Monaden. Dacht ik een opzettelijke verschrijving op het kaft te lezen. Het zal nomaden zijn! De twee, Geven en Van Doveren, zonder vaste woon- of verblijfplaats in de kunst. Rondtrekkend door woorden en beelden, dwalend langs zinnen en houtblokken. Het blijkt echter geen retorische verspreking te zijn. Monade is een begrip dat door de Duitse filosoof Leibniz in het zijn is geroepen. Ik keek ernaar, zette een vraagteken. En zoals men dat doet bij de kennisquiz Twee voor Twaalf wanneer het antwoord uitblijft: “dat zoeken we op” — en de tijd loopt.
Blijft onverkort dat de dichter en de kunstenaar zwervend beelden oppikken en er andere perspectieven aan geven. Maar die monaden? Met het begrip ‘monade’ wordt geen tastbaar deeltje bedoeld, leggen de boeken mij woorden in de mond. Het is een innerlijk perspectief op de werkelijkheid. Alles wat bestaat, is opgebouwd uit zulke monaden: kleine, ondeelbare ‘kijkpunten’ die elk de wereld op hun eigen manier weerspiegelen. Ze hebben geen direct contact met elkaar en lijken toch samen te hangen in een wonderlijke orde. Wat wij als één object ervaren, is eerder een samenval van perspectieven dan een op zichzelf staand ding.
Opnieuw gestalte
De titel Monaden suggereert dus een werkelijkheid die niet uit vaste vormen bestaat, maar uit afzonderlijke, innerlijke perspectieven. In deze samenwerking tussen dichter en beeldend kunstenaar ontvouwt zich geen eenduidig beeld, maar een veelheid aan benaderingen die naast elkaar bestaan. Tekst en beeld raken elkaar niet direct, maar bewegen in een subtiele samenhang, alsof zij elk vanuit een eigen binnenwereld hetzelfde proberen te benaderen. Wat ontstaat, is geen afgerond geheel, maar een samenspel van blikken waarin betekenis zich steeds opnieuw vormt.


De monade verschijnt hier niet als abstract begrip, maar als iets dat opnieuw gestalte krijgt. In de objecten van hergebruikt hout lijkt het materiaal een tweede leven te leiden — alsof wat ooit was, zich in een andere vorm herneemt. Het materiaal herinnert zich wat het geweest is, zonder dat nog te zijn. Dat geeft de objecten iets van een stille reïncarnatie: geen herhaling, maar een verschuiving van bestaan. En de tekst, die zich haast terloops als gedicht aandient — alsof betekenis zich bij toeval ordent — laat eenzelfde beweging zien. Tussen de regels door schemert een nostalgie: een herinneren dat geen terugkeer is, maar een opnieuw beleven. Een her(be)leving waarin wat was zich anders voortzet.
Door mij verzonnen woord
Maar nu ter zake. Voor mij ligt dat boekje, in bruine omslag van 300 g/m² Kraft papier. Mij gestuurd door de poëet, met goedkeuring van de pictieet. Vergezeld van een niet mis te verstane opdracht: “De wereld hoort graag wat je ervan vindt.” Dat verlangt verwachting en schept resultaat, — of is het andersom? In elk geval kan het zwaar op mijn schouders drukken. Ik zweet peentjes en stoot mijn kop tegen een writer’s block. En toch: uit het gat in mijn hoofd vloeien woorden die recht proberen te doen aan tekst en beeld in Monaden.


