Tag: Joris Miedema

  • De eindscène van een eeuwigheidsvinding

    Met het hart op de tong, een brok in mijn keel en een vreemd gevoel in de onderbuik leg ik de laatste dichtbundel in de poëtische trilogie van Joris Miedema voor mij op tafel. Met trillende handen, bezweet voorhoofd en knikkende knieën open ik het boekje en sla schoorvoetend de eerste bladzij om. Een zucht van verlichting, slechts nog een titelblad. Niets confronteert mijn blik, nog. Hoewel de omslag van het boekje mij al de koude rillingen gaf, een meesterlijk mysterieuze tekening van de Gebroeders Miedema zetten mij het kippenvel op de lamme leden.

    Die andere Miedema, Joris, is in het drieluik dat dit jaar verscheen bij Uitgeverij Opwenteling op zoek naar het eeuwige, het oneindige, de never lasting story. In de vorige twee bundels naderde hij de grens van leven en doorleven, maar stak deze niet over. Zijn pas lag nog thuis, de verblijfsvergunning niet verlopen. De eeuwigheid was op een steenworp afstand, binnen handbereik en hemelsbreed overzichtelijk. Voor mij een tantaluskwelling, want dacht ik het te vinden in de woorden tussen de regels door ontglipte het me als een paling in een emmer snot. Zal Joris Miedema het in dit derde werkstuk hebben gevonden?

    Intermezzo doorwrocht met sprookjesachtige figuren

    Het eerste hoofdstuk in dit derde boek gaat over dood en doodgaan, over leven en overleven. De overgang van leven naar het grote niets. In het reine komen met jezelf, de ander. Een zicht op wat hierna kan zijn of is. Rekende Miedema eerder al af met de dood van naasten als zijn vader, nu schijnt hij daar weer niet mee klaar te zijn. Het is ook niet eenvoudig mensen in de eeuwigheid te laten waarnaar jijzelf opzoek bent. “er was een bank in de hemel / waar je een voorschot kon nemen / op iemand die je gemist had / ik wilde mijn opa opnemen / van moederskant / niet in delen / graag geheel”.

    image

    Dat volgende hoofdstuk is dan een intermezzo doorwrocht met sprookjesachtige figuren. Even vasthouden daarmee aan de dromen van hier. Voordat de dagdroom een nachtmerrie wordt. En de nachtmerrie een zoete droom als een hinde aan frisse waterstromen blijkt. Even wentelen in de zoete smaak van wat je hebt, voordat de zure geur van morgen je de neus binnenkomt. Morgen wanneer alles voorbij is, over en uit. Als een telegraaf probeer je het onheil af te wenden, maar het sein staat op rood en de trein is een gehaktmolen.

    Miedema echter denkt geen einde te maken aan hier, maar een trilogie af te ronden. Schoon schip te maken zoals de uitgever mij in een begeleidende brief bij het recensie-exemplaar voorhoudt. Miedema heeft dit jaar een grote opruiming gehouden, liefst drie bundels op rij zijn verschenen. Maar hij heeft niet de schepen achter zich verbrandt. Hij hield de obool voor veerman Charon verborgen en stak dus niet de Styx over. Maar keek wel met Argusogen verder dan zijn neus lang is om in het hiernumaals een blik te kunnen werpen in de onderwereld. Hij wil zich nog niet laten klaren door zijn geliefden. De sloppenwijk is slechts een uitvlucht om het eeuwige leven een stap voor te zijn. In de eerdere bundels is hij ook al op zoek gegaan. In dit derde en laatste deel schrijft hij er een open eind aan. Ik blijf met vragen zitten, maar misschien volgt er een tweede seizoen. Is het gedicht “trekzin” de cliffhanger om mij in spanning te laten over wat nog gebeuren kan met dat dode lijf. Kan het zich oprichten in een nieuwe dimensie. Zich doen opleven in het hiernamaals.

