Tag: Museum Belvédère

  • Museum Belvédère 20 jaar: het begin

    Thom Mercuur en zijn museum van de stilte

    De contrasten moeten het museum leuk maken. Het is beslist niet alleen een Friese aangelegenheid. Dat zou voor de Friezen ook niet goed zijn. Daar hebben ze te veel niveau voor. Ze zijn het waard om naast de internationale schilders te staan. Ik probeer ze op een plaats te zetten waar ze thuis horen, en dat ze beslist niet minder zijn. Dat probeer ik met het museum te bereiken. Voor mijn gevoel laat ik het neusje van de zalm van de Friese moderne kunst zien.

    Op woensdag 24 november opent het museum Belvédère in Oranjewoud haar deuren. Een museum voor 20e eeuwse en hedendaagse kunst in een historisch gereconstrueerd park. Een jongensdroom komt dan uit. In de jaren 50 bedachten Boele Bregman, Thom Mercuur en Sjoerd de Vries dat het aardig zou zijn een museum te stichten voor 20e eeuwse en hedendaagse kunst. En dat hun werk dan naast tijdgenoten en stijlgenoten zou hangen. Mercuur is er 16 jaren mee bezig geweest om een en ander voor elkaar te krijgen. Tweemaal is het mislukt, maar uiteindelijk heeft het plan vorm gekregen op een unieke plek in de historische bossen van Heerenveen.

    Innerlijke bewogenheid

    Zonder Boele was Belvédère er niet gekomen. Ik was 16 jaar toen hij voor mij de deur naar de kunst opende. Nu kan ik zeggen: nou Boele, het hangt jongen, allemaal. Daar denk ik ook aan terug, want zo praatten wij er vroeger over. We hadden het over politiek, over literatuur, over film, maar vooral over beeldende kunst. Boele heeft mij leren kijken. Wij waren de jongeren en hij was de oudere. Die rol speel ik nu ten opzichte van jonge kunstenaars als Christiaan Kuitwaard, Jan Snijder en Jochem Hamstra. Ik ben altijd gericht op kijken. Het zien is voor mij heel essentieel. En dat zien heeft niets met intelligentie te maken, dat heeft met gevoel te maken. Schilderijen hebben altijd mijn fascinatie gehad. En bij wie het is begonnen? Eigenlijk bij Jan Mankes.

    Het wordt geen museum van het grote geweld, maar van de rust en de stilte. Hij toont vrij ingetogen schilders. En dat de meeste daarvan autodidacten zijn is toeval. 

    Een geweldige man

    Het gaat om de persoon en de innerlijke bewogenheid. Ik heb niets met kunstenaars die hun vaardigheid willen bewijzen. Ik houd van duidelijkheid. De fascinatie van de kunstenaar van wat hem bezig houdt, de innerlijke noodzaak, zijn leven lang. Met die schilders heb ik iets. Door die bril kan ik het alleen maar zien en hang ik ze in het museum. Ik trek lijnen van de Friezen in tijd en stijl naar vakgenoten in binnen- en buitenland. Het gaat om de stilte die het uitstraalt. Ik praat veel met kunstenaars die me aanspreken. Alleen in hen kan ik mij verplaatsen. Van anderen, die ik veelal niet begrijp, sluit ik me af. Ik heb daar niets mee, ik kan daar niets mee. Veel kunst gaat dan ook aan mij voorbij. Kunstenaars die misschien wel heel goed zijn, maar ze sluiten niet aan bij mijn gevoel en passen dus niet in de collectie en spelen daarom geen rol in het Belvédère museum. De beperking die ik mijzelf stel moet de kracht van het museum Belvédère worden. Volledig omschrijven kan ik het niet en wil ik het niet. Wanneer de deuren open gaan kan iedereen het zien. Een trainer heeft de meeste moeite met de lui die op de bank zitten. Zo werkt dat en als je daar niet tegen kunt dan moet je er niet aan beginnen. Daarom vind ik ook dat ik het maar kort moet doen – 4 of 5 jaar. De tijd heeft ook een oordeel. Het museum draagt mijn stempel, maar dat verdwijnt wanneer er een ander komt, die het ook goed doet of misschien wel beter. Een frisse wind erin als ik eruit ga, zo moet het. Het moet dan iemand zijn met een duidelijke visie en die voeling heeft met de collectie.

    Kunst zelf uitgevonden

    Gerrit Benner en Boele Bregman zijn heel interessant. Het zijn tijdgenoten. Boele is de dichter en veel met taal bezig. Benner is de expressionist, hij moest verf zien. Twee fenomenen in eenzelfde tijd na de oorlog, dat moet ik in de ophanging laten zien.En dan natuurlijk de relatie naar buiten de provincie. Dat ontstaat al filosoferend en denkend en slapend en lopend en pratend. Daarnaast zijn er de wisselende tentoonstellingen, die hebben inhoudelijk te maken met de vaste collectie. Er moet een verband in zitten, ik kan geen uitersten aan brengen in de tentoonstelling en in de vaste collectie. De eerste tentoonstelling is van Willem van Althuis. Willem is een geweldige man, zo één die de kunst zelf heeft uitgevonden, in zijn eigen abstracte vorm. En in de jaren ’70 al exposeerde in het Stedelijk Museum te Amsterdam. Van Willem wil ik graag een mooie stille tentoonstelling maken, een tentoonstelling die hij verdiend. Willem’s schildersleven was kort, door de ziekte van Parkinson schildert hij al 15 jaar niet meer. Soms jeuken zijn handen, maar eens zei hij tegen me: ‘alles wat ik te zeggen heb Thom dat heb ik toch al gezegd, waarom zou ik nog verder schilderen’.

    Friesland heeft een aantal belangrijke schilders. Thom ergert zich eraan dat deze nooit in een permanente opstelling op een goede manier getoond zijn. Wel eens incidenteel, maar later is er dan niets van terug te vinden in de permanente collectie. Van Gerrit Benner is nooit een goed retrospectief te zien geweest. 

    Subjectief beeld

    Thom Mercuur is een doener, geen vergadermens. Hij wilde ook geen directeur zijn, maar moet dat nu wel worden. Hij moet de baas zijn, anders gaan anderen zich met de collectie bemoeien. 

    Daar kreeg ik een ontevreden gevoel over. We hebben het hier in Fryslân altijd over cultuur. Daar hoort alles bij, daar hoort het landschap bij, skûtsjesilen en reedride, daar hoort zelfs voetballen bij, maar daar hoort natuurlijk ook de beeldende kunst en de poëzie bij. Dat is een totaal, dan krijgt het kracht. Maar cultuur wordt op incidenteel gesubsidieerd, daardoor mist het kracht en treedt het niet genoeg naar buiten. Ik hoop dat het nu met dit museum anders wordt. Wat ik doe heeft altijd een subjectief beeld, het is mijn idee. Objectief kun je nooit een museum maken, want er is zoveel. Ik sluit me af van video en dat soort dingen, omdat het me niet ligt en ik er geen gevoel bij heb. Het wordt bij mij een olieverf en terpentijn verhaal. Dat is de beperking die ik mezelf stel. Het moet dus een heel geconcentreerde collectie worden. De mensen moeten de liefde voelen waarmee het is uitgezocht en met wie het heeft gemaakt. Daar gaat het mij om. Dat probeer ik over te brengen.

    Naast de pasbenoemde zakelijk directeur Stiena van der Ploeg en een groep enthousiaste vrijwilligers wil ik verantwoording afleggen aan het bestuur van museum Belvédère. Met ons allen gaan we ervoor. En als tentoonstellingenmaker en ideeënman wil ik het museum gezicht geven. Ik maak er geen kermis van, dan wordt het ordinair. Het is heel gemakkelijk om dat te bedenken. Een museum van de stilte dus, naar de geaardheid van de collectie. Wat niet betekent dat het niet veel bezoekers mag trekken. Het gaat mij altijd om een artistieke kwaliteit, daar moet het museum ook in uitblinken. Door een fijnzinnigheid, door het gevoel, door smaak. Dat moet het zijn.

    Gepubliceerd in Friesland Post, november 2004.

  • Museum Belvédère 20 jaar: uit de kinderschoenen

    Uniek project in overgang tussen bos en huizen

    Het uitzicht van Belvédère op de hedendaagse kunst

    Na 16 jaar is Thom Mercuur’s droom realiteit. Op woensdag 24 november wordt Museum Belvédère aan de Oranje Nassaulaan geopend door koningin Beatrix. Het gebouw staat als landgoed afsluitend gebouw aan de rand van Oranjewoud. Het vormt de overgang tussen bos en huizen. In een gereconstrueerd parkachtig landschap houdt het museum de balans tussen oud en nieuw in evenwicht. Staatsbosbeheer heeft door een landschapsarchitect de oude lijnen van het barokke park opnieuw laten zetten. Zo is natuur en cultuur een geheel geworden en maakt deze combinatie tot een uniek project.

    Dat park wordt ook op 24 november ontsloten, maar zal minder toegankelijk zijn nog als het museum. De maanden komen aan waarin de natuur in winterslaap is en dus slechts de omtrekken van het plan zichtbaar zijn. Wanneer het voorjaar aankomt en de flora ontwaakt, zal deze krant zich in het park laten gidsen door SBB om te weten te komen waarom natuur plaats moest maken voor natuur.

    Wanneer de deuren van het museum open gaan is er veel werk verzet door zowel bestuur en directie, als vrijwilligers. In grote aantallen hebben zij zich de afgelopen maanden aangemeld om het museum op poten te zetten en voor nu en in de toekomst staande te houden. Zakelijk directeur Stina van der Ploeg regelt en controleert. Thom Mercuur maakt de tentoonstellingen en verzorgt de vaste collectie. Zo zal dit museum op particulier initiatief zichzelf gaande houden.

