op de sign of the times?

    VOETBAL IN DE LONGEN

    En dan het tweede deel waarin de gedichten korte verhalen lijken. Zinnen lopen over de bladspiegel door. Weer zonder hoofdletters en zonder leestekens. Slechts gescheiden door een zwevende punt. Het karakteristiek van deze dichter in zijn experimentele helderheid. Het dichten laat de zinnen dansen, de woorden draaien soms om de as, of houden in spagaat de betekenis in het midden. Deze bundel is meer autobiografisch, zichzelf afvragend. De zin van het zijn, de reden van de ratio. Wat is hij, wie ben ik. Kijkt terug en haalt herinneringen op. Gisteren is ook een herinnering. Voltooid verleden tijd, want komt niet opnieuw aan ons voorbij, dient zich niet weer bij mij aan. Een uur geleden is onvoltooid verleden, want het heden is nog gangbaar – wordt nog gemaakt.

    Dit deel is op hemzelf toegeschreven, de dichter. Korte verhalen over eigen ervaringen, gebeurtenissen. De poëet toont zichzelf, geeft deze mens bloot. Blik in zijn bestaan, kijkje in zijn wezen. Verleden een open boek dat geheimen niet zomaar prijsgeeft. De vertaalslag in mijn gedachten zet de aandacht op scherp. Weg zijn de omfloerste woorden, de cryptische omschrijvingen. What you see is what you get. “. AAN DE BOOT VAN BLAUW BEGONNEN twee losse vectoren schreven elkaar in word perfect . S. over de rol van de overtuigde vogel en ik over mijn avonturen als de schuwste barbeel in de Seine” Beschrijft echter ook mijn eigen vertwijfeling en spijt van niet gedane zaken of juist wel de keer van het leven. Dat voel ik in. Dat kan. “. DE TREIN NAAR HET FRONT HEEFT VERTRAGING ik kan onmogelijk sterven . ben daar te langzaam voor

    VECTOR PRIVACY MAX/MIN

    De titel van deze bundel is ergens getekend op een uitgestreken prop papier. Zegt 1 tekening toch meer dan 100 woorden, denk ik? Is het woord ijdelheid waar de lijn vruchtbaar schijnt. De lijn zich nestelt in het geweten en honderduit spreekt, waar het woord vervaagt en nietszeggend is. Zou het dichtbundel drieluik ongeschreven kunnen zijn waar dit vectorbeeld de drie-eenheid is. Heb ik genoeg aan slechts deze horizontale, verticale en het diagonaal. Bekleedt deze het zijn, het wezen. En kan de rest op andere proppen in de prullenmand verdwijnen? Geenszins, want deze beschrijven datgene wat in beelden niet uit te drukken is. Wat één paradox! Ook de vectortekening heeft woord nodig in de kantlijn om zichzelf te verdedigen. Tekst en beeld vormen het zijn, het wezen.

    In dit derde deel komt het welzijn van de dichter aan de orde. “.. KAN EEN PRIVÉ-GEDICHT NOG WEL NA TENDER BUTTONS? het vermoeden bestaat dat onvruchtbaar denken (doen alsof je origineel bent) definitief school heeft gemaakt . klopt dit dan wordt vanzelf vanaf nu vanzelf vanaf vroeger . er wordt gesproken over de reling van een vrachtboot . ooit mijn vriend maar nu Egypte

    Kritiek op scherp

    Is alles dwaasheid? Metaforen van het leven, symbolen van het zijn. Woorden wentelen om te leren begrijpen. Deze dichtkunst is een collage van de werkelijkheid. Overal uit elk moment wordt een tel geknipt en geplakt tot poëtische proza. Een ruimtelijke verbeelding, een derde dimensie op het vlakke papier. Sluit ik mijn ogen stijgen zo de beelden op in geuren en kleuren uit de zwarte woorden in reukloos drukinkt. Ik hoef de zinnen niet te verklaren, er is geen bewering voor het zijn van een ik. Mijn rede om te beschouwen is redeloos, radeloos probeer ik de rand van de volgende bladzij te bereiken en de pagina om te slaan om opnieuw reddeloos in het diepe duister van die ik te duiken. Het duister waarin een licht fluistert aan het eind van de tunnel.

    Wanneer ik de bundel dichtdoe kijk ik terug op wat ik niet wist en onmogelijk kon weten. De herinnering aan wat ik las zet mijn kritiek op scherp. De woorden moeten zichzelf verklaren, ik hoef mij daar niet over te buigen, aan te branden. Want een enkel fout geplaatst woord laat mij door de mand vallen. Wie denk jij dat je wil zijn om de tekst niet te begrijpen maar wel wil omschrijven. Ben jij beter en meer schrander dan de dichter himself?

    Zal ik ooit de zin kennen van deze reden? Zal ik ooit voor de andere deze ene kunnen omschrijven? Kunnen ontleden de taal van zijn geest. Bedoeling is een leeg woord zolang er geen begrip is, begrijpen is. Begrip is willen, begrijpen is proberen. Het experiment van gedachten ordenen. Opstellen in rijen van drie. Geef acht! Ik acht mij in staat mij een mening aan te matigen, er iets van te vinden en dit niet voor mijzelf te houden.

    Drieluik machine poëzei / voetbal in de longen / vector privacy max/min . Harry van Doveren, gedichten. Uitgave Gaia Chapbooks, 2024.

  • Woorden bloeien in de tuin van Rikkert Zuiderveld

    Elke dag vers, iedere dag een nieuw gedicht, een liedje of een drietal oneliners. Om te lezen, te beleven, te overdenken. Voor Rikkert Zuiderveld betekent dat ook iedere dag een nieuw idee, een andere gedachte. Om te schrijven, te dichten, te bepeinzen. En na lezing te zien dat het goed is. Elke dag is ook hij weer fris en fruitig uitgeslapen taalvaardig, zoals ik, iedere morgen gezond weer op. In de nacht dient de muze zich als een donderslag aan. Altijd in de stilte van de duisternis, want dan is er ruimte vrij gemaakt en staat het leven een paar uur in de wacht. In een flits verschijnt de inspiratie en kunnen de ogen beter niet meer gesloten, stel je voor dat de ingeving vervaagt met de slaap. Echter prent de gedachte zich stevig in en heeft geen houdbaarheidsmoment. Elke morgen blijft het vers, een appeltje voor de dorst.

    Schrikkeljaar: 1 dag om op adem te komen

    De poëzie van Rikkert heeft geen tijd nodig om in te dalen, maar verdient de aandacht wel. De woorden schijnen makkelijk op papier te zijn gekomen, maar eenvoud kent een meervoudig voorwerk. Tijd te bespiegelen, aandacht te filosoferen. Woorden doorstrepen, opnieuw beginnen. Eigenlijk zou ik, zoals geschreven in het voorwoord tot de bundel, een enkel vers per dag moeten lezen. Zo zoals het dichtwerk is ontstaan, iedere dag een vers vers. De bundel heet per slot ‘Elke dag vers’. Maar dan ben ik er het hele jaar 2024 zoet mee. En kan pas in januari 2025 met een beschouwing van de gehele bundel komen. Dus heb ik er bij wijze van spreken een haastklus van gemaakt om veel eerder dan pas na 365 dagen met een bespreking te komen. O, ik bedenk me iets: dit jaar heeft een dag meer. Ach, dan neem ik dus die dag maar even rust om op adem te komen.

    De verzen liggen makkelijk in de gedachte, blijven eenvoudig hangen waardoor ik er meerdere op een dag kan lezen en verwerken. Rikkert Zuiderveld is vanaf zijn begin als artiest een liedjesschrijver. Heeft in de jaren 60 van de vorige eeuw meerdere diepzinnige teksten op papier en de plaat gezet. Dat zijn songs die welhaast meteen zouden moeten kunnen beklijven. Je kunt ze nog eens weer beluisteren, maar daarna zullen ze meegezongen moeten kunnen worden. De cabaret- en kinderliedjes, de liedteksten en plezierdichten in de bundel ‘Elke dag vers’ hebben nog dat vluchtige karakter. Lekker in het gehoor liggend met een kwinkslag, een diepere betekenis. Deze zelfde aanpak van toen hebben de teksten van nu, die dan gedichten worden genoemd, het sonnet, de sonnettine en de sonnettette. In de inleiding worden deze vormen keurig uitgelegd. 

    Hij gluurde door elk sleutelgat / naar alles wat bewoog. / Men vond hem bloedend op de mat, / een sleutel in zijn oog.” en “Wij wassen onze koning graag de oren, / voor heel wat mannen doet hij weinig goeds. / ‘Neem toch de tram, of huur een houten koets, / of blijf maar thuis in uw ivoren toren.’/  / ’t Zijn krokodillentranen die zij huilen: / als zij z’n vrouw zien, willen ze wel ruilen.”

    Nieuwe handzame Bijbelvertaling

    Zuiderveld heeft geen vast publiek, hij schrijft voor iedereen. Alhoewel hij wel met een schuin oog wordt bekeken, want hij zit toch in die besmette christelijke hoek. Wordt daardoor minder serieus genomen, schijnt. Maar wie tijd neemt voor en aandacht schenkt aan zijn werk komt van een koude kermis thuis. Hij heeft voor elk mens die dat nodig heeft een stichtend woord, een fundering om de dag op te bouwen. Hij baseert zijn manier van leven en denken op de Bijbel, maar eigenlijk zouden wij dat allen moeten doen. Het zou de wereld leefbaarder maken, ook wanneer we dat boek niet van kaft tot kaft voor waarheid aannemen. Er staan goede dingen in geschreven, die Zuiderveld in begrijpelijke taal voor ons nu leesbaar maakt. Mijn woorden overdenkend meen ik dat Rikkert een nieuwe handzame Bijbelvertaling heeft gemaakt. De oude teksten die naar onze tijd hertaald en vernieuwd zijn onder de loep genomen en er een eigentijdse draai aan gegeven. Een draai waardoor de boodschap overhoop is gehaald en van meerdere kanten kan worden bekeken. Zo gedraaid dat alle mensen er iets aan hebben, ongeacht waar men in gelooft en voor waarheid aanneemt.

    Al lezend werd ik slimmer dan Poirot, / met Marco Polo vond ik nieuwe landen, / ik reisde met een spannend boek in handen / naar Mars of naar de grotten van Lascaux. /  / En dan het Boek: een glimpje van Gods luister / waardoor ik licht ontdekte. En mijn duister.

    Trekt een glimlach rond mijn mond

    Het is net geen light verse, hoewel Rikkert daarvoor ook zijn hand niet omdraait. Hoewel ze wel aan de lichte kant zijn, zonder drempel voor iedereen te begrijpen, verdienen ze een geconcentreerde overdenking. Mijmerend kan ik er een deel van de dag op kauwen, in mijn hoofd herhalen – van gene en de andere kant bekijken. Al heb ik bij lezen de inhoud en de strekking meteen begrepen, toch liggen ze nog na te smeulen door de dag en vlamt het vuurtje eens in de middag weer op. Trekt een glimlach rond mijn mond. Zoals je eigenlijk soms een grap pas na meerdere ogenblikken begrijpt, na een paar uur de clou invalt en je in lachen uitbarst terwijl er op dat moment niets te lachen valt. Rikkerts’ poëzie bezorgt mij binnenpretjes, zo kom ik de dag wel door. 

    Hier proef je zomerwijn, je hoort cicaden, / de bakker bakt croissants en dagvers brood. / Wij komen er wat graag, om half ontbloot / en half verbrand aan zee te liggen braden. /  / Daar wordt gezonnebaad en luigelakt. / Vive la France! Waar heel Holland bakt.”

    Zuiderveld schrijft voor alle mensen

    De teksten maken het leven lichter, omdat de dichter op dat leven en die wereld een prettige blik en liefdevolle kijk heeft. Hij neemt dingen met een korreltje zout en brengt zo smaak aan zijn teksten. Weleens sterk gekruid, maar nooit flauw en smakeloos. Zuiderveld schrijft voor alle mensen, iedereen kan zich wel ergens in een gedicht of liedje vinden. Hij spreekt alle mensen aan op een vriendelijke toon, maar wel met een scherpe tong. Zijn potlood heeft altijd een geslepen punt, zodat hij in duidelijk schrift zijn visie op de wereld kenbaar kan maken. 

    Het midden van ons land kent vele lagen. / Zo kent de ‘Biblebelt’ zijn eigen sfeer / van recht en tucht, gestrengheid in de leer. / Die kan ik – met wat moeite – wel verdragen, /  / behalve als men stug en onverdroten / de halve waarheid zingt op hele noten.”

    Cultiveert de taal tot nieuwe dichtvormen

    Rikkert Zuiderveld is een tuinman, een hovenier. Hij tuiniert in letters. Hij is de gaardenier van de taal. Hij harkt de taaltuin aan, wiedt de woordpercelen en plet de letterzetters. Alles om de taal mooier te maken, de uitspraak weelderig te laten klinken. Hij schoont de taal op, als het ware. Speelt met woorden en geeft een speelse betekenis aan het dichten als spelvorm met letters en leestekens. Hij spit en keert de grondtaal om, hij graaft en legt nieuwe woordbedden aan. Hij cultiveert de taal tot nieuwe dichtvormen. Voor hem bestaat er geen onkruid, alle woorden en uitdrukkingen zijn welkom. Wanneer het maar kracht geeft aan de opbrengst. 

    De wijzen komen veelal uit het oosten, / Tibet en China, India, Japan. / Hun wijsheid tilt ons op een hoger plan, / met woorden die bemoedigen of troosten. /  / De Dalai Lama, Lao-Tse en zo. / En Herman Finkers. Ja, oet Almelo.”

    De ollebollekes staan er fleurig bij

    Het is vruchtbare grond in de tuin van Zuiderveld, daar kweekt de letterman exuberante sonnetten die geuren met kleurrijke sonnettettes. De ollebollekes staan er fleurig bij. De liedteksten laten van zich horen en in de takken van het cabaretgewas kwinkeleren de kinderversjes. En Rikkert ziet dat alles goed is, leunend op zijn hark. Hij beziet zijn werk en weet dat morgen de nieuwe dag zich aandient met oneliners, die hun kopjes uit de koude grond omhoogsteken. De tuinman is tevreden, hij heeft weer een herbarium vol teksten. De woorden liggen te drogen tussen de pagina’s, maar blijven elke dag vers.

    Ik was weer bezig onkruid uit te roeien / en knielde op een bed violen neer. / Door alle distels zag ik nergens meer / de schoonheid die een hart doet openbloeien. /  / Vergeet een mens algauw wat hem bezielt / en zegt geen dank meer, zelfs wanneer hij knielt?

    Zijn werk is poëtisch verantwoord

    Rikkert Zuiderveld is een poëet die een prozaïsch verhaal verkort dichterlijk kan laten klinken. En houdt hij zich dan vast aan rijm en ritme, een rots in de branding zoals God dat ook voor hem is, dan dansen de verzen over de bladzijden en door het boek. Hoor ik hem de liederen zingen zichzelf begeleidend op gitaar, zoals David de psalmen zong onderwijl de lier bespelend. Ik schrijf hier ‘liederen’, want ‘liedjes’ klinkt zo denigrerend. Alsof het meer kitsch is dan kunst wat Zuiderveld doet. In vrijwel elk gedicht gaat hij als een voetballer recht op het doel af zonder de bal af of over te spelen. De aanval is de beste verdediging. Dat is nodig daar hij zichzelf weinig zinnen geeft om de puntjes op de i te zetten, er een puntje aan te zuigen en een punt te maken. Geen vraagtekens, maar uitroeptekens. 

    In deze bundel, die eigenlijk een verzameling van ingevingen en uitdrukkingen is, bedient hij zich niet van het lichte vers. Hij giet zijn gedichten in de vaste vormen die gangbaar zijn in de poëzie. Zijn werk is poëtisch verantwoord. Schijnen uit de losse pols geschud en opgeschreven, maar hebben altijd een diepere gedachte, een filosofisch mijmeren. Zuiderveld gaat niet over één nacht ijs en dicht niet voor de vuist weg. Er zitten wel addertjes onder het gras. Maar hij of zij die op zijn of haar tellen past, met zorg en aandacht de verzen leest, vindt de grond waarop de teksten wortel hebben geschoten.

    Elke dag vers. 365 liedjes, gedichten en meer. Rikkert Zuiderveld. Uitgave Ark Media, 2023.

  • Van aangezicht tot aangezicht: toeschouwer én deelnemer

    Het staat er. In Exodus 33 vers 11. De Heer sprak tot Mozes van aangezicht tot aangezicht. Exodus is het tweede Bijbelboek en beschrijft de uittocht uit Egypte. Het Israëlitische volk leefde in ballingschap onder een streng bewind van de farao. Ze waren er relatief gelukkig, maar God had voor het volk een andere lotsbestemming. Onder aanvoering van de als leider aangestelde profeet Mozes vingen de mensen een voettocht van veertig jaren aan naar het land van belofte. Dat is waar Exodus over gaat: huis en haard verlaten naar onbekende streken. Vertrouwende dat alles goed zal komen. De uittocht is een nieuwe start in de geschiedenis.

    Van aangezicht tot aangezicht. Het is een Bijbelse uitdrukking. Met aangezicht wordt de menselijke kant van God bedoeld. Je kunt Hem aankijken en Hij kijkt niet langs je heen. Gaat met ons mee, kijkt ons aan en knikt ons vriendelijk en soms streng toe. Echter slechts drie personen in de Bijbel hebben Gods’ aangezicht ooit gezien. Hebben Hem in de ogen gekeken. En Hij keek terug. De genoemde Mozes, later de profeet Elia en in het Nieuwe Testament Gods’ vriendelijk aangezicht Jezus. Want wanneer je dat aangezicht ziet ben je een grens over gestoken: “want geen mens zal Mij zien en leven”.

    Recht in het gezicht

    Het onlangs uitgegeven boek met schilderijen van Egbert Modderman en gedichten van Pieter Jan Kruizinga is getiteld “Van aangezicht tot aangezicht”. Niet het aangezicht van God wordt daarin verbeeld en omschreven, maar wel het aangezicht van niet nader genoemde mensen uit de Bijbel. Of althans wiens doen en laten volgens de poëtische beschrijvingen best van Genesis tot de Openbaringen van Johannes daarin een plaats hadden kunnen hebben. Enkele kennen we bij naam, maar de meeste zijn niet gekend.

    Van aangezicht tot aangezicht is buiten de gemeenschap het meest intieme moment in de ontmoeting met de mens. Een mens. Je kijkt hem of haar aan. Recht in het gezicht. Onder vier ogen zeggen we ook wel eens. Aan de gelaatsuitdrukking kun je iemands emotie aflezen, in elk geval wanneer je er oog voor hebt. Je moet de taal kennen om een gezicht te lezen. De uitdrukking is universeel. Wereldwijd heeft vreugde en verdriet eenzelfde uiting in mimiek.

    Ze trekken mij in het beeld

    De mensen in het boek, de figuren die Modderman heeft geschilderd, kijken meestentijds van de bladzijde af mij recht in het gezicht. Met priemende ogen staren ze mij aan. Van aangezicht tot aangezicht. Ze trekken mij in het beeld, ik ben deelnemer. Meestal is het een gelaten blik, een berusting in de hen opgelegde handeling. In oogcontact vragen ze zich de zin van het leven af. Die gelatenheid straalt ook van het lichaam wanneer ze contact hebben met andere figuren in hetzelfde beeld. Dan ben ik toeschouwer en sta op een afstandje te kijken. Ik voel me indringer, daar er een intieme activiteit gaande is.

    Innig verbonden samenzijn wordt door Modderman in beeld gebracht. Aan de hand van Bijbelse vertellingen schildert de kunstenaar herkenbare gevoelens. Het zijn emotionele waarden die hij in beeld brengt. Veelal is dat gebrokenheid, eindigheid en de kwetsbaarheid van het leven. In een Bijbelse entourage blijft de thematiek actueel. Want het gevoel dat van de gezichten is af te lezen is herkenbaar, in te vullen in het zijn van vandaag de dag.

    Ze kijkt dwars door mijn gemoed heen

    Een prachtig tot meer dan de verbeelding sprekende plaat is bijvoorbeeld de hoogzwangere Maria die de deur wordt gewezen. Voor haar en haar man Jozef is geen plaats, in geen enkele herberg. De vrouw die Maria kan zijn kijkt mij met een vragende blik aan. Niet angstig, niet vertwijfeld. Ze kijkt dwars door mijn gemoed heen. Met ogen die mij doen smelten en meteen mijn deur voor het echtpaar laten openzetten. En zo zijn er meerdere platen die op het gevoel werken. In ”zorg voor de zieken” de vrienden die een vriend op handen dragen. De gevangene die mij doordringend aankijkt, geketend aan medebroeders die berustend in slaap zijn gevallen. De mannen die een witte kist ten grave dragen. Door de trieste blik van de begeleidende dame krijg ik tranen in mijn ogen.

    Het is een prachtig boek om door te bladeren, maar echt vrolijk word je er niet van. De kunstenaar Modderman is een meester in het vastleggen en uitdrukken van gevoelens. De portretten richten zich enkel op het figuur. Er is geen achtergrond en er zijn enkel attributen wanneer dat strikt noodzakelijk is. Het draait in de schilderijen om de lichaamshouding en gelaatsuitdrukking. De mens vertelt het verhaal. De gezichten spreken woordloos boekdelen. Van aangezicht tot aangezicht is letterlijk oogverblindend.

    Peinzend overdenken

    De poëzie van de Groningse dichter Pieter Jan Kruizinga staat niet los van de schilderijen. Het is geen onderschrift die het beeld uitlegt. Het beeld is ook geen illustratie van het gedicht. Woord en beeld vormen een uitdagende eenheid. De combinatie daagt mij uit tot een contemplatief beschouwen. Peinzend overdenken. Beide kunstvormen zijn fijngevoelig opgezet en uitgewerkt. Niet weekhartig of teergevoelig, maar wel ontvankelijk en ontroerend. In vloeiende zinnen en met een sensitieve woordkeus komen de gedichten aangenaam bij mij binnen. De taal is wel rauw omdat het omschrijft waar het op staat, maar drukt veelal rouw en droefenis uit. De treurigheid van het leven, omdat het eindig is, afscheid nemen, gebroken raken. In de woorden lees ik dan nog meer vreugde dan dat ik deze in de beelden zie.

    Kruizinga weet de oude verhalen in eigentijdse gedichten om te zetten. Poëzie die je niet in de koude kleren gaat zitten. De omschreven emotie is een-op-een in mijn zijn in te passen. Heel herkenbaar, in te voelen en te beleven. Ervaringen die een leven tekenen. Hoewel woord en beeld een eenheid vormen, is de taal en het teken heel goed afzonderlijk te beschouwen. Op de letter zou je het gedicht apart van het schilderij lezen, en de plaat niet naast de poëzie zetten. Je zoekt anders een overeenkomst. Maar het een illustreert niet het ander. Onafhankelijke elementen. Die echter wel heel goed samen kunnen optrekken. Leden zijn van één lichaam.

