Tag: Peter van Lier

  • Mijn kop blijft aan bij de poëzie van Peter van Lier

    In eerste ontmoeting met de titel “kop blijf aan” moest ik van mijzelf denken aan dementie en alzheimer, hot-items bij het ras vergrijzende Nederland. Maar begaf ik mij in de inhoud van de dichtbundel van Peter van Lier met dat opschrift “KOP  BLIJF  AAN”, probeerde ik de tekst tot mij te nemen, begreep ik meer van de keuze voor deze titel. Je moet je kop erbij houden om de hersenspinsels van de dichter te lezen. Om het te begrijpen moet je kop aan blijven. Open staan voor wat je leest. Je zeker niet laten afleiden door prikkels en ruis, het wezen zo eigen.

    De zinnen zijn geen regels, de woorden gaan een eigen weg over de bladspiegel. De strekking van het verhaal, want dat is het toch wat Van Lier in het kort in ieder vers wil zeggen, wordt versterkt met duidingen tussen haakjes. Net alsof het geheel verduidelijkt moet worden, aangedikt. Overbodige informatie? Zeker niet, het tussen haken zetten heeft juist meer gewicht. Zo krijgt die toevoeging expliciet aandacht. Het is een aanvulling op de tekst of beter een commentaar. Het geeft het gedicht een luchtig karakter, de ernst is doorspekt met humor zoals doorregen biefstuk lekker sappig is of gorgonzola heerlijk kruidig.

    Ondoordachte opzet van doordachte tekst

    Op de kaft van de bundel zie ik een wirwar van rechte lijnen in wit op zwart met accenten rood. Een illustratie die veel weg heeft van zenuwprikkels, de communicatie in het lichaam zodat het kan handelen. Wanneer de kop aan blijft en ik me begeef in de bundel ziet mijn brein er zo ongeveer uit, stel ik me voor. Het is eerstens al een zenuwslopende aanblik, tot bloedens toe volg ik met de ogen de lijnen. Wat verbinden deze, welke informatie wordt overgebracht. Het verbeeldt de natuurlijke bronnen die in de bundel beschreven zijn.

    Gaandeweg lees ik me in, in de zin van dat ik de stijl van de dichter begin te begrijpen. Het opschrift dat vetgedrukt boven het vers staat is niet de titel, maar de eerste regel ervan. De regels waaieren vervolgens over de bladspiegel. Een enkel woord krijgt, zich los gemorreld, extra aandacht. Het lijkt een enigszins ondoordachte opzet van een doordachte tekst, maar er valt een vast stramien in de verschillende gedichten te ontdekken. Het past in een format zogezegd. En het is daarin gegoten.

    Van Lier observeert het leven

    Tot zover de technische kant. Het gaat in deze poëzie natuurlijk om de emotie, in welke vorm dat is gegoten blijft bijzaak. Peter van Lier brengt een ode aan alledaagse zaken. Zaken die zo raken ondergesneeuwd door de loop der dingen en verdwijnen in het drijfzand van de tijdgeest. Emotie is de drijfveer, maar wordt in het openbaar nauwelijks beleden. De gedichten tillen op van de metaforen. Handelingen erin genoemd worden gespiegeld zodat ik me er mogelijk in kan herkennen. Wat staat geschreven heeft overigens over het algemeen een andere duiding dan de aanvaarde betekenis. Op die manier worden de dagelijkse zaken uit het normale getrokken om abnormaal te lijken. Maar het zijn gebeurtenissen van 13 in een dozijn. Heel gangbaar, heel neutraal. Maar worden bijzonder in de woorden van de dichter.

    Hij is een filosoof, vriend van de wijsheid, studeerde kennis. Om diepere vragen over het leven, de werkelijkheid en menselijke ervaring te begrijpen en te beantwoorden kijkt hij dus met een andere blik tegen het zijn aan. Die zienswijze en deze denkwijze kan hij niet kwijt in de authentieke dichtkunst en het zuivere rijmschema. Van Lier observeert het wezen. In een stijl die minimaal maar duidelijk in woordbeeld laat zien hoe hij in de wereld staat. Poëzie kortom waarin nauwkeurige waarneming, verwondering en filosofisch denken samenkomen. Het past niet echt in een vakje, maar wil ik het in een hokje wringen dan kan ik schrijven dat de poëzie van Peter van Lier axiomatisch van aard is: zij stelt vast, zonder bewijs, en laat het denken aan mij. En ik moet er wat van denken, iets van vinden. Ik ben geen normale lezer zoals een ieder die zich de bundel van Van Lier eigen maakt. Ik lees met een ondertoon. En wanneer ik dan de juiste toon heb gezet, de vrolijke noot correct aanvoel, dan kan ik mij een mening vormen en over de bundel mijn licht laten schijnen.

    Citaat

    Hij komt naast mij staan en wijst me op de elementen die zijn wereld kleuren en duiden. Op welke manier ik volgens hem de omgeving geschetst in poëzie kan benaderen en bewonderen. Dat is niet die van de rijmelarij, maar van de poëzie met een grote P. De dichter die de werkelijkheid buiten de realiteit beziet en in eigen ervaringstaal omschrijft. Daar kan ik op eigen houtje een weg in vinden, echter Van Lier reikt mij een gids aan zodat ik niet zal verdwalen in taal en betekenis”, citeer ik mijzelf uit een bespreking van een eerder boek van Van Lier. En dat is nog voortdurend steekhoudend, zij het dat hij toen schrijver was en nu dichter is.

    Aha-erlebnis

    Schreef ik al dat de woorden over het papier waaieren, vooral in de paragraaf “met enig houvast” dansen deze letterlijk over de pagina’s. Er lijkt echter geen houvast te zijn totdat ik de spelregels van het spel doorheb en begrijp. Die ‘aha-erlebnis‘ brengt een vrolijke sfeer in. Ik heb niet de oplossing, maar heb wel inzicht. Maar de tekst zoals deze door Peter van Lier is vorm gegeven laat zich niet uitspreken, voorlezen. In mijn verslag van de presentatie van onderhavige bundel merkte ik dat al op: “Poëzie zal niet voorgelezen worden, gedichten moeten gelezen zijn. Bij het voorlezen gaan woorden verloren, gedachten krijgen geen ruimte. (…) Op gelegenheden dat dichters samenkomen en zichzelf met hun werk aan toehoorders presenteren, verdwijnt het mysterie van de poëzie.”

    Ik probeer op deze plek de schrijfwijze te duiden, maar vraag mij tegelijk af of dat zinvol is. Als beschouwer tracht ik een toelichting te geven, in de hoop de inhoud van een besproken boek toegankelijker te maken. Maar moet ik op die stoel gaan zitten om dit mysterie op te lossen? Verdwijnt de magie wanneer het systeem dan blootligt? Deze poëzie is geen rebus. Abstracte kunst laat zich niet uitleggen – zij is er. Dat is voldoende. Dat moet genoeg zijn. De dichter heeft zijn wezen in woorden gelegd. Dat cryptogram kan ik ontrafelen, maar even goed kan elke andere lezer tot een tegengestelde uitleg komen. Aanpassen en inpassen, het gedicht schikt zich naar de eigen gewaarwording, laat zich opnemen in de persoonlijke ervaring. Kunst is emotie, abstractie is gevoel, axiomatisch is een reden.

