Tag: kunstboek

  • Compensatie voor de werkelijke werkelijkheid

    Het lijkt als heeft een kind speelgoed na een dag van zonnige vrolijkheid in de tuin laten slingeren. Rondom op het grasveld en in de borders was plek van spel tussen struiken en bloemen. Het is dan in de avond plaats van en voor achteloos achterlaten. Zo lijkt het, en naar het motto van Arie van Geest is dat zo. Alles lijkt op wat het is, daar gaat het hier over. Maar niet het kind in hem heeft na een aangenaam verpozen de speeltjes laten rondzwerven, de kunstenaar heeft deze op cruciale posities in stelling gebracht, als stelde hij een stilleven samen, om er de bespiegeling van het zijn mee te maken. De composities als weerslag van deze opstellingen lijken een sprookje te verbeelden, echter is het pure werkelijkheid vermomt als speelse fantasie. Deze afgebeelde realiteit doet zich omfloerst voor, de figuren spelen een serieuze rol in het drama dat is gezet in zonnige tinten: always look at the bright side of life, zoiets. Het toneel is de realiteit waarop de gemaskeerde werkelijkheid de toeschouwer geen rad voor ogen draait maar een spiegel voorhoudt. Het is surrealisme te noemen, maar het is veel meer dan dat. Het heeft het kenmerk van een gelijkenis; verhalen die aanschouwelijk maken wat is.

    Daar zit de crux

    Diverse acteurs in het spel hebben zich versluierd met een waarheid, zij geven een gelaagde betekenis aan de taferelen. Van Geest schreef het script en interpreteert de werkelijkheid. Laat dit zien, laat het spelen, zoals hij ziet dat het zich voordoet. Van Geest is de werkelijke werkelijkheid ermee op het spoor. Hij toont het niet als de harde waarheid, maar verpakt een en ander in een vrolijk omhulsel, een cadeauverpakking. Zo lijkt het. Maar pas op, er zit altijd een adder onder het gras. Alles is zoals het lijkt, maar ondertussen… En daar zit de crux, in die verspreking van de lijfspreuk. Daar sist het beest vals tussen de grassen. Alles lijkt op wat het is. Het lijkt er op, het is het niet. De figuren spelen een spel. Dit symbool van het leven, de metafoor van het zijn, is het leven zelf niet. De verfilmde moord is niet de ware doodslag zelf. Het spiegelbeeld ben ik niet, het lijkt op mij. Alles lijkt op wat het is, maar het bevindt zich in een andere werkelijkheid.

    Gedroomde omgeving

    Het is een gespiegelde omgeving, parallel aan de werkelijkheid. Het bespiegelt en laat mij nadenken, beschouwen. In de stripfiguren, hebbedingen en speelpopjes van de rommelmarkt zie ik een eigen wereld afgespiegeld. Dan moet ik daar wel oog voor hebben, zal de compositie mijn blik vangen en krijg ik inzicht in een onwerkelijk lijkend zijn dat als kern de werkelijkheid draagt. Arie van Geest speelt in een deel van de opvoering zelf mee, voor de rest vereenzelvigd hij zich met de poppenspelers. Vooral Alice in Wonderland staat voor hem gelijk met zijn visie op het zijn. Deze gedroomde omgeving, waar het verhaal invalt door een hol, reflecteert het leven. In mijn stoutste dromen zal ik kibbelen met konijnen, eenden en dodo´s. Met Bambi dartelen, Pinokkio niet geloven en Dopey en Grumpy bijlichten. Beelden en poppen gevonden in het leven staan figuurlijk voor dat leven.

    Ik zal in die tuin van Arie van Geest zijn, rond het Franse zomerverblijf met atelier. Die beleving kan ik hebben door de tentoonstelling in Museum Galerie Heerenveen te ervaren. Daar kan ik bij wijze van spreken met de schilder dolen door weelderige vegetatie en mijn blik over kleurrijke borders laten gaan. Ik kan mij daar bij gedachte bevinden doordat in de schilderijen planten en bloemen haarscherp zijn afgebeeld, fotografisch echt. Van Geest is een schilder maar schijnt een tekenaar. De vormen die blad en beeld maken zijn omkaderd met fijne lijnen. Planten zijn botanisch herkenbaar op de Latijnse naam. Zo zou Van Geest een fijnschilder zijn die zichtbaar werkelijke schilderijen maakt. Maar rondom die subtiele echtheid dwaalt een andere werkelijkheid in gevoel en beleving.

    Kunst en kitsch

    In boek en katern “The Broken Promised Land” verklaart Wouter Welling, kunstcriticus en conservator hedendaagse kunst bij Nationaal Museum van Wereldculturen, de kunst van Arie van Geest nader. Hij licht een tip van de sluier op, verduidelijkt de werkwijze en ontrafelt het mysterie. Eigenlijk is dat jammer, want daardoor stap ik niet onbevooroordeeld de ruimte van MUGA binnen, kan ik niet objectief kijken. Maar goed, zo krijg ik wel oog voor de emblemen van het menszijn, zinnebeelden van de werkelijkheid. De catalogus is als een gids in en door de niet-maakbare wereld van Arie van Geest. Het spoor van Welling te volgen navigeert mij door deze wonderlijke tuin. Door de schilderijen is de wereld imaginair. Althans zijn de figuren denkbeeldig, de tuin is niet bedacht. Het is een decor dat voortdurend terugkomt en herkenning geeft, alsof ik die omgeving ken, er een déjà vu beleef. Alles kan in het beelduniversum van Arie van Geest worden opgenomen wanneer het past, schrijft Welling. “High culture en low culture, kunst en kitsch, outsider art, literatuur en songteksten. En natuurlijk zijn eigen leven, zijn dromen en de mensen in zijn directe omgeving. Zijn leven is het prisma waarin het licht van buiten wordt opgenomen, gebroken en teruggekaatst op doek of papier.” Hij is het middelpunt van zijn wereld, die verdacht veel op de onze lijkt.

    De desillusie van de werkelijkheid wordt, gezien door de spiegel van Alice, een illusie. Een andere werkelijkheid, een persoonlijke beleving, geen afspiegeling. Het is een bespiegeling, voor Van Geest werkt het als zelfreflectie en in zijn plaats kan ik mij er in spiegelen. In dat contemplatieve, dat beschouwende, rekent de schilder af met zichzelf, zoekt en vindt zichzelf, het eigen ik. De schilderijen zijn op te vatten als zelfportretten daarom. Niet fysiek, maar qua emotie. Dat gegeven projecteert hij in zijn werk, zodat zijn ego mijn ik wordt. In zijn wereld herken ik mijn zijn. Hoewel het een zijn weergeeft tussen droom en werkelijkheid, een laminale fase vannacht waarin gister voorbij en morgen nog onduidelijk is. Het werk van Van Geest is als de slaap, een tussenzijn, een in-between van wat is en wat lijkt. Een allegorie op het leven. “Een wereld van associaties en vermoede betekenis”, citeer ik Welling volmondig. “Het schilderij is en blijft een illusoir vlak, een imaginaire nooduitgang. Het is compensatie voor de werkelijke werkelijkheid…” Het onzichtbare zichtbaar maken door middel van de werkelijkheid, dat is het.

    Alles lijkt op wat het is. Schilderijen van Arie van Geest bij Museum Galerie Heerenveen, Minckelersstraat 11 in Heerenveen. Van 8 september tot en met 20 oktober 2024. Uitgave The Broken Promised Land. Arie van Geest. Tekst Wouter Welling. Van Spijk / Rekafa Publishers, Livingstone Editions, 2016/2024.

  • De kunst leren kennen door de kunstenaars te bevragen

    Het is een dikke pil. Vierenzestig millimeter in kaft om precies te zijn. Negenhonderdtachtig bladzijden lang ondervraagt Hilde van Canneyt kunstenaars uit België en Nederland. 4321 vragen aan 123 kunstenaars. Niet zomaar even door en uit te lezen, dus. Niet in een dag, niet in een week, zelfs niet in een maand. Hilde stuurde mij het boek dit jaar 2021 eind januari en nu kom ik er pas toe een en ander erover te schrijven. Eerlijkheidshalve zij gezegd en geschreven dat ik nog niet eens elk gesprek van alle kunstenaars die ze de afgelopen 10 jaar heeft ondervraagd heb kunnen doornemen. Het is gemakkelijk te lezen maar evenwel geen lichte kost, want het raakt de kern van reden en emotie waarom en op welke manier zij doen wat ze doen, die kunstenaars. Waarom zij ziel en zaligheid leggen in de dingen die ze maken. Wat hen ten diepste roert en in beeld opslaan. De werken moeten (aan)spreken, maar de makers erachter hebben recht het uit de doeken te doen, een tip van de sluier op te lichten over wie, wat, wanneer, waar, waarom en hoe.

    Hilde van Canneyt, interview

    Als rechtgeaarde en chauvinistische Hollander zoek ik tussen de 123 namen uiteraard naar de Nederlandse inbreng in het in opvallend roze omslag gedrukte boek. Ik kom er niet zoveel tegen. Maar dat is geen probleem, want de taal die de kunstenaar spreekt kent geen grenzen en wordt niet afgebakend door tijd, plaats en.omgeving. De kunst is van de wereld, niet werelds maar globaal te typeren. Wat is dan die drijfveer, wat is dan dat heilig moeten. Waarom moet dat de wereld in, voor wie maken ze dat dan. Het zijn veel vragen die Van Canneyt op haar gesprekspartners afvuurt en die zij prachtig en diepzinnig pareren. Hilde wil het naadje van de kous weten. Ik ben daar blij mee, want zo leer ik ook mij onbekende kunstenaars kennen.

    Scheppingsdrang

    Vooral de redenen waarom kunst gemaakt wordt is interessant. Iedereen staat daar anders in, maar de grote gemene deler is toch wel het ‘heilig moeten’, de scheppingsdrang. Er mòet gecreëerd worden. De stroom aan inspiratie valt zelden droog. De beek die zich in weg zoekt tussen de stenen van creativiteit is een bron die bruist. Het is de stok achter de deur om de mensheid in beelden uit te leggen wat jou het diepst roert. Het kan voor mij herkenbaar zijn, maar het kan ook nauwelijks invoelbaar blijken.

    Hilde van Canneyt, interview

    Niet altijd zit ik op eenzelfde lijn, maar blijft het wel interessant om via de tekst in dit boek de kunstenaar achter de kunst te leren kennen. Want die kunst is de eerste kennismaking, pas later wordt de kunstenaar gekend. Door dit boek werkt dat andersom. Want natuurlijk ken ik van de meeste mensen het werk niet, een (voor)beeld staat helaas niet bij het gesprek afgedrukt. Dus ken ik eerst de maker om daarna in de actuele bibliotheek, namelijk het internet, het maaksel te zoeken. Dan verbind ik de schepping aan de schepper. Herken in het beeld de woorden terug die Van Canneyt uit ze heeft getrokken.

    Want de kunstenaar praat niet graag over zijn of haar werk. Dat werk moet voor zichzelf spreken, een eigen verhaal hebben. Om het te beoordelen is de achterliggende reden waarom het er is nauwelijks belangrijk om te weten, het te waarderen geeft door uitleg dieper grond van kijken en basis te doorkijken. Na meer dan 100 kunstenaars gelezen te hebben, de antwoorden op wel bijna 4000 vragen bekeken, denk ik wel de rode draad in het boek te herkennen. Natuurlijk is dat de kunst en haar kunstenaars, maar meer nog is die rode draad het antwoord op het waarom. Deze wordt, door zoveel verschillende manieren van zien en vanuit diverse standpunten bekeken, overmatig duidelijk.

    Doorvoelen

    Sommige van de uitspraken, veel eigenlijk, raken me en daar kan ik op doorvoelen. Andere neem ik voor kennisgeving aan, maar geven me wel een open blik op de materie. Ook gaat het wel over hoe en wanneer de gemaakte kunst wordt getoond. Worden expositiemomenten aangehaald, wat de tekst in het boek aldus dateert. Kunst is van elke tijd en alle plaats, de gedachten daardoor en daarover zijn op ieder ogenblik en in elk moment leesbaar. De kunst is universeel, de kunstenaar is dat ook. Daarom doet het er niet toe waar de kunstenaar is geworteld. Het kleurt natuurlijk wel de kunst die wordt gedocumenteerd. Want ieder maaksel uit welke windstreek heeft geen andere insteek, maar wel een verschillend karakter. De Belgen schuren tegen de Nederlanders aan. In de manier van uiten is niet zoveel verschil, en ook de gedachten komen met elkaar overeen. Dus wanneer Robert Zandvliet zegt “Je bent – in je hoofd – met andere beelden van mij naar hier gekomen. Je kijkt eigenlijk niet naar wat je ziet, maar naar wat je herkent. Dat is heel moeilijk. De meeste mensen kijken niet. Je moet je openstellen voor een beeld. Niet kijken volgens een verwachtingspatroon, dan zie je eigenlijk niets. Dat is heel jammer.”, dan had bijvoorbeeld Kasper Bosmans dat ook kunnen opmerken. Of als Anne-Mie van Kerckhoven een antwoord met een vraag begint zo van “Wat ik bedoel met zwijgen? Als je met iets bezig bent, mag je daar niet over spreken, want anders kan je de essentie verliezen.”, is dat ook wat bijvoorbeeld Klaas Kloosterboer had kunnen vertellen.

    Hilde van Canneyt, interview

    Het is meer dan interessant wat deze kunstenaars te zeggen hebben en de lezer door middel van de nieuwsgierige Hilde van Canneyt vertellen. Een unieke inkijk in het atelier en het hoofd van de kunstenaar. Want kunst maken is een proces en ik zie als toeschouwer en beschouwer alleen het eindresultaat. Maar de weg er naar toe is even boeiend als het kunstwerk zelf. Hilde’s vraagstelling is dan ook: “Wat speelt er zich af achter het gordijn van het atelier en het beeldend kunstgebeuren? Wat gebeurt er tussen de eerste gedachtekronkel en het afgewerkt kunstproduct? Hoe zet je als kunstenaar alle elementen die in je geest borrelen om in een kunstwerk dat je kwetsbaar maakt, maar tegelijkertijd de kijker moeten beroeren? Waarom sluit iemand zich op om te communiceren via een creatie?

    Zonder lezer geen boek

    De antwoorden komen over mij als lezer als een warme douche heen, een stortvloed van woord-portretten geven inzicht in de beeldende taal van Van Canneyt’s gesprekspartners. In uitdagende zelfbevragingen weet de kunstjournalist de kunstenaars na te laten denken en woorden te zoeken naar waar ze anders beelden voor vinden. De vragen zijn vertrouwd, de antwoorden geven zich makkelijk over aan de lezer. Een dikke pil, maar openhartig van inhoud. Het vraagt evenwel lezen, nog eens overlezen – denken en overdenken. En bij haar laatste woorden in de inleiding sluit ik mij volmondig aan: “De toeschouwer is noodzakelijk voor het ontstaan van kunst. Zonder kunstenaar, geen kunst. Zonder toeschouwer geen kunst. Zonder lezer geen boek.”

    Boek “4321 vragen aan 123 kunstenaars”. Hilde van Canneyt interviewt kunstenaars uit België en Nederland. Uitgave MERbooks, Borgerhoff & Lamberigts, 2020.

    Hilde van Canneyt, interview