    Nauwelijks nog sprake van een dimensie

    Zweefde Miedema in de twee eerdere delen van deze trilogie nog weleens weg van de werkelijkheid. In de ‘Sloppenwijk van het hiernamaals’ staat hij met beide benen op de grond. Windt er geen doekjes om. Is meer duidelijk en minder zweverig. De vierde dimensie van de eeuwigheid is hier en nu in de derde dimensie. Of plat gezegd is er nauwelijks nog sprake van een dimensie. De vorige bundels dienen als ondergrond, als opstap om tot hier te komen. De sloppenwijk is de apotheose, de afronding. Ik kan teruggrijpen op eerder gedane  uitspraken. Was mijn verwachtingspatroon goed? Is de dichter daar gekomen waarvan hij had beloofd er te zullen zijn. Miedema heeft de eeuwigheid ontdekt, niet gevonden. Houdt het achter zijn rug verborgen om niet alle kruit te verschieten. Houdt mij aan het lijntje omdat ik het fijne van de uitslag wil weten. Hij houdt me nog bij de les, zodat ik lees en weer lees om te ontdekken wat hij niet heeft gevonden.

    image

    Joris Miedema ontrafelt het levensraadsel, krijgt een vinger achter mijn bestaan. Hij stoeit met het leven in ravottende woorden. Probeert over de rand te kijken in de leegte van een zekere dood. Is er meer tussen hemel en aarde. Of is dit het, slechts, het aardse bestaan en niet meer. Is het uit dan is het af en klaar. Eens geweest, nooit teruggezien. Miedema wendt niet de dood af, maar leert er mee te leven. “er zijn dagen die je / willens en wetens / van je gezicht af blijft scheuren / als een kalender / die in de rui is”. Door de onzekerheid van zich af te schrijven is het leven voorspelbaar. Is er leven na de dood. Op schrift weliswaar en als gedachte in de grote cloud, maar levend zul je oneindig zijn in de geest van de wereld.

    Schreef ik niet over de eerste bundel dat het eeuwige leven boven de waarheid zoals wij die kennen en ervaren zweeft? Dat Miedema geen abstracte poëzie bezigt maar zinnen tot surrealistische regels omvormt. En zijn eigen draconische denkwijze te kijk zet om vrees om te buigen naar een laconiek inzicht. Een hertaling derhalve van mijn angst voor de dood. Een handboek om het absurde van het zijn te doorgronden, handzaam te maken, de leiding te nemen.

    De algen hielden een voet tussen de deur

    Maar nog kijk ik niet samen met Joris over de rand, de diepte van de omgezwaaide betekenissen in. Petrus zie ik nog niet wuiven aan de poort. Er werd eerst nog een tweede luik open gedaan. Achter die deur zocht ik onder elk geschreven en gedrukt woord een puzzelstuk eeuwigheid. Legde eerst de randen uit om daarna het luchtige midden in elkaar te laten vallen. De algen uit die andere dimensie volgen de vlucht van de levenloze libellen, bevolken de sloppenwijk van het hiernamaals. Miedema peurt het DNA van een eeuwig leven vanonder zijn nagels vandaan wroetend in de besmeurde aarde van het woord. Zijn poëzie krijgt onderdak in een bij elkaar geraapt en provisorisch opgezette tent als de plastic tas van een supermarkt. Natuurlijk wel.

    image

    Niet toen al vond hij de eeuwigheid. Zette de libellen op het gedachte juiste spoor. In een zwerm vluchtten de insecten in eenzelfde richting, levenloos voor zich uit starend. In de verte gloorde het eeuwige leven, maar was eindeloos onbereikbaar, nog. De algen hielden een voet tussen de deur, het einde mocht geen slot worden. In de derde bundel denk ik een ontknoping te vinden, een majestueus slotakkoord. Dat is de verwachting. Maar de euforie blijft uit. Miedema heeft alleen een zolderopruiming gehouden, een garageverkoop laten gebeuren. De eeuwigheid ligt ergens tussen de tweedehands spullen. Want de eeuwigheid is recyclebaar, altijd opnieuw te gebruiken. Maar zelden zomaar voorhanden liggend. Het kan in een gesloten doosje of in een gebutst potje zitten, op de bodem plakken van een borrelglas of in de lade waar de sleutel kwijt van is.

    De dichter jaagt de duisternis na om het licht lek te schieten. En ik, ik verdiep me in zijn geschriften om het onvermijdelijke iets op te rekken. Want denken te leven in een ruimte boven de werkelijkheid is een creatieve geest nodig. Dat waren mijn beroemde laatste woorden in afwachting van de ontdekking van het bovenaardse. De vondst in der eeuwigheid. Het blijft echter een oneindige zoektocht. Het verhaal kan ruimschoots doorverteld in meerdere trilogieën. Zal Miedema ooit het antwoord op mijn vraag vinden. Kun je leven met het geluk van de eeuwigheid. Is het bestaan bestaanbaar met de wetenschap te blijven leven. Of niet te blijven leven maar wel eeuwig te zijn ergens waar de tijd stil staat

    Sloppenwijk van het hiernamaals. Joris Miedema, gedichten. Uitgeverij Opwenteling, 2023.

  • Op zoek naar de eeuwigheid, een tweede poging

    Het is of ik verstofte Dali verfschappen bewandel. Alsof ik biomorfische beelden van Joan Miró betast. Dat komt omdat de spontaan poëtische droomwereld van Joris Miedema zich vormt door technische objecten los te weken van de oorspronkelijke functie om ze in een organische figurenruimte te integreren. Zo zoals die surrealistische objecten zich manifesteren staan Miedema’s vrije verzen mij voor ogen. Zo verschijnen de woordelijke figuren uit de nevels van de tijd als zijn het op de eeuwigheid voorbereide uitdrukkingen. Zo kan mijn aardse bestaan tussen krakende planken eindigen. Maar zoek voordat het zover is achter elk geschreven en gedrukt woord een puzzelstuk eeuwigheid, hoewel ik de lidwoorden in deze meer links dan rechts laat liggen.

    Algen uit een andere dimensie” is het tweede deel van het 2023 drieluik van Miedema. In dit triptiek staat geen deel in hiërarchie van beschouwing boven of onder, voor of achter de ander. En dicht geslagen geeft het een nieuw nog niet beschreven verhaal. Maar dat is koffiedik kijken, de toekomst voorspellen die voor Miedema tevens nog ongewis is. Langs welk pad zal de zoektocht naar het eeuwige leven hem leiden. Welke obstakels liggen nog op zijn weg om de doordringbaarheid van de maatschappij te testen. Levenloze libellen, het eerste deel van dit altaarstuk, vlogen al voor hem uit. En nu plet hij algen uit een tegengestelde ruimte. Wat zal er aan geleedpotigen, wieren, schimmels en mossen nog op hem af komen. Want zijn deze niet de oudste organismen op aarde en bezitten dus het DNA van een eeuwig leven waarnaar Miedema op zoek is. Behalve dan die insecten, spinnen en duizendpoten; deze zijn overwegend alleen maar een last en lastig.

    image

    Totaal abstract niet en herkenbaar wel

    Natuurlijk probeer ik aanknopingspunten te vinden. Punten die een verhaallijn doen vermoeden. Waar de libellen afsloten zonder voleinding. En waar de algen de draad weer oppakken. Het scharnier tussen het eerste en het tweede luik past kierend in de sponning. Ergens zal het tweede op het eerste deel aansluiten. Want het heet niet zomaar een drieluik te zijn. En wanneer er aansluiting is zal ik teruggrijpen op en in mijn recensie over de eerste bundel. Dat ik daarin ook al de eeuwigheid van en in Miedema’s geest zocht. En nu ook weer deze niet te definiëren schat zoek. Maar nog niet heb gevonden. Miedema is er ook nog aan bezig. Niet nu al vindt hij die eeuwigheid en houdt het einde open. Geeft niet het slot prijs. Want er gaat nog een laatste deel volgen na deze. Niet al zijn kruid wordt verschoten in deel twee. Hoewel hij mijn idee al wel op de korrel neemt en met scherp op mijn visie schiet.

    Joris Miedema zou in een hyperrealistische stijl schrijven. Hij isoleert wel een fragment uit de werkelijkheid, maar schept geen levensecht beeld daarvan. Wel zeker ontdek ik expressie en emotie in de verdichtingen van wat ik als echt ervaar. Miedema trekt onderwerpen uit de werkelijke realiteit en laat ze daarboven zweven. Hij schrijft in mijn optiek in een surrealistische stijl. De beschreven beelden zijn samengesteld in onverwachte, verrassende en schokkende combinaties. Totaal abstract niet en herkenbaar wel, maar daarbij veraf staand van de mij bekende werkelijkheid. De alledaagse realiteit krijgt uit deze poëtische pen een draai naar links of een bocht naar rechts maar gaat zeker niet recht op het doel af. Vaker moet ik terug treden op het meest onbegaanbare pad om de duiding onder de knie te krijgen. De gedichten gaan wel over hemzelf, over zijn persoon, althans lijken de levensloop van de meester aan te doen. Door de gekte, de krankzinnige rotatie van de realiteit tot abstracte werkelijkheid, schemert het origineel van een gegeven tastbaarheid.

    image

    Als een paling in een emmer snot

    Miedema verdraait zijn inzicht gaandeweg het vers. Slaat met mij een andere richting in dan ik bij aanvang heb verwacht. Zo bezien kijk ik niet over mijn schouder de vergetelheid in, maar zie ik recht in de gebroken ogen van de voorbije tijd. Ik wend en keer met de woorden van Miedema. Spin en tol om de eeuwigheid niet te verliezen. Maar het is al ijdelheid.

