Tag: poëzie

  • Wibo Kosters stemt de stad poëtisch op zijn gevoel

    Van het platteland, dat ben ik. Met een weids uitzicht over de velden. Het landschap overzichtelijk. Sloten tot de einder, zover het oog reikt. Niets staat mijn blik in de weg, of het zouden de bomenrijen in het coulisselandschap moeten zijn. Het decor van een achterland. Een omgeving dat met moeite een agglomeratie is. Een dorp kent geen stadsuitbreiding, het implodeert eerder. De mensen trekken er weg naar de drukte waar het gebeurt, komen terug wanneer de rust gezocht wordt. Weidse uitzichten trekken wanneer de einder verdwijnt achter meerdere etagehoge bouwwerken. De ruimte gezocht wanneer huizenrijen benauwend werken.

    Van buiten de stad dat ben ik. Ik versta een dialect die de tweede taal van het land genoemd is. En de grachtengordel is verder dan op steenworp afstand, de randstad niet binnen handbereik. Ik ben uitwoner van de stad. Daarom trekt dichter Wibo Kosters mij met zijn teksten tussen de bouwkunstige huizenblokken, de industriële gebouwen, de woontorens en wolkenkrabbers. Het oog reikt niet verder dan het verkeerslicht dat zelden op groen springt. De poëzie van de stad maakt mij inwoner, in gedachten. Het heeft alle schijn van een hersenspoeling, Kosters doet zijn best. De werkelijkheid is in zijn poëzie een abstract gegeven. Het absurdisme van hoge huizenbouw en overvolle parkeerplaatsen in vergelijking met mijn handzame lage landen met hier en daar een boerderij en een dorp rond een kerktoren schijnt afschrikwekkend.

    Wibo Kosters, inwoner, dichtbundel, poëzie

    Met zijn aandacht de omgeving zien

    Paradoxaal lijkt de dichter vanuit de poort van de Achterhoek naar de Koekstad te komen om er alleen te zijn, anoniem te zijn. Alleen staat niet voor rust, anoniem niet voor eenzaam. Tussen alle mensen die als mieren rondlopen kun jij je alleen voelen, niemand kent je en slaat acht, je bent anoniem. “langzaam groeit de stad / in mij / worden straten namen / gezichten mensen” Want wanneer jij de stad bent ken je het stratenplan als je broekzak, blijven gezichten niet anoniem, worden figuren personen. Geen randfiguren of figuranten, maar hoofdpersonen in jouw rolprent die een Oscar voor de meest creatieve regisseur verdient.

    Wibo Kosters noemt zijn dichtbundel “inwoner”. Het is zijn debuut als dichter. Daarin onderzoekt hij wat de stad maakt en wat het betekent daar te zijn. Hij woont in dit boek en ik kan er een tijdje verblijven. Medebewoner zijn, door zijn ogenblik naar de wereld kijken. Met zijn aandacht de omgeving zien. Ter illustratie van de teksten heeft kunstzinnige broer Bas Kosters simpel complexe tekeningen gemaakt, om niet te zeggen abstract naïeve schetsen. De huizenmannen doen mij denken aan blockheads (hit me with your rhythm stick resoneert tussen de lijnen). Blokhoofden in de diverse betekenissen van het woord. Een grijs huizenblok met rood puntdak vormt het hoofd. Een half open blik, een platte neus, de donkere wallen onder de ogen tekenen een uitgeputte indruk, een slaperig karakter. Maar het figuur moet wakker blijven, want de stad slaapt nooit. Er is altijd leven, nooit rust – zelfs in nachtelijk duister blijven mieren actief. Vandaar de omwallingen want de stad is een vermoeiend fenomeen.

    Wibo Kosters, inwoner, dichtbundel, poëzie, Bas Kosters, Neil Young

    Een gelaagde beschouwing

    De bundel is gedicht rond een song van Neil Young. ‘Ambulance Blues’ kreeg een nieuwe tekstuele jas, waar de albumhoes van ‘On the beach’ – de blues is daar onderdeel van – is gekopieerd met een blokhoofd die naast de schoenen loopt. Het motto van poetry slammer Kosters is een strofe van de Canadese zanger: “I am a lonely visitor / I came too late to cause a stir”. Kosters voelt zich zo’n eenzame bezoeker van de stad en loopt blind door de straten van zijn herinneringen. Al schrijvend en beschrijvend, peinzend en filosoferend, stil staan en turen, is hij te laat om opschudding te veroorzaken. Met zijn poëzie probeert Kosters de stemming nog enigszins te ontwrichten.

    De muzikant van oorsprong observeert en koppelt wat hij om zich heen ziet gebeuren aan zijn eigen geschiedenis en ontwikkeling. De bundel ‘inwoner’ is dan ook een autobiografie. Hij beschrijft zijn ervaringen van de straat, zijn gevoel tussen de huizen, zijn emotie als eenling in de stad. “ik lijk slechts een schim / achter een gordijn / in een gedicht”. Kosters zingt een vrolijke noot waarmee hij de toon zet in zijn gedichten. Het observeren en koppelen, zijn cynische kijk op de wereld, formuleert een humoristische ernst. De gedichten hebben een gelaagde beschouwing, waar bij herhaald lezen opeens het kwartje valt.

    Wibo Kosters, inwoner, dichtbundel, poëzie, Bas Kosters

    Mensen vluchten, gaan eropuit

    Hij verheerlijkt de stad niet, want merkt ook wel de onhebbelijkheden aan de lijve. Door zijn eigen leven erin te schrijven worden de gedichten wel persoonlijk van sfeer. Dan raap ik dat kwartje van de vloer en probeer me in zijn wezen te verplaatsen. De teksten zijn wel cryptisch van toon, maar heb ik de smaak te pakken doorzie ik het geheim van de poëzie, zijn poëzie. Kijk ik met andere ogen naar die grote stad, wordt ik in gedachten van provinciaal een stedeling. Zie ik de tekortkomingen en de achterlijkheden van het centrum. De gezelligheid en het plezier in kerk en kroeg tegen beter weten in. Merk ik hoe de dingen intermenselijk werken, dat op sociaal niveau er nog weleens steekjes vallen. In de stad ben je anoniem, soms onzichtbaar lijkt het wel. Ga je in de grote massa mee. Daarom vluchten mensen, gaan ze eropuit, naar het strand of halfpension in een schuildorp. De tumbleweed rolt niet door de straten, de wijken zijn niet verlaten – maar veelal is het gevoel daar wel, ben je eenzaam in de meute en wordt je meegevoerd door de stroom. Op weg naar onbekende verte. Maar hulp is onderweg.

    Het laatste deel in de bundel raakt het meest aan schrijvers persoonlijkheid. Het ontroert mij aandoenlijk. Dan is de lach van de grap uitgeklonken en grijnst de boer die kiespijn heeft. Dan wordt het leven serieus, omdat blijkt dat er een einde aan is. Kosters draait de sleutel in het slot en sluit af. Gezien het voorgaande prettig uit de toon valt, is het hier en nu meeslepend in mineur. Magere Hein klopt aan de deur en wanneer je eens hebt open gedaan klinken de woorden bekend in de oren: “je glipte weg terwijl de een sliep en de ander buiten rookte / en op dat moment bleven / je lijden / hoop / wijsheid en alles wat verborgen was geweest / verborgen” om af te sluiten met “misschien hoorde je een laatste lied op je hemelse ontvangst / dat moeten we ons hele leven zoeken / door de knoppen ergens tussen de zenders te draaien”. Kosters draait zijn ontvanger echter op majeur en laat zijn bundel niet triest eindigen. Er is immers hulp onderweg en het koninkrijk van de stad ligt open voor dochterlief, zij groeit van prinses tot koningin.

    Wibo Kosters, inwoner, dichtbundel, poëzie

    En ik ga naar huis en sluit dit stukje af met leven dat verstoft, verbrandde turf dat verwaait in de wind om de hoek van de straat. Dit mij meest dierbare vers uit de bundel wil ik de lezer hier niet onthouden. Het is zo herkenbaar, zo algemeen en toch persoonlijk. Het maakt een stemming, stemt het gemoed af, er is geen vals gevoel in – de andere overigens niet tekort gedaan: “ik kom je as halen / omdat niemand zich er / raad mee weet /  / het zit in een neutrale kartonnen dood / die een geschenkverpakking voor wijn lijkt /  / ik pak je uit en maak / een selfie met je asbeker / whatsapp mijn broers / dat we een eindje gaan rijden / doe je een veiligheidsgordel om /  / thuis zet ik je op zolder / met een asbak en een blikje bier / ik sluit af en rijd / met alle mogelijke omwegen naar huis”

    inwoner, Wibo Kosters, gedichten. Bas Kosters, illustraties. Uitgeverij Anderszins, 2018.

  • Mijn kop blijft aan bij de poëzie van Peter van Lier

    In eerste ontmoeting met de titel “kop blijf aan” moest ik van mijzelf denken aan dementie en alzheimer, hot-items bij het ras vergrijzende Nederland. Maar begaf ik mij in de inhoud van de dichtbundel van Peter van Lier met dat opschrift “KOP  BLIJF  AAN”, probeerde ik de tekst tot mij te nemen, begreep ik meer van de keuze voor deze titel. Je moet je kop erbij houden om de hersenspinsels van de dichter te lezen. Om het te begrijpen moet je kop aan blijven. Open staan voor wat je leest. Je zeker niet laten afleiden door prikkels en ruis, het wezen zo eigen.

    De zinnen zijn geen regels, de woorden gaan een eigen weg over de bladspiegel. De strekking van het verhaal, want dat is het toch wat Van Lier in het kort in ieder vers wil zeggen, wordt versterkt met duidingen tussen haakjes. Net alsof het geheel verduidelijkt moet worden, aangedikt. Overbodige informatie? Zeker niet, het tussen haken zetten heeft juist meer gewicht. Zo krijgt die toevoeging expliciet aandacht. Het is een aanvulling op de tekst of beter een commentaar. Het geeft het gedicht een luchtig karakter, de ernst is doorspekt met humor zoals doorregen biefstuk lekker sappig is of gorgonzola heerlijk kruidig.

    Ondoordachte opzet van doordachte tekst

    Op de kaft van de bundel zie ik een wirwar van rechte lijnen in wit op zwart met accenten rood. Een illustratie die veel weg heeft van zenuwprikkels, de communicatie in het lichaam zodat het kan handelen. Wanneer de kop aan blijft en ik me begeef in de bundel ziet mijn brein er zo ongeveer uit, stel ik me voor. Het is eerstens al een zenuwslopende aanblik, tot bloedens toe volg ik met de ogen de lijnen. Wat verbinden deze, welke informatie wordt overgebracht. Het verbeeldt de natuurlijke bronnen die in de bundel beschreven zijn.

    Gaandeweg lees ik me in, in de zin van dat ik de stijl van de dichter begin te begrijpen. Het opschrift dat vetgedrukt boven het vers staat is niet de titel, maar de eerste regel ervan. De regels waaieren vervolgens over de bladspiegel. Een enkel woord krijgt, zich los gemorreld, extra aandacht. Het lijkt een enigszins ondoordachte opzet van een doordachte tekst, maar er valt een vast stramien in de verschillende gedichten te ontdekken. Het past in een format zogezegd. En het is daarin gegoten.

    Van Lier observeert het leven

    Tot zover de technische kant. Het gaat in deze poëzie natuurlijk om de emotie, in welke vorm dat is gegoten blijft bijzaak. Peter van Lier brengt een ode aan alledaagse zaken. Zaken die zo raken ondergesneeuwd door de loop der dingen en verdwijnen in het drijfzand van de tijdgeest. Emotie is de drijfveer, maar wordt in het openbaar nauwelijks beleden. De gedichten tillen op van de metaforen. Handelingen erin genoemd worden gespiegeld zodat ik me er mogelijk in kan herkennen. Wat staat geschreven heeft overigens over het algemeen een andere duiding dan de aanvaarde betekenis. Op die manier worden de dagelijkse zaken uit het normale getrokken om abnormaal te lijken. Maar het zijn gebeurtenissen van 13 in een dozijn. Heel gangbaar, heel neutraal. Maar worden bijzonder in de woorden van de dichter.

    Hij is een filosoof, vriend van de wijsheid, studeerde kennis. Om diepere vragen over het leven, de werkelijkheid en menselijke ervaring te begrijpen en te beantwoorden kijkt hij dus met een andere blik tegen het zijn aan. Die zienswijze en deze denkwijze kan hij niet kwijt in de authentieke dichtkunst en het zuivere rijmschema. Van Lier observeert het wezen. In een stijl die minimaal maar duidelijk in woordbeeld laat zien hoe hij in de wereld staat. Poëzie kortom waarin nauwkeurige waarneming, verwondering en filosofisch denken samenkomen. Het past niet echt in een vakje, maar wil ik het in een hokje wringen dan kan ik schrijven dat de poëzie van Peter van Lier axiomatisch van aard is: zij stelt vast, zonder bewijs, en laat het denken aan mij. En ik moet er wat van denken, iets van vinden. Ik ben geen normale lezer zoals een ieder die zich de bundel van Van Lier eigen maakt. Ik lees met een ondertoon. En wanneer ik dan de juiste toon heb gezet, de vrolijke noot correct aanvoel, dan kan ik mij een mening vormen en over de bundel mijn licht laten schijnen.

    Citaat

    Hij komt naast mij staan en wijst me op de elementen die zijn wereld kleuren en duiden. Op welke manier ik volgens hem de omgeving geschetst in poëzie kan benaderen en bewonderen. Dat is niet die van de rijmelarij, maar van de poëzie met een grote P. De dichter die de werkelijkheid buiten de realiteit beziet en in eigen ervaringstaal omschrijft. Daar kan ik op eigen houtje een weg in vinden, echter Van Lier reikt mij een gids aan zodat ik niet zal verdwalen in taal en betekenis”, citeer ik mijzelf uit een bespreking van een eerder boek van Van Lier. En dat is nog voortdurend steekhoudend, zij het dat hij toen schrijver was en nu dichter is.

    Aha-erlebnis

    Schreef ik al dat de woorden over het papier waaieren, vooral in de paragraaf “met enig houvast” dansen deze letterlijk over de pagina’s. Er lijkt echter geen houvast te zijn totdat ik de spelregels van het spel doorheb en begrijp. Die ‘aha-erlebnis‘ brengt een vrolijke sfeer in. Ik heb niet de oplossing, maar heb wel inzicht. Maar de tekst zoals deze door Peter van Lier is vorm gegeven laat zich niet uitspreken, voorlezen. In mijn verslag van de presentatie van onderhavige bundel merkte ik dat al op: “Poëzie zal niet voorgelezen worden, gedichten moeten gelezen zijn. Bij het voorlezen gaan woorden verloren, gedachten krijgen geen ruimte. (…) Op gelegenheden dat dichters samenkomen en zichzelf met hun werk aan toehoorders presenteren, verdwijnt het mysterie van de poëzie.”

    Ik probeer op deze plek de schrijfwijze te duiden, maar vraag mij tegelijk af of dat zinvol is. Als beschouwer tracht ik een toelichting te geven, in de hoop de inhoud van een besproken boek toegankelijker te maken. Maar moet ik op die stoel gaan zitten om dit mysterie op te lossen? Verdwijnt de magie wanneer het systeem dan blootligt? Deze poëzie is geen rebus. Abstracte kunst laat zich niet uitleggen – zij is er. Dat is voldoende. Dat moet genoeg zijn. De dichter heeft zijn wezen in woorden gelegd. Dat cryptogram kan ik ontrafelen, maar even goed kan elke andere lezer tot een tegengestelde uitleg komen. Aanpassen en inpassen, het gedicht schikt zich naar de eigen gewaarwording, laat zich opnemen in de persoonlijke ervaring. Kunst is emotie, abstractie is gevoel, axiomatisch is een reden.

    Tegenwoordige tijd

    KOP  BLIJF  AAN” is een bloemlezing uit eerder verschenen bundels. Maar nergens is datering en niets is gedateerd. Of het zal het moment zijn na de pandemie dat mensen weer naar buiten mogen en zich gedragen als koeien in de lente losgelaten uit de stal: “hek open, kudde los” / “Daar staan we dan, onwennig”. Het gedicht leest actueel, de gedichten laten zich modern lezen, van deze tegenwoordige tijd. Zijn wezen, dat van Peter van Lier, lijkt eeuwig – is geen dooddoener. Van onpeilbare waarde om aan vast te houden. En dat is zelfreflectie, want die kop moet aanblijven. Uit die kop komt de idee tot bloei, maar het moet het wel blijven doen.

    In mijn bespreking over het boek “Geachte afwezigen” van Peter van Lier uit 2017 merkte ik al op dat zijn poëzie er is en gewoon mag zijn. Het heette een verweer van de poëzie te zijn, maar de dichter hoeft de gedichten niet te verantwoorden. “Van Lier hoeft zich als dichter niet te verdedigen voor het dichtwerk”, schreef ik. “Het is veeleer een eerbetoon aan het vrije vers, de moderne poëzie. Deze dichtkunst heeft een grond, een groei en een bloei. (…) Ik kan een lange wandeling met de schrijver ervan meedenken, maar soms slaat hij een pad in dat mij welhaast doet verdwalen. Ik raak hem kwijt, tast in het niets buiten de werkelijkheid, maar hij vindt mij terug binnen woorden die zijn zinnen vormen. Waar ik de richting kwijt ben en telkens op een doodlopende weg stuit, neemt hij mij in zijn tekst weer bij de hand en leidt mij bijdehand terug op het juiste pad.”

    KOP  BLIJF  AAN  Peter van Lier, gedichten. Uitgeverij Opwenteling, 2025.

  • Er piest een engeltje me op de tong bij de poëzie van sadà

    Waren deel 1 en deel 3 uit de Nartiden Reeks van Stichting Narteks op zich al verzamelobjecten, het deel 2 is dat ongetwijfeld zeker. Alle delen in beperkte oplage gedrukt zijn met de hand gemaakt. Van de figuratieve en typografische linosneden tot het geknoopte touwtje die de bladen in het kaft binden. De poëzie als zodanig is sowieso handwerk, of feitelijk hoofdwerk. Het zetten van de tekst gebeurt dan wel niet meer met loden letters, maar deze wordt dan handmatig op de computer verwerkt. Voor deel twee heeft Sandra Schuurmans bij ieder exemplaar twee tekeningen gemaakt. Dat maakt deze uitgave in de Nartiden Reeks een onvervalst collectors item: er zijn van ieder boekje geen twee hetzelfde dan wel gelijk. Deden de delen in de reeks al aan als kleine kunstwerken, dit tweede deel is dat zeker met de ingeplakte unieke tekeningen.

    Tot spannends toe

    Om de inhoudelijke sfeer te doorleven sprak Schuurmans de teksten van de gedichten eerst op een geluidsdrager in. Daarna maakte zij de tekeningen bij het beluisteren van de gesproken woorden. Ze werd door haar eigen stem als het ware gehersenspoeld, verzadigd met de woorden van de dichter. Aldus kon de hand doen hetgeen het oor opnam. Dekt daarom de tekst één op één het getekende en sluit deze welhaast naadloos aan op de woorden. Welhaast, want steeds opnieuw gaf de tekst een nieuwe inspiratie, een andere impuls. Tot spannends toe, want poëzie verveeld nooit. Hoewel ik van mening ben dat je gedichten niet moet horen, maar zelf dient te lezen. Dat heeft Schuurmans in beginsel gedaan; om vrij de muze te laten vonken luistert ze naar de eigen stem en is het alsof ze zelf de gedachte verwoord om te verbeelden.

    Sandra Schuurmans maakt snelle schetsen voor in de kantlijn van de tekst. Ze hoeft niet lang na te denken, zoals in de muziek a la prima vista een stuk kan worden gespeeld. Natuurlijk, na twintig keer weet je wat er gaat komen en kan de handeling al voor de inspiratie uit gaan. Maar een doodle is het nooit nergens, want Schuurmans tekent niet gedachteloos – bewust reageert ze in beelden op de woorden. En die woorden zijn in deze tweede Nartiden van de schrijver en dichter sadà\exposadà en eerder verschenen bij de axiomatische uitgever crU.

    Experimentele poëzie

    De afgesloten poëzie van sadà\exposadà heeft een verborgen logica. Het noopt mij tot actief zoeken tussen de regels en te puzzelen met de gegeven woorden om tot een sluitende betekenis te komen. Daarbij staat mijn geoefende denkwijze om cryptogrammen op te lossen me bij. Het is even vlooien om de idee van de puzzelmaker te ontrafelen. Dat ik in de lijn zit van het denkpatroon en de redeneerkunst in de vraagstelling oplos om het juiste woord te ontdekken. Het is blokken, maar achteraf zeg je: logisch, dat ik dat niet eerder zo zag! Zo werkt dat evenzo bij deze experimentele poëzie. Eerst moet de stijl mij eigen worden om de techniek te begrijpen. De dichtwerken lijken moeilijk leesbaar, maar fietsen wanneer ik er bekend mee ben als een engel over de tong, of beter piesen op mijn tong: storend maar fascinerend. Zoals Schuurmans de woorden in beelden heeft aangevoeld. 

    Het spelen met taal, structuur en associatie smaakt naar meer dan enkel deze drie dichtwerken in de Nartiden Reeks: DAT OORD KOMST en geweven… De gedichten met een intellectuele en intertekstuele inslag houden de aandacht aandachtig vast. Ik lees en herhaal het lezen. Ik pluk de woorden van de pagina’s, weeg ze en bevind deze als inhoudelijk rijk. Ik verzamel sadà’s gedachten en oogst mijn begrip voor zijn poëzie. Eigenlijk leest het als het kijken naar abstracte kunst; je wilt niet weten wat je ziet maar zelf een duiding eraan geven. Het hoeft niets te zijn om iets te wezen. Zo leest “dat oord komst”; je wilt geen uitleg maar het zelf gaan begrijpen, zelf het gevoel hebben de dichter te volgen.

    Vastbesloten gesloten

    De woorden kleuren het papier, zoals verfstreken het linnen tinten. Stel je ervoor open dan laat het je toe. Gaan de deuren los wanneer je blijft morrelen of een loper vindt als de sleutel zoek blijkt. Mij komt dan dat antieke liedje in gedachten, waarin deze regels zijn geschreven: “Engelland is gesloten / De sleutel is gebroken / Is er dan geen smid in het land / Die de sleutel maken kan?”  En die smid zal ik dan zelf moeten zijn. Want de tekst is vastbesloten mij in eerste instantie niet door te laten. Mijn idee zoekt een uitweg, ik vind de deur die mij toegang geeft, uiteindelijk. Maar het heeft de tijd nodig, het is niet even klaar. Geen moment te verliezen. Ik zoek het ogenblik. De stilte om in te laten dalen. Geen drukte, prikkel en ruis om af te leiden. Het lezen mag geen lijden worden.

    “hoe onderscheidt zich de adem van het dier van die van de mens?” is nog het meest realistisch leesbaar, maar dan gaat het los en vliegen de woorden me om de oren. “heliotrope glans, dat rotsen zeilt” of “taarnt ’t huus, spilt en / schaduw flitsen / stiften, hij hangt in / zijn lichtwending”. Soms is het alsof de dikke Van Dale op de grond is gesmeten en de woorden eruit zijn gedonderd. Door elkaar gevallen zoeken ze naarstig een andere betekenis, een nieuwe waarde. sadà\exposadà heeft de taal gereïncarneerd, of beter gerecycled, hergebruikt en een leven gegeven op een hoger plan, misschien zelfs met een beste duiding. Deze taal kijkt uit de hoogte op de doodnormale spraak neer. Zoals geschreven, lijken de gebruikte woorden door elkaar geschud te zijn en het verband schijnt los getrokken. Maar wie goed leest, met aandacht, zal de samenhang op de plek zetten en deze poëzie doorzien. Is eenmaal de gedachtegang ontdekt dan wordt de redenering duidelijk en is het beeld niet langer abstract.

    DAT OORD KOMST en geweven… Gedichten van sadà\exposadà en tekeningen van Sandra Schuurmans, linosneden Kine Brettschreider. Nartiden Reeks deel 2. Uitgave in beperkte oplage Stichting Narteks, 2025.

  • De wereld is wonderlijk eenvoudig

    Het is het derde boekje in de Nartiden Reeks van de Stichting Narteks. Deze stichting biedt ruimte aan alternatieve poëzie en outsider art. Maakt zich sterk voor poëzie die de rand opzoekt. Poëzie die scherp houdt, scherp is. Deze gedichten laten zich niet zo even tussen neus en lippen beschouwen, tussen soep en aardappelen lezen. De experimentele poëzie is verhalend persoonlijk, heeft meestal een ruime bladspiegel nodig en doet zich vrijwel nergens rijmen, houdt de aandacht vast en nodigt met klem uit om meermaals gelezen te worden. Om de strekking te kennen, de inspiratie te doorgronden, is een nauwgezet attent en geconcentreerd begrip noodzakelijk. Het zijn kortom geen hapklaar rijmende regels. Het laat zien dat creatie en recreatie twee verschillende dingen zijn. “Wie zich aan de rand begeeft, verschilt.”

    De derde grootheid in de reeks liet zich zien nog voor het tweede deel verscheen. Dat klopt, want een drieluik laat zich in drieën openen. Het is in beginsel gesloten, de inhoud afgedekt. Eerst gaat het linker luik open, dan het rechter en wordt het middendeel zichtbaar. Zo is het eerste Narteks drieluik dus ook opgebouwd. In een religieus drieluik, een triptiek, bevat het centrale deel de blijde boodschap met op de zijpanelen verwijzingen of onderschrijvingen. Het eerste drieluik in de Nartiden reeks kent geen grootheid of heeft een meer belangrijk tweede deel. Alle delen zijn even gewichtig met een individuele blik van de dichter in kwestie. Dat deze in een verkeerde volgorde verschenen liet mij denken aan zo’n geschilderd drieluik dat openklapt. Het linker deel besprak ik eerder: Willem Adelaar – Verloren in Berlijn. Het middendeel komt later: sadà\exposadà – Dat oord komst. Nu dus dan het rechter deel: Timon Vando – Baus maul.

    lino © kine brettschreider

    Debuut

    Narteks koos een viertal gedichten uit het ongetwijfeld langzaam uitdijende oeuvre van deze dichter. Het vlugschrift is zijn debuut en hiermee zet hij een vastberaden schuchtere stap in het niemandsland van de poëzie. Verkent de randen en onderzoekt de grenzen. In de kerngedichten zegt hij veel maar niet alles over zichzelf. Timon legt het wezen van zijn dichtschap open en bloot voor de lezer neer. En die essentie is het zwaartepunt van zijn wezen. De dichter schrijft een tweetal brieven aan zichzelf, omdat er niemand anders voorhanden was om aan te spreken. De therapie, alles op te schrijven dat hem invalt, is voedzaam voor zijn kunnen. Het legt een groeizame bodem. De dichter zonder pen weet leegte uit te drukken. De leemte van de dichter die weet dat de woorden komen. In woorden vult hij mijn gedachten, want die brieven richten zich nu aan mij. Als blinde lezer – ik had geen oog voor zijn woorden eerst – krijg ik vervolgens een inkijk in zijn gedoe, zijn gehannes waarmee hij stampei maakt.

    De woorden van toen en nu slaat hij op voor later – in gedachten verschijnen beelden die geen afdruk nodig lijken te hebben – de dichter heeft geen sluitingstermijn. Het geluk draagt hij mee. Keert de ziekelijke slaapzucht de rug toe. Want niets doen is hem vreemd. Er moet gewerkt worden, een calvinistische tick. Luiheid is des duivels oorkussen. Dus vormt de dichter zich duizend woorden. Een recept voor het leven, zijn leven. Handleiding hoe het zijn te benaderen, zijn wezen. Een eerste versie verdient een aangepaste tweede versie: kill your darlings. De levenscyclus van een hobbypaard dat tot werkpaard wordt. Vrije tijd is de dood voor doen, er moet gewerkt worden. De krampachtige klonterende nihilismen blijken retorisch waardeloos. De duim op delete veroorzaakt een cut paste, want schrijven is schrappen. Die duizend woorden zijn als de duizendpoot, een nijvere klasse van geleedpotigen. Heeft iemand weleens zoveel poten geteld bij de chilopoda? Vando schreef duizend woorden maar schrijft ze niet, vooral niet in de tweede versie. Het is als duizend-en-één nacht, even geheimzinnig en duister. De woorden aaneen geschreven zonder leestekens als een langgerekte regel, een boa constrictor – even listig als verraderlijk, om niet te zeggen opaak: een antitransparante bladspiegel.

    Moet gelezen worden

    Geen doorkomen aan? Jawel, want Timon laat mij erin (me)zelf reflecteren. Hij is mijn spiegel, in zijn woorden herken ik wie, wat, waar, waarom, wanneer en hoe. Zonder houdbaarheidsdatum evenwel en al helemaal geen tijdslimiet die niet overschreden mag worden. Deze poëzie moet gelezen worden en weer en nog eens. Om te begrijpen, te doorzien. Poëzie van de rand doet een beroep op de lezer. Het loopt niet binnen als een goed glas trappistenbier, maar nipt als een kruidige beerenburg. Kleine slokjes, geen grote teugen. Daarom is deze Nartiden Reeks zo aangenaam. Een viertal gedichten per deel. Niet meer, ruim voldoende. Om van te nippen. Om te proeven. Zoals goede wijn wentelt over de smaakpapillen, zo rollen de woorden uit de Nartiden Reeks door mijn gedachten.

    Bij Baus Maul houd ik de kikkers in de kruiwagen, hoewel mijn voorstelling en begrip wel eens links en dan weer rechts kan opspringen. Want het zoekt de randen van de gedachte. De boodschappenkar is leeg, ik heb niets aan te geven bij de kassa. Ook zonder meer komt minder, zonder slag komt stoot. Hakuna Matata: “de wereld is wonderlijk eenvoudig“. Het zijn de woorden met betekenis die de aarde gewichtig maken. Deze dichter beschrijft zijn spiegelbeeld. Die beeldtaal vertaalt zich in eenvoudige linosneden naar de hand van Kine Brettschreider. Zo is ieder deel van de Nartiden Reeks een collectors item, een rijk bezit. Want ieder boekje is met de hand gemaakt en kent een uiterst bescheiden oplage. Het is een kunstwerk in woord en beeld. Twee gevouwen bladen gebonden met een kleurig touwtje in een kaft. Ambachtelijk.

    Baus Maul. Timon Vando. Nartiden Reeks 3. Stichting Narteks, 2025.

  • Experimentele constructie geeft dichter Edwin de Groot rijker palet

    alleen zijn is heerlijk / met al dat missen en weer afscheid nemen / eigenlijk wel het mooiste wat er is’ Timofei Sofer is een fictief personage, een 78-jarige bosarbeider uit Oost-Siberië. Een amateurdichter die op zijn eenzame tochten door de taiga de beleving poëtisch boekstaaft. Edwin de Groot bedacht de figuur om dit alter ego zijn woorden in de mond te leggen. Hij zou de gevonden gedichten uit het Russisch vertaald hebben om Sofer vleugels te geven. “Het gebruik van een alter ego constructie samen met de niet fictieve situering maakte, en dat is mijn motivatie, dat ik een rijker palet had om autobiografische en beschouwelijke zaken een andersoortig podium te geven en er een voor mij andere schrijfstijl op na te houden”, zegt De Groot over zijn keuze. “Een soort van experiment dus als het ware.”

    De idee om zijn gedachten te situeren in de uitgestrekte wouden van Rusland ontstond na het lezen van een overdaad aan Russische literatuur. Daardoor kreeg Edwin de Groot een beeld voor ogen dat evengoed beleefd kon zijn door een autochtone Siberiër. De houthakker die medelijden heeft met de boom die hij gaat vellen. De eenvoudige bosarbeider die meervoudige filosofieën in zijn dagboek pent. ‘in mijn mond woont het geluk / van de smaak van hier / van hars en hout op de tong’. Uit de denkbeeldige observaties heeft hij een feitelijk relaas in expressieve en suggestieve dichtregels geschreven. Het had waar kunnen zijn, want de oorsprong is echt.

    Het is een behendig klein boek in zakformaat. Om zo in de kontzak van de broek op voettocht of in de binnenzak van de jas op wandeling mee te nemen. Om eens aan te pakken en na te slaan gaandeweg onderweg, rustend op een bank of liggend in het gras. Uitkijkend over laagland, heide, door bossen, open plekken, lange lanen. Zodat ik voor het moment van lezen me waan op de plaats die beschreven is. De taiga. De uitgestrekte bossen, de koude naaldwouden. Glooiend over de vlakte langs het water tot in de heuvels.

    Fictief figuur

    Was hij er ooit, daar, de tekstdichter, de poëet. Of heeft hij zich zo kunnen inleven bij het lezen van plaatselijke literatuur dat hij zich daar fysiek denkend dacht aanwezig te zijn. Zich verplaatsend in de geest van een alter ego, een fictief figuur waaromheen in eerste instantie de mystiek van zijn en niet-zijn hangt. De gedachte overgenomen, de ziel bewoond. De ogen geopend en zien wat er te kijken valt. Voor de dichter, zowel als voor elke andere kunstenaar – schrijvend, beeldend, musicerend – bestaan er geen grenzen. Is 1000 kilometer als een enkele voetstap verder.

    De gedachte laat zich niet begrenzen, vliegt eenvoudig van oost naar west, van zuid naar noord. Je hoeft op een bepaalde plek niet geweest te zijn om je er aanwezig te voelen. Dat is de kracht van inleving, verbeelding. Wanneer je maar de gave bezit om verder te denken dan hier en nu, dan lengte en breedte en eenvoudig de diepte in kunt. De fantasie, het geestesoog, heeft meer abstracte reikwijdte dan de realistische gedachte. Door de tekst van Edwin de Groot kan ik zodoende zijn in het bos tussen de bomen, op mezelf aangewezen met de Taigagedichten als reisgids door plaats en tijd. Voor het moment ben ik zijn alter ego en kleed me warm in gedachten. Ik ben de houthakker die de seizoenen opmerkt, de verandering in de natuur, de opwarming van de aarde.

    Lichtvoetig en zwaarmoedig

    De verzen van Edwin de Groot lezen als de wind die ruist tussen de bomen op de taiga. Maar feitelijk heeft de wind geen geluid. De takken die door luchtverplaatsing bewegen geven de wind een stem. De wind leeft zich in de bomen in, zoals ik meevoel met de woorden van de dichter. De wind is voor een vlaag de boom. Ben ik door het lezen dichters alter ego in het wel erg vrije vers. Lichtvoetig en zwaarmoedig. Schijnend als de ondergaande zon, mysterieus. Maar hij, Edwin?, is geen filosoof. “ik ben geen filosoof / ik hak hout / stroop af en toe een sneeuwhaas / schiet een hert voor de winter

    De bosarbeider heeft diepe gedachten, mijmert voor zich uit in de idee van Edwin de Groot. Leeft met de seizoenen. Is een natuurmens. Ieder jaargetijde kent de eigen werkzaamheden en gedachten. Hoewel de bomen hem gezelschap houden is de houthakker veel alleen. “je kunt over niet te meten land / het aan-één-stuk-door-en-door / de ruimte, de mateloze vergezichten / gedichten schrijven van tientallen pagina’s lang / met hoofdrollen voor de grond, de bomen / de vogels die moeiteloos kilometers maken“.

    Geven de taigagedichten ruimte om te ademen. Te beschouwen tussen de regels door. De tsjevengoer beneemt mij de adem. Gehaast slinger ik mij door de tekst die nauwelijks leestekens kent en prachtige volzinnen vormt. De ultrakorte poëtische essays sluiten de verzameling gedichten af. Het spreekt over personages, figuren met een verhaal. Dit heeft het meesterwerk van Andrej Platonov als inspiratie. Deze speelt zich af in de jaren voor, tijdens en vlak na de Russische Revolutie. In tijden van chaotisch oorlogsgeweld, ideologische verwarring en snakkende heilsverwachting. Platonovs doelloos dolende personages zijn gegrepen door geloof in de communistische heilstaat. Maar tegelijk door totale vertwijfeling, vanwege hun bodemloze ellende, en omdat het communisme hen voor ondoorgrondelijke raadselen stelt. In de woorden van De Groot herken ik Platonovs ontwortelde wezens die dolen tot in de dood. Het is een bizarre afsluiting van een met beleving doorregen gedichtenbundel. Dat begon met een ode aan Miklós Radnóti. Hongaars dichter en slachtoffer van de holocaust. Is hij het alter ego onder een andere naam?

    Beschouwende stilte

    poëzie mag ook lelijk zijn / laat het maar grijnzen als botten in een kuil / borrelen als een verzopen wolf kronkelvol paling / dat de regels na het lezen de volgende dag nog / in je kleren hangen als matrozenkots / poëzie moet als een steenmarter hardnekkig / je huis bezetten zoals de lucht van een natte hond / of als een wilde kat in je gordijnen’ Door de mond van B. op visite bij S. weet de dichter zijn eigen werk in dit boek niet beter te omschrijven. Ik had met deze dichtregels mijn bespreking kunnen staken. Het is kernachtig beschreven en heeft het gras voor mijn voeten weggemaaid, als het ware.

    Edwin de Groot leeft zich in en spreekt zich uit. Ik laat bij het lezen mijn vinger onder de regels meebewegen om geen woord te missen. De ogen sluitend na een gedicht gelezen te hebben, als contemplatie zuchtend in de beschouwende stilte van het vespergebed. De buitenwereld verbannen naar zichzelf, van binnen ben ik de ongekroonde koning van de gedachte. De gedachten zijn vrij en onafhankelijk, laten zich niet dwingen hoewel de dichter voor een moment mijn gedachte overneemt, voor de tijd dat ik het boek opendoe en zijn verzen lees. Ik denk in zijn wezen. Dan. Ik ben in zijn beleving.

    Taigagedichten. Edwin de Groot. Uitgeverij Opwenteling, 2025.

  • Want dieren zijn precies als mensen

    Het is fijn wanneer je niet altijd serieus hoeft te zijn. Dat je naast ernstige sonnetten ook rijmpjes op papier kunt zetten. Dat je niet altijd plechtig hoeft te schrijven, maar ook eens zingend uit de band kunt springen om de treurigheid te verdrijven. Luchtig en lichtvoetig, light verse of zoals Drs.P het noemde: plezierdichten. Rikkert Zuiderveld is een woordkunstenaar die  zich van diverse vormen en stijlen binnen de dichtkunst bedient. Die met ernst kan schrijven, maar daarnaast vrolijk de pen kan hanteren. Hij gaat virtuoos om met het woord, is een meester in de taal. Kan makkelijk liedteksten maken als een psalmdichter, maar tovert ook eenvoudig verzen en vergezichten uit de mouw, en bewerkt het papier creatoef met oneliners, limericks, topos en de haiku. Net zo makkelijk. En in elke vorm omzeilt hij een kwinkslag niet, want ook in ernst is de glimlach dichtbij.

    En dan beeldend kunstenaar Marius van Dokkum, hij ziet de humor in de wereld. Ook al probeert de mens zo ingetogen mogelijk met ernst het zijn te leven. De schilder/tekenaar haalt het leven in zijn creaties als het ware onderuit, zaagt figuurlijk de poten onder de stoel vandaan en zet de hoogmoed beeldend te kijk. Maar ook kan hij heel serieus aan realistische portretten werken en ruimtelijke beelden vormen. Zijn beschouwingen van de wereld zijn werkelijk, hij doet er echter wat zout en peper bij om de eigenwaan enigszins te kruiden, de inbeelding uit te beelden en de opgeblazenheid door te prikken.

    De kip of het ei

    Rikkert en Marius vonden elkaar al eens in het genre diergedichten. Een kijk op de wereld door de ogen van de mens op het dier. Echter eerder het dier dat meent mens te zijn, althans zich zo tracht te gedragen. Een samen optrekken van twee fantasten middels geïllustreerde gedichten of tekeningen met ondertitels, waarin dieren net mensen zijn en mensen zich gedragen als zijn het dieren. In een soort van fabels, fabelachtige poëzie, voer Rikkert diverse gedachte en bedachte dieren ten tonele. “Ik ben geen duif en geen parkiet / geen kraai en geen kanariepiet / en ook een ekster ben ik niet, / ik ben gewoonweg kierewiet.” Stel je dat eens voor, maak daar eens een beeld van. Marius bedacht bij de verzen beeldende illustraties. Tekeningen die de woorden tot leven wekken.

    Illustreerde Van Dokkum bij de eerste samenwerking “Door de wolf geverfd” nog ongekleurd de poëzie van Zuiderveld om de woorden te versterken met uitleggende beelden. In de nieuwe uitgave “de rijmelaarse kat” nemen de vrolijk gekleurde tekeningen een meer prominente plaats in. Zijn de rollen omgedraaid en is het dat de gedichten het tekenwerk illustreren. Wat was er eerder de tekening of het vers, de kip of het ei. Daardoor is het echt een kijkboek geworden meer dan dat het een (voor)leesboek is. Of dat het kind zich kan vinden in de tekening, opgaan in de creatie van de kunstenaar die aansluit bij de fantasie. Het kind kan zelf een verhaal bedenken bij de beelden, waar de volwassene de uitleg in de rijmen krijgt. Maar natuurlijk kan de ouder weer kind zijn en zich verkneukelen aan en in de tekeningen. Het hoeft niet altijd zo serieus te zijn.

    Woord en beeld

    De dieren in de Rijmelaarse Kat bevolken een wonderlijke wereld. In hun doen en laten zijn het net mensen. Meneer De Uil van de Fabeltjeskrant wist dat destijds al goed te duiden zittend op zijn boomtak: “Want dieren zijn precies als mensen, met dezelfde mensen-wensen, en dezelfde mensen-streken.” De wereld bekijkend met een knipoog. Want het schijnt allemaal niet zo ernstig als het lijkt, althans in de westerse wereld. Het is een dolle boel daar in het rijk van de gelaarsde kat, het sprookje dat ook al het menszijn op de hak nam. Echter is het land van de rijmelaarse kat surreëel, de fantasie viert er hoogtij. Marius van Dokkum weet dynamiek te brengen op papier, de tekeningen zijn in het platte vlak volop in beweging. Vooral in de grote complexe platen valt er veel te zien en voldoende op te merken. Het zijn waarlijk kijkplaten met oog voor detail zonder het grote geheel uit zicht te laten.

    Waar Rikkert Zuiderveld in taal virtuoos karakters kan neerzetten, zo meesterlijk tekent Marius van Dokkum deze op papier. De dieren hebben allemaal de aard van de werkelijke dierenwereld, maar acteren net iets meer uitvergroot het temperament van de mens. In de tekeningen beleef ik de dierenwereld zoals deze zich in vertaling van de mensenwereld aan de fantasie van Van Dokkum voordoet. In de gedichten herbeleef ik deze beelden in taal. En andersom. Ik lees de verzen, beleef de woorden, en herbeleef deze vrolijke fantasie in beelden, de tekeningen die aan de gedachte vorm geven. Gewone alledaagse voorvallen en gebeurtenissen krijgen woord en beeld: “Een luipaard is geen paard / en hij is ook niet lui. / Hij heeft alleen wel vaak / een slaperige bui.” En dat dan in een letterlijke opvatting uitgebeeld met een wolk in gapende slaap. En er is een apart over dieren die aan sport doen. En mol die verspringt, tennissende konijnen, een varken dat zich schoonspringt, kippen aan het biljart, een wielrennende Klara koe, een zeilende olifant en nog vele splorten meer. Hoe de kangoeroe roeit daarvoor moet zelf maar een “de rijmelaarse kat” aangeschaft worden. “Zwemmen / Alle vissen wilden meedoen, / ook de haring en de schol. / Maar de walvis dook in ’t water, / en toen was het zwembad vol.

    Voorstelling fantaseren

    Door de afbeelding raakt de handeling mijn ogen. Door de gedichten raakt het de taal. Kan ik de gebeurtenis benoemen. Kan ik het begrijpen, gaat de papieren beweging vooraf aan mijn fantasie. Wordt het benoemd nog voor ik er zelf duiding aan kan geven. Dan staat het vast, hoewel het een spel met taal is in combinatie met het getekende. Door het gedicht in relatie te brengen met de afbeelding is de handeling duidelijk. Dat is wel jammer, het maakt de beleving statisch. Ik kan niet zelf een voorstelling fantaseren. Eigenlijk zal ik me als een kind laten voorlezen zonder in het boek te kijken. Dan krijg ik zelf mijn beeld voor ogen en deze kan sterk afwijken van kunstenaars interpretatie. Of ik ben het kind dat plaatjes kijkt en niet kan lezen nog. Echter ben ik de volwassene voor welke beide dingen – het woord en het beeld – zich samenvoegen, zodat ik de fantasie van zowel van Van Dokkum als van Zuiderveld herbeleef. En die fantasie heeft vele uitwassen. Ik kan me voorstellen dat Rikkert weleens schaterlacht bij de taalvondsten die hem invallen. En dat Marius grijnst wanneer hij het potlood grappige lijnen laat tekenen. Het is allemaal niet serieus en met ernst hoeft dat ook niet.

    De rijmelaarse kat. Teksten Rikkert Zuiderveld, illustraties Marius van Dokkum. Uitgave Art Revisited, 2025.

  • Mijn vlieger staat doof aan de horizon

    Autobiografisch scan ik de verwikkelingen van Harry van Doveren. Ik lees de nieuwe bundel “ik kan vliegen” woord voor woord nauwkeurig, kopieer de tekst in gedachten naar mijn eigen wezen om het achter mijn oogleden te kunnen projecteren… In deze dichter herken ik mijzelf omdat hij zichzelf figuurlijk bloot geeft tussen de regels door van zijn poëzie. Bij zijn beschreven aannames van persoonlijk beleefde ervaringen ontgaat mij aanvankelijk de logica, zoals ik soms eveneens versteld sta van mijn eigen schrijfwijze na een nachtje slapen. Aan zijn denkkader moet ik eerstens wennen, maar daarna staat in tweede instantie zijn dichtkunst mij helder voor ogen. Ik ben uitgeslapen.

    De axiomatische poëzie lijkt in experimentele zin enigszins abstract, omdat Van Doveren zich bedient van beeldspraak en overdrachtelijke uitdrukkingen. Mooie vondsten die tot nadenken stemmen, evenwel de lading letterlijk dekken. En natuurlijk wenst de lezer dezes dan voorbeelden. Welnu, wat te denken van “volgde waarheid en leugen op de evenwichtsbalk” en hoe te mijmeren met “zag geschiedenis opgerold terug in celluloid” of stil te staan bij “herboren beesten kruipen als kruimels uit de braadpan” en “vliegen werd een horizon begraven”.

    Ja, ik besef dat de zinnen uit hun verband zijn genomen en schijnen gekortwiekt. Dat er voor dan wel achter de woorden betekenissen zijn en volgen. Maar veel van de gevleugelde regels zijn goed als oneliners en kunnen best alleen de kooi uit de lucht in. Dat is de kracht van Harry van Doveren, dat het dichten een ongerijmd welhaast labyrintisch geheel lijkt maar juist staat als een huis. De lezer moet alleen wel durven die woning binnen te gaan om de heterogene pannenlappen tot homogene lappendeken samen te brengen.

    Onderzoeken en ondervinden

    Autobiografisch leer ik de mens Van Doveren door zijn woorden kennen. Door zijn taal mij eigen te maken, zo zodat ik het woordelijk kan verstaan, letterlijk kan horen. Om slechts enkele gelezen woorden beter in de context te begrijpen zoek ik verder buiten de teksten. Om te weten wie Jannis Kounellis was, welke de pijlen van Statius zijn en wat udon is en waar Geilo ligt. Mijn neus is niet zolang dat ik de betekenis uit mijn hoofd kan oplepelen. De dichter zet mij aan tot intellectuele handelingen om mijn kennis te verbreden en mijn geest te ontwikkelen waarbij mijn kunde zich verdiept.

    De bundel “ik kan vliegen” deelt zich in drieën. Drie hoofdstukken of perioden van tijd. De voorjaren gaan inderdaad over de lente van des dichters leven. Het onderzoeken en ondervinden, het uitproberen en evalueren, het leven leren verstaan door kennis van goed en kwaad. Het paradijs is verlaten en de hof van heden ligt met een grimlach voor hem open. Ik ervaar de tekst wel als déjà-rêvé, dat had je gedroomd, of beter beleef ik het als déjà-vu, been there done that. “in mijn voorjaren was ik er stellig van overtuigd dat / ‘ik hou van je’ zeggen onherroepelijk was en meedogenloos / eenduidig * gelijk wiskundige symbolen en formules”.

    In de tussenjaren legt Harry zijn voorjaren af – “wikkelde touw om mijn schoolboeken”. Het is de tijd van volwassen zijn, meneer Van Doveren zijn. De wereld is evenwel nog eenvoudig en begrijpelijk. En ik volg hem op de voet, schrijf mijn eigen wezen achter zijn gelikte pen. Maar het zijn wordt ongemerkt verward, het wezen raadselachtig. De maatschappij roept – nog niet in de kantlijn. Zijn wereld als béta is in die jaren tussen onweten en weten complex. “het komt / er op aan wat ik doe zeg of schrijf” In zijn lente kon hij groter zijn dan de tijd, maar in de jaren van onderscheid leek hij juist kleiner en nietiger dan Pluto in het zonnestelsel.

    Hij zoekt verbanden, sorteert teenlengtes, wilde zich blijven herkennen in het rumoer van de nacht – in het vinden van kracht in zwakheid. Hij strijdt met zichzelf zoals Jacob met de engel, met zijn verleden en zijn schuldgevoel. En langzaam verdwijnt het werkzame leven naar de kantlijn, is nog slechts een stelling in de marge. Dan is er de vrijheid van de najaren.

    Het leven in dichten vangen

    Hij reist nog wel door voor- en tussenjaren, omdat deze bestemmingen vorm moeten hebben en duidelijkheid krijgen. Een mens is wie hij was. De dichter dicht dichter bij zichzelf. De dichter beschouwt meer helder in de nadagen van wat een levenlang heet. “een stevige wind met een ongemakkelijk verleden” en de wind draait en legt zich neer, welhaast te rusten – welterusten. Hoewel Van Doveren lijkt af te rekenen met het zijn waarvan hij voordien onderdeel van uitmaakte, is het echter een balans opmaken – plussen en minnen, voren en tegens. Hij maakt een overzicht en kijkt wat het heeft opgeleverd. Neemt afscheid, speelt over en begint overnieuw: “blijf drinken tot jij in de lobby van het hotel verschijnt in / doorschijnende kousen met zwartfluwelen handschoenen / ivoorwitte bovenarmen en een nauw boordje om je hals” en eet met smaak een kers uit de tuin van Tsjechov. En ondertussen mijmert de dichter zonder scrupules door. Probeert het leven in dichten te vangen, sluit het zijn op in woorden, strooit letters als afgevallen bladeren in de herfst, het najaar, de najaren. In deze jaren door schade en schande wijs geworden doorziet hij zichzelf in wezen. Hij formuleert aannames als waarheden. Gedachte echtheid is zijn werkelijkheid waarmee ik instem wanneer het me uitkomt. “diepte en hoogte horen thuis in het vocabulaire van een / kunstenaar omdat hij de enige is die zijn hele leven lang / afdaalt opstijgt en voortdurend zoekt naar de plek waar / het lood de bodem raakt en de hemelse geest bloeit

    De voorjaren zijn vervlogen, de tussenjaren maakten opvliegend, zodat Harry van Doveren in de najaren kan vliegen. Natuurlijk zet hij geen punt, trekt hij geen streep; hij beleeft de trage tijd waarin het duister verleden gekuist is met bloedrode verf. Hij zet het niet, maar het sluipt wel binnen: de punt. Maakt hij zich woordelijk zorgen? Ziet hij in de donkerte van de avond door het gordijn een rood met zwart gevuld teken voor het raam staan? Zijn dromen bedrog, spreekt de dichter de waarheid. Dat teken is metafoor voor de wachtende (die met de zeis?), het wakende einde of het nakende slot. “ik denk de laatste tijd zo vaak aan hem en aan wat dan – “ Ja, wat dan.

    Het betreft hier een open einde. Natuurlijk denkt de mens wanneer de jaren van het zijn opraken aan een afronding, ooit, eens. Maar nu nog niet. In de bundel “ik kan vliegen” dicht Harry van Doveren zijn leven. Het is ongemeend een autobiografie. Een persoonlijke levensbeschrijving in puntige zinnen, scherp als het slagersmes in mijn keukenla. Het zet een kerf in mijn vlees. Ik voel het warme bloed langs mijn huid stromen. Op tijd stelpt de dichter echter het levensvocht dan weer. Zet mij op een verkeerd been en brengt mij vervolgens opnieuw in evenwicht. Het is aan hem gelegen dat ik blijf lezen, namelijk. Kennen en weten. Ik vlieg met hem mee naar de regenboog. Mijn vlieger staat doof aan de horizon. Geen nood meer te ledigen, geen noot meer te lenigen.

    Harry van Doveren. Ik kan vliegen. Gedichten. Gaia Chapbooks, 2025.

  • Het addertje tussen de regels door

    Verhalende dichtkunst. Dan denk ik meteen aan iemand als Homerus, Poe of Shakespeare. The Canterbury Tales of De Goddelijke Komedie. De vertelling is op rijm gezet en beslaat legio versregels en talloze strofen. Het narratief van Jolanda Kooijmans heeft daarmee van doen, maar ook weer niet. De epiek van Venus and Adonis, Ilias en Odyssee vind ik er niet in terug. Hoewel de dramatiek van deze onderwerpen wel overeenkomen met de thema’s kwaad, vervreemding, verdraaiing en angst. De duivel vliegt als een raaf tussen de regels door, maar krast ook luid hoorbaar op een afstandje. Ik meen er Edgar Allen in te horen. Ik bespreek de dichtbundel ADDERTJE, waarin smakelijk satan wordt opgediend.

    De vertellingen lopen over verschillende pagina’s door en zouden eigenlijk in een enkele adem moeten worden gelezen. Hoewel je de losse onderdelen best kunt opvatten als een krantenstrip. Drie plaatjes, niet meer, maar het smaakt naar meer. Dus de volgende ochtendkrant meteen op de strippagina gekeken voor het vervolg. Zo houdt Kooijmans mij ook bij de les en kan ik niet wachten de volgende pagina te lezen. Vooral in het vierde verhaal in de mij voorliggende bundel, CONSTANT, geeft de dichter iedere keer aan het eind van de tekst een preview van de volgende bladzij en deze begint daar met de laatste regels van de vorige om de draad weer op te pakken. Zo golven de apocalyptische verhalen door van de ene naar de andere cliffhanger.

    Vlag die lading dekt

    Op elke pagina lijkt een afgerond deel uit het verhaal te staan, maar het heeft geen begin en geen eind, het kan echter uitstekend los – bevrijdt van het geheel – gelezen worden. Zo goed zit de poëzie van Kooijmans wel in elkaar, dat de details op zichzelf staan en als onafhankelijk gedicht kunnen worden gelezen. Maar telkens blijft de lust het volledige verhaal te kennen. De magie zit in de losse onderdelen, zoals de krantenstrip de betovering verliest waanneer verzameld in een album. Het raakt de spanning kwijt – de lezer wil geprikkeld worden om de aandacht vast te houden. Desondanks dat dwingt in theorie Kooijmans mij de bladzij om te slaan en de volgende pagina te lezen. Gehypnotiseerd van de woorden gaat mijn blik in extase door de bundel.

    Aan ADDERTJE heeft de bundel de titel te danken. Het is de vlag die de lading dekt. Want onder het gras, kronkelt Addertje tussen de regels door en jeukt in mijn gedachten wanneer het me op het verkeerde been zet, ik de zin niet meteen doorzie en kan ontleden. Het diertje, een mensje gelijk, wordt verrassend geboren in en door een bevroren meer. Er is niet op het gerekend en lacht daarom in een vuistje. ‘een lege maag komt ter wereld / met Addertje eromheen’ Een lege maag, want het heeft voortdurend honger. Zin in, zoals ik honger naar wat komen gaat in de poëzie van Jolanda Kooijmans. Addertje merkt zijn wereld op, om zich heen. Merkt vreemdsoortigheden op die zich wenden en keren, meanderen door het verhaal.

    Beeld aan de woorden

    Wanneer ik denk de verhaallijn ingelezen te hebben, doemt er een nieuw feitje op waardoor ik uit de tekst raak en bij vrijwel het begin opnieuw begin om maar niets te missen. Addertje valt na een volvette voeding, een dieet van zwaluwkuikens, terug in de geadopteerde moederschoot. Ook hij/zij/hun heeft ergens gaandeweg iets gemist of over het hoofd gezien en denkt opnieuw voor een geboorte te beginnen. Door de kuikens ontwikkelt het amfibie vleugels en wordt een kleine draak. ‘uit haar bek komt een roze damp / en een tong als een flakkerende vlam’ Waar lees ik dat, ik ga op mijn stappen terug. Sloeg zijwegen in zodat ik van het rechte pad afraak aan de hand van Kooijmans. Stap stap stap.

    Addertje beleeft wat een avonturen, het is nauwelijks niet voor te stellen. Daarom teken ik het voor mezelf in mijzelf gedachtig uit en herinner me eraan. Het geeft beeld aan de woorden. Dat beeld transformeert vervolgens tot een surrealistisch schilderij, een kunstwerk dat meer fantastisch is dan een ware wereld vertegenwoordigt. De metaforen vliegen me om de oren. De symbolen zijn niet van de lucht. ‘wat niet bestaat in de onderwereld / zijn dagen en nachten / Addertje droomt van de zon en de maan / de wilgen en de wind / het gekabbel van het water’ Dat beeld voor ogen houd ik vast in gedachten. Beeldend geschreven, sprekend gedacht. Dit eindigt in een zondvloed, het kwaad schoon gewassen. Moedermeer bedekt de wereld met een kletsnatte mantel (der liefde?), hun vleit zich over het bestaan waar Addertje toeschouwer is. Waar ik beschouwer ben om met krachtige schoolzwemslagen door het verhaal te laveren. Mijn begrip stroomt vol. Wordt vervolgd.

    Dief in de nacht

    ZUUZ is vervolgens een ik-verhaal, een persoonlijk relaas. Meer persoonlijk dan de andere vertellingen. Die ik is namelijk de dichter. Die ik dat kan echter ook heel goed de lezer zijn. Ik hoef niet van een afstandje te lezen, ik kan zelf de vertelling meemaken, het zijn beleven. Maar die ik-persoon staat erbij en kijkt ernaar. Zoals ik de beren zie die broodjes smeren. Het is er niet en toch maak je het mee. Het kan niet zijn en waarlijk valt het voor. De gedachte is met de fantasie een veelkoppig buideldier, dat de waarheid in zichzelf opbergt. Er een moment op kauwt en herkauwt, dan de ontwarde wartaal spuit. Het is andermaal alsof ik Dali in de bundel ontmoet, althans meelift op zijn penseel. Of Magritte of Kahlo. Of Breton, Lucebert. Dicht bij de realiteit ben, deze als het ware kan aanraken. Maar toch blijft die werkelijkheid verpakt in cellofaan. Het schuurt aan de waarheid, maar is er verre van. Het had waar kunnen zijn, maar van een andere kant bekeken, evenwel weer niet.

    Het ik kijkt tv met oudoom Drie wanneer plots de duivel in de beeldbuis verschijnt. Want het kwaad is overal en overkomt mij, ons als een dief in de nacht. Het is familie, maar staat toch telkens als ongenode gast voor de deur. Een zwager waarmee je gebrouilleerd bent, overhoop ligt en dus niet welkom is. Maar hij blijft zich opdringen. ‘hij iz hol van binnen weet je / zijn holte moet gevuld met ophef en gedoe’ En ZUUZ raakt bezeten van de duivel terwijl oom Drie sterft. De pastoor geeft hem het laatste sacrament en ondertussen zit de duivel in haar oor die haar walging en afkeer influistert. ‘de dood is nogal wiedez / alom en aldoor’ Echter oom schijnt schijndood te zijn, hij mag in extra tijd leven. Het verhaal mijmert door, kent uitstapjes en instappen. En uiteindelijk treedt toch de dood bij oom in. Zo vrolijk beschreven dat het een fijn moment zal zijn en waarschijnlijk is. Zo waarschijnlijk dat het huis even opveert.

    Boer met kiespijn

    aan de muur / achter dikke lagen vernis / en de plak van een honderdjarige rookpluim / van een honderdjarige bolknak / ligt een volwassen steur op een eikenhouten tafelblad’ is de beeldende beschrijving van een geschilderd stilleven. Het is na de start van BUBBLEBEEZ VERHALALA het begin. Die start is het slot, zoals een film wel begint met het einde en daarna onthult wat er in de tijden daarvoor heeft plaats gevonden om tot het laatste te komen. Een verhaal over verderf in een hilarisch snoeppapiertje gewikkeld. Het vertelt in gemaskeerd duidelijke taal de misstand met jongelui in kloosterlijke kringen. Zoals de omfloerste trom het teken is van rouw, bedekt de tamtam van het genot verdriet. Achter de lust schuilt wellust, het plezier wordt tegenzin.

    Oogappel Ot lacht als een boer met kiespijn, ondergaat zijn lot want Jezus knipoogt naar hem. Ot houdt zich vast aan de Schrift, daaruit put hij nog enige bemoediging. En de dromen die in de nacht gedroomd worden geven de burger moed maar boezemen ook angst in. Het poëtische verhaal leest als een verwrongen nachtmerrie. Eindigt tot slot zoals het is begonnen en verder. Salvador proef ik, de Verlosser. Het is aan de godin van de jacht gelijk: Dali. Ik mis nog smeltende klokken als de volharding der herinnering. Het surrealisme sluipt tussen de regels door, zet zich vast in de gedachte bij de woorden. Hoewel het fantasie lijkt behandelen de gedichten werkelijke zaken. Het wordt echter niet met ware naam en toenaam verkondigt, modieus gekleed komt de naakte waarheid echter helder aan het licht. Ik kijk door de nevel naar het licht aan het eind van de tunnel. Door de symbolen en metaforen, de parabels en gelijkenissen, slaat de realiteit in als een bom, een donderslag aan heldere hemel.

    ADDERTJE. Jolanda Kooijmans. Gedichten. Koppernik, 2025.

  • Een jonge hond langs de bierkaai, een wolf in schaapskleren

    Doe ik de bundel verspreide gedichten van Adrie Krijgsman open. Begin ik niet bij het begin zoals te doen gebruikelijk. Maar laat het lot beslissen wat als eerste mijn blik zal kruisen. Dan plots wordt het mij warm van binnen, terwijl ik best zeker weet dat toeval niet bestaat. Op pagina 57 valt het boekje open, jawel, bijkans het midden van de 116 pagina’s tellende softcover. Mijn oog kijkt, mijn geest leest: Van nieuwe jaren, en de dingen die komen. En het is alsof over mijn schouder de dichter dezes de woorden hardop in mijn oor fluistert. Dat hij terugkomt op zijn geschreven woorden, omdat hij daarin hard zichzelf is tegen gekomen ofwel met zijn kop tegen de muur gestoten is, daar was het plafond en hoger kon hij niet komen. Het was op, klaar, gedaan.

    Dit gedicht op pagina 57 verzucht nog een toekomst, het werd een hiernamaals. Krijgsman sluit dit verspreide gedicht af met “het jaar heeft mij ontvangen / en na een korte nacht / alweer koortsvrij verklaard / om alle dagen te behagen / met zotteklap en flauwe kul / bevestigd met een zwaluwstaart / in het absurde van Kierkegaard”. Wij, achterblijvers en ongenode gasten per vergissing aanwezig, weten inmiddels beter. Deze dichter heeft het leven gelaten, is uit de tijd gegaan. Maar deze dichter heeft nochtans de deur niet achter zich dicht getrokken. Hij moest wel zijn lichaam verlaten, maar zijn geest zwerft nog rond in zijn nagelaten oeuvre aan vertellingen, bespiegelingen, reisnotities, gedichten en romans.

    Diverse daarvan werden mij ter bespreking door hem om niet gezonden, omdat hij van een eerste beschouwing gecharmeerd was en ik zelfs de achterflap van een volgende uitgave haalde. De, zoals later bleek bij leven, laatste bundel heb ik zelf besteld: Verspreide gedichten 2019-2024. Om het postuum door te nemen, het in mij te nestelen en als nagedachtenis vervolgens te bespreken. Zo gedacht, zo gedaan.

    Nogmaals dank en hartelijke groet

    Laat ik het verspreide beschouwingen 2020-2024 noemen, waarin ik door de tijd acht uitgaven van Krijgsman mocht bespreken. En waarmee hij telkens erg blij was getuige de reacties: “Met hoop en lef zou ik er bijna trots van worden!”, “En weer zo’n heerlijke, doorwrochte beschouwing (…)”, “Ja, hier word ik wel blij van natuurlijk. Ik had al wat positieve reacties binnen, maar dit is dan een soort Nobelprijs zonder geldsom.” en “Een mooie beschouwing over mijn ‘koffietafelboek’ Dwarswegen (…)”.

    En ook kreeg ik van hem persoonlijke bedanken, die mij dierbaar waren en blijven: “Dag Jurjen. Ontzettend bedankt weer voor je prachtige beschouwing. Ook voor je terechte kritiekpuntjes. Die begrijp ik en ik heb daar zelf ook mee geworsteld. Keuzes voor een ‘mooi’ kunstboek of een toch wat rommelig aandoend overzicht. Het werd het laatste. Nogmaals bedankt!” (Dwarswegen), “Dag Jurjen. Ik wil je weer ontzettend bedanken voor de prachtige beschouwing. Hoewel ik niet van plan ben om te stoppen met schrijven is zo’n positieve beschouwing toch ook een goede stimulans om door te gaan. Nogmaals dank!” (De lente van 23), “Dag Jurjen. Ontzettend bedankt voor de doorwrochte en goed geanalyseerde beschouwing over Tergus. Ik ben er weer heel blij mee!”, “Jurjen, weer met mijn grote dank! Een prachtige beschouwing van Hlub! Ik heb geprobeerd er subtiel een verwijzing naar de Gazastrook in te leggen, maar ben daar blijkbaar onvoldoende in geslaagd, want bij jou kom ik het niet tegen. Geen probleem, de lezer haalt eruit wat hij eruit haalt – en de lezer is de baas! Nogmaals dank en hartelijke groet, Adrie.

    Ik kom mezelf al te vaak tegen

    Maar genoeg veren in mijn reet, over tot de “Verspreide gedichten” waarbij mijn eerdere omschrijvingen van het werk van Krijgsman stand houden. Hoewel ik de gedichten in deze bundel niet eerder onder ogen had, komen ze mij toch meer dan bekend voor. Dit komt naar mijn  mening doordat de woordkeuze en schrijfwijze van Krijgsman mij inmiddels vertrouwd in de oren klinken, of beter echoën in mijn hoofd. Wanneer ik mijn ogen sluit zie ik zijn woorden tot beelden worden. Adrie Krijgsman neemt mijn gedachten mee, wijst me de weg in zijn woorden. De zinnen lees ik over en weer, de regels beklijven wanneer ik de woorden stil in mezelf hardop herhaal. In de gedichten van Krijgsman kom ik mezelf maar al te vaak tegen. Het sluit aan op mijn alledaagse ervaring. Ben ik van dezelfde generatie, dat de jas me zo past. Dat ik aanvoel wat zijn gevoel is bij de dingen. De dingen zijn de ideeën die mijn starende blik kruisen, die over zijn velden of daken komen aanwaaien. Ze passen, daarom vind ik het makkelijk ze te lezen. Verwonder me over hoe de woorden meanderen door de zinnen, dansen in de verzen. De stroom is onstuitbaar. Met lust duik ik erin, in wellust zwem ik erdoor.

    Want citeerde Adrie mij eens op het moment dat ik zijn vergeten filosoof had gelezen en besproken: “Het is een verademing, en dat zeg en schrijf ik niet om bij hem in een goed blaadje te komen om weer eens een vermelding op het omslag van een door hem in eigen beheer uitgegeven boekwerk te krijgen. Krijgsman behandelt kunst en literatuur op een luchtige wijze, maakt van filosofie een jip-en-janneke wijsheid. Laagdrempelig en vermakelijk, maar voortdurend met een serieuze ondertoon. Somtijds is hij een cynicus om daarna te worden tot scepticus. Een sarcast, ironisch knipogend naar de samenleving die hij op reis achterlaat.

    Dichter, denker, kunstenaar

    En “Krijgsman heeft een speelse geest, een filosofische trant van schrijven. Hij houwt de woorden op het papier zodat ze levende beelden worden. Hij is een lyrisch schrijver, die uiterst gedetailleerd de omgeving en de overdenkingen beschrijft. Met een stijlvolle uitdrukkingsvaardigheid, van zo’n intieme intensiteit dat het voor een liefhebber van taal, van mooie poëtische taal, alleen al daardoor de moeite waard is om ze te lezen.

    Van deze woorden is geen punt en komma teveel gezegd of te weinig geschreven. Ook bij de verspreide gedichten lees ik diezelfde lust in het omschrijven van het leven, de wellust om er een vinger achter te krijgen. Hij legt meermaals zijn vinger op zere plekken van leven en welzijn door in diepzinnige woorden te zeggen waar het op staat. Voor hem bleek het leven maar een vinger lang te zijn, maar zijn bespiegelingen en opvattingen over het doen en laten, reuring en geraas van mens en maatschappij doet stof opwaaien en zal lang nawerken. In zijn filosofische reflecties en mijmeringen blijft hij over zijn graf heen ons een spiegel voorhouden waarin tekortkoming en zelfgenoegzaamheid op de hak worden genomen. In puntige taal dat als een twee snijdend mes de ziel klooft. Krijgsman zou je een wolf in schaapskleren kunnen noemen, een kater die je niet zonder handschoenen kunt aanpakken. Hij is altijd een jonge hond gebleven, die stoutmoedig en vurig het leven bleef beschrijven tegen de klippen op langs de bierkaai. Dichter, denker, kunstenaar.

    Leeg geschreven, punt geraakt

    Proactief met een over het algemeen positieve kijk op het leven en een sterk arbeidsethos wist Krijgsman zijn tijd efficiënt te beheren. Hij stelde niet uit tot morgen wat vandaag gedaan kon worden, volgde zijn dagelijkse routine en prioriteerde de zaken. Daardoor was hij een veelschrijver en daarmee een woordsmid die een grote productie aan uitgaven op zijn naam heeft staan. Dit formulerende voel ik zijn warme adem in mijn nek, bij wijze van spreken. Kijkt hij over mijn schouder aandachtig mee naar de manier waarop ik zijn nalatenschap memoreer. Vanaf zijn leefgebied tussen de sterren nu ziet hij neer op de aarde. Heeft het zwarte gat gevonden in de witruimte van parameters. Lijkt te zijn leeg geschreven, de punt geraakt. Tussen de regels door is echter niet alles gezegd en dus een komma gezet. Beeldend uitgeschreven kan zijn levenswerk nog jaren mee.

    Hoewel naast het leven staand nu, voor eeuwig uit de tijd, geven zijn woorden hoop en schetsen een zekere toekomst. Noem hem een profeet in eigen land, een ziener die het allemaal wel gezien had maar het leven nog zo lief was. Zijn zijn echoot in woord en beeld.

    Vloekende vlierbessen, tierende bramen, de scheldroep der / kerkuil in vroege ontluisterende morgen. De schimpende / bijen die stervend bij bloemen hun opwachting maken. Ver- / schrompelde morgen met opstootjes tegen onleefbaarheid. / / Gaan we wel redden! De moedige, nieuwere wereld is / straks natuurkundig bereik, want genetische voortgang heeft / woordloos gelijk, met betere bijen en bramen. De / nieuwere wereld wordt veel bestendiger, mooier nog.”

    Verspreide gedichten 2019-2024. Adrie Krijgsman. Uitgegeven bij Brave New Books, 2024.

  • Amsterdamse bomen gezien vanuit driehoog achter

    De boom spreekt tot de verbeelding, maar als wezen is het geen illusie – kan echter wel de fantasie prikkelen. Zoals hij dit deed bij kunstenaar Jet Nijkamp, een werkbaar leven lang – en nog aldoor. Vooral het knoestige stokoude exemplaar, die evenveel stamboom bovengronds als ondergronds heeft. Deze kan boeken vol verhalen vullen met ervaringen door de jaren dan wel eeuwen heen. Bomen worden oud, erg oud. Helaas spreekt de boom onze taal niet dus de verhalen verwaaien in de voorjaarswind, vervliegen met de afvallende herfstbladeren. Spraken wij booms dan zouden wij hem beter begrijpen. Met dat begrip op zak leggen wij dan minder vaak de bijl aan de wortel voor eigen gewin.

    De boom vertelt de geschiedenis van een omgeving in de jaarringen, in de noesten, in de tot in haarvaten vertakte kruin. Indien nodig overleeft hij dat milieu op sloffen als hij deze al had, dus op eigen kracht, eenvoudig. Echter is de mens zijn (on)natuurlijke vijand, die naar eigen willen en weten wikt en beschikt over het lot van hout en groen. De mens heeft de boom nodig om de aarde te laten overleven, is zich daar amper van bewust of steekt de kop in het zand tegen beter weten in. De boom kan heel goed zonder de mens leven, is juist beter af zonder die verwoestende tweevoeters om zich heen.

    Persoonlijkheid geven

    Buiten stadse omgevingen staan bomen in overvloed. Waar ik kijk op mijn woonadres, zie ik wel een of meerdere exemplaren met hun kruin naar mij wuiven. Het bos is niet ver weg. In de stad lijkt de boom dan een bijzonderheid, hoewel van bovenaf gezien de bebouwing wordt omzoomd door groen. In vogelvlucht lijkt de stad een groene oase, zo zal het idealiter zijn. Takken overschaduwen huizen, vooral in de zomer wanneer de bomen vol in blad staan. En met name in de stad is de boom een noodzakelijk goed. De mens voelt zich beter met een boom in het zicht. De stad leeft op met bomen in binnentuinen. Niet altijd vanaf de straat zichtbaar, heimelijk groen, voor bewoners van belang. Jet Nijkamp woont in de stad en licht met haar boek “amsterdam3hoogachter” een tip van de sluier op, geeft zicht op dat verborgen groen, die verscholen bomen.

    Jet Nijkamp heeft iets met bomen, het is haar levenswerk, haar kunstproject. Niet om ze te knuffelen of tot hen in wonderlijke taal te spreken. Maar om hen als levend wezen een persoonlijkheid te geven, ze te personifiëren en te portretteren. Want het werk van Jet Nijkamp gaat voor een bijzonder deel over bomen en hoe mensen zich tot bomen verhouden. Haar bomen verwijzen naar menselijke gestalten en lichamen, spreken groei en vergankelijkheid aan en prikkelen onze verlangens en fantasie. Dat is onder meer de reden dat de boom als grondvorm dient voor mythen, legenden en sprookjes. Bomen archiveren hun omgeving in jaarringen. Geliefden maken van boombasten een levend archief door er hun namen in te kerven.

    Bomenstad met bomenbeleid

    Door de lockdown in coronapandemie is het project ‘amsterdam3hoog’ ontstaan. Om reden dat Jet Nijkamp de straat niet op mocht, kon ze vanaf een balkon of vanuit een kamervenster de blik richten op de stadsnatuur. Ze tekende karakteristieke bomen in het Amsterdamse. Bomen die een bijzondere plek innemen in de stad en in het leven van de bewoners. In eerste instantie tekende ze op de eigen bovenverdieping de voor haar zichtbare bomen. Het was op dat moment het enige contact met de buitenruimte. Later toen de teugels vierden ging ze op bezoek bij vriendinnen om daar de uitzichten te tekenen. Het project is een registratie ofwel een documentatie geworden van de leefbaarheid in een stad als Amsterdam. De hoofdstad van Nederland is van oudsher een bomenstad met een bomenbeleid, en dient als voorbeeld voor andere steden. Bij de stadsplanning in de 17e eeuw werd rekening gehouden met de aanplant van bomen. Worden in steden bomen overwegend weggedrukt in parken, Amsterdam toont groen langs de grachten, op straat en in binnentuinen. Bomen dragen bij aan de verkoeling van de stad en aan de luchtzuivering, zijn dus van levensbelang voor de leefomgeving.

    Met het project ‘amsterdam3hoogachter’ heeft Jet Nijkamp een tijdsbeeld afgeleverd. Een geschreven en getekend document van stadsgroen gezien uit het spreekwoordelijke achterhuis. Het beeldt geen armoede uit, maar juist een weelde aan leven. Het leven met bomen in Amsterdam heeft zij hiermee in beeld gebracht. Het zong al vrij snel rond dat ze bezig was met het tekenen van bomen vanuit woningen. Zonder hierop aan te dringen werd Jet door bewoners binnen gevraagd om hun boom buiten te tekenen. Zo is de serie niet alleen de registratie van stadsgroen geworden, maar is tevens de vastlegging van de betekenis van de bijzondere boom voor de individuele mens. De boom krijgt een persoonlijkheid door het pastelkrijt van Jet Nijkamp. De boom is een individu met een verhaal vertelt door de eigenaar ervan, ofwel de bezitter van dit uitzicht.

    Levendige afbeelding

    Niet alleen is de uitgave een kunstboek, tevens worden de bomen erin bij naam genoemd. Het portret heeft een titel en een plaatsbepaling. Dus is het ook nog een bomenboek, een naslagwerk om de natuur in de stad te ontdekken. Om de beplanting in de binnentuinen van Amsterdam te herkennen en te benoemen. De boom is in het boek niet slechts een boom, maar een esdoorn, een zomereik, een plataan of een populier. Zelfs treft men er paardenkastanjes aan en de laurierkers of een krulwilg. Er zijn veel soorten en er is voldoende variëteit te onderscheiden. Aangeplant, gezaaid, maar ook zo aan komen waaien. Als het iepenzaad op de wind, de lentesneeuw tussen de stoeptegels.

    In de uitgave is bij het ontwerp steeds het krijtige karakter van de pasteltekeningen in gedachten gehouden. Automatisch blader ik daardoor voorzichtig door het boek en probