Tag: Kine Brettschreider

  • Er piest een engeltje me op de tong bij de poëzie van sadà

    Waren deel 1 en deel 3 uit de Nartiden Reeks van Stichting Narteks op zich al verzamelobjecten, het deel 2 is dat ongetwijfeld zeker. Alle delen in beperkte oplage gedrukt zijn met de hand gemaakt. Van de figuratieve en typografische linosneden tot het geknoopte touwtje die de bladen in het kaft binden. De poëzie als zodanig is sowieso handwerk, of feitelijk hoofdwerk. Het zetten van de tekst gebeurt dan wel niet meer met loden letters, maar deze wordt dan handmatig op de computer verwerkt. Voor deel twee heeft Sandra Schuurmans bij ieder exemplaar twee tekeningen gemaakt. Dat maakt deze uitgave in de Nartiden Reeks een onvervalst collectors item: er zijn van ieder boekje geen twee hetzelfde dan wel gelijk. Deden de delen in de reeks al aan als kleine kunstwerken, dit tweede deel is dat zeker met de ingeplakte unieke tekeningen.

    Tot spannends toe

    Om de inhoudelijke sfeer te doorleven sprak Schuurmans de teksten van de gedichten eerst op een geluidsdrager in. Daarna maakte zij de tekeningen bij het beluisteren van de gesproken woorden. Ze werd door haar eigen stem als het ware gehersenspoeld, verzadigd met de woorden van de dichter. Aldus kon de hand doen hetgeen het oor opnam. Dekt daarom de tekst één op één het getekende en sluit deze welhaast naadloos aan op de woorden. Welhaast, want steeds opnieuw gaf de tekst een nieuwe inspiratie, een andere impuls. Tot spannends toe, want poëzie verveeld nooit. Hoewel ik van mening ben dat je gedichten niet moet horen, maar zelf dient te lezen. Dat heeft Schuurmans in beginsel gedaan; om vrij de muze te laten vonken luistert ze naar de eigen stem en is het alsof ze zelf de gedachte verwoord om te verbeelden.

    Sandra Schuurmans maakt snelle schetsen voor in de kantlijn van de tekst. Ze hoeft niet lang na te denken, zoals in de muziek a la prima vista een stuk kan worden gespeeld. Natuurlijk, na twintig keer weet je wat er gaat komen en kan de handeling al voor de inspiratie uit gaan. Maar een doodle is het nooit nergens, want Schuurmans tekent niet gedachteloos – bewust reageert ze in beelden op de woorden. En die woorden zijn in deze tweede Nartiden van de schrijver en dichter sadà\exposadà en eerder verschenen bij de axiomatische uitgever crU.

    Experimentele poëzie

    De afgesloten poëzie van sadà\exposadà heeft een verborgen logica. Het noopt mij tot actief zoeken tussen de regels en te puzzelen met de gegeven woorden om tot een sluitende betekenis te komen. Daarbij staat mijn geoefende denkwijze om cryptogrammen op te lossen me bij. Het is even vlooien om de idee van de puzzelmaker te ontrafelen. Dat ik in de lijn zit van het denkpatroon en de redeneerkunst in de vraagstelling oplos om het juiste woord te ontdekken. Het is blokken, maar achteraf zeg je: logisch, dat ik dat niet eerder zo zag! Zo werkt dat evenzo bij deze experimentele poëzie. Eerst moet de stijl mij eigen worden om de techniek te begrijpen. De dichtwerken lijken moeilijk leesbaar, maar fietsen wanneer ik er bekend mee ben als een engel over de tong, of beter piesen op mijn tong: storend maar fascinerend. Zoals Schuurmans de woorden in beelden heeft aangevoeld. 

