Tag: Johan van der Dong

  • De cirkel is rond door wat is wat blijft

    Het is een troostrijke gedachte: wat is dat blijft. Maar, is dat zo. Dat blijft wat is en dat is wat blijft. Ik ga daarvoor op onderzoek uit in de tentoonstelling nu bij Galerie MUGA. Want daar wordt werk gepresenteerd onder die bemoedigende titel: wat is dat blijft. En het is zo. Want wat ooit op aarde is ontstaan is eeuwig tot de jongste dag. De bijbelse dag waarop de wereld vergaat en er een nieuwe voor in de plaats komt. Zo gaat het verhaal. Tot die tijd moeten we het doen met wat er is, want dat blijft. Er komt niets meer bij en er gaat niets meer af. De lucht die ik inadem is al eens door anderen voor mij ingeademd. Misschien die neanderthaler of deze hunebedbouwer, of door Rembrandt die in Friesland was om er te trouwen, of Mata Hari geboren in Leeuwarden. Al wat er is blijft.

    Water maakt een oneindige cyclus van bevriezing, verdamping, dooi en regen. Maar altijd met hetzelfde volume. De natuur sterft af in de herfst en verrot in de winter, in de lente komt nieuw leven dat bloeit in de zomer – de cirkel is rond. Schijnbaar nieuw ontstaat uit afbraak en dood. Om te sterven moet je leven. Maar alles wat was is gebleven. Alles wat blijft was er al. Blijft niet in de vorm die er was. Het zijn verontreinigd, wordt morsig en goor. Het wezen dat nieuw was wordt oud en versleten, bezoedeld. Wat blijft kan niet in de schaduw staan van wat was. Het blijft weggesmeten, afgesneden van wat was. De hoedanigheid, het voorkomen van de aarde, eens geschapen met goede voornemens, is bevuild door de hoofdbewoners die geen beste rentmeesters bleken.

    In onbruik geraakt voorwerp

    Wat is dat blijft. Ik ben maar resteer niet. Ashes to ashes, dust to dust. Woorden zeggen minder dan beelden spreken. Dus de kunstenaar bijvoorbeeld kan bewijs leveren voor wat is dat blijft. Ik bemerk het in Museum Heerenveen, galerie MUGA. Kijk maar. Voordat hout vermolmt pakt Johan van de Dong het op en verheft het tot een kunstzinnig object. Hij laat de natuur niet het werk doen, laat de vorm niet vergaan maar schept nieuw leven. Blaast de adem in de gestalte en laat een ander figuur ontstaan met een tegengestelde betekenis. Een tak kan al een bestaand herkenbaar uiterlijk in zich hebben. Soms moet afvalhout gevormd of beter vervormd worden tot een andere gedaante. Een figuratie die het voordien niet had.

    In onbruik geraakt voorwerp. Uitgezaagd, doorgezaagd, afgezaagd. Als overschot afgedaan, weggedaan, ontdaan van belang. Juist dat afval kan in handen van de kunstenaar tot betekenis worden. Voor hem heeft het aanzien en is bruikbaar. Precies dat nietswaardig weggesmeten voorwerp geeft hem inspiratie om het te loven en te prijzen, te roemen en te lauweren tot kunstwerk. En niet alleen dat wat volgens de mens afval is, maar ook dat wat de natuur laat afvallen. Art trouvé, junkyart, readymade. De storm die bomen verminkt, de wind die losse takken afbreekt. Die delen uit een groter geheel krijgen als waardeloos brokstuk een nieuwe waarde.

    Tijd en vergankelijkheid

    Gerukt van het leven laat de kunstenaar het reïncarneren tot een uniciteit in de kunst. Het mag er zijn, het is er, het was en blijft. Eerst achteloos verwijderd en nu apart genomen en belangrijk gemaakt – zal de mens dat ook niet willen. Dat men individu is in de massa, ongezien, maar door op een voetstuk geplaatst gezien te worden. Deze objecten van Van der Dong zijn mijns inziens ieder voor zich een zelfportret. Niet zichtbaar, maar voelbaar. In het afgebroken hout zit zijn ziel, dit zijn allemaal Johans die ik zie. In ieder object met een andere stemming, verschillend humeur, eigen zienswijze.

