Tag: opwenteling

  • Experimentele constructie geeft dichter Edwin de Groot rijker palet

    alleen zijn is heerlijk / met al dat missen en weer afscheid nemen / eigenlijk wel het mooiste wat er is’ Timofei Sofer is een fictief personage, een 78-jarige bosarbeider uit Oost-Siberië. Een amateurdichter die op zijn eenzame tochten door de taiga de beleving poëtisch boekstaaft. Edwin de Groot bedacht de figuur om dit alter ego zijn woorden in de mond te leggen. Hij zou de gevonden gedichten uit het Russisch vertaald hebben om Sofer vleugels te geven. “Het gebruik van een alter ego constructie samen met de niet fictieve situering maakte, en dat is mijn motivatie, dat ik een rijker palet had om autobiografische en beschouwelijke zaken een andersoortig podium te geven en er een voor mij andere schrijfstijl op na te houden”, zegt De Groot over zijn keuze. “Een soort van experiment dus als het ware.”

    De idee om zijn gedachten te situeren in de uitgestrekte wouden van Rusland ontstond na het lezen van een overdaad aan Russische literatuur. Daardoor kreeg Edwin de Groot een beeld voor ogen dat evengoed beleefd kon zijn door een autochtone Siberiër. De houthakker die medelijden heeft met de boom die hij gaat vellen. De eenvoudige bosarbeider die meervoudige filosofieën in zijn dagboek pent. ‘in mijn mond woont het geluk / van de smaak van hier / van hars en hout op de tong’. Uit de denkbeeldige observaties heeft hij een feitelijk relaas in expressieve en suggestieve dichtregels geschreven. Het had waar kunnen zijn, want de oorsprong is echt.

    Het is een behendig klein boek in zakformaat. Om zo in de kontzak van de broek op voettocht of in de binnenzak van de jas op wandeling mee te nemen. Om eens aan te pakken en na te slaan gaandeweg onderweg, rustend op een bank of liggend in het gras. Uitkijkend over laagland, heide, door bossen, open plekken, lange lanen. Zodat ik voor het moment van lezen me waan op de plaats die beschreven is. De taiga. De uitgestrekte bossen, de koude naaldwouden. Glooiend over de vlakte langs het water tot in de heuvels.

    Fictief figuur

    Was hij er ooit, daar, de tekstdichter, de poëet. Of heeft hij zich zo kunnen inleven bij het lezen van plaatselijke literatuur dat hij zich daar fysiek denkend dacht aanwezig te zijn. Zich verplaatsend in de geest van een alter ego, een fictief figuur waaromheen in eerste instantie de mystiek van zijn en niet-zijn hangt. De gedachte overgenomen, de ziel bewoond. De ogen geopend en zien wat er te kijken valt. Voor de dichter, zowel als voor elke andere kunstenaar – schrijvend, beeldend, musicerend – bestaan er geen grenzen. Is 1000 kilometer als een enkele voetstap verder.

    De gedachte laat zich niet begrenzen, vliegt eenvoudig van oost naar west, van zuid naar noord. Je hoeft op een bepaalde plek niet geweest te zijn om je er aanwezig te voelen. Dat is de kracht van inleving, verbeelding. Wanneer je maar de gave bezit om verder te denken dan hier en nu, dan lengte en breedte en eenvoudig de diepte in kunt. De fantasie, het geestesoog, heeft meer abstracte reikwijdte dan de realistische gedachte. Door de tekst van Edwin de Groot kan ik zodoende zijn in het bos tussen de bomen, op mezelf aangewezen met de Taigagedichten als reisgids door plaats en tijd. Voor het moment ben ik zijn alter ego en kleed me warm in gedachten. Ik ben de houthakker die de seizoenen opmerkt, de verandering in de natuur, de opwarming van de aarde.

    Lichtvoetig en zwaarmoedig

    De verzen van Edwin de Groot lezen als de wind die ruist tussen de bomen op de taiga. Maar feitelijk heeft de wind geen geluid. De takken die door luchtverplaatsing bewegen geven de wind een stem. De wind leeft zich in de bomen in, zoals ik meevoel met de woorden van de dichter. De wind is voor een vlaag de boom. Ben ik door het lezen dichters alter ego in het wel erg vrije vers. Lichtvoetig en zwaarmoedig. Schijnend als de ondergaande zon, mysterieus. Maar hij, Edwin?, is geen filosoof. “ik ben geen filosoof / ik hak hout / stroop af en toe een sneeuwhaas / schiet een hert voor de winter

    De bosarbeider heeft diepe gedachten, mijmert voor zich uit in de idee van Edwin de Groot. Leeft met de seizoenen. Is een natuurmens. Ieder jaargetijde kent de eigen werkzaamheden en gedachten. Hoewel de bomen hem gezelschap houden is de houthakker veel alleen. “je kunt over niet te meten land / het aan-één-stuk-door-en-door / de ruimte, de mateloze vergezichten / gedichten schrijven van tientallen pagina’s lang / met hoofdrollen voor de grond, de bomen / de vogels die moeiteloos kilometers maken“.

    Geven de taigagedichten ruimte om te ademen. Te beschouwen tussen de regels door. De tsjevengoer beneemt mij de adem. Gehaast slinger ik mij door de tekst die nauwelijks leestekens kent en prachtige volzinnen vormt. De ultrakorte poëtische essays sluiten de verzameling gedichten af. Het spreekt over personages, figuren met een verhaal. Dit heeft het meesterwerk van Andrej Platonov als inspiratie. Deze speelt zich af in de jaren voor, tijdens en vlak na de Russische Revolutie. In tijden van chaotisch oorlogsgeweld, ideologische verwarring en snakkende heilsverwachting. Platonovs doelloos dolende personages zijn gegrepen door geloof in de communistische heilstaat. Maar tegelijk door totale vertwijfeling, vanwege hun bodemloze ellende, en omdat het communisme hen voor ondoorgrondelijke raadselen stelt. In de woorden van De Groot herken ik Platonovs ontwortelde wezens die dolen tot in de dood. Het is een bizarre afsluiting van een met beleving doorregen gedichtenbundel. Dat begon met een ode aan Miklós Radnóti. Hongaars dichter en slachtoffer van de holocaust. Is hij het alter ego onder een andere naam?

    Beschouwende stilte

    poëzie mag ook lelijk zijn / laat het maar grijnzen als botten in een kuil / borrelen als een verzopen wolf kronkelvol paling / dat de regels na het lezen de volgende dag nog / in je kleren hangen als matrozenkots / poëzie moet als een steenmarter hardnekkig / je huis bezetten zoals de lucht van een natte hond / of als een wilde kat in je gordijnen’ Door de mond van B. op visite bij S. weet de dichter zijn eigen werk in dit boek niet beter te omschrijven. Ik had met deze dichtregels mijn bespreking kunnen staken. Het is kernachtig beschreven en heeft het gras voor mijn voeten weggemaaid, als het ware.

    Edwin de Groot leeft zich in en spreekt zich uit. Ik laat bij het lezen mijn vinger onder de regels meebewegen om geen woord te missen. De ogen sluitend na een gedicht gelezen te hebben, als contemplatie zuchtend in de beschouwende stilte van het vespergebed. De buitenwereld verbannen naar zichzelf, van binnen ben ik de ongekroonde koning van de gedachte. De gedachten zijn vrij en onafhankelijk, laten zich niet dwingen hoewel de dichter voor een moment mijn gedachte overneemt, voor de tijd dat ik het boek opendoe en zijn verzen lees. Ik denk in zijn wezen. Dan. Ik ben in zijn beleving.

    Taigagedichten. Edwin de Groot. Uitgeverij Opwenteling, 2025.

  • Opwenteling presenteerde twee nieuwe dichtbundels: Frisse friese wind

    Poëzie zal niet voorgelezen worden, gedichten moeten gelezen zijn. Bij het voorlezen gaan woorden verloren, gedachten krijgen geen ruimte. Lees je een gedicht jezelf bij voorkeur hardop voor dan zijn regels te beschouwen, momenten te overdenken. Als Maria kan ik deze in mijn hart bewaren, ze ter harte nemen en de betekenis overwegen wanneer ik ze met mij meedraag. Want dan groeit de waarde op vruchtbare bodem. Misschien nog wel het sonnet, de ballade of de elegie. Maar het vrije vers en de visuele poëzie laten zich minder eenvoudig uitspreken. Zelf lezen geeft de idee plek. 

    Op gelegenheden dat dichters samenkomen en zichzelf met hun werk aan toehoorders presenteren, verdwijnt het mysterie van de poëzie. Wordt een gedicht voorgelezen, dan gaat er fysiek altijd wel iets mis. Is de stem te zacht of werkt de microfoon niet, of staat de spreker te dicht bij de microfoon en exploderen bepaalde letters: k, p, t. Ook daalt een gedicht pas in wanneer je het langzaam leest, de zinnen voor je uit bedenkt en nog eens terug haalt en leest. Wordt het voorgedragen dan is de intonatie ongelijk aan mijn voorstelling hoe het zou klinken, de snelheid mis ik en de kracht is voor mij gebroken. Poëzie laat zich niet voorlezen, het nodigt uit gelezen te worden. 

    Dat dacht ik toen de dichters Peter van Lier en Edwin de Groot hun nieuwe bundels presenteerden in de voormalige zuivelfabriek van Marrum. De uitgever stelde het hoge noorden zondag 26 oktober Opwenteling voor. Hij, dat is Arnoud Rigter, blies met anderen in het millennium de in de roerige jaren 60 van de vorige eeuw opgerichte uitgeverij van dwarse poëzie nieuw leven in. Vooral dat werk van die dichters welke niet in de pas lopen vinden er onderdak: gedichten met smoel. Experimenten met op een andere tegendraadse manier van presenteren wordt omarmd, combinaties van beeld en tekst. Opwenteling is een fonds met een eigen (poëtisch) karakter dat de regionale aard overstijgt. Een uitgeverij die niet alleen debutanten uitgeeft, maar staat voor poëzie van bijzondere, experimentele kwaliteit. Rigter sprak over het woeste poëzielandschap van dit moment, een terrein dat teveel gecultiveerd is omgespit en waar nauwelijks nog talent uit wordt opgediept. Hoe wonderlijk dan ook dat plots twee in Friesland wonende dichters hun kop boven het maaiveld uitstaken en afzonderlijk van elkaar dit voorjaar een manuscript instuurden. De gedichten die op het bureau van Rigter terecht kwamen sloten aan bij wat Opwenteling wil zijn. Verhalend en experimenteel, twee uitersten die ter linker en ter rechter zijde, oost en west, het complete veld van woordspelingen bestrijken. 

    Vers van de drukker

    Gezien door de ogen van Edwin’s alterego Timofei Sofer, de blik van een Joodse bosarbeider uit Oost-Siberië. “ALMACHT / de taiga met zijn gaoende muil / de zure honger van de veenmoerassen / / de geur van hars zo dik / als een zwaarlijvige trapezeartiest / / en de sapstroom die de lente kan lezen, hoe / de dieren de winters uitzingen / / de overtuiging van de rivier die ik, als ik het kon / een plekje bij het raam zou geven” 

    En een persoonlijke kijk op de wereld hopend dat de herinnering niet dementerend vervaagd, Peter van Lier heeft de leeftijd dat zijn hoofd hem in de steek kan laten. Wie zijn bundel doorbladert zal zeker weten dat de dichter moeite heeft dit werk voor te dragen. De typografie heeft zin in druk, niet in klank. Maar met enige houvast kan ik hier citeren:  “Een hoog perspectief ziet alles wat beneden het hoofd / / plaatsvindt als grazend vee? We leven in een wereld van / instincten en voorbijgaand verkeer, elke richting levert hoofd- / zakelijk twisten op en riekt uiteindelijk (volg het nieuws maar / na tienen) naar digestie. Welk conflict wordt hier per hoofd / van de bevolking (ook dat van jou!) uitgevochten? Het lichaam / kromt zich (een bemoedigend teken) om laag-bij-de-gronds het hoofd / van heel de sleetse rataplan te ontdoen? Luister goed.”

    De dichters lezen enkele voorbeelden uit de vers van de drukker verschenen bundels. Gastdichter Annet Zaagsma leest bijna onhoorbaar gedachte woorden voor die de terminologie van het woordenboek hebben. Ik zal ze met een lampje moeten zoeken in de dikke Van Dale, maar niet kunnen vinden. Deze staan naast anderen in de laatst uitgekomen bundel van Zaagsma. “tepelnijd / zelfst, naamw. (m.) uitspraak: [‘tepǝlnɛit] / / tepelnijd (ingetrokken) komt in de beste dromen voor. / het gepigmenteerde & knopvormige uitsteeksel dient te allen tijde / voor het blote oog onzichtbaar te zijn in het zichtbare spectrum. / een superkracht wordt verondersteld. speelt een belangrijke rol / in de pauze van door mannen gedomineerde sporten. / het internet staat vol met slechte recensies. / / niet te verwarren met: tafeleend” En daar heb je het al, in het gesproken woord komt de kracht van wat poëzie kan zijn nauwelijks tot niet over. Een enkele kwinkslag in de al te serieus bedoelde verzen verdwijnen in de fluistering die door de haperende microfoon maar niet worden versterkt. 

    Talige samenkomst

    Een op en top Friese dichter, door Edwin de Groot in het programma geschoven – omdat hij het met hem erover had tijdens fietstochten en hem daarom op dit voetstuk plaatste en hem daarbij het eerste exemplaar van zijn bundel overhandigde – declameerde zijn uitgesproken sterk getaalde werk. De Friese taal die meer krachttermen kent dan welk dialect dan ook geeft het gesproken woord ballen. Het gespierde woord spreekt zelfs de slechte verstaander aan. Lubbert Jan de Vries las niet voor maar sprak uit, met bladgedicht als geheugensteun. Door zijn hele ziel en zaligheid achter het rebelse gedicht te zetten bleven de zinnen langer hangen. De gebalde vuist van de Friese taal kan beluisterd worden zonder gelezen te zijn. 

    Het was een talige samenkomst die werd opgeluisterd door de gitaarklanken van Jetze de Vries, want muziek kan wel worden voorgespeeld. Je behoeft niet zelf te kunnen spelen, de kunst is te (be)luisteren. Het kan behang zijn, terwijl tekst aandacht verdient. De muzikale intermezzo’s dienden als de witte regels in een gedicht. Even op adem komen. Overdenken wat is gezegd en voorbereiden op wat komen gaat. De stilte in een vesper. Momenten van bezinning. Maar de klanken waren verre van contemplatief, ze vertaalden als het ware de woorden die voor en na werden en zouden worden gesproken.

    De eerste exemplaren van zijn bundel gaf Peter van Lier aan twee oudgedienden in het dichtersveld waaraan hij veel heeft gehad in de 20 jaar dat hij in het Friese land doorbrengt. De van oorsprong Brabander streek in 2004 hier neer, net achter de Waddendijk, om er samen met zijn relatie Machteld van Buren het Friese kunstlandschap te verrijken. Martin Reints sprak zijn waardering uit en las vervolgens voor uit eigen werk. Eeltsje Hettinga besprak het werk van Van Lier en bracht het mysterie van de poëzie voor het voetlicht. Hij las niet voor maar interpreteerde a la prima vista de woorden uit de bundel. Vooral het eerste gedicht had zijn bijzondere aandacht, dat hij vakkundig overbracht op de luisteraars die het luisteren na een programma vol woorden wel moe waren. Waar aandacht verslapt zou de voordrachtskunstenaar de teugels moeten laten vieren, een stap terug en er het zwijgen toe doen. 

    Het was achteraf gezien echter een prettige middag daar in Marrum. De poëzie had de aandacht en velen wisten na afloop de gang naar de tafel van Opwenteling te vinden, om er een al dan niet gesigneerd exemplaar van de vers van de pers gekomen bundels aan te schaffen. Ik zal mij op een later moment buigen over de inhoud van de mij toegeschoven recensie-exemplaren van de bundels, om een steekhoudende beschouwing op mijn blog te plaatsen. Nog even een hapje en een sapje tegen kostprijs genomen, een praatje gemaakt en overleg gepleegd. Niet alleen oor en mond kwamen ruim aan bod, ook het oog werd gelaafd. Drie immens uitvergrote waterfoto’s van Dolph Kessler overspoelden de ruimte. Wave. Hoog opspattende golven van een zee ver van de Friese meren trokken de aandacht wanneer de concentratie op het gesproken woord enigszins werd beneveld. Achter het geïmproviseerde podium hing aan de gescheurde muur het drieluik “What does your soul look like” van Machteld van Buren. Kunst ontstaan in deze ruimte voor deze ruimte, even voor nu. 

    Presentatie dichtbundels van Edwin de Groot en Peter van Lier in de voormalige zuivelfabriek te Marrum. De dato zondag 26 oktober 2025.

  • De eindscène van een eeuwigheidsvinding

    Met het hart op de tong, een brok in mijn keel en een vreemd gevoel in de onderbuik leg ik de laatste dichtbundel in de poëtische trilogie van Joris Miedema voor mij op tafel. Met trillende handen, bezweet voorhoofd en knikkende knieën open ik het boekje en sla schoorvoetend de eerste bladzij om. Een zucht van verlichting, slechts nog een titelblad. Niets confronteert mijn blik, nog. Hoewel de omslag van het boekje mij al de koude rillingen gaf, een meesterlijk mysterieuze tekening van de Gebroeders Miedema zetten mij het kippenvel op de lamme leden.

    Die andere Miedema, Joris, is in het drieluik dat dit jaar verscheen bij Uitgeverij Opwenteling op zoek naar het eeuwige, het oneindige, de never lasting story. In de vorige twee bundels naderde hij de grens van leven en doorleven, maar stak deze niet over. Zijn pas lag nog thuis, de verblijfsvergunning niet verlopen. De eeuwigheid was op een steenworp afstand, binnen handbereik en hemelsbreed overzichtelijk. Voor mij een tantaluskwelling, want dacht ik het te vinden in de woorden tussen de regels door ontglipte het me als een paling in een emmer snot. Zal Joris Miedema het in dit derde werkstuk hebben gevonden?

    Intermezzo doorwrocht met sprookjesachtige figuren

    Het eerste hoofdstuk in dit derde boek gaat over dood en doodgaan, over leven en overleven. De overgang van leven naar het grote niets. In het reine komen met jezelf, de ander. Een zicht op wat hierna kan zijn of is. Rekende Miedema eerder al af met de dood van naasten als zijn vader, nu schijnt hij daar weer niet mee klaar te zijn. Het is ook niet eenvoudig mensen in de eeuwigheid te laten waarnaar jijzelf opzoek bent. “er was een bank in de hemel / waar je een voorschot kon nemen / op iemand die je gemist had / ik wilde mijn opa opnemen / van moederskant / niet in delen / graag geheel”.

    image

    Dat volgende hoofdstuk is dan een intermezzo doorwrocht met sprookjesachtige figuren. Even vasthouden daarmee aan de dromen van hier. Voordat de dagdroom een nachtmerrie wordt. En de nachtmerrie een zoete droom als een hinde aan frisse waterstromen blijkt. Even wentelen in de zoete smaak van wat je hebt, voordat de zure geur van morgen je de neus binnenkomt. Morgen wanneer alles voorbij is, over en uit. Als een telegraaf probeer je het onheil af te wenden, maar het sein staat op rood en de trein is een gehaktmolen.

    Miedema echter denkt geen einde te maken aan hier, maar een trilogie af te ronden. Schoon schip te maken zoals de uitgever mij in een begeleidende brief bij het recensie-exemplaar voorhoudt. Miedema heeft dit jaar een grote opruiming gehouden, liefst drie bundels op rij zijn verschenen. Maar hij heeft niet de schepen achter zich verbrandt. Hij hield de obool voor veerman Charon verborgen en stak dus niet de Styx over. Maar keek wel met Argusogen verder dan zijn neus lang is om in het hiernumaals een blik te kunnen werpen in de onderwereld. Hij wil zich nog niet laten klaren door zijn geliefden. De sloppenwijk is slechts een uitvlucht om het eeuwige leven een stap voor te zijn. In de eerdere bundels is hij ook al op zoek gegaan. In dit derde en laatste deel schrijft hij er een open eind aan. Ik blijf met vragen zitten, maar misschien volgt er een tweede seizoen. Is het gedicht “trekzin” de cliffhanger om mij in spanning te laten over wat nog gebeuren kan met dat dode lijf. Kan het zich oprichten in een nieuwe dimensie. Zich doen opleven in het hiernamaals.

    Nauwelijks nog sprake van een dimensie

    Zweefde Miedema in de twee eerdere delen van deze trilogie nog weleens weg van de werkelijkheid. In de ‘Sloppenwijk van het hiernamaals’ staat hij met beide benen op de grond. Windt er geen doekjes om. Is meer duidelijk en minder zweverig. De vierde dimensie van de eeuwigheid is hier en nu in de derde dimensie. Of plat gezegd is er nauwelijks nog sprake van een dimensie. De vorige bundels dienen als ondergrond, als opstap om tot hier te komen. De sloppenwijk is de apotheose, de afronding. Ik kan teruggrijpen op eerder gedane  uitspraken. Was mijn verwachtingspatroon goed? Is de dichter daar gekomen waarvan hij had beloofd er te zullen zijn. Miedema heeft de eeuwigheid ontdekt, niet gevonden. Houdt het achter zijn rug verborgen om niet alle kruit te verschieten. Houdt mij aan het lijntje omdat ik het fijne van de uitslag wil weten. Hij houdt me nog bij de les, zodat ik lees en weer lees om te ontdekken wat hij niet heeft gevonden.

    image

    Joris Miedema ontrafelt het levensraadsel, krijgt een vinger achter mijn bestaan. Hij stoeit met het leven in ravottende woorden. Probeert over de rand te kijken in de leegte van een zekere dood. Is er meer tussen hemel en aarde. Of is dit het, slechts, het aardse bestaan en niet meer. Is het uit dan is het af en klaar. Eens geweest, nooit teruggezien. Miedema wendt niet de dood af, maar leert er mee te leven. “er zijn dagen die je / willens en wetens / van je gezicht af blijft scheuren / als een kalender / die in de rui is”. Door de onzekerheid van zich af te schrijven is het leven voorspelbaar. Is er leven na de dood. Op schrift weliswaar en als gedachte in de grote cloud, maar levend zul je oneindig zijn in de geest van de wereld.

    Schreef ik niet over de eerste bundel dat het eeuwige leven boven de waarheid zoals wij die kennen en ervaren zweeft? Dat Miedema geen abstracte poëzie bezigt maar zinnen tot surrealistische regels omvormt. En zijn eigen draconische denkwijze te kijk zet om vrees om te buigen naar een laconiek inzicht. Een hertaling derhalve van mijn angst voor de dood. Een handboek om het absurde van het zijn te doorgronden, handzaam te maken, de leiding te nemen.

    De algen hielden een voet tussen de deur

    Maar nog kijk ik niet samen met Joris over de rand, de diepte van de omgezwaaide betekenissen in. Petrus zie ik nog niet wuiven aan de poort. Er werd eerst nog een tweede luik open gedaan. Achter die deur zocht ik onder elk geschreven en gedrukt woord een puzzelstuk eeuwigheid. Legde eerst de randen uit om daarna het luchtige midden in elkaar te laten vallen. De algen uit die andere dimensie volgen de vlucht van de levenloze libellen, bevolken de sloppenwijk van het hiernamaals. Miedema peurt het DNA van een eeuwig leven vanonder zijn nagels vandaan wroetend in de besmeurde aarde van het woord. Zijn poëzie krijgt onderdak in een bij elkaar geraapt en provisorisch opgezette tent als de plastic tas van een supermarkt. Natuurlijk wel.

    image

    Niet toen al vond hij de eeuwigheid. Zette de libellen op het gedachte juiste spoor. In een zwerm vluchtten de insecten in eenzelfde richting, levenloos voor zich uit starend. In de verte gloorde het eeuwige leven, maar was eindeloos onbereikbaar, nog. De algen hielden een voet tussen de deur, het einde mocht geen slot worden. In de derde bundel denk ik een ontknoping te vinden, een majestueus slotakkoord. Dat is de verwachting. Maar de euforie blijft uit. Miedema heeft alleen een zolderopruiming gehouden, een garageverkoop laten gebeuren. De eeuwigheid ligt ergens tussen de tweedehands spullen. Want de eeuwigheid is recyclebaar, altijd opnieuw te gebruiken. Maar zelden zomaar voorhanden liggend. Het kan in een gesloten doosje of in een gebutst potje zitten, op de bodem plakken van een borrelglas of in de lade waar de sleutel kwijt van is.

    De dichter jaagt de duisternis na om het licht lek te schieten. En ik, ik verdiep me in zijn geschriften om het onvermijdelijke iets op te rekken. Want denken te leven in een ruimte boven de werkelijkheid is een creatieve geest nodig. Dat waren mijn beroemde laatste woorden in afwachting van de ontdekking van het bovenaardse. De vondst in der eeuwigheid. Het blijft echter een oneindige zoektocht. Het verhaal kan ruimschoots doorverteld in meerdere trilogieën. Zal Miedema ooit het antwoord op mijn vraag vinden. Kun je leven met het geluk van de eeuwigheid. Is het bestaan bestaanbaar met de wetenschap te blijven leven. Of niet te blijven leven maar wel eeuwig te zijn ergens waar de tijd stil staat

    Sloppenwijk van het hiernamaals. Joris Miedema, gedichten. Uitgeverij Opwenteling, 2023.

  • Morgen gaat Bobbie weer mee in bad

    Het plastic boekje “Bobbie gaat in bad” kleurt feeëriek mee met het humeur van de hoofdpersoon in het korte verhaal daarin. Haal ik het door creatief schrijver Monique Hendriks bedacht, beschreven en samengestelde boek uit de beschermhoes dan is het een kleurloos geval, met zwarte tekst en lijntekening op witte kunststof ondergrond. Alleen enkele vlakken zijn lichtelijk roze ingekleurd, een voorbode van de wolk waarop Bobbie straks na een paar bladzijden zit. Maar nu eerst nog is haar wereld zonder tint. Grijs en grauw, zo niet diep zwart. Want ze heeft een burn-out, zit vast in depressieve gedachten. De dokter schrijft ontspanning voor. En wat ontspant beter dan een warm bad. Een bubbelbad om te ademen. Iedere bubbel vol met bevrijdend lucht. Maar bij de Gamma zit er levertijd op de baden, want “Het is burn-outseizoen”. De schemaatjes en de blaadjes vallen, het zal herfst zijn.

    Maar dan na even wachten is het luxe ligbad op leeuwenpoten in huis. De buik van de leeuw, het bad namelijk, vult Bobbie tot de rand met heet water. Ze stapt erin en haar gemoed dompelt zich onder in behaaglijkheid. Ze gaat werkelijk kopje onder en ademt in. En uit. “Elke zucht vormt een echolocatiebubbel.” De huid begint te rimpelen, ze wordt één met het water. Alles om haar heen lost op en Bobbie vertrekt naar een gedroomd elders. Op een roze wolk. “Ze is een sprookje geworden. Lang en gelukkig wacht ze op haar redding.

    Het mysterie ontvouwt zich

    Wat er met Bobbie gaandeweg het verhaal is gebeurd laat zich raden. Het is dan ook een vertelling voor volwassenen. En ga ik met Bobbie in bad, neem ik het boekje mee in de nattigheid, dan kleuren de tekeningen zich als vanzelf. Het mysterie ontvouwt zich. De depressie wordt een manie. Bobbie ziet het leven rooskleurig tegemoet. Ze nestelt zich tussen het schuim en de bubbels. Haar lijf laaft zich aan het warme water. Wat een prettige heerlijkheid. Het bruisen slokt haar op, ruikt dromerig naar lavendel. Dit is welhaast de hemel op aarde. Dus laat ze zich onder water glijden om langer te kunnen genieten. Om de hitte als een warme deken om haar blote lijf te voelen, Ze houdt haar adem niet in, maar zucht juist diep om in deze extase te kunnen blijven. Om erin te blijven.

    En natuurlijk ga ik niet mee op de roze wolk. Ik ben toeschouwer, ik sta erbij en ik kijk ernaar. Geen lijdend voorwerp, maar een bijvoeglijk naamwoord. Wel hoor ik dat gerammel van het stopkettinkje wanneer Bobbie er met de dikke teen achter blijft haken, het klinkt als veraf beierende kerkklokken. Wanneer ik ga in het verhaal. Me laat meeslepen met de vertelling. Mee getrokken wordt onder water. Opgeslokt in de buik van de leeuw. Verzwolgen door mijn fantasie. Geholpen door het water in mijn bad waar ik het boek in dompel. Het opspattende vocht kleurt het plastic. Een wereld, de wereld van Bobbie, gaat voor me open.

    Het mooiste gaan is verdrinken

    En ik ken zelf dat gevoel. Van heerlijk je laten glijden in warm water tussen badschuim. Je prettig laten zweven. De warmte voelt heerlijk, zalig. Niet echt verkwikkend, maar juist slaapwekkend. De stilte in, de rust, de kalmte. Even niets hoeven dan alleen drijven in het zijn. Dan ga ik mee op die gedachte golven van Bobbie. Het voert me van hier, naar weet ik waar daar. Er is geen bestemming. Maar mijn reis kent een einde, terwijl die van Bobbie het einde is. Het mooiste gaan is verdrinken.

    En natuurlijk probeer ik het effect uit. Ontrafel ik het mysterie dat me is beloofd. De kleuren die student animatie Fong Mungkhunkhamchao in de tekeningen van illustrator Maarten Berkers heeft gebracht worden pas zichtbaar wanneer het boekje vochtig wordt. Bevochtigd wordt, nat is. Er kan een hele plens water overheen. En dan is de magie daar. De illustrator blijkt een illusionist. Als bij toverslag krijgen de kleurloze pagina’s kleur. En ze houden die kleur totdat de bladzijden opgedroogd zijn. Wanneer de kleur is weggetrokken kan ik opnieuw het genot van dit bijzondere Woez-product ervaren.

    De focus ligt op het prikkelen van de fantasie

    Woez Publicaties is het platform binnen poëzie-uitgeverij Opwenteling. Het zoekt beeld-tekst-mengvormen en houdt van genre-vervaging. Het poëtische avontuur voor in bad, onder de douche, in het zwembad, de vijver, de zee of in een flinke regenbui is een bijzondere publicatie die helemaal aanschurkt tegen de doelstelling van Woez. Want Monique Hendriks werkt aan nieuwe literaire concepten voorbij de bladzijde, precies zoals de uitgever beoogt. De focus ligt op het prikkelen van de fantasie en het zoeken naar verbinding. Bobbie prikkelt wel degelijk mijn fantasie. Het fantastische verhaal legt verbinding met haar nachtmerrie die dagdroom wordt en mijn verbeelding.

    Het is een ervaring die mij in de bubbel van de illusie brengt en afvoert naar een bestemming over de rand van mijn gedachten. Koffers heb ik niet nodig. Mijn bagage ligt in mijn hand: Bobbie gaat in bad. Dat is alles wat ik nodig heb om op de roze wolk naar elders te vertrekken. Elders achter de rijstebrijberg in luilekkerland. Het voorland van de feniks die uit de burn-out omhoog stijgt. Zo is “Bobbie gaat in bad” ook een therapeutisch voorleesboek. Dat ik liggend in bad aan mijzelf vertel. Mezelf met de tekst moed inspreek om over een paar tellen op te rijzen uit het water. Niet zoals Bobbie wegdrijvend op de schuimende bubbelwolk. Het boek is de fantasie. Mijn badkuip is de realiteit. Dat kan heel goed samen. Maar dan is de harde werkelijkheid weer daar, druip ik van de nattigheid maar zie de toekomst rooskleurig in. Morgen gaat Bobbie weer mee in bad.

    Bobbie gaat in bad. Een magisch badboekje voor volwassenen. Tekst en concept Monique Hendriks. Tekeningen Maarten Berkers. Kleur Fong Mungkhunkhamchao. Uitgave Woez Publicaties, 2023.

  • Op zoek naar de eeuwigheid, een tweede poging

    Het is of ik verstofte Dali verfschappen bewandel. Alsof ik biomorfische beelden van Joan Miró betast. Dat komt omdat de spontaan poëtische droomwereld van Joris Miedema zich vormt door technische objecten los te weken van de oorspronkelijke functie om ze in een organische figurenruimte te integreren. Zo zoals die surrealistische objecten zich manifesteren staan Miedema’s vrije verzen mij voor ogen. Zo verschijnen de woordelijke figuren uit de nevels van de tijd als zijn het op de eeuwigheid voorbereide uitdrukkingen. Zo kan mijn aardse bestaan tussen krakende planken eindigen. Maar zoek voordat het zover is achter elk geschreven en gedrukt woord een puzzelstuk eeuwigheid, hoewel ik de lidwoorden in deze meer links dan rechts laat liggen.

    Algen uit een andere dimensie” is het tweede deel van het 2023 drieluik van Miedema. In dit triptiek staat geen deel in hiërarchie van beschouwing boven of onder, voor of achter de ander. En dicht geslagen geeft het een nieuw nog niet beschreven verhaal. Maar dat is koffiedik kijken, de toekomst voorspellen die voor Miedema tevens nog ongewis is. Langs welk pad zal de zoektocht naar het eeuwige leven hem leiden. Welke obstakels liggen nog op zijn weg om de doordringbaarheid van de maatschappij te testen. Levenloze libellen, het eerste deel van dit altaarstuk, vlogen al voor hem uit. En nu plet hij algen uit een tegengestelde ruimte. Wat zal er aan geleedpotigen, wieren, schimmels en mossen nog op hem af komen. Want zijn deze niet de oudste organismen op aarde en bezitten dus het DNA van een eeuwig leven waarnaar Miedema op zoek is. Behalve dan die insecten, spinnen en duizendpoten; deze zijn overwegend alleen maar een last en lastig.

    image

    Totaal abstract niet en herkenbaar wel

    Natuurlijk probeer ik aanknopingspunten te vinden. Punten die een verhaallijn doen vermoeden. Waar de libellen afsloten zonder voleinding. En waar de algen de draad weer oppakken. Het scharnier tussen het eerste en het tweede luik past kierend in de sponning. Ergens zal het tweede op het eerste deel aansluiten. Want het heet niet zomaar een drieluik te zijn. En wanneer er aansluiting is zal ik teruggrijpen op en in mijn recensie over de eerste bundel. Dat ik daarin ook al de eeuwigheid van en in Miedema’s geest zocht. En nu ook weer deze niet te definiëren schat zoek. Maar nog niet heb gevonden. Miedema is er ook nog aan bezig. Niet nu al vindt hij die eeuwigheid en houdt het einde open. Geeft niet het slot prijs. Want er gaat nog een laatste deel volgen na deze. Niet al zijn kruid wordt verschoten in deel twee. Hoewel hij mijn idee al wel op de korrel neemt en met scherp op mijn visie schiet.

    Joris Miedema zou in een hyperrealistische stijl schrijven. Hij isoleert wel een fragment uit de werkelijkheid, maar schept geen levensecht beeld daarvan. Wel zeker ontdek ik expressie en emotie in de verdichtingen van wat ik als echt ervaar. Miedema trekt onderwerpen uit de werkelijke realiteit en laat ze daarboven zweven. Hij schrijft in mijn optiek in een surrealistische stijl. De beschreven beelden zijn samengesteld in onverwachte, verrassende en schokkende combinaties. Totaal abstract niet en herkenbaar wel, maar daarbij veraf staand van de mij bekende werkelijkheid. De alledaagse realiteit krijgt uit deze poëtische pen een draai naar links of een bocht naar rechts maar gaat zeker niet recht op het doel af. Vaker moet ik terug treden op het meest onbegaanbare pad om de duiding onder de knie te krijgen. De gedichten gaan wel over hemzelf, over zijn persoon, althans lijken de levensloop van de meester aan te doen. Door de gekte, de krankzinnige rotatie van de realiteit tot abstracte werkelijkheid, schemert het origineel van een gegeven tastbaarheid.

    image

    Als een paling in een emmer snot

    Miedema verdraait zijn inzicht gaandeweg het vers. Slaat met mij een andere richting in dan ik bij aanvang heb verwacht. Zo bezien kijk ik niet over mijn schouder de vergetelheid in, maar zie ik recht in de gebroken ogen van de voorbije tijd. Ik wend en keer met de woorden van Miedema. Spin en tol om de eeuwigheid niet te verliezen. Maar het is al ijdelheid.