    Het spelen met taal, structuur en associatie smaakt naar meer dan enkel deze drie dichtwerken in de Nartiden Reeks: DAT OORD KOMST en geweven… De gedichten met een intellectuele en intertekstuele inslag houden de aandacht aandachtig vast. Ik lees en herhaal het lezen. Ik pluk de woorden van de pagina’s, weeg ze en bevind deze als inhoudelijk rijk. Ik verzamel sadà’s gedachten en oogst mijn begrip voor zijn poëzie. Eigenlijk leest het als het kijken naar abstracte kunst; je wilt niet weten wat je ziet maar zelf een duiding eraan geven. Het hoeft niets te zijn om iets te wezen. Zo leest “dat oord komst”; je wilt geen uitleg maar het zelf gaan begrijpen, zelf het gevoel hebben de dichter te volgen.

    Vastbesloten gesloten

    De woorden kleuren het papier, zoals verfstreken het linnen tinten. Stel je ervoor open dan laat het je toe. Gaan de deuren los wanneer je blijft morrelen of een loper vindt als de sleutel zoek blijkt. Mij komt dan dat antieke liedje in gedachten, waarin deze regels zijn geschreven: “Engelland is gesloten / De sleutel is gebroken / Is er dan geen smid in het land / Die de sleutel maken kan?”  En die smid zal ik dan zelf moeten zijn. Want de tekst is vastbesloten mij in eerste instantie niet door te laten. Mijn idee zoekt een uitweg, ik vind de deur die mij toegang geeft, uiteindelijk. Maar het heeft de tijd nodig, het is niet even klaar. Geen moment te verliezen. Ik zoek het ogenblik. De stilte om in te laten dalen. Geen drukte, prikkel en ruis om af te leiden. Het lezen mag geen lijden worden.

    “hoe onderscheidt zich de adem van het dier van die van de mens?” is nog het meest realistisch leesbaar, maar dan gaat het los en vliegen de woorden me om de oren. “heliotrope glans, dat rotsen zeilt” of “taarnt ’t huus, spilt en / schaduw flitsen / stiften, hij hangt in / zijn lichtwending”. Soms is het alsof de dikke Van Dale op de grond is gesmeten en de woorden eruit zijn gedonderd. Door elkaar gevallen zoeken ze naarstig een andere betekenis, een nieuwe waarde. sadà\exposadà heeft de taal gereïncarneerd, of beter gerecycled, hergebruikt en een leven gegeven op een hoger plan, misschien zelfs met een beste duiding. Deze taal kijkt uit de hoogte op de doodnormale spraak neer. Zoals geschreven, lijken de gebruikte woorden door elkaar geschud te zijn en het verband schijnt los getrokken. Maar wie goed leest, met aandacht, zal de samenhang op de plek zetten en deze poëzie doorzien. Is eenmaal de gedachtegang ontdekt dan wordt de redenering duidelijk en is het beeld niet langer abstract.

    DAT OORD KOMST en geweven… Gedichten van sadà\exposadà en tekeningen van Sandra Schuurmans, linosneden Kine Brettschreider. Nartiden Reeks deel 2. Uitgave in beperkte oplage Stichting Narteks, 2025.

  • Met Harry van Doveren op weg naar Astraea, recht zo die gaat

    Ik moet aanstaan wil ik het ontvangen, de poëzie van Harry van Doveren. Want het is geen eenvoudige kost, zoals het sonnet en de kwatrijn dat wel zijn. Van Doveren´s stelligheid in een axiomatische dichtvorm is voor mij niet even vanzelfsprekend. Hij gooit een bal op die ik niet meteen kan terugkaatsen. Er is geen handleiding, ik vorm zelf de regels van het spel. Ik ga in gesprek met het boek.

    Het is geen poëzie volgens de letter van het gedicht. Er is geen rijm te bekennen of de woorden zullen zo bij toeval aan het slot van de regels vallen dat het harmonieert en wederkeert. Maar er is wel ritme om de tekst tijdens het declameren niet op te dreunen maar te laten galmen als door bergen en fluisteren als over zee. Want alleen stil voor me uit lezen is niet genoeg, de zinnen hebben klank nodig om deze te doorgronden. Ik moet mijzelf de regels horen zeggen, de woorden beluisteren uit mijn eigen mond.