    Voor een gemeente is het een uniek gebeuren om zo ver en zo lang mee te denken in een particulier plan”, zegt wethouder Frans Bouwers. “Veel andere gemeenten hadden wellicht met meer aarzeling gereageerd, maar Heerenveen heeft als een soort makelaar alle partijen bij elkaar gekregen voor die plek in Oranjewoud.”

    Zonder de steun van de gemeente Heerenveen, de provincie Fryslân en Rijks- en Europese fondsen via  SNN (Samenwerkingsverband Noord-Nederland) zou het museum niet gerealiseerd zijn. Maar in de exploitatie wordt niet gesubsidieerd. De schilderijen en tekeningen die getoond worden komen voor een groot deel uit privé collecties en zijn in bruikleen aan het museum gegeven. Ook een deel van het bezit van Mercuur is aan de vaste collectie toe gevoegd. Het museum laat  moderne en hedendaagse kunst zien, waarin de Friese kunstenaars de kern van de collectie vormen.

    Belvédère is een versterking en een aanvulling op museum Willem van Haren”, vindt directeur Minette Albers. “We hebben afgesproken regelmatig met elkaar te spreken over de afstemming van het tentoonstellingsbeleid.”

    “Er is ruimte voor dit museum”

    Het museum draagt mijn stempel”, zegt Thom Mercuur. “Mijn opvolger zal wel  uit een andere generatie komen met mogelijk andere inzichten. Wat ik doe heeft een subjectief beeld, het is mijn idee. Objectief kun je geen museum maken. Dit is een olieverf en terpentijn museum. Dat is de beperking die ik mezelf stel. Een geconcentreerde collectie. De mensen moeten de liefde voelen waarmee het is uitgezocht en met wie het heeft gemaakt.”

    Ik heb eigen ervaring en kennis van de verschillende andere facetten van het museumbedrijf”, zegt Stina van der Ploeg. “Dat is een goede aanvulling op de inhoudelijke kennis van zaken die Thom meebrengt. Het is belangrijk dat deze podia voor moderne en hedendaagse kunst er zijn in Friesland. Dat je niet voor alles naar de Randstad hoeft. Er is ruimte voor dit museum. Het heeft uitstraling. Op het hele museumbestand in Friesland is het een goede aanvulling. Er is geen museum specifiek voor moderne hedendaagse kunst. Er is wel eens een tentoonstelling met moderne kunst, maar het is niet structureel in de collectie terug te vinden.”

    Geboren is Stina niet van hier, wel getogen. Ze studeerde kunstgeschiedenis en werkte bij een uitgeverij als redacteur. Daarna was ze beleidsmedewerker kunst en cultuur bij de gemeente Hengelo en in Leeuwarden. Hiervoor was zij interim-hoofd bureau collecties van het Rijksmuseum in Amsterdam.

    Nu ben ik zakelijk directeur van museum Belvédère. Het is geen kant en klare organisatie, maar van de grond af nieuw. Dat is voor iedereen spannend en voor mij een enorme uitdaging. Er is al veel werk verricht en er is aan beeldvorming gedaan. Ik zal dat beeld verder versterken en uitdragen.

    “We kunnen niet alles laten zien”

    Ik spreek met kunstenaars waar ik wat mee heb”, laat Thom weten. “Van de anderen sluit ik me af, daar kan ik niets mee. Veel kunst gaat aan mij voorbij. Ik zou  me alleen bezig houden met autodidacten. Dat slaat nergens op, want wat kan het mij interesseren of iemand wel of niet op de academie heeft gezeten. Maar het toeval wil dat. Puur daarom.

    Het wordt geen museum van het grote geweld. Er moet een innerlijke bewogenheid zijn. Het gaat om de stilte die het uitstraalt. Er moet een emotie in zitten.” Mercuur vindt niet dat zijn idee zich laat omschrijven. Het zal te zien zijn wanneer het museum open gaat. “De schilder heeft een fascinatie, die hem zijn leven lang bezig houdt. Ik vind het leuk om relaties aan te brengen. Er zullen veel mensen in het museum komen, die daaraan voorbij gaan. Maar je doet het altijd voor die enkeling. Naast de vaste collectie zijn er de wisselende tentoonstellingen, die hebben inhoudelijk altijd iets te maken met de vaste collectie. Er moet een verband inzitten, ik kan geen uitersten aan brengen tussen de tentoonstelling en de vaste collectie.

    We kunnen niet alles laten zien”, vult Van der Ploeg aan. “De collectie van de bruikleengevers is vrij groot. De vaste collectie kan daardoor wisselen, want er is blijvend te putten uit die bruiklenen.

    Een breed bedrijf

    Het zijn niet alleen Friese schilders. Dat zou niet goed zijn, daar hebben de Friezen te veel niveau voor. Ze zijn het waard om naast de andere internationale schilders, waarmee ze raakvlakken hebben, te hangen. Mercuur probeert ze op die plaats te zetten waar ze thuis horen, omdat ze beslist niet minder zijn.

    Waar Thom vooral de inhoudelijke kant doet”, zegt Van der Ploeg, “doe ik de financiële en de personele zaken, de pr en marketing. Thom zorgt voor het inhoudelijke deel van de publicaties en gezamenlijk werven we fondsen of subsidies. Er is een museumwinkel en een restaurant. De bibliotheekcollectie is door Thom samengesteld, waarvoor samen met de vrijwilligers een systeem wordt opgezet. De kunstcollectie wordt beheerd en digitaal geregistreerd. Een heel pakket voorzieningen om de collectie te kunnen ontsluiten. Het museum is een breed bedrijf. Dit is een unieke omgeving met een prachtig pand. Wanneer de stofwolken straks zijn opgetrokken en de natuur weer tot leven komt, dan staat daar een mooi gebouw wat zich zal vullen met kunstwerken.

    Een artistieke kwaliteit

    Het museum heeft een enthousiast en betrokken bestuur, vindt Thom. “We weten van elkaar wat we niet kunnen. Dat is belangrijker dan te weten wat we wel kunnen. Ik hoef niet uit te leggen wat ik doe. Ze weten dat ik geen tentoonstellingen louter als publiekstrekker maak. Dat wordt een ordinaire toestand. Het gaat mij om een artistieke kwaliteit, daar moet het museum in uitblinken. Door fijnzinnigheid, door gevoel, door smaak. Dat moet het zijn.”

    Nu het steeds concreter wordt is er al veel aandacht voor het museum”, ondervindt Stina. “Op dit moment verkoopt het zichzelf. Het wordt goed gevolgd, de mensen zijn heel enthousiast. Er zijn al vragen voor bezoeken, voor rondleidingen van grotere groepen en bedrijven. We zijn bezig met arrangementen en buigen ons over cultuureducatie.

    Het museum is gemakkelijk bereikbaar. Langs de plek waar Jan Mankes woonde, terwijl even verderop Boele Bregman begraven ligt, het museum hoort hier thuis. Voor zijn gevoel laat Thom het neusje van de Friese kunst zien. Er kunnen echter maar een beperkt aantal werken van iedere schilder hangen.

    Hoeveel dat er precies zijn is een gevoelskwestie. Bij het inrichten ben ik alleen in een leeg gebouw, en heb al die kunstwerken om me heen. Dan dient zich ineens iets aan. Dat is altijd zo. Er komt altijd iets uit de hemel vallen. Daar is die hemel ook altijd voor geweest. Zelfs twee dagen voor de opening komt er nog een schilderij binnen, waarvan ik denk: tjongejonge, had ik dat maar eerder gehad!

    Vertrouwen in identiteit

    In 1998 benadert Thom Mercuur het stichtingsbestuur van de uitzichttoren Belvédère. Hij wil een museum voor moderne en hedendaagse Friese kunst in Tjaarda’s Bos zetten. Dat spreekt het bestuur aan, omdat daarmee de mogelijkheid er is de combinatie toren en museum goed te exploiteren. Het plan wordt echter in 2000 door de staatssecretaris weggestemd, omdat het niet past in de ecologische structuur. Hans Wezenaar en Jaap van den Kerkhoff staan op het punt de handdoek in de ring te gooien, maar willen toch nog een keer Oranjewoud in en iedere mogelijkheid bekijken. Nog steeds zien ze iets in het plan en de gedachte die erachter zit. Het terrein achter landgoed Oranjewoud blijkt de geëigende plek.

    Museumbestuur voorzitter Hans Wezenaar is van mening dat kunstliefhebbers en ondernemers best samen kunnen gaan.

    Wij houden het zakelijke, het commerciële en het haalbare in de gaten. Terwijl de kunstman het creatieve deel ziet. We hebben elkaar goed leren kennen en respect gekregen voor de visie die Thom met betrekking tot de realisatie van dit unieke museum heeft. Wij, als “cultuurbarbaren” wat de schilderkunst betreft, kenden de kunstwereld niet maar vinden die uitermate interessant. In het bedrijfsleven heb je ook lang niet van alles verstand, maar je luistert naar argumenten waarom men iets doet. De argumenten om dit museum in te richten zijn goed. Wij denken altijd in heel simpele formules, de kunstmensen hebben vaak een andere benadering. We luisteren naar elkaar en laten Thom vrij in de identiteit van het museum. Daar hebben wij alle vertrouwen in. Thom heeft een heel speciale gevoelsmatige benadering, daarmee krijgt een tentoonstelling extra inhoud. In iedere tentoonstelling zit een emotioneel element, wat het meer dan alleen maar een commerciële benadering geeft. Thom is heel belangrijk. De collega directeur Stina van der Ploeg en een grote groep vrijwilligers, mensen die zich inspannen om dat museum goed te laten werken, zijn net zo belangrijk. De totale identiteit, in onze terminologie de marketing van dit museum, is niet Thom. We maken daar gebruik van. De mensen die met deze materie bekend zijn geven daar een invulling aan die aanvullend is op de kennis van Thom. Hij is een belangrijke initiatiefnemer, hij bepaalt de creatieve kant van het geheel. Maar het museum heeft een breder platform dan één persoon.