    Van aangezicht tot aangezicht. Egbert Modderman, schilderijen. Peter Jan Kruizinga, gedichten. Uitgave Ark Media, onderdeel van Jongbloed Christelijke Media, 2023.

  • Kunstenaar Johan van der Dong spreekt zich in woord en beeld uit over zijn Groningen

    De provincie Groningen wordt door Johan van der Dong lyrisch beschreven. Logisch, de kunstenaar/dichter is er geboren en getogen. Opvallend is dat hij dat doet in de verleden tijd. Als is stad en land verdwenen, opgegaan in de geschiedenis. Het is de bodem waaruit hij getrokken is, de aarde van zijn ontstaan, de basis van zijn leven, het fundament van zijn wezen. Hij beschrijft zijn herinneringen aan dat land waar zijn wortels liggen. Of lagen. Want er is veel veranderd sinds het jaar dat hij voor het eerst vaste kleigrond onder de voeten kreeg. Enkel het voorwoord op zijn uitgave “Kleimonologen” beleeft hij actueel. Beziet hij de provincie, de bodem om te staan, op te leven en van te leven. Van der Dong is Groninger in hart en nieren. Grönnen stroomt warm door zijn aderen. Voor hem is er niets boven Groningen. En hij wil dat wel van de daken schreeuwen. Maar noteert het beheerst in een klein formaat boek.

    Klein gebonden boekwerk

    De Groninger zou nuchter zijn, zich nergens op voorstaan. Dus Johan van der Dong doet dat ook niet. Hij heeft geen dik boek nodig met goud op snee om zijn verhaal in te vertellen. Zijn verhaal heeft weinig woorden, maar genoeg om diep te gaan. Om onder de huid van de provincie te kruipen. Hij heeft daarom voldoende aan een klein gebonden boekwerk, dat makkelijk mee kan in de binnenzak van een colbert of de kontzak van een spijkerbroek, of de handtas van een deftige dame. Een dergelijk formaat zal snel in de boekhandel of bij de bibliotheek over het hoofd worden gezien. Maar het zegt wel waar het op staat. In poëtisch proza. Duidelijke taal. Nuchter. “Doar woont de dege degelkhaaid, de wille, vast as stoal, / Doar vuilt t haart, wat tonge sprekt, in richt- en slichte toal.

    Pas aan het eind van de vertelling, in het slot van de herinnering, spreekt Van der Dong in de tegenwoordige tijd. “Die grond, die klei zij vertelt het verhaal / van een ieder die daar geboren is / Van een ieder graf daar gelegen / een mens van zijn tijd, gescheurd gezet”. Hij neemt de woorden in de mond, die de ommelanden zelf alleen mimisch kunnen zeggen, deze kan met weidse gebaren spreken. De provincie houdt wijselijk de mond over het eigen zijn. De grond is stil. Alleen door de scheuren in de klei, de ruimtelijke tekening en de toren aan de horizon, de skyline van de stad, spreekt Groningen duidelijke taal. De grote gebaren trekken lijnen door het land. Daarvan maakt Johan van der Dong in zijn “Kleimonologen” melding.

    Meest mooie stukje aarde

    Uit de klei getrokken toen ooit, bezingt hij lovend en erend zijn geboortegrond, nog net niet met klinkend koper en schallende cimbalen. Wil een ieder die zijn woorden leest met de neus op de feiten drukken. Want het gaat niet goed met Groningen, zoals het in de rest van de wereld tevens steeds slechter gaat. Is deze provincie het meest mooie stukje aarde, steekt het met kop en schouders boven de rest uit, er is gezien de rest van de landen niets nieuws onder de zon en aan de horizon.

    Van der Dong spreekt over Groningen als over een geliefde. Alles is schoon en mooi aan haar. Hij groeit er onbevangen op maar ziet wel de smeerpijpende veranderingen, die de sierlijke opmaak tot een stinkende parfum maken. De lezer loopt lyrisch door zijn jeugd en poëtisch over de vooruitgang. De dichter pakt mij bij de hand en opent mijn blik voor stad en ommelanden. In helder omfloerste bewoordingen laat hij mij anders kijken. Door zijn beschouwing doorzie ik de gebieden, de gewesten, stad en platteland. Mijn oog zet zich vast op de beeldende woorden: “De wereld werd groter, groter en / groter, het kon nooit op / Consuminderen werd in mijn jeugd het / groeien tegen de daken op / Het gif stroomde rijkelijk over de velden / van het klei tot aan ’t Zand”.

    Achter de werkelijkheid kijken

    Maar het speelt zoals gezegd allemaal in de verleden tijd. Onvoltooid, want ook nu nog blijft de vervuiling van de horizon doorgaan. Scheurt de bodem, trilt de aarde. Het zal ons wakker moeten schudden, letterlijk. “En toch luisteren we niet, naar hen die daar wonen, die horen wat de aarde zegt.” Maar lezend in de verlegen uitgave gaan mij de ogen open. Vooral ook door de schilderijen die ter illustratie zijn bijgevoegd. Daarin zie ik geen verre einders en graslanden onder die einder. Geen hoge wolkenluchten en nergens een terpdorp aan de horizon, of nee een wierdedorp op de kim – Groningers zijn tenslotte geen Friezen. De landschappelijke voorstellingen zijn een abstracte uitdrukking van de werkelijkheid. Niet zoals ik de omgeving daar live zal aantreffen, het is het landschap wanneer ik de ogen sluit en alleen nog kan ruiken, proeven en luisteren naar wat de provincie mij geeft.