    De dichtvorm is dan wel losjes losgelaten, waarbij de verzen conceptueel door de taal zwerven. Het leidt mijn gedachten af van de tekst bij het lezen, ik val stil in contemplatie, het stemt tot overdenken en bepeinzen, beschouwen. Mijn blik dwaalt onvoorbereid af naar niets, ins Blaue hinein staar ik. Bevat ik na wikken en wegen de denkbeelden dan begrijp ik het grotere idee dat tot buiten de bundel reikt, maar niet in het wilde weg.

    Het heeft ruimte nodig

    Het kaft, met een opdruk van Harry´s Kine – ik kreeg een ‘in Nucleo’ gelijkend een spiegelei bij mijn exemplaar van de bundel, dat kaft blijkt een benauwend keurslijf waarbinnen het afgedrukte schrijven zich krampachtig uitdrukt. Het heeft ruimte nodig, dit schrijven – dat druksel. Het moet kunnen spelen in de uitgestrektheid van mijn denken. Daar waar geen grenzen aan mijn kennis zijn, althans die ik niet opzoek. Ik blijf binnen mijn kunnen, terwijl ik beter buiten mijn vermogen kan treden om aan te staan en uit te gaan.

    Van Doveren dicht bij wijze van spreken de taal. Om de verzen te openen heb ik een sleutel nodig met de juiste baard. Wat ik lees is klaarblijkelijk en onweerlegbaar, heeft vrijwel tevens een andere betekenis dan waarvan ik in eerste aanleg uitga. Het schijnt een waarheid te hebben die voor mij niet bewezen is, omdat ik met andere waarden reken. Denk ik de strekking te kennen dan is er misrekening aan het slot en past mijn sleutel niet meer, is deze krom of gebroken.

    Van Doveren schuift dan de grendel op de deur en opent het luikje daarin, ik kijk in een paar vriendelijke ogen boven een glimlachende mond en een glanzend puntje van zijn neus. Weet ik vervolgens geen juist wachtwoord te formuleren, laat deze bewerking van taal mij niet toe. Ik kom pas binnen in betekenis en gedachte wanneer ik mij de spraak eigen maak. Dat betekent overlezen en opnieuw lezen. Overdenken en bepeinzen, de woorden wegen en de zinnen pluizen. Dan kan ik mezelf on zetten en aan laten staan, dan begrijp ik wat ik lees. Dat heeft tijd nodig, om de taal van deze dichter te doorgronden. Dan vloeien – als het goed is en ik op de juiste golflengte zit – mijn gedachten samen met zijn opvatting.

    Ieder woord kent een metafoor

    In ‘On’, het eerste deel in de bundel, stelt Van Doveren zich dan nog wel zelf open. Hij zet zich aan, zodat ik eenvoudig op hem kan afstemmen. Hij stelt zich aan mij voor. Laat lezen wat hem bezig houdt, zodat ik mij daarmee kan bezig houden. Hij geeft mij het materiaal om te overwegen, de handvaten om zijn wereld te vatten. Het is geen gemakkelijk schrift, geen eenvoudig taalgebruik. Ieder woord kent een metafoor, iedere letter heeft een spiegeling in de spraak. Zijn bouw van zinnen doet mij buiten zinnen raken. Maakt van mijn beschouwing een verstild peinzen. Het diepe nadenken volgt uit zijn aangeven van gedachten. Zoals hij een lofdicht schreef op zijn geliefde, zo dicht hij verder een ode aan het zijn, het is.

    Zijn het korte verhalen die passen op een enkele bladzij, dat daarbinnen ze zelfs nog een brede kantlijn op de bladspiegel nodig hebben of in experiment afraffelen. Van Doveren slaat mij met overdrachtelijke uitdrukkingen om de oren. Hij wast mij de oren en zegt dan wel omfloerst waar het op staat, maskeert de taal en vermomt de poëzie. Harry’s gedichten vormen figuurlijke anagrammen van letterlijke werkelijkheden, zijn spreektaal is mijn speelkaart – schoppen troef. “koester het stapeltje witte kaarten uit mijn archief / met reflecties over de ontmoeting met Gracchus / op een parkeerplaats halverwege de snelweg tussen / Toscane en Geiranger • hij was onderweg naar / Geiranger om daar meteen weer terug te keren / naar Toscane • een havenloos gesprek • dood genoeg