    Tegenwoordige tijd

    KOP  BLIJF  AAN” is een bloemlezing uit eerder verschenen bundels. Maar nergens is datering en niets is gedateerd. Of het zal het moment zijn na de pandemie dat mensen weer naar buiten mogen en zich gedragen als koeien in de lente losgelaten uit de stal: “hek open, kudde los” / “Daar staan we dan, onwennig”. Het gedicht leest actueel, de gedichten laten zich modern lezen, van deze tegenwoordige tijd. Zijn wezen, dat van Peter van Lier, lijkt eeuwig – is geen dooddoener. Van onpeilbare waarde om aan vast te houden. En dat is zelfreflectie, want die kop moet aanblijven. Uit die kop komt de idee tot bloei, maar het moet het wel blijven doen.

    In mijn bespreking over het boek “Geachte afwezigen” van Peter van Lier uit 2017 merkte ik al op dat zijn poëzie er is en gewoon mag zijn. Het heette een verweer van de poëzie te zijn, maar de dichter hoeft de gedichten niet te verantwoorden. “Van Lier hoeft zich als dichter niet te verdedigen voor het dichtwerk”, schreef ik. “Het is veeleer een eerbetoon aan het vrije vers, de moderne poëzie. Deze dichtkunst heeft een grond, een groei en een bloei. (…) Ik kan een lange wandeling met de schrijver ervan meedenken, maar soms slaat hij een pad in dat mij welhaast doet verdwalen. Ik raak hem kwijt, tast in het niets buiten de werkelijkheid, maar hij vindt mij terug binnen woorden die zijn zinnen vormen. Waar ik de richting kwijt ben en telkens op een doodlopende weg stuit, neemt hij mij in zijn tekst weer bij de hand en leidt mij bijdehand terug op het juiste pad.”

    KOP  BLIJF  AAN  Peter van Lier, gedichten. Uitgeverij Opwenteling, 2025.

  • Opwenteling presenteerde twee nieuwe dichtbundels: Frisse friese wind

    Poëzie zal niet voorgelezen worden, gedichten moeten gelezen zijn. Bij het voorlezen gaan woorden verloren, gedachten krijgen geen ruimte. Lees je een gedicht jezelf bij voorkeur hardop voor dan zijn regels te beschouwen, momenten te overdenken. Als Maria kan ik deze in mijn hart bewaren, ze ter harte nemen en de betekenis overwegen wanneer ik ze met mij meedraag. Want dan groeit de waarde op vruchtbare bodem. Misschien nog wel het sonnet, de ballade of de elegie. Maar het vrije vers en de visuele poëzie laten zich minder eenvoudig uitspreken. Zelf lezen geeft de idee plek. 

    Op gelegenheden dat dichters samenkomen en zichzelf met hun werk aan toehoorders presenteren, verdwijnt het mysterie van de poëzie. Wordt een gedicht voorgelezen, dan gaat er fysiek altijd wel iets mis. Is de stem te zacht of werkt de microfoon niet, of staat de spreker te dicht bij de microfoon en exploderen bepaalde letters: k, p, t. Ook daalt een gedicht pas in wanneer je het langzaam leest, de zinnen voor je uit bedenkt en nog eens terug haalt en leest. Wordt het voorgedragen dan is de intonatie ongelijk aan mijn voorstelling hoe het zou klinken, de snelheid mis ik en de kracht is voor mij gebroken. Poëzie laat zich niet voorlezen, het nodigt uit gelezen te worden. 

    Dat dacht ik toen de dichters Peter van Lier en Edwin de Groot hun nieuwe bundels presenteerden in de voormalige zuivelfabriek van Marrum. De uitgever stelde het hoge noorden zondag 26 oktober Opwenteling voor. Hij, dat is Arnoud Rigter, blies met anderen in het millennium de in de roerige jaren 60 van de vorige eeuw opgerichte uitgeverij van dwarse poëzie nieuw leven in. Vooral dat werk van die dichters welke niet in de pas lopen vinden er onderdak: gedichten met smoel. Experimenten met op een andere tegendraadse manier van presenteren wordt omarmd, combinaties van beeld en tekst. Opwenteling is een fonds met een eigen (poëtisch) karakter dat de regionale aard overstijgt. Een uitgeverij die niet alleen debutanten uitgeeft, maar staat voor poëzie van bijzondere, experimentele kwaliteit. Rigter sprak over het woeste poëzielandschap van dit moment, een terrein dat teveel gecultiveerd is omgespit en waar nauwelijks nog talent uit wordt opgediept. Hoe wonderlijk dan ook dat plots twee in Friesland wonende dichters hun kop boven het maaiveld uitstaken en afzonderlijk van elkaar dit voorjaar een manuscript instuurden. De gedichten die op het bureau van Rigter terecht kwamen sloten aan bij wat Opwenteling wil zijn. Verhalend en experimenteel, twee uitersten die ter linker en ter rechter zijde, oost en west, het complete veld van woordspelingen bestrijken. 

    Vers van de drukker

    Gezien door de ogen van Edwin’s alterego Timofei Sofer, de blik van een Joodse bosarbeider uit Oost-Siberië. “ALMACHT / de taiga met zijn gaoende muil / de zure honger van de veenmoerassen / / de geur van hars zo dik / als een zwaarlijvige trapezeartiest / / en de sapstroom die de lente kan lezen, hoe / de dieren de winters uitzingen / / de overtuiging van de rivier die ik, als ik het kon / een plekje bij het raam zou geven” 

    En een persoonlijke kijk op de wereld hopend dat de herinnering niet dementerend vervaagd, Peter van Lier heeft de leeftijd dat zijn hoofd hem in de steek kan laten. Wie zijn bundel doorbladert zal zeker weten dat de dichter moeite heeft dit werk voor te dragen. De typografie heeft zin in druk, niet in klank. Maar met enige houvast kan ik hier citeren:  “Een hoog perspectief ziet alles wat beneden het hoofd / / plaatsvindt als grazend vee? We leven in een wereld van / instincten en voorbijgaand verkeer, elke richting levert hoofd- / zakelijk twisten op en riekt uiteindelijk (volg het nieuws maar / na tienen) naar digestie. Welk conflict wordt hier per hoofd / van de bevolking (ook dat van jou!) uitgevochten? Het lichaam / kromt zich (een bemoedigend teken) om laag-bij-de-gronds het hoofd / van heel de sleetse rataplan te ontdoen? Luister goed.”

    De dichters lezen enkele voorbeelden uit de vers van de drukker verschenen bundels. Gastdichter Annet Zaagsma leest bijna onhoorbaar gedachte woorden voor die de terminologie van het woordenboek hebben. Ik zal ze met een lampje moeten zoeken in de dikke Van Dale, maar niet kunnen vinden. Deze staan naast anderen in de laatst uitgekomen bundel van Zaagsma. “tepelnijd / zelfst, naamw. (m.) uitspraak: [‘tepǝlnɛit] / / tepelnijd (ingetrokken) komt in de beste dromen voor. / het gepigmenteerde & knopvormige uitsteeksel dient te allen tijde / voor het blote oog onzichtbaar te zijn in het zichtbare spectrum. / een superkracht wordt verondersteld. speelt een belangrijke rol / in de pauze van door mannen gedomineerde sporten. / het internet staat vol met slechte recensies. / / niet te verwarren met: tafeleend” En daar heb je het al, in het gesproken woord komt de kracht van wat poëzie kan zijn nauwelijks tot niet over. Een enkele kwinkslag in de al te serieus bedoelde verzen verdwijnen in de fluistering die door de haperende microfoon maar niet worden versterkt. 

