Tag: Museum Belvédère

  • De Deelen volgens Kuitwaard en Van Dijck

    Dacht ik in het boek het silhouet van Sjoerd de Vries in een werk van Christiaan Kuitwaard te ontdekken (Zie “Natuurgebied De Deelen weergegeven in veertig schilderijen). Een schaduw mijmerend de moerasbosjes en petgaten beschouwend. In de tentoonstelling op dit moment bij Museum Belvédère waart de geest van wijlen Sjoerd inderdaad voelbaar door Christiaans schilderijen en daarbij de werken van Bruno van Dijck. Het boek was er eerder dan de tentoonstelling. Echter met het bezoeken, bezien en bewerken van de inspiratie, bron van bezieling, is het allemaal begonnen. Nadat Kuitwaard en Van Dijck elkaar tijdens een eerdere presentatie in Belvédère ontmoetten en het klikte qua leven en werken. De overeenkomst komt tot uiting op de omslag van het boek met geschilderde impressies van het natuurgebied. De werken lopen naadloos in elkaar over, dragen eenzelfde karakter en bezitten een eendere sfeer.

    Die uitgave is een handzaam in harde kaft gevat boekje, niet groter in afmeting dan de werken zelf. De inhoud besprak ik een half jaar geleden en was bijzonder benieuwd naar de latere presentatie in het museum. Om de werken in het echt te zien, de verf te kunnen ruiken, de penseeltoets en krijtstreep te kunnen aanvoelen, de sfeer te proeven, het gevoel te krijgen die de mannen in De Deelen hadden. Want ze zijn ter plaatse gegaan om de stemming te ervaren die Sjoerd dus voor hen had, en Evert en Jelle en Willem hadden. En de bron waaruit nu nog Jan Snijder put. Niet dat ik de karakteristieke rietkragen zal ontdekken, die Sjoerd bij leven en welzijn in boekomslagen heeft gekrast. Of de paling opmerk waarvan Evert het vel gebruikte om te beelden. Ik zie niet de dauw over de velden, de nevel tussen de struiken, de witte wieven van Willem. Ieder mens, en in dit geval elke kunstenaar, die het gebied in trekt heeft daarvan een andere beleving.

    Broeders in de kunst

    Voor de tekst in het boek ging Han Steenbruggen naar het natuurgebied dat hij voordien enkel kende van het werk van de Deelenschilders en het boek dat Thom Mercuur ooit samenstelde over De Deelen. Hij dompelde zich in het licht van voorjaar en najaar, dat strijklicht dat de vegetatie welhaast van onderen belicht alsof het spelers op een toneel zijn, voor het voetlicht. Vooral dat vroege en late schijnsel is in dit gebied belangrijk. Het maakt en breekt de sfeer. Meest in dageraad en schemer, lente en herfst, tekent de natuur het leven langs de rietkragen en tussen de struiken. Is het boek nog opgedeeld naar kunstenaar, in de tentoonstelling worden de werken in relatie tot elkaar getoond. Vallen de overeenkomsten en tegenstellingen in benadering van de werkelijkheid beter op. Het een kan in het ander schuiven, maar valt er niet als blauwdruk overheen.

    De broeders in de kunst Bruno en Christiaan waren daar in De Deelen in het voorjaar van 2023 voor een week, deden en plein air inspiratie op langs boorden, in velden en op plassen. Bruno nam zijn bevindingen mee naar het atelier in Zoersel bij Antwerpen, maar Christiaan ging vanuit zijn werkplek in Oldeberkoop nog vaker terug op andere tijdstippen van het jaar en momenten van de dag. Want mei bleek toch niet de geëigende maand te zijn om de stemming van gele rietkragen en diep zwart water te vatten. Daarvoor was de herfst het juiste jaargetijde. Het moment dat de natuur zichzelf afbreekt om opnieuw te kunnen beginnen. Zich te ruste legt om in winterslaap te gaan en uitgerust en lentegroen een volgend jaar aan te vangen. Het strijklicht van de lage zon door de maanden waarin de r zit geeft het waterrijke landschap een bijzondere kleur en uniek karakter. Tinten die op andere momenten nauwelijks worden gehaald, of het zal de schemer zijn, het ogenblik dat de dag door de nacht breekt en andersom.

    Vertalingen van de werkelijkheid

    Over zijn beleving op verschillende momenten in het natuurgebied schreef Han Steenbruggen een drietal essays voor het boek met schilderijen van De Deelen. De publicatie, simpelweg als “De Deelen” betiteld, bevat een veertigtal kunstwerken van Van Dijck en Kuitwaard, plus nog enkele sfeerfoto´s van het gebied en de kunstenaars aan het werk. De tentoonstelling is een ruime keuze uit deze serie. In beelden vatten de schilders de werkelijkheid samen, in teksten recapituleert de schrijver zijn bevindingen. In de tentoonstelling zijn die beeldende bewoordingen niet verwerkt, de catalogus dient als leidraad en richtsnoer. Wegwijzer om het gebied eens te bezoeken en de plekken die de kunstenaars visueel beschrijven te ontdekken.

    Het is bijzonder te ervaren hoe twee kunstenaars op dezelfde plek tot diverse vertalingen van de werkelijkheid komen. En toch zo goed op elkaar inspelen en aansluiten. In de eigen stijl en op de persoonlijke manier met enige invloed van de ander heeft het duo boeiende sfeerbeelden gemaakt. De omgeving is vooral landschappelijk en horizontaal bekeken, maar deze vlakheid verdiept zich en vindt grond in stil water. Er is geen leven nog van vogels en insecten. De kunstenaars hebben geen oog voor langstrekkende snelle bewegingen van opvliegende ganzen en zoemende bijen. De blik kleeft aan het struikgewas en het kabbelende water. De tijd is op het meest sprekende en karakteristieke moment stil gezet, bevroren en geportretteerd. De verfhuid is wel bewerkt met de achterkant van het penseel of het zwart van houtskool om beweging te suggereren. Het trekt lijnen door de sfeer, geeft contour aan het gevoel.

    Kalm in beweging

    Kuitwaard geeft dan het licht ruimte in zijn werk, waar Van Dijck zich richt op beweging. Het stille water spiegelt de tonen van het voorjaar. Leliebladeren liggen als een school vogels op dat water. Hoewel dit liquide oppervlak zich monumentaal in het portret uitspreidt, het egaal en ongerimpeld over de drager ligt, is de verfhuid kalm in beweging. Met subtiele verfvegen weten de schilders dynamiek te brengen in de stille gelatenheid. Het is niet een opvliegende gans die gakkend de stilte doorbreekt, maar de wind die het water doet golven in de vroege ochtend. Vooral dat tijdstip van de dag maakt de stemming, bouwt de sfeer. In latere uren is die magie in werkelijkheid verdwenen, maar voegen de schilders deze in abstractie aan hun werk toe.

    De mannen zijn er niet tijdens de hardvochtige en te zonlichte zomermaanden. De tijd waarin de mens tot leven komt, maar de natuur in stemming omslaat. Het hoogtepunt van de dag is ook niet het middaguur, wanneer de zon op het hoogste punt staat en elk contrast vervaagt. Een dag is als een jaar, met eenzelfde afwisseling van seizoenen. De uiterste sfeer is er in de vroege morgen en het begin van de avond, in het voorjaar en het najaar. Bij uitspruiten en afsterven. De bloei is daarentegen hoewel in schoonheid op het toppunt het minst tot de verbeelding sprekend.

    Sereen landschap

    De kunstenaars geven vooral de stilte van en in dit gebied een plek. In de schilderijen ritselen bladeren en rimpelt water. Terwijl op de achtergrond het verkeer over de snelweg raast is serene rust en welkome eenzaamheid in deze natuur ter plaatse te ervaren. Wie De Deelen bezoekt of heeft bezocht zal dit beamen. Dit vredig zwijgen van de ooit door mensenhanden gemaakte omgeving is te doorvoelen in de schilderijen van Bruno van Dijck en Christiaan Kuitwaard. Zij portretteren een gebied waar de natuur weer bezit van heeft genomen nadat de mens het heeft verlaten. De petgaten herinneren nog vaag aan de modderige landarbeid van turfstekers. De natuur heeft teruggenomen wat het eerder is ontnomen.

    Waar Kuitwaard de rust figureert en de kalmte vorm geeft in een sereen landschap, daar vat Van Dijck het moment op detail en bemerkt het wateroppervlak een zojuist opgevlogen eend. Die beweging valt nog af te lezen in de geschilderde impressies, hoewel de sfeer alweer rust ademt. Kuitwaard is een bedaarde schilder die gelaten en beheerst de omgeving met zijn penseel beschouwt. Van Dijck heeft een wildere toets, berustend expressief. De composities zijn spontaan overdacht, immers de schetsen van ter plaatse gemaakte inbeeldingen zijn de grondslag voor de uitwerking. In de verftoets moet later de eerder ervaren sfeer opnieuw worden opgeroepen. De tijd heeft het beeld getekend, de herinnering kan andere gedachten de ruimte geven. Daarom geeft Van Dijck in zijn werk de abstracte emotie een plek, waar Kuitwaard de realiteit vorm geeft. Zo sluit het werk op elkaar aan. Is het ene complementair aan het andere. Richt de Vlaming zich op het detail, waar de Fries het grote geheel ziet. “De Deelen” is een geschilderd document van een bijzonder landschap.

    De Deelen. Christiaan Kuitwaard & Bruno van Dijck. Schilderijen van een natuurgebied. Tentoonstelling bij Museum Belvédère, Oranje Nassaulaan 12 in Heerenveen – Oranjewoud. Van 28 juni tot en met 21 september 2025.

  • Kuierverhalen

    In Museum Belvédère ben ik op stap met Anne Feddema. Al eerder nam hij mij eens als reisgenoot mee op zijn wandelingen door het leven. Want zijn kuiers zijn een metafoor voor de tijd. De tijd van leven. Het zijn van bestaan. En wanneer lijf en leden lange tochten in de weg staan is de eigen tuin plek van verpozing. Dichtbij huis is schoonheid volop te vinden dat beeld krijgt in tekeningen. De Hof van Feddema, zijn speelveld waarin ik lustig vertoef. De juiste weergave van de begroeiing van zijn hof doet er niet toe, wel belangrijk is het gevoel dat hij bij het onderwerp heeft. In de verscheidenheid van het terrein dient zich altijd wel ergens een vondst aan, een detail dat liever onopgemerkt was gebleven. Buiten de hof op ongebaande paden – want Anne kleurt graag buiten de lijntjes – neemt Feddema mij aan de hand mee door zijn wereld. Ik voel me, zolang ik de composities mag bekijken, zijn aangelijnde hond tijdens een blokje om. Al wandelend beleeft hij de vorm, het ritme en de kleur in de omgeving.

