Tag: Harry van Doveren

  • Berichten over gemeenplaatsen

    Het wat. Dat is zoeken. Zoeken naar zin. Gekomen uit het schijnbaar niets. Iets vinden. Wat. Het wat. Wat is het wat. Wat zoeken. Wat vinden. Hetgeen. Dewelke. Maar anders. En anders. Want anders blijft het gissen. Wat als er niets is. Of anders wat als er iets is. Harry van Doveren blikt in de bundel “brieven aan topos” terug over zijn schouder de voortijd in. De voorbije tijd uit. Een dichter, een kind van na de oorlog. Voor zijn moeder een vreemde in de slaapkamer, had ze spijt? Zijn komst in 53 bracht de wereld niet op orde. Na de schone schijn van de bevrijding liep de wereld verloren. Niet hij was het ondergeschoven kind, maar wordt wel later een bèta, die woorden becijfert.

    Terugkijken in de tijd

    Met stelligheid beziet de dichter de wereld en vertaalt zijn inzicht in experimentele poëzie. De taal van het hart dat door de geest wordt ingefluisterd. Hij rekent af met het leven als middelbaar mens, althans de jaren van zijn volwassenheid. Nu hij tot de groep bejaarden behoort, kan Van Doveren zich omkeren en terugkijken in de tijd. Is de periode van niet droog zijn achter de oren opeens minder serieus dan destijds verondersteld. Hij wil het wel opnieuw beleven, de twijfel is vanzelfsprekend. Wat had hij beter moeten zien of beter kunnen laten.

    In metaforen beschrijft de dichter zichzelf. Met symbolen logiseert Harry wie Van Doveren is: maakt hij zichzelf tot logos en kan hij brieven aan topos schrijven. Zijn gemeenplaatsen zijn reeds eerder besproken en toegelicht. Hij schijnt een clichémannetje. Deze bundel “brieven aan topos” lijkt een afrekening, een vereffening met een tijd van leven. In het gesloten archief waar de familie gerubriceerd verblijft, zet de dichter een boom op. Aan de stam groeien takken tegen de diepte in. Luchtwortels laten appels niet ver van de boom vallen. Met een diavoorstelling van vergeelde foto’s krijgt de herinnering beeld en lijkt het verleden zich opnieuw te manifesteren.

    Het gewicht van het leven

    Het verborgen verleden fluistert om aandacht. Attentie staat geschreven tussen de regels door. Wat was krijgt geen uitroepteken, het vraagteken is uitgewist – geretoucheerd. Een puntkomma laat het daar en toen doorlopen in het hier en nu. Wie leert van wat was, slaat geen deuren dicht (om andere te openen) en verbrandt geen schepen achter zich. Zelfs geen roeiboot waarin je zicht houdt op wat was, waar je was en niets ziet van wat voor je ligt, waar je naartoe gaat. De topoi zijn te dierbaar om links te laten liggen. In het gewicht van het leven, de belangrijkheid van zijn, dienen deze herhaald te worden. Om niet zichtbaar in herhalingen te vallen, niet letterlijk te papegaaien, omschrijft hij de clichés cryptisch en blijft iedere platitude fris en fruitig.

    Hij geeft inkijk in een manier van leven. Zijn leven, dat Harry Van Doveren als voorbeeld neemt voor wie hij is. En waaraan ik mezelf kan spiegelen. Contemplatief lees ik dan ook zijn gedichten. Meditatief laat ik de regels op me inwerken. Dat verdient voortdurend een nadere beschouwing, een herhalend lezen. Zijn woorden zijn aanvechtbaar, op de letter echter minder omstreden. Ziet de zin in het stoppen met de waan van een dag. Door daaruit te breken valt het droombeeld in duigen, een verbeelding waaraan de dichter graag gehoor zou geven. Want hoewel de waarheid fantasie lijkt, is de illusie geen bedrog. De echtheid schijnt vaag, het is een gave dit te ontsleutelen. Ook wanneer de dichter onuitgewerkte opstartregels opsomt. Dit zet mij tot het aanvullen, de drang wat af te maken. “in Scheveningen wonen kinderen die in zee plassen” en dan vul ik aan met “in Allahabad leven kinderen die zich in de Ganges wassen”. “het absurde wordt vanzelf minder absurd dan de waarheid” om daarna door te formuleren “de nieuwe wereld overschaduwt de oude”. Maar wie ben ik dat ik als lezer de dichter zal aanvullen? Het is zo’n woeste gedachte…

    Gedichten die op teksten lijken

    Ieder gedicht is het waard om gelezen te worden. De betekenis te achterhalen, hoewel dat niet relevant of zelfs triviaal is. De waarde van een tekst is persoonlijk, zoals de kunst een individueel gegeven is. Het is de waarheid van de schrijver, dat door de lezer onderkend kan worden maar er ook een eigen werkelijkheid aan kan ophangen. Het gedicht is een kapstok, de jas past ruim of zit te krap maar zal nooit als gegoten zitten. Maar hoe hij zijn toen omschrijft, daar kan ik iets mee, dat vult mijn ervaring wel aan. Wij zijn van dezelfde lichting, welhaast. Dus de wereld toen had voor ons een eendere betekenis, blijkt nu. De golf van gevoelens overspoelde een vergelijkbaar idee, in de branding is het water even nat – over een ieder schijnt dezelfde zon of in de tweede landstaal geschreven: wêr’t wy op ‘e wrâld ek binne oeral skynt deselde sinne. Hij was daar en ik ben hier, tussen muren van het gezin. Iedere ouder drukt een eigen stempel, samen vormt het een karakter wanneer alle zegels zijn geplakt.

    Er zijn gedichten die op teksten lijken, waarbij ik moet bepalen tot welke stijlfamilie deze behoren. Echter gaat het in de kunst niet om techniek wat mij betreft, maar over gevoel en voorstellingsvermogen. En dat laatste stelt Harry van Doveren op de proef, dat vermogen mij een beeld van de tekst te maken. Hij daagt mij uit zijn poëzie te doorgronden. Daarom neem ik de spade ter hand en graaf me in om vervolgens, weer, tegen de diepte in te groeien. En ondertussen legt hij mij verholen zijn vaardigheid uit. Lees ik weer en nog eens, en over en weer, vooral “opkijkend temidden van … onverzonnen beelden”. Het is beeldend beschreven, maar uit het vage beeldscherm komt maar langzaam een duidelijk testbeeld naar voren. Deze brief is geschreven met onzichtbare inkt, ik moet het tegen het licht houden om te kennen wat er staat.

    Geheimzinnige liefdesliederen

    Het middendeel van deze compositie is een ode. Een lofdicht lijkt me aan de lieve waar de bundel aan is opgedragen. Het toen is afgedaan, het was. “verliefdheid begint met een appel plukken / met een gespeeld steels van de ladder vallen / om na tig valpartijen te ontdekken / / dat het romantische gen hardleers is / dat het een verdrietigingsmonster is – een parasiet / die liefde pijn doet met uit de tijd vallen” en verder “door dichter bij de grond te komen waar ik bij leven ten diepste / op stond * om me daar te verenigen met wat uit mijn leven was / gevallen en wat ik zo hartstochtelijk miste” Liefdesliederen worden met de pen van Van Doveren geschreven telkens meer geheimzinnig. Hoewel hij zich bloot geeft, ontkleedt hij zich niet. Door “in een landschap met onbegraven gedichten” lees ik de daad, de daad van liefde. Het hoogtepunt. Zal ik het voorlezen? Ja, doe maar! “verteerde poëzie / / / tot pre-poëzie / van voor de tijd dat ik een spijker in een boom kon slaan * mijn / grijphand legt een veer op jouw beschorste waar de zon nooit / komt * de jaarringen van een boom * een orgaan in het spleetje en / de koe gaat dood * zoemgrond spokende lokstoffen * haasje over / de sloot * sneeuwval op jouw bekken / nagedruppel in het kuiltje” Een voorbeeld van het raadselachtige geheim, het idioom waarin Van Doveren zich met gemak wentelt. “verlangen een verstrooid bezit / in verzet met zwijgen / / / heb je gemerkt dat mijn verlangen in korte tijd een ander / uiterlijk heeft gekregen * hoe mijn hoofd door de spaken / van letters tolde toen jouw woorden niet meer droog werden? / / / geef een voorsetje met drie geruisloze zelf-pogingen / in doorschemeren waarom / / / – mijn rechterhand voelde de aangeleerde glimlach horen / – mijn linkerhand zag zichzelf over gewaaghals schrijven / – mijn leven hoorde mij door een spiegel kijken”

    De apotheose is vrijwel een afrekening met wat vader was. Met wat twee vaders waren. Zo hij was, ben jij geworden, zo jij bent dacht hij te zijn. Harde werker, diepe denker. Hij gaf het leven, jij nam het terug. Hij was de zender, jij ontving.