    Talige samenkomst

    Een op en top Friese dichter, door Edwin de Groot in het programma geschoven – omdat hij het met hem erover had tijdens fietstochten en hem daarom op dit voetstuk plaatste en hem daarbij het eerste exemplaar van zijn bundel overhandigde – declameerde zijn uitgesproken sterk getaalde werk. De Friese taal die meer krachttermen kent dan welk dialect dan ook geeft het gesproken woord ballen. Het gespierde woord spreekt zelfs de slechte verstaander aan. Lubbert Jan de Vries las niet voor maar sprak uit, met bladgedicht als geheugensteun. Door zijn hele ziel en zaligheid achter het rebelse gedicht te zetten bleven de zinnen langer hangen. De gebalde vuist van de Friese taal kan beluisterd worden zonder gelezen te zijn. 

    Het was een talige samenkomst die werd opgeluisterd door de gitaarklanken van Jetze de Vries, want muziek kan wel worden voorgespeeld. Je behoeft niet zelf te kunnen spelen, de kunst is te (be)luisteren. Het kan behang zijn, terwijl tekst aandacht verdient. De muzikale intermezzo’s dienden als de witte regels in een gedicht. Even op adem komen. Overdenken wat is gezegd en voorbereiden op wat komen gaat. De stilte in een vesper. Momenten van bezinning. Maar de klanken waren verre van contemplatief, ze vertaalden als het ware de woorden die voor en na werden en zouden worden gesproken.

    De eerste exemplaren van zijn bundel gaf Peter van Lier aan twee oudgedienden in het dichtersveld waaraan hij veel heeft gehad in de 20 jaar dat hij in het Friese land doorbrengt. De van oorsprong Brabander streek in 2004 hier neer, net achter de Waddendijk, om er samen met zijn relatie Machteld van Buren het Friese kunstlandschap te verrijken. Martin Reints sprak zijn waardering uit en las vervolgens voor uit eigen werk. Eeltsje Hettinga besprak het werk van Van Lier en bracht het mysterie van de poëzie voor het voetlicht. Hij las niet voor maar interpreteerde a la prima vista de woorden uit de bundel. Vooral het eerste gedicht had zijn bijzondere aandacht, dat hij vakkundig overbracht op de luisteraars die het luisteren na een programma vol woorden wel moe waren. Waar aandacht verslapt zou de voordrachtskunstenaar de teugels moeten laten vieren, een stap terug en er het zwijgen toe doen. 

    Het was achteraf gezien echter een prettige middag daar in Marrum. De poëzie had de aandacht en velen wisten na afloop de gang naar de tafel van Opwenteling te vinden, om er een al dan niet gesigneerd exemplaar van de vers van de pers gekomen bundels aan te schaffen. Ik zal mij op een later moment buigen over de inhoud van de mij toegeschoven recensie-exemplaren van de bundels, om een steekhoudende beschouwing op mijn blog te plaatsen. Nog even een hapje en een sapje tegen kostprijs genomen, een praatje gemaakt en overleg gepleegd. Niet alleen oor en mond kwamen ruim aan bod, ook het oog werd gelaafd. Drie immens uitvergrote waterfoto’s van Dolph Kessler overspoelden de ruimte. Wave. Hoog opspattende golven van een zee ver van de Friese meren trokken de aandacht wanneer de concentratie op het gesproken woord enigszins werd beneveld. Achter het geïmproviseerde podium hing aan de gescheurde muur het drieluik “What does your soul look like” van Machteld van Buren. Kunst ontstaan in deze ruimte voor deze ruimte, even voor nu. 

    Presentatie dichtbundels van Edwin de Groot en Peter van Lier in de voormalige zuivelfabriek te Marrum. De dato zondag 26 oktober 2025.

  • Minieme gebaren van Peter van Lier zijn minimale gesten

    Filosoof Peter van Lier liet zich met een representatieve dwarsdoorsnede in de bundel “Minieme gebaren / Minym ferweech” als dichter van diverse kanten zien. Met een kwinkslag, maar ook door het tonen van zijn gevoel. Hij doet dat niet op de orthodoxe manier van dichten, maar laat de regels in verzen vrijelijk over de dichtstukken bewegen. Zijn poëzie neigt naar abstractie, maar de zinnen zijn niet onsamenhangend – de emotie is geen object. Ik wil de gedichten wel weer lezen en nog eens, niet om de kern helder te krijgen maar omdat ze zo prettig poëtisch op papier staan. Eerst kon ik dat in zijn moerstaal doen met daarnaast een vertaling in de taal van de provincie waarin hij woonachtig is. Nu kan ik enkele daarvan tevens in de spraak van onze oosterburen declameren.

    Nederlands-Duits kunstproject

    In een Nederlands-Duits kunstproject zijn 13 gedichten uit de bundel “Minieme gebaren” geselecteerd en door Gregor Seferens vertaald in “Minimale Gesten”. Een achttal kunstenaars, vier van Nederland en vier uit Duitsland, hebben op de poëzie met grafische werken gereageerd. Van woord en beeld is een kleine uitgave samengesteld, dat tijdens de Leipziger Buchmesse 2024 is gepresenteerd. Het muziekstuk dat componist Cees Hiep op “Koerend keren” tot “Sich Gurrend Wenden” maakte ontbreekt in het boekje. De compositie voor cembalo en stem, dat ontstond in samenwerking met de dichter, zal ik elders tot mij moeten laten komen. Bijvoorbeeld via YouTube:  https://www.youtube.com/watch?v=4eRWeWhpH80

    Eenzelfde sfeer

    Het dichten van Peter van Lier is weids en landelijk zonder belemmering op uitzicht en blikveld, schreef ik eerder over de bundel “Minieme gebaren” dat in 2022 ter beschouwing aan mij voorlag. Die karakteristieken van zijn poëzie toen kan ik nu welhaast één op één hier overnemen. Want het gaat toch zeker over dezelfde regels, het heeft eenzelfde sfeer. Hij neemt geen blad voor de mond, want zijn taal moet open zijn zoals de omgeving overzichtelijk is. Alles kan gezien, alles is geschreven. Maar de dichter kijkt niet over het veld, ziet niet de hoge luchten en de verre einder. Hij vleit zich in het gras, kruipt tussen het riet en waadt over het wad. Daardoor valt hem het detail in het grote geheel op. Ziet hij het kleinste klein en schrijft daar het liefste lief over. Zo is zijn ruimte afgemeten, maar hij ontloopt de onmetelijkheid niet. Zijn poëzie is handzaam, omdat het over gewone zaken gaat. Het zijn de kleine dingen die het hem doen. Datgene wat in een druk bestaan nauwelijks nog wordt opgemerkt zet Van Lier te kijk in zijn beeldende gedichten. Het is kijken en observeren, dàt waarnemen wat gewoon lijkt dus ongewoon is beschreven om het op te laten merken.

    Wereld wijsgerig beredeneerd

    Peter van Lier lehrt mich, durch seine Worte anders zu sehen, besser zu sehen. Diepe gedachten, dubbele bodems, meerdere lagen. Hij mijmert en hij peinst, beschouwt en bespiegelt met als uitkomst abstracte verzen waarin de wereld wijsgerig is beredeneerd. Mijn zijn kan ik daar op reflecteren om een levensbeschouwing teruggekaatst te krijgen. Peter van Lier ademt de sfeer; hij snuift de geur, beziet het veld en hoort de stilte. Let op het detail, wordt gewaar de minieme bewegingen van het leven en dat vertaalt hij groots in zijn gedichten. En kunstenaars reageren daarop. Maken geen illustratie bij de tekst, maar een autonome uitdrukking van de emotie en sfeer die zij proeven in, uit en door de woorden. Een vertaling van de tekst in verbeeldingen derhalve. Daarbij valt op dat het alle vrouwelijke kunstenaars zijn die hun licht lieten schijnen op de dichtkunst van peter van Lier. Op één na, vriend en kameraad B.C. Epker maakte een houtsnede op de elegie voor een andere vriend. Hij reageert op “Wie hilft mann einem Freund, der sterben wird” met Sankt Antonius, een verhaal in een notendop. Al deze grafische tekeningen maken wel verbinding met de gedichten, leggen een relatie, maar kunnen zonder uitleggende woorden van Van Lier boekdelen spreken.

