In het najaar van 2008 maakte ik voor de Friesland Post een reportage over de Fryske Passie. Met Jan Rot, Eppie Dam en Gerben van der Veen had ik gesprekken. Dit artikel dat in de editie van januari 2009 in het maandblad stond, werkte ik om naar een verhaal voor de Heerenveense Courant. Dit artikel verscheen in maar 2009 in deze wekelijkse krant.
Na tien jaar Mattheus Passion zocht Gerben van der Veen een uitdaging in de traditionele zetting van dit monumentale klassieke muziekstuk. “Het was tijd voor iets anders”, zegt de Heerenveense dirigent strijdvaardig. “Ik wilde het werk met een kleine bezetting en een barokorkest uitvoeren. Dat had ik al eerder gedaan met de Johannes Passion. Op dat moment, nu een jaar geleden, kreeg ik een e-mail van Eppie Dam met een bladzijde uit zijn Friese vertaling van de Mattheus. Het sprak me meteen aan.” De uitdaging was gevonden.
De noten van Bach staan nog op de juiste plaats en hebben niets aan intentie verloren, maar de getoonzette Bijbeltekst is meer van deze tijd. Dam gebruikte voor zijn vertaling de Nederlandse hertaling van de Duitse woorden door Jan Rot. “Begin jaren tachtig had ik al het plan om de Mattheus Passion uit het Duits in het Fries te vertalen”, vertelt Eppie Dam, “maar toen beschikte ik nog over onvoldoende taalmacht en Fries idioom. In de jaren negentig deed ik een nieuwe poging, maar intussen vond ik de Duitse tekst te zwaar en te hermetisch. Dat veel buitenkerkelijken en ongelovigen erdoor worden aangesproken komt door de fenomenale muziek van Bach. Het verhaal nemen ze dan graag voor lief.”
“Het gaat mij om de muziek!”
Vanaf het allereerste begin geloofde Dam in de versie van Jan Rot. Hij vindt dat die getuigt van een eigenzinnige maar uiterst liefdevolle visie. “De kracht van Rot’s hertaling is dat hij het verhaal niet voor lief neemt, maar het juist wil vertellen”, is Dam van mening. “Het lijdensverhaal van Jezus is weer actueel en menselijk.”
Jan RotEppie Dam
“De Mattheus is geschreven en wordt bedoeld als een passie om het evangelieverhaal te verduidelijken”, licht Jan Rot toe, die zo heeft hertaald dat de woorden toegankelijk zijn voor een breed publiek. “Meer dan tweehonderd jaar later komt dat in je eigen taal heel helder binnen. Door het slopen van de taalbarrière, en de tijdbarrière, hoor je de muziek veel duidelijker en begrijp je waarom die heftig is: omdat het boze priesters zijn. Het gaat mij om de muziek! Anders ging ik wel boeken vertalen. Juist de muziek wint veel van de oorspronkelijke kracht in mijn hertaling.”
Langdurig groeiproces
In expressie zijn meer nuances te leggen met een kleine groep. Van der Veen weet dat een groot koor allure heeft en imponerend kan zijn. “Ik was jaren gewend bepaalde intenties te leggen”, zegt Van der Veen, “maar in de nieuwe versie bijvoorbeeld, loopt de verhaallijn in de koralen door. Bij Bach zijn het losstaande reacties, overpeinzingen door het koor. Bij Rot en Dam krijgen de koralen een heel andere lading. Als dirigent moet je natuurlijk zorgen dat alle noten er zijn, maar minstens zo belangrijk is het om te bepalen welke accenten je legt en wat voor karakter je naar voren haalt. Dat is een langdurig groeiproces.”
Gerben van der Veen
Hij had ook kunnen besluiten de Rotmatteus uit te voeren, maar Van der Veen heeft moeite met het Nederlands op de noten van Bach. Die taal heeft minder poëtische waarde vindt hij, het Fries is meer krachtig, kleurrijk en beeldend. Het komt heel dicht bij de felheid van het Duits.