Dan die pictieet. Wat is dat? Nooit van gehoord. Het is een door mij verzonnen woord, als prozaïsche tegenhanger van de poëet. De poëet — alias van de dichter — is een verouderd neologisme dat inmiddels verankerd ligt in de taal. Voor de beeldend kunstenaar ontbrak mij zo’n woord. Dus: de dichter is poëet, de kunstenaar is pictieet. Ik zie dat zo voor me. In de schemering van de studio werkt de pictieet met hout en klei, met penseel en steen. Elke vorm lijkt te ademen, alsof ze verhalen fluistert die nog niemand hoorde. Waar woorden tekortschieten, spreekt het beeld. En waar het oog slechts ziet, onthult de pictieet een innerlijke wereld. Zo wordt kunst geen object, maar een gesproken poëzie van vormen.
Taal doet afdwalen
De woorden van Harry van Doveren passen bij de beelden van Fred Geven — als het deksel op de pot, als twee handen op één buik. In de teksten, die bij toeval gedichten blijken te zijn, lees ik tussen de regels een herinneren. Alsof de dichter over zijn schouder kijkt, terug in de tijd. De tijd die hem lijkt in te halen. Maar hoe kan dat? Het zijn is hier en nu en speelt zich af in dit ogenblik. Haalt de tijd het zijn in, dan zou het wezen stilstaan en was de tijd achterop geraakt. Denkend hierover kom ik uit op een onmogelijkheid: een Penrose-driehoek, een Sisyfusarbeid.
Maar ik dwaal af. Dat is wat taal doet. Woorden roepen woorden op, betekenissen laten gedachten zwalken. Blijf bij de les, sprak de meester streng doch rechtvaardig. Want de woorden en de beelden — al deze elementen moet ik, als de Bijbelse Maria, overwegen in mijn hart. En de wereld wacht.
In het moment
Voor de bundel Monaden heeft Fred Geven bewaarkisten geopend: gymnastiektoestellen voor de zintuigen. Mijn zien fitnest door de bundel. Mijn ogen bewegen over de pagina’s, mijn blik traint betekenissen. En Harry van Doveren heeft zijn zinnen gezet op het verwoorden. Zoals in experimentele poëzie de lezing niet meteen vastligt, zo lijken de blokken los van de woorden te staan, de beelden buiten de tekst te vallen. En toch steunen ze op elkaar. Ze passen, ze dragen. Het opent de ogen en ontgrendelt de geest.


Beide makers plaatsen hun constructies in het moment: het hier en nu. Na jaren van vorming en beleven is het ogenblik van nagenieten aangebroken. Herinneringen en ervaringen laten zich tot adagium vormen. De dichter kijkt terug op een begin en een middendeel, en ziet vooruit naar een slot. De beeldend kunstenaar snijdt voorbije beelden uit hout en kleurt ze naar een actuele stemming.
Poel van verlangen
Beiden raken de ziel. Omdat ze woorden en beelden laten aarden. Ik woel met blote handen in die drek, bevuil mezelf met modder. De woorden verwaaien niet als stuifzand; de objecten laten een nabeeld achter op mijn netvlies. Het verlies van wat eens was voel ik, maar het stemt mij niet triest. Het past. Zoals vorm bij woord. Zoals tekst bij object. Harry’s hand op mijn schouder. Mijn reflectie in de Poel van Fred.
De poëet en de pictieet bekijken het zijn vanuit een persoonlijk perspectief. In het brandpunt daarvan focust mijn gevoel. “handen kunnen fouten herstellen waar teveel weten in tekortschiet” De woorden raken mij, de beelden beroeren mij. “vergeten beelden bestaan niet” Een poel van verlangen. Een landschap van spijt. De apotheose lees ik in: “ik vul mijn tijd met het schrijven van brieven over het misverstand dat ik geboren ben met een belofte” Want zijn wij niet allen zo op de wereld gezet? Met de toezegging dat het door ons beter zal worden. Iedere generatie houwt zich een eigen beeld. Want zou… had het… zal het… Maar ieder bekijkt het landschap van het leven vanuit een eigen perspectief. “toen wij nog niet bestonden sleten beekjes al hun sporen uit de heide en de droge bossen en zorgden met hun vee-zand voor groei op het esdek van de akkers” De monade van de ziel beweegt zich als nomade door de bundel.
MONADEN, bezielde elementen van de werkelijkheid. Fred Geven | beeld, tekst | Harry van Doveren. Uitgave in eigen beheer, 2026.






