    Van der Dong laat mij achter de werkelijkheid kijken en het karakter van Groningen zien. Ik krijg daarbij het idee van de eerste scheppingsdagen waarin de aarde nog woest en ledig is, de duisternis op de vloed ligt. Hier in deze woestenij zweeft Johan’s geest over de wateren, als het ware is Van der Dong de schepper van zijn eigen bodem met verf op doek. In brede handgebaren en kleurige penseelvoering vertaalt hij zijn idee van het Groninger land, het wad daarboven. Meer dan deze platen heb ik eigenlijk niet nodig. In verf wordt de provincie getekend. Maar de woorden zetten de beelden toch wel kracht bij. Zijn het onderschrift, de uitleg. Terwijl het meestal andersom is en de illustratie de tekst beeldend verwoordt. In het geval van de kleimonologen is het een twee-eenheid. Het een kan niet zonder het ander. Voortgekomen uit een enkel persoon, die kunstenaar en dichter is. Beeldend in diverse disciplines.

    En het zijn niet alleen zijn herinneringen die boven komen drijven, zich losmaken van de brakke grond. Ook de cultuurhistorie waarmee de provincie rijk begiftigd is krijgt een plek in de monologen. Begiftigd, dat klinkt negatief terwijl het land zich gelukkig mag prijzen met zo’n rijke historie. Het land grenzend aan de zee. Der’t de dyk it lân omklammet, zeggen de buren. Want er is altijd strijd en kinnesinne. Fryslân boppe en Der gait niks boovn Grunn. De provincies strijden om de eerste plek. Maar daar gaat het Van der Dong niet om. Hij is overtuigt van zijn schitterende landschap en beschrijft dat als de schilder die hij is in woord en beeld. Probeert de glans ervan voor later vast te leggen. Dicht over wat er was, wat we hadden en altijd nog kunnen hebben. De “Kleimonologen” zijn naast een ode aan tevens een protestlied op het cultuurlandschap van Groningen. “Met een oude fabriekspijp aan het eind / Dat land zit vol scheuren, in grond, muur en dijk / De bodem in haar rijkdom leeggelaten / probeert een nieuwe eeuwigheid / In dat land ben ik geboren / leerde ik praten, lezen en schrijven”.

    Kleimonologen. Johan van der Dong. Gedichten en schilderijen. Uitgeverij Nobelman, 2023.

  • In Tsjilp! laten Eppie Dam en Lienke Boot vogels kwetteren en kwinkeleren

    Ooit heb ik weleens meegedaan aan de nationale tuinvogeltelling. Daardoor weet ik dat het eigen erf diverse soorten gevederde vrienden herbergt. Heb ik zo een gedeelte van de dag iedere vogel gespot die mijn grondgebied betreed, ontdek ik opeens hoeveel leven de tuin eigenlijk kent. Daarvoor was het besef daarvan nauwelijks aanwezig. In de bomen en tussen de struiken is het een rumoer van belang wanneer je er aandacht voor hebt. Een arendsoog en een luisterend oor. Luister ik beter, zie ik meer. Want het tjilpt en piept, fluit en krast er niet alleen. Het zoemt en bromt, fladdert en vliegt er ook nog eens. De bloeiende bloemen trekken vlinders en bijen, muggen en andere insecten aan.

    Met de tuinvogeltellijst in de aanslag deed ik het aantal vogels aanvinken. Misschien zag ik minder mussen dan een voorgaand jaar, maar meer mezen. Een vink nestelde zich op een tak en een kraai vloog over. Telt deze dan wel mee? Een gaai liet zich schuchter zien en de specht keek eerst de kat uit de boom. Geen vinkje. Er schijnen mensen te zijn die aan de zang de soort herkennen, want ieder vogeltje zingt toch altijd zoals het gebekt is. Het kwaken schrijf ik toe aan de wilde eend en het gekras aan de roek of kraai, maar verder reikt mijn klankenschat niet. Daarin ben ik ongeletterd.

    De bonte specht en de vlaamse gaai

    Eerlijk moet ik toegeven dat veel van de 25 vogels die dichter Eppie Dam bezingt in de uitgave “Tsjilp!” mijn tuin nog nooit hebben aangedaan. En ook nooit zullen aan doen. Maar andere kan ik wel spotten door het jaar heen. De huismus en de spreeuw, de roodborst en de koolmees zijn vertrouwde gasten. De kauw daarentegen en de ekster zijn minder aangenaam. Voor het baardmannetje en de vink veer ik op van mijn stoel. De bonte specht en de vlaamse gaai maken mij meer dan enthousiast. Op mijn wandelingen met de hond tref ik dan de fuut, de zwaan, de waterhoen en de turkse tortel aan. Boven mijn hoofd cirkelen zilvermeeuwen die afkomen op het brood dat ik strooi voor de wilde eend. Gierzwaluwen pikken behendig insecten uit de lucht. In de verte hoor ik een grutto roepen: gritogriit. Hij heeft op zijn beurt een biddende torenvalk gespot en probeert deze af te leiden van zijn nest. Opeens wordt er krachtig aan de lijn getrokken en kan ik nog maar amper mijn arm in de kom houden. De hond heeft een reiger tussen het riet ontdekt en wil de vogel de stuipen op het lijf jagen. De ielreager wordt echter niet door Dam met een gedicht vereerd, wel de earrebarre – de ooievaar.

    Hebben zwanen gedachten

    Het zijn vrolijke verzen die Eppie Dam aan de diverse vogels heeft toegedicht. Veelal zingt hij ze toe, maar ook eens trekt hij het verenkleed zelf aan. Is hijzelf de zanglijster die slakken op het aambeeld hakt. Is Eppie het pulletje van de fuut, dat bij onraad op de rug van moeder kruipt. En ziet hij zichzelf als ijsvogel in het spiegelbeeld van de sloot. Hij bevraagt de vogels retorisch omdat hij kennis wil over hoe en waarom. De vogels zullen niet antwoorden. Maar het zet de lezer wel tot nadenken. Of de ooievaar vanuit zijn hoge nest wel naar de grond durft te kijken en of het daarboven wel veilig is met een harde wind. Hoe vindt de vlaamse gaai zijn voorraad eikels terug in de harde wintergrond. En hebben zwanen gedachten. Waar heeft de kokmeeuw zijn kop in gestoken, in de stront of in de chocola.