    Twijfel. Ik aarzel, ben onzeker over deze (te) lange tekst. Dat wil zeggen: feitelijk behoef ik het wat niet te verklaren. Het wat verklaart zichzelf. Mijn duiding kan schuren tegen dichters’ invulling. Mijn waarheid zal een halve zijn. Zal nooit de hele lading dekken. Ik kan het cryptogram oplossen wanneer ik mij kan inleven in wat de bedenker ervan heeft geïnspireerd. Kom ik niet tot een eensluidend woord, dan kijk ik stiekem achter in het blad om het antwoord te vinden. Maar zo’n uitvlucht geeft Van Doveren mij niet. Ik moet goed lezen en nog eens en weer. De woorden wegen, de zinnen overwegen. De regels in beraad nemen. Inleven. Meevoelen. Dan openbaart het onbekende in de tekst zich. Ik herken woorden die ook in mijn dictionaire staan. De manier waarop deze door de dichter zijn gerangschikt; that’s a different kettle of fish. Maar ik hoef niet te beredeneren of motiveren, dat kan de poëzie heel goed autonoom voor zichzelf doen. Mijn taak is de lezer op het spoor zetten. Waarbij de rails weleens kunnen wijken en niet meer parallel lopen. Dat de lezer het spoor bijster is en het spoorboekje de juiste weg moet wijzen. Mijn lezing kan dat spoorboekje zijn. Dat houd ik mijzelf dan maar voor.

    “Niemand – / / / ontving een klacht / veegde hierna zijn stoep / betaalde op tijd de rekeningen
    / / was er vrede hij was voor vrede / was er oorlog hij ging / de kranten noemden hem de held van sneuvelen / / wat doet mij op hem lijken? / wat doet hem op mij lijken? / ik ontving nooit een klacht / / veegde mijn stoep / betaalde op tijd mijn koelkast / met een apart groen bakje”

    brieven aan topos. harry van doveren. gaia chapbooks, 2025.

  • De poëet en de pictieet hebben een persoonlijk perspectief

    Monaden. Dacht ik een opzettelijke verschrijving op het kaft te lezen. Het zal nomaden zijn! De twee, Geven en Van Doveren, zonder vaste woon- of verblijfplaats in de kunst. Rondtrekkend door woorden en beelden, dwalend langs zinnen en houtblokken. Het blijkt echter geen retorische verspreking te zijn. Monade is een begrip dat door de Duitse filosoof Leibniz in het zijn is geroepen. Ik keek ernaar, zette een vraagteken. En zoals men dat doet bij de kennisquiz Twee voor Twaalf wanneer het antwoord uitblijft: “dat zoeken we op” — en de tijd loopt.

    Blijft onverkort dat de dichter en de kunstenaar zwervend beelden oppikken en er andere perspectieven aan geven. Maar die monaden? Met het begrip ‘monade’ wordt geen tastbaar deeltje bedoeld, leggen de boeken mij woorden in de mond. Het is een innerlijk perspectief op de werkelijkheid. Alles wat bestaat, is opgebouwd uit zulke monaden: kleine, ondeelbare ‘kijkpunten’ die elk de wereld op hun eigen manier weerspiegelen. Ze hebben geen direct contact met elkaar en lijken toch samen te hangen in een wonderlijke orde. Wat wij als één object ervaren, is eerder een samenval van perspectieven dan een op zichzelf staand ding.

    Opnieuw gestalte

    De titel Monaden suggereert dus een werkelijkheid die niet uit vaste vormen bestaat, maar uit afzonderlijke, innerlijke perspectieven. In deze samenwerking tussen dichter en beeldend kunstenaar ontvouwt zich geen eenduidig beeld, maar een veelheid aan benaderingen die naast elkaar bestaan. Tekst en beeld raken elkaar niet direct, maar bewegen in een subtiele samenhang, alsof zij elk vanuit een eigen binnenwereld hetzelfde proberen te benaderen. Wat ontstaat, is geen afgerond geheel, maar een samenspel van blikken waarin betekenis zich steeds opnieuw vormt.

    De monade verschijnt hier niet als abstract begrip, maar als iets dat opnieuw gestalte krijgt. In de objecten van hergebruikt hout lijkt het materiaal een tweede leven te leiden — alsof wat ooit was, zich in een andere vorm herneemt. Het materiaal herinnert zich wat het geweest is, zonder dat nog te zijn. Dat geeft de objecten iets van een stille reïncarnatie: geen herhaling, maar een verschuiving van bestaan. En de tekst, die zich haast terloops als gedicht aandient — alsof betekenis zich bij toeval ordent — laat eenzelfde beweging zien. Tussen de regels door schemert een nostalgie: een herinneren dat geen terugkeer is, maar een opnieuw beleven. Een her(be)leving waarin wat was zich anders voortzet.

    Door mij verzonnen woord

    Maar nu ter zake. Voor mij ligt dat boekje, in bruine omslag van 300 g/m² Kraft papier. Mij gestuurd door de poëet, met goedkeuring van de pictieet. Vergezeld van een niet mis te verstane opdracht: “De wereld hoort graag wat je ervan vindt.” Dat verlangt verwachting en schept resultaat, — of is het andersom? In elk geval kan het zwaar op mijn schouders drukken. Ik zweet peentjes en stoot mijn kop tegen een writer’s block. En toch: uit het gat in mijn hoofd vloeien woorden die recht proberen te doen aan tekst en beeld in Monaden.

    Dan die pictieet. Wat is dat? Nooit van gehoord. Het is een door mij verzonnen woord, als prozaïsche tegenhanger van de poëet. De poëet — alias van de dichter — is een verouderd neologisme dat inmiddels verankerd ligt in de taal. Voor de beeldend kunstenaar ontbrak mij zo’n woord. Dus: de dichter is poëet, de kunstenaar is pictieet. Ik zie dat zo voor me. In de schemering van de studio werkt de pictieet met hout en klei, met penseel en steen. Elke vorm lijkt te ademen, alsof ze verhalen fluistert die nog niemand hoorde. Waar woorden tekortschieten, spreekt het beeld. En waar het oog slechts ziet, onthult de pictieet een innerlijke wereld. Zo wordt kunst geen object, maar een gesproken poëzie van vormen.

    Taal doet afdwalen

    De woorden van Harry van Doveren passen bij de beelden van Fred Geven — als het deksel op de pot, als twee handen op één buik. In de teksten, die bij toeval gedichten blijken te zijn, lees ik tussen de regels een herinneren. Alsof de dichter over zijn schouder kijkt, terug in de tijd. De tijd die hem lijkt in te halen. Maar hoe kan dat? Het zijn is hier en nu en speelt zich af in dit ogenblik. Haalt de tijd het zijn in, dan zou het wezen stilstaan en was de tijd achterop geraakt. Denkend hierover kom ik uit op een onmogelijkheid: een Penrose-driehoek, een Sisyfusarbeid.

    Maar ik dwaal af. Dat is wat taal doet. Woorden roepen woorden op, betekenissen laten gedachten zwalken. Blijf bij de les, sprak de meester streng doch rechtvaardig. Want de woorden en de beelden — al deze elementen moet ik, als de Bijbelse Maria, overwegen in mijn hart. En de wereld wacht.

    In het moment

    Voor de bundel Monaden heeft Fred Geven bewaarkisten geopend: gymnastiektoestellen voor de zintuigen. Mijn zien fitnest door de bundel. Mijn ogen bewegen over de pagina’s, mijn blik traint betekenissen. En Harry van Doveren heeft zijn zinnen gezet op het verwoorden. Zoals in experimentele poëzie de lezing niet meteen vastligt, zo lijken de blokken los van de woorden te staan, de beelden buiten de tekst te vallen. En toch steunen ze op elkaar. Ze passen, ze dragen. Het opent de ogen en ontgrendelt de geest.

    Beide makers plaatsen hun constructies in het moment: het hier en nu. Na jaren van vorming en beleven is het ogenblik van nagenieten aangebroken. Herinneringen en ervaringen laten zich tot adagium vormen. De dichter kijkt terug op een begin en een middendeel, en ziet vooruit naar een slot. De beeldend kunstenaar snijdt voorbije beelden uit hout en kleurt ze naar een actuele stemming.

    Poel van verlangen

    Beiden raken de ziel. Omdat ze woorden en beelden laten aarden. Ik woel met blote handen in die drek, bevuil mezelf met modder. De woorden verwaaien niet als stuifzand; de objecten laten een nabeeld achter op mijn netvlies. Het verlies van wat eens was voel ik, maar het stemt mij niet triest. Het past. Zoals vorm bij woord. Zoals tekst bij object. Harry’s hand op mijn schouder. Mijn reflectie in de Poel van Fred.

    De poëet en de pictieet bekijken het zijn vanuit een persoonlijk perspectief. In het brandpunt daarvan focust mijn gevoel. “handen kunnen fouten herstellen waar teveel weten in tekortschiet” De woorden raken mij, de beelden beroeren mij. “vergeten beelden bestaan niet” Een poel van verlangen. Een landschap van spijt. De apotheose lees ik in: “ik vul mijn tijd met het schrijven van brieven over het misverstand dat ik geboren ben met een belofte” Want zijn wij niet allen zo op de wereld gezet? Met de toezegging dat het door ons beter zal worden. Iedere generatie houwt zich een eigen beeld. Want zou… had het… zal het… Maar ieder bekijkt het landschap van het leven vanuit een eigen perspectief. “toen wij nog niet bestonden sleten beekjes al hun sporen uit de heide en de droge bossen en zorgden met hun vee-zand voor groei op het esdek van de akkers” De monade van de ziel beweegt zich als nomade door de bundel.

    MONADEN, bezielde elementen van de werkelijkheid. Fred Geven | beeld, tekst | Harry van Doveren. Uitgave in eigen beheer, 2026.

  • Mijn vlieger staat doof aan de horizon

    Autobiografisch scan ik de verwikkelingen van Harry van Doveren. Ik lees de nieuwe bundel “ik kan vliegen” woord voor woord nauwkeurig, kopieer de tekst in gedachten naar mijn eigen wezen om het achter mijn oogleden te kunnen projecteren… In deze dichter herken ik mijzelf omdat hij zichzelf figuurlijk bloot geeft tussen de regels door van zijn poëzie. Bij zijn beschreven aannames van persoonlijk beleefde ervaringen ontgaat mij aanvankelijk de logica, zoals ik soms eveneens versteld sta van mijn eigen schrijfwijze na een nachtje slapen. Aan zijn denkkader moet ik eerstens wennen, maar daarna staat in tweede instantie zijn dichtkunst mij helder voor ogen. Ik ben uitgeslapen.

    De axiomatische poëzie lijkt in experimentele zin enigszins abstract, omdat Van Doveren zich bedient van beeldspraak en overdrachtelijke uitdrukkingen. Mooie vondsten die tot nadenken stemmen, evenwel de lading letterlijk dekken. En natuurlijk wenst de lezer dezes dan voorbeelden. Welnu, wat te denken van “volgde waarheid en leugen op de evenwichtsbalk” en hoe te mijmeren met “zag geschiedenis opgerold terug in celluloid” of stil te staan bij “herboren beesten kruipen als kruimels uit de braadpan” en “vliegen werd een horizon begraven”.

    Ja, ik besef dat de zinnen uit hun verband zijn genomen en schijnen gekortwiekt. Dat er voor dan wel achter de woorden betekenissen zijn en volgen. Maar veel van de gevleugelde regels zijn goed als oneliners en kunnen best alleen de kooi uit de lucht in. Dat is de kracht van Harry van Doveren, dat het dichten een ongerijmd welhaast labyrintisch geheel lijkt maar juist staat als een huis. De lezer moet alleen wel durven die woning binnen te gaan om de heterogene pannenlappen tot homogene lappendeken samen te brengen.

    Onderzoeken en ondervinden

    Autobiografisch leer ik de mens Van Doveren door zijn woorden kennen. Door zijn taal mij eigen te maken, zo zodat ik het woordelijk kan verstaan, letterlijk kan horen. Om slechts enkele gelezen woorden beter in de context te begrijpen zoek ik verder buiten de teksten. Om te weten wie Jannis Kounellis was, welke de pijlen van Statius zijn en wat udon is en waar Geilo ligt. Mijn neus is niet zolang dat ik de betekenis uit mijn hoofd kan oplepelen. De dichter zet mij aan tot intellectuele handelingen om mijn kennis te verbreden en mijn geest te ontwikkelen waarbij mijn kunde zich verdiept.

    De bundel “ik kan vliegen” deelt zich in drieën. Drie hoofdstukken of perioden van tijd. De voorjaren gaan inderdaad over de lente van des dichters leven. Het onderzoeken en ondervinden, het uitproberen en evalueren, het leven leren verstaan door kennis van goed en kwaad. Het paradijs is verlaten en de hof van heden ligt met een grimlach voor hem open. Ik ervaar de tekst wel als déjà-rêvé, dat had je gedroomd, of beter beleef ik het als déjà-vu, been there done that. “in mijn voorjaren was ik er stellig van overtuigd dat / ‘ik hou van je’ zeggen onherroepelijk was en meedogenloos / eenduidig * gelijk wiskundige symbolen en formules”.

    In de tussenjaren legt Harry zijn voorjaren af – “wikkelde touw om mijn schoolboeken”. Het is de tijd van volwassen zijn, meneer Van Doveren zijn. De wereld is evenwel nog eenvoudig en begrijpelijk. En ik volg hem op de voet, schrijf mijn eigen wezen achter zijn gelikte pen. Maar het zijn wordt ongemerkt verward, het wezen raadselachtig. De maatschappij roept – nog niet in de kantlijn. Zijn wereld als béta is in die jaren tussen onweten en weten complex. “het komt / er op aan wat ik doe zeg of schrijf” In zijn lente kon hij groter zijn dan de tijd, maar in de jaren van onderscheid leek hij juist kleiner en nietiger dan Pluto in het zonnestelsel.

    Hij zoekt verbanden, sorteert teenlengtes, wilde zich blijven herkennen in het rumoer van de nacht – in het vinden van kracht in zwakheid. Hij strijdt met zichzelf zoals Jacob met de engel, met zijn verleden en zijn schuldgevoel. En langzaam verdwijnt het werkzame leven naar de kantlijn, is nog slechts een stelling in de marge. Dan is er de vrijheid van de najaren.

    Het leven in dichten vangen

    Hij reist nog wel door voor- en tussenjaren, omdat deze bestemmingen vorm moeten hebben en duidelijkheid krijgen. Een mens is wie hij was. De dichter dicht dichter bij zichzelf. De dichter beschouwt meer helder in de nadagen van wat een levenlang heet. “een stevige wind met een ongemakkelijk verleden” en de wind draait en legt zich neer, welhaast te rusten – welterusten. Hoewel Van Doveren lijkt af te rekenen met het zijn waarvan hij voordien onderdeel van uitmaakte, is het echter een balans opmaken – plussen en minnen, voren en tegens. Hij maakt een overzicht en kijkt wat het heeft opgeleverd. Neemt afscheid, speelt over en begint overnieuw: “blijf drinken tot jij in de lobby van het hotel verschijnt in / doorschijnende kousen met zwartfluwelen handschoenen / ivoorwitte bovenarmen en een nauw boordje om je hals” en eet met smaak een kers uit de tuin van Tsjechov. En ondertussen mijmert de dichter zonder scrupules door. Probeert het leven in dichten te vangen, sluit het zijn op in woorden, strooit letters als afgevallen bladeren in de herfst, het najaar, de najaren. In deze jaren door schade en schande wijs geworden doorziet hij zichzelf in wezen. Hij formuleert aannames als waarheden. Gedachte echtheid is zijn werkelijkheid waarmee ik instem wanneer het me uitkomt. “diepte en hoogte horen thuis in het vocabulaire van een / kunstenaar omdat hij de enige is die zijn hele leven lang / afdaalt opstijgt en voortdurend zoekt naar de plek waar / het lood de bodem raakt en de hemelse geest bloeit

    De voorjaren zijn vervlogen, de tussenjaren maakten opvliegend, zodat Harry van Doveren in de najaren kan vliegen. Natuurlijk zet hij geen punt, trekt hij geen streep; hij beleeft de trage tijd waarin het duister verleden gekuist is met bloedrode verf. Hij zet het niet, maar het sluipt wel binnen: de punt. Maakt hij zich woordelijk zorgen? Ziet hij in de donkerte van de avond door het gordijn een rood met zwart gevuld teken voor het raam staan? Zijn dromen bedrog, spreekt de dichter de waarheid. Dat teken is metafoor voor de wachtende (die met de zeis?), het wakende einde of het nakende slot. “ik denk de laatste tijd zo vaak aan hem en aan wat dan – “ Ja, wat dan.

    Het betreft hier een open einde. Natuurlijk denkt de mens wanneer de jaren van het zijn opraken aan een afronding, ooit, eens. Maar nu nog niet. In de bundel “ik kan vliegen” dicht Harry van Doveren zijn leven. Het is ongemeend een autobiografie. Een persoonlijke levensbeschrijving in puntige zinnen, scherp als het slagersmes in mijn keukenla. Het zet een kerf in mijn vlees. Ik voel het warme bloed langs mijn huid stromen. Op tijd stelpt de dichter echter het levensvocht dan weer. Zet mij op een verkeerd been en brengt mij vervolgens opnieuw in evenwicht. Het is aan hem gelegen dat ik blijf lezen, namelijk. Kennen en weten. Ik vlieg met hem mee naar de regenboog. Mijn vlieger staat doof aan de horizon. Geen nood meer te ledigen, geen noot meer te lenigen.

    Harry van Doveren. Ik kan vliegen. Gedichten. Gaia Chapbooks, 2025.

  • Met Harry van Doveren op weg naar Astraea, recht zo die gaat

    Ik moet aanstaan wil ik het ontvangen, de poëzie van Harry van Doveren. Want het is geen eenvoudige kost, zoals het sonnet en de kwatrijn dat wel zijn. Van Doveren´s stelligheid in een axiomatische dichtvorm is voor mij niet even vanzelfsprekend. Hij gooit een bal op die ik niet meteen kan terugkaatsen. Er is geen handleiding, ik vorm zelf de regels van het spel. Ik ga in gesprek met het boek.

    Het is geen poëzie volgens de letter van het gedicht. Er is geen rijm te bekennen of de woorden zullen zo bij toeval aan het slot van de regels vallen dat het harmonieert en wederkeert. Maar er is wel ritme om de tekst tijdens het declameren niet op te dreunen maar te laten galmen als door bergen en fluisteren als over zee. Want alleen stil voor me uit lezen is niet genoeg, de zinnen hebben klank nodig om deze te doorgronden. Ik moet mijzelf de regels horen zeggen, de woorden beluisteren uit mijn eigen mond.

    De dichtvorm is dan wel losjes losgelaten, waarbij de verzen conceptueel door de taal zwerven. Het leidt mijn gedachten af van de tekst bij het lezen, ik val stil in contemplatie, het stemt tot overdenken en bepeinzen, beschouwen. Mijn blik dwaalt onvoorbereid af naar niets, ins Blaue hinein staar ik. Bevat ik na wikken en wegen de denkbeelden dan begrijp ik het grotere idee dat tot buiten de bundel reikt, maar niet in het wilde weg.

    Het heeft ruimte nodig

    Het kaft, met een opdruk van Harry´s Kine – ik kreeg een ‘in Nucleo’ gelijkend een spiegelei bij mijn exemplaar van de bundel, dat kaft blijkt een benauwend keurslijf waarbinnen het afgedrukte schrijven zich krampachtig uitdrukt. Het heeft ruimte nodig, dit schrijven – dat druksel. Het moet kunnen spelen in de uitgestrektheid van mijn denken. Daar waar geen grenzen aan mijn kennis zijn, althans die ik niet opzoek. Ik blijf binnen mijn kunnen, terwijl ik beter buiten mijn vermogen kan treden om aan te staan en uit te gaan.

    Van Doveren dicht bij wijze van spreken de taal. Om de verzen te openen heb ik een sleutel nodig met de juiste baard. Wat ik lees is klaarblijkelijk en onweerlegbaar, heeft vrijwel tevens een andere betekenis dan waarvan ik in eerste aanleg uitga. Het schijnt een waarheid te hebben die voor mij niet bewezen is, omdat ik met andere waarden reken. Denk ik de strekking te kennen dan is er misrekening aan het slot en past mijn sleutel niet meer, is deze krom of gebroken.

    Van Doveren schuift dan de grendel op de deur en opent het luikje daarin, ik kijk in een paar vriendelijke ogen boven een glimlachende mond en een glanzend puntje van zijn neus. Weet ik vervolgens geen juist wachtwoord te formuleren, laat deze bewerking van taal mij niet toe. Ik kom pas binnen in betekenis en gedachte wanneer ik mij de spraak eigen maak. Dat betekent overlezen en opnieuw lezen. Overdenken en bepeinzen, de woorden wegen en de zinnen pluizen. Dan kan ik mezelf on zetten en aan laten staan, dan begrijp ik wat ik lees. Dat heeft tijd nodig, om de taal van deze dichter te doorgronden. Dan vloeien – als het goed is en ik op de juiste golflengte zit – mijn gedachten samen met zijn opvatting.

    Ieder woord kent een metafoor

    In ‘On’, het eerste deel in de bundel, stelt Van Doveren zich dan nog wel zelf open. Hij zet zich aan, zodat ik eenvoudig op hem kan afstemmen. Hij stelt zich aan mij voor. Laat lezen wat hem bezig houdt, zodat ik mij daarmee kan bezig houden. Hij geeft mij het materiaal om te overwegen, de handvaten om zijn wereld te vatten. Het is geen gemakkelijk schrift, geen eenvoudig taalgebruik. Ieder woord kent een metafoor, iedere letter heeft een spiegeling in de spraak. Zijn bouw van zinnen doet mij buiten zinnen raken. Maakt van mijn beschouwing een verstild peinzen. Het diepe nadenken volgt uit zijn aangeven van gedachten. Zoals hij een lofdicht schreef op zijn geliefde, zo dicht hij verder een ode aan het zijn, het is.

    Zijn het korte verhalen die passen op een enkele bladzij, dat daarbinnen ze zelfs nog een brede kantlijn op de bladspiegel nodig hebben of in experiment afraffelen. Van Doveren slaat mij met overdrachtelijke uitdrukkingen om de oren. Hij wast mij de oren en zegt dan wel omfloerst waar het op staat, maskeert de taal en vermomt de poëzie. Harry’s gedichten vormen figuurlijke anagrammen van letterlijke werkelijkheden, zijn spreektaal is mijn speelkaart – schoppen troef. “koester het stapeltje witte kaarten uit mijn archief / met reflecties over de ontmoeting met Gracchus / op een parkeerplaats halverwege de snelweg tussen / Toscane en Geiranger • hij was onderweg naar / Geiranger om daar meteen weer terug te keren / naar Toscane • een havenloos gesprek • dood genoeg

    Met ‘onderwerp: afstandstekort’ ben ik in het niemandsland tussen aan en uit, on en off, ‘/’. Ik weet niet of ik aan het licht kom of uit de tijd ben. Vereenzelvig mij met leven-meneer. Neem de naoorlogse schade op: “een doedelzak van de dood • tinnitus van het slagveld”. Nog even sta ik aan, draai de knop halverwege, tuimel de schakelaar nog niet – nog even zijn tussen aan en uit. On Off. Om dan na de bominslag met de dichter op reis te gaan naar en door het land van letterkeer en wedervraag. Hij zet mij af op het station van het grondbeginsel, veronderstel ik; ‘off’. Zijn gedichten, de poëzie, een autobiografische monoloog; voor mij een getuigenis, een tweespraak, die ik in dialoog afsluit. “heb nooit zonder dichters gekund • mijn poëzie / wilde alles gelezen hebben wat in kast zeven stond / van de bibliotheek • nu dat in zijn geheel onderweg / is naar de sterren timmer ik mijn eigen kast zeven / om te zijner tijd weloverwogen te kunnen besluiten / of ik de onverwachte moet vermijden of met hem / mee zal gaan naar Astraea

    on / off – Harry van Doveren, gedichten. Gaia Chapbooks, 2024

    Linosneden Kine Brettschreider (Angeline van Doveren-Kersten).

  • Begrijpend lezen door het drieluik Harry van Doveren

    Het valt niet te lezen, het drieluik poëzei van Harry van Doveren. Echter is daar geen beter Nederlands woord voor het bekijken en begrijpen van aan elkaar geregen letters tot woorden en zinnen, verzen, verhalen. Hoewel lezen nog geen begrijpen is. Je neemt kennis van de inhoud, maar hoeft dit dan verder nog niet te doorzien, aan te voelen of te begrijpen. Echter de poëzei, daarin dien jij je te begeven om het te snappen. Jawel het staat er goed, poëzei, en klinkt antiek maar wil van nu zijn. Om het te verstaan moet ik er instappen, het lezen betreden laten zijn. Mij voorstellen wat er staat. Mijn verbeelding aanspreken, maar niet de fantasie. Een afbeelding maken van de betekenis van de woorden in gedachten. Dat is geen lezen, dat is imagineren, verzinnebeelden. Deze dichtkunst is het symboliseren van de wereld en alles wat daarin aan beelden tot ons komt. Deze dichter vertaalt de wezenlijkheid tot klanken die kunnen klinken en als woorden worden afgedrukt.

    Harry van Doveren omschrijft de essentie van het wezen cryptisch ofwel bezigt een abstracte poëzie – jawel hier draai ik de ei-klank tot ie-klank voor een actueel begrip. In de poëzie zie ik de betekenis wanneer ik goed kijk. Niet dat hij moeilijke woorden gebruikt, maar rangschikt deze zodanig dat de zinnen lastig toegang geven. Laat woorden uit het verhaal weg om de essentie van het gedicht te grijpen. Het schijnt dat Van Doveren geen verhaler en geen dichter wil zijn, maar is het allebei. De poëzie is in de proza ingevoerd. De proza vertelt, de poëzie raakt de kern.

    Zien om te begrijpen

    Sla ik de bundels open begeef ik me in de genoteerde droombeelden die voor deze schrijver waarheden zijn. Realiteit omdat hij dit zo ervaart. Hij kijkt naar de wereld en kan niet anders dan deze zichtbaarheden zo omschrijven. Want de waarheid is te kostbaar om in platte alledaagse karakteristieken te definiëren. De woorden laten zich bij hem niet zoals gebruikelijk in regels opvolgen tot te begrijpen theoretische volzinnen. De poëzie van Van Doveren moet je zien om deze te begrijpen. Niet lezen, maar bekijken en voorstellen. Dan kom je tot de kern van het wezen in deze onregelmatige gedichten. Ik sluit aan op deze bijeengeraapte werkelijkheid. Ik schep een band met Harry van Doveren, want hij schrijft zichzelf uit en laat de dichter als mens zien.