    Met ‘onderwerp: afstandstekort’ ben ik in het niemandsland tussen aan en uit, on en off, ‘/’. Ik weet niet of ik aan het licht kom of uit de tijd ben. Vereenzelvig mij met leven-meneer. Neem de naoorlogse schade op: “een doedelzak van de dood • tinnitus van het slagveld”. Nog even sta ik aan, draai de knop halverwege, tuimel de schakelaar nog niet – nog even zijn tussen aan en uit. On Off. Om dan na de bominslag met de dichter op reis te gaan naar en door het land van letterkeer en wedervraag. Hij zet mij af op het station van het grondbeginsel, veronderstel ik; ‘off’. Zijn gedichten, de poëzie, een autobiografische monoloog; voor mij een getuigenis, een tweespraak, die ik in dialoog afsluit. “heb nooit zonder dichters gekund • mijn poëzie / wilde alles gelezen hebben wat in kast zeven stond / van de bibliotheek • nu dat in zijn geheel onderweg / is naar de sterren timmer ik mijn eigen kast zeven / om te zijner tijd weloverwogen te kunnen besluiten / of ik de onverwachte moet vermijden of met hem / mee zal gaan naar Astraea

    on / off – Harry van Doveren, gedichten. Gaia Chapbooks, 2024

    Linosneden Kine Brettschreider (Angeline van Doveren-Kersten).

  • De Ig in Trekpoptt spreekt voor zich

    Van een andere dichter las ik niet lang voor nu over zijn gestrenge vrolijkheid in de villanelle. Een dwangbuis voor woorden opgezet in een nauwgezet en uiterst creatief rijmschema: AbB – abA – abB – abA – abB – abAB, vijf terzines met een afsluitende kwatrijn. Hoe makkelijk wil je het hebben om het moeilijk te doen. De dichter dezes merkt in zijn voorwoord tot en de uitleg op zijn geschreven regels dat de hedendaagse dichtkunst de spreektaal nadert en daarbij de vorm meer en meer loslaat. De poëzie van Kine Brettschreider die dan vandaag aan mij voorligt daarentegen, hoe experimenteel en los van iedere stijl of elk voorschrift dan ook, benadert de spreektaal geenszins. Hoewel buitengewoon actueel omschrijft het de gedachtewereld. Om stil van te worden, de woorden te lezen zonder deze uit te spreken. Ze geluidloos te bepeinzen. Gelezen dienen ze te worden, niet voorgedragen. De verzen van Brettschreider zijn denkbeelden die een persoonlijke voorstelling vergen, geen collectief besef.

    Een taal die geen woordenboek heeft

    Het is de denktaal van de hoofdpersoon genaamd Ig. Het mens dat kort in het leven staat en enkele woorden tot zich mag rekenen, maar wel de omgeving voor zichzelf wil bevatten en verbeelden. Gaandeweg de vertelling, dat uiteenvalt in legio verzen, wordt de vocabulaire breder maar blijft de zelf ontwikkelde Ig-taal gebezigd. Een taal die geen woordenboek heeft, geen vertaling kent. Want deze Ig-figuur beziet de wereld, denkt daar het zijne dan wel het hare van. In zijn woorden, haar gedachten. Het zijne schrijf ik in eerste aanvang, een tweede het hare, maar het kan evengoed onzijdig zijn, niet geslachtelijk. Zo blijft het opgestelde voor een ieder in te vullen, aangepast op de eigen persoon, universeel.

    Kine Brettschreider, poëzie, dichtbundel, Opwenteling

    De Ig van het Germaanse Ich, er wordt wel meer Duits gebezigd tussen de regels door. Of de Ig als verkleining van de voornaam Iggy. Iggy Pop, waardoor ik de titel van de bundel kan plaatsen: TREKPOPTT. Zoals de gedachten van Ig die woorden krijgen om duidingen te geven aan ervaringen, reflecteer ik eenvoudig op de formuleringen. Het lijkt kindertaal bij tijd en wijle. Ervaren onderwerpen hebben uitdrukking nodig. Is de naam van de ervaring of het gevoelen blanco en leeg dan wordt het door Ig naar eigen idee ingevuld. Of het gehoorde wordt verbasterd (twitboek en veestboek). Maar Ig wordt voortdurend beschreven in de derde persoon. Het persoon staat buiten de dichter, maar deze weet overal het fijne van waardoor het is alsof Ig de ik van de dichter is, eerste persoon.

    Gewaarwording van Ig is mijn weten en kennen

    De lezer kan zich in de verwrongen taal en de manke woorden vereenzelvigen, maar moet er wel enige moeite voor doen. Naarmate ik, de lezer dus, dan verder in de bundel lees, aandachtig de taal van Ig’s gedachten meer de mijne wordt, word ik tot die hoofdpersoon. Heb ik aan een half woord genoeg. Ben ik Ig. Zie ik door zijn/haar woorden mijn eigen spreektaal. Trekt het, de dichter aan mijn touwtjes van het leven. Maak ik mee wat Ig ervoer en beschreef. Het dagboek van Ig is mijn reisboek, de gewaarwording van Ig is mijn weten en kennen. De wereld van Ig ligt open voor mij, daarin kan ik met de routebeschrijving die TREKPOPTT is mijn weg vinden.

    Het gedrukte handschrift van Brettschreider is niet eenvoudig te lezen, laat staan in eerste instantie te ontrafelen of ontwarren. Daardoor, door dat mysterieuze karakter, intrigeert de tekst. Boeit het en maakt nieuwsgierig naar wat komen gaat. Sla ik de pagina’s belangstellend om. In haar poëzie is dan wel geen rijm te vinden, zoals misschien wel te doen gebruikelijk denk je maar niet heus. Het is een ongerijmd de woorden in zinnen en regels doen reidansen over het papier, een rondedans van A tot Z. Van “as Ig twee winterbomen ziett” tot “Ig wilt gewoon een nette wagen”. Ik doorleef in de bundel het zijn van Ig. Want eenmaal de betekenis doorziend gaan de collageachtige verzen leven en geven de samenstellingen geheimen prijs.

    Kine Brettschreider, poëzie, dichtbundel, Opwenteling

    Dichterlijke vrijheid heeft geen verklaring nodig

    Dan ergens halverwege – zo ongeveer op bladzijde 43 in Igs werkkamer aangekomen denk ik – ben ik Ig, zie ik mezelf als Ig, beschouw ik de wereld door Igs blik, ben ik Igs ogen. Verwonder en bewonder het leven zoals Ig dat voor mij doet en deed, verwoordt en verwoordde. In de huid van Ig word ik echter wel tot de marionet die ik niet wil zijn. Kine Brettschreider trekt aan mijn touwtjes, door haar woorden te doorzien word ik de pias, de harlekijn. Zij laat mij kijken zoals beschreven, stuurt mijn gedachten in tegengestelde richting.

    De dichter geeft tot slot enkele aanwijzingen voor zangers en sprekers. Al zal ik niet uit haar bundel declameren, hardop citeren, zal de voorgestelde ademoefening toch hout snijden. De keelklanken en neuzelige woorden komen dan getoonzet uit mijn mond. Denk ik. Wie verstand heeft van deze dichtvorm, kenner is van deze schrijftaal zoals gebezigd door Brettschreider, zal mij uit-lachen of in elk geval onbeschaamd grijn-zen om mijn miskennis en onkunde, achterlijke ezelachtigheid, deze poëzie proberen te duiden. Want deze dichterlijke vrijheid heeft geen verklaring nodig, iedere toelichting of uiteenzetting gaat mank zoals de kinderlijke denktaal van Ig wel gehandicapt is. Het werkt als een abstract schilderij dat voor zichzelf moet spreken, uit zichzelf de betekenis kan duidelijk maken. Echte kunst heeft geen verklarende woorden nodig. Het staat er, het is er, het spreekt voor zich.

    TREKPOPTT. Kine Brettschreider. Uitgeverij Opwenteling, 2022