Zoekgeraakte evenwicht hersteld
De dirigent zoekt niet enkel de uitdaging in de memmetaal, maar ook in de kleinere bezetting van koor en orkest. Kamerkoor Capella’92 van Centrum voor de Kunsten a7 aangevuld met enkele gaststemmen, een kinderkoor en barokorkest Florilegium Musicum.
“En dan zijn er nog vijf scholieren van het Bornego College die met ons meedraaien”, vult Gerben aan. “Ze hebben muziek in hun examenpakket en krijgen bij ons de unieke kans om een monumentaal werk als de Mattheus Passion van zo dichtbij mee te maken.”
Kamerkoor Capella’92
De Fryske Matteuspassy heeft op zaterdag 28 maart 2009 de première in de Grote Kerk van Leeuwarden. Een dag later zal het Fries op de noten van Bach klinken in de RK kerk van Heerenveen.
“Veel toehoorders respecteren het verhaal, maar hebben er verder weinig mee,”vindt Eppie Dam. “Zij worden nu met het verhaal geconfronteerd. Want het mag uit betrokkenheid of ergernis zijn, de Rotmatteus dwingt tot de punt van de kerkbank. Het zoekgeraakte evenwicht tussen tekst en muziek is door Rot hersteld.” Het is een luisterpassie, vooral om de mensen wakker te schudden.
Hart en ziel gegeven
“Ik heb heel goed gekeken wat er stond”, zegt Jan Rot, “maar ook weloverwogen dingen veranderd. Er zitten een aantal saaie stukken in de Bijbel, daar voel je dat Bach alle zeilen bij moet zetten om het interessant te houden. In mijn Nederlands komt de kruisdood heftig aan. Dat is echt verschrikkelijk, het doet pijn.”
Rot was zich er voortdurend van bewust aan iets bijzonders te zitten. Geen heilig huisje, maar meer een kathedraal. Een nationaal bezit. Een grote bek en veel moed had hij daarvoor nodig, en weemoed. “Ik heb werkelijk hart en ziel gegeven. Over elk lidwoord is wel vier keer gewikt en gewogen. Maar je moet niet aan de noten van Bach komen. Er zitten wel wat lichte tonen in, zoals ik houd van grapjes op een begrafenis. Dat geeft lucht om daarna extra hard toe te slaan.” En tot slot: “De allermooiste uitvoering, voor de eeuwigheid, dat blijft gewoon de Duitse.”
Het uitzicht van Belvédère op de hedendaagse kunst
Na 16 jaar is Thom Mercuur’s droom realiteit. Op woensdag 24 november wordt Museum Belvédère aan de Oranje Nassaulaan geopend door koningin Beatrix. Het gebouw staat als landgoed afsluitend gebouw aan de rand van Oranjewoud. Het vormt de overgang tussen bos en huizen. In een gereconstrueerd parkachtig landschap houdt het museum de balans tussen oud en nieuw in evenwicht. Staatsbosbeheer heeft door een landschapsarchitect de oude lijnen van het barokke park opnieuw laten zetten. Zo is natuur en cultuur een geheel geworden en maakt deze combinatie tot een uniek project.
Dat park wordt ook op 24 november ontsloten, maar zal minder toegankelijk zijn nog als het museum. De maanden komen aan waarin de natuur in winterslaap is en dus slechts de omtrekken van het plan zichtbaar zijn. Wanneer het voorjaar aankomt en de flora ontwaakt, zal deze krant zich in het park laten gidsen door SBB om te weten te komen waarom natuur plaats moest maken voor natuur.
Wanneer de deuren van het museum open gaan is er veel werk verzet door zowel bestuur en directie, als vrijwilligers. In grote aantallen hebben zij zich de afgelopen maanden aangemeld om het museum op poten te zetten en voor nu en in de toekomst staande te houden. Zakelijk directeur Stina van der Ploeg regelt en controleert. Thom Mercuur maakt de tentoonstellingen en verzorgt de vaste collectie. Zo zal dit museum op particulier initiatief zichzelf gaande houden.