    En hij dicht een enkele vogel wel menselijke trekken toe. Zoals de kauw, die in het Fries kortweg Ka heet. K. als van het intitaal van een verdachte. Maar wat heeft K. misdaan. Een ieder getuigt dat hij op een paard zat om een haar te stelen en de wol van een slapend schaap pikte. Eppie Dam weet het eigene van de vogel in zijn spitsvondige gedichten te bevriezen. Het zijn geen koude constateringen, maar warme waarnemingen. Even speels en dynamisch als de vogels zelf zijn. Zij kunnen de verzen zelf bedacht hebben, zelf gezongen en gekwinkeleerd in de vroege morgen en de late avond. Dam verstond de taal en noteerde de spraak.

    De platen zingen in het gehoor

    De zanglijster, de houtekster en de ijsvogel hebben een laagje aandacht meer nadat ik de woorden van Dam heb gespeld. Die woorden overkomen mij niet vreemd hoewel deze in geef Frysk zijn geschreven. Ik beheers deze minderheidstaal in luisteren, lezen en spreken. Het schrijven gaat mij slecht af en zal nooit zo helder zijn als het lyrische schrift van Eppie Dam. Door het gebruik van de Friese taal heeft deze uitgave een beperkte actieradius. Het grondgebied van de provincie Friesland en dan alleen nog de mensen die de taal kunnen lezen, want er is veel import die het Frysk niet machtig zijn. En dan is er nog een grote groep Friezen om utens die zich overal ter wereld bevinden. Maar er schijnt een vertaling in het Nederlands te zijn, hoewel deze aan levendigheid en kracht inboet. De memmetaal, de moerstaal waarin je denkt en leeft zoals Dam in het Fries doet, kan maar moeilijk in een vertaling de waarde krijgen die het van nature heeft. Want woorden en uitdrukkingen zijn taaleigen en laten zich niet of niet eenvoudig in een andere taal overzetten.

    Goed beschouwd kan elk zich wel verlustigen in de gebonden “Tsjilp!”. De vogels twitteren en tjilpen, krassen en kwaken, roffelen en roepen in en door de gedichten van Eppie Dam. De betekenis van die woorden hoef je echter niet te kennen. Fonetisch zingen de verzen als vanzelf. Het Fries is naast een ruig boers dialect een lyrisch poëtische taal. Maar ik ben natuurlijk bevooroordeeld, dat is een ding dat zeker is. De kleurige afdrukken van de uit linoleum gesneden afbeeldingen daarbij kennen geen taalgrenzen. Deze zijn voor een ieder waar dan ook te beschouwen. De vogels stappen en scharrelen, zweven en zwieren door de composities en over de bladzijden van het boek. De platen zingen als het ware in het gehoor. Lienke Boot heeft de door haar afgebeelde vogels met aandacht bekeken en met vaste hand gesneden. Elke karakteristiek, oogopslag en beweging, is door haar vastgelegd in de meerkleurige afdrukken. Het maakt het boek naast leesbaar zeker kijkbaar.

    Tsjilp! 25 fûgelgedichten foar grutte en lytse protters. Eppie Dam. Mei lino’s fan Lienke Boot. Utjouwerij De Ryp, 2017 – derde druk 2023.

  • Een werkelijk stelverontbaar zaanwinnige gedichtenbundel

    Meteen al in het voorwoord tot zijn in eigen beheer gemaakte gedichtenbundel zie ik in gedachten beeldend kunstenaar en performer Erik de Boer op een toneel staan, terwijl ik in de zaal daarvoor zit. Door hem word ik  toegeschreven als zeer geachte lezer. En dan breekt de voorstelling los, letterlijk. In deze eerste tekst geeft hij aan wie hij is en ik krijg het beeld voor ogen van Herman van Veen die op de bühne een nummer over enkel het woord Amsterdam heeft. Een samenspraak met zichzelf in drievoud, een kleine 5 minuten lang. Een simpel gegeven wordt een groots nummer. Een nonsenstekst puur gericht op klankuitingen. Onnozel en ongecompliceerd. En wat wil het toeval, wanneer dat al bestaat, op het eind van dit wat een gedicht had kunnen zijn noemt Erik die Herman bij zijn naam in een rijtje van obscure personen, tussen Karel Appel en Jan Ketelaar. Vereenzelvigd De Boer zich met hen? Rotzooit hij maar wat aan of is hij de clown, een potsenmaker. De performance op papier, de uitvoering in woorden aan mij voorliggend zal het doen uitwijzen.

    Erik de Boer, poëzie, dichtbundel

    Dadaïstische en absurdistische insteek

    Hij stelt zich daarna ten overvloede nog eens uitgebreid voor met een hartelijke groet. “Dit boek heb ik met zeer veel genoegen geschreven en vormgegeven. Voor u is dit boekwerk het uiteindelijke kunstwerk. Voor mij is uw reactie op dit boekwerk het uiteindelijke kunstwerk.” Dus zet ik mij nu maar aan die ingekleurde afbeelding. Teken ik de persoon voor mij uit, schilder ik zijn pogen en schets zijn wagen. Want het omslag van het in een zwarte ringband gestoken stapeltje vellen papier zet mij meteen al op een andere gedachte. Zijn waging pogen laat mij anders denken, de woorden van gene zijde bekijken en de zinnen van dit bestaan tegendraads doorzien. De kaft wordt gesierd met een duif. Deze vogel vind ik koerend op een zeer vreemde zich telkens met één klank toevoegende herhaling even verder terug. “Ik ben een duif, / ik ben een dichter. / Ik draag u voor / Wat ik te vertellen heb.”