    Uniek geheel

    Belvédère is het enige Nederlandse museum dat is gespitst op regionale kunstenaars. Die identiteit is de basis van het museum. Dat is de kern, daarnaast zijn er verbindingen met stijlverwanten. Dat is een heel sterke identiteit, die is verbonden met stilte en natuur. Dat wordt buiten in het museumpark gerealiseerd. Die combinatie maakt het uniek. Het geeft een extra dimensie. Natuurliefhebbers kunnen zich in Oranjewoud prachtig vermaken en zullen belangstelling hebben voor de kunst. Mensen die voor de kunst komen zullen het geweldig vinden buiten van het fantastische gereconstrueerde Oranjewoud te genieten. Het is nu kaal, maar daar moeten we doorheen kijken. Als het straks klaar is, het begint te groeien, komt er echt een uniek geheel naar voren. Staatsbosbeheer heeft het over 111 soorten paddestoelen, over verschillende vogels en vleermuizen. Wanneer je die mensen hoort spreken wordt je erg enthousiast. Wij hebben net zoveel moeite met het kappen van al die bomen als vele bewoners van Oranjewoud en Heerenveen. Maar wanneer je iets bijzonders in de toekomst wilt hebben, dan was deze kap en deze reconstructie noodzakelijk. Het is een prestigeproject van Staatsbosbeheer, die er bekendheid aan geeft in de communicatie. Door deze twee facetten samen te nemen wordt de uitstraling naar buiten toe in belangrijke mate bepaald.

    Voordat een museum draait moet alles bestuurlijk goed georganiseerd zijn. Het bestuur van de stichting Museum Belvédère exploiteert het museum . Onder de stichting Museum Belvédère Oranjewoud valt  het onroerend goed. De stichting Vrienden van Museum Belvédère zorgt financieel voor de private ondersteuning.

    Het is een stuk cultuur in Heerenveen dat een prachtige aanvulling is op de sport en andere activiteiten. Daarom wordt de link van Sportstad naar Belvédère gelegd. Dat betekent een wederzijdse kruisbestuiving. Het museum is een levenswens van Thom. Hij zit nu in een periode dat het er op aan gaat komen. Nu is er de vertaalslag. Dat maakt hem nerveus en dat is logisch. Iedere artiest is vlak voor het opkomen nerveus. Anders werkt het niet.”

    Archiefstuk: Heerenveense Courant november 2004.

  • Museum Belvédère 20 jaar: in de kinderschoenen

    Wordt Thom Mercuur’s droom werkelijkheid?

    Museum en doolhof bij belvédere in Tjaarda’s Bos: een unieke drie-eenheid

    Het is mijn laatste poging. Wanneer dit project verzandt, probeer ik het niet opnieuw. Dat kan ik ook niet maken tegenover de particuliere bruikleengevers.” Thom Mercuur wil een museum voor moderne kunst in Oranjewoud. Het eerdere idee om een dergelijk museum aan de oevers van het Tjeukemeer te laten ontstaan ging roemrijk ten onder. Maar Mercuur is een doorzetter en probeert het opnieuw in het Tjaarda’s Bos aan de voet van de vorig jaar gerestaureerde uitkijktoren. Belvédère, museum voor 20ste eeuwse kunst. “Want”, zegt Mercuur, “belvédere betekent mooi zien en dat geldt niet alleen voor het uitzicht vanaf de toren, dat zal straks ook het geval zijn in het museum. Het moet een museum van de stilte worden, geheimzinnig en boordevol mystiek.

    Was de opzet aan het Tjeukemeer groots en duur, met een bouwplan van top-architect Aldo van Eyck – nu wordt het een sober en relatief goedkoop gebouw geboren uit de pen van de mindere god Eerde Schippers. Maar de inhoud blijft nog telkens kwalitatief gezien van een hoog gehalte. Is het de Nederlandse musea eigen om het nationale produkt opzij te schuiven en de internationale kunstenaar meer te roemen, Mercuur is daarentegen meer dan trots op de schilders van eigen Friese bodem. Zelfs zo trots dat de vaste collectie van Belvédère zal bestaan uit werk van onder meer Jan Mankes, Gerrit Benner, Sjoerd de Vries, Willem van Althuis, Tames Oud, Tinus van Doorn en Thijs Rinsema. Aan vriend Boele Bregman zal in het bijzonder veel aandacht worden besteed, hoogstwaarschijnlijk krijgt hij een eigen zaal toegemeten.

    Werk van Friese kunstenaars

    Het uitstallen van Friese kunst alleen geeft echter een te eng draagvlak. Daarom wil initiatiefnemer Mercuur de zaak breder maken door vanuit de basiscollectie lijnen te trekken naar medestanders en stijlovereenkomsten. De Friese kunstenaars hebben zich nooit verenigd in een bepaalde groep, maar zaten en zitten ook niet alleen te werken op een terp. Er zijn voldoende relaties te leggen met nationale en internationale kunstenaars, die met eenzelfde manier van werken bezig zijn en waren. De mogelijkheden om zo een boeiende collectie aan te leggen lijken onuitputtelijk. Vertrekpunt voor de exposities blijft steeds het werk van die Friese kunstenaars. De collectie zal, ondanks dat deze vast is, blijven wisselen. Er is zoveel voorradig en er kan een scala aan werk in bruikleen genomen worden, dat de tentoonstelling in september van een ander gehalte kan zijn dan deze in januari was. Zo blijft Belvédère springlevend en kan Thom Mercuur emotioneel met de kunst bezig zijn. “Het nieuwe museum voor 20ste eeuwse kunst wordt in eerste opzet een museum waar mijn stempel op drukt. Er zal werk hangen dat ik mooi vindt.”, vertelt de oud-conservator van het Coopmanshûs te Franeker en het Fries Museum te Leeuwarden, en eigenaar van het Tripgemaal Museum te Gersloot. “Ik sta open voor nieuwe stromingen, maar niet alles spreekt mij aan. Vanuit de vastgestelde museumformule kan ik bijvoorbeeld het werk van Gerrit Benner combineren met dat van leden van kunstenaarsvereniging De Ploeg en is de sociaal bewogen Boele Bregman te relateren met Bart van der Lek en Chris Beekman. Er zijn lijnen te trekken vanuit de constructieve kunst naar het socialisme. Het sociaal-realisme van De Stijl komt dan in beeld. Johan van Hel, voor mij één van de beste schilders in Nederland. Herman Kruyder, waarvan alleen werk in particuliere collecties is weggestopt en daarom nooit in een museum te zien zal zijn. Met een Picasso kan ik niets, maar een Mondriaan sluit uitstekend aan bij deze formule.

    Een persoonlijk museum

    Doordat Thom Mercuur voor het Tjeukemeer-project al verscheidene particuliere bruikleengevers had benaderd, is de vaste collectie nog morgen op te halen. Zo zullen er tenminste 8 schilderijen van Jan Mankes te zien zijn, terwijl deze schilder op andere plaatsen in Friesland niet of nauwelijks vertegenwoordigd is. Geen profeet is geëerd in eigen land. Daarnaast zal Mercuur de warmte moeten vinden om werk in bruikleen te krijgen, zodat deze Mankes’ galerij nog is uit te breiden. Verder komt veel werk uit de eigen collectie van Mercuur.

    Naast de permanent ten toon te stellen vaste collectie, zullen er jaarlijks 5 wisselende exposities worden georganiseerd. Over de inhoud daarvan staan nog geen vast omlijnde plannen op papier. “Een expositie als van bijvoorbeeld Jochem Hamstra of Jan Roos in Theater Romein te Leeuwarden, kan dan in dit museum worden gemaakt. Dergelijke goede jonge kunstenaars van eigen bodem, met mogelijk weer een blik terug op de vaste collectie, passen in de formule. Het zijn niet alleen de Friese kunstenaars waaraan in dit Friese museum aandacht wordt besteed. Een kunstenaar krijgt een tentoonstelling omdat hij bijzonder is, niet om zijn Friese achtergrond. Het museum had op een willekeurige andere plaats in Nederland of waar dan ook op de aardbol kunnen komen te staan. Datgene wat de streek heeft voortgebracht dient getoond te worden, voor mij is die streek Friesland. Ook een Klaas Gubbels, waarvoor ik al diverse exposities heb georganiseerd, sluit aan op deze zienswijze. Zo zal het een persoonlijk museum worden, dat mijn smaak vertegenwoordigd. Daarom wil ik het ook maar 5 jaar runnen en het dan aan een ander overlaten. Ik ben een voorstander van het werken in termijnen, anders raak je te veel verbonden met de zaak. Directeur word ik niet van het nieuwe museum, er is een stichting in het leven geroepen. Ik wil wel veel doen, maar ik kan onmogelijk alles tillen.

    Een gepotdekselde laarzendoos

    Belvédère, museum voor 20ste eeuwse kunst, wordt in een schets van architect Eerde Schippers een 65 meter lang eenvoudig ogend gebouw. Met een breedte van 12,5 meter en de in verhouding geringe hoogte heeft het geheel het aanzien van een laarzendoos. Het bouwsel komt in de lengterichting van het strook bos te staan met de voorzijde gericht naar de Bieruma Oostingweg. Pal voor de entree komt op een bed van grind een kunstwerk van Ids Willemsma te staan. De lange wanden zonder ramen van het museum worden aan de buitenzijde gepotdekseld, de horizontaal aan te brengen planken worden dakpansgewijs over elkaar gezet. Het bouwwerk krijgt daardoor de sfeer van een oude boerenschuur. De planken krijgen het intense rood als van de eerste cementsteenhuizen op landgoed de Eese, de kleur die past in het complementaire groen van het bos. Het museum zal een unieke drieëenheid vormen met de uitkijktoren en het doolhof. Want deze verloren gewaande speeltuinattractie zal in een iets gewijzigde vorm in het Tjaarda’s Bos worden herplant. Op de oorspronkelijke plaats, bij Hotel Tjaarda en nu verworden tot een kaalgeschoren voetbalveld, waren de afmetingen hoegenaamd vierkant. Bij de Belvédère zullen de paden in de hof meer langgerekt zijn, maar vastgehouden wordt wel zoveel mogelijk aan de bestaande tekening en plattegrond. In het midden komt als vanouds een gebouwtje met lachspiegels. Verder wordt het geheel gecompleteerd met de bestaande ponybaan en het theehuis “Oebele”. Het oude wandelpad vanaf de Marijke Muoiwei zal in ere worden hersteld. Zo is het Tjaarda’s Bos in de toekomst aantrekkelijk voor het hele gezin. Vader en moeder gaan het museum in, kijken naar kunst en drinken wat. De kinderen kunnen de toren beklimmen, zich een weg uit de doolhof zoeken en een ritje op de pony maken. Bij het theehuis is er voor iedereen een versnapering. Althans wanneer de grootse plannen tot uitvoering gebracht kunnen worden. Aan Thom Mercuur zal dat niet liggen. “Ik vond de situering aan het Tjeukemeer destijds zeer goed voor een museum voor moderne kunst en ben van mening dat dat in de bossen van Oranjewoud weer het geval is. Het museum alleen is echter te elitair en heeft geen overlevingskans, het moet hier in dit bos en dan in samenspraak met de andere attracties. Het enige voorbeeld in de lande van een dergelijke opzet is het Kröller-Möller museum op de Hoge Veluwe.

    Culturele verrijking

    De iets naar binnen geschoven glazen gevel herbergt een ruime entree met informatiebalie en boeken- en reproduktieverkoop. De permanente collectie wordt getoond in het voorste gedeelte van het museum, dan volgt een flexibel in te delen ruimte voor de wisselende exposities. Achter de diverse expositiezalen bevindt zich een multifunctionele ruimte met een buffet of klein restaurant. In deze ruimte kunnen milieuorganisaties tentoonstellingen inrichten onder auspiciën van Mercuur. In het reataurant of op het terras kan de bezoeker zich te goed doen aan milieuvriendelijke produkten.

    De stichting Belvédère, verantwoordelijk voor de restauratie van de betonnen uitkijktoren, staat vierkant achter de plannen van Mercuur. En ook mevrouw Gerda Graafsma, eigenaresse van het Tjaarda’s Bos, wil alle medewerking verlenen aan dit project. Stichtingsvoorzitter Hans Wezenaar hierover: “Al tijdens het plannen en uitwerken van de restauratie hadden wij het idee dat er meer dan alleen die belvédère in dat bos moest zijn. Onze gedachten gingen toen al uit naar zoiets als een museum of een beeldenroute. Besloten is om ieder individueel initiatief daartoe te ondersteunen.” Het museum is er echter nog niet, want eerst moeten er nog de nodige vergunningen van de gemeente Heerenveen komen. De plek heeft geen bestemming als bouwterrein, dus er dient een bijzondere toestemming voor te komen. Daarna moet het project met behulp van sponsors financieel rond gemaakt worden. De stichtingskosten zijn begroot op ruim anderhalf miljoen gulden. In Belvédère kunnen 3 mensen werken op vrijwillige basis. Men rekent op een jaarlijks bezoekersaantal van 25.000 mensen. Volgens Wezenaar is dit voor Heerenveen een unieke kans om ook haar culturele kant op te vijzelen. “Voor de hele provincie zal het een bijzondere culturele verrijking betekenen. Ik hoop daarom dat dit project gerealiseerd zal kunnen worden.

    Archiefstuk: Heerenveense Courant juli 1994.

  • Rappe registraties van meegemaakte momenten

    Het is eigenaardig, om niet te zeggen vreemd, om nu de ruimten van Afslag BLV binnen te lopen. Daar in die dependance van Museum Belvédère worden doorgaans al dwarse verbanden getoond, maar dit keer is de uitstalling wel erg tegendraads. Afslag heeft een eigen programmering die afwijkt van hetgeen in de hoofdvestiging wordt getoond. Het is met recht een afslag van geëffende paden. En kan dienen als opstap voor het ‘echte’ werk. Afslag BLV biedt doorgaans ruimte aan jonge talentvolle kunstenaars, meest uit de noordelijke provincies maar er piept ook weleens een kunstenaar van elders tussendoor. Wanneer ze ooit bekeken zijn in de Afslag kan het zo maar zijn dat deze later nog eens gezien kan worden in Belvédère. Vooral is het een podium voor kunstenaars die onlangs aan een academie zijn afgestudeerd, of in het laatste jaar daarvan zitten en hiermee kunnen proeven aan het publiekelijk tonen van hun werk. 

    Tot 18 november valt in Afslag BLV het werk van Klaske Bootsma te zien. En het is een eigenaardige, zo niet vreemde opstelling, ik schreef dat al hierboven. In de eerste plaats hangen alle werken aan de wanden onder ooghoogte, zodat ik op de kleine schilderijen neerkijk en bijna door de knieën moet om deze op waarde te schatten. Een tweetal composities hangt hoger en is qua formaat groter en meer opvallend. Zelfportretten die genoeg hebben aan haar voorletter of een vaag beeld van het gezicht. Het frontaal afgebeelde gelaat confronteert me met een spiegelbeeld, een reflectie van de kunstenaar, toevallig ook met een K. 

    Metafoor op het leven

    Op de grond zijn een groot aantal tekeningen uitgelegd, dat bevreemdt nog het meest. Nauwelijks geordend lijken ze klaar te liggen aan de wanden geprikt te worden. Maar ze zijn daar zo bedoelt gedropt schijnbaar voor het oprapen, als installatie van aan het leven ontvallen momenten. Deze tekeningen schetsen in eenvoud het zijn met een keur aan inspiratie. Snelle registraties van ingevingen bij geziene momenten van zijn. De expositie is nog niet klaar, lijkt het. Het staat symbool voor, het is een metafoor op het leven dat nog geleefd wordt. En alle geziene dingen in dat leven zijn het waard af te beelden. Bootsma doet dit dan ook. Allerlei onderwerpen, handelingen en voorvallen passeren de revue. Heeft zij met de schilderingen nog een abstracte hand van werken, de tekeningen vallen op door een schetsmatige versimpeling. 

    Klaske Bootsma is als schilder onlangs afgestudeerd en wordt met deze expositie in Afslag BLV meteen in het diepe gegooid, hoewel ze hiervoor ook al enige ervaring in het exposeren heeft. Haar kunst moet uit de veilige omgeving van het klaslokaal, uit de intieme sfeer van het atelier, de wereld in. Het gaat onder de mensen en iedereen vindt er wat van. Op de academie was opbouwende kritiek op het maakproces om verder te komen en te groeien in de eigen kijk op kunst. Dit scheppen na de studie is een schetsmatige en directe manier van werken, schrijft Bootsma op het blad bij de tentoonstelling. Ook lees ik daar haar motivatie: “Schilderen is voor mij een manier om mijn hoofd leeg te maken.” Want door waarnemingen, in de morgen de ogen openen en de hele wakkere dag observeren, raken de gedachten op den duur overvol. Met deze belevingen gaat ze aan het werk: “Wat me aanspreekt, vertaal ik direct in beelden. (…) Tijdens het maken van mijn werk denk ik ook na over mijn waarde als kunstenaar en hoe ik mezelf in mijn werk plaats. Dit beïnvloedt de keuzes die ik maak, soms schilder ik letterlijk mijn gedachten of vragen op het doek.” 

    Snel handschrift, rappe beoordeling

    Tijdens mijn rondgang door de ruimten van Afslag BLV denk ik na over de waarde van Klaske Bootsma als kunstenaar en hoe ik haar kan plaatsen in de bonte kleurwaaier van de kunst. Ze zal haar plek weten te vinden, door Academie Minerva en het Frank Mohr Instituut in vruchtbare aarde gezaaid zal ze opbloeien en de kunstwereld verrijken. Maar voor nu is de persoonlijke vorm nog niet gevonden en lijken de verschillende materialen en diverse formaten geen eenheid te vormen. Ze experimenteert nog volop en dat brengt een speels aspect in haar werk. Je ziet haar worstelen met het materiaal en de zeggingskracht. Wel onderzoekt zij op welke manier de door haar aangewende uiteenlopende elementen elkaar beïnvloeden, elkaar aanspreken en in gemeenschap werken. En hoe de beschouwer daarop reageert.

    De expressie volgt op een impressie. Iedere indruk leidt tot een uitdrukking. Vandaar ook dat de bladen op de grond gelegd tal van onderwerpen en thema’s hebben. De krabbels zijn dikwijls niet meer dan een snel handschrift, een rappe beoordeling van het ervaren moment in beeldende vorm. Hierin blijft ze bij zichzelf waar zij in de schilderijen nog wordt beïnvloed door stijlen en werken van andere kunstenaars. “It’s true” lees ik ergens tussen grimassen en lichaamshoudingen. Het is waar, geen fantasie, geen bedachte waarheid. Echter door een gefantaseerd idee los te laten op de werkelijkheid ontstaat een nieuwe realiteit – een andere wereld. Dit in Afslag is de wereld, het zijn van Klaske Bootsma. Wen er maar aan! En ik lees een paar stappen verder “can you please turn off the lights, it’s better if these things happen at night”. En daar heeft het museum waarbij afslag onderdak vindt zich aan gehouden. De spotlichten van de ruimten zijn uitgelaten, waardoor de dingen van Bootsma zich letterlijk in het half-schemer tonen. Het zet de sfeer van het in aanbouw zijn figuurlijk in het licht. Ik ontdek tussen de papieren geen verwachte notitie ‘under construction’. Maar de kunst van Klaske Bootsma is naar mijn mening in ontwikkeling, er wordt nog getimmerd aan het bouwwerk. Er zijn losse eindjes, maar die zullen gaandeweg geknoopt worden Waar ze terecht zal komen en hoe dit gaat rijpen valt af te wachten. Ze streeft ernaar het maakproces zo transparant mogelijk te houden, zowel visueel als conceptueel, dus dat zit wel goed. Want uit de knop ontvouwt zich over het algemeen een kleurige bloem. 

    11:37. Tentoonstelling schilderijen en tekeningen van Klaske Bootsma bij Afslag BLV, Minckelersstraat 11 in Heerenveen. 1 september t/m 17 november 2024.

  • Verhaald – verbeeld, een gedroomde werkelijkheid

    Er bestaat geen grens tussen autonome en toegepaste kunst. Tussen een schilderij en een kunstig vorm gegeven stoel. Tussen een beeldhouwwerk en een dessin voor behang. Alles heeft te maken met creativiteit en inventiviteit, originaliteit en oorspronkelijkheid, met van niets iets maken. De werkelijkheid spiegelen. Iedere vorm heeft een functie, dient ergens toe. In de vrijheid en als opdracht. Heeft een illustratie, omdat deze in dienst staat van een verhaal, meer praktisch nut in vergelijking tot een op zichzelf staand stilleven, een naakt of een landschap? Een illustratie maakt een tekst aantrekkelijk, decoreert een verhaal, zorgt voor een visuele toelichting, maar kan zonder motivering heel goed een uitdrukking zijn.

    De negende kunst

    Eén beeld zegt meer dan duizend woorden, is een gevleugelde uitspraak. En dat klopt, vooral in onze visueel ingestelde wereld. Wij willen puur kijkgenot zonder al te veel tekst tot ons te hoeven nemen. Echter woorden kunnen eveneens visueel aantrekkelijk zijn, een tekst kan beeldend spreken. Toch heeft het beeld, de voorstelling, in veel gevallen de voorkeur boven het woord, de tekst. In een tijd dat men niet kon lezen of de taal niet verstond was het verhalend beeld de uitkomst. Door stripachtige plaatjes of anekdotische glasramen kon het heilig verhaal aanschouwelijk worden gemaakt.

    Nog lang nadien werd dit beeldend commentaar gezien als een mindere soort kunst, of zelfs helemaal niet geschaard onder de schone kunsten. Die tijd is voorbij. Ook de striptekenaar en boekillustrator is nu terecht een beeldend kunstenaar. Want is een kunstuiting niet altijd een voetnoot bij de realiteit, een kanttekening van het leven. Een afbeelding, zij geschilderd of uit steen gehouwen dan wel in hout gekerfd, maakt een levensverhaal aantrekkelijk. Want altijd is de creatie een toelichting op en een uitwerking van het zijn van de kunstenaar. Of geeft het de mening van de maker op de wereld weer. De beschouwing van de omgeving, het bestaan. Dat kan een realistische zienswijze zijn, maar evengoed een abstracte opvatting.

    Kleurrijk palet

    Ieder doet het op een eigen manier met de persoonlijke inspiratie, dat commentaar geven op het bestaan. Ieder vogeltje zingt zoals het gebekt is, dat is nu eenmaal een vaststaand feit. En net als onder de beeldend kunstenaars er een waaier aan diverse uitingen is en ismes zijn, zo bestrijken de illustratoren ook een kleurrijk palet. Een bonte staal vol fantasie en creativiteit. In de tentoonstelling “Verhaald – Verbeeld” heeft Museum Belvédère een elftal kunstenaars met verbeeldingskracht bijeen gebracht. In de getoonde getekende en geschilderde schetsen geven deze uitleg van het eigen leven en zetten kanttekeningen bij het bestaan in het algemeen. Opvallend in de reeks is dat iedere tekenaar de eigen achtergrond als bron neemt om uit te werken. Het kan een afrekening zijn met het verleden of een verwerking van gedane zaken. Uit nostalgie getekend of in rancune verbeeld. Maar ook de historie, het geromantiseerde of gruwelijke verleden, is een vruchtbare grond, een productieve bron. Een andere basis is er hoegenaamd niet. Het is het eigen verhaal dat uitleg verdient, opheldering eist.

    Individualisten

    Dat eigen verhaal dat een illustratie verdient. De kunstenaar blijft dicht bij zichzelf en daardoor kan de beschouwer zich erin herkennen. Het werkt als een spiegel, een reflectie op het en ons leven. Er is geen vertelling van en uit een andere bron die de aandacht van dit door Belvédère samengestelde team krijgt. De spelers zijn individualisten en gaan op eigen kracht voor een gouden medaille. De een met een academische achtergrond, de ander als autodidact. Zonder rugzak ligt het gevoel duimendik in de prent. Met de last wordt teruggegrepen op een naïeve benadering om eenvoudig aan te spreken. Waar de één een zoekplaat van het werk maakt, een doorwrochte tekening produceert waarin veel verhaald en verbeeld is. Daar maakt de ander een simpel ogende compositie waar een addertje onder het gras schuilt.

    Van iedere stand en misstand in het persoonlijke bestaan valt wel iets te zeggen en voldoende te beelden. Van iedere situatie en uitwas van het algemene leven kan een verhaal en een verbeelding worden gemaakt. De kunstenaar kan in de uitdrukking zelf de hoofdrol spelen of een getekende stand-in de indruk laten afmaken. Waar de illustratie een toelichting is op het doen en laten van de beeldmaker, zien we hem of haar in het centrum van de plaat. Is echter de kunstenaar toeschouwer van het leven dan kijkt de beschouwer over zijn of haar schouder mee naar de beleving en in de ervaring. Het is een sensationele gebeurtenis om dat als kijker te mogen meemaken, om in de ervaring van de kunstenaar te kunnen doordringen. Het verhalende beeld reikt telkens een handvat aan om de gewaarwording te vatten. In het beeldende verhaal wordt voortdurend een deur geopend en kan de beschouwer in de belevenis binnengaan.

    Collectors item

    Het door Museum Belvédère verzamelde elftal voor “Verhaald – Verbeeld” omvat kunstenaars van divers pluimage met een ruime voldoende voor tekenen. “In het werk van alle deelnemende kunstenaars zijn voorstellingen vereenvoudigd tot kernachtige, illustratieve – soms cartooneske – beelden. In veel gevallen zijn ze vervreemdend van karakter en dragen ze de betovering in zich van een wonderlijke droomwereld”, lees ik op de website. En inderdaad, er spreekt een grote mate van creativiteit uit de autobiografische platen. In een speciale uitgave van het museumtijdschrift MB zijn deze verbeelde verslagen en geschetste anekdotes samengebracht. Met een korte biografie en uitleg van het werk en enkele voorbeelden van dat werk vertelt dit het verhaal van deze beeldend kunstenaars. In het museumgebouw zelf kunnen dan al de uitingen gezien worden. En die uitdrukkingen, deze expressies in de kamers van de westvleugel, zijn naast de vaste collectie gehangen in de oostvleugel een verademing. Want kunst hoeft niet aldoor serieus te zijn, hoewel het wel degelijk altijd serieus genomen moet worden.

    Humor, de lach en de traan, past zeker tussen de kaders en in de lijst. En vooral de emotie in de verhalende beelden spreekt boekdelen. De tentoonstelling moet gezien worden en iedere bezoeker zou vriend van het museum moeten zijn, wanneer deze dat al niet is. Daar namelijk de MB onderdeel uitmaakt van de Vriendenpas en niet los verkrijgbaar is. “Verhaald – Verbeeld” wordt een collectors item, een verzamelaarsobject. Het laat zien dat kunst meer is dan verondersteld, dat een museum voor hedendaagse kunst zich niet bij haar leest hoeft te houden. Daar die leest heel breed opgevat kan worden. De tentoonstelling hier een aantal jaren eerder met de Fransman Martin Jarrie en de striptekenaar Joost Swarte was al een voorproef op deze verhalen verbeeldende presentatie. Om bij weg te dromen in de fantasie, voor een moment de werkelijkheid laten voor wat het is. Is daar het museum niet de meest geschikte plek voor. De tempel van de gedroomde werkelijkheid.

    VERHAALD – VERBEELD, 11 kamerpresentaties van 11 beeldvertellers. Museum Belvédère, te zien van 11 juni tot 22 september 2024.

  • Samenhangend verhaal

    tekst Herbert Nouwens

    Beste Jurjen,

    Jurjen, chapeau!  Ik vind het ontzettend goed hoe je alle verschillende aspecten tot een samenhangend verhaal weet te smeden. Ik heb een aantal mooie reacties en recensies gekregen, maar jouw analyse is de meest complete!

    Daar dank ik je voor en ik hoop dat ik eruit mag citeren. 

    Ik zou het ook erg leuk vinden als je er behoefte aan hebt, de satelliet tentoonstelling in Slochteren bij mijn woon/werkplek te bezoeken. Deze is ingericht door Albert Oost.

    Tot ziens, Herbert

    Herbert Nouwens
  • Dansen van Herbert Nouwens in de Belvédère Suite

    Het is een hot item in de circulaire economie. Om gebruikte en voor het oorspronkelijke doel afgeschreven producten te recyclen. In de kringloop van het zijn gaat niets verloren. Want dat is immers de letterlijke betekenis van circulair: cirkelsgewijs. Maaksels verliezen hun waarde en worden in het geheel hergebruikt. Of in delen gesplitst en verwerkt tot grondstof voor een nieuwe creatie. De cirkel is rond. Bedrijven houden zich ermee bezig, de maatschappij is er vol van, van hergebruik en recyclen. Het scheiden van afval om waardevol materiaal niet af te stoten en geenszins te vernietigen.

    Kunstenaars lopen voor op de massa. Zij zijn de kopgroep, de massa is het peloton. Ze zetten een tandje bij om het tempo te versnellen of knijpen de handrem aan om de beweging even stil te laten vallen. Want de massa moet weleens wennen aan de vooruitgang, aan de snelheid in de tijd. Zich het nieuwe stilaan en geleidelijk eigen laten worden.

    Hergebruik

    Kunstenaars zijn meesters in het hergebruik. Zij recyclen de zichtbare werkelijkheid tot een platte realiteit die uit de verf komt. Dat is een hergebruik van emotie, terugwinnen van sfeer en stemming. Letterlijk hergebruiken zij de verf als materiaal, de modder aan een kwastje wordt uitgesmeerd over een doek. De dode materie gaat leven, krijgt de adem van de kunstenaar ingeblazen. Door de manier waarop de kunstenaar dat doet, welke techniek daarvoor wordt aangewend, ontstaat er in het platte vlak een ruimte. De tastbare waarheid wordt tot zichtbare realiteit gerecycled. Dat deed de kunstenaar al lang voordat circulair en recycle in zwang raakten.

    Er zijn kunstenaars die in het klein recyclen door aan het strand of langs de weg te jutten, in de bouw of op het land te speuren. Op zoek naar producten die zijn afgedaan en weggegooid en in collage achtige kunstwerken kunnen worden verwerkt. Herbert Nouwens is er zo een die  dit in het groot doet. Hij hergebruikt scheepsrompen bijvoorbeeld om deze een nieuw leven aan te meten. Hoewel je van dood materiaal maar amper kunt zeggen dat deze in een andere vorm tot leven komt. Het is bij wijze van spreken en taalkundig gezien op de keper beschouwd een hergebruik van woorden. Niet de vorm wordt teruggewonnen, deze heeft afgedaan. Het is de grondstof die tot een andere gestalte wordt gesmeed.

    Muziek inspiratiebron

    De beelden van Herbert Nouwens staan imposant in het buitengebied van Landgoed Oranjewoud. Uitgestrooid in het veld, maar niet lukraak geplaatst. De kunstenaar hecht aan de plek waar een beeld is neergezet waarde en betekenis. Het is dat punt waar dit beeld tot recht komt. Bijvoorbeeld de “Vier constructies voor een plek” staan niet zomaar langs de oostgrens van het park. Deze bijzondere objecten doen denken aan anti-tank obstakels en staan in slagorde als een verdedigingslinie. Je zou er zo een rol prikkeldraad langs uittrekken. Een concertina als militair begrip. Past overigens stemmig in de sfeer van de titel van deze presentatie: Belvédère Suite.

    Muziek is voor Herbert Nouwens een inspiratiebron om in en naar te werken. De suite als metafoor voor de plaatsing van negen sculpturen. De suite is een meerdelige danscompositie, waarbij verschillende dansen worden geordend naar hun contrastwerking. Dit samenspel, deze ordening en dat contrast, is terug te vinden in het museumpark op dit moment. Het park is de suite, de beelden zijn de diverse dansen. De beelden verhouden zich met het strakke symmetrische ontwerp van het parklandschap, zoals de dansen zich scharen in het gestileerde schema van de muziek. De logge beelden dansen als het ware lichtvoetig door de natuur. De massieve elementen zijn door Nouwens zo geplaatst dat de sculpturen een open karakter hebben. Het zijn transparante scheppingen, open constructies, als tekeningen in de ruimte. Een choreografie waarin het cortenstaal opveert van de sokkel, een compositie die de zwaartekracht uitdaagt.

    Ruimtelijke gedichten

    Volgens Albert Oost, curator buitenpresentaties van Museum Belvédère, maakt Herbert Nouwens zijn werk vanuit een rauwe behoefte aan activiteit. Oost schrijft een voorwoord in de kleine catalogus bij de tentoonstelling. “Elk beeld is Herberts beeld, aan elkaar gelaste en gestapelde stukken ijzer, een opeenvolging van ogenblikken en overpeinzingen.” In de uitgave worden de diverse dansen in de Belvédère Suite door Juliska Kok van commentaar voorzien. Zij beschrijft de bewegingen en figuren, de passen en posities. “Ruimtelijke gedichten, een vertaling van de spanning tussen het rationele en irrationele” zegt de kunstenaar er zelf van. Hij werkt associatief en vertaalt indrukken in vormen die hij laat groeien door staal te snijden, vervormen, smeden en assembleren. In onderzoek naar de relatie tussen mens, materie, ruimte en tijd. Geïnspireerd door het menselijk bestaan en eeuwen van cultuurgeschiedenis.

    In de binnenruimte van een kamer in de westvleugel presenteert Herbert Nouwens kleine figuren. Tussen de verhalende kunstenaars van “Verhaald – Verbeeld” heeft hij ook iets te zeggen. De kleine beelden in een boekenkast opgetast zijn modellen voor het grote werk. Deze worden echter niet alle uitgewerkt op groot formaat, omdat Nouwens ze benadert als vingeroefeningen. Om een bepaalde vorm in de vingers te krijgen. Het zijn dus kleine werken met een eigen karakter. “Niet letterlijk een model”, zegt hij, “maar meer een globale richtlijn voor het grote beeld.” In deze vormen op handzaam formaat zie je de kunstenaar stoeien met het materiaal. De twee grotere formaten in de kamer zijn een eenvoudig voorspel op wat buiten te zien is, of andersom in tijd een stemmige nabeschouwing. Lectori salutem of post scriptum. Proloog of epiloog. Prelude of naspel. Heb je het buiten gezien, kom je binnen nog eens terug, of andersom.

    Levende representatie

    Lopend over de verharde paden en door het gras tussen de beelden in de open lucht, met de catalogus als aangename wegwijzer op zak, kan ik de gegeven betekenis tegen mijn persoonlijke waarde leggen. Wat ik zou kunnen zien volgens het boekje en wat ik beschouw in eigen ervaring. Beelden als collages van eens gebruikte materialen, samengevoegde onderdelen van ooit werkende installaties. Eerder dichte constructies die door Nouwens geometrisch tot een levende representatie van de werkelijkheid zijn opgebouwd. Abstracte vormen die natuurlijk in de ruimte staan. Alsof deze daar altijd geweest zijn en er nooit meer vandaan zullen gaan.

    Een toren van Babel geplaatst net na de laatste huizen aan de Woudsterweg waar het open veld zich uitvouwt en het museumgebouw opdoemt. “Der Strom”, reikend tot de hemel, geeft de richting aan, een uithangbord voor de presentatie. Daarna doemt de “Poort van Belvédère” op, een object voor deze plek en omgeving gemaakt. Zal later elders een even goede standplaats kunnen krijgen. Want de beelden van Nouwens reizen en zijn in beweging, voordat deze neerstrijken en hun rustplaats vinden.

    Het zijn op zichzelf stille bouwwerken waarin de wind een muzikale compositie kan spelen. De huid van het levende staal is bont kleurig in bruinen, of spiegelt de omgeving in het gepolijste metaal. Materiaal met een leven dat blijft voortleven door de constante corrosie van het staal. De natuur probeert het ijdel, maar weer en wind krijgen er geen vat op. Het materiaal verzet zich hevig en houdt stand. Dolend door deze voor nu tot 22 september gecreëerde beeldentuin stuit ik op een creatie dat bijgeluid maakt. Boven de zucht van de wind klinken melodieuze klanken. Het is “Lamento” waar in een opengewerkte geroeste cilinder gefrommeld plaatstaal hangt. Deze elementen maken op de maat van de natuur een compositie.

    “Kunst is een vorm van denken”

    Titus, zoon van, is getuige van vaders werkwijze. “IJzersterke constructies die zich staande houden onder alle omstandigheden en fungeren als statische markering in de ruimte”, prijst hij de werken van de kunstenaar aan. “Zijn artistieke praktijk is een continu proces van opbouwen en afbreken, om vervolgens weer opnieuw, of beter gezegd verder, te bouwen.” En dan gaat de kunstenaar zelf los in het boekje. Beschrijft zijn doen en geeft verantwoording aan zijn laten. Een achtergrond die niet strikt noodzakelijk is om te kennen, maar door te weten wel de bouwwerken meer reden van bestaan geven.

    Kunst is een vorm van denken”, zegt hij en spreekt mij daar meteen mee aan, “denken in vorm, kleur, ruimte of klank. Het is verwant aan denken in taal. Taal bestaat uit allerlei ingevingen waar je begrippen aan hecht en gevoelens die je omzet in woorden. Door die woorden uit te spreken of op te schrijven, probeer je grip te krijgen op de achterliggende complexiteit.” Ik hang aan zijn lippen en voel me verbonden met zijn werken wanneer hij verder gaat: “Op een gegeven moment denk je, wat ik opgeschreven heb dekt wel ongeveer de lading. De output, of het nu dus een stuk tekst, muziek of een beeldend kunstwerk is, is bijna nooit 100% van wat je als schepper in je hoofd hebt.” Ik lees mijn voorgaande tekst nog eens over en ik ben het met Nouwens eens. Op mijn weg door de tuin en in het museum had ik een ander verhaal in gedachten dan hier uiteindelijk op het blog is terecht gekomen. “Omdat het mij dus ook nooit helemaal lukt, ga ik er mee door.”

    Belvédère Suite. Uitgave bij de tentoonstelling in Museum Belvédère, 22 juni tot 22 september 2024. Herbert Nouwens. Museum Belvédère, 2024.

  • Langs de vloedlijn van Astrid Nobel is de cirkel rond

    Een visser gooit de hengel uit, de vislijn suist, het aas plast in het water. De visser staart naar de deinende dobber in de wiegende golven. Meditatie, concentratie. Hopend op een kracht uit de diepte om een kring op het water te laten. De drijver verdwijnt, beet! Dat ben ik, die visser. De jutter op zoek naar aangespoelde spullen langs het strand. Hij komt thuis met een zak vol bijzonder afval uit de zee. Lege schelpen, door stroming afgekloven botjes, stukjes touw. Het afval van de wereld heeft hij laten liggen. Zonder reden. Dat ben ik, die jutter. Zo voel ik mij. Wanneer ik Afslag BLV binnenstap en mij in die ruimte tussen de werken van Astrid Nobel begeef. Zij exposeert daar op verzoek van curator Albert Oost.

    Oost, zelf een veelzijdig creatief kunstenaar, jut het kunstlandschap af en vist er interessant werk uit. Eerst vond dat een plaats in zijn eigen galerie melklokaal. Nu al enkele jaren krijgt het onder de vlag van Museum Belvédère aandacht. Voor de dependance richt hij zijn pijlen op jonge kunstenaars, om hen een steun in de rug te geven en een duw richting de grote podia. Ditmaal kreeg dus Astrid Nobel deze opstap aangeboden. En deze kunstenaar zet met verve hiermee een vierde stap, daar ze al eerder haar werk solo presenteerde in Groningen en Amsterdam en in 2019 al de aandacht van Oost had voor zijn melklokaal.

    Pigmenten uit fossiele botten

    In Afslag BLV nu sta ik langs de waterkant, aan de vloedlijn. Overzie de golven die eendere en overeenkomende vormen maken. Op en neer, heen en weer. Hypnotiserend. Op de stilte van de diepte maakt het oppervlak beweging. Op de stilte van het doek maakt de materie leven. Die materie waarmee Nobel haar schilderijen opbouwt bestaat uit natuurlijke materialen. Pigmenten haalt zij uit fossiele botten, aangespoeld op het strand. Met zeewater en caseïne aangelengd zet ze kleuren op de met gesso geprepareerde drager. In een ander geval maalt Nobel kleur fijn uit schelpen, walvisbot en vissenwervels. Stampt ze zeezand en ijzerpoeder. Filtert stookolie. Zij hergebruikt de verloren schatten van de zee.

    Het natuurlijke materiaal geeft de composities een vervreemdende inhoud. De schelpen worden niet ingeplakt om er een herinnering van de zonvakantie van te fröbelen, zoals te vinden in de plaatselijke souvenirwinkel op de boulevard. Met het gebruik van zee gerelateerde materie geeft Astrid Nobel aandacht aan zowel de ernst van de klimaatcrisis als de kracht en schoonheid van de levende natuur. Het herinnert haar aan hoe het kan zijn, maar lang op alle plekken niet meer is. Deze diepere bodem in het stille water valt niet meteen te doorgronden. Het verhaal achter de werken gaat mee op een begeleidend papier. De tekst opent de ogen en verruimt de blik. Geeft een nieuwe kijk op de beeltenissen. Hoewel de werken bij nadere beschouwing zelf al “een verwantschap met en aandacht voor ander leven” prijsgeven.

    Tot de horizon zweven

    Op het droge staar ik over het water daar aan de zee, het Noordzeestrand. Beschouw de bewegingen van het aankomende en aflopende water, verdwijn gefocust in het niets van de eindeloze golven, de eeuwige einder. Bij het werk van Astrid Nobel heb ik eenzelfde ervaring. Het gevoel tot de horizon te kunnen zweven en niet te weten wat daarna is. Loopt het rond door of val ik van het plat af. Van een afstand kijk ik, maar wordt in de ruimte opgenomen. Dat is de kracht van de kunstenaar. Maar ook de werking van de composities zelf. Dat het mij in zich opneemt, mijn gevoel overneemt. Dat ik verdrink in de golven. Ik moet worstelen om weer boven te komen. Hoewel ik misschien onder zou willen blijven.

    Het wateroppervlak kan ook het karakter van een sterrenhemel krijgen. In een kolkende spiraal van lichtpunten bereikt het werk neerwaarts een hoogtepunt. In de eerste ruimtes van Afslag BLV heeft de kleur van het strand de overhand, terwijl de laatste zaal het blauw van de zee geeft. De overgang van land naar water is karakteristiek “Zandhonger”. Een imposant dubbeldoek waarin golven zich spiegelen, of eigenlijk de ribbels op het strand reflecteren in de deining van de zee. Het zand lekt, het verwatert. Het water houdt huis en neemt van het land. Het is niet meteen duidelijk dat deze vormgeving betekent dat de golfslag de vijand is. Maar bij nadere intensieve beschouwing, een serieuze inleving in de beeltenis, weet je wat ik zie.

    Vloedlijn door de afslag

    Naast de golfbewegingen is de cirkel van levensbelang voor het werk van Nobel. De cirkel als bron van cultuur, waar het water de grond geeft aan voortgang en ontwikkeling. Die cirkel staat ook voor de levenwekkende zon overdag en tevens het schijnsel van de maan ´s nachts. Voor de kunstenaar is de cirkel het universum, waarin het leven rond is. De levenscyclus na het eind een nieuw begin vindt. Dat uit de dood een volgend leven opstaat. Dit indenkend is er hoop voor opwarming en afkoeling, voor verschijning en verdwijning, kortom voor de klimaatcrisis. Zal de wereld zichzelf kunnen oprichten na de aanval van haar bewoners. Ondertussen houdt Nobel de veranderingen en afwijkingen aan de vloedlijn in de gaten. Geeft daar voor ons beeld aan. Door gevonden materialen te verwerken, die in zichzelf al rijke ervaring en kennis met zich dragen. Dit gevoel en weten zet zij aan tegen geleerde conclusies, plaatselijke historie en de eigen belevingen.

    Er loopt een stukje vloedlijn door de afslag. Schelpen zijn aangespoeld. Botten geven teken van leven dat eens was. Het is een puntdicht, een poëtisch éénregelige zin, geschreven in enkele beelden. Een eenvoudige installatie passend bij het karakter van de tentoonstelling. Een vormgeving die tot nadenken stemt. Tot overdenken maant. Wanneer de volgens zijn vertrokken, weggejaagd of door ziekte gedood, heerst er stilte. Een oorverdovende stilte tekent de atmosfeer. Het water staat ons aan de lippen. Het zand glipt ons tussen de vingers.

    Stilte na de Stern. Tentoonstelling schilderijen en installatie van Astrid Nobel. Te zien van 9 juni tot en met 18 augustus 2024 in Afslag BLV, Minckelersstraat 11, Heerenveen.

  • Voorbij hemel en aarde, kunst uit Litouwen

    Er zijn overeenkomsten te bespeuren tussen het boegbeeld van Museum Belvédère, Jan Mankes, en de kunstenaar waaraan dat museum op dit moment in een tentoonstelling aandacht schenkt, Mikalojus Čiurlionis. Beide kunstenaars werkten aan het begin van de vorige eeuw en overleden op jonge leeftijd. “Mankes was evenwichtiger van aard en miste de obsessieve werkdrift die Čiurlionis soms in zijn greep hield”, schrijft Han Steenbruggen in zijn voorwoord van de catalogus bij de tentoonstelling over deze Litouwse kunstenaar. “Maar ook Čiurlionis was een gevoelige natuur en gaf zich onvoorwaardelijk over aan zijn roeping met eenzelfde hang naar mystiek en spiritualiteit.

    Zijn nieuwsgierigheid dreef Steenbruggen in 2013 tot een bezoek aan het Museum voor Schone Kunsten in Gent. Hij had ergens gelezen dat daar een omvangrijke tentoonstelling te zien was van een Litouwse kunstenaar die had gewerkt in het begin van de 20e eeuw en waarvan hij nog nooit had gehoord. Het was indrukwekkend wat hij zag, het overdonderde de conservator en kunsthistoricus. En hij had toch al veel kunst gezien! Een tiental jaren later trok hij op aanwijzing van schrijver Jan Brokken naar Vilnius. Daar trof hij op een kleine boekenmarkt een oude bundel met volksliederen die door Čiurlionis waren gearrangeerd. Aan de enthousiaste boekverkoopster legde Steenbruggen uit waarom hij belangstelling had voor het boek. En zij legde op haar buurt uit wat de kunstenaar voor haar land en volk betekende. “He gave us back the very soul of our country, with his music and his paintings.

    Op de plaats in Oranjewoud

    Het is dat Museum Belvédère zich vooral richt op schilderkunst die inspeelt op natuurlijke omstandigheden als licht, land, lucht en ruimte. En dat het aandacht heeft voor en geeft aan kunstenaars die hun eigen weg volgen en emotionele binding hebben met hun omgeving. Daarom is het werk van Čiurlionis zo op de plaats in Oranjewoud, daar de artistieke natuurbelevingen van de Belvédère kunstenaars en die van de Litouwse meester zowel figuratief als abstract van karakter zijn. Het werk van Čiurlionis doet wel naïef aan. Het is realisme, maar volgt niet de werkelijkheid. Op de manier dat naïeve schilders de wereld wel registreren. Niet zoals zij het voor ogen hebben, maar zoals ze het zien en volgens beste eer en geweten kunnen vastleggen.

    Het is van een andere orde, een hoger goed. Het is geen beeld van de wereld waarin wij leven, het beweegt zich op een tweede plan – in een andere dimensie. Een perspectief dat geheel anders van aard is, een standpunt dat zweeft tussen hemel en aarde – want daar is meer. Het zijn de verhalen die het leven tot droomwereld maken. Om de zwaarte van het aardse bestaan lichter aan te voelen. In vogelvlucht met helicopterview boven de gebeurtenissen zwevend om er afstand van te kunnen nemen, het daardoor beter aan te kunnen. Sagen en legendes, volksverhalen, maken het zijn tot wezen en (be)leefbaar. Die realiteit heeft een andere ordening dan wij als gewoon beschouwen. Die schikking en dat patroon is een spiegel waarin wij ons aura zien: beyond heaven and earth.

    Brieven en dagboekaantekeningen

    Deze Litouwse meester had geen grote formaten of grootse gebaren nodig om te overtuigen”, schrijft Steenbruggen nog even enthousiast in zijn voorwoord. “In relatief kleine, ingetogen pasteltekeningen en temperaschilderijen toverde hij de meest wonderlijke voorstellingen tevoorschijn. (…) Waar veel van zijn beroemde tijdgenoten, die tot het symbolisme werden gerekend, imponeren met theatrale uithalen en literaire verwijzingen, wist deze kunstenaar ten diepste te ontroeren met intieme, poëtische schilderingen.” Maar zijn roem bleef lange tijd beperkt tot Oost-Europa, doordat Litouwen – onderdeel van de Sovjet-Unie – achter het IJzeren Gordijn zo goed als afgesloten was van het Westen. Pas nadat het land onafhankelijk werd is zijn kunst ontdekt door internationale musea. Grote tentoonstellingen volgden na 1990 rondom op de wereld, maar het werk heeft tot nu nooit Nederland aan gedaan.

    Bijdragen aan het boek leveren hoofdconservator van het Čiurlionis Museum te Kaunas Vaiva Laukaitienė, journalist en schrijver Kurt van Eeghem en schrijver Jan Brokken. De eerstgenoemde twee auteurs gaan gedetailleerd in op het leven van de kunstenaar. Gezien van verschillende kanten openbaart de persoon Čiurlionis zich aan de lezer. Daardoor wordt zijn werk meer zichtbaar en beter te duiden. Evenals bij andere kunstenaars van zijn tijd en eerder dat het geval is, kan veel van zijn levensverhaal gepuurd worden uit brieven die hij heeft geschreven en de dagboekaantekeningen. Daarin en daaruit kan nu veel van zijn kijk op de wereld en de inspiratie voor het maken van zijn werk worden gehaald. Aldus kan de puzzel van zijn leven worden uitgelegd.

    Zijn leven in een notedop

    Vooraleer was hij musicus en componist. Geboren in een muzikaal gezin was de muziek zijn passie en liet hij zich scholen aan het conservatorium. Daarnaast tekende hij in zijn vrije tijd. Doordat deze beeldende kant steeds meer aandacht kreeg is zijn kwaliteit van componeren enigszins op de achtergrond geraakt. Zijn werk werd gewaardeerd en Čiurlionis werd binnen het culturele circuit gezien als een belangrijk kunstenaar. Echter had hij moeite om er een goed bestaan mee op te bouwen. Daardoor raakte hij, ondanks de steun van zijn vrouw en muze Sofija. ten lange leste neerslachtig en werd opgenomen in een sanatorium. Op krachten gekomen velde een longontsteking zijn broze lichaam. Het is zijn leven in een notendop, dat dus in de catalogus breed is uitgemeten.

    De tentoonstelling bij Museum Belvédère toont zijn hoge gevoeligheid voor indrukken. De manier waarop deze zijn verbeelding hebben geactiveerd en waardoor hij zijn oeuvre met een scherp observatievermogen heeft kunnen opzetten. In het beeldende werk blijft voortdurend zijn muzikale inslag doorwerken. In zijn werk wordt de buitenwereld gespiegeld aan zijn binnenwereld. Persoonlijke emoties klinken erin door. Verhalen van zijn volk krijgen beeld. Hoewel deze zich niet altijd inpassen in onze wereld, kunnen wij wel het gevoel daarvan aanvoelen en wordt de melancholische emotie simpelweg verbeeld.

    Sprookjesboek

    De catalogus al doorbladerend is het alsof ik een geïllustreerd sprookjesboek inkijk. De sagen en legenden zijn zo tastbaar in beelden uitgedrukt, dat deze zonder woorden een leesbaar verhaal vertellen. De illustraties zijn de vertellingen in zichzelf. Het boek is verlevendigd met een groot aantal reproducties, waardoor een goede indruk wordt gegeven van de kunstenaar Mikalojus Konstantinas Čiurlionis. Jan Brokken schrijft tot slot over zijn bezoek aan het huis van Čiurlionis in Vilnius. In een literaire verhandeling neemt hij de lezer mee naar wat nu een museum is en voert hij andermaal het leven van de kunstenaar voor het voetlicht. Zijn denken en werken, zijn taal en teken. “Er bestaan geen grenzen tussen de verschillende vormen van kunst”, meende Čiurlionis. “Muziek heeft haar eigen architectuur en er is niets op tegen om de architectuur van de ene kunst te gebruiken om een andere te maken.

    Mikalojus Konstantinas Čiurlionis, Grootmeester uit Litouwen [1875-1911]. Beyond Heaven and Earth. Tentoonstelling Museum Belvédère, 24 februari tot 9 juni 2024. Catalogus, uitgave Museum Belvédère i.s.m. Uitgeverij Noordboek, 2024.

  • Vormen zonder vermeend doel bij Afslag BLV

    Wanneer ik de ruimte binnenloop is het alsof ik over de drempel  van een stoffenzaak stap. In deze ruimte geurt het als in die winkel, vergeven van raam- en vloerbekleding. Het ruikt er geurig natuurlijk naar wol. Niet naar schaap, maar naar het bewerkte product van deze viervoeter. Het ruikt zoet en huiselijk. Na enige tijd is de neus er echter aan gewend en lijkt de lucht neutraal te geuren, ruik ik niets meer. Of het moet de vers gezette koffie in het naast deze kunstruimte gelegen museumcafé zijn. Ik ben de drempelloze dependance van Museum Belvédère binnen gelopen. Zonder drempel is de kunst die daar wordt getoond echter niet. In Afslag BLV, gelegen in het centrum van Heerenveen, laat het museum hedendaags werk zien om podium te zijn voor jonge talentvolle kunstenaars. Talent wordt bewezen door afgestudeerd te zijn en werkbijdragen te ontvangen. Het talent heeft een voedingsbodem gevonden, maar moet nog groeien en bloeien. Heeft nog niet altijd de vaste vorm gevonden. De kunstenaar zoekt naar een bij hem of haar passende duiding, die sluit aan de idee van de bezoeker – de kijker naar het werk.

    De voorstelling is ongrijpbaar

    Terug naar de geur die de ruimte bij eerste betreden vult. Het blijkt te komen van de getufte wol die is gebruikt door de daar op dit moment exposerende kunstenaar voor een eigentijdse wandbekleding. Uiteraard bekleedt tweedimensionale kunst altijd de wand. Dit getuft wollen werk heeft echter het karakter van een reliëf dat in elementen uiteen kan vallen. De abstracte uiting beschouw ik als losse vormen, niet als beeltenis op zich. Dat betekent niet dat het niets voorstelt, van die simpele gedachte over een abstract werk moeten we af. De voorstelling is ongrijpbaar. In de gegeven vorm is een beeltenis te zien, maar die verstandelijke vanzelfsprekendheid geeft het objectief kijken een rugzak. Een last om vrijuit van de compositie te genieten, zonder meer. Het menselijk verstand wil herkenning, wenst iets tastbaars te zien dat schakelt aan een begrip. Maar dat bevatten, dat inzicht, wordt in deze vervangen door gevoel. De presentatie is ongrijpbaar, hoewel de inspiratie grijpt aan de werkelijkheid. De realiteit is het water waaruit geput wordt, de grond waarin gewoeld wordt, de lucht waarin de bezieling zweeft. De ervaren beelden worden opgeslagen en komen als beeldend kunstwerk tevoorschijn, wanneer de tijd er rijp voor is. De abstractie heeft daarom een kern van waarheid, een werkelijkheid in zich. Dat is de waarheid van de kunstenaar. De kijker naar het werk moet een vertaalslag maken om de essentie te achterhalen, te sluiten aan de duiding om het te begrijpen.

    Geen band met de ruimte

    Om mijn verstand te vriend te houden wens ik datgene wat ik bekijk te benoemen, te identificeren. Mijn ogen zoeken onderscheid, dat is een natuurlijk proces – het valt niet tegen te houden. In eerste blik kan ik daarom niet onbevangen kijken. Het verstand tuurt naar invulling, zingeving, verklaring. Deze drang naar interpretatie moet ik uitschakelen om fris en afstandelijk te kunnen beschouwen. Verstand op nul, blik op oneindig, zoiets. Echter, geeft de maker mij wel een handvat door het werk een titel te geven. Lastig, want dan word ik een richting in gestuurd die ik misschien helemaal niet wil. Leidt de kunstenaar mij naar een besloten duiding, een afgesloten toelichting. Gaat de compositie zonder titel dan kan ik neutraal kijken. Kan ik zien wat ik wil zien. En dat is in het geval van Dieke Venema een verademing.

    Naast de zacht aanvoelende composities in getufte wol heeft Venema enkele metalen objecten en een tweetal monotypes op canvas in de ruimte gebracht. De verwerking van het wandkleed in aan elkaar gerelateerde elementen is monumentaal maar weinig indrukwekkend. Het materiaal geeft niet de degelijke fijnheid die de figuratie verlangd. De groots bedrukte canvas vormgeving heeft wel van een imposante kwaliteit. De werken met een enkele drukgang getekend toont een sferische massa kolkende non-figuratie. Daarin figureren vormen die niet getekend lijken. Ik zie ze, maar kijk ik anders dan zijn ze verdwenen. Het aluminium, brons en betonstaal heeft eenzelfde structuur als het wol. In abstracte zin dan wel te verstaan. Het zijn vormen zonder een vermeend doel, buiten een denkbeeldige betekenis. Ze vullen de ruimte maar hebben er geen band mee. De vormen staan op zichzelf, maken geen verbinding met de omgeving. Kunnen echter wel aanleiding zijn voor een reactie en een vervolg, lees ik in de bijgeleverde tekst. Maar is dit niet altijd het geval, dat de kunstenaar werk laat groeien op wat hij of zij daarvoor heeft gemaakt. Dat ieder volgende compositie een reactie is op het vorige, dat het eerdere aanleiding is om nieuw werk te maken. De expositie in Afslag BLV is te klein van omvang om die voortgang in de beleving van Venema te onderkennen.

    paper, scissors. Expositie werk van Dieke Venema bij Afslag BLV, Minckelersstraat 11 in Heerenveen. 3 maart tot en met 19 mei 2024.