“Voor een gemeente is het een uniek gebeuren om zo ver en zo lang mee te denken in een particulier plan”, zegt wethouder Frans Bouwers. “Veel andere gemeenten hadden wellicht met meer aarzeling gereageerd, maar Heerenveen heeft als een soort makelaar alle partijen bij elkaar gekregen voor die plek in Oranjewoud.”
Zonder de steun van de gemeente Heerenveen, de provincie Fryslân en Rijks- en Europese fondsen via SNN (Samenwerkingsverband Noord-Nederland) zou het museum niet gerealiseerd zijn. Maar in de exploitatie wordt niet gesubsidieerd. De schilderijen en tekeningen die getoond worden komen voor een groot deel uit privé collecties en zijn in bruikleen aan het museum gegeven. Ook een deel van het bezit van Mercuur is aan de vaste collectie toe gevoegd. Het museum laat moderne en hedendaagse kunst zien, waarin de Friese kunstenaars de kern van de collectie vormen.
“Belvédère is een versterking en een aanvulling op museum Willem van Haren”, vindt directeur Minette Albers. “We hebben afgesproken regelmatig met elkaar te spreken over de afstemming van het tentoonstellingsbeleid.”
“Er is ruimte voor dit museum”
“Het museum draagt mijn stempel”, zegt Thom Mercuur. “Mijn opvolger zal wel uit een andere generatie komen met mogelijk andere inzichten. Wat ik doe heeft een subjectief beeld, het is mijn idee. Objectief kun je geen museum maken. Dit is een olieverf en terpentijn museum. Dat is de beperking die ik mezelf stel. Een geconcentreerde collectie. De mensen moeten de liefde voelen waarmee het is uitgezocht en met wie het heeft gemaakt.”
“Ik heb eigen ervaring en kennis van de verschillende andere facetten van het museumbedrijf”, zegt Stina van der Ploeg. “Dat is een goede aanvulling op de inhoudelijke kennis van zaken die Thom meebrengt. Het is belangrijk dat deze podia voor moderne en hedendaagse kunst er zijn in Friesland. Dat je niet voor alles naar de Randstad hoeft. Er is ruimte voor dit museum. Het heeft uitstraling. Op het hele museumbestand in Friesland is het een goede aanvulling. Er is geen museum specifiek voor moderne hedendaagse kunst. Er is wel eens een tentoonstelling met moderne kunst, maar het is niet structureel in de collectie terug te vinden.”
Geboren is Stina niet van hier, wel getogen. Ze studeerde kunstgeschiedenis en werkte bij een uitgeverij als redacteur. Daarna was ze beleidsmedewerker kunst en cultuur bij de gemeente Hengelo en in Leeuwarden. Hiervoor was zij interim-hoofd bureau collecties van het Rijksmuseum in Amsterdam.
“Nu ben ik zakelijk directeur van museum Belvédère. Het is geen kant en klare organisatie, maar van de grond af nieuw. Dat is voor iedereen spannend en voor mij een enorme uitdaging. Er is al veel werk verricht en er is aan beeldvorming gedaan. Ik zal dat beeld verder versterken en uitdragen.”
“We kunnen niet alles laten zien”
“Ik spreek met kunstenaars waar ik wat mee heb”, laat Thom weten. “Van de anderen sluit ik me af, daar kan ik niets mee. Veel kunst gaat aan mij voorbij. Ik zou me alleen bezig houden met autodidacten. Dat slaat nergens op, want wat kan het mij interesseren of iemand wel of niet op de academie heeft gezeten. Maar het toeval wil dat. Puur daarom.”
“Het wordt geen museum van het grote geweld. Er moet een innerlijke bewogenheid zijn. Het gaat om de stilte die het uitstraalt. Er moet een emotie in zitten.” Mercuur vindt niet dat zijn idee zich laat omschrijven. Het zal te zien zijn wanneer het museum open gaat. “De schilder heeft een fascinatie, die hem zijn leven lang bezig houdt. Ik vind het leuk om relaties aan te brengen. Er zullen veel mensen in het museum komen, die daaraan voorbij gaan. Maar je doet het altijd voor die enkeling. Naast de vaste collectie zijn er de wisselende tentoonstellingen, die hebben inhoudelijk altijd iets te maken met de vaste collectie. Er moet een verband inzitten, ik kan geen uitersten aan brengen tussen de tentoonstelling en de vaste collectie.”
“We kunnen niet alles laten zien”, vult Van der Ploeg aan. “De collectie van de bruikleengevers is vrij groot. De vaste collectie kan daardoor wisselen, want er is blijvend te putten uit die bruiklenen.”
Een breed bedrijf
Het zijn niet alleen Friese schilders. Dat zou niet goed zijn, daar hebben de Friezen te veel niveau voor. Ze zijn het waard om naast de andere internationale schilders, waarmee ze raakvlakken hebben, te hangen. Mercuur probeert ze op die plaats te zetten waar ze thuis horen, omdat ze beslist niet minder zijn.
“Waar Thom vooral de inhoudelijke kant doet”, zegt Van der Ploeg, “doe ik de financiële en de personele zaken, de pr en marketing. Thom zorgt voor het inhoudelijke deel van de publicaties en gezamenlijk werven we fondsen of subsidies. Er is een museumwinkel en een restaurant. De bibliotheekcollectie is door Thom samengesteld, waarvoor samen met de vrijwilligers een systeem wordt opgezet. De kunstcollectie wordt beheerd en digitaal geregistreerd. Een heel pakket voorzieningen om de collectie te kunnen ontsluiten. Het museum is een breed bedrijf. Dit is een unieke omgeving met een prachtig pand. Wanneer de stofwolken straks zijn opgetrokken en de natuur weer tot leven komt, dan staat daar een mooi gebouw wat zich zal vullen met kunstwerken.”
Een artistieke kwaliteit
Het museum heeft een enthousiast en betrokken bestuur, vindt Thom. “We weten van elkaar wat we niet kunnen. Dat is belangrijker dan te weten wat we wel kunnen. Ik hoef niet uit te leggen wat ik doe. Ze weten dat ik geen tentoonstellingen louter als publiekstrekker maak. Dat wordt een ordinaire toestand. Het gaat mij om een artistieke kwaliteit, daar moet het museum in uitblinken. Door fijnzinnigheid, door gevoel, door smaak. Dat moet het zijn.”
“Nu het steeds concreter wordt is er al veel aandacht voor het museum”, ondervindt Stina. “Op dit moment verkoopt het zichzelf. Het wordt goed gevolgd, de mensen zijn heel enthousiast. Er zijn al vragen voor bezoeken, voor rondleidingen van grotere groepen en bedrijven. We zijn bezig met arrangementen en buigen ons over cultuureducatie.”
Het museum is gemakkelijk bereikbaar. Langs de plek waar Jan Mankes woonde, terwijl even verderop Boele Bregman begraven ligt, het museum hoort hier thuis. Voor zijn gevoel laat Thom het neusje van de Friese kunst zien. Er kunnen echter maar een beperkt aantal werken van iedere schilder hangen.
“Hoeveel dat er precies zijn is een gevoelskwestie. Bij het inrichten ben ik alleen in een leeg gebouw, en heb al die kunstwerken om me heen. Dan dient zich ineens iets aan. Dat is altijd zo. Er komt altijd iets uit de hemel vallen. Daar is die hemel ook altijd voor geweest. Zelfs twee dagen voor de opening komt er nog een schilderij binnen, waarvan ik denk: tjongejonge, had ik dat maar eerder gehad!”
Vertrouwen in identiteit
In 1998 benadert Thom Mercuur het stichtingsbestuur van de uitzichttoren Belvédère. Hij wil een museum voor moderne en hedendaagse Friese kunst in Tjaarda’s Bos zetten. Dat spreekt het bestuur aan, omdat daarmee de mogelijkheid er is de combinatie toren en museum goed te exploiteren. Het plan wordt echter in 2000 door de staatssecretaris weggestemd, omdat het niet past in de ecologische structuur. Hans Wezenaar en Jaap van den Kerkhoff staan op het punt de handdoek in de ring te gooien, maar willen toch nog een keer Oranjewoud in en iedere mogelijkheid bekijken. Nog steeds zien ze iets in het plan en de gedachte die erachter zit. Het terrein achter landgoed Oranjewoud blijkt de geëigende plek.
Museumbestuur voorzitter Hans Wezenaar is van mening dat kunstliefhebbers en ondernemers best samen kunnen gaan.
“Wij houden het zakelijke, het commerciële en het haalbare in de gaten. Terwijl de kunstman het creatieve deel ziet. We hebben elkaar goed leren kennen en respect gekregen voor de visie die Thom met betrekking tot de realisatie van dit unieke museum heeft. Wij, als “cultuurbarbaren” wat de schilderkunst betreft, kenden de kunstwereld niet maar vinden die uitermate interessant. In het bedrijfsleven heb je ook lang niet van alles verstand, maar je luistert naar argumenten waarom men iets doet. De argumenten om dit museum in te richten zijn goed. Wij denken altijd in heel simpele formules, de kunstmensen hebben vaak een andere benadering. We luisteren naar elkaar en laten Thom vrij in de identiteit van het museum. Daar hebben wij alle vertrouwen in. Thom heeft een heel speciale gevoelsmatige benadering, daarmee krijgt een tentoonstelling extra inhoud. In iedere tentoonstelling zit een emotioneel element, wat het meer dan alleen maar een commerciële benadering geeft. Thom is heel belangrijk. De collega directeur Stina van der Ploeg en een grote groep vrijwilligers, mensen die zich inspannen om dat museum goed te laten werken, zijn net zo belangrijk. De totale identiteit, in onze terminologie de marketing van dit museum, is niet Thom. We maken daar gebruik van. De mensen die met deze materie bekend zijn geven daar een invulling aan die aanvullend is op de kennis van Thom. Hij is een belangrijke initiatiefnemer, hij bepaalt de creatieve kant van het geheel. Maar het museum heeft een breder platform dan één persoon.”
Uniek geheel
“Belvédère is het enige Nederlandse museum dat is gespitst op regionale kunstenaars. Die identiteit is de basis van het museum. Dat is de kern, daarnaast zijn er verbindingen met stijlverwanten. Dat is een heel sterke identiteit, die is verbonden met stilte en natuur. Dat wordt buiten in het museumpark gerealiseerd. Die combinatie maakt het uniek. Het geeft een extra dimensie. Natuurliefhebbers kunnen zich in Oranjewoud prachtig vermaken en zullen belangstelling hebben voor de kunst. Mensen die voor de kunst komen zullen het geweldig vinden buiten van het fantastische gereconstrueerde Oranjewoud te genieten. Het is nu kaal, maar daar moeten we doorheen kijken. Als het straks klaar is, het begint te groeien, komt er echt een uniek geheel naar voren. Staatsbosbeheer heeft het over 111 soorten paddestoelen, over verschillende vogels en vleermuizen. Wanneer je die mensen hoort spreken wordt je erg enthousiast. Wij hebben net zoveel moeite met het kappen van al die bomen als vele bewoners van Oranjewoud en Heerenveen. Maar wanneer je iets bijzonders in de toekomst wilt hebben, dan was deze kap en deze reconstructie noodzakelijk. Het is een prestigeproject van Staatsbosbeheer, die er bekendheid aan geeft in de communicatie. Door deze twee facetten samen te nemen wordt de uitstraling naar buiten toe in belangrijke mate bepaald.”
Voordat een museum draait moet alles bestuurlijk goed georganiseerd zijn. Het bestuur van de stichting Museum Belvédère exploiteert het museum . Onder de stichting Museum Belvédère Oranjewoud valt het onroerend goed. De stichting Vrienden van Museum Belvédère zorgt financieel voor de private ondersteuning.
“Het is een stuk cultuur in Heerenveen dat een prachtige aanvulling is op de sport en andere activiteiten. Daarom wordt de link van Sportstad naar Belvédère gelegd. Dat betekent een wederzijdse kruisbestuiving. Het museum is een levenswens van Thom. Hij zit nu in een periode dat het er op aan gaat komen. Nu is er de vertaalslag. Dat maakt hem nerveus en dat is logisch. Iedere artiest is vlak voor het opkomen nerveus. Anders werkt het niet.”
Museum en doolhof bij belvédere in Tjaarda’s Bos: een unieke drie-eenheid
“Het is mijn laatste poging. Wanneer dit project verzandt, probeer ik het niet opnieuw. Dat kan ik ook niet maken tegenover de particuliere bruikleengevers.” Thom Mercuur wil een museum voor moderne kunst in Oranjewoud. Het eerdere idee om een dergelijk museum aan de oevers van het Tjeukemeer te laten ontstaan ging roemrijk ten onder. Maar Mercuur is een doorzetter en probeert het opnieuw in het Tjaarda’s Bos aan de voet van de vorig jaar gerestaureerde uitkijktoren. Belvédère, museum voor 20ste eeuwse kunst. “Want”, zegt Mercuur, “belvédere betekent mooi zien en dat geldt niet alleen voor het uitzicht vanaf de toren, dat zal straks ook het geval zijn in het museum. Het moet een museum van de stilte worden, geheimzinnig en boordevol mystiek.”
Was de opzet aan het Tjeukemeer groots en duur, met een bouwplan van top-architect Aldo van Eyck – nu wordt het een sober en relatief goedkoop gebouw geboren uit de pen van de mindere god Eerde Schippers. Maar de inhoud blijft nog telkens kwalitatief gezien van een hoog gehalte. Is het de Nederlandse musea eigen om het nationale produkt opzij te schuiven en de internationale kunstenaar meer te roemen, Mercuur is daarentegen meer dan trots op de schilders van eigen Friese bodem. Zelfs zo trots dat de vaste collectie van Belvédère zal bestaan uit werk van onder meer Jan Mankes, Gerrit Benner, Sjoerd de Vries, Willem van Althuis, Tames Oud, Tinus van Doorn en Thijs Rinsema. Aan vriend Boele Bregman zal in het bijzonder veel aandacht worden besteed, hoogstwaarschijnlijk krijgt hij een eigen zaal toegemeten.
Werk van Friese kunstenaars
Het uitstallen van Friese kunst alleen geeft echter een te eng draagvlak. Daarom wil initiatiefnemer Mercuur de zaak breder maken door vanuit de basiscollectie lijnen te trekken naar medestanders en stijlovereenkomsten. De Friese kunstenaars hebben zich nooit verenigd in een bepaalde groep, maar zaten en zitten ook niet alleen te werken op een terp. Er zijn voldoende relaties te leggen met nationale en internationale kunstenaars, die met eenzelfde manier van werken bezig zijn en waren. De mogelijkheden om zo een boeiende collectie aan te leggen lijken onuitputtelijk. Vertrekpunt voor de exposities blijft steeds het werk van die Friese kunstenaars. De collectie zal, ondanks dat deze vast is, blijven wisselen. Er is zoveel voorradig en er kan een scala aan werk in bruikleen genomen worden, dat de tentoonstelling in september van een ander gehalte kan zijn dan deze in januari was. Zo blijft Belvédère springlevend en kan Thom Mercuur emotioneel met de kunst bezig zijn. “Het nieuwe museum voor 20ste eeuwse kunst wordt in eerste opzet een museum waar mijn stempel op drukt. Er zal werk hangen dat ik mooi vindt.”, vertelt de oud-conservator van het Coopmanshûs te Franeker en het Fries Museum te Leeuwarden, en eigenaar van het Tripgemaal Museum te Gersloot. “Ik sta open voor nieuwe stromingen, maar niet alles spreekt mij aan. Vanuit de vastgestelde museumformule kan ik bijvoorbeeld het werk van Gerrit Benner combineren met dat van leden van kunstenaarsvereniging De Ploeg en is de sociaal bewogen Boele Bregman te relateren met Bart van der Lek en Chris Beekman. Er zijn lijnen te trekken vanuit de constructieve kunst naar het socialisme. Het sociaal-realisme van De Stijl komt dan in beeld. Johan van Hel, voor mij één van de beste schilders in Nederland. Herman Kruyder, waarvan alleen werk in particuliere collecties is weggestopt en daarom nooit in een museum te zien zal zijn. Met een Picasso kan ik niets, maar een Mondriaan sluit uitstekend aan bij deze formule.”
Een persoonlijk museum
Doordat Thom Mercuur voor het Tjeukemeer-project al verscheidene particuliere bruikleengevers had benaderd, is de vaste collectie nog morgen op te halen. Zo zullen er tenminste 8 schilderijen van Jan Mankes te zien zijn, terwijl deze schilder op andere plaatsen in Friesland niet of nauwelijks vertegenwoordigd is. Geen profeet is geëerd in eigen land. Daarnaast zal Mercuur de warmte moeten vinden om werk in bruikleen te krijgen, zodat deze Mankes’ galerij nog is uit te breiden. Verder komt veel werk uit de eigen collectie van Mercuur.
Naast de permanent ten toon te stellen vaste collectie, zullen er jaarlijks 5 wisselende exposities worden georganiseerd. Over de inhoud daarvan staan nog geen vast omlijnde plannen op papier. “Een expositie als van bijvoorbeeld Jochem Hamstra of Jan Roos in Theater Romein te Leeuwarden, kan dan in dit museum worden gemaakt. Dergelijke goede jonge kunstenaars van eigen bodem, met mogelijk weer een blik terug op de vaste collectie, passen in de formule. Het zijn niet alleen de Friese kunstenaars waaraan in dit Friese museum aandacht wordt besteed. Een kunstenaar krijgt een tentoonstelling omdat hij bijzonder is, niet om zijn Friese achtergrond. Het museum had op een willekeurige andere plaats in Nederland of waar dan ook op de aardbol kunnen komen te staan. Datgene wat de streek heeft voortgebracht dient getoond te worden, voor mij is die streek Friesland. Ook een Klaas Gubbels, waarvoor ik al diverse exposities heb georganiseerd, sluit aan op deze zienswijze. Zo zal het een persoonlijk museum worden, dat mijn smaak vertegenwoordigd. Daarom wil ik het ook maar 5 jaar runnen en het dan aan een ander overlaten. Ik ben een voorstander van het werken in termijnen, anders raak je te veel verbonden met de zaak. Directeur word ik niet van het nieuwe museum, er is een stichting in het leven geroepen. Ik wil wel veel doen, maar ik kan onmogelijk alles tillen.”
Een gepotdekselde laarzendoos
Belvédère, museum voor 20ste eeuwse kunst, wordt in een schets van architect Eerde Schippers een 65 meter lang eenvoudig ogend gebouw. Met een breedte van 12,5 meter en de in verhouding geringe hoogte heeft het geheel het aanzien van een laarzendoos. Het bouwsel komt in de lengterichting van het strook bos te staan met de voorzijde gericht naar de Bieruma Oostingweg. Pal voor de entree komt op een bed van grind een kunstwerk van Ids Willemsma te staan. De lange wanden zonder ramen van het museum worden aan de buitenzijde gepotdekseld, de horizontaal aan te brengen planken worden dakpansgewijs over elkaar gezet. Het bouwwerk krijgt daardoor de sfeer van een oude boerenschuur. De planken krijgen het intense rood als van de eerste cementsteenhuizen op landgoed de Eese, de kleur die past in het complementaire groen van het bos. Het museum zal een unieke drieëenheid vormen met de uitkijktoren en het doolhof. Want deze verloren gewaande speeltuinattractie zal in een iets gewijzigde vorm in het Tjaarda’s Bos worden herplant. Op de oorspronkelijke plaats, bij Hotel Tjaarda en nu verworden tot een kaalgeschoren voetbalveld, waren de afmetingen hoegenaamd vierkant. Bij de Belvédère zullen de paden in de hof meer langgerekt zijn, maar vastgehouden wordt wel zoveel mogelijk aan de bestaande tekening en plattegrond. In het midden komt als vanouds een gebouwtje met lachspiegels. Verder wordt het geheel gecompleteerd met de bestaande ponybaan en het theehuis “Oebele”. Het oude wandelpad vanaf de Marijke Muoiwei zal in ere worden hersteld. Zo is het Tjaarda’s Bos in de toekomst aantrekkelijk voor het hele gezin. Vader en moeder gaan het museum in, kijken naar kunst en drinken wat. De kinderen kunnen de toren beklimmen, zich een weg uit de doolhof zoeken en een ritje op de pony maken. Bij het theehuis is er voor iedereen een versnapering. Althans wanneer de grootse plannen tot uitvoering gebracht kunnen worden. Aan Thom Mercuur zal dat niet liggen. “Ik vond de situering aan het Tjeukemeer destijds zeer goed voor een museum voor moderne kunst en ben van mening dat dat in de bossen van Oranjewoud weer het geval is. Het museum alleen is echter te elitair en heeft geen overlevingskans, het moet hier in dit bos en dan in samenspraak met de andere attracties. Het enige voorbeeld in de lande van een dergelijke opzet is het Kröller-Möller museum op de Hoge Veluwe.”
Culturele verrijking
De iets naar binnen geschoven glazen gevel herbergt een ruime entree met informatiebalie en boeken- en reproduktieverkoop. De permanente collectie wordt getoond in het voorste gedeelte van het museum, dan volgt een flexibel in te delen ruimte voor de wisselende exposities. Achter de diverse expositiezalen bevindt zich een multifunctionele ruimte met een buffet of klein restaurant. In deze ruimte kunnen milieuorganisaties tentoonstellingen inrichten onder auspiciën van Mercuur. In het reataurant of op het terras kan de bezoeker zich te goed doen aan milieuvriendelijke produkten.
De stichting Belvédère, verantwoordelijk voor de restauratie van de betonnen uitkijktoren, staat vierkant achter de plannen van Mercuur. En ook mevrouw Gerda Graafsma, eigenaresse van het Tjaarda’s Bos, wil alle medewerking verlenen aan dit project. Stichtingsvoorzitter Hans Wezenaar hierover: “Al tijdens het plannen en uitwerken van de restauratie hadden wij het idee dat er meer dan alleen die belvédère in dat bos moest zijn. Onze gedachten gingen toen al uit naar zoiets als een museum of een beeldenroute. Besloten is om ieder individueel initiatief daartoe te ondersteunen.” Het museum is er echter nog niet, want eerst moeten er nog de nodige vergunningen van de gemeente Heerenveen komen. De plek heeft geen bestemming als bouwterrein, dus er dient een bijzondere toestemming voor te komen. Daarna moet het project met behulp van sponsors financieel rond gemaakt worden. De stichtingskosten zijn begroot op ruim anderhalf miljoen gulden. In Belvédère kunnen 3 mensen werken op vrijwillige basis. Men rekent op een jaarlijks bezoekersaantal van 25.000 mensen. Volgens Wezenaar is dit voor Heerenveen een unieke kans om ook haar culturele kant op te vijzelen. “Voor de hele provincie zal het een bijzondere culturele verrijking betekenen. Ik hoop daarom dat dit project gerealiseerd zal kunnen worden.”