    Op haar beurt portretteert Maaike Nijlunsing tijd en vergankelijkheid in schilderijen. De interieurs van verlaten gebouwen waarin zij de tijd vastlegt maken indruk. Voordien waren deze vol bedrijvigheid, maar nu als zodanig afgeschreven, verwaarloost, aan het lot overgelaten. Dat lot is de tijd die met het aanzien aan de haal gaat en er sporen doortrekt. Sporen van vergankelijkheid, verval, was dat blijft. Nijlunsing toont de voetstap van de tijd. Zoals plaatjesmakers doen middels urban exploring. Fotografen die op urbex locaties het verval vastleggen. Wat achter gesloten deuren en geketende hekken is verborgen. De schoonheid van verval. Overhaast verlaten gebouwen soms met alle huisraad nog erin, onder het stof en de spinrag van de tijd. Wat dat betreft is het binnenwerk dat deze kunstenaar afbeeld na verlating bezemschoon opgeleverd. De spinrag heeft de ragebol gevoeld, de tijd heeft de wonden geheeld. De menselijke drukte is verstomt en een waas van stilte omhult het beeld, maar wat is dat blijft. Daar doet zelfs de tijd niet aan af.

    In beelden een verhaal verteld

    Het gescheurde behang legt een andere dimensie bloot, de kille architectuur is ontbloot van opsmuk. Door de ramen is de speelse natuur te zien. De kunstenaar brengt nieuw leven in wat voor dood is achter gelaten, verlaten. Het perspectief is dramatisch, zo eindigt maakwerk. Het voorland van wat is wanneer het in onbruik raakt. Maar juist deze verwaarloosde en tot ruïnes verworden plekken ontvouwen een onwezenlijke schoonheid. De tijd heeft er vat op, speelt er een spel mee. Met Nijlunsing kijk ik naar binnen, zodat ik de oorzaak en het gevolg van deze situatie mij door haar geschetst kan doorgronden. In dit interieur en overdrachtelijk bij mezelf. De kunst van Maaike Nijlunsing zet aan tot contemplatie, zelfreflectie. Het zijn niet zomaar lukraak portretten van de tijd, ik kan mijzelf zien in de gelaagde beelden, mijn geschiedenis – het fatum op het terrein over de grens van wat is dat blijft.

    Zo vertellen beide kunstenaars in beelden een verhaal van tijd en vergankelijkheid. Ieder met een eigen visie en ander materiaal, vanuit een persoonlijk standpunt, een individuele kijk. Maar met eenzelfde antwoord op de vraag wat de tijd doet met de gelegenheid. Op het blad bij de tentoonstelling lees ik “Waar Johan van der Dong direct met natuurlijke materialen werkt, bouwt Maaike Nijlunsing haar werk op vanuit waarneming en verbeelding.” Maar eigenlijk doen de beide kunstenaars hetzelfde. Van der Dong neemt de natuur waar, wordt er door geïnspireerd om met zijn verbeelding iets nieuws te maken uit wat oud en vervallen is. Terwijl Nijlunsing bezield raakt van materiaal dat de mens heeft verlaten en daarom in bezit is genomen door de natuur, als een ander zicht op de ecokathedraal-filosofie. Verval is aanwezig in de natuur en in door de mens gecreëerde structuren, puur ik nog uit het vlugschrift. Maar wat is dat blijft.

    Wat is dat blijft. Tentoonstelling werken van Johan van der Dong en Maaike Nijlunsing bij Museum Galerie Heerenveen (galerie MUGA), Minckelersstraat 11 in Heerenveen. Van 12 januari tot en met 23 februari 2025.

