De wereld van Ossip is niet van hier. Het is niet tastbaar en merkbaar, laat staan herkenbaar aanwezig. Het is zijn innerlijk landschap. De omgeving waar zijn geest leeft, het terrein waar zijn gedachten tot leven komen. Maar is dat niet altijd het geval in de kunst en met de kunstenaar. Deze zweeft in gedachten buiten de werkelijkheid om vormen te maken die uit mijn realiteit zijn genomen. De waarheid vervreemdend weer te geven om mij op de een of andere manier een spiegel voor te houden. Ik beleef mezelf maar ervaar mijn evenbeeld tegengesteld. De kunstenaar acteert op een golflengte waarop ik mijn ontvanger maar nauwelijks kan afstellen. En heb ik dan de juiste zender gevonden klinkt er een wereld waarvan ik het geluid niet voor mogelijk had gehouden, de beelden niet kon vermoeden.
Ossip is als kunstenaar uitzonderlijk, enig in zijn soort, een geboren artiest. Als autodidact ontwikkelde hij een oorspronkelijke, mixed media beeldtaal, die buiten elke traditie of stroming valt. Eenzelfde basis waaruit en waarop diverse uiteenlopende beelden ontstaan. Een verleden het heden inleiden. Vandaag terug laten grijpen naar gister. Alsof de klok wordt teruggedraaid of in elk geval is stil gezet.

Plaatjes en foto’s in bladen en magazines
De personages die in het bovenbewustzijn van Ossip spelen zijn van een andere orde dan de figuren zoals ik deze dagelijks tegenkom en ontmoet. Zij leefden voor deze en zijn nu enkel nog op plaatjes en foto’s in bladen en magazines te bewonderen. Periodieken van een maatschappij uit een vorige eeuw. Ouderwets ogend nu, met een blik die ons hier van daar omfloerst opneemt. Uit een tijd waarin het leven zwartwit leek, alles duidelijk was nog, hanteerbaar en te bevatten. Geen grijze grensgebieden, het was zoals het is. Twee mogelijkheden, ja of nee. Een tussenweg was er niet. Dat vergelijk probeert Ossip echter in zijn kunst te zoeken.
Een hang naar een beter verleden? Een tijd waarin alles nog goed leek, het leven simpel was. Ossip snijdt zijn figuren uit die tijd. Hij knipt mensenfoto’s uit oude tijdschriften en boeken. Foto’s van mensen roepen bij de kunstenaar heel direct een emotie op, een gevoel, zonder dat hij precies weet wat dat is en waarop het aanslaat, waar zijn inspiratie ligt. “Hij vergroot, versnijdt en reconstrueert ze, zet er een verfstreek of een getapet kruis overheen, voegt cryptische tekstfragmenten toe, laat decimeters garen aan oksels of ogen ontspringen, wikkelt een aureool van prikkeldraad om het hoofd, monteert ze op een strijkplank, voorziet ze van dunne ijzerdraden als voelsprieten van een insect. ”, zo benadert Kees Verbeek Ossip’s kunst. In deze hoedanigheid krijgen ze naar zijn idee een nieuw leven, een hoger zijn toegemeten. Onbedoeld schrijven zijn werken zo een nieuw hoofdstuk in de geschiedenis van de betrokkenen. Van dood materiaal op papier zijn de persoonlijke afbeeldingen tot levende figuren geworden.

The biggest compliment
Ossip wil niet actueel zijn en sluit de ogen voor wat nu gangbaar en modieus is. Bijdetijds is voor hem te eng, te benauwend. Hij wil niet zijn opgesloten in geaccepteerde gebruiken en vaststaande regels, maar juist ongewoon en abnormaal erkent zijn. Met een gevleugelde uitspraak inzake zijn stijl van werken begint het boek dat mij voorligt, nadat ik eerst heb kennis genomen ven enkele van zijn minst karakteristieke werken: “The biggest compliment people can pay me is to say my work doesn’t look like anyone else’s.” En inderdaad, wie het boek dat als catalogus van de tentoonstelling bij Brutus dient doorbladert, zal beamen dat zijn werk niet op dat van anderen lijkt, dat het nergens op lijkt. Dat het afstoot maar tegelijk ook een bepaalde schoonheid bezit.
“Zijn werk is moeilijk te definiëren”, schrijft Sanne ten Brink – directeur van Brutus in Rotterdam – in haar voorwoord tot het oeuvreboek ‘Meine Hände leben im Ernst’, “maar zijn unieke stijl is meteen herkenbaar en de kwaliteit is onmiskenbaar.” Ossip werkt op het snijvlak van fotocollage, installatie en tekeningen. Zijn composities dragen al die elementen in zich en bewegen in het centrum daarvan op het rumoerige kruispunt van deze manieren van uiten. Ossip stoort zich niet aan heersende kunststromingen en gaat zijn eigen gang, beeldt zoals het hem goed dunkt en waarmee hij zijn verhaal in duidelijke taal letterlijk figuurlijk kan maken.
Het overzicht van werken in het boek laat beeldend zijn ontwikkeling zien. Van het vroegste werk waarin nog niet werkelijk een duidelijke signatuur vastgesteld kan worden tot zijn meest recente werk waaraan te zien is dat hij met hart en ziel in zijn rol als non-conformist van de kunstwereld is gegroeid. Installaties bewegen zich in de ruimte, verknipte foto’s die zorgvuldig tegendraads in elkaar zijn gezet en worden versterkt met metalen draden als levenslijnen. Ook in het platte vlak worden tegenstellingen eenheden, acteren bestaande kunstwerken als reproducties in zijn uitingen. Wel herkenbaar maar zonder oorspronkelijke eigenheid. In deze beeldvorm krijgt deze bestaande kunst een nieuw leven, een hoger wezen toegemeten. Onbedoeld schrijven de recreaties van Ossip zo een nieuw hoofdstuk in het zijn van deze schilderijen.

Zorgvuldig tegendraads
Ossip streeft geen perfectie na, hij zoekt naar een veranderlijke meerduidigheid die veelal stevig vloekt en aantrapt tegen uniformiteit, heersende mode en actuele rage. Hij stapt uit het keurslijf van wat algemeen aanvaardbaar is en doet verfrissend zijn eigen ding. Zijn kunst omarmt het eigenaardige, het onvolmaakte en ongewone.
Het is een vreemde wereld die zich voor mij openbaart wanneer ik de lijvige catalogus bij Brutus’ tentoonstelling van delen uit zijn oeuvre open. Een vervreemde wereld waarin ik zoals eerder geschreven nog wel een verleden herken, een leven zoals het eens was en zoals het goed was, opgeslagen in het collectieve geheugen, maar dat nu ergens onvindbaar tussen hemel en aarde zweeft. Deze wereld waaruit Ossip inspiratie opdoet bestaat alleen voor hemzelf, het is zijn omgeving van de geest. Hij licht met zijn kunst voor mij een tip van het voorhangsel op om mij een blik te gunnen in zijn heilige der heiligen. Met de herkenbare beelden die zijn wereld bevolken, die zijn ark bewonen en de vloed overleven, ontvouwt hij een zinnebeeld. Beeldspraak in voor hem duidelijke taal, maar met woorden die ik nogal eens voor de betekenis in het woordenboek moet opzoeken. De kunst van Ossip is niet eenvoudig te doorgronden, hoewel hij zich van simpele figuratie bedient. Het samenstel van zichtbare elementen maakt dat het zich ongemakkelijk verhoudt tot de bestaande en algemeen aanvaarde beelduitingen. Deze tegenstelling in het afzonderlijke object en de enkele tekening betoveren de toeschouwer, trekken de compositie een mysterieuze omgeving in, een wereld met een déjà vu beleving.

Imperfecte schepsels
In een vraaggesprek met Kees Verbeek afgedrukt in het Engelstalige boek vergelijkt Ossip de onvolmaakte mens met een robijn. Dat onvolmaakte is de mens met een verstandelijke dan wel een lichamelijke beperking. De robijn heeft meer waarde dan goud, is de kunstenaar van mening. Niet economisch gezien, maar qua schoonheid. ‘A ruby is noble and refined. A mineral rock that you can facet cut, just like a diamond.“ Dat onvolmaakte van deze mensen raakt Ossip, dat is de basis van zijn werken. Zo lijken zijn werken ook onvolmaakt, gebrekkig en imperfect. Maar dat is juist de charme, zoals bijvoorbeeld kinderen met het syndroom van Down of een ander gebrek innemend zijn. En dan gebrek in de betekenis gezien vanuit ons ‘volmaakte’ gezichtsveld. Deze imperfecte schepsels zijn op hun eigen manier en in hun persoonlijke leven verre van gebrekkig. Zij gedragen zich veelal zoals wij zouden willen maar niet durven, en zij staan over het algemeen vrolijk en zorgzaam in het leven. Deze mensen zou ik willen vergelijken met de kunst van Ossip. Hij wordt door dit zijn overweldigd en raakt er door geïnspireerd, daar ontstaat zijn bezieling.
Zijn werken schijnen ook onvolledig, er lijkt een steekje aan los. Zijn installaties hebben de sfeer van een mobile à vent, een kynetisch object. Vrij hangend en uitgebalanceerd vloekt het met de zwaartekracht. Bij elke verplaatsing van atmosfeer zet het zich in beweging. Deze objecten bezetten de ruimte, bevolken de omgeving waarin ze ter bezichtiging zijn geplaatst. Schijnen zich aan te passen, maar blijven anarchistisch non-conformistisch, agerend recalcitrant. Het vrij bewegen is slechts een onderdeel van het oeuvre van Ossip, maar wel erg in het oog springend. De stationaire beelden zijn evenwel tevens opmerkelijk. En evenzo de werken aan de wand die in samenspel zijn met de omgeving als vervreemdende uiting. Voortdurend wordt het onvolmaakte zijn verheerlijkt. Het imperfecte als hoogste goed gepropageerd. De robijnen in de gouden schelp. De rotte appels in de fruitschaal. Ossip verheerlijkt het imperfecte en ik smul van zijn vervreemdende beelden.
OSSIP – Meine Hände leben im Ernst. Teksten van Sanne ten Brink, Maarten Spruyt, Kees Verbeek. Van Spijk Art Books / Galerie Ramakers / Brutus, 2024.