    De oorspronkelijke tweetalige bundel “Minieme gebaren”, waaruit deze Duitse versie een doorsnee is, was eerder een experiment hoe de poëtische kracht van de woorden in de Friese taal nog overeind zou blijven. Het is niet eenvoudig om de bestaande gedichten in een andere taal evenveel kracht mee te geven. De vertaler maakt eigenlijk nieuw dichtwerk op de woorden van Peter van Lier. Toen in het Fries, nu in het Duits. Een hertaling dus, maar nauw schurend aan de bestaande woorden.

    Minimale Gesten. Peter van Lier. Door Gregor Seferens Duits vertaalde gedichten. Met grafische tekeningen van B.C. Epker, Jacomijn den Engelsen, Inez Odijk, Hanneke van der Hoeven, Eleonora Damme, Andrea Lange, Gabriele Sperlich en Susann Hoch. Uitgave Hochdruckpartner Galerie+Werkstatt, 2024.

  • Aanwezig bij Peter van Lier voel ik mij aangesproken

    Het is mijn gewoonte om tijdens het lezen van een boek alinea’s van belang aan te strepen. Fragmenten in de tekst die ik belangrijk acht om achteraf nog eens over en door te lezen. Om op die manier mijn bespreking van het boek inhoud te geven. De uitgave “Geachte afwezigen, Het verweer van de poëzie” door Peter van Lier ziet er na lezing nogal gestreept uit. Vrijwel elke alinea is steekhoudend om nog eens te lezen. Daarom las ik het boek tweemaal voordat ik me ertoe kon zetten er een eigen tekst tegenaan te schrijven. Eenmaal om de woorden te lezen, andermaal om de tekst te doorzien en toen was ik verkocht. Om de aanwezigheid van de werkelijkheid van twee kanten te bezien las ik het boek eens en nog een keer. Door opnieuw en weer te lezen namelijk zie je details, merk je meer of zelfs andere werkelijkheden op dan dat je eerst zag.

    “Geachte afwezigen”, heft hij aan

    Het verweer van de poëzie. Dat is op diverse manieren uit te leggen. Is het oppositie of juist defensief. Moet de poëzie verdedigt worden, en tegen wie dan. Of komt het in opstand, geeft het weerstand. Kan het zich persoonlijk verdedigen, met woorden betekenissen om zichzelf slaan. De vitters en de hekelaars, de muggenzifters en de mierenneukers, ofwel de critici een hak zetten. Van Lier hijst zich op de spreekkist, gaat op de praatstoel zitten en richt het woord tot mij de lezer. “Geachte afwezigen,” heft hij aan. Ik kijk om en inderdaad ik ben alleen in de ruimte, mijn kamer. Hij spreekt mij dus niet aan, maar de mensen die er niet zijn; de afwezigen. Ik voel me niet aangesproken daarom en ben een en al oor, zeker nadat ik tot tweemaal toe de aanwezige was. Maar ik zal beter moeten weten, want ik was afwezig en raak door de schrijver bij de les. Ik dagdroom niet langer uit het vensterraam van de taal, maar wordt wakker geschud door Van Liers’ filosofische intuïties en poëtische bevindingen.

    Poëtische fascinaties

    Het verweer is niet de individuele verdediging van Peter van Lier om de poëzie terug binnen de werkelijkheid te plaatsen. Het zijn de wapens van anderen die hij in de strijd gooit. Door de gedichten van een voorgaande generatie dichters en van dichtende generatiegenoten voor mij door te lichten en uit te leggen scherpt Van Lier mijn geest. Pas in het laatste essay besef ik zijn reden dit boek geschreven te hebben. Dan is hij niet meer de onderwijzer, de onderzoeker die zijn eigen poëtische fascinaties in een ruimere context plaatst, de leegte bestrijdt. Hierin blijft hij bij zichzelf en plaatst zich terug in de opvoeding. Komt in verweer tegen zijn constructief aangelegde vader, of maakt paradoxaal een buiging voor ‘ons’ pap. Toch achteraf. “…mijn vader het had over de vele jaren die het licht van verre sterren erover doet om ons te bereiken en dat een ziel dus ook wel heel lang onderweg zal zijn om de hemel te bereiken.

    Ik raak hem niet kwijt

    Aldus is de hele bundel in 24 korte verhalen geen verweer. Van Lier hoeft zich als dichter niet te verdedigen voor het dichtwerk. Het is veeleer een eerbetoon aan het vrije vers, de moderne poëzie. Deze dichtkunst heeft een grond, een groei en een bloei. Peter van Lier is de tuinman die mij wijst op prachtige bloemen, geurend en kleurend in de ochtendzon. Hij geeft aanwijzingen hoe de tere planten te determineren, deze met zachtheid te behandelen om een bloeiend en voor mij boeiend resultaat te creëren. Niet filosofisch onderlegd leest het boek van Peter van Lier voor mij toch niet onbekend. Ik kan een lange wandeling met de schrijver ervan meedenken, maar soms slaat hij een pad in dat mij welhaast doet verdwalen. Ik raak hem kwijt, tast in het niets buiten de werkelijkheid, maar hij vindt mij terug binnen woorden die zijn zinnen vormen. Waar ik de richting kwijt ben en telkens op een doodlopende weg stuit, neemt hij mij in zijn tekst weer bij de hand en leidt mij bijdehand terug op het juiste pad.

    Zijn visie en uitleg

    Het ‘Geachte afwezigen,’ is verre van een droog boek, niet ‘geen doorkomen aan’, geen harde noot die gekraakt moet worden. Hoewel de taal gangbaar is zweeft het gevoel nog weleens boven mijn werkelijkheid weg. Geen vaktaal, maar wel filosofische redes. Van Lier is een boeiend verteller, geen docerend uitlegger. Ik lees bij hem niet de les, maar hij geeft mij wel uitleg over zijn visie. Leest de dichter en bespreekt het werk. Probeert de woorden voor mij duidelijk te maken. Zijn filosofische achtergrond staat hem daarbij terzijde. Maar het is en blijft zijn visie en uitleg, hoewel hij wel andere uitleggers citeert om zijn standpunt te waarborgen. Soms in wat wollige uitspraken, een diep denker eigen. Maar niet vanaf een ivoren toren uitgesproken. Hij komt naast mij staan en wijst me op de elementen die zijn wereld kleuren en duiden. Op welke manier ik volgens hem de omgeving geschetst in poëzie kan benaderen en bewonderen. Dat is niet die van de rijmelarij, maar van de poëzie met een grote P. De dichter die de werkelijkheid buiten de realiteit beziet en in eigen ervaringstaal omschrijft. Daar kan ik op eigen houtje een weg in vinden, echter Van Lier reikt mij een gids aan zodat ik niet zal verdwalen in taal en betekenis.

    Met andere ogen

    Hij haalt het werk van dichters aan die voor zijn werk van belang zijn. Waarop hij zijn werk kan gronden. En tussen neus en lippen door verklaart hij dat werk van deze dichters. In zijn bewoordingen, zoals hij hun teksten opvat en van betekenis acht. Geen recensie maar een uitleg. Hij zit niet op de stoel van de criticus maar veeleer op de zitplaats van de leraar die niet belerend wil zijn. Hij geeft uitleg aan en legt lijntjes neer, knoopt combinaties en relaties aan elkaar. Zodat ik met andere ogen naar de woorden kijk, met rode oortjes de zinnen lees. Wist ik niet wat ik las. Was ik afwezig in mijn gedachten omdat andere zaken mijn aandacht afleiden van de moeilijkheidsgraad van deze door Van Lier aangehaalde poëzie.

