Tag: natuur

  • De werkelijkheid lostrekken in stroken, in vlakken en vorm

    Het lijkt tegenstrijdig, dat metaal in de natuur. Die menselijke ingreep in de schepping. Streed Don Q. in zijn dagen ook al tegen de verdomde windmolens die nu nog weer de horizon bevuilen. Waren die toen van hout, zijn de onze van staal. De honderd jaar oude belvedère toren stak tot voor kort nog fier uit boven het bosrijke Oranjewoud, beton past tussen hout. Een paradox, mens en natuur. Wie er met de toekomst gaat strijken wist Louis le R. maar al te goed. Zodra de mens de handen ervan aftrekt is het grijs in een ommezien groen. Overwoekeren planten stenen, herstelt de natuur scheve verhoudingen. Die schijnbare tegenstelling vind ik terug op dit moment  in Kunstlokaal No.8. Dikwijls schijnt het daar niet te passen, maar wordt een tweedeling rap tot een eenheid. Dit keer zet de tentoonstelling mijn gedachte op de man van La Mancha en de ecokathedraal. Dit om een ingang te vinden, een weg te gaan, langs de los-vaste regels van en in de natuur, een vinger te krijgen achter het wetmatig zink en het gevlochten object.

    Engelengeduld

    Het werk van Flos Pol heeft twee kanten van belevenis. In de serie geschilderde grondwerken legt zij als het ware het fundament, slaat ze palen in vruchtbare bodem, om er de verweven horizon op te bouwen. Er is geen figuratie anders dan raster van kleur en vlak. Tralies waarachter de werkelijkheid lijkt opgesloten, enkel wanneer ik mijn gedachten erover laat gaan kan het losbreken en de vrijheid vinden. Dan zie ik achter de abstracte waarheid een reële echtheid.

    In de gevlochten werken is de werkelijkheid vervlochten tot een abstracte beeltenis. Een afbeelding samengesteld uit mislukte en daardoor afgekeurde werken. Schilderijen die er niet mochten zijn, of schutbladen waren van doordrukwerken, worden door Pol hergebruikt in deze matten. Een daad van recycling, maar ook van herinterpretatie. Deze anders voor de prullenbak beschikbare flodders krijgen een nieuwe betekenis. De in repen gesneden vellen zijn de draden voor de weefsels.

    Met engelengeduld laat Pol deze stroken kruislings gaan, bovenlangs, onderdoor. Dwarsdraden in een golfbeweging tussen en over kettingdraden. Vanwege dat golven van de stroken bruisen kleuren, vlakken en figuraties dooreen. Als in een overvloed aan beeltenis maakt het beeld een dynamische afbeelding. De figuratie is door elkaar geschud en er ontstaan daardoor nieuwe gezichten, andere invalshoeken, haakse betekenissen. De oude lijnen zijn nog zichtbaar, maar krijgen een nieuwe duiding. De vlechtwerken hebben wel het karakter van zielenweefsels van primitieve volkeren. Een mat waaraan waarde gehecht is en wordt. Onderdeel van een grootse beleving, een religieuze beeldvorming. Met recht grondwerken, waarin de basis van zowel aarde als leven is gevormd. Aarde, de natuur waarin wij verkeren. Leven, het zijn hier en nu op het verleden daar en toen.

    Pol weeft wel strotouw en siergras in. De strenge spanning wordt dan beweeglijk doorbroken. Nog steeds is het grondplan van het traliewerk zichtbaar, maar de inbreng roert zich tegendraads en laat de compositie beven. Als de trillende atmosfeer bij warmte, een luchtspiegeling op de route. Niet dat Flos Pol mijn zinnen wil bedriegen, zij vlecht structuur in een kunstmatig landschap om mij de schoonheid van de natuur te tonen. En dan uiteindelijk lijkt zij helemaal klaar met die gestrenge schering en inslag, schopt ze tegen het weefgetouw zodat een warboel aan rechte toeren averechts werken en steken zich laten vallen. Beeld en kleur, vorm en volume raken in de knoop.

    En tenslotte biologeert een kleine compositie in deze opzet mijn blik, het acrylverf op linnen verbeeldt een opgeschoonde omgeving. Een zompend stuk grasveld waarin bruinen en gelen de sfeer maken. Een realisme dat rust geeft in de dynamische drukte van vlechten en vervlochten. Een schier contemplatieve structuur om in stilte te beschouwen. Het heeft niet de beweeglijkheid van verweven einders en geverfde grondwerken, maar schetst de werkelijkheid in een abstract beeld. Het toont schijnbaar dat mijn voorkeur uitgaat naar de min of meer tastbare werkelijkheid, terwijl voor abstractie om en nabij mijn aandacht geringer is. Niets is echter minder waar.

    Architectonische ingang

    Die werkelijkheid in dat abstracte beeld wat Pol uittekent schetst ook Manja Hazenberg in de ruimtelijke beleving. Uit geëtst zink snijdt en soldeert zij wiskundige vormen. Vierkanten en cirkels, in elkaar geschoven staand op een sokkel of solitair hangend aan de wand. Structuren die geconstrueerd lijken, maar zo te vinden zijn in de derde dimensie. Geen toeval, eerder een systematiek met ruimte voor spel. Het zijn herkenbare contouren en typische patronen. In het grijze staal licht koper op of schittert bladgoud.

    De kubusvormen hebben een architectonische ingang en kunnen zo modellen voor bouwwerken zijn. De essentie van de gedachte, de kern van het zijn. Een schets voor monumentaliteit. Nu in het moment. Geleid door de idee van Leonardo van Piso, aka Fibonacci, legt Hazenberg verbanden in haar werk met de gulden snede. Dat wiskunstige gegoochel met getallen gaat ver terug in de tijd. Zo brengt zij de kunst van het metrum, berg van de cadens, in de tentoonstellingsruimte hier en nu in. Geeft zij beeld aan het konijnenprobleem en de bijenstamboom in een abstracte weergave. De beschouwer herkent dat zo direct niet terug, deze vormen die door differentievergelijkingen en matrixrekeningen zijn gefigureerd. De beschouwer kan onbevangen kijken zonder zich deze wonderlijke wereld van het getal te realiseren.

    De werken van Hazenberg verhouden zich tot de vlechtmatten van Pol als de belvedère in het bos. Lijken koel in de warmte, gereserveerde menselijkheid tussen toeschietelijke natuur. Ze vullen elkaar echter aan alsof natuur zonder mens geen eenheid is. Niet naast elkaar, maar bij elkaar en samen. Zo zoeken beide kunstenaars naar de essentie van het bestaan, vorm en waarheid, hoe echtheid zich toont in abstractie. Ieder vanaf een eigen standpunt en met individuele middelen die hen persoonlijk aanspreken. Elementen die enerzijds speels en anderzijds gestructureerd de grond van het wezen onderzoeken, de basis van het zijn. Dat wat ten grondslag ligt aan kijken, aan begrijpen, aan het maken zelf. En wie goed kijkt, merkt dat het er allemaal al is, maar nog niet helemaal zichtbaar. Alsof de kunst mij uitnodigt de werkelijkheid zelf een stukje los te trekken, in stroken, in vlakken, in vorm.

    Expositie werken van Flos Pol en Manja Hazenberg, in de expositie Natuur en Wetten bij Kunstlokaal No.8, Schoterlandseweg 55 te Jubbega-Schurega. Te zien van 5 tot en met 27 april 2025.

  • Drift tot schilderen druipt van doeken

    Het schilderij dat gemaakt moet worden. De inspiratie die het verdient een afbeelding te krijgen. Iedere keer wanneer Daniëlle van Broekhoven voor een leeg doek staat, is er de drang dit te vullen. Te bekladden met ervaringen die ze opdeed gaande langs stad en land, over berg en dal, de paden op de lanen in. De beelden die ze tijdens wandelingen opdoet gisten in haar gedachten. De ideeën voor weer een nieuw schilderij borrelen uit dat proces op. Als in een roes gaat ze aan de slag, want de verbeelding moet een afbeelding gaan krijgen.” Zo begon ik in november 2021 mijn beschouwing over de uitgave ‘Layers’: De natuur in verf vertaald en gelaagd. Ik zou dat stuk vrijwel een-op-een hier kunnen overnemen, want het standpunt van Daniëlle van Broekhoven om te schilderen is niet veranderd. Met dezelfde daadkracht gaat zij te werk, dat blijkt uit de kamerpresentatie in Museum Belvédère. Maar overschrijven of herschrijven doet haar werk geen eer aan, dus ik begin opnieuw.

    Het is niet toevallig dat de kunstenaar een schepper is. Want uit niets maakt de kunstenaar iets, zoals de Schepper van een woest en ledige wereld een vruchtbare aarde maakte, een land van melk en honing. Maar is dat niets werkelijk niks, nul, nada. Of schijnt in de donkerte toch een puntje licht al. Zit in het zwart toch een stipje wit. Is in de leegte toch een sprankje hoop. De beeldhouwer legt in de klomp steen een beeltenis bloot. Die figuratie zat altijd al in de ruige hardheid verborgen. Het was er al maar niemand anders dan de kunstenaar zag het. Zo is het beeld dat Daniëlle van Broekhoven op het lege doek vastlegt al aanwezig zonder dat het voordien zichtbaar was. Dat wat zij zag in de natuur, herinneringen en gedachten bij situaties, komt ogenschijnlijk intuïtief op het linnen te staan.

    Expressief en vol levenslust

    Mijn werk toont een weergave van natuur, maar misschien nog meer de actie van het schilderen”, schrijft zij in een magazine dat Van Broekhoven in eigen beheer uitbracht als catalogus bij haar kamerpresentatie in Museum Belvédère. Daar toont zij enkele representatieve composities uit haar oeuvre. Aan de doeken is de drift tot schilderen af te lezen. Het is geen heilig moeten dat scheppen van Daniëlle van Broekhoven, maar veel eerder en meer een gemeend willen. Ze ziet er niet tegenop aan het werk te gaan. Verzint geen andere werkzaamheden, zoals het atelier opruimen en verfpigmenten op volgorde leggen, om de dagelijkse arbeid maar zo lang mogelijk uit te stellen. Zij gaat juist graag en veel aan het werk. Het is een hoger goed waarmee ze bezig is. Ze kan niet anders maar ze wil ook niet anders. Dit is haar leven, haar zijn, haar natuur. En die levenslust straalt ze in en door haar werk af op de beschouwer. Deze wordt er vrolijk van. Weet zich opgenomen in de kleuren en de verflagen.

    Expressief en vol levenslust staan plantaardige figuraties op de schilderijen. In iedere verfstreek klinkt het plezier van de kunstenaar. Door het riet en de oeverplanten ruist de zin in het scheppen, de lol van het creëren. Althans ik denk dat ik naar riet en planten kijk. Deze verfstreken geven de idee van vegetatie, maar de flora is abstract weergegeven. De aanleiding, de inspiratie, ligt in de natuur. Maar wat Van Broekhoven ermee doet heeft, zoals ze zelf opmerkt, minder met de werkelijkheid te maken dan met het werken in een abstracte atmosfeer.

    Waarneembare realiteit en abstracte ervaring

    Ik stel me haar zo voor bezig in het atelier. Het opgespannen linnen wordt op de vloer gelegd. Het is maagdelijk wit, onbevlekt, onaangetast. Er schijnt geen figuratie te zijn nog, geen beeltenis op het doek. Maar Daniëlle kijkt ernaar, sluit haar ogen en stelt zich een herinnering voor. Er verschijnt achter haar oogleden en in gedachten een kleurig beeld. Ze opent de ogen en dat beeld wordt als het ware geprojecteerd op het doek. Ze hoeft het alleen nog maar over te trekken. Zoekt de penselen, kwasten en de verf bij elkaar, sorteert de kleuren en gaat aan het werk.

    Er is geen schets, enkel de gedachte projectie, voordat ze bezig gaat. In het hoofd houdt zich de impressie schuil, deze moet bevrijd en er via handen en armgebaren uit. De gedachte kan al werkend worden aangepast en bijgeschaafd. Ze schildert nat in nat met olieverf en acrylverf. Laag over laag. Ze schuurt delen weg en vult details in. Zo boetseert zij het beeld op doek, ontstaat uit het schijnbare niets een herkenbaar iets. In lengte en breedte een monumentaal werkstuk, in diepte een tastbare abstractie. En van de natuurlijke waarneming blijft weinig over, deze is alleen nog vaag in de achtergrond zichtbaar.

    Deze werken begeven zich tussen waarneembare realiteit en abstracte ervaring. Op die grens kan de aandacht de kant van contemplatief contact opvallen of vervliegt de voeling in het voorbijgaan naar een andere kamer in het museum. Het is nauwelijks voor te stellen dat dit werk een iemand niets doet of een ander persoon koud laat. De expressiviteit die van de impressie uitgaat is bindend. Het kleurgebruik overheerst niet, maar is zo overwogen in balans met de figuratie dat het dwingt tot kijken. En kijk je dan, dan houdt het de blik magnetisch vast.

    Magazine bij presentatie

    Het magazine bij de presentatie toont naast de werken die daar te beschouwen zijn een handvol foto’s. Het zijn platen van momenten van inspiratie. Deze fotografie past welhaast naadloos in het plaatje van wat Van Broekhoven met haar schilderijen wenst te duiden en wil vertellen. In deze foto’s zie je als het ware het schilderij opdoemen. Deze vastgelegde waarnemingen in snapshots zijn terug te vinden in haar kunst. De kunst die invoelbaar is. Waarbij ik het moment ervaar.

    Er is een foto waarop hoogwater sporen heeft achtergelaten tussen beplanting, kiezels heeft aangevoerd en achtergelaten. Voor mij is dit residu een metafoor voor de kunst van Daniëlle van Broekhoven. Haar beeld op doek is een overblijfsel van waarneming. Een bezinksel van de emotie bij de plek, het gevoel van wat de natuur te bieden heeft. En die ontroering brengt zij over op de beschouwer. Ik noem in deze de compositie ‘Pines’ bij name omdat ik het meermalen met witte handschoenen aan heb mogen vatten. In mijn tijd als collectiebeheerder van Museum Belvédère heeft deze instelling het aan de verzameling mogen toevoegen. Het bos met dennen lijkt ondergesneeuwd. Ik krijg het er koud van. Dat is wat kunst met je kan doen. Het werkt op je zintuigen. Maar in die kou is warmte, enkele verftoetsen geel en rood brengen een behaaglijke sfeer waarin ik mijn ogen te goed doe.

    Tot slot eindig ik door mijn eigen woorden van toen te citeren: “De compositie is een botanische rijkdom. Vooral wild als een vroege scheppingsdag, niet gecultiveerd en ontgonnen door de geëvolueerde mens. Het is er woest binnen de kaders, maar nooit ledig en altijd in evenwicht. Een lust voor het oog, zo moet het paradijs er hebben uitgezien, ooit eens. Het is een imaginair beeld, een onwerkelijk voorkomen. Daniëlle combineert gedachten tot een bedacht geheel. Maar het kan best wel zo bestaan.”

    Van nature. Kamerpresentatie schilderijen Daniëlle van Broekhoven bij Museum Belvédère, Oranje Nassaulaan 12 in Heerenveen-Oranjewoud. Van 25 januari tot 30 maart 2025.