    Met zijn regels, zonder hoofdletters van elkaar gescheiden door punten, krijg ik inzicht in zijn brein. In die bovenkamer ligt de taal schijnbaar overhoop. Rag en web weggeveegd voordat er helder zicht is op reden en doel. Het laat zich niet lezen, het staat er, het is er. In een klassiek drieluik komt zijn wezen tot mij. Het is alsof een kabinet van bijvoorbeeld Jeroen Bosch is opengeslagen, de scharnieren kraken antiek in de sponning. Voor mij ontvouwt zich een niet gedachte wereld, een niet verwachte aarde. Niet bedacht maar wel denkbaar. De aaibare gedrochten van de schilder koesteren mijn weten. Zij symboliseren een zijn door wangedrag en mishandel. Houden een spiegel voor, een metafoor met opgeheven vinger. Deze terechtwijzing vind ik niet terug in het drievoud van de Van Doveren dichtbundels. Of het zal een zelfreflectie zijn, waaruit ik overdrachtelijk mijn persoon kan beoordelen.

    MACHINE POËZEI

    Kan een machine zoveel emotie tonen als de mens dat doet. Is het gevoel digitaal te maken waar Van Doveren het analoog invoert. Kan de machine, lees de computer, gevoelens hebben en leren delen zoals het menselijk brein dat meanderend kan vastleggen. De computer kan de schijn ophouden, maar het blijft surrogaat. Dit eerste deel doet een beroep op mij. Is een interactieve bundel waarbij ik kan bepalen welke wending het gedicht kan nemen op de vooraf bepaalde mogelijkheden Woorden symboliseren een beleving. Kunnen andere betekenissen hebben dan gangbaar opgevat. Het duurt even voordat de lezer zich in die denkwereld kan begeven, dat deze aanvoelt wat de dichter ervaart. Maar wie de cryptische omschrijvingen eenmaal doorziet kan beelden maken bij de woorden. Al lezende vormen zich dan als vanzelf illustraties bij de tekst. Ik heb de boekjes, zwarte druk op wit, zelf kleurrijk denkbeeldig geïllustreerd – in gedachten van plaatjes voorzien.

    Van Doveren schrijft beeldend, maar de woorden geven geen letterlijke betekenissen zodat de voorstelling op diverse manieren kan worden ingevuld. Soms zijn de gedichten als collages, lijken diverse woorden aan en over elkaar geplakt die buiten het vers weinig met elkaar van doen hebben. “uitvinders geven ons een machine voor het ontmoeilijken van dát andere  – de technische poëzie . in deze verbrandingsoven stoken zij onze verbeelding waarna zij alle letters uit de asla schrapen en ons vervolgens uitstrooien op de zee van hun akkers” en “is doorzetten een bitterzoete gladiool? / is de schaduw licht uit het donker? / is lucht het huiveringwekkende beest / in een stofzuiger? / is zonlicht een machine / één oog op de sign of the times?

    VOETBAL IN DE LONGEN

    En dan het tweede deel waarin de gedichten korte verhalen lijken. Zinnen lopen over de bladspiegel door. Weer zonder hoofdletters en zonder leestekens. Slechts gescheiden door een zwevende punt. Het karakteristiek van deze dichter in zijn experimentele helderheid. Het dichten laat de zinnen dansen, de woorden draaien soms om de as, of houden in spagaat de betekenis in het midden. Deze bundel is meer autobiografisch, zichzelf afvragend. De zin van het zijn, de reden van de ratio. Wat is hij, wie ben ik. Kijkt terug en haalt herinneringen op. Gisteren is ook een herinnering. Voltooid verleden tijd, want komt niet opnieuw aan ons voorbij, dient zich niet weer bij mij aan. Een uur geleden is onvoltooid verleden, want het heden is nog gangbaar – wordt nog gemaakt.

    Dit deel is op hemzelf toegeschreven, de dichter. Korte verhalen over eigen ervaringen, gebeurtenissen. De poëet toont zichzelf, geeft deze mens bloot. Blik in zijn bestaan, kijkje in zijn wezen. Verleden een open boek dat geheimen niet zomaar prijsgeeft. De vertaalslag in mijn gedachten zet de aandacht op scherp. Weg zijn de omfloerste woorden, de cryptische omschrijvingen. What you see is what you get. “. AAN DE BOOT VAN BLAUW BEGONNEN twee losse vectoren schreven elkaar in word perfect . S. over de rol van de overtuigde vogel en ik over mijn avonturen als de schuwste barbeel in de Seine” Beschrijft echter ook mijn eigen vertwijfeling en spijt van niet gedane zaken of juist wel de keer van het leven. Dat voel ik in. Dat kan. “. DE TREIN NAAR HET FRONT HEEFT VERTRAGING ik kan onmogelijk sterven . ben daar te langzaam voor

    VECTOR PRIVACY MAX/MIN

    De titel van deze bundel is ergens getekend op een uitgestreken prop papier. Zegt 1 tekening toch meer dan 100 woorden, denk ik? Is het woord ijdelheid waar de lijn vruchtbaar schijnt. De lijn zich nestelt in het geweten en honderduit spreekt, waar het woord vervaagt en nietszeggend is. Zou het dichtbundel drieluik ongeschreven kunnen zijn waar dit vectorbeeld de drie-eenheid is. Heb ik genoeg aan slechts deze horizontale, verticale en het diagonaal. Bekleedt deze het zijn, het wezen. En kan de rest op andere proppen in de prullenmand verdwijnen? Geenszins, want deze beschrijven datgene wat in beelden niet uit te drukken is. Wat één paradox! Ook de vectortekening heeft woord nodig in de kantlijn om zichzelf te verdedigen. Tekst en beeld vormen het zijn, het wezen.

    In dit derde deel komt het welzijn van de dichter aan de orde. “.. KAN EEN PRIVÉ-GEDICHT NOG WEL NA TENDER BUTTONS? het vermoeden bestaat dat onvruchtbaar denken (doen alsof je origineel bent) definitief school heeft gemaakt . klopt dit dan wordt vanzelf vanaf nu vanzelf vanaf vroeger . er wordt gesproken over de reling van een vrachtboot . ooit mijn vriend maar nu Egypte

    Kritiek op scherp

    Is alles dwaasheid? Metaforen van het leven, symbolen van het zijn. Woorden wentelen om te leren begrijpen. Deze dichtkunst is een collage van de werkelijkheid. Overal uit elk moment wordt een tel geknipt en geplakt tot poëtische proza. Een ruimtelijke verbeelding, een derde dimensie op het vlakke papier. Sluit ik mijn ogen stijgen zo de beelden op in geuren en kleuren uit de zwarte woorden in reukloos drukinkt. Ik hoef de zinnen niet te verklaren, er is geen bewering voor het zijn van een ik. Mijn rede om te beschouwen is redeloos, radeloos probeer ik de rand van de volgende bladzij te bereiken en de pagina om te slaan om opnieuw reddeloos in het diepe duister van die ik te duiken. Het duister waarin een licht fluistert aan het eind van de tunnel.

    Wanneer ik de bundel dichtdoe kijk ik terug op wat ik niet wist en onmogelijk kon weten. De herinnering aan wat ik las zet mijn kritiek op scherp. De woorden moeten zichzelf verklaren, ik hoef mij daar niet over te buigen, aan te branden. Want een enkel fout geplaatst woord laat mij door de mand vallen. Wie denk jij dat je wil zijn om de tekst niet te begrijpen maar wel wil omschrijven. Ben jij beter en meer schrander dan de dichter himself?

    Zal ik ooit de zin kennen van deze reden? Zal ik ooit voor de andere deze ene kunnen omschrijven? Kunnen ontleden de taal van zijn geest. Bedoeling is een leeg woord zolang er geen begrip is, begrijpen is. Begrip is willen, begrijpen is proberen. Het experiment van gedachten ordenen. Opstellen in rijen van drie. Geef acht! Ik acht mij in staat mij een mening aan te matigen, er iets van te vinden en dit niet voor mijzelf te houden.

    Drieluik machine poëzei / voetbal in de longen / vector privacy max/min . Harry van Doveren, gedichten. Uitgave Gaia Chapbooks, 2024.

  • Niet bij toeval is Shape stoeiend ontstaan

    Toeval is een gebeurtenis zonder oorzakelijkheid of zonder bekende oorzaken. Voor natuurkundigen geldt dat gebeurtenissen voor ons ogenschijnlijk toevallig zijn als wij de begincondities niet precies kennen en ook niet goed genoeg kunnen rekenen en voorspellen. Volgens de klassieke natuurkunde is het bestaan van toeval dus eigenlijk een puur menselijke illusie!

    Bestaat toeval? Werkelijk niet. Het is een abstracte hoedanigheid. Wij kennen de oorzaak niet, dus zullen wij de ons overkomende of de vanwege ons ontstane gebeurtenis als toevallige omstandigheid aanmerken. Om toeval uit te sluiten kun je de formule van Laplace daarvoor ter hand nemen. Deze berekent de kans wanneer een gunstige uitslag mogelijk voorhanden is, zodat van een onvoorzien voorval geen sprake kan zijn. Met deze formule bereken je oorzaak en gevolg. De omstandigheid is dan geen lotsbeschikking. Het is geen toeval dat mijn staatslot nooit een prijs krijgt toegedeeld. Het zou toevallig zijn wanneer ik weleens deel heb in de prijzenpot. Maar toeval bestaat niet en Laplace berekent het mij anders voor. Dus nee, dat gaat niet gebeuren.

    Bij toeval blijkt tekst gedicht

    Voor een eigenaardige uitgave van Ankie van Dijk heeft Harry van Doveren een tekst geschreven en het ontwerp gemaakt daarbij. Bij toeval blijkt die tekst een gedicht te vormen, dat toevalligerwijs vierkante vormen en kromme lijnen beschrijft. Dus niet, want toeval bestaat immers niet heb ik zojuist wetenschappelijk vastgesteld. Iedere strofe van het gedicht begint met toeval, het woord toeval. Dat woord wordt daarna meervoudig omschreven, gesynonimiseerd in deugden. Maar ook enkelvoudig geantonimiseerd als ondeugden. Het toeval reflecteert het bestaansrecht. Kijkt in de spiegel en ziet zichzelf niet, want het bestaat immers niet. Is niet onzichtbaar of zonder figuratie, het is normaalgesproken niet aanwezig. Toch kent het veel omschrijvingen en toedichtingen. Het toeval wordt een zijn toegeschreven door mensen die dus kop noch staart kennen. Het enige wat zij weten is dat ze niets weten. Die denken dat het ei er eerder was dan de kip, dat het toeval is dat het ovum ooit uit de lucht is komen vallen.

    Wat voorzien is en willekeurig dat kunstenaar en dichter elkaar in deze vorm hebben ontmoet en samen optrekken in dit eerste kunstenaarsboek van Ankie van Dijk. Het presenteert zich als een pop-up boekje met een harmonica-effect. Voordat het beeld zich toont is er het woord. Dan valt het drukwerk verticaal te lezen in drie kolommen door de facetten om te slaan. Aldus kunnen afwisselend diverse werken naast elkaar gezien en in relatie worden gebracht. Voortdurend in een gewijzigde volgorde, terwijl de toonzetting van het woord hetzelfde blijft.

    Een taal die iedereen spreekt

    De bundel is tweetalig, terwijl de beelden geen grenzen hebben. De dichter dicht dan in de taal van de lage landen, het Nederlands. Een en ander betekent niet dat de bundeling enkel op het Hollandse veld terecht is. Ervan uitgaande dat de poëzie enkel op de manier waarop het is geprint is gedicht, betreft het klanken zonder betekenis te geven aan de uitdrukking. Deze toonzetting is als muziek, een taal die iedereen spreekt. Op die manier wordt het gebied voor deze vorm van kunst welhaast grenzeloos. Ankie van Dijk verwoordt dat zelf zo: “a visual poem demonstrating shapes liberated from perfectness. a combinatoric play of forms made for playful readers”.

    Beider zicht op de werkelijkheid is geen lot, maar heeft kans van slagen. Het gedicht is geen onderschrift van de vorm en de vorm is geen illustratie van het gedicht. Beiderlei kunne als homo ludens sluiten nauw op elkaar aan. De woorden zijn het logo van het inzicht, het embleem van de spelende mens. Want al dollend en dartelend, frutselend en friemelend, lijkt mij deze woordenschat en die beeldentaal ontstaan. De vormen werden daarbij beeldmerk van de gedachte. Het schept eenvoud in meervoud. De woorden zijn opzettelijk trefzekere vooruitzichten, niet ongedwongen lukraak en onvoorzien. Van Doveren heeft verwoord wat hem inviel bij de drukwerken en de collages van Van Dijk. Zij speelt met de vorm zoals hij stoeit met de taal. Het geeft in beider geval een meer dan speelse uitkomst, een zichtbaar prettig resultaat.

    dav

    Krachtige symbolen handelsmerk

    Ankie van Dijk drukt zich uit in lettervormen, een beeldende taal. Eenvoudige figuraties met meervoudige zeggingskracht. Verbeeldingen die mij doen denken aan de grafische vormen van Hendrik Werkman. Deze boekdrukker liet onder meer loden letters het werk doen in zijn expressionistische kunst. Op die manier wist hij sterke uitdrukkingen te componeren. Het is niet toevallig dat Ankie van Dijk in zijn voetsporen treedt, of is het dat nu juist net wel? Of zij zijn werk kent is mij niet duidelijk. Dat het op elkaar aansluit berust dan misschien toch op toeval. Maar volgens natuurkundige wetten en regels zal hiervan geen sprake kunnen zijn.

    De krachtige symbolen zijn het handelsmerk van Ankie van Dijk, zoals de axiomatische poëzie de vlag is waaronder het schip Van Doveren koers zet. Deze bewering is niet bewezen maar als grondslag aanvaard. Van Doveren is een bèta, dus voor hem is er geen toeval. Daarom kan hij er wel met alle stelligheid over schrijven. Met minimale middelen geeft de retro-avangardist Van Dijk commentaar op de omgeving. Ze laat zich in haar werk leiden door Bauhaus en Dada. Dat moderne constructivisme vind ik inderdaad terug in “shape”.

    W88888888

    Dat beeldende kunst en poëzie samengaan blijkt uit haar uitgave, een kunstenaarsgeschrift in eigen beheer uitgebracht. In woord en beeld, het design waarin het is uitgevoerd, is het opzettelijk irrationeel en ondergraaft het de algemeen geaccepteerde standaard. Toeval? Welnee, dat is de stijl van de dadaïst. De regels van Van Doveren kun je benaderen als klankuitingen zonder betekenis en bedoeling, enkel met een herkenbaar geluid en tongval. Zo zijn de assemblages van Van Dijk beelduitingen zonder betekenis en bedoeling, enkel met een herkenbare vorm en gestalte.

    Dichtte Kurt Schwitters in 1923 al treffend poëtisch: “Wij w88888888 / Wij w88888888 / W88888888 / Wij tr88888888 / Wij tr88888888 / Te blijven w88888888 !!! / Stelt men ons opnieuw teleur / Dan hebben wij nog een 8erdeur / Wij w88888888 / W88888888 / Tot? ”. Diezelfde typografie en geestigheid vind ik terug bij dit duo Doveren en Dijk. Dat kan geen toeval zijn.

    shape. Ankie van Dijk, graphics. Harry van Doveren, word & design. Uitgave in eigen beheer, 2023. Presentatie 28 april 2024.

    Shape came playful not by coincidence

    Coincidence is an event without causality or without known causes. For physicists events are coincidental . If the initial conditions are unknown, prediction cannot be done accurately. For classical physicists coincidence is actually human illusion!

    Does coincidence exist? Factually not. It is an abstract quality. If we do not know the cause we will regard the event that happened to us as a coincidental circumstance.

    To rule out coincidence, the probability of a favourable outcome can be calculated with a formula of Laplace. By doing so we learn that the outcome is not from an unforeseen event or just fate. It is no coincidence that my state lottery ticket was a winning ticket. Such a ticket would be a coincidence. But coincidence does notexist according to Laplace. Anyway, that’s not going to happen.

    Harry van Doveren wrote a text and together with forms of Ankie van Dijk created a quaint book. By chance, his text turns out to be a poem, including squares, curves, lines, debris. No coincidence. Coincidence does not exist, see here above. Each stanza of the poem begins with the word coincidence. That word is then described in plural terms, using synonyms as vices and atomised words as virtues.

    Coincidence reflects the right to exist. It looks in the mirror and doesn’t see itself, because it doesn’t exist, it is not invisible and not without figuration. It is even not present. And yet it has many descriptions and explanations.

    Coincidence is attributed to being by people who know neither head nor tail. All they know is that they know nothing. Thinking that the egg came before the chicken. It is a coincidence that the ovum once fell from the sky.

    It was foreseenable but arbitrary that the artist and the poet met each other in Ankie van Dijk’s first artist book, a pop-up booklet with a harmonica effect. Before the image shows itself, there is the word. After the word the visual matter can be read vertically. By turning the facets, present in three columns, various works can alternately be viewed side by side and put into a relation. Changing order changes this relation, while the tone of the words remains the same.

    The collection is bilingual, the images themselves have no boundaries. The poet writes in the language of the Low Countries, Dutch. This does not mean that the collection is restricted to the Dutch realm. Assuming that the poetry is only written in the way it is printed, it concerns sounds without giving meaning to the expression. This tone is like music, a language that everyone speaks. In this way, the reach of this form of art becomes almost limitless. Ankie van Dijk herselfformulates it as follows: “a visual poem demonstrating shapes liberated from perfection. A combinatoric play of forms made for playful readers”.

    Both views on reality (not fate) offer a chance of success. The poem is not a caption of the form and the form is not an illustration of the poem. Both sexes are closely related to each other as homo ludens. The words are the logo of insight, the emblem of the playing human. By doing the contained vocabulary and imagery in the book might be the result of frolicking, fiddling and fidgeting. The shapes have become the expression of the concept. Converting simplicity in plurality. The words are deliberately accurate prospects, not casually haphazard and unforeseen. Van Doveren has expressed what struck him about Van Dijk’s printed works and collages. She plays with form as he plays with language. Together the outcome is both playful as visibly pleasant.

    Ankie van Dijk expresses herself in letter-like forms, a form-rich visual language. Simple figurations with multiple expressiveness. Imaginations that remind me of the graphic forms of Hendrik Werkman. The latter, a Dutch book-printer, used lead letters to do the work in his expressionist art. In this way he managed to compose

    strong visuals. It is no coincidence that Ankie van Dijk is following his footsteps, or is it coincidence just in this case? I do not know whether she is familiar with Werkman’s work. The relationship might be a coincidence, but according to physics, this latter will not be the case.

    The powerful symbols are Ankie van Dijk’s trademark, such as the axiomatic poetry is the flag under which the ship Van Doveren sets sail. This claim has not been proven but is accepted as a basis. Van Doveren is a beta, so there is no coincidence for him. That is why he can write about it with complete certainty. The retro-avant-gardist Van Dijk comments on the environment with minimal resources. She is guided in her work by Bauhaus and Dada. I indeed recognise modern constructivism in SHAPE.

    That visual art and poetry go together is evident from this book (published independently). In every aspect it is deliberately irrational. Words and images undermine the generally accepted presentation standard. Coincidence? No. That would be the style of the Dadaist. You can approach Van Doveren’s lines as sound expressions without meaning and intention, only with a recognisable sound and accent. Van Dijk’s assemblages are visual expressions without meaning and

    purpose, only with a recognisable form and shape.

    The German Kurt Schwitters wrote this sound poem Ursonate in 1932: “… Lanke trr gll / pe pe pe pe pe / Ooka ooka ooka ooka / Lanke trr gll / Pii pi pi pi pi / Züüka züüka züüka züüka / Lanke trr gll / Rrmmp / Rrnnf ….” I recognise the same kind of typography and wit in this art-book of van Doveren and Dijk. That can not be a coincidence.

    SHAPE by Ankie van Dijk, graphics / 2023

    ankiemf@hotmail.comhttps://avandijk.exto.nl

    Harry van Doveren, word & designharryvandoveren@gmail.com

  • Harry van Doveren slaat een plank met zijn woorden

    Ik dacht de dichter in gedichten. Een Duitser Nederlands geboekstaafd. In rijmende regels toneel geschreven. Joost zal het weten. Dacht ik, toen ik de envelop die in mijn brievenbus stak – fijne post – openscheurde en er een lichtgroen boekje met blauwe figuratie uitviel. ‘vondel’ staat op de omslag in gepunte letters. Dus ik dacht. Ik kon alleen maar denken. Denken aan de mij enig bekende definitie van vondel. In onderkast stond het er en even verderop met hoofdletters: VONDEL, maar nergens als naamaanduiding. Ik had het moeten weten, dus.

    De vondel van Harry van Doveren is een bruggetje over de sloot, over het ravijn, over een leegte. Een losse plank als metafoor voor de arm waaraan een uitgestrekte hand zit om mijn emotie te raken. Zoals de wijzende vinger Gods die Adam tot wezen maakt in de wandschildering van Michelangelo, de schepping. Door dit boek tussen hem en mij te plaatsen, heeft Van Doveren een brug geslagen tussen zijn en mijn gedachten. “verstaanbaarheid begint bij een plank over een sloot” Daarmee legt hij verbinding tussen zijn gedichten en mijn gedachten. En dat vondel de achternaam is van die grootste schrijver en dichter uit de Nederlandse taal is een bijvangst, maar in dit geval onbelangrijk.

    Abstracte betekenissen

    In zijn poëzie probeert Harry van Doveren mij te vangen in zijn kooi waarvan de spijlen dromerijen en begoochelingen zijn. Ik sla het boek open en daarmee gaat de kooi dicht, ik zit gevangen achter tralies van woorden die zinnen maken en verzen vormen. Ik eet woordzaad, verteer zinnoten, voed mij met de gedichten. Het is geen gemakkelijke kost die ik krijg voorgeschoteld. Niet licht verteerbaar. Ik moet goed kauwen en later nog eens opboeren en herkauwen. Willen de dichtregels mij bezielen en verzadigen. Daarom lees ik eerst, overdenk, bepeins, een tweetal of kwartet dan wel octade aan verzen. Leg de bundel van mij af en pak het later weer op. Lees eens over en weer verder.

    De toon is niet meteen gezet bij de eerste maten. In vrije en dynamische verzen worden abstracte betekenissen beschreven. Duidelijkheden die bij de dichter in herinnering zijn. Hij schrijft ze van zich af om ze kwijt te zijn, naast zich neer te kunnen leggen. Zo, dat was en is geweest. Voorbij, klaar. De spin in zijn hersenspinsel heeft mij als prooi, wentelt me in het rag van zijn woorden. Laat me een tijdje hulpeloos bungelen aan een zijden draad tussen begrip en niet begrijpen, om daarna mijn gedachten leeg te zuigen. Want dat is wat het is, ik zal mij overgeven aan deze fantasieën die evenwel op waarheid berusten. De schijnbeelden, de illusies en verzinsels, blijken naderhand visioenen. Het fantoom, de chimaera, doemt langzaam op uit de nevel van letters en woorden, en zet zich neer in duidelijkheid. Komt de gestalte in het licht, krijgt het figuur een omlijning, dan openen mijn ogen en kijk ik in de wereld van Van Doveren, zie en doorzie zijn theorie in praktijk gebracht.

    brug

    Het is geen bundel om op het nachtkastje te leggen en voor het slapen gaan nog even wat te lezen. Om, wanneer ik de slaap niet kan vatten, de nacht maar niet wil indalen, het boek te openen en enkele verzen tot me te nemen als slaapmuts. In de hoop dat mijn oogleden zich sluiten en ik wegzak in droombeelden. Juist blijf ik klaarwakker bij de gedichten in vondel. Het zet mijn geest op scherp, want ik moet bij de les blijven om zijn gedachten – die van de dichter – bij te houden.

    Verwachtingen en doelen

    Niet alleen de werkelijkheid slaat Harry van Doveren op in zijn gedichten, ook wat achter die waarheid rondwaart schemert erin door. Hij schrijft zichzelf erdoor vanaf. Zijn eigen verwachtingen en doelen kan hij wezenlijk maken. Zijn behoeften bevredigen om niet gefrustreerd te raken. Zijn leven is er opgetekend in tabellen en overzichten, letterlijk. In de lege regels en open vakken kan ik dan mijn eigen wezen aanvullen en intekenen. De plaats ervan berekenen in procenten, de curve van het bestaan. Zo hebben wij – Harry en ik – samen iets gemeen, alleen al doordat ik zijn bundel opensla en lees. Het is zijn gedrukt gedachtengoed. Het schept een band om zijn innerlijke uitingen te beleven. Mij te begeven in zijn gedachtenwereld. Die hoeft niet te rijmen, daarmee niet een hogere lyriek aan te spreken. Als het maar past in mijn beleving, dan is het een belevenis de abstracte bedenkingen te herkennen en te onderkennen.

    brug

    Het is zijn geschiedenis die zich voor mij opent, wanneer ik serieus luister naar wat ik gelezen heb. De woorden weeg, niet om ze van me af te schuiven omdat ze te licht bevonden zijn. De woorden wegen namelijk zwaar, want beschrijven het wezen van die ander en vervliegen dus nooit in mijn vergetelheid. Ze houden de aandacht, leggen de concentratie vast. Zit ik in een gedicht, is de andere wereld – die van mijn alledag – onbereikbaar en niet langer of korter van hier en nu. Van Doveren slokt mijn blik op met zijn zienswijze op zijn eigen wezen. Het is zoals zijn uitgever schrijft, precies zo: voor wie meer verwacht van een poëziebundel dan dat je deze na eenmaal lezen volledig begrepen hebt. En nog nu ik dit schrijf is het me niet zonneklaar, maar duistert de maan het licht.

    Happen naar adem

    Van Doveren heeft creatieve gedachten die experimenteel vorm krijgen in de axiomatische gedichten. Bewijzen vind ik er niet in, maar neem de stellingen aan voor waarheid. Kennen doe ik de man niet, maar maak hem eigen door zijn woorden. Wanneer ik maar aandachtig ben, hem in de poëzie de hand wil schudden. En kom ik verder in de bundel – hem wil omarmen, een hand op de schouder, een samenzijn. Voor de duur van 100 pagina’s en daarna, wanneer ik de bundel net geschoven heb tussen andere boeken op de plank, de gedachten bij de woorden blijven, nog even worden vastgehouden omdat ik ze bewust moet overdenken. Ze dalen in, heet dat. Dalen in in mijn gedachten. Ik proef ze en ze smaken goed.

    brug

    Het boek laat zich opdelen in een zevental containers. Vakken waarin de gedichten passen, als het ware bij elkaar horen zoals onderwerpen in een hoofdstuk gerangschikt. Naarmate ik het slot nader worden de gedichten meer abstract. Verdwijnt het karakter van Vondel en wordt vondel de springplank om in de taal te springen en te verdrinken wanneer Van Doveren me geen zwemband toegooit. In eerste instantie laat hij me watertrappelen, happen naar adem wanneer ik me boven de waterspiegel weet te werken. Vooral in het krappe museum en het taalsupplement vervreemd de taal zich. En in de 7e opslag is de taal helemaal wars van het communicatiemiddel om een boodschap over te brengen. Letters lijken verdwenen, worden door mijn gedachten aangevuld. Op aanwijzingen, aan de hand van de schrijver, word ik door het woordendoolhof geleid om te eindigen in de ruimte met spiegels. Spiegels waarin ik mezelf vind. Lachspiegels waarin mijn lijf allerhande vreemde vormen aanneemt, mijn gezicht tot een grimas maakt waar vooral de buitenwereld bij grinnikt.

    brug

    In de werken van Van Doveren kan ik mezelf vinden, vandaar ook dat het me onweerlegbaar aanspreekt. Nog eens lees ik “wist Brakman van de luierwas”, en weer herken ik “museum-ontwerpfase – 1”. Zie Harry in “– beginnersfouten bij het schrijven” en vind mezelf “aangetroffen in de ladenkast voor gevorderden”. Een persoonlijke geschiedenis die door deze bundel ‘vondel’ universeel is geworden en iedereen kan aanspreken. Maar die ieder moet dan wel meegaan in het ritme van de tijger, in slecht onderhouden relaties en kunnen afsluiten met drie grijze hoekvormen die delen met A punt plus. Als een cryptische rebus van Dr.Denker waarover je langer puzzelt dan op een namiddag met een glas warme groene thee. Harry van Doveren omschrijft het leven, zijn wezen, cryptisch, duister en met verborgen woorden. Dat komt goed uit, want ik ben gek op cryptogrammen.

    vondel, axiomatische poëzie van Harry van Doveren. Uitgeverij crU, 2021.

    Harry van Doveren
  • Het wereldgemiddelde aan klanken in woorden uitgeschreven

    Het is helemaal niet zo gek om je hoofd eens helemaal leeg te maken. Niet met meditatie of mindfulness of ander hoog gegrepen zweverig hulpmiddel. Gewoon normaal woorden van je af schrijven. Alles wat maar aan woordbeeld in je opkomt. Wat je kunt bedenken, dus wat er in je hoofd zit en is opgeslagen. Want hoe langer ik leef des te meer klanken heb ik opgevangen en onbewust bewaard. Ben ik veel bereist, heb ik nogal wat van de wereld gezien, dan zijn er wezensvreemde en buitenlandse klanken binnen gekomen. Die hebben alle een plek gevonden in laatjes en kastjes, op plankjes en schapjes van mijn bovenkamer. Het hoofd zit er vol mee en soms staan de hersenen op springen, moet het eruit.

    Harry van Doveren is op zo’n punt in het leven geraakt dat zijn hoofd leeg moet. Om als dichter nog melodieus lopende poëzie te kunnen maken, hebben eerst de woorden en klanken die in de weg zitten een uitgang moeten vinden. Dat heeft geresulteerd in de bundel “Wereldgemiddelde”. Zelf zegt hij hierover: ‘Om volledig geconcentreerd te kunnen schrijven aan een roman is het nodig om de gaande dingen van de dag aan de kant te zetten. Het vuile tafeltje moet eerst opgeruimd alvorens er gewerkt kan worden. Deze bundel is het resultaat daarvan. Drijven op klank en stoppen zo gauw het denken de kop op steekt.

    Iets dat er niet is

    Voor de lezer is het geen fastfood, maar krachtvoer. Geen makkelijk verteerbare kost, want nu is mijn hoofd nog meer gevuld met woorden die mij voorheen compleet onbekend waren. Het is een (over)belastend boekje derhalve.

    Niet alleen schrijft Van Doveren bekende woorden op, ook zitten er in zijn hoofd klanken die op woorden lijken wanneer ze op papier staan. De woorden hebben geen betekenis als zodanig en zijn onbewust opgeborreld uit het bewustzijn. Ik koppel betekenis aan klank, maar die bedoeling is er niet, de schrijver heeft er geen inhoud aan gegeven. In het abstracte verhaal zoek ik zin en reden, maar ik moet het aanvaarden als non-informatie zonder meer om het te begrijpen. Zoals het in een abstract schilderij niet om de betekenis van de voorstelling gaat, maar om de kleurcompositie, de kleurklank. De vlakken en lijnen kun je bezien als vlakken en lijnen zonder er iets achter te zoeken, omdat dat iets er niet is. De manier waarop de vlakken en lijnen in de compositie staan laat mij automatisch denken over betekenis en aan voorstelling. Mijn beleving in de verbeelding. Aldus vergaat het de woorden en letters van Harry Van Doveren ook. In zijn compositie “Wereldgemiddelde” merk ik vertrouwde klanken op, woorden waarmee ik op de hoogte denk te zijn. Ik moet weten wat de betekenis achter de woorden is om er een vinger achter te krijgen, het te begrijpen. Mijn verstand zet me daartoe aan. Maar dat hoeft helemaal niet. Het is niets en daarmee alles.

    Kop noch staart

    Als mens communiceren we met elkaar door klanken over en weer te maken. Voor degene die de klanken kennen zijn het woorden en is het een taal. We hebben ons (aan)geleerd daarvan lopende zinnen en uitdrukkingen te maken en die te begrijpen. Voor ons lijkt het Chinees bijvoorbeeld een reeks onherkenbare klanken waar kop noch staart aan te vinden is. Maar een Germaanse taal klinkt ons dan weer wel bekend in de oren, terwijl het oor overzee er geen touw aan vast kan knopen.

    Harry van Doveren, Uitgeverij crU

    Zo heeft Van Doveren dus klanken opgeschreven. Met letters in woorden. Losse woorden. Een hele reeks die grafisch correct in een enkele kolom op de pagina zijn gezet. Het schijnt eerst een ondoordringbare muur, een dikke brei van woorden. Maar wanneer ik me er op concentreer en me de blik dwing orde te scheppen in de chaos, komen er bekende woorden boven drijven.

    Klanken zijn universeel

    De woorden staan op zichzelf. Zonder betekenis, zonder verleden. In het hier en nu. Ik lees en hoor de klank die zich in mijn mondholte vormt en uitstoot. Mijn verstand moet op nul, want het gaat alleen om de toon. Ik kan er geen betekenis aan hechten, hoewel dat wel is ingebakken door opvoeding en onderwijs. Het is niet gemakkelijk de verbeelding bij een woord uit te schakelen. Maar om het wereldgemiddelde te begrijpen moet dat wel. Lukt me dat, dan versta en begrijp ik voortaan elke wereldtaal. Komen die klanken me bekend voor, zonder oorsprong en verleden te kennen en het stoffelijke dan wel emotionele figuur voor ogen te hebben. Klanken zijn universeel, begrip komt in de situatie: waarom hoor ik deze klank nu en hier.

    Het heet een dichtbundel te zijn, maar de fervente lezer van poëzie zal dit boekje ver van zich afgooien en ergens achterin de boekenkast wegschuiven. Later op de rommelmarkt vind ik het terug. Al bladerend blijkt dat dit meer is dan poëzie, van een hoger goed dan het rijmende gedicht. Dat Van Doveren alleen deze bundel heeft vol geschreven om zijn hoofd leeg te maken, daarmee zou ik hem tekort doen. Want wil niet iedere schrijver dat. Schrijft de schrijver een boek uit om het hoofd schoon te maken van de gedachten. Om dit stukje te schrijven raken mijn gedachten niet uitgedacht, ik grijp naar het papier om de bedenksels neer te zetten en er later een leesbaar verhaal van te maken. Het blijft rondspoken zolang totdat de laatste punt is gezet. Van Doveren heeft achter ieder woord een punt gezet. Zo dat is eruit. Opgeschoond. Af. Weg. Verlost. Korte woorden, nauwelijks meer dan twee lettergrepen. Geen samengestelde klanken. Even een doorbreking van de stilte. Het is goed de tekst in de bundel luidop te lezen. Dan komen de klanken binnen en vormen de woorden zich. Dan blijkt dat de woorden niet zomaar zo zijn afgedrukt. Er zit wel degelijk een bedachte gedachte achter. Hardop lezend blijkt dat er ritme is, dat klanken bij elkaar passen, dat het een groot meerstemmig koor is. Dat ieder woord in deze immense compositie juist klinkt en niets uit de toon valt of vals klinkt. De kracht overrompelt. Komt als een tsunami, een vloedgolf over me heen. Ik zwem tegen de stroom in en kom strijdend boven. Het is een hele kluif, maar met een goede smaak.

    Dichtbundel “Wereldgemiddelde”, poëzie met prozaïsche narede van Harry van Doveren. Uitgeverij crU, 2020.

    Harry van Doveren, Uitgeverij crU