    Zijn gedichten hebben veelal een dadaïstische en absurdistische insteek. Met zijn prikkelende en ontregelende teksten zet hij mij, de lezer, op het verkeerde been en hoopt dat ik dwars ga nadenken. De gedichten zijn geschreven om er een voorstelling mee te maken. Getoonzet voor een performance, een klankrijke voordracht. Eigenlijk zal ik ze hardop voluit moeten spreken, wil ik de correcte intonatie hebben en beter begrijpen wat ik zeg. Want Erik de Boer wil mij nog weleens bij de neus hebben, een loopje met me nemen. In de met ernst geschreven teksten klinkt een overdosis humor door. Bij sommige van de gedichten wordt een instructie gegeven, een handleiding wat lijfelijk te doen bij het lezen. Al dan niet hardop, elke seconde afwisselend naar de tekst en op te kijken, op willekeurige momenten borden kapot te gooien, en zo meer.

    Erik de Boer, poëzie, dichtbundel

    De absurdist en de dramaturg

    Maar wat is nu eigenlijk een dadaïstische insteek. Dada, dat is zegt Wikipedia een culturele beweging die tijdens de Eerste Wereldoorlog ontstond als negatieve reactie op de beestachtige en mensonterende verschrikkingen. In de Dada-beweging werd het artistieke gebeuren door kunstenaars brutaal en schokkend bespot om de schijnheilige waarden van de toenmalige ‘beschaafde’ wereld aan te vallen. Schrijver Richard Heulsenbeck omschreef dat zo: ‘De dadaïst acht het noodzakelijk om zich tegen de kunst uit te spreken, omdat hij door de oplichterij van kunst als morele veiligheidsklep heen kijkt.’ Ondanks dat is Dada van grote invloed geweest op de verdere evolutie in de beeldende kunst. Dada is dus een van oorsprong zeer politiek geëngageerde pacifistische beweging van links-denkende kunstenaars die zich afzetten tegen de maatschappij. Zij maken geen kunst, maar anti-kunst en verwerpen het centrale idee van het modernisme dat vernieuwing leidt tot verbetering (van de kunst en de maatschappij).

    Grote woorden, die ik als zodanig in de onderhavige bundel als uitwerking niet terugvind. Of het moet in de twee gedichten die deze stroming als onderwerp hebben zitten: ‘Een dadagedacht’ en ‘Dada-drama’. Maar wel lees ik het balorige, opgewekte en tegendraadse karakter van De Boer zeker in die overige levendige teksten. Hij neemt de wereld met een grote korrel zout. En waagt een poging dat op papier uit te schrijven en op het toneel uit te beelden. In ‘De absurdist en de dramaturg’ zie ik hem zo over het toneel zwalken, beeld ik me zo in. En ‘Trompettergeroffel’ is zo’n fijn nonsensgedicht waarin klankuitingen van waarde zijn. Om wel te spreken van ‘De man die iets achter in zijn keel had’, ‘De man die heel vaak in de reden werd gevallen’ en ‘De man die te emotioneel was’. Teksten die moeten klinken, die uitgesproken moeten worden willen deze oprecht indalen.

    Erik de Boer, poëzie, dichtbundel

    Stilte A.U.B

    De woordenspinsels zijn niet van de lucht. Als een spin in het web trekt De Boer de woorden als ten dode opgeschreven vliegen naar zich toe. Kapselt deze in, bekijkt ze van voor en achter, en maakt er een smakelijk hapje van. Het zijn allemaal monologen en dialogen vol waarheden, maar de realiteit erin is omgekeerd, verdraaid. Daardoor leest het weleens lastig, maar zodra de lezer dan de oorsprong ziet kan het niet anders of er verschijnt een glimlach om de mond. Zelfs zware onderwerpen worden lichtvoetige thema’s door de pen van Erik de Boer. En hij grijpt de lezers aan op zwakke punten. Want een ieder maakt dat bijvoorbeeld weleens mee dat je iets kwijt bent en het met moeite niet terug kunt vinden. De dichter maakt daarvan geen poëzie, maar schrijft in proza een inleiding en de instructies, zonder tot het werkelijke gedicht te komen: “Tot slot de hoop opgeven”.

    En o ja, ‘Stilte A.U.B.’ heeft wel die absurdistische insteek als voorbeeld. Hoewel de stilte geen absurd gegeven is. Een twee pagina’s lange inleiding is een rumoerig voorwoord voor een zeven pagina’s aan stilte. Geen ‘Sound of Silence’, maar een “Poem of Emptiness’ die klinkt als een klok met een kapotte klepel. Een waarlijk interactief gedeelte in het boek. Zeven pagina’s niets, nada, nul. Een tekst die past in de kunst van ZERO. Het is niets maar tegelijk is het alles. Dada. De dichter laat het schrijven over aan de lezer. “Het is uiteindelijk een gedicht geworden dat per individu heel anders te ervaren en te interpreteren valt.” Waarvan acte.

    Erik de Boer, poëzie, dichtbundel

    En dan tot slot vind ik een vijftal plakbriefjes in mijn recensie-exemplaar van de gedichtenbundel. Alsof ik de versie kreeg die De Boer gebruikt bij een optreden. De briefjes zijn met de cijfers van 1 tot 5 bij diverse teksten bevestigd. Als herinneringen in volgorde. Het moet nergens over gaan, maar het kan geen kwaad. Ik blader nog maar eens en waag een poging, oh nee in de idee van deze dichtende kunstenaar is het een waging pogen, om een insteekhoudend relaas te schrijven. Want dat boek van Erik de Boer is werkelijk stelverontbaar zaanwinnig! En dan neem ik nog maar een kakje boffie om af te kicken van de overdosis grappige geestigheid. Dat kan. Want alles kan; koffie kan, thee kan, water kan.

    Een Waging Pogen. Gedichten Erik de Boer. Druk en uitgave in eigen beheer, 2021.

    Erik de Boer, poëzie, dichtbundel