    Net als het vorige deel is ook dit deel gefragmenteerd in drie delen. Een tweede triptiek in een drieluik. Miedema klieft zijn emotie, splijt zijn gevoel. Want dat eerste luik hier is die autobiografische duiding, informatie uit de eerste hand. Met gedachtekronkels zoals alleen kinderen in hun geest kunnen laten bewegen. Als een paling in een emmer snot. Ik zal goed en aandachtig overlezen om de opgebouwde spanning in mezelf te laten dalen. Metaforen vliegen me om de oren. Beeldspraak en zinnebeeld is aan de orde van het gedicht. Met dit geschreven woord probeert Miedema zijn Joris te bestrijden. De draak in hemzelf met zichzelf te steken. In het hoofd een loszittend mannenkoor dat de teloorgang van zijn brein zegeviert.

    image

    De eeuwigheid is ver weg

    Raakt hij langzaam van het padje wanneer hij alleen nog in eikenhout droomt en zichzelf hypnotiseert met een op de kop gehouden wc-borstel. De zin van het leven kroop uit zijn mond. Ben ik de weg kwijt in de geboorte van zijn zoon? Zijn grijze zoon die pas kleur krijgt door het schijnsel van de regenboog, terwijl het half opgerookte sigaren regent uit een grauwe verkromming – een week lang. Het zijn dromen, zoals alleen een jong mens kan dagdromen. Fantasieën als kinderen zonder kop. De wereld is voor hen ongerept en alles kan nog worden ontdekt. In het diepst van zijn wezen is de kleine Joris een Christoffel Columbus, een Abel Tasman, een James Cook of Marco Polo. En nu halfweg op leeftijd denkt hij zich Willem Barentz vast in het ijs, of meer fictief Robinson Crusoë alleen op een eiland. De eeuwigheid is ver weg. Nog.

    En dan schiet de dichter zich de ruimte in. Want hij las ergens een andere werkelijkheid te ervaren door te stoppen met ademen. Om de zaken van een andere kant te bekijken. Als een god van boven te bezien. Maar nog voortdurend blijft de materie aards, de onderwerpen almaar werelds. Wat kun je anders wanneer je toch met beide benen op de grond staat terwijl je geest zich in hoger sferen begeeft. En de fruitvliegjes als microscopische dinosaurussen en pterodactylussen rond de appels blijven hangen in de minuscule prehistorische bossen. Dan blijft de geest vooralsnog in de fles en vervliegt niet in de eeuwigheid. Nog niet.

    image

    Geen stip op de horizon zien

    Zo gebeurde het. En uit het land schoot jong groen op, gras, zaadvormend gewas, in allerlei soorten, en bomen die ieder naar zijn soort hun vruchten droegen, met zaad erin. En God zag dat het goed was. Het werd avond en het werd ochtend; dat was de derde dag. En Joris plaatst op het derde luik van deze tweede triptiek in de drie-eenheid een vooruitblik op de eeuwigheid. In zijn zoektocht vangt hij een glimp op van wat een bestaan zonder begin en einde kan zijn. Wat het voor een mens betekent voortdurend in het hier en nu te blijven vast zitten. Altijd maar doorleven en terugkijken. Geen stip op de horizon zien. Want er is geen doel, er is geen stop. Het einde is niets. Miedema kan nu nog mijmeren en filosoferen, maar wanneer hij in de derde bundel de eeuwigheid heeft gevonden zal hij stilvallen. Dat denk ik zo alleen voor mezelf uit.