  • Kunstenaar Johan van der Dong spreekt zich in woord en beeld uit over zijn Groningen

    De provincie Groningen wordt door Johan van der Dong lyrisch beschreven. Logisch, de kunstenaar/dichter is er geboren en getogen. Opvallend is dat hij dat doet in de verleden tijd. Als is stad en land verdwenen, opgegaan in de geschiedenis. Het is de bodem waaruit hij getrokken is, de aarde van zijn ontstaan, de basis van zijn leven, het fundament van zijn wezen. Hij beschrijft zijn herinneringen aan dat land waar zijn wortels liggen. Of lagen. Want er is veel veranderd sinds het jaar dat hij voor het eerst vaste kleigrond onder de voeten kreeg. Enkel het voorwoord op zijn uitgave “Kleimonologen” beleeft hij actueel. Beziet hij de provincie, de bodem om te staan, op te leven en van te leven. Van der Dong is Groninger in hart en nieren. Grönnen stroomt warm door zijn aderen. Voor hem is er niets boven Groningen. En hij wil dat wel van de daken schreeuwen. Maar noteert het beheerst in een klein formaat boek.

    Klein gebonden boekwerk

    De Groninger zou nuchter zijn, zich nergens op voorstaan. Dus Johan van der Dong doet dat ook niet. Hij heeft geen dik boek nodig met goud op snee om zijn verhaal in te vertellen. Zijn verhaal heeft weinig woorden, maar genoeg om diep te gaan. Om onder de huid van de provincie te kruipen. Hij heeft daarom voldoende aan een klein gebonden boekwerk, dat makkelijk mee kan in de binnenzak van een colbert of de kontzak van een spijkerbroek, of de handtas van een deftige dame. Een dergelijk formaat zal snel in de boekhandel of bij de bibliotheek over het hoofd worden gezien. Maar het zegt wel waar het op staat. In poëtisch proza. Duidelijke taal. Nuchter. “Doar woont de dege degelkhaaid, de wille, vast as stoal, / Doar vuilt t haart, wat tonge sprekt, in richt- en slichte toal.

    Pas aan het eind van de vertelling, in het slot van de herinnering, spreekt Van der Dong in de tegenwoordige tijd. “Die grond, die klei zij vertelt het verhaal / van een ieder die daar geboren is / Van een ieder graf daar gelegen / een mens van zijn tijd, gescheurd gezet”. Hij neemt de woorden in de mond, die de ommelanden zelf alleen mimisch kunnen zeggen, deze kan met weidse gebaren spreken. De provincie houdt wijselijk de mond over het eigen zijn. De grond is stil. Alleen door de scheuren in de klei, de ruimtelijke tekening en de toren aan de horizon, de skyline van de stad, spreekt Groningen duidelijke taal. De grote gebaren trekken lijnen door het land. Daarvan maakt Johan van der Dong in zijn “Kleimonologen” melding.

    Meest mooie stukje aarde

    Uit de klei getrokken toen ooit, bezingt hij lovend en erend zijn geboortegrond, nog net niet met klinkend koper en schallende cimbalen. Wil een ieder die zijn woorden leest met de neus op de feiten drukken. Want het gaat niet goed met Groningen, zoals het in de rest van de wereld tevens steeds slechter gaat. Is deze provincie het meest mooie stukje aarde, steekt het met kop en schouders boven de rest uit, er is gezien de rest van de landen niets nieuws onder de zon en aan de horizon.

    Van der Dong spreekt over Groningen als over een geliefde. Alles is schoon en mooi aan haar. Hij groeit er onbevangen op maar ziet wel de smeerpijpende veranderingen, die de sierlijke opmaak tot een stinkende parfum maken. De lezer loopt lyrisch door zijn jeugd en poëtisch over de vooruitgang. De dichter pakt mij bij de hand en opent mijn blik voor stad en ommelanden. In helder omfloerste bewoordingen laat hij mij anders kijken. Door zijn beschouwing doorzie ik de gebieden, de gewesten, stad en platteland. Mijn oog zet zich vast op de beeldende woorden: “De wereld werd groter, groter en / groter, het kon nooit op / Consuminderen werd in mijn jeugd het / groeien tegen de daken op / Het gif stroomde rijkelijk over de velden / van het klei tot aan ’t Zand”.

    Achter de werkelijkheid kijken

    Maar het speelt zoals gezegd allemaal in de verleden tijd. Onvoltooid, want ook nu nog blijft de vervuiling van de horizon doorgaan. Scheurt de bodem, trilt de aarde. Het zal ons wakker moeten schudden, letterlijk. “En toch luisteren we niet, naar hen die daar wonen, die horen wat de aarde zegt.” Maar lezend in de verlegen uitgave gaan mij de ogen open. Vooral ook door de schilderijen die ter illustratie zijn bijgevoegd. Daarin zie ik geen verre einders en graslanden onder die einder. Geen hoge wolkenluchten en nergens een terpdorp aan de horizon, of nee een wierdedorp op de kim – Groningers zijn tenslotte geen Friezen. De landschappelijke voorstellingen zijn een abstracte uitdrukking van de werkelijkheid. Niet zoals ik de omgeving daar live zal aantreffen, het is het landschap wanneer ik de ogen sluit en alleen nog kan ruiken, proeven en luisteren naar wat de provincie mij geeft.

    Van der Dong laat mij achter de werkelijkheid kijken en het karakter van Groningen zien. Ik krijg daarbij het idee van de eerste scheppingsdagen waarin de aarde nog woest en ledig is, de duisternis op de vloed ligt. Hier in deze woestenij zweeft Johan’s geest over de wateren, als het ware is Van der Dong de schepper van zijn eigen bodem met verf op doek. In brede handgebaren en kleurige penseelvoering vertaalt hij zijn idee van het Groninger land, het wad daarboven. Meer dan deze platen heb ik eigenlijk niet nodig. In verf wordt de provincie getekend. Maar de woorden zetten de beelden toch wel kracht bij. Zijn het onderschrift, de uitleg. Terwijl het meestal andersom is en de illustratie de tekst beeldend verwoordt. In het geval van de kleimonologen is het een twee-eenheid. Het een kan niet zonder het ander. Voortgekomen uit een enkel persoon, die kunstenaar en dichter is. Beeldend in diverse disciplines.

    En het zijn niet alleen zijn herinneringen die boven komen drijven, zich losmaken van de brakke grond. Ook de cultuurhistorie waarmee de provincie rijk begiftigd is krijgt een plek in de monologen. Begiftigd, dat klinkt negatief terwijl het land zich gelukkig mag prijzen met zo’n rijke historie. Het land grenzend aan de zee. Der’t de dyk it lân omklammet, zeggen de buren. Want er is altijd strijd en kinnesinne. Fryslân boppe en Der gait niks boovn Grunn. De provincies strijden om de eerste plek. Maar daar gaat het Van der Dong niet om. Hij is overtuigt van zijn schitterende landschap en beschrijft dat als de schilder die hij is in woord en beeld. Probeert de glans ervan voor later vast te leggen. Dicht over wat er was, wat we hadden en altijd nog kunnen hebben. De “Kleimonologen” zijn naast een ode aan tevens een protestlied op het cultuurlandschap van Groningen. “Met een oude fabriekspijp aan het eind / Dat land zit vol scheuren, in grond, muur en dijk / De bodem in haar rijkdom leeggelaten / probeert een nieuwe eeuwigheid / In dat land ben ik geboren / leerde ik praten, lezen en schrijven”.

    Kleimonologen. Johan van der Dong. Gedichten en schilderijen. Uitgeverij Nobelman, 2023.