Tag: Kees Verbeek

  • Documentatie van een verwrongen schrikkeljaar

    Het werk van Ed van der Kooy kende ik niet. Tot mijn schaamte, moet ik bekennen, want de man is toch al zeker meer dan enige jaren aan het werk en maakt naam in binnen- en buitenland. Waarom hij dan onder het maaiveld blijft wat mijn kennis van de kunsten betreft is onzeker. Zo komen er voor mij telkens en voortdurend parels in de zee boven drijven. Wel sloeg ik in de catalogus van de uitgever Van Spijk Art Books aan op zijn boek dat in 2021 verscheen. Interessant, al wat gedateerd misschien maar nog altijd reden het te bespreken. Evenwel is gedateerd nauwelijks toepasbaar bij het fenomeen kunst. Een kunstwerk is een detail uit de tijd, een monument voor de tijd, dat op een moment in de tijd is gemaakt. Dat moment is universeel en van alle tijden. Er valt te constateren van welke tijd dat is, maar het is nooit gedateerd in de zin van verouderd of ouderwets.

    Dus na het bladeren door en het ervaren van zijn kunst in de uitgave “Vervormde werkelijkheid”, bezocht ik de website om me beter te oriënteren op zijn doen en laten, leven en werk. Hoewel ik enkel dat werk wil beschouwen wat mij voorligt of dat ik zie in een tentoonstelling, en eigenlijk geen reden en voorgeschiedenis wens te weten om objectief te blijven. Het werk spreekt, de kunstenaar heeft erdoor gesproken; dat is voldoende om erover te spreken. Het verhaal erachter is daarbij van geen belang. Het werk in het boek vormt op die houding voor mij geen uitzondering. Het spreekt voor zich en heeft voldoende verhaal in zich om woordloos maar beeldend zich te uiten. Toch ben ik nieuwsgierig naar wat voor dit project heeft plaats gevonden, en wat eventueel nu nog aan de hand is.

    Schilderij op papier

    Eerder was hij een fotografisch realist, zo ontdek ik. Hij maakte bijna gevoelloos werkelijke portretten waarin hij de psyche van de modellen exact weet te raken en aldus perfect weergeeft. De mensen op zijn schilderijen lijken zo uit het kader te kunnen stappen. Het is bijna eng zoals de modellen mij aanstaren en welhaast door me heen kijken. Levensecht, ware kleuren, sublieme stofuitdrukking. Het coronajaar 2020 lijkt een keerpunt te zijn in werkwijze en stijl van Ed van der Kooy. Technisch maakt acryl plaats voor olie, linnen voor papier, grote afmetingen voor klein formaat. Nog wel is hij realist in hart en nieren, dat laat je niet los ben je er eenmaal mee behept, maar lengt zijn verf op het palet en in de compositie nu aan met emotie. Het fotorealisme is nu emorealisme. De werkelijkheid is echt werkelijk geworden, menselijker. Met een speelse kijk op de zaken treedt hij de wereld tegemoet. Wel met negatieve gedachten en zwarte uitzichten, want het covid19virus houdt het zijn in de greep, de wereld in bedwang. De mens is opgesloten en dreigt het wezen kwijt te raken. De figuren in Van der Kooys werken ogen eenzaam, lijken van kind en kraai verlaten. Kijken verwezen de toeschouwer aan, ontdaan en van de wereld. Het coronajaar is voor iedereen een vervormde werkelijkheid.

    In een jaar iedere week, één schrikkeljaar lang dus 53 weken, maakt de schilder een schilderij op papier in bescheiden formaat. Hij was gewend grote werken te maken, slechts vier per jaar. Het fijnzinnige karakter maakt het namelijk onmogelijk korter dan drie maanden aan een compositie te werken. Door het hyperrealisme los te laten, losjes en met meer expressie het onderwerp tegemoet te treden, krijgt het werk meer ziel en zaligheid. De kunstenaar lijkt zich met hart en ziel in te zetten om de essentie van het wezen te bereiken. Dat is dan niet al het overbodige zijn weg te laten, maar het innerlijk aan te boren. Een vinger achter de uiterlijke schijn te krijgen om zijn verhaal in de ervaring van dat welhaast uitzichtloze moment te verbeelden. Van der Kooy vervormd de werkelijkheid om de waarheid te kijk voor het voetlicht te zetten. De figuren in zijn composities zijn wel samen maar toch eenzaam, ogen verloren, blik op oneindig. Zij durven niet meer in de toekomst te kijken en zien achterom zonder over hun schouder te kijken. Ik zie hen hunkeren naar wat was, ooit in een tijd toen het leven nog goed was. De als herkenbare mensen afgebeelde figuren maken zelden contact en al helemaal niet met mij als voyeur, ze kijken dwars door of straal langs me heen. Het ernaar kijken is ongemakkelijk en zet tot nadenken.

    Doemdenkerij

    In de serie van 53 werken zit een chronologische opbouw naar tijd, een doorlopend verhaal als documentatie. Geen los zand maar een hechte brok steen waaruit het coronajaar is gehouwen. Een verslag van hoe de kunstenaar het vervormde jaar heeft ervaren. Niet woord voor woord te begrijpen, maar abstract in afbeelding waarbij de werkelijkheid nooit op afstand is gehouden. De beeltenissen zijn zwaarmoedig in figuratie, maar de vrolijk gekleurde decors buigen het pessimisme positief. Een leven zonder perspectief, met zorg en verlies. Maar ook een tijd voor zelfreflectie, solidariteit en herwaardering. En niet alleen het killervirus is bron van inspiratie, ook al die andere negatieve zaken die er op de wereld spelen werken door in de schilderijen van Van der Kooy. Het was meer dan pandemie en covid19 die de klok sloeg en de tijd stil zette. De klimaatcrisis klopte steeds luider aan de deur – op veel plekken rondom stond de natuur in brand. Er waren protesten, rassenrellen en demonstraties. Een chaotische presidentsverkiezing in de VS, een historische breuk in de EU. En er speelde meer, redenen genoeg om te beelden en te verbeelden.

    Al die tegenslagen zijn echter niet als realisme geschilderd, deze doemdenkerij is tussen kleur en vlak door merkbaar. De emotie is voelbaar. De tijd van toen ligt besloten in de gelaagde schilderijen. De grauwe onderschildering is kleurrijk overschilderd. Nog zie je sporen van de duistere tijd wanneer je goed kijkt en beter doorziet. Evenals in het superrealisme bedekt de huid een diepe wond in het zachte vlees. Ook de eerder in het oeuvre geschilderde realistische portretten maskeren een gevoelige ziel, maar vervormen niet de werkelijkheid waar deze composities metaforen zijn en surrealistisch ogen, dramatisch zijn. Verschillende details gelicht uit de werkelijkheid zijn samengevoegd als in een collage de aan elkaar wezensvreemde zaken een eenheid vormen.

    Wederkerige anonieme ontmoeting

    Het boek is als een expositie, een ingebonden tentoonstelling. Met blankwitte pagina’s als rustpunten tussen de reproducties. Het geeft poëzie de kans en de ruimte zich te plaatsen. Dochter en tekstdichter Floortje boog haar lettering om tot op haar vaders werk geïnspireerde woorden. In vrije verzen versificeert zij de beeltenissen, pakt de essentie van het zichtbare. Abstraheert als het ware de werkelijkheid van beeld naar woord. In haar zinnen klinkt niet altijd de inspiratie door, maar het is wel de bron waaruit zij put. Die bron is een overvloedige stroom aan composities. “Don’t look back / Don’t forget / Straight ahead / Who are you? / One step to the left / I have known you / Don’t look back / Straight ahead / Who are you? / One step to the left / I think you have known me too” typeert de platen in het boek. Het schijnt dat ik de afgebeelde figuren ken, dat ik ze onderweg op straat of in een wachtruimte als bus of trein ooit heb ontmoet. Enkelingen in de massa die me opgevallen zijn, waar de herinnering aan kleeft. En die mij denkbaar ook hebben opgemerkt in het voorbijgaan. Een wederkerige anonieme ontmoeting.

    Niet de figuur als mens is herkenbaar, wel de emotie die houding en mimiek oproept. Het is zo tekenend weergegeven, zo kenmerkend voor dat specifieke jaar. Maar ook treffend voor de trieste mens die nauwelijks uitzicht denkt te hebben op een zekere toekomst. Want het is de gedachte die de mens kleineert en in een ho(e)kje drukt. De onzekerheid zit zichtbaar tussen de oren. De ogen zoeken houvast in het niets, meer een blik op oneindig hangend tussen hoop en vrees. De twijfel is al uit de mens geslagen, het is zeker dat er geen heldere morgen meer is. Dus mijmert de mens, peinst in gedachten verzonken en is afwezig in het hier en nu. Een toestand die aanschouwend beschouwend is, persoonlijk ervaren. De figuren van Van der Kooy staren, wachten af met een zoekende blik. Op ontdekkingsreis in het eigen ik. Alleen in het geheel of samen maar eenzaam.

    De mensen kijken mij doordringend aan alsof ik zal weten wat de uitkomst is, waar het naartoe gaat. Waarom de herkenbare werkelijkheid zich onwerkelijk vervormd. Een retorische vraag die daarom onbeantwoord blijft. Het waarom is eenzaamheid, in wezen en zijn, in denken en doen. Het boek vangt aan met afwezige blikken, ontroerende mimiek, 53 koppen geknipt uit de daarop volgende composities. Het zet al meteen de toon van het project. De taak die Ed van der Kooy zichzelf heeft opgedragen om een periode achter gesloten deuren zonder kleerscheuren door te komen. Doorheen het boek worden details van composities uitgelicht en opgeblazen om nog meer drama in de beklemmende sfeer te brengen. Bij iedere plaat is de vraag te stellen wat valt er te zien, is het werkelijkheid of is het fantasie. Het is een verwrongen en gebogen gewaarwording. Waarheid in gedachten, een document van ervaring. Een catalogus van ondervinding. Dit is hoe de kunstenaar het heeft beleeft, daarin kan ik mezelf heel goed vinden. Het is een belevenis.

    Vervormde werkelijkheid. Ed van der Kooy. Schilderijen. Tekst Kees Verbeek. Poëzie Floortje van der Kooy. Van Spijk Art Books, 2021.

  • Grootste compliment voor Ossip is dat zijn werk nergens op lijkt

    De wereld van Ossip is niet van hier. Het is niet tastbaar en merkbaar, laat staan herkenbaar aanwezig. Het is zijn innerlijk landschap. De omgeving waar zijn geest leeft, het terrein waar zijn gedachten tot leven komen. Maar is dat niet altijd het geval in de kunst en met de kunstenaar. Deze zweeft in gedachten buiten de werkelijkheid om vormen te maken die uit mijn realiteit zijn genomen. De waarheid vervreemdend weer te geven om mij op de een of andere manier een spiegel voor te houden. Ik beleef mezelf maar ervaar mijn evenbeeld tegengesteld. De kunstenaar acteert op een golflengte waarop ik mijn ontvanger maar nauwelijks kan afstellen. En heb ik dan de juiste zender gevonden klinkt er een wereld waarvan ik het geluid niet voor mogelijk had gehouden, de beelden niet kon vermoeden.

    Ossip is als kunstenaar uitzonderlijk, enig in zijn soort, een geboren artiest. Als autodidact ontwikkelde hij een oorspronkelijke, mixed media beeldtaal, die buiten elke traditie of stroming valt. Eenzelfde basis waaruit en waarop diverse uiteenlopende beelden ontstaan. Een verleden het heden inleiden. Vandaag terug laten grijpen naar gister. Alsof de klok wordt teruggedraaid of in elk geval is stil gezet.