    Net als het vorige deel is ook dit deel gefragmenteerd in drie delen. Een tweede triptiek in een drieluik. Miedema klieft zijn emotie, splijt zijn gevoel. Want dat eerste luik hier is die autobiografische duiding, informatie uit de eerste hand. Met gedachtekronkels zoals alleen kinderen in hun geest kunnen laten bewegen. Als een paling in een emmer snot. Ik zal goed en aandachtig overlezen om de opgebouwde spanning in mezelf te laten dalen. Metaforen vliegen me om de oren. Beeldspraak en zinnebeeld is aan de orde van het gedicht. Met dit geschreven woord probeert Miedema zijn Joris te bestrijden. De draak in hemzelf met zichzelf te steken. In het hoofd een loszittend mannenkoor dat de teloorgang van zijn brein zegeviert.

    image

    De eeuwigheid is ver weg

    Raakt hij langzaam van het padje wanneer hij alleen nog in eikenhout droomt en zichzelf hypnotiseert met een op de kop gehouden wc-borstel. De zin van het leven kroop uit zijn mond. Ben ik de weg kwijt in de geboorte van zijn zoon? Zijn grijze zoon die pas kleur krijgt door het schijnsel van de regenboog, terwijl het half opgerookte sigaren regent uit een grauwe verkromming – een week lang. Het zijn dromen, zoals alleen een jong mens kan dagdromen. Fantasieën als kinderen zonder kop. De wereld is voor hen ongerept en alles kan nog worden ontdekt. In het diepst van zijn wezen is de kleine Joris een Christoffel Columbus, een Abel Tasman, een James Cook of Marco Polo. En nu halfweg op leeftijd denkt hij zich Willem Barentz vast in het ijs, of meer fictief Robinson Crusoë alleen op een eiland. De eeuwigheid is ver weg. Nog.

    En dan schiet de dichter zich de ruimte in. Want hij las ergens een andere werkelijkheid te ervaren door te stoppen met ademen. Om de zaken van een andere kant te bekijken. Als een god van boven te bezien. Maar nog voortdurend blijft de materie aards, de onderwerpen almaar werelds. Wat kun je anders wanneer je toch met beide benen op de grond staat terwijl je geest zich in hoger sferen begeeft. En de fruitvliegjes als microscopische dinosaurussen en pterodactylussen rond de appels blijven hangen in de minuscule prehistorische bossen. Dan blijft de geest vooralsnog in de fles en vervliegt niet in de eeuwigheid. Nog niet.

    image

    Geen stip op de horizon zien

    Zo gebeurde het. En uit het land schoot jong groen op, gras, zaadvormend gewas, in allerlei soorten, en bomen die ieder naar zijn soort hun vruchten droegen, met zaad erin. En God zag dat het goed was. Het werd avond en het werd ochtend; dat was de derde dag. En Joris plaatst op het derde luik van deze tweede triptiek in de drie-eenheid een vooruitblik op de eeuwigheid. In zijn zoektocht vangt hij een glimp op van wat een bestaan zonder begin en einde kan zijn. Wat het voor een mens betekent voortdurend in het hier en nu te blijven vast zitten. Altijd maar doorleven en terugkijken. Geen stip op de horizon zien. Want er is geen doel, er is geen stop. Het einde is niets. Miedema kan nu nog mijmeren en filosoferen, maar wanneer hij in de derde bundel de eeuwigheid heeft gevonden zal hij stilvallen. Dat denk ik zo alleen voor mezelf uit.

    De beweeglijk creatieve geest echter zal wel andere wegen vinden om het vrije vers te voeden. En daarbij is het lang niet zeker dat de dichter ooit zal vinden wat hij zoekt. Het is een najagen van de duisternis, dat jaagt op het licht. De eeuwigheid zal de honger naar voortduring inhalen en neersabelen. Het begin streeft het einde voorbij. Het hier en nu struikelt over het dan en straks. We leven maar even en dood zullen we altijd zijn. Door me te verdiepen in de geschriften van Joris Miedema kan ik het onvermijdelijke iets oprekken. Zijn in het wezen van die gedachte is een bovenaards goed. Dat de wind onder bewindvoering komt. Dat de zonsopgang zich niet kan omkeren. Dat de overtollige stilte blijft plakken als boter aan de dijen. Dat een grondwerker per ongeluk kerfstokken heeft omgekapt. Voor de duur van het lezen van 44 gedichten is het een weldaad me Joris Miedema te denken. In zijn geest en verstand de voorstellingen te vormen die hij mij voorschrijft. Ik ga zijn gedachtegang geloven, zijn overdenking veronderstellen.

    Het is opzegbaar, daarom staat het geschreven: “de dagdromen die niet zijn uitgekomen / hangen aan de bomen / waar iets onzegbaars / weegbaar is geworden / / een kind zit op één van de takken / de stippen van lieveheersbeestjes / door te strepen / hij hoopt een juiste combinatie / te krassen / / waardoor zijn dagdroom openbreekt / en zijn moeder / eruit kruipt”. Een hunkering naar toen, een verlangen naar hier, een rusteloos zoeken naar straks. Hoewel de dichter sterk is in taal, krachtig en vitaal, wordt hij klein en hulpeloos in emotie. De woorden helpen hem dan uit dat tranendal, omhoog naar het licht. Het licht van die algen uit een andere dimensie. Want denken te leven in een ruimte boven de werkelijkheid heeft een creatieve geest nodig.

    Algen uit een andere dimensie. Joris Miedema. Uitgeverij Opwenteling, 2023.

  • Een eerste proeve van het eeuwig leven

    De legende van Sint Joris en de draak schiet me te binnen wanneer ik de nieuwste bundel poëzie van Joris Miedema doorblader en herlees. In deze uitgave, die het eerste deel heet te zijn van een dit jaar nog te verschijnen drieluik, probeert de dichter de draak te temmen door schijnbaar de draak te steken met de dichterlijke taal. Of beter nog, te doden, uit te gummen, door te halen. Om de demonen die hem en zijn woorden teisteren te bedwingen en uit te bannen, te verbannen naar het rijk der fabelen. En wanneer die draak dan overwonnen is, kan Joris als een moderne Odysseus verder op de oneindige reis naar het eeuwige leven.

    image

    Zijn gedichten staan daarom bol van de verwijzingen, metaforen, zweven in symboliek meestentijds boven de werkelijkheid. Want het eeuwige leven zweeft boven de waarheid zoals wij die kennen en ervaren. Maar deze poëzie is zelden abstract, want taal kan niet non-figuratief zijn. Zolang de letters leesbare woorden vormen. En de woorden grammaticaal correct in de zinnen lopen. Dan is er geen sprake van letterlijke versimpeling van de schrift, het schrijfsel. Pas wanneer gangbare betekenissen worden gevormd tot schijnbaar tegenstrijdige interpretaties verdwijnt de lengte uit de breedte in de hoogte van de gedachte. Gaat de taal drijven en neemt mijn ratio mee op de wieken, want mijn denkbeelden waren eerst uit het leven en worden door Miedema weer in de tijd gewekt.

    Always look on the bright side of life

    Ik vind vreugde in de bundel van Joris Miedema. In de serieuze ondertoon ontdek ik de joligheid, de lol, de korrel zout. De boodschap, het motto lees ik, is neem het leven minder scherp waar. Bezie de zonnige kant en doe niet zo somber. Joris bevecht de draak, de lezer bestrijdt zijn weemoed. En ik fluit voor me uit de riedel van Brian aan het kruis: always look on the bright side of life. Geen abstractie, de poëzie van Miedema is vooral eerder surrealistisch. Hij rekent af met de draak, de nachtvlinder harpyia milhauseri en de hagedisachtige draco volans. Of zet zijn eigen draconische denkwijze in de etalage om angsten om te buigen naar laconieken.

    image

    Absurde denkbeelden lijken het, maar de uitdrukkingen kloppen telkens. Ik heb geen waanvoorstellingen of dagdromen, nergens nachtmerries of koppige ezels. Het is de waarheid zoals Miedema deze opschrijft en in zijn vervormde taal beschrijft, hertaald. Het is alleen een waarheid die boven de werkelijkheid zweeft. Een realiteit die ook op deze manier bekeken kan worden. Een ander inzicht, een gewijzigd uitzicht. Het leven is absurd en Miedema probeert het handzaam te maken, te beleven, leefbaar. De gelaagdheid kruipt uit de bundel. Morrelt aan mijn gedachten. Jeukt in mijn hoofd, kriebelt aan mijn geest. De dichter weet mij voortdurend op een ander been te zetten, zelden echter het verkeerde blijkt na herlezing.

    De betekenis van naam en toenaam meandert als een wilde stroom door de bundel. En ik zit in mijn kajak en dobber van de stroom af en zwoeg er soms tegenin. Joris Miedema is die stroom die niet aflatend de boeg van mijn roeiboot geselt. Schuimvlokken en waterdruppels spatten in mijn gezicht uiteen. Windvlagen brengen mijn haar in de war. Nergens is kalmte om even tot rust te komen, de stroom kolkt en bruist door. Oppassen voor bochten, uitkijken voor rotsen. De aandacht dient bij de woorden te blijven, geconcentreerd zet ik mijn gedachten aan het werk. Of eigenlijk is Miedema de werkgever, de baas die mij de geestelijke arbeid bezorgt. Hij weet mij telkens bij de les te houden, deze meester van de taal.

    Want wij nemen onszelf al te serieus

    Zijn gedachten kronkelen en nemen vreemde wendingen. Hij legt het zichtbare beeld, datgene waar wij de werkelijkheid aan herkennen, op een hakblok en maakt er een nieuwe realiteit van. Wat wij normaliter als normaal ervaren, wordt door zijn herschikte zinnen ongewoon. Maar door de woordkeuze, het vergelijken en analyseren, worden de betekenissen verdraaid lijkt het, maar slaat de dichter meermalen de spijker op de kop. Donders! Hij bekijkt de wereld vanuit een ander oogpunt en die zienswijze is verhelderend, zo zodat het zijn te dragen is waar de donkerte in het leven intreedt.

    Want wij nemen onszelf al te serieus. Nemen maar amper onszelf de maat, wij Nederlanders. Miedema voert daarom on-Hollandse humor in. Het doet meer denken aan de vrolijke Britse levensopvatting. De galgenpraat en hilarische komedie met een ernstige ondertoon. Het leven is niet zo zwaar als het gewicht dat wij eraan geven. Miedema maakt dat duidelijk. Zijn gedichten lezen in eerste instantie moeizaam, maar wanneer je de woordgrappen doorziet is de taal lichtvoetig. Het is als een cryptogram, de manier van omschrijven van het te vinden woord moet je eerst doorzien vooraleer je de puzzel in een handomdraai kunt oplossen.

    image

    De bundel is luchtig van opzet, maar de inhoud leest allesbehalve voor de vuist weg. Het is opletten met lezen dat je niet struikelt over je eigen voorstelling. Betekenissen maken rare ommezwaaien, draaien wel tegen de realiteit in. Om de bocht van een zin kan de weg naar een duiding ineens een ander pad inslaan. En kan een plot haaks staan op de beginzin, hoewel het altijd weer recht gebreid is. Want wie goed leest doorziet de kracht van Miedema’s woorden, het klopt voortdurend als een bus alleen het glas is soms beslagen zodat de inhoud nog niet meteen zichtbaar is.

    In de bundel onderwerpen als het leven natuurlijk, de dood als monster, de religie om het ongeloof, het onbereikbare eeuwige bestaan, de oorlog om niet te vergeten en de herinnering aan alles en nog wat door geleefd te hebben, klein geweest te zijn en groter gegroeid. De speelse geest wast de levenloze letters die in rijtjes van 26 opgesteld staan, wuift de leestekens die zich tussendoor wringen weg, droogt de natte woorden, vouwt de droge zinnen, zet tussen de regels de zin van onzin, stelt zo een luik samen van absurde en groteske poëzie. Het smaakt naar meer. En er komt meer, hierna nog twee bundels om het drieluik te vervolmaken en af te ronden. Ik kan niet wachten!

    De vlucht van de levenloze libellen. Joris Miedema. Gedichtenbundel. Eerste deel van Miedema’s trilogie over de zoektocht naar het eeuwige leven. Uitgeverij Opwenteling, 2023.

  • Voor AI, voor iedereen die onderdeel wil zijn van oneindigheid

    Voor Al. Moet ik me aangesproken voelen? Ja, natuurlijk. Ik ben de lezer. Ik ben één van al. Member of the pack. Het boek spreekt mij aan. Een en al oog. Dat wel, maar eigenlijk ook weer niet. Want de hoofdletter zegt dat het een persoonsnaam is. Al als in Albert of van Alexander. Dan is een beperkte oplage voldoende. En blader ik in een “geheim” dagboek. Het geheimzinnig zijn als dat van Al. Na beschouwing is duidelijk dat dichter, kunstenaar en allesmenger Arnoud Rigter zijn bundel beeldpoëzie heeft opgedragen aan pa Harrie en ma Boukje. De ouders die hem niet lang voor deze zijn ontvallen. Het zijn zijn al. Zijn allesie. Om niet te vergeten. En verder is het bijzondere kunstwerk voor ons allen. Voor Al. Tot in de eeuwigheid ofwel de oneindigheid. Ik mag ervan genieten, het beleven.

    Tantaluskwelling

    Voor Al is vooral een boek om te kijken. De taal, het woordgebruik is summier maar wel aanwezig. Twee gedichten illustreren de beelden. Het draait in het boek eerstens om die beeldtaal. De woordtaal is van ondergeschikt belang, maar niet weg te denken. Het houdt steek en hangt samen, woordvorm is onderdeel van de plaat zoals lijnen en vlakken dat zijn. Voor deze veelkleurige voorstellingen gebruikt Rigter de fotografie als techniek, met behulp van de digitale beeldbewerking maakt hij intrigerend plaatwerk. Tussen de beweging strooit hij letters en cijfers, emojis en symbolen. De tekst binnen het beeld wentelt zich op en neer. Formules om het zijn te duiden, het plan van aanpak het leven vorm te geven. In dit abstracte denkbeeld schuilt geen reële wereld, de oneindigheid is geen werkelijkheid. Het is dat wat bestaat in de geest. Een tantaluskwelling: als ik nu, zal het kunnen, als het toch eens was, hoe zal dat zijn. De eeuwigheid. Met die gedachte lijkt me, heeft Arnoud Rigter het boek gemaakt. Die beelden van de oneindigheid hebben door zijn hoofd gespeeld. Op papier kan het, in theorie is het mogelijk, kan alles, het al. De lezer, de belever, maakt de theorie tot praktijk door op te gaan in het boek, mee te gaan in die gedachte. Het is betrekkelijk, want zodra het boek dichtgaat en terug in de kast gezet, is de eeuwigheid eindig, houdt de beweging stil. Maar voor even in mijn eeuwigheid, voor de duur dat het boek dubbelzijdig dik is en eens weer, ben ik onderdeel van de tijd die geen einde heeft in de optiek van Rigter. Het boek is geen gedichtenbundel of geïllustreerde persing, het is een kunstwerk op zich en in zichzelf. Het is een avontuur er deelgenoot van te mogen worden, een belevenis er bezit van te hebben.

    Arnoud Rigter, beeldgedichten, Opwenteling, Woez

    Voor Al is een aldoor durend kijkproces. Er is een begin, maar eigenlijk nergens een eind. Vanaf de laatste bladzij draai ik het boek om en begin opnieuw. Het omkeerboek heeft twee helften in een doorgaande lijn. Ik krijg de groeten van en doe de groeten aan, de oneindigheid. Helft 2 vloeit, denk je het eind gevonden te hebben, naadloos over in Helft 1. In een doorlopende beweging, als de wijzers van de klok die hun rondes draaien. Dan lees je nog een tweede keer, ik lees het weer. Heen en weer sluiten nauw op elkaar in beelden. Mijn ogen duizelen over de bladzijden. Het gaat constant door, dat kan. Als in een cirkel. Bij de cirkel is het begin het eind, waar je bent begonnen kun je eindigen om de draaiing rond te maken. In één beweging. Eenmaal ingestapt is het eind ook weer het begin.

    Eeuwig leven

    In het boek vind ik veel cirkels, wentelingen, duizelingen. Het verhaal is niet eindig, het beeld gaat eeuwig door. Zo zou een leven moeten zijn, voor pa, voor ma, voor al. De vertelling, de beelden en de woorden daarbij, beschrijft daarom geen enkel leven maar een eeuwig leven. Willen we dat niet allen, voor altijd en eeuwig hier zijn. Want in dat niets moeten zijn, later – ooit, maakt onzeker, we willen ons niet losmaken uit de cirkel. Maar ergens wordt je wel ooit uit die malle molen gedrukt als de puberende karekiet die door het koekoeksjong uit het nest wordt gegooid. Dan is het eindig, maar voor enkelen een nieuw begin.

    Arnoud Rigter, beeldgedichten, Opwenteling, Woez

    Maar zolang ik inwoner ben van dat gekkenhuis waar Rigter mij toegang toe geeft, draai ik door met de cirkels en surf op de golvende lijnen. Meteen al op het omslag raak ik in de ban van de oneindigheid. Voert de cirkelgang mij binnen in het mysterie van de kringloop. Er waait een krachtige wind die zich manifesteert in een tornado, de hete adem vergloeit in vlammende tinten. De grond onder mijn voeten lijkt te beven – 7 op de schaal van Rigter. Ik raak van mijn stuk, niets blijft overeind in mijn denken. In het boek word ik meegezogen door de draaikolken die me almaar dieper voeren in dit universum, dit heel al.

    Synchroon en parallel

    Het boek heeft dus een begin en geen eind, zolang ik besluit het niet dicht te doen. Dat sluiten betekent dan een onderbreking van de fysieke cyclus, maar in het boek blijft het abstract doorgaan, al tijd. Ik start met lezen op pagina 1 nadat het omslag me naar binnen heeft getrokken, gezogen. Het is de pagina -3 voordat op 0 ik de groeten krijg van de oneindigheid en na 1 de hel losbarst. Maar de profetie dat we ooit onsterfelijk leven door draaien heeft geen eind, niet anders dan ik denk op dat moment een andere invulling van mijn tijd te wensen. Dan leg ik het boek terzijde, maar er is nooit een moment dat het uit gelezen is. Telkens kan ik in gedachten de oneindigheid opnieuw betreden of ergens halverwege in het boek verder gaan waar ik was gebleven. Is eeuwigheid oneindig, is oneindigheid eeuwig. Synchroon en parallel, rond en rond, door en door.

    Arnoud Rigter, beeldgedichten, Opwenteling, Woez

    Achter iedere deur die ik open is een andere deur om dicht te doen. De eeuwigheid heeft een Droste effect waar geen eind aan lijkt te komen. De zuster die telkens opnieuw in beeld komt in het blik op haar dienblad. Een spiegelbeeld dat in zichzelf blijft spiegelen. Een draaikolk waarin geen bodem lijkt te zitten. Ik doorleef een eeuwig durende val in de put en langs het ruim door Arnoud Rigter ingericht. En steeds kom ik langs andere werelden, trekt de een nog mooier dan de andere aan mijn ogen voorbij. Er is wel een bodem in de put, een zwart gat in het ruim dat helder wordt wanneer ik het nader. Daar diep beneden wordt ik als door een trampoline terug gekaatst naar het licht aan het eind van de tunnel, dat geen afloop blijkt te zijn. Want de zwaartekracht trekt me weer de ruimte in, de vloerloze put waar geen grond is om op te staan. In een vicieuze rondgang, een begin zonder einde.

    Arnoud Rigter, beeldgedichten, Opwenteling, Woez

    Schiet de tijd uit de eeuwigheid ontstaat er een ordelijke wanorde. De cirkel komt los van het draaien, lijnen die vormen dwalen door de ruimte. Het boek is op twee soorten papier gedrukt. De cyclus van de tijd is veelkleurig op glossy papier geprint. De formulering van de chaos staat zonder kleur op een matte drager. Uit de duizelende omwenteling kom ik in het hart even los, doorzie de beeldtaal die weerklinkt en zich telkens opnieuw manifesteert. De woorden glijden dan weg in de tijd, worden minder vatbaar, onleesbaar. De formule houdt het geheel duidelijk bij de les, het al, de oneindigheid.

    Het is een duizelingwekkend boek, waarvan het doel en de zekerheid niet altijd duidelijk zijn of te herkennen. Het gaat in deze ook niet om de uitdrukking, maar om de indruk die het achterlaat, om het gevoel bij de voorstelling. Beelden zeggen meer dan woorden, maar toch blijven oneliners me extra bij. De poëzie is kort en krachtig. Diepe gedachten die de beelden oproepen. Zo had ik nooit gezien, zo heb ik het nooit gezegd. Maar het is waar: een dief is ruimdenkend op het gebied van bezit, zoals een parachutist dat is op het vlak van zwaartekracht. Zonder valscherm duizel ik in de gapende oneindigheid van Rigter. Het voelt fijn in gedachten gewichtloos de eeuwigheid in te gaan.

    Voor Al. Beeldgedichtenbundel van Arnoud Rigter. Uitgave Woez, het beeldtekstplatform binnen uitgeverij Opwenteling, 2022.

    Arnoud Rigter, beeldgedichten, Opwenteling, Woez