    Voettochten

    Anne Feddema droomt zich de wereld nadat het is gezien. Met gesloten ogen blikt hij terug op de werkelijkheid. In gedachten vormen zich tuinen en parken om van te watertanden. Zelf beeldt hij zich af in een hoek of aan de rand van de beeltenis als wandelaar met hond, de pet op, of als schilder, achter de ezel of tekentafel. Als een persoonlijke handtekening onder het werk. Maar het draait niet om de man met hond of de man achter ezel, het is het moment van gaan. Gaan lang ’s Heeren wegen, als eenzame monnik in stilte genietend van de natuur. De details worden opgemerkt wanneer je aldus contemplatief door de wereld gaat. Je ogen de kost geeft.

    De blik van Feddema vreet de omgeving. Kauwt en herkauwt het om een aangenaam beeld uit te spuwen. Het beeld is niet altijd zo gezien, maar wordt gevormd door de indruk die de kunstenaar er op het moment en later bij uitwerking ervan heeft. ‘De paden op, de lanen in, vooruit met flinke pas, met stralend oog en blijde zin.’ Deze beginregels van een bekend oubollig marsliedje klinkt in mijn gedachten bij die kleurige beeltenissen van Anne Feddema. Hij ervaart een wereld op zijn wandelingen en maakt mij op een vrolijke manier daarvan deelgenoot. Het zijn positieve beelden die in zijn rugzak meegaan en mij worden voorgeschoteld. Ik geniet ervan. Het is de kunst om me te laven aan deze omgeving.

    Op zijn voettochten bij nacht en ontij, zon en regen, zomer en winter wordt Feddema wel vergezeld door een vogel, gelijkend de kraai van Jan Mankes, die al krassend vanaf een tak hem van commentaar voorziet – stel ik me zo voor. Of springt een kat uit de struiken wanneer hij in de achtertuin bloemen plukt om als stilleven in een Keulse pot te vereeuwigen. Want niet telkens gaat de schilder verder de laan uit, maar blijft ook wel op steenworp afstand bij huis om inspiratie op te doen. En dan staat hij aan de kade om de langs varende schepen, meestal driemasters die tijdens een zeilshow de golven trotseren, op doek vast te leggen. Het werk is gelaagd. Niet alleen in zichtbaarheid, maar ook in emotie. Tastbare lagen schuiven over elkaar, zodat er een landschap ontstaat waarin het gevoel welig tiert. Het domein belandt erdoor van de werkelijkheid zo in de abstracte weergave.

    Verdroomde wandelingen

    In gedachten verandert de werkelijkheid in een fantasie. Planten zijn aanleiding anders te denken, bloemen scheppen relaties in mijmeringen. Vormen roepen zinnebeelden op, patronen en profielen leiden tot beeldspraak. Zijn tuin denkt hem een paradijs, het park filosofeert een religieuze kijk op de dingen. De schoonheid van zien bespiegelt een hoger wezen, een buitenaards zijn. De toeschouwer treedt uit zichzelf en beschouwt het eigen ik in de omgeving, zoals een overleden persoon uittreedt en het eigen lijf van een afstand aanschouwt. Anne Feddema is God in zijn paradijs, dat lustoord schept hij zichzelf en mij, en al die anderen die een moment zich begeven in de composities. Even lopen in zijn tuin, kuieren over het pad, slenteren langs een haag en verstrooid het leven observeren.

    Voor mij zijn het geen droomachtige tovertuinen, zoals het tekstbord bij de tentoonstelling in het museum aangeeft, maar is aan de werkelijkheid in overdrachtelijke zin vorm gegeven. Eerder lees ik er een bijbelse openbaring uit af, verhaalt de beeldspraak over het paradijs zoals dit in beginsel bedoeld was. En ooit weer zal worden in een nieuwe wereld. In de hof van Feddema lijkt Anne de profeet Jesaja die voorziet dat een wolf bij een lam zal verblijven, een luipaard bij een geitenbok neerligt, een kalf, een jonge leeuw en gemest vee bij elkaar zullen zijn, en een kleine jongen ze zal drijven. Geen tovertuin derhalve, maar een droom over een nieuwe wereld en van een nieuwe aarde. Feddema creëert deze aarde al in zijn composities. Doet al de voorspelling hoe het ooit weer zal en kan zijn, wanneer maar voorbij de ellende en de zorgen van nu wordt gekeken en een blik wordt geworpen naar de zon achter de wolken. Daarmee is Feddema zelf een profeet en orakelt een betere toekomst. Hij ziet dat in de bestaande flora met oog voor de schoonheid van de natuur. Deze stijgt jegens tegenslagen als een feniks op uit malheur, verzet zich tegen menselijkheid en overwint het kwade. Er is licht aan het eind van de tunnel, kleur gloort boven de horizon. De schepper verlokt mij aangenaam, maar roept ook wel een broeierige spanning op, citeer ik nogmaals het tekstbord.

    En Anne? Hij ziet, hij kijkt, hij beschouwt. Hij laat mij beter kijken, zien wat ik niet dacht. In de expressieve zoekplaten vind ik een samenraapsel aan belevingen. Ervaringen die niet in een enkele nacht zijn verdroomd of op enige tocht zijn doorleefd. En dus ook niet tijdens een eenmalig bezoek aan het museum kunnen worden ondergaan. Het werk van Feddema biologeert dermate dat ik nog eens een rondgang zal doen, en nog eens. De poëtische tekeningen, de esthetische composities, intrigeren om de blik die deze in de toekomst geven. En om de naïeve stijl die deze kunst laagdrempelig maakt. Ik stap op, maar kom terug.

    Kamertentoonstelling in de westvleugel: Anne Feddema – Voor zover. Museum Belvédère, Oranje Nassaulaan 12, Heerenveen / Oranjewoud. Van 5 april tot en met 22 juni 2025.

  • De mooie dingen van Jan Mankes

    Het prettige van een catalogus, als horend bij de dubbeltentoonstelling van Jan Mankes in de musea Arnhem en Belvédère, is dat niet alleen het werk wordt besproken maar de tekstschrijvers tevens dieper doordringen in het hoe en waarom van de kunstenaar. Naast een kunstboek waarin het oeuvre van de schilder wordt doorgenomen is het een geschiedschrijving die de man in de tijd plaatst. Hij laat zich inspireren en wordt beïnvloed door zijn omgeving namelijk en door de tijd waarin hij leeft, of in dit geval heeft geleefd. Hoewel Jan Mankes chronologisch thuishoort in het begin van de 20e eeuw, sluit zijn werk inhoudelijk en stilistisch aan bij de fin de siècle-stroming. Qua sfeer, symboliek en esthetiek past het bij de thema’s verstilling, introspectie, natuurmystiek en bezit een zekere melancholie.

    De monografie met teksten van Stefan Kuiper, Froukje Pitstra en Marlene Deutinger legt leven en werk van Jan Mankes uit. Hoe de omgeving naar hem kijkt maar vooral op welke manier hij de wereld ziet. Doordat Mankes zijn gedachten in brieven op papier heeft gezet is het leven van de schilder als een puzzel in elkaar te schuiven. De lezer leert de persoon achter de kunst kennen. In dit geval spreekt niet alleen het werk voor zich, maar onderstreept de biografie het nog eens vet.

    Fluisteren met verf en kleur

    Jan Mankes leeft in een tijd dat er veel veranderingen gaande zijn, het zijn onstuimige tijden. Wordt hij kort voor de eeuwwisseling geboren, raakt hij onder invloed van een gewijzigde kijk op de mensheid en maakt de eerste grote oorlog in Europa mee. De kunstwereld verzet de bakens en slaat wegen van het experiment in. De kunst is niet slechts meer documentatie, een kopie van de zichtbare werkelijkheid, maar laat in abstracte afbeeldingen ruimte voor de emotie. Mankes echter lijkt schijnbaar op een afstand van het woelige westen een eigen sfeer te scheppen. In eerste instantie vormt zijn verstilling zich in Friesland, langs de Schoterlandse Compagnonsvaart in het lintdorp Beneden Knijpe dat zucht onder de vervening. Later vindt hij geluk in Den Haag, maar moet om zijn gezondheid rusten in Gelderland. De plaats Eerbeek is zijn laatste adres, daar het leven van de schilder voortijdig eindigt. Althans op relatief jonge leeftijd moet hij het tijdelijke voor het eeuwige inruilen.

    Op de leeftijd van 30 jaar heeft hij dan al een bijzonder oeuvre opgebouwd dat wordt geroemd om de onderscheidende kwaliteiten. Met verf en kleur weet hij als geen ander te fluisteren en een sfeer op te roepen die weinig meer van doen lijkt te hebben met het hier en nu, schrijven Saskia Bak en Han Steenbruggen in de inleiding van de uitgave “Mooie dingen zijn zoo eenvoudig”. Het is vooral Mankes zelf die aan het woord is in de essays die over hem zijn geschreven om de kunst van deze min of meer teruggetrokken kunstenaar te duiden. Onverstoorbaar, positief wars van de zichzelf opnieuw uitvindende kunstwereld, ontwikkelt hij een vorm van onwerkelijk realisme dat in stilistisch opzicht gerelateerd is aan de schilderkunst van de oude meesters. Echter grijpt hij niet terug, maar blijft bij zichzelf. Hij houdt zijn werken klein en de onderwerpen onder handbereik.

    Wordt zijn werk vaak beoordeeld op techniek en stijl, in het boek komt meer het gevoel dat door de schilderijen en het grafiek spreekt tot uiting. De sfeer van geheimzinnigheid en melancholie wordt bepaald door momenten van de dag, het schemeren van de avond – het meest weemoedige moment van de dag – weerspiegelt vooral de mysterieuze kant van de schilder, het stille water met de diepe grond. Zijn werken ademen de stemming van de donkerte, waarin gedachten filosofisch met de beschouwer aan de haal gaan. De avondlijke sfeer is een herkenbaar terugkerend motief volgens Stefan Kuiper in zijn essay: “Op geen ander moment zijn we ons zo bewust van het verstrijken van de tijd als tijdens die ogenblikken waarop het laatste licht wegsijpelt. Geen ander moment is tegelijkertijd zo vervuld van verlangen.”

    Mankes thuis in Belvédère

    De schilderijen hebben een diepere lading dan op het eerste gezicht aanschouwelijk is gemaakt. In de weergegeven onderwerpen schuilt symboliek, deze zijn een metafoor van hoe Mankes zijn wereld aanziet en beleefd. De emotie is voortdurend in de abstracte realiteit aanwezig. De spirituele verstilling is nooit ver weg. Ieder werk is een meditatief moment op zich. Het is dat wat het werk ook nu nog, meer dan een eeuw na zijn dood, veel mensen aanspreekt. Mooie dingen die in handen van Jan Mankes zo eenvoudig schijnen. Zo teder en liefdevol op doek zijn gezet of op koper getekend en in hout gegutst. Bij het kijken naar deze werken overvalt mij bij wijze van spreken een vlaag van melancholie, een mistroostig gevoel kruipt vanuit mijn onderbuik omhoog. Het is dit sentiment van ‘Het Dorp’ van Wim Sonneveld of de ‘Zuiderzeeballade’ van Sylvain Poons. Voor de oppervlakkige kijker straalt het die melancholische nostalgie uit, de hang naar hoe het was en niet meer zal zijn. Zo zal Mankes dit tijdens het schilderen niet doorvoelt hebben. Hij schiep zich een wereld die paste aan zijn gemoed, zijn wezen. Een wereld die achter de waarheid schuil gaat, halverwege de droom en het ontwaken. Geen droomwereld, maar een dromerige wereld. Wie namelijk dieper kijkt dan de huid merkt het innige schilderen, het onderwerp dat van binnenuit straalt. “Kunst is uiting geven aan geestelijk leven”, vond Mankes zelf. “Aangezien het zuiver geestelijke, het ontembare niet te noemen is, neemt men stoffelijke dingen te baat als middel.

    Zonder arrogant te klinken beweer ik dat Jan Mankes thuis hoort in Museum Belvédère. Want heeft hij niet een belangrijk deel van zijn oeuvre aan Het Meer gemaakt, langs de Woudsterweg gelopen om tot rust en inkeer te komen, misschien voorvoelt dat daar ooit een museum opgezet rond zijn werk zou komen. Natuurlijk is Gelderland ook een plek, met name Arnhem en Gorssel dat een driehoek maakt met Eerbeek, waar Mankes’ werk plaats heeft. Echter is Oranjewoud toch bij uitstek het dorp waar Jan Mankes zicht op had gekeken vanuit zijn atelier. Het museum is zijn thuis en wanneer er op een bijzonder moment daar geen Mankes te zien is raken bezoekers verbolgen.

    Tentoonstellingen

    De monografie en de dubbeltentoonstelling geven deze schilder van de kleine dingen een bewuste positie in de kunstgeschiedenis. Nog nu klinkt zijn filosofie van het schilderen door en laten kunstenaars zich door hem inspireren. Zij gebruiken niet één-op-één zijn stijl, maar laten de geestelijke visie voortleven, de verbeelding en het overstijgen van de werkelijkheid. In het boek worden een drietal hedendaagse kunstenaars genoemd waardoor het werk van Mankes tot in de 21e eeuw resoneert. De uitgebreide oeuvrelijst maakt het boek tot een bijzonder naslagwerk. Door archieven, brieven en documenten diepgaand uit te pluizen is een voor dit moment complete lijst van werken opgesteld. De samenstellers Jan de Lange en Maarten van Doremalen hebben er kennis en tijd ingestoken om alle werk van Jan Mankes met gegevens boven tafel te krijgen. Wetende dat er nog meerdere werken aan de lijst zullen kunnen worden toegevoegd. Hoewel de aanleiding allang uit de tijd is, is het overzicht van wezen en werk een levende bron.

    Waar Museum Belvédère zich in de presentatie richt op de periode waarin Mankes in Friesland woonde en werkte, relateert Museum Arnhem zijn werk aan dat van generatiegenoten en met hedendaagse geestverwanten. Zo ontstaat er overzicht en inzicht. Is het werk in de musea bij wijze van spreken aanraakbaar, en maakt de dubbeltentoonstelling bewust op welke manier dit doorklinkt naar de huidige tijd. Jan Mankes begreep de kern van zijn tijd, de essentie van het wereldgebeuren. De grond van het bestaan is bezinning, stil tot inkeer komen, meditatief wat was overdenken om verder te kunnen. Leren van het verleden. Mankes maakte dit in zijn werk zichtbaar, niet meteen duidelijk. Tussen de regels door in het mijmerende verfgebaar is de verstilling te proeven. Bij het kijken naar zijn werk, live in de musea of bladerend in het boek, ben je voor een moment van de wereld om deze te reflecteren.

    Jan Mankes. Mooie dingen zijn zoo eenvoudig. Monografie en oeuvrelijst verschenen bij dubbeltentoonstelling ‘Jan Mankes, verstilling en strijd’ in Museum Arnhem en ‘Jan Mankes, uiting geven aan geestelijk leven’  in Museum Belvédère van 25 januari tot 24 augustus 2025. Uitgave van beide musea bij Waanders Uitgevers, 2025.

  • Kunst is de afslag nemen om van de vertrouwde route te raken

    Wanneer alles al is gezegd en geschreven. Ieder beeld een afbeelding heeft gekregen en elke stemming een melodie. Wat kan er dan nog worden toegevoegd om de beleving compleet te maken. De cirkel lijkt al rond. En toch weten kunstenaars – beeldmakers, toonzetters, woordvormers – daar iets origineels aan toe te voegen, iets wat nooit eerder gezien of gehoord is, nooit is opgemerkt. Een ingeving, een inspiratie, om wat niets is iets te laten zijn. De kunstenaar recyclet het ongeziene in een object wat gezien kan worden, het ongehoorde in gehoord kan zijn. Een lege drager krijgt beeld zoals nooit te zien, te lezen of te horen was. Veel beeldbouwers vinden letterlijk het wiel opnieuw uit, omdat de kunst zich blijft door ontwikkelen, blijft voorwaarts gaan. Dat is de kopgroep die voor het peloton uit koerst. De voorlopers komen het eerst aan de meet, terwijl de volgers op een afstand nakomen. Het is een metafoor die de spijker op de kop slaat.

    Heeft de componist slechts 8 noten om mee te werken en de beeldend kunstenaar maar 6 kleuren om mee te scheppen. Toch zijn daar genoeg mogelijkheden tussendoor om niet gelijkend te klinken en om niet overeenkomend te tonen in vergelijking met een eerder gemaakte compositie. Een reproductie van wat was, een kopie van dat is, is een verrijking van het bestaande wezen, een aangename variatie op het thema. Toch weten voortrekkers, noem het influencers, niet te variëren maar nieuw uit te vinden, een thema te verbreden niet te verlengen. Zij zijn origineel in denken en doen. Zij weten het scala aan onderwerpen te vergroten. Is de verlenging een kopie van techniek en verbeelding, de verbreding geeft een ander inzicht en uitbeelding.

    Mee in de algemene emotie

    Is de kunst een kopie van de werkelijkheid, het vernieuwende is een beeldende afdruk van de beleving. Wat ik zie kan herkenning geven, maar aan het abstracte beeld herinner ik mijn emotie. Het raakt mij in de ziel, kan overdonderen. Maar het kan zijn dat mijn antenne niet staat afgesteld op de zender en ik de essentie mis van het beeld dat ik beschouw. Dat kan. Maar dat hoeft geen probleem te zijn zolang het gepresenteerde maar in de waarde blijft waarmee het klaarblijkelijk is gemaakt en wordt aangeboden. De voorlopers, de lijsttrekkers, gaan immers aan de meute vooruit. Nu, vandaag en hier wordt de kwaliteit nog niet gezien, omdat het begrip er nog niet is. Pas later, morgen en daar is er herkenning in het tentoongestelde en wordt het begrepen. Dat is de kant die zichtbaar is, de tastbare werkelijkheid, althans de waarheid volgens deze individuele kunstenaar. Het onzichtbare dat zich achter het beeld bevindt, dat is het gevoel en deze is universeel. Ook wanneer ik het aanraakbare niet kan vatten, ga ik mee in de algemene emotie.

    Deze alzijdige emotie is strak aanwezig op dit moment in Afslag BLV bij het Kunstenaarscollectief De Tegel. De vier kunstenaars van het collectief onderzoeken hoe beelden, materialen en concepten verschuiven in betekenis. Zij vragen zich in hun composities af wat echt is en wat een kopie, waar ligt de grens tussen origineel en reproductie zo willen ze weten. In hun werk proberen ze daarom het evenwicht uit tussen herkenning en vervreemding, tussen constructie en illusie. Met mij als toeschouwer bevragen zij de werkelijkheid opnieuw en vanuit diverse tegenstrijdige standpunten. Het onderzoek geeft een persoonlijke visie en kan visueel vervreemdend werken. De uitkomst kan voor de maker duidelijk zijn, maar voor de beschouwer raadselachtig.

    De hand van de meester

    De bedoeling kan op die vage scheidslijn tussen oorspronkelijk en nabootsing liggen of beter gezegd tussen authentiek en replica. Dat kunst een doorslag is van de realiteit was vastgesteld. Dus kunst is sowieso een kopie, waarin de werkelijkheid op een andere manier dan de zichtbare realiteit wordt benaderd. Dan spreekt men van echt en waar, van origineel en oorspronkelijk. Maar het model voor het beelden is te vinden in de ruimte om ons heen, de omgeving, de natuur, het zijn. Kunst leert ons anders naar de dingen kijken, beter observeren, aandachtig luisteren. Het benadrukt en maakt opmerkzaam. Ook al is alle decoratie verdwenen en is de essentie van het beeld gebleven, dan nog is in de abstractie een realiteit te ontdekken.

    Terug naar de Afslag, die een afslag in de kunst aanwijst. Van het bekende pad dat herkenning geeft en een vertrouwde route volgt, stuurt deze afslag op een weg naar een conceptuele benadering van creëren. Niet alles wat gezien is kan meteen worden aanvaard als waar en echt. De composities in Afslag BLV schijnen individuele maaksels en geen producten van een collectief. Toch zijn deze de opbrengst van een kritische reflectie en onderlinge dialoog. Een eigen gedachte wordt in de groep gegooid en is besproken. Men heeft het er over, de kunst in het algemeen en de eigen waarheid. En dat geeft bijzonder originele afschriften, die aangeven dat deze onlangs afgestudeerde kunstenaars in de kopgroep voor het peloton uit koersen. Niet de uitgestippelde etappe volgen, maar een afslag nemen om aan de meet te komen. Daarin zijn elementen van en uit bestaande en eerder ontwikkelde composities te onderkennen. Een nieuw inzicht staat nooit op zichzelf en staat altijd onder invloed van de omgeving, van het toen en daar, van het hier en nu. Maar doordat deze kunstenaars de werkelijkheid opnieuw bevragen geven zij een origineel antwoord op herkenning en vooral op het waarnemen van emotie. De menselijke relatie krijgt een illustratief beeld, de intermenselijke verstandhouding heeft beeld omschrijving. Meest op een abstracte manier, maar ook wel aangrijpend en is de juiste snaar geraakt. Zoals echte kunst de juiste toon zet en een kopie altijd door de mand valt. In het origineel de geest zit en uit de reproductie het hart gestoken is. Zelfs artificiële intelligentie mist het menselijke vakmanschap, nog. Maar wanneer zal de hand van de meester node gemist worden?

    SIMULACRA. Tentoonstelling Kunstenaarscollectief De Tegel. Abel Kamps, Indira de Boer, Jens Buis, Sverre van der Velde. Bij Afslag BLV, dependance Museum Belvédère, Minckelersstraat 11 in Heerenveen. Van 2 maart tot en met 18 mei 2025.

  • Takkenhoogte, een bosje kreupelhout van verschillende kanten bekeken

    Natuurlijk was het de bedoeling om over de grenzen van de etskunst te gaan. Te experimenteren met materialen en technieken. Bestond het levenswerk van Han van Hagen uit het fijnzinnig figuratief weergeven van de werkelijkheid, zijn magnum opus blijkt juist het loslaten van de klassieke beperkingen van de etstechniek. Componeerde hij eerder landschappen, dieren en planten vooral met zwarte lijnen en vlakken in aquatint op een witte drager, nu creëert hij het beeld van een enkel takkenbos in bij wijze van spreken alle kleuren van de regenboog op meest getint papier. Het willen weergeven van die struik op alle mogelijke manieren kwam na het zien van het werk van Hercules Segers.

    Al eerder kwam in zijn studietijd het werk van Segers Van Hagen via afbeeldingen in boeken onder ogen. In de jaren 90 van de vorige eeuw was het voor hem een van de redenen om in kleur te gaan drukken. Na enkele jaren van testen en uitproberen keerde Van Hagen op zijn schreden terug en legde zich weer toe op het hem vertrouwde zwart-wit in al zijn grijstinten. De tentoonstelling van het werk van Hercules Segers in het Rijksmuseum in 2016 sloeg als de bliksem bij hem in. Van Hagen kreeg de prenten werkelijk onder ogen en het drong tot hem door wat daarin aan grafische ontdekkingen te bespeuren zijn. “Ik werd erdoor geraakt en dat bezoek gaf mijn loopbaan een opdonder.” Een schok die amper tien jaar later nog hevig door dreunt in zijn werk.

    Over de grenzen van de etskunst

    Han van Hagen wilde ook over de grenzen van de etskunst gaan, zoals Hercules Segers dat in de 17e eeuw had gedaan. Segers maakte verschillende afdrukken van een enkele etsplaat. Van Hagen nam zich voor datzelfde te gaan doen, want Segers experimenteerdrang “leverde een kik en gaf een kick. Daar lag een wereld open. Weg stramien, weg regels en afspraken.” De afdruk is telkens dezelfde, echter is er gewisseld van druktechniek en kleuren, is op en in de gedrukte afbeelding geschilderd, is gebruik gemaakt van een breed assortiment aan dragers van soorten papier tot schilderslinnen en katoen. Het wijkt in sommige composities af van een grafische weergave, de prenten lijken op schilderijen: gedrukte schilderkunst.

    Van Hagen ging over de grenzen van de etskunst en daarmee over zijn eigen toegepaste kader. Zijn er van Hercules Segers slechts 18 tot 22 afdrukken van een en dezelfde plaat bekend, Han van Hagen kwam tot een aantal van bijna 300 stuks. Allemaal variaties op het thema. En de serie kan nog voortduren, want er zijn steeds andere manieren van afwerking en behandeling te bedenken waardoor iedere afzonderlijke afdruk een eigen karakter krijgt. Een groot aantal uit deze serie is op dit moment te zien in Museum Belvédère. En om de grootte van het project niet te onderschatten is er een totale wand van de westvleugel schouder aan schouder behangen met afdrukken. Een installatie die de monumentale maat van Takkenhoogte aangeeft. Door deze manier van presenteren blijven bezoekers langer staan, wijzen elkaar op prenten en maken foto’s. Middels een tekstbord worden ze uitgenodigd tot het kiezen van een prent en te schrijven wat deze afbeelding met hen doet.

    Etsen van Hercules Segers

    Op wat voor manier kan de kunst zó prikkelen dat er een wisselwerking ontstaat tussen kunst en kijker, vroeg Van Hagen zich namelijk af. Kan het zijn dat de beschouwer van zijn werk net zo in de ziel wordt geraakt als hem dat overkwam bij het zien van de etsen van Hercules Segers. ”De vrijheid en de sfeer, die ik voelde in het werk van Segers heeft invloed gehad in mijn eigen etsen”, zegt hij desgevraagd. En er komen reacties op zijn werk. Het verbaast hem hoeveel dat er zijn, inmiddels heeft hij per email al meer dan 60 ontvangen. “Soms niet meer dan een mooie zin, een andere keer ontving ik drie kantjes. In bijna alle reacties laat de schrijver zijn of haar binnenwereld zien. Takkenhoogte is een klankbord geworden van het gemoed.

    Dat brengt mij terug naar mijn beginzin van dit artikel, namelijk dat het de bedoeling van Van Hagen was om over de grenzen van de etskunst te gaan. Dat was het vooropgezette plan: hoever is het etsen uit te smeren in de kunst zodat er nog steeds gesproken kan worden van grafiek. Op hoeveel manieren kan een enkele afbeelding in een serie van afdrukken worden bewerkt. In welke mate kan een aanslag worden gepleegd op de klassieke etstechnieken, hoe onorthodox kan het etsen zijn. Dat voornemen heeft Van Hagen ten volle uitgebuit. Met een niet aflatende behoefte om te experimenteren is er een ruim scala aan afwisseling en verscheidenheid ontstaan.

    Voor iedere emotie een afbeelding

    De serie had als bijkomend verschijnsel, dat Van Hagen gaandeweg merkte dat iedere afdruk een eigen karakter had. Een persoonlijk gevoel aanboorde, een individueel gemoed aansprak. Bij iedere afbeelding bleek een bepaalde stemming te horen. De nuchtere technische zijde werd overstemt door een informele emotionele kant. Zoals afzonderlijke beschouwers een andere beleving kunnen hebben bij hetzelfde kunstwerk, zo is er in de serie Takkenhoogte voor iedere beschouwer een eigen afdruk. Uiteraard kan dat per dag verschillen; kan het vandaag deze zijn, terwijl het gisteren die andere was en het morgen de volgende is. Zo heeft Takkenhoogte al de emoties die er voorhanden zijn in zich. Zijn alle uitkomsten mogelijk, heeft ieder resultaat een verwachting.

    Voor Han van Hagen is dit gegeven geen bijzonderheid, want dat is de bekende kwestie in de kunst. Het is een persoonlijke aangelegenheid, je vindt iets mooi of niet, het probleem van de smaak. In Takkenhoogte is voor iedere emotie een afbeelding, voor elk gevoel een gedrukt vel. De struik, het bosje, blijft telkens hetzelfde – de zakelijke kant. De bewerking geeft voortdurend een andere beschouwing – de emotionele laag. Want dat is het geval, Van Hagen heeft een extra dimensie aan het etsen toegevoegd. Iedere afdruk van dezelfde plaat heeft in nabewerking een of meerdere lagen aan gewaarwording gekregen. Dat kan een positieve sensatie zijn, maar tevens een negatieve prikkel geven.

    Voor de uitgave die als catalogus min of meer bij de tentoonstelling hoort vroeg Van Hagen hem bekende en bevriende collegae in de kunst en daaraan gerelateerd een prent te kiezen en op te schrijven wat deze prent bij hen teweeg brengt. Evenals hij later zal doen aan de bezoekers in de tentoonstelling, zoals hierboven beschreven. De teksten die in het boek zijn opgenomen, dus de emoties die het werk oproept, gaan over verlies, troost, vreugde. Er wordt een gebeurtenis uit het verleden herbeleefd, herinneringen kleuren het beschouwen. Ook nodigen prenten uit tot het uiten in andere kunstvormen, zoals een poëtische beleving of een muzikale interpretatie, “Het resultaat stemt mij blij”, laar Han van Hagen weten. “Kunst doet waarvoor het bestemd is, zij zet aan tot ervaren, denken of leidt  tot ontroering, een binnenwereld wordt bereikt.”

    Takkenhoogte. Tentoonstelling prenten van Han van Hagen bij Museum Belvédère in Heerenveen-Oranjewoud tot 22 juni 2025. Uitgave Takkenhoogte, Geïnspireerd door Hercules Segers. Han van Hagen. Uitgeverij Noordboek, 2025.

  • Hij is niets – zijn kunst is alles

    Dat boek van Oscar Voch, dat los-vast catalogus is bij de tentoonstelling ‘fluisteringen’ in Museum Belvédère, dat boek is welbeschouwd niet enkel een kunstboek gezien in het licht van de beeldende afbeeldingen daarin, maar zeker ook in de denkbeeldige teksten. Oscar Voch is een kunstenaar die op twee benen loopt, maar zich vasthoudt aan een duidelijk idee en een scherpe mening over zijn kunst en de Kunst in het algemeen. “Goede Kunst is half werk. De andere helft ontstaat in de geest van de beschouwer.”

    Hij is een begenadigd beeldmaker en een begiftigd schrijver – beeldbouwer met woorden. Zijn filosofische bespiegelingen kan Voch kwijt in fotowerken, gemanipuleerde fotografie. Maar ook in oneliners, stellingen en korte verhalen. In de taal komt hij meer zichtbaar tot een punt, geeft hij makkelijker uitleg van zijn gevoelens. In het beeld brengt Voch een mystieke ofwel mysterieuze inslag in de openbaarheid. Zijn standpunt in woorden is beter te volgen. Dat wil echter niet zeggen dat hij in beelden geen meester is. Het verhaal snap je in eenmaal of tweemaal lezen, het beeld begrijp je pas wanneer het intiem en intens wordt beschouwd. “Scheppen is of moet zijn: herscheppen. Het opnieuw scheppen van de werkelijkheid, maar in een andere vorm.”

    Eigenzinnig, een perfectionist

    Zijn kunst heeft geen woorden nodig, het spreekt voor zichzelf. Nauwkeurig bekeken. Uitleg is wel op de plaats voor zijn visie op kunst en de Kunst. Op zijn eigen bewegen in dat métier. Hoe hij er tegenover staat. Deze filosofische reflecties tillen automatisch zijn werken naar een hoger peil. Maar ook zonder het boek te lezen en enkel plaatjes te kijken, is de kracht van zijn leven en werken, zijn doen en laten te onderkennen. Oscar Voch weet zich in beelden poëtisch te uiten. De fotowerken zijn als gedichten, de figuratie in het beeld rijmt, de beeldmerken verhouden zich ritmisch tot elkaar. Naast proza waarin hij mijmert over de Kunst schrijft hij poëzie. Ook daarin is het metrum en de klanksymboliek in orde, even perfect afgewogen als in zijn beeldende kunst. Want alles moet kloppen en samenvallen met de idee van de kijker casu quo de lezer. Opbouw en begrip vergen tijd. Niet meteen is het punt gemaakt en doorzien.

    Oscar Voch is een bijzonder kunstenaar. Eigenzinnig, een perfectionist. Zijn oeuvre is beperkt, omdat een werk pas klaar is wanneer het af is. En dat af gaat door de ogen van de kunstenaar door een strenge selectieprocedure. Een werk is niet zomaar af, het valt niet zelden buiten de boot en verdwijnt in de prullenbak. In het boek en tijdens de tentoonstelling zijn 50 fotowerken te zien die door de ballotage zijn gekomen, waar Voch dubbel en dwars tevreden over is. Deze zijn volgens hem voldragen en voltooid. “De kunstenaar die denkt, ik ben er, is nergens meer. Een kunstenaar is hoogstens voor het moment tevreden.

    Idee van schilderijen

    Die voltooide werken zijn de hoofdwerken – voor een tweeërlei uitleg vatbaar. Het zijn de voornaamste werken, en ze zijn ontsproten in de gedachte. Geïnspireerd op het leven om het leven in zinnebeelden te duiden. Volgens Voch zijn het zelfportretten zonder dat zijn hoofd altijd in beeld is. Want in ieder werk is hijzelf aanwezig daar hij het is die het heeft gemaakt. Ook komt zijn kop op en in menig werk voor, want je hebt jezelf toch altijd bij je. Jou gezicht ken jij zelf het best, dus jij kunt jou mimiek eenvoudig bijstellen. Als eigen opdrachtgever heb jij jezelf in de hand. “Ik ben niets – mijn Kunst is alles.”

    Hoewel het fotowerken betreft hebben de composities het idee van schilderijen. Voch stelt het hoofdwerk samen uit diverse gedetailleerde beelden. Zo ontstaat een collage terwijl de oorsprong van knip- en plakwerk niet te achterhalen is. De fotograaf maakt er een schilderachtig geheel van middels computerprogramma’s als Photoshop. Hij neemt uit een beeldcollectie, een plaatdatabank, de meest aansprekende delen om er een welluidend en spraakmakend resultaat van te krijgen. Zet zijn werken niet overvol met details en figuratie, want minder is meer – om de boodschap te brengen is weinig woord in dit geval beeld nodig.

    Versiering hoort in de Kunst niet thuis. Want  het draagt niet bij. En wat niet bijdraagt, is te veel. Omdat het afleidt en daardoor verzwakt.

    Kitsch schreeuwt, kunst fluistert

    Dan vervolgt het boek met vroeg werk, waaronder composities die zijn gemaakt toen Voch nog niet beschikte over digitale technieken en hij dus niet diep in het beeld kon ingrijpen. Ze tonen wel dat hij al de goede weg is ingeslagen. Dat hij het pad van de melancholie met verve bewandelt, maar dat deze scherp wordt afgebeeld en niet in nevelen is gehuld. Interessant is het hoofdstuk ‘schetsen/varianten/proeven’, omdat dit een blik in de keuken geeft. Dat ik over zijn schouder meekijk op het computerscherm en beschouw hoe een digitale collage tot hoofdwerk wordt. Het pad ligt bezaaid met struikelstenen, is gevuld met hobbels en gaten. Het is een mijnenveld waarin Voch moet oppassen waar hij zijn voet zet voor een volgende stap. Soms merk je in deze werken dat hij wel het idee heeft, maar dat de uitwerking nog geen daadkracht kent. De inspiratie heeft beeld, het resultaat kan echter een andere draai hebben gekregen tijdens het proces.

    Om het oeuvre compleet te maken, want de cirkel hoort rond te zijn, is een beeldcategorie ‘curiosa’ toegevoegd. Daarin is Voch minder serieus, kan er weleens een grapje vanaf en staat de lach nader dan de snik. In min of meer huiselijke kring maakt hij onder meer kerstkaarten en promotiemateriaal, die toch niet onder de korenmaat moeten blijven. “Kitsch schreeuwt. Kunst fluistert.”

    Publicist Lex van Haterd zet in een verkorte biografie leven en werk van Oscar Voch op rij in de tijd. Hij vraagt en geeft antwoorden op vragen als wie en wat Oscar Voch is. Is hij minder beeldend kunstenaar of is hij meer beschouwend schrijver. Wat zijn de thema’s en motieven die Voch als onderwerp opvoert en waar vindt hij de inspiratie. Zet de kunstenaar zelf al de deur van zijn werkkamer open, Van Haterd doet zijn kunstige werkwijze uit de doeken. Het geeft een verhelderend beeld op de vervreemdende beelden die gezien kunnen worden. Wie Oscar Voch is daar geeft de publicist geen sluitend antwoord op, want zullen wij elkaar als mensen volledig kunnen kennen. “Een eenling, een individualist, een solist is hij ook, hij wil wel bij een groep horen, maar alleen als hij zijn persoonlijke vrijheid kan behouden.” De belangrijkste motivatie voor het boek is dat Voch wil blijven bestaan, ook na zijn dood. “Mijn grootste angst is dat mijn digitaal fotografische kunstwerken later in een kartonnen doos tegen een boom staan in de regen”, vertelt hij Van Haterd. “Mijn fotowerken staan in een boek, mijn werk is beschreven, dus ik besta!

    Contemplatie

    Bij Museum Belvédère vindt het werk van Oscar Voch een klankbord in de schilderijen van Jan Mankes. Op het eerste gezicht lijkt het een vreemde combinatie, maar is niet toevallig gemaakt want de weemoed die in beide oeuvres ligt besloten hebben een duidelijke relatie tot elkaar. Mankes bracht met verf en penseel een melancholieke sfeer die Voch met moderne technieken doorzet. Niet zozeer in onderwerpkeuze staan ze op dezelfde lijn, maar wel in stemming en het oproepen en in beeld brengen van een zwaarmoedig gevoel. Zij het dat er geen depressieve kijk op het leven en de wereld wordt gegeven. Het is in beide gevallen een verbeelding van een contemplatief leven. “Aan het artistieke gehalte van een kunstwerk moeten we gaan twijfelen, wanneer het veeleer gedachten dan gevoelens bij ons oproept.

    Contemplatie betekent letterlijk het scheiden van iets uit zijn omgeving, en dat is vooral wat Voch met zijn werk doet. Dat iets zet hij in een afwijkend decor, zodat hij zich in beeldspraak kan uitdrukken. Mankes had dat zicht van nature en hoefde het beeld niet te manipuleren om de verbeelding te laten spreken. Toch zijn het twee zielen één gedachte, hoewel de tijd hen beide afzondert kunnen ze optrekken in een enkele tentoonstelling. Niet naast elkaar, nog wel gescheiden door een wand. Dus de bezoeker moet het gevoel opgedaan bij Mankes werk vasthouden wanneer hij om de hoek de fotowerken van Voch bekijkt, en andersom. De kunstenaars fluisteren beide het leven, spreken op zachte toon het zijn. Dat maakt het werk zo intiem en eigen.

    Oscar Voch. Tentoonstelling “fluisteringen” bij Museum Belvédère tot 22 juni 2025. Uitgave  “Fotokunst – Photo art”. Highbrow House, januari 2025.

  • Jan van der Kooi is zichzelf wanneer niemand kijkt

    Het schijnt zo eenvoudig te maken. Het zelfportret. Want je hebt jezelf toch altijd bij je. En stil model zitten is makkelijk, want geconcentreerd kijk je naar jezelf dus onbeweeglijk in de houding ben je sowieso. Het lijkt niet moeilijk. Een landschap tekenen. Het ligt er statisch bij. De enkele windvlaag die de boomtoppen vriendelijk doet zwaaien, de troep vogels die rumoerig overvliegt, het storende gezoem van een bij op zoek naar honing – je hoeft dat allemaal niet te registreren en vast te leggen in krijt op papier. Zo gemakkelijk is dat echter allemaal niet, schijn bedriegt. Tekenaar Jan van der Kooi weet dat en onderkent dit. Het model is onder handbereik, maar blikt iedere dag anders, elk moment heeft een eigen oogopslag.

    Een kop tekenen is geen sinecure. Men gebruikt zichzelf wel om de portretkunst te oefenen. Om het kleurgebruik van huid en haar in de vingers te krijgen. Glimmertje in de ogen, stand van de neus, glanzende lippen – het maakt en breekt de herkenning. Je hebt jezelf zoals geschreven bij de hand, dus dat maakt je bijdehand om te schetsen met potlood en verf. De plaatsing van ogen, neus en mond kan naar verhouding correct ingepast worden. Maar om daaraan een stemming te geven of een karakter in te brengen is minder ordelijk te doen. De gelaatkunde in de beeldende kunst is van een andere orde. Het is een kunst op zich om de persoonlijkheid in een portret te brengen, de ruimte in het vlak te krijgen.

    Iedere lijn

    Iedere lijn in Van der Koois zelfportret heeft een functie, is doelbewust gezet. Elke stip of veeg is belangrijk als onderdeel van het geheel. Evenzo geldt dit voor het landschap, dat eigenlijk een portret is van de omgeving. Het schijnen allemaal beelden of beeltenissen van eenzelfde karakter; het portret Van der Kooi, het landschap De Veenhoop. In het geval van het zelfportret klopt dat. Bij het landschap valt dit tevens te rijmen, hoewel wanneer je hier of daar kijkt en dus van standpunt verandert en zichtlijn wijzigt de indruk anders is.

    Iedere dag heeft de eigen zorgen en deze tekenen zich af in de uitdrukking van het gelaat. Eigenlijk toont Van der Kooi in het portret een getekende autobiografie. Uit de koppen straalt zijn levensverhaal. Het is een serie in zijn oeuvre, voor iedere week een portret. Zo zie ik hem door de tijd gaan, het zijn leven. In de rimpels lees ik zijn geschiedenis zoals de tijd uit de jaarringen van een boom gepuurd kan worden.

    Geen dood getekende afbeeldingen

    Jan van der Kooi toont in Museum Belvédère veel van die zelfportretten en een veelvoud aan landschappen. Onder de titel “Wie ben je als niemand kijkt”. En inderdaad kijkt er niemand wanneer hij zichzelf vastlegt in het atelier. Turend in de spiegel naar Jan. Wie is hij dan, op dat moment. Niemand ziet hem zwoegen op zijn eigen karakter. Volgens mij is hij daar zichzelf, is hij daar Jan die Van der Kooi vastlegt. En dan, wanneer deze tekeningen een tentoonstelling krijgen en worden gezien, waar kijk ik dan naar, wie zie ik dan. Ik zie Jan, hemzelf, dat is hij. En hij kijkt me wel vorsend aan, zijn getekende blik doorboort mijn gedachten. Het is alsof hij mij doorziet, mij oogt wie ik ben. Terugkijkt vanaf het papier. Hij zag zichzelf, maar in het museum ziet hij mij. Priemende blik, gefronste wenkbrauwen. Veelal met de bril op de punt van de neus beschouwt hij mij, kijkt over het montuur en bepaald mijn blik. Hij biologeert mijn wezen, waar hij eerst zich concentreerde op het eigen zijn. Die onderzoekende oogopslag speurde naar het wezen achter zichzelf, het bestaan in de plooien van het eigen gezicht. En nu deze portretten de ruimte vinden staren ze vanaf de wand naar mij en al die andere bezoekers.

    De werken van Van der Kooi zijn geen dood getekende afbeeldingen. Geen tot in de poriën en tot in de grassprieten vastgelegde werkelijkheden. Hoewel deze realistische portretten en landschappen herkenbaar en plaatsbaar zijn, heeft Van der Kooi er een abstract wezen ingebracht. Als de Schepper er leven ingeblazen. Het zijn geen plaatjes maar levende voorstellingen. Met veel beweging in de lijnvoering is het alsof het portret een knipoog geeft, alsof er opeens een wolf uit het struikgewas kan opduiken. Ik hoor hem grinniken, Jan, zich verkneukelend over al dat aapjes kijken en die verbaasde en bewonderende blikken. Ik hoor de vogels fluiten boven de velden, de zuchtende wind die de bladeren laat ruisen. Van der Kooi heeft de ziel van het wezen geraakt. Zijn wezen en dat van het landschap.

    Langs de boorden van de Veenhoop

    Van der Kooi werkt in traditionele tekentechnieken en heeft een geheel eigen stijl ontwikkeld die het midden houdt tussen realisme en expressionisme”, lees ik op het tekstbord bij de tentoonstelling. Het zijn derhalve geen oppervlakkige werken die ik beschouw, tonen niet sec een gelijkenis, maar boren een diepere laag aan. Die laag waarin de meester zich fijn voelt wanneer niemand kijkt. Hij is alleen in het atelier, eenzaam met zichzelf bezig. Observeert het ego en reflecteert het ik. Toont niet hoe mensen hem zien, de buitenkant. Maar laat de ervaring zijn, het gevoel, de binnenkant. En daarna wordt het in de openbaarheid gegooid, krijgt het beeld in een tentoonstelling. Want het moet gezien worden, onder de mensen komen. En dan kunnen de bezoekers er iets van vinden. Dan is echter de maker er niet bij, deze houdt zich afzijdig. Door de tekening gaat hij figuurlijk in gesprek met degene die naar de tekening kijkt. Kijkt hem aan van achter of over zijn bril, observeert mij, kijkt door mij heen als het ware. Kijkt zo streng en scherp alsof hij bezig is van mij een portret te maken. Dat ik het model ben. En dan loop ik langs de boorden van De Veenhoop, op de oevers van de Headamsleat. Want ik raak in verlegenheid van die priemende blik, die mij achtervolgt en scherper doorziet als dat ik naar mijzelf kijk. Want wie ben ik als Jan van der Kooi kijkt. In die natuur vind ik de schepper terug. De tekenaar die de omgeving schetst. In de gelaagdheid is hij abstract aanwezig, zijn geest waart door het veld omdat het beeld heeft gekregen zoals hij het zag, zoals hij het heeft beleefd.

    Naar de geest van de klassieke meesters, in de lijn van de kunstgeschiedenis, tekent Jan van der Kooi de zelfportretten. Schetst hij het landschap. Zoals de opdrachtgever verlangt dat een portret naar waarheid de geportretteerde eer en recht aan moet doen, zo heeft de kunstenaar de vrije hand om zichzelf te tekenen. Het portret dient te beantwoorden aan uiterlijke schijn, de schoonheid zal afstralen van het evenbeeld. Echter wanneer de tekenaar of schilder zichzelf als model neemt kan hij of zij voorbij gaan aan de esthetiek en beelden naar de waarheid achter het zichtbare. Dan komt de ware aard naar boven.

    Wie ben je als niemand kijkt. Kamerpresentaties getekende zelfportretten en landschappen van De Veenhoop. Jan van der Kooi. Museum Belvédère, van 25 januari tot 22 juni 2025.

  • Ruud van Empel monteert foto-objecten

    Ben ik nog maar amper herstelt van het feit dat ik mijn blik moest lostrekken van de kamerpresentatie “Van nature” bij Museum Belvédère. En ben ik glad door mijn superlatieven heen om de kunst van Daniëlle van Broekhoven daar te beschouwen. [Zie artikel “Drift tot schilderen druipt van doeken”] Loop ik om de hoek figuurlijk tegen het werk van Ruud van Empel aan. Verrassend. In een kleine presentatie staat ook hier de natuur centraal. Museum Belvédère liet het werk van Ruud van Empel al eens eerder zien in een grote overzichtstentoonstelling. Deze kamerpresentatie is een kleine reprise. Net genoeg indrukken om er verbaast van te staan. Hoe speels en onbevangen het werk van Van Broekhoven is, zo gecontroleerd en beredeneerd is de schilderachtige fotografie van Van Empel. Hoewel bij beide kunstenaars de ene handeling de andere oproept. Het werk dat onder de handen ontstaat is leidend in de voortgang van het proces. De ene verfstreek bepaalt de volgende. Het ene fragment zet een volgende op de rol. Het lijkt een intuïtief proces, maar het is een inventieve groei tot er een werkstuk van waarde kan bloeien.

    Fotograaf Van Empel heeft via reizen en door de jaren heen beelden verzameld en geordend in mappen op zijn computer. Uit die duizenden plaatjes kan hij digitaal details knippen en plakken. Met het programma Photoshop kan hij de wereld fotografisch manipuleren en naar zijn hand zetten. Zijn realistisch aandoende omgevingen zijn abstracte landschappen. Enkel bestaand in zijn fantasie, waar ik mijn eigen voorstellingsvermogen op kan loslaten. Wat ik zie lijkt de werkelijkheid maar bestaat werkelijk niet. Door details uit het archief samen te smelten gaat de kunstenaar op de stoel van de Schepper zitten. Uit niets, want het begint met een leeg scherm, ontstaat stukje bij beetje, fragment voor snipper, een iets dat ergens op lijkt. Want ondanks dat de beeltenis herinneringen oproept, een deja vu schijnt, kan het nergens op lijken. Is het bij elkaar gefantaseerd. Kunnen de bouwstenen en geledingen van overal vandaan komen, want Van Empel deed ze immers op zijn reizen langs diverse binnen- maar vooral buitenlandse reizen op.

    Verzamelaar van beelden

    De impressies zijn puur handwerk, hoewel deze met behulp van de computer zijn gemaakt. Maar er komt geen kunstmatige intelligentie aan te pas. Van Empel is de meester van zijn gedachten, in zijn fantasie. Hij legt zichzelf de vragen voor hoe een berkenbos eruit zal zien, de manier hoe bloeiend gras en wilde planten op de akker groeien, welke organismen op de diepzeebodem leven. Hij geeft niet DeepSeek of ChatGPT opdracht om een illustratie volgens zijn aanwijzing te genereren. Van Empel geeft zelf de antwoorden op de vragen, put uit zijn omvangrijke database en komt zo tot verrassende platen.

    Hij noemt zichzelf geen fotograaf, maar een verzamelaar van beelden en afbeeldingen, een plaatjescollectioneur. Zijn werk is geen fotografie, hoewel hij gebruik maakt van deze techniek om er zijn composities mee samen te stellen. Zelf noemt hij ze foto-objecten. Eigenlijk maakt hij collages door digitaal te schilderen met schaar en lijm. Wie de werking van PhotoShop, of een soortgelijk computerprogramma om foto’s te bewerken, kent weet hoe arbeidsintensief het is om details uit een groter geheel te ‘knippen’ en in een ander scherm te ‘plakken’. Maar het tijdrovende werk geeft een bijzondere voldoening. Uiteindelijk ontstaat een afbeelding die geen fotograaf waar ook ter wereld zal kunnen maken.