    Plaatjes en foto’s in bladen en magazines

    De personages die in het bovenbewustzijn van Ossip spelen zijn van een andere orde dan de figuren zoals ik deze dagelijks tegenkom en ontmoet. Zij leefden voor deze en zijn nu enkel nog op plaatjes en foto’s in bladen en magazines te bewonderen. Periodieken van een maatschappij uit een vorige eeuw. Ouderwets ogend nu, met een blik die ons hier van daar omfloerst opneemt. Uit een tijd waarin het leven zwartwit leek, alles duidelijk was nog, hanteerbaar en te bevatten. Geen grijze grensgebieden, het was zoals het is. Twee mogelijkheden, ja of nee. Een tussenweg was er niet. Dat vergelijk probeert Ossip echter in zijn kunst te zoeken.

    Een hang naar een beter verleden? Een tijd waarin alles nog goed leek, het leven simpel was. Ossip snijdt zijn figuren uit die tijd. Hij knipt mensenfoto’s uit oude tijdschriften en boeken. Foto’s van mensen roepen bij de kunstenaar heel direct een emotie op, een gevoel, zonder dat hij precies weet wat dat is en waarop het aanslaat, waar zijn inspiratie ligt. “Hij vergroot, versnijdt en reconstrueert ze, zet er een verfstreek of een getapet kruis overheen, voegt cryptische tekstfragmenten toe, laat decimeters garen aan oksels of ogen ontspringen, wikkelt een aureool van prikkeldraad om het hoofd, monteert ze op een strijkplank, voorziet ze van dunne ijzerdraden als voelsprieten van een insect. ”, zo benadert Kees Verbeek Ossip’s kunst. In deze hoedanigheid krijgen ze naar zijn idee een nieuw leven, een hoger zijn toegemeten. Onbedoeld schrijven zijn werken zo een nieuw hoofdstuk in de geschiedenis van de betrokkenen. Van dood materiaal op papier zijn de persoonlijke afbeeldingen tot levende figuren geworden.

    The biggest compliment

    Ossip wil niet actueel zijn en sluit de ogen voor wat nu gangbaar en modieus is. Bijdetijds is voor hem te eng, te benauwend. Hij wil niet zijn opgesloten in geaccepteerde gebruiken en vaststaande regels, maar juist ongewoon en abnormaal erkent zijn. Met een gevleugelde uitspraak inzake zijn stijl van werken begint het boek dat mij voorligt, nadat ik eerst heb kennis genomen ven enkele van zijn minst karakteristieke werken: “The biggest compliment people can pay me is to say my work doesn’t look like anyone else’s.” En inderdaad, wie het boek dat als catalogus van de tentoonstelling bij Brutus dient doorbladert, zal beamen dat zijn werk niet op dat van anderen lijkt, dat het nergens op lijkt. Dat het afstoot maar tegelijk ook een bepaalde schoonheid bezit.

    Zijn werk is moeilijk te definiëren”, schrijft Sanne ten Brink – directeur van Brutus in Rotterdam – in haar voorwoord tot het oeuvreboek ‘Meine Hände leben im Ernst’, “maar zijn unieke stijl is meteen herkenbaar en de kwaliteit is onmiskenbaar.” Ossip werkt op het snijvlak van fotocollage, installatie en tekeningen. Zijn composities dragen al die elementen in zich en bewegen in het centrum daarvan op het rumoerige kruispunt van deze manieren van uiten. Ossip stoort zich niet aan heersende kunststromingen en gaat zijn eigen gang, beeldt zoals het hem goed dunkt en waarmee hij zijn verhaal in duidelijke taal letterlijk figuurlijk kan maken.

    Het overzicht van werken in het boek laat beeldend zijn ontwikkeling zien. Van het vroegste werk waarin nog niet werkelijk een duidelijke signatuur vastgesteld kan worden tot zijn meest recente werk waaraan te zien is dat hij met hart en ziel in zijn rol als non-conformist van de kunstwereld is gegroeid. Installaties bewegen zich in de ruimte, verknipte foto’s die zorgvuldig tegendraads in elkaar zijn gezet en worden versterkt met metalen draden als levenslijnen. Ook in het platte vlak worden tegenstellingen eenheden, acteren bestaande kunstwerken als reproducties in zijn uitingen. Wel herkenbaar maar zonder oorspronkelijke eigenheid. In deze beeldvorm krijgt deze bestaande kunst een nieuw leven, een hoger wezen toegemeten. Onbedoeld schrijven de recreaties van Ossip zo een nieuw hoofdstuk in het zijn van deze schilderijen.

    Zorgvuldig tegendraads

    Ossip streeft geen perfectie na, hij zoekt naar een veranderlijke meerduidigheid die veelal stevig vloekt en aantrapt tegen uniformiteit, heersende mode en actuele rage. Hij stapt uit het keurslijf van wat algemeen aanvaardbaar is en doet verfrissend zijn eigen ding. Zijn kunst omarmt het eigenaardige, het onvolmaakte en ongewone.

    Het is een vreemde wereld die zich voor mij openbaart wanneer ik de lijvige catalogus bij Brutus’ tentoonstelling van delen uit zijn oeuvre open. Een vervreemde wereld waarin ik zoals eerder geschreven nog wel een verleden herken, een leven zoals het eens was en zoals het goed was, opgeslagen in het collectieve geheugen, maar dat nu ergens onvindbaar tussen hemel en aarde zweeft. Deze wereld waaruit Ossip inspiratie opdoet bestaat alleen voor hemzelf, het is zijn omgeving van de geest. Hij licht met zijn kunst voor mij een tip van het voorhangsel op om mij een blik te gunnen in zijn heilige der heiligen. Met de herkenbare beelden die zijn wereld bevolken, die zijn ark bewonen en de vloed overleven, ontvouwt hij een zinnebeeld. Beeldspraak in voor hem duidelijke taal, maar met woorden die ik nogal eens voor de betekenis in het woordenboek moet opzoeken. De kunst van Ossip is niet eenvoudig te doorgronden, hoewel hij zich van simpele figuratie bedient. Het samenstel van zichtbare elementen maakt dat het zich ongemakkelijk verhoudt tot de bestaande en algemeen aanvaarde beelduitingen. Deze tegenstelling in het afzonderlijke object en de enkele tekening betoveren de toeschouwer, trekken de compositie een mysterieuze omgeving in, een wereld met een déjà vu beleving.

    Imperfecte schepsels

    In een vraaggesprek met Kees Verbeek afgedrukt in het Engelstalige boek vergelijkt Ossip de onvolmaakte mens met een robijn. Dat onvolmaakte is de mens met een verstandelijke dan wel een lichamelijke beperking. De robijn heeft meer waarde dan goud, is de kunstenaar van mening. Niet economisch gezien, maar qua schoonheid. ‘A ruby is noble and refined. A mineral rock that you can facet cut, just like a diamond.“ Dat onvolmaakte van deze mensen raakt Ossip, dat is de basis van zijn werken. Zo lijken zijn werken ook onvolmaakt, gebrekkig en imperfect. Maar dat is juist de charme, zoals bijvoorbeeld kinderen met het syndroom van Down of een ander gebrek innemend zijn. En dan gebrek in de betekenis gezien vanuit ons ‘volmaakte’ gezichtsveld. Deze imperfecte schepsels zijn op hun eigen manier en in hun persoonlijke leven verre van gebrekkig. Zij gedragen zich veelal zoals wij zouden willen maar niet durven, en zij staan over het algemeen vrolijk en zorgzaam in het leven. Deze mensen zou ik willen vergelijken met de kunst van Ossip. Hij wordt door dit zijn overweldigd en raakt er door geïnspireerd, daar ontstaat zijn bezieling.

    Zijn werken schijnen ook onvolledig, er lijkt een steekje aan los. Zijn installaties hebben de sfeer van een mobile à vent, een kynetisch object. Vrij hangend en uitgebalanceerd vloekt het met de zwaartekracht. Bij elke verplaatsing van atmosfeer zet het zich in beweging. Deze objecten bezetten de ruimte, bevolken de omgeving waarin ze ter bezichtiging zijn geplaatst. Schijnen zich aan te passen, maar blijven anarchistisch non-conformistisch, agerend recalcitrant. Het vrij bewegen is slechts een onderdeel van het oeuvre van Ossip, maar wel erg in het oog springend. De stationaire beelden zijn evenwel tevens opmerkelijk. En evenzo de werken aan de wand die in samenspel zijn met de omgeving als vervreemdende uiting. Voortdurend wordt het onvolmaakte zijn verheerlijkt. Het imperfecte als hoogste goed gepropageerd. De robijnen in de gouden schelp. De rotte appels in de fruitschaal. Ossip verheerlijkt het imperfecte en ik smul van zijn vervreemdende beelden.

    OSSIP – Meine Hände leben im Ernst. Teksten van Sanne ten Brink, Maarten Spruyt, Kees Verbeek. Van Spijk Art Books / Galerie Ramakers / Brutus, 2024.

  • Desondanks de verbeelding van de werkelijkheid

    De wereld lijkt vertrouwt, alsof ik het kan vinden om de hoek van mijn denken parallel aan mijn beleven. Door de ogen en in de werken van Frank Hutchison is die wereld echter verre van betrouwbaar, zet hij mijn sfeer veelal op de verkeerde plek. Met zijn netvlies als filter zeeft de schilder de werkelijkheid tot een surrealistische waarheid. Mijn visuele verbeeldingskracht moet ik daarbij losmaken van mijn verstand. De beeltenissen lijken logisch samengesteld, alledaagse voorwerpen roepen suggestieve voorstellingen op. Waarbij de waarheid in het midden ligt. Gelegen tussen het zichtbare en wat tastbaar is. De details zoals deze in de bekende omgeving zich aan mij voordoen, hebben een tegengestelde weergave en over het algemeen ook een andere betekenis.

    De vertrouwde vormen, objecten en perspectieven die de omgeving maken krijgen een vervreemdende uitdrukking door de blik daarop van Hutchison. Deze gevallen staan symbool voor een wereldvreemde uitleg, een bovenaards commentaar op wat er in de natuur aan de hand is op dit moment. Van bomen zijn de kale stammen en afgehakte stobben figuren in de vertelling. Woordloos vertellen deze het verhaal dat gezegd moet worden om de neergang van de mensheid te begrijpen en te verklaren.

    Wereld beschouwd als karikatuur

    De schilderijen van Hutchison hebben een dubbele laag in uitdrukking. Een extra lading die schuilt achter de humor van het in eerste benadering geziene beeld. Het lijken cartoons om de kijker de waarheid met een lach te verduidelijken. Er steekt evenwel meer achter de beeldvondsten en woordgrappen. De wereld wordt beschouwd als karikatuur met een lach en een traan. Hoewel er zich vrijwel nergens een menselijk figuur ophoudt in de geschilderde omgevingen is de invloed van de mens op de wereldse beslommeringen onmiskenbaar aanwezig.

    Allereerst is het een blik van een enkele mens op de omgeving, gefilterd in zijn brein met als uitkomst een werkelijkheid die boven het realisme zweeft of in elk geval om een hoekje mee kijkt. En is er dan al een mens zichtbaar dan plast deze tegen een boom. Een representatie van de vervuilende en de natuur bevlekkende mensheid. Op een andere plek staan de figuren als bomen tussen het bos in de sneeuw. Vallen nauwelijks op, zijn onderdeel van de compositie. Maken niet de dienst uit, nemen deel aan.

    Hoop in de puinhoop

    In veel gevallen geeft de techniek van het pointillisme Hutchison de vrijheid om een kleurrijk palet in zijn schilderijen uit te werken. De atmosfeer danst er voor ogen en brengt een sfeer van vrolijkheid en plezier. Daardoor krijgt de zware inhoud een verlichte strekking. Ondanks dat de bomen zijn afgezaagd vormt het gelid waarin de stobben zijn geplant opnieuw een boom. Groene stammen op een bloedrode grond, het lijkt een scènebeeld uit de rolprent Armageddon. Toch is er hoop in de puinhoop. Iets sterft voordat het tot bloei komt. Hoe dan ook, het schilderij siert de omslag van het boek “Hutchison Nevertheless”. Het beeld is gekozen als vlag op de lading. Deze eerste aanblik doet een geheimzinnige inhoud vermoeden. En inderdaad, Hutchison weet in zijn werk enige vorm van mysterie te stoppen. Ik denk te weten wat ik zie, maar ik kijk naar iets anders. Frank is de meester die me op een verkeerd been zet. Ik wankel daardoor van het ene naar het andere werk. Maar heb ik eenmaal door wat ik zie land ik met beide benen stevig op de grond, doorzie ik de bodem van het werk – de inspiratie van het werken.

    In “Hutchison Nevertheless” schrijven Kees Verbeek en Stan Petrusa over het werk dat mijn aandacht vasthoudt. Het is namelijk realistisch en toch enigszins vervreemdend. Het Nederlandse landschap krijgt de aard van aangeharkte verkaveling. Het intrigeert Hutchison meer dan de natuur over de grenzen die veelvormig van karakter is. De maat van de dingen in dat landschap is groter dan hijzelf en overweldigen hem daardoor. Hij valt stil, maar met het overzichtelijke van de Nederlandse omgeving kan hij beter overweg in zijn kunstige uitdrukkingen. De schematische opbouw werkt verwarrend, maar is wel de waarheid. Is het beeld versimpeld tot de vereiste elementen om aan te spreken dan wordt de omgeving welhaast een abstract schilderij.

    Drukkende sfeer binnen opgeruimde atmosfeer

    Niet alleen heeft het landschap zijn aandacht. Ook objecten en scènes uit een gedachte wereld geven stof tot nadenken. Naast fantastische beelden, die opwellen in onberedeneerde gedachtegangen, houdt hij zich tevens bezig met de actualiteit en reageert daarop. Er schemert altijd een mate van dreiging door de verfstreken en kleurpunten. Hutchison schildert het moment voordat er iets te gebeuren staat. Die gebeurtenis, het moment volgend op zijn geschilderde beeld, is niet te beschrijven. Het is een drukkende sfeer binnen de opgeruimde atmosfeer. Het onheil dat volgt, de noodsituatie die zich aandient, staat verborgen in de beeltenis. Het is niet zomaar een plaatje van een leeg terras – waar zijn die mensen gebleven, hebben ze overhaast de plek verlaten of staan de stoelen te wachten op drukte. Door de gelaagdheid in uitdrukking zijn de schilderijen in elk geval voor tweeërlei uitleg vatbaar. Gewoon als vluchtige compositie zonder meer waar je aan voorbij gaat, totdat je beter kijkt en doorziet wat de onderliggende boodschap is. Het grijpt, pakt vast en beklijft.

    De vaas met bloemen bijvoorbeeld heeft een bijzondere onorthodoxe uitbeelding gekregen. Het ontvangen nog ingepakte boeket is alvast voorlopig in het water gezet. Niet de bloemen zijn zichtbaar, wel de stelen in de vaas. Zelden zal een schilder dit onderwerp op deze manier hebben benaderd. Het kenmerkt de suggestieve schilderijen van Frank Hutchison. De plastische figuratie roept herinneringen op. De schilder speelt met mijn gedachten over en aan de werkelijkheid. Kleurt objectief mijn idee van de waarheid. Het herkennen wordt door zijn vingers onherkenbaar, maar toch ook weer niet. Ik hink op twee gedachten.

    Hutchison – Nevertheless. Teksten Kees Verbeek en Stan Petrusa. Uitgave Van Spijk Art Books, 2024.