    De beweeglijk creatieve geest echter zal wel andere wegen vinden om het vrije vers te voeden. En daarbij is het lang niet zeker dat de dichter ooit zal vinden wat hij zoekt. Het is een najagen van de duisternis, dat jaagt op het licht. De eeuwigheid zal de honger naar voortduring inhalen en neersabelen. Het begin streeft het einde voorbij. Het hier en nu struikelt over het dan en straks. We leven maar even en dood zullen we altijd zijn. Door me te verdiepen in de geschriften van Joris Miedema kan ik het onvermijdelijke iets oprekken. Zijn in het wezen van die gedachte is een bovenaards goed. Dat de wind onder bewindvoering komt. Dat de zonsopgang zich niet kan omkeren. Dat de overtollige stilte blijft plakken als boter aan de dijen. Dat een grondwerker per ongeluk kerfstokken heeft omgekapt. Voor de duur van het lezen van 44 gedichten is het een weldaad me Joris Miedema te denken. In zijn geest en verstand de voorstellingen te vormen die hij mij voorschrijft. Ik ga zijn gedachtegang geloven, zijn overdenking veronderstellen.

    Het is opzegbaar, daarom staat het geschreven: “de dagdromen die niet zijn uitgekomen / hangen aan de bomen / waar iets onzegbaars / weegbaar is geworden / / een kind zit op één van de takken / de stippen van lieveheersbeestjes / door te strepen / hij hoopt een juiste combinatie / te krassen / / waardoor zijn dagdroom openbreekt / en zijn moeder / eruit kruipt”. Een hunkering naar toen, een verlangen naar hier, een rusteloos zoeken naar straks. Hoewel de dichter sterk is in taal, krachtig en vitaal, wordt hij klein en hulpeloos in emotie. De woorden helpen hem dan uit dat tranendal, omhoog naar het licht. Het licht van die algen uit een andere dimensie. Want denken te leven in een ruimte boven de werkelijkheid heeft een creatieve geest nodig.

    Algen uit een andere dimensie. Joris Miedema. Uitgeverij Opwenteling, 2023.

  • Een eerste proeve van het eeuwig leven

    De legende van Sint Joris en de draak schiet me te binnen wanneer ik de nieuwste bundel poëzie van Joris Miedema doorblader en herlees. In deze uitgave, die het eerste deel heet te zijn van een dit jaar nog te verschijnen drieluik, probeert de dichter de draak te temmen door schijnbaar de draak te steken met de dichterlijke taal. Of beter nog, te doden, uit te gummen, door te halen. Om de demonen die hem en zijn woorden teisteren te bedwingen en uit te bannen, te verbannen naar het rijk der fabelen. En wanneer die draak dan overwonnen is, kan Joris als een moderne Odysseus verder op de oneindige reis naar het eeuwige leven.

    image

    Zijn gedichten staan daarom bol van de verwijzingen, metaforen, zweven in symboliek meestentijds boven de werkelijkheid. Want het eeuwige leven zweeft boven de waarheid zoals wij die kennen en ervaren. Maar deze poëzie is zelden abstract, want taal kan niet non-figuratief zijn. Zolang de letters leesbare woorden vormen. En de woorden grammaticaal correct in de zinnen lopen. Dan is er geen sprake van letterlijke versimpeling van de schrift, het schrijfsel. Pas wanneer gangbare betekenissen worden gevormd tot schijnbaar tegenstrijdige interpretaties verdwijnt de lengte uit de breedte in de hoogte van de gedachte. Gaat de taal drijven en neemt mijn ratio mee op de wieken, want mijn denkbeelden waren eerst uit het leven en worden door Miedema weer in de tijd gewekt.

    Always look on the bright side of life

    Ik vind vreugde in de bundel van Joris Miedema. In de serieuze ondertoon ontdek ik de joligheid, de lol, de korrel zout. De boodschap, het motto lees ik, is neem het leven minder scherp waar. Bezie de zonnige kant en doe niet zo somber. Joris bevecht de draak, de lezer bestrijdt zijn weemoed. En ik fluit voor me uit de riedel van Brian aan het kruis: always look on the bright side of life. Geen abstractie, de poëzie van Miedema is vooral eerder surrealistisch. Hij rekent af met de draak, de nachtvlinder harpyia milhauseri en de hagedisachtige draco volans. Of zet zijn eigen draconische denkwijze in de etalage om angsten om te buigen naar laconieken.

    image

    Absurde denkbeelden lijken het, maar de uitdrukkingen kloppen telkens. Ik heb geen waanvoorstellingen of dagdromen, nergens nachtmerries of koppige ezels. Het is de waarheid zoals Miedema deze opschrijft en in zijn vervormde taal beschrijft, hertaald. Het is alleen een waarheid die boven de werkelijkheid zweeft. Een realiteit die ook op deze manier bekeken kan worden. Een ander inzicht, een gewijzigd uitzicht. Het leven is absurd en Miedema probeert het handzaam te maken, te beleven, leefbaar. De gelaagdheid kruipt uit de bundel. Morrelt aan mijn gedachten. Jeukt in mijn hoofd, kriebelt aan mijn geest. De dichter weet mij voortdurend op een ander been te zetten, zelden echter het verkeerde blijkt na herlezing.