    De werelden van Ruud van Empel bestaan niet in realiteit, maar ze kunnen er zo wel degelijk zijn. De natuur is wispelturig, druk, vol en rommelig, creatief. Zo creatief en inventief als Van Empel dat is. In zijn werken meet hij zich met de natuur. Brengt stenen van het Afrikaanse strand samen met de anemonen uit de Indische zee, legt daar enig rivierklei uit Brazilië bij en kleurt het water als in de Oriënt. Zijn wereld is een samenraapsel van wat er op deze aarde alom te vinden is. Hij past het zo zodat het klopt, hij puzzelt een fantasie. Het begint met documentair fotograferen, op zijn reizen neemt hij alles mee waarvan hij denkt dat het later bruikbaar kan en zal zijn. Thuis in de studio volgt een intensief montageproces waarin alle beslissingen worden genomen om tot een resultaat te komen dat in balans is, dat beeldend klopt. Het is een kwestie van schuiven en kijken wat er gebeurd, zien wat het samen doet. Van Empel heeft de compositie onder controle en probeert aldus een realistische foto na te bouwen, schilderachtig en abstract. Hij monteert het beeld uit verschillende foto’s in lagen die transparant van elkaar gezet zijn zodat er in het platte vlak diepte is gesuggereerd. Maar er klopt nooit iets in zijn montagekunst. Het is een onmogelijk gedetailleerd beeld, hoewel het allemaal uiterst realistisch overkomt. Het gaat Van Empel om de vormen, niet om de realiteit weer te geven. Doet hij dat wel dan zou dat heel beperkend zijn. Hij beeldt het leven uit in al zijn meest bizarre vormen, het kan lelijk en mooi tegelijk zijn. Zijn collages geven geen biologisch realistisch kloppend beeld weer. Het zijn zoekplaten om de herkenning te duiden.

    Kamerpresentatie Ruud van Empel bij Museum Belvédère, Oranje Nassaulaan 12 in Heerenveen-Oranjewoud. 25 januari tot 30 maart 2025.

  • Drift tot schilderen druipt van doeken

    Het schilderij dat gemaakt moet worden. De inspiratie die het verdient een afbeelding te krijgen. Iedere keer wanneer Daniëlle van Broekhoven voor een leeg doek staat, is er de drang dit te vullen. Te bekladden met ervaringen die ze opdeed gaande langs stad en land, over berg en dal, de paden op de lanen in. De beelden die ze tijdens wandelingen opdoet gisten in haar gedachten. De ideeën voor weer een nieuw schilderij borrelen uit dat proces op. Als in een roes gaat ze aan de slag, want de verbeelding moet een afbeelding gaan krijgen.” Zo begon ik in november 2021 mijn beschouwing over de uitgave ‘Layers’: De natuur in verf vertaald en gelaagd. Ik zou dat stuk vrijwel een-op-een hier kunnen overnemen, want het standpunt van Daniëlle van Broekhoven om te schilderen is niet veranderd. Met dezelfde daadkracht gaat zij te werk, dat blijkt uit de kamerpresentatie in Museum Belvédère. Maar overschrijven of herschrijven doet haar werk geen eer aan, dus ik begin opnieuw.

    Het is niet toevallig dat de kunstenaar een schepper is. Want uit niets maakt de kunstenaar iets, zoals de Schepper van een woest en ledige wereld een vruchtbare aarde maakte, een land van melk en honing. Maar is dat niets werkelijk niks, nul, nada. Of schijnt in de donkerte toch een puntje licht al. Zit in het zwart toch een stipje wit. Is in de leegte toch een sprankje hoop. De beeldhouwer legt in de klomp steen een beeltenis bloot. Die figuratie zat altijd al in de ruige hardheid verborgen. Het was er al maar niemand anders dan de kunstenaar zag het. Zo is het beeld dat Daniëlle van Broekhoven op het lege doek vastlegt al aanwezig zonder dat het voordien zichtbaar was. Dat wat zij zag in de natuur, herinneringen en gedachten bij situaties, komt ogenschijnlijk intuïtief op het linnen te staan.

    Expressief en vol levenslust

    Mijn werk toont een weergave van natuur, maar misschien nog meer de actie van het schilderen”, schrijft zij in een magazine dat Van Broekhoven in eigen beheer uitbracht als catalogus bij haar kamerpresentatie in Museum Belvédère. Daar toont zij enkele representatieve composities uit haar oeuvre. Aan de doeken is de drift tot schilderen af te lezen. Het is geen heilig moeten dat scheppen van Daniëlle van Broekhoven, maar veel eerder en meer een gemeend willen. Ze ziet er niet tegenop aan het werk te gaan. Verzint geen andere werkzaamheden, zoals het atelier opruimen en verfpigmenten op volgorde leggen, om de dagelijkse arbeid maar zo lang mogelijk uit te stellen. Zij gaat juist graag en veel aan het werk. Het is een hoger goed waarmee ze bezig is. Ze kan niet anders maar ze wil ook niet anders. Dit is haar leven, haar zijn, haar natuur. En die levenslust straalt ze in en door haar werk af op de beschouwer. Deze wordt er vrolijk van. Weet zich opgenomen in de kleuren en de verflagen.

    Expressief en vol levenslust staan plantaardige figuraties op de schilderijen. In iedere verfstreek klinkt het plezier van de kunstenaar. Door het riet en de oeverplanten ruist de zin in het scheppen, de lol van het creëren. Althans ik denk dat ik naar riet en planten kijk. Deze verfstreken geven de idee van vegetatie, maar de flora is abstract weergegeven. De aanleiding, de inspiratie, ligt in de natuur. Maar wat Van Broekhoven ermee doet heeft, zoals ze zelf opmerkt, minder met de werkelijkheid te maken dan met het werken in een abstracte atmosfeer.

    Waarneembare realiteit en abstracte ervaring

    Ik stel me haar zo voor bezig in het atelier. Het opgespannen linnen wordt op de vloer gelegd. Het is maagdelijk wit, onbevlekt, onaangetast. Er schijnt geen figuratie te zijn nog, geen beeltenis op het doek. Maar Daniëlle kijkt ernaar, sluit haar ogen en stelt zich een herinnering voor. Er verschijnt achter haar oogleden en in gedachten een kleurig beeld. Ze opent de ogen en dat beeld wordt als het ware geprojecteerd op het doek. Ze hoeft het alleen nog maar over te trekken. Zoekt de penselen, kwasten en de verf bij elkaar, sorteert de kleuren en gaat aan het werk.

    Er is geen schets, enkel de gedachte projectie, voordat ze bezig gaat. In het hoofd houdt zich de impressie schuil, deze moet bevrijd en er via handen en armgebaren uit. De gedachte kan al werkend worden aangepast en bijgeschaafd. Ze schildert nat in nat met olieverf en acrylverf. Laag over laag. Ze schuurt delen weg en vult details in. Zo boetseert zij het beeld op doek, ontstaat uit het schijnbare niets een herkenbaar iets. In lengte en breedte een monumentaal werkstuk, in diepte een tastbare abstractie. En van de natuurlijke waarneming blijft weinig over, deze is alleen nog vaag in de achtergrond zichtbaar.

    Deze werken begeven zich tussen waarneembare realiteit en abstracte ervaring. Op die grens kan de aandacht de kant van contemplatief contact opvallen of vervliegt de voeling in het voorbijgaan naar een andere kamer in het museum. Het is nauwelijks voor te stellen dat dit werk een iemand niets doet of een ander persoon koud laat. De expressiviteit die van de impressie uitgaat is bindend. Het kleurgebruik overheerst niet, maar is zo overwogen in balans met de figuratie dat het dwingt tot kijken. En kijk je dan, dan houdt het de blik magnetisch vast.

    Magazine bij presentatie

    Het magazine bij de presentatie toont naast de werken die daar te beschouwen zijn een handvol foto’s. Het zijn platen van momenten van inspiratie. Deze fotografie past welhaast naadloos in het plaatje van wat Van Broekhoven met haar schilderijen wenst te duiden en wil vertellen. In deze foto’s zie je als het ware het schilderij opdoemen. Deze vastgelegde waarnemingen in snapshots zijn terug te vinden in haar kunst. De kunst die invoelbaar is. Waarbij ik het moment ervaar.

    Er is een foto waarop hoogwater sporen heeft achtergelaten tussen beplanting, kiezels heeft aangevoerd en achtergelaten. Voor mij is dit residu een metafoor voor de kunst van Daniëlle van Broekhoven. Haar beeld op doek is een overblijfsel van waarneming. Een bezinksel van de emotie bij de plek, het gevoel van wat de natuur te bieden heeft. En die ontroering brengt zij over op de beschouwer. Ik noem in deze de compositie ‘Pines’ bij name omdat ik het meermalen met witte handschoenen aan heb mogen vatten. In mijn tijd als collectiebeheerder van Museum Belvédère heeft deze instelling het aan de verzameling mogen toevoegen. Het bos met dennen lijkt ondergesneeuwd. Ik krijg het er koud van. Dat is wat kunst met je kan doen. Het werkt op je zintuigen. Maar in die kou is warmte, enkele verftoetsen geel en rood brengen een behaaglijke sfeer waarin ik mijn ogen te goed doe.

    Tot slot eindig ik door mijn eigen woorden van toen te citeren: “De compositie is een botanische rijkdom. Vooral wild als een vroege scheppingsdag, niet gecultiveerd en ontgonnen door de geëvolueerde mens. Het is er woest binnen de kaders, maar nooit ledig en altijd in evenwicht. Een lust voor het oog, zo moet het paradijs er hebben uitgezien, ooit eens. Het is een imaginair beeld, een onwerkelijk voorkomen. Daniëlle combineert gedachten tot een bedacht geheel. Maar het kan best wel zo bestaan.”

    Van nature. Kamerpresentatie schilderijen Daniëlle van Broekhoven bij Museum Belvédère, Oranje Nassaulaan 12 in Heerenveen-Oranjewoud. Van 25 januari tot 30 maart 2025.

  • Museum Belvédère 20 jaar: en verder…

    De jongensdroom is geen bedrog

    De kleine Thomas ging de deuren langs met zijn zelfgemaakte kijkdoos. Voor een stuiver mocht je door het gat kijken naar een landschap. Dit was zijn eerste museum. De grote Thom zet een kijkdoos in de bossen van het Friese Oranjewoud. Binnen laat hij zijn smaak in de moderne en hedendaagse kunst zien. Buiten past de natuur in zijn beeld: water, riet en veen, de uitgestrekte bossen. In dat landschap bracht Thom Mercuur zijn jeugd door, daar ging hij stropen, vissen en eieren zoeken. Met die schilders heeft hij affiniteit, daar ligt zijn gevoel, dat is mooi. Mercuur toont de eenvoudige schilder van het platteland, die groot is door de eigenzinnigheid. De provinciaal die zijn gevoel legt in de zichtbare omgeving. Het is de eenvoud in de manier waarop het landschap wordt benaderd.

    Eenvoud spreekt uit het gebouw en de omgeving. Een zwarte doos is geplaatst over het water wat eens het grand canal van een stadhouderlijke buitenplaats was. Platen basaltsteen zijn onregelmatig in de gevel gezet, waardoor er spleten vallen die worden bewoond door vleermuizen en vogels. Het gebouw ligt op de grens van natuur en cultuur, land en water, en sluit een park af dat barokke lijnen uit de zeventiende eeuw volgt. Huize Oranjewoud, het oude hoofdgebouw van dat park, was ooit lustslot en zomerverblijf van verschillende adellijke families. Staatsbosbeheer heeft, om het verdwenen noordelijke deel van de parkaanleg te reconstrueren, de landschapsarchitect Michael van Gessel de opdracht gegeven de vergeten heldere structuur terug te brengen. Om oud en nieuw samen te laten gaan, het museum aan het eind van de zichtas van het landgoed en de stijl van de Franse tuinarchitect Daniël Marrot in ere te herstellen.  Nu ligt er weer een eenvoudig park in formele aanleg met lange lanen en grachten. Gezien vanuit het huis lijkt de Prinsenwijk dwars door het museum te stromen om op te lossen in de oneindigheid van het waterrijke open Friese landschap.

    Elke kamer is een kunstwerk

    De architect Eerde Schippers heft de rechtlijnigheid van het park en het landschap rondom doorgetrokken in zijn ontwerp van het museum. Het langwerpige gebouw, 104 meter lang en 13 meter breed in één bouwlaag, zal in de loop van de tijd door haar omgeving worden opgenomen, wanneer de bomen en struiken zijn volgroeid en de gevels verkleurd. Het museum is vrijwel geheel gesloten, enkel ter hoogte van de kantoorruimten zijn de muren onderbroken door de sfeer van nauwelijks brekende ramen. Het rust op een glazen voet, bij avond lijkt vanwege het licht van binnen het geheel te zweven. Het museumcafé is een open ruimte boven het water van waaruit de bezoeker aan de ene kant over de wijk het woud inkijkt en, wanneer hij zich omdraait, over het water de boerderijen en boswallen ziet.

    De doos is globaal door het café in twee stukken gedeeld. De rechterkant geeft plaats aan de vaste collectie, waarbij de diverse expositiekamers van maat kunnen wisselen door verplaatsbare tussenwanden. Mercuur ziet elke kamer als een kunstwerk, dat voor de bezoeker rust uitstraalt. De lange diagonaal door de ruimte moet de nieuwsgierigheid in de volgende kamer trekken. Links van het café is ruimte voor wisselende tentoonstellingen. De getoonde kunst wordt enkel door kunstlicht beschenen, vanwege de geslotenheid van het gebouw. Er is een klein beetje strijklicht van buiten door het glas op maaihoogte.

    Vormgeving straalt rust uit

    De vormgeving van het gebouw straalt rust uit, zoals Staatsbosbeheer de omgeving wil laten ademen. Er schijnt weinig licht van binnen naar buiten om de dieren in het donker niet al te veel te storen. Bij de aanleg van museum en park is rekening gehouden met de bestaande natuur. Het gebouw is wel af, maar de omgeving zal nog enkele jaren nodig hebben zich te vormen. De natuur is nu nog modderig, de paden soms nog onbegaanbaar. Het heeft de tijd nodig zich in oude glorie te herscheppen.

    Rust en ruimte, eenvoud en eigenheid, dat is wat museum zowel als park willen uitstralen. Voor Thom Mercuur is het een levensmissie, die is uitgekomen. Maar het is niet enkel een vervulling van zijn droom. Begint de kunst van Mercuur bij de schilder Jan Mankes, Boele Bregman geeft hem in de jaren vijftig de opdracht een museum te stichten. De doeken van beide schilders hangen niet bijzonder te zijn tussen al het andere werk in het museum, maar hebben wel een speciale plaats gekregen. Want Mercuur geeft op zijn gevoel de kunst een plek. Hij is galeriehouder, kunsthandelaar, verzamelaar en was conservator van het Coopmanshûs in Franeker en het Fries Museum te Leeuwarden. Zestien jaar geleden begon zijn kruistocht voor het museum voor moderne en hedendaags kunst in Friesland. Eerst met het plan om een buitenmuseum te zijn van het Fries Museum aan de oevers van et Tjeukemeer. Een groots en duur bouwplan werd door architect Aldo van Eijck ontworpen. Maar het provinciebestuur doorkruiste deze plannen en het Fries Museum, verwikkeld in een reorganisatie, had genoeg aan zichzelf. Mercuur vestigt zich in een monumentaal gemaal aan de rand van natuurgebied De Deelen ten noorden van de plaats Heerenveen. Het is een gebied waar de door hem bewonderde kunst uitstekend past. Daar toont hij oud gereedschap uit de veenderij en schilders van het Friese landschap. Maar Thom blijft dromen van een echt museum.

    “Discussie over kunst is zinloos”

    Dan valt zijn oog op het Tjaarda’s Bos in Oranjewoud, met aan de voet van een gerestaureerde betonnen uitkijktoren een door Eerde Schippers ontworpen eenvoudig ogend gebouw. Het restauratiebestuur van de toren, geformeerd uit de plaatselijke Rotary Club, had wel oren naar zijn plannen. Een museum namelijk zou de exploitatie van de toren ten goede komen. Mercuur had zijn bestuur gevonden en ging vol goede moed van start. Toen al had Thom rust en stilte voor ogen.

    Want”, zei hij destijds, “belvédère betekent mooi zien en dat geldt niet alleen voor het uitzicht vanaf de toren, dat zal straks ook het geval zijn in het museum. Het moet een museum van de stilte worden, geheimzinnig en boordevol mystiek.

    Maar staatssecretaris Geke Faber gooit in het jaar 2000 roet in het eten door het plan af te keuren. In de beslotenheid van het – ooit door hotelier Tjaarda aangelegde – bosperceel mocht geen museum verrijzen. Hij had het zijn laatste poging genoemd en leek een illusie armer. Maar doordat veel bruikleengevers steun hadden toegezegd en he bestuur niet meteen wilde afhaken zette Mercuur door. In samenspel met de gemeente Heerenveen en Staatsbosbeheer werd de huidige plek gekozen. Het geheel is volledig op de schop gegaan en heeft als het ware het karakter gekregen van wat ooi het plan was bij het Tjeukemeer: land en water, rust en riet. 

    Degene, die een dwarsdoorsnede van de Friese kunstwereld verwacht hoeft niet naar Museum Belvédère te gaan, want dat is niet wat Mercuur laat zien. Er hangt juist die kunst waarbij hij een bepaald gevoel heeft, een emotie die zich niet laat omschrijven. “Een schilderij dat technisch niet goed is, kan juist mooier zijn dan iets dat wel goed is”, zegt hij daarover. “Het heeft het of het heeft het niet. Gevoel is niet te benoemen. Heel mooi is niet altijd mooi. Daar zijn geen regels voor. Discussie over kunst is zinloos: je vindt het mooi of niet, punt.”

    “Het gaat er niet om hoe je schildert”

    In Friesland is in de vorige eeuw veel kunst gemaakt die te maken heeft met het landschap waarin ze is ontstaan. De mensen komen naar Friesland voor dat platteland en daarom moet die kunst ook te zien zijn in de provincie, vindt Mercuur. “Het Tjeukemeer was een goede plek, maar dit is meer uniek. Hier valt alles op zijn plek. Ik heb het onbewuste bewust gemaakt, want de vorm is ontleend aan de schoenendoos van vroeger. Ik kan niet schilderen, dus laat ik in deze kijkdoos het werk van anderen zien, dat ik mooi vind. De mensen zullen het gevoel zien waarmee het is gemaakt en waarmee ik het heb opgehangen. Friezen als Jan Mankes, Boele Bregman en Gerrit Benner zijn heel diep gegaan. Ik ben niet zo voor de realistische schilderkunst, daar heb ik weinig mee. Het gaat er niet om hoe je schildert, als je je ziel er maar inlegt.

    Mankes heeft een eigen kamer gekregen en Benner, die erg belangrijk was voor de Friese schilderkunst, kreeg er zelfs twee. Thijs Rinsema wordt getoond in samenspel met Kurt Schwitters en Theo van Doesburg in een speciale DaDakamer. Daarnaast gaan de stijlen van Chris Beekman, Vilmos Huszar en Lou Loeber goed samen. Tames Oud is verbonden aan Jean Brusselmans, James Ensor en Floris Jespers. Zo heeft Mercuur naar eigen inzicht en idee lijnen gemaakt en relaties gelegd. De opstelling van de vaste collectie kan wijzigen door te putten uit de bron van bruikleengevers, zij zijn als het ware het depot van het museum. De wisselende tentoonstellingen zullen altijd iets te maken hebben met die vaste collectie.

    Een museum moet de tijd overal op laten inspelen”, zegt Thom. “Bepaalde dingen zijn niet uit dit museum weg te denken, daar zal het ook bekendheid door krijgen. Er kunnen dingen bijkomen, maar nooit ten koste van de fenomenen waar het om draait: Sjoerd de Vries, Willem van Althuis, Jan Snijder, Christiaan Kuitwaard. Een Picasso krijgt ze hier niet weg, want die past niet in de collectie. Het gaat mij erom een beeld te geven van hier en de raakvlakken met elders, stijlgenoten in binnen- en buitenland. Het is een museum waarin de emotie een grote rol speelt. Geen museum van het grote geweld, maar rust en stilte. Dat wil ik vijf jaar leiden en dan waait er een frisse wind, omdat iemand anders – met andere inzichten – de leiding zal overnemen. Maar het moet wel telkens met hetzelfde gevoel worden ingedeeld.”

    Gepubliceerd in Stoockx, vakblad voor makelaars/taxateurs in het hogere marktsegment, uitgave van REG Media (nu Qualis Media), januari/februari 2005. Geïllustreerd met foto’s van Dolph Kessler.