    Schrijvers uitleg

    Gaat de magie ervan niet verloren wanneer het gedicht wordt uitgeplozen en op de zin en het woord wordt verduidelijkt. Peter van Lier lijkt dit nodig te vinden om de poëzie te verdedigen. Om het te kunnen plaatsen in en wapenen tegen de proza. In de eerste plaats dat van anderen en in het bijzonder zijn eigen dichtkunst. Het is schrijvers uitleg, ik kan het daarentegen anders interpreteren. Maar na lezing wordt mijn gedachte wel die kant op gestuurd. Ik kan het gedicht niet meer objectief en onbevangen tegemoet treden: het leest zoals Peter de uitleg eraan gegeven heeft. Eigenlijk zal ik eerst de geciteerde gedichten moeten lezen voordat er de uitleg van Van Lier op los gaat. Nu weet ik soms de strekking niet en begeef mij koud in de kennis van de schrijver. Hij weet mijn onkunde te omzeilen door op een leesbare manier te schrijven. Hij verlaagt voor mij drempels, opent deuren. Ik krijg een inkijk in de filosofisch getinte poëzie. Maar het is slechts een glimp van waarde, de echte parels blijven in de schelpen. Ik zal mij de albums aanschaffen, mij inlezen in de overgenomen en toegewijd uitgeweide poëzie. Om zo de hogere dichtkunst mij enigszins eigen te maken. In het verweer schoot Peter van Lier met scherp en raakte wat mij betreft doel.

    Geachte afwezigen, Het verweer van de poëzie. Peter van Lier. Poëziecentrum, 2017.

  • Eigengereid beelden van Zoltin Peeter heeft ruimte in een boek

    Hij is een vreemde eend in de bijt. Voor zover je de kunstenaar als eend kunt benoemen en de kunstwereld als bijt betitelen. Hij sloeg zelf dat wak in het harde vakgebied. Geboren in de oorlog als Peter Zwier, de zoon van kunstschilder Dick Zwier. Omdat hij niet de zoon van wil zijn, en de Zwier-werken niet verward worden, laat hij zich vanaf dat moment Zoltin Peeter noemen. Het is de tijd na de middelbare school, wanneer hij het kunstnijverheidsonderwijs gaat volgen. Maar voordien valt zijn talent al op, dat door zijn ouders is gestimuleerd. Peter is een geboren kunstenaar, voor de kunst in de wieg gelegd, het is zijn bestemming. De kunst is zijn leven.

    Dus natuurlijk wint hij prijzen in tekenwedstrijden. De kenners zien een begaafde jongen in hem, die aan het begin staat van een belangrijke carrière. De kunstacademie maakte hij niet af. Peeter kan niet tegen de schoolse atmosfeer, de presentielijst, de toegepaste kunst. Het is 1963. Het is het begin van een eigenwijs pad in de kunst. Op eigen kracht gaat hij zichzelf het vak eigen maken. Ambachtelijke kennis had hij wel opgedaan aan de academie. Maar de techniek zet hij naar zijn eigen hand.

    Eigen grammatica ontwikkelen

    Zo is het formaat van de etsplaten, want hij is voor eerst en al een graficus, die passen op de pers te beperkt voor hem. Hij plakt verschillende zinkplaten aan elkaar, zodat het zijn horizon verbreedt en er lange rechthoekige afbeeldingen ontstaan. Toen al in een eigen beeldtaal, nauwelijks beïnvloedt door bestaande waarden en normen in de kunst. Peeter heeft er succes mee, maar het gaat hem te makkelijk af vindt hij. Men is lovend over het werk van dit jonge talent en het hangt meteen al in gerenommeerde musea. Hij wordt de hemel in geprezen bij wijze van spreken. Het benauwt hem. De jonge kunstenaar verlaat deze smeltkroes om voor een korte tijd zijn tent op te slaan bij de zuiderburen. Geldgebrek drijft hem terug Nederland in.

    Zoltin experimenteert met licht en schaduw in wiskundige vormen. Eerst op papier, later in de ruimte. En weer zijn de kenners enthousiast. In 1976 verlaat hij voorgoed de drukke randstad om naar het stille Friesland te vertrekken. Eerst in een klein huis, later kan hij een grote boerderij op het platteland betrekken. In het Friese ontwikkelt de eigen beeldtaal, kristalliseert uit. Maar Peeter blijft zijn hele leven bezig een eigen grammatica te ontwikkelen. Hij probeert al experimenterend grip te krijgen op zijn werk, de beeldtaal vast te houden om er een verhaal mee te kunnen vertellen. Die taal krijgt gaandeweg minder woorden, het beschreven blad heeft steeds meer lege ruimte nodig om beter aan te spreken. Van de wilde hond die hij was in zijn beginjaren, heeft hij zichzelf getemd om als gedomesticeerd wezen ijle kunstwerken te maken. Zijn taal is verfijnd en spreekt met een handvol letters duidelijk aan.

    Het soortelijk gewicht van de verbeelding

    Het staat allemaal beschreven in het dikke boek ‘ZOLTIN PEETER, tussen romantiek en modernisme‘. Zijn ganse biografie als kunstenaar. Door journalist Dirk van Ginkel, die nauwgezet het leven en werk van Zoltin Peeter belicht. Fotograaf Dolph Kessler, bij leven als testamentair executeur aangewezen door de kunstenaar, is initiatiefnemer van het boek. Zoltin Peeter liet zich ruim twee jaar geleden euthaniseren, nadat vier maanden daarvoor een ongeneeslijke keelkanker was gediagnosticeerd. Kessler zet Peeter in kunsthistorisch perspectief, terwijl dichter en schrijver Peter van Lier voor het boek een essay schrijft met als titel “het soortelijk gewicht van de verbeelding”. Hij bekijkt een gene zijde in de biografie en zet Peeter neer als romantisch modernist. Verder is de dikke pil gevuld met een greep uit het omvangrijke oeuvre van de kunstenaar. Vanaf het prille begin tot het laatste werk voor het moment van zijn dood. In het boek is dat, naast de vele etsen, tekeningen en objecten, stijlvol gesymboliseerd in een krantenartikel over zijn deelname aan de vijfde Parijse Biënnale en de laatste tekening op zijn eigen rouwkaart.

    En dan die vreemde eend. Zoltin Peeter koos zelf voor een plek buiten de kunstwereld. Met zijn uiterst persoonlijke werk, wars van stromingen maar wel onder invloed van heersende ismen. En met zijn woonplek buiten de randstad. Eerst al door van het westen naar het noorden te trekken. Van de omgeving waar je moet zijn om alles te beleven, naar een rustige plek ver weg van deze opgeblazen wereld. Hij interesseert zich niet langer voor het werk van vakgenoten, maar is vooral benieuwd naar wat er in zijn eigen atelier ontstaat. Van diverse reizen naar Noorwegen en IJsland komt hij terug met stapels tekeningen en de fascinatie voor stromend en dynamisch vallend water.

    Een vorm van hardop denken

    Ter plaatse maakt hij kleine schetsen in boekjes om een eerste indruk van de omgeving vast te leggen. “Tekenen is de snelste manier om een entree te vinden in een grote hoeveelheid materiaal. (…) Het tekenen is vooral belangrijk op het moment zelf, als een vorm van hardop denken.” Deze kladvormen worden later of zelfs al tijdens de reis, opgezet in grotere tekeningen terwijl hij thuis in het atelier op metershoge vlakken een en ander verder uitwerkt. Zo groot als de man lang is, om de beeltenis nog te kunnen reiken binnen de kaders van het papier. Het zijn eigenaardige uitingen die van top tot teen de emotie van de maker verbeelden. In een beeldtaal die zijn weerga niet kent.

    Het boek geeft een goed beeld van het werk, en in mindere mate maar toch vrijwel compleet van het leven van deze bijzondere eigengereide kunstenaar. Een lijvig naslagwerk waarin de lezer, of beter de kijker, stapsgewijs wordt ingevoerd in de geheimen van de abstracte uitingen van Zoltin Peeter. Want emotie is niet te beelden, niet anders dan op de manier die deze kunstenaar heeft gedaan. Daarom is het niet altijd even gemakkelijk het werk te doorgronden. Naast de etsen en tekeningen, die het grootste aandeel in de uitgave hebben, zijn er een groot aantal objecten en installaties in beeld gebracht. Objecten uit restmateriaal, maar even ijl en veelzeggend in uiting: minder is meer. Daarnaast zijn in het boek nog foto’s uit de oude doos en momentopnames van atelier en werkruimte opgenomen. Het boek wil niet volledig zijn, maar geeft toch wel hoegenaamd een afgerond beeld. Wie het doorbladert kijkt in de geest van deze kunstenaar. Veel van de composities zijn echter verloren gegaan, omdat Zoltin de laatste weken voor zijn dood zelf een selectie heeft gemaakt uit zijn werk. De tekeningen en objecten die Peeter niet zo belangrijk vond om te bewaren gingen in de vuilcontainer. Uit de grote hoeveelheid aan werken die mochten behouden blijven heeft de samensteller van het boek nog een keuze gemaakt. Deze mogen dus als representatief voor het totale werk van Zoltin Peeter beschouwd worden.

    Een persoonlijk werkstuk

    Een twee maanden voor zijn sterven in mei 2019 mocht ik Zoltin samen met Han Steenbruggen van Museum Belvédère een morgen lang bezoeken. Om de audio van een interview vast te leggen, en om in en rondom de boerderij video-opnames te maken. Voor een korte film die ik later maakte over leven en werk van de kunstenaar in opdracht van het museum. In vogelvlucht door zijn leven, in eigen woorden door zijn werk. Relativerend met een snuf humor, maar ook de eigen plaats in de kunst wetend. Als buitenstaander, einzelgänger, kijkend naar de kunstwereld en de bobo’s daarin. Het is een persoonlijk werkstuk geworden. Ik kende Zoltin Peeter voordien niet anders dan van openingen voor tentoonstellingen, want interesseerde het werk van anderen hem in mindere mate een vernissage liet hij zich niet ontgaan. Een gedenkwaardig bezoek derhalve. Later sprak ik hem nog toen hij aanwijzingen gaf bij de inrichting van een kabinet van Museum Belvédère met zijn werk. Het bleek later één van zijn laatste openbare acties te zijn.

    Ooit beschouwde ik onder de kop ‘De boodschappenlijstjes van Zoltin Peeter’ zijn werk in de tentoonstelling ‘het oog dient te reizen’ bij Galerie Hoogenbosch op dit weblog. Onder meer schreef ik het volgende: “Geven de tekeningen meer duidelijkheden prijs, dan is het mysterie verdwenen. Teveel werkelijkheid biedt houvast, waardoor het een emotioneel kijken in de weg staat. Dan kan de realiteit de kijker op het verkeerde been zetten, en struikel ik over de hoge drempel zo het wonderlijke atelier van Zoltin Peeter in. Als speler in een spel, pion op het bord. Peeter dobbelt en zet de lijnen uit, markeert het pad waarlangs ik mijn idee laat afdwalen. Voel warmte bij het doek als drager en een koude rilling bij werk op papier. De kunstenaar speelt met het tastbare gevoel en de voelbare emotie van zijn toeschouwer. En ik laat het toe, laat mezelf gaan in mijn kijken, mijn zien. Het is een belevenis!” En het boek ZOLTIN PEETER is een belevenis. Het stond al een jaar in mijn kast, maar er was telkens maar geen goede gelegenheid het te bespreken. Die is er nu wel bij de uitzending van de documentaire over deze kunstenaar dit laatste weekend van oktober op NPO2 en Omrop Fryslân. En op vijf plekken in Nederland zijn kleine verkooppunten van het werk van Zoltin ingericht. Het boek is dus actueel nu, uitgegeven door het ZP Fonds dat de nalatenschap van de kunstenaar beheert en de vreemde eend binnen de bijt houdt.

    ZOLTIN PEETER, tussen romantiek en modernisme. Teksten van Dirk van Ginkel, Dolph Kessler en Peter van Lier. Uitgave Mauritsheech Publishers, 2020.

  • De onbeduidende handreikingen van Peter van Lier verklaren

    Peter van Lier is een Fries van buiten. Hij is import, maar voelt zich daar al bijna 18 jaar thuis, in dat Friesland. Wonend tegen de zeedijk, in het meest noordelijke deel van de provincie, inspireert het weidse uitzicht over de Wadden hem in zijn poëzie. Tijdens lange voettochten door het Noorderleech dwalen zijn gedachten af naar verre einders en lege velden. Al filosoferend  over dit en dat, zus en zo, deze en gene komen de lyrische regels als vanzelf in hem op en naar boven. Hij beschrijft zijn denken in de moedertaal, het Nederlands. Doet dit reeds jaren lang, dus is het tijd voor een overzicht van dat alles, een bloemlezing over en uit zijn kunnen. Zelf heeft hij dus de mooiste bloemen geplukt uit zijn aangelegde tuin. Van planten die dit vroege voorjaar of dat late najaar werden gezaaid. Een boeket dat geurt en kleurt.

    Peter van Lier voelt zich een Friese dichter, hoewel hij zich een Fries fan utens weet. Een buitenlander, dus. Het karakter van zijn poëzie maakt hem echter tot Fries poëet. Het is weids en landelijk zonder belemmering op uitzicht en blikveld. Want dat landschap beïnvloedt zijn gedachten in het dichten. Hij neemt geen blad voor de mond, want zijn taal moet open zijn zoals de omgeving overzichtelijk is. Alles kan gezien, alles is geschreven. Maar de dichter kijkt niet over het veld, ziet niet de hoge luchten en de verre einder. Hij vleit zich in het gras, kruipt tussen het riet en waadt over het wad. Daardoor valt hem het detail in het grote geheel op. Ziet hij het kleinste klein en schrijft daar het liefste lief over. Zo is zijn ruimte afgemeten, maar hij ontloopt de onmetelijkheid niet. Zijn poëzie is handzaam, omdat het over gewone zaken gaat. Het zijn de kleine dingen die het hem doen.

    Kleine dingen langs het leven

    In de uitgave “Minieme gebaren” is de groei in inhoud en vorm naar de genoemde Friese stijl goed te volgen. In de bundel vind ik geselecteerde gedichten van de jaren 1995 tot 2020. De eerste series nog als Nederlander in het westen. Met zinnen die beschrijvend door de regels lopen. Filosoferend over de meest kleine dingen langs het leven. Datgene wat in een druk bestaan nauwelijks nog wordt opgemerkt zet Van Lier te kijk in zijn beeldende gedichten. Het is kijken en observeren, dàt waarnemen wat gewoon lijkt dus ongewoon is beschreven om het op te laten merken.

    Peter van Lier, dichtbundel, Meulenhoff

    Peter van Lier leert mij door zijn woorden anders te kijken, beter te zien. Van Lier is filosoof en dat valt op te merken in de manier waarop hij zijn omgeving beschrijft. Diepe gedachten, dubbele bodems, meerdere lagen. Maar ook wel recht door zee, pal op het doel af. Onomwonden, geen filosofie maar een duidelijke mening. Maar meestentijds mijmert hij en peinst, beschouwd en bespiegeld met als uitkomst abstracte verzen waarin de wereld wijsgerig is beredeneerd. Mijn zijn kan ik daar op reflecteren om een levensbeschouwing teruggekaatst te krijgen.

    Op het detail letten

    Gaandeweg de bundel wordt de blik meer landelijk. Zit de dichter niet meer op de knieën onder het struikgebladerte te turen, maar kijkt uit over het weidse landschap om daarin het detail te bemerken. Hij maakt zich op noordwaarts te vertrekken. Een leeg en onherbergzaam landschap op te zoeken, de uitgestrekte openheid die zijn zinnen zullen prikkelen. Hij, en ik, ziet dat “vooral terug in de vorm van mijn gedichten: regelafbrekingen en witregels maken het geheel meer open; en de soms geïsoleerde positie van de woorden daarin komt overeen met de afzonderlijke vormen in het land om mij heen.” Peter van Lier ademt de Friese sfeer; hij snuift de geur, beziet het veld en hoort de stilte. Nog telkens let hij op het detail, wordt hij gewaar de minieme bewegingen van het leven. Dat maakt hij groots in zijn gedichten, zodat ik mijn Friesland (jaja, ik ben er zo één) voortaan beter waardeer en anders bekijk.

    Peter van Lier, dichtbundel

    Natuurlijk is deze poëzie op elk mogelijke plek, waar dan ook, te situeren. Het is niet gebonden aan hier, maar kan ook aan elders worden gerelateerd. De dichter heeft lijfelijk onderdak in het Friese gevonden en gaandeweg hebben zijn gedachten zich ook in de provincie gevestigd. Maar zijn besef blijft werelds. In zijn gedichten kijkt hij over landsgrenzen heen. Beziet de aarde verder dan voorbij de horizon. Zijn gedachten kunnen van elke plaats en alle tijd zijn. Lees ik de bundel door dan merk ik de groei, voel ik de wind, ervaar ik het landschap. Het land en de zee die over de dijk zich voor zijn ogen uitspreiden. Dat uitzicht moet voor Peter van Lier een openbaring zijn geweest, een inzicht dat er meer is dan de grote stad waar de blik zijn beperkingen kent. Er moet een wereld voor hem zijn  open gegaan toen hij die oude melkfabriek in Marrum als onderkomen vond. Daar staat hij bij wijze van spreken op het dak van de wereld en heeft op heldere dagen uitzicht tot voorbij Ameland.

    Nieuw dichtwerk op oude woorden

    De bundel “Minieme gebaren” is tweetalig. Een experiment hoe de poëtische kracht van de woorden in de Friese taal nog overeind blijft. Elske Schotanus heeft daar goed werk gedaan in haar vertalingen. Maar het zijn toch minder de gedachten van Peter van Lier gebleven. De Fries van buiten verstaat de taal, maar leest en schrijft het niet en zal het ook niet denken. Het is niet eenvoudig om dan de bestaande woorden in een andere taal evenveel kracht mee te geven. Eigenlijk heeft Schotanus nieuw dichtwerk gemaakt op de woorden van Van Lier. Een hertaling dus, maar nauw schurend aan de bestaande woorden. De uitspraken in het Fries zijn veelal meer poëtisch dan het van oorsprong Nederlands. Op andere momenten heeft het Fries kracht en staat het Nederlands erbij in de schaduw. Somtijds liggen de vertalingen daarom smakelijker in de mond dan het oorspronkelijke gedicht. Maar dan dien je de Friese taal wel machtig te zijn, want anders is dat gevoel er niet.

    Peter van Lier, dichtbundel, Wereldbibliotheek

    De bundel lezende vallen mij dingen op, schuif ik opmerkingen tussen de bladzijden. Word ik geprikkeld, het zet mij aan tot onderzoek. Bijvoorbeeld door “Psalm 68”. Eerst al omdat ik een afgebroken zin lees en nog eens lees, het klopt niet maar toch klopt het. Dat is op diverse plekken het geval in de poëzie van Van Lier, het deugt niet maar toch is het juist. Maar die psalm, als mens met een achtergrond wil ik dat inspecteren en analyseren. Het citaat “Bedreig het gedierte in het riet” (vers 31) is gehaald uit de vertaling die het Nederlands Bijbel Genootschap in 1951 maakte. De Statenvertaling van 1773 spreekt van “Scheld het wild gedierte des riets” en de Basisbijbel schrijft “Bedreig Egypte, dat land tussen het riet van de Nijl”. Want dat laatste is waar die wilde dieren langs de oever symbool voor staan. Ofwel de koning van Egypte die een hof heeft aan de rivier. Tot zover deze Bijbelse les. Van Lier interpreteert de quote als een bedreiging van de natuur door de mens. Door geen acht te slaan op het advies, aanhaling plus het woord ‘niet’ op de volgende regel, haalt hij zich het stilzwijgen van de rietbewoners op de hals.

    Representatieve dwarsdoorsnede

    Na de “Dierepsalmen” waaieren de zinnen over de bladspiegel. En in 2020 bij “Af, op, in” dansen de woorden letterlijk over het papier. De verzen worden uit elkaar getrokken om bepaalde zinsneden extra aandacht te geven. Verduidelijkingen op de tekst worden tussen haken bijgeschreven, maar soms zetten deze mij ook op een verkeerd been. Ze stemmen in ieder geval tot nadenken. Sociale recepten wisselen af met praatjes van de leugenbank. Emotionele gedichten die de mens tonen achter deze bundel. “Hoe je moeder bij te staan in het ziekenhuis” komt dichtbij. “Hoe help je een vriend die sterven gaat” beschrijft wel heel herkenbaar de vriend, omdat ik weet over wie het gaat.

    Peter van Lier
    Peter van Lier

    Peter van Lier laat in de bundel “Minieme gebaren” zich als dichter van diverse kanten zien. Het is een representatieve dwarsdoorsnede van de dichter/filosoof. Met een kwinkslag, maar ook door het tonen van zijn gevoel. Hij doet dat niet op de orthodoxe manier van dichten, maar laat de regels in verzen vrijelijk over de dichtstukken bewegen. Zijn poëzie neigt naar abstractie, maar de zinnen zijn niet onsamenhangend – de emotie is geen object. Ik wil de gedichten wel weer lezen en nog eens, niet om de kern helder te krijgen maar omdat ze zo prettig poëtisch op papier staan.

    Minieme gebaren / Minym ferweech. Gedichten Peter van Lier. Friese vertaling Elske Schotanus. Uitgave Afûk Leeuwarden, 2022.

    Peter van Lier, dichtbundel, Afûk
  • De twee-eenheid van beeld en taal in fanzine “Red Boy”

    Het is het befaamde kip-en-eiprobleem. Wie of wat was er eerder. Dat ei of die kip. Wat is de oorzaak en welke is het gevolg. De retorische vraagstelling zou terug geredeneerd kunnen worden naar het vermeende scheppingsverhaal, waarbij de schepper de kip op de wereld zet en meteen ook op haar eieren in het nest plaatst. Dus. Zonder A is er geen B, zonder kip er geen ei is. Terwijl zonder B er geen A is, zonder ei is er geen kip. Maar deze kringverhouding doet er in dit geval niet toe. Het betreft hier de tekening en het gedicht. Deze horen in de uitgave FANZINE “RED BOY” onlosmakelijk bij elkaar. Zoals de kip en het ei, de moeder en haar kind. Het is samen ontstaan, na elkaar, door elkaar, voor elkaar. Misschien op een ander tijdstip. Maar het één maakt deel uit van het ander, en andersom.

    Expressief magische tekeningen

    Kunstenaar/duizendpoot B.C. Epker speelt zelf de hoofdrol in het voor de uitgave vormgegeven beeldverhaal. Is hij het Chinese karakter uit de 16e eeuwse roman ‘Reis naar het Westen”, beschermer van de Vurige Bergen omdat hij superieure vaardigheden had op het gebied van vuur. Of geeft hij vorm aan de vorig jaar vermoorde rapper, die in zijn auto werd beschoten toen hij een Instagram filmpje aan het opnemen was. Aanleiding voor deze beide Red Boy personages geeft de uitgave niet. In het boekje vind ik veel water en geen vuur, en nergens vind ik dreadlocks of lange vlechten of een streepje muziek.

    Wel figureert Epker als het getekende alter ego dat door dichter/essayist Peter van Lier in poëzie is geduid. Maar zoals hierboven omschreven in de kip-en-ei metafoor kan het zijn dat de tekst de ondertiteling is van het beeld. Zoals de woorden in een stripverhaal ten dienste staan van de plaatjes. In dit onderhavige geval bekijk ik de expressief magische tekeningen die een sprookjesachtige filmische wereld laten zien. De ingekleurde tekeningen, want de boy is red en wil daar graag voor uit komen. Rood als de opgeblazen kikker die zich druk maakt om de wereld waarin hij leeft, het decor van het toneel waarop de man als jongen acteert. Of rood van schaamte juist omdat hij deel uitmaakt van die wereld die hij never nooit niet naar zijn hand kan zetten, maar het toch onverzettelijk probeert.

    De platen geven al details van het verhaal prijs, dat ikzelf nog kan aanvullen met hoe de naakte hoofdrolspeler op mij overkomt. Epker is de kunstenaar die een sfeer neerlegt, een stemming waarin ik mee kan voelen of die me tegen staat. Kunst kan veel met mijn gemoed doen. Het kan een positieve reactie oproepen, maar een negatieve gedachte is ook een toestand. Het doet wat, het laat niet los. De tekeningen zijn in eerstens parabel achtige verhalen gevat in beelden met onder meer zeemonsters, vliegende vissen en slagschepen. Gaandeweg het fanzine raakt het lichaam van de man met de oogopslag van de kunstenaar meer bedekt, verliest het figuur de droombeelden en stevent af op de realiteit. De dwaalgasten probeert hij te vermorzelen en de werkelijkheid is een schip dat stuurloos op de golven drijft. Uiteindelijk eindigt de tocht zoals het is begonnen. De vluchteling gedumpt op de kade van de visafslag, niet wetend waar en hoe zijn leven een begin en einde geeft. Tot slot wordt hij, na omzwervingen als Odysseus in een nautisch gedachtengoed, gevangen in zijn eigen net van hersenspinsels.

    fanzine, B.C. Epker, Peter van Lier

    De tekst onder het beeld meandert in een abstract poëtische vorm. In deze woord-beeldcombinatie dus links ernaast, bij het blad omslaan is de tekening het eerste element dat de blik vangt en lijkt als zodanig meer waardevol. Het zijn kleurige verzen van een enkele regel, waarbij de woorden over de bladspiegel zijn uitgestrooid. De tekstopmaak is levendig en wisselt spontaan van lettergrootte, woorden zijn cursief afgedrukt of is er een streep gezet door de uitdrukking. En door een tekstvak te kleuren of letters een tint te geven probeert de dichter de platte tekst meer leesbaar te maken, of althans zijn bedoeling met de instabiele zin duidelijk te weten. De tekst prikkelt de gedachte. Mijn denken wordt naast het kijken in werking gezet. Niet altijd is de weg van het woord te volgen, lijkt het beeld meer te verduidelijken.

    Sage van een idealist

    Dat beeld is figuratief en realistisch, maar onder het gras zit een venijnige adder. Wat ik zie is de weergave van een gedachte, een hertaling uit de geest. Droombeelden opgedaan in een reis over een denkbeeldige zee waar woorden zwemmend spartelen om een maritieme legende over te brengen. Een sage waarin B.C. zich vergeeld uitschot denkt, een supermens weet die op walvis jaagt en de rug van een meerval bestijgt, de zeegod die vrouw en kind liefheeft, kapitein is, Elvis speelt en pierlala verkleedt. Uit schaamte van ergernis en nijd is hij geen boeman. Hij is een idealist die in een fabeldier een stoeipoes ziet. In vissersdromen denkt hij zich de wonderbaarlijk Bijbelse visvangst aan de horizon en laat zich die Hollandse nieuwe wel smaken. “Showbink dan? Heupwiegend elk spookbeeld in slagschaduw fileren tot groupie.”

    fanzine, B.C. Epker, Peter van Lier

    Het Fanzine “Red Boy” is een geschrift dat een waterige blik werpt op het leven hier en nu. Maar wanneer ik mijn ogen uitwrijf zie ik duidelijk aanklacht in weemoed, verzuchting in herinnering. Het beschrijft voor de liefhebbers van beeldtaal in taalbeeld de schijnbaar onwerkelijke avonturen van een fenomenaal fantast. In de gelaagde poëzie lijken de zinnen van a tot z te reizen, maar komen zelden uit op het eindpunt b. Vooraf schijnt de regel in realisme te verzanden, maar achteraf bezien blijkt een abstracte zin te zijn vastgelegd. Waarvan de betekenis me in eerste instantie ontgaat, maar na herlezing allengs duidelijk wordt. Het boekje is om fijn lustig te lezen en nog eens de woorden te wegen om een derde maal het gedicht te begrijpen en het beeld te doorzien. De tekeningen geven kijkplezier, in iedere plaat start ik een zoektocht naar strekking en inhoud. Niet meteen is de bedoeling duidelijk, net als de tekst meerduidig is. Maar wanneer ik door tekst en tekening tezamen vaste grond heb gekregen, heb ik voor deze woord- en beeldtaal geen tolk of woordenboek nodig.

    fanzine, B.C. Epker, Peter van Lier

    Eigenlijk, goed beschouwd, is de poëtische vertelling één doorlopend gedicht bestaande uit negentien regels. Het benut wel de esthetische en ritmische eigenschappen van taal, maar de letterlijke betekenis van de woorden dreigen onder te gaan in de maalstroom van filosofische gedachtenkronkels van deze dichter. Er is geen rijm, er is wel ritme. In de beeldspraak ligt ironie verscholen, die wordt onderstreept door de beeldtaal van de tekenaar. Beide kunsten zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden in deze uitgave. De één reageert op de ander, de ander verwijst naar de één. Tekst en tekening zijn verbonden, ze kunnen niet zonder elkaar. Iedere dubbele pagina is een tweeluik. De hele fanzine is een kruisgang van de in het leven vluchtende hoofdpersoon die zichzelf als zeeman de held waant. Met tegenstrijdige dubbele bodems probeert de gele man die in het zonlicht verkleurt tot rode duivel zijn doen en laten te duiden. Deze held is verleidelijk en schaamteloos en doet alles om te winnen. Zijn geestelijke vaders hebben zich verleidelijk aan mij opgedrongen en schaamteloos mijn aandacht gewonnen. Ik heb het gelezen en geef dat door!

    FANZINE “RED BOY”, Nederlandse editie. Tekeningen B.C. Epker. Poëzie Peter van Lier. Uitgeverij Hyperion Verlag, 2022.