    De betekenis van naam en toenaam meandert als een wilde stroom door de bundel. En ik zit in mijn kajak en dobber van de stroom af en zwoeg er soms tegenin. Joris Miedema is die stroom die niet aflatend de boeg van mijn roeiboot geselt. Schuimvlokken en waterdruppels spatten in mijn gezicht uiteen. Windvlagen brengen mijn haar in de war. Nergens is kalmte om even tot rust te komen, de stroom kolkt en bruist door. Oppassen voor bochten, uitkijken voor rotsen. De aandacht dient bij de woorden te blijven, geconcentreerd zet ik mijn gedachten aan het werk. Of eigenlijk is Miedema de werkgever, de baas die mij de geestelijke arbeid bezorgt. Hij weet mij telkens bij de les te houden, deze meester van de taal.

    Want wij nemen onszelf al te serieus

    Zijn gedachten kronkelen en nemen vreemde wendingen. Hij legt het zichtbare beeld, datgene waar wij de werkelijkheid aan herkennen, op een hakblok en maakt er een nieuwe realiteit van. Wat wij normaliter als normaal ervaren, wordt door zijn herschikte zinnen ongewoon. Maar door de woordkeuze, het vergelijken en analyseren, worden de betekenissen verdraaid lijkt het, maar slaat de dichter meermalen de spijker op de kop. Donders! Hij bekijkt de wereld vanuit een ander oogpunt en die zienswijze is verhelderend, zo zodat het zijn te dragen is waar de donkerte in het leven intreedt.

    Want wij nemen onszelf al te serieus. Nemen maar amper onszelf de maat, wij Nederlanders. Miedema voert daarom on-Hollandse humor in. Het doet meer denken aan de vrolijke Britse levensopvatting. De galgenpraat en hilarische komedie met een ernstige ondertoon. Het leven is niet zo zwaar als het gewicht dat wij eraan geven. Miedema maakt dat duidelijk. Zijn gedichten lezen in eerste instantie moeizaam, maar wanneer je de woordgrappen doorziet is de taal lichtvoetig. Het is als een cryptogram, de manier van omschrijven van het te vinden woord moet je eerst doorzien vooraleer je de puzzel in een handomdraai kunt oplossen.

    image

    De bundel is luchtig van opzet, maar de inhoud leest allesbehalve voor de vuist weg. Het is opletten met lezen dat je niet struikelt over je eigen voorstelling. Betekenissen maken rare ommezwaaien, draaien wel tegen de realiteit in. Om de bocht van een zin kan de weg naar een duiding ineens een ander pad inslaan. En kan een plot haaks staan op de beginzin, hoewel het altijd weer recht gebreid is. Want wie goed leest doorziet de kracht van Miedema’s woorden, het klopt voortdurend als een bus alleen het glas is soms beslagen zodat de inhoud nog niet meteen zichtbaar is.

    In de bundel onderwerpen als het leven natuurlijk, de dood als monster, de religie om het ongeloof, het onbereikbare eeuwige bestaan, de oorlog om niet te vergeten en de herinnering aan alles en nog wat door geleefd te hebben, klein geweest te zijn en groter gegroeid. De speelse geest wast de levenloze letters die in rijtjes van 26 opgesteld staan, wuift de leestekens die zich tussendoor wringen weg, droogt de natte woorden, vouwt de droge zinnen, zet tussen de regels de zin van onzin, stelt zo een luik samen van absurde en groteske poëzie. Het smaakt naar meer. En er komt meer, hierna nog twee bundels om het drieluik te vervolmaken en af te ronden. Ik kan niet wachten!

    De vlucht van de levenloze libellen. Joris Miedema. Gedichtenbundel. Eerste deel van Miedema’s trilogie over de zoektocht naar het eeuwige leven. Uitgeverij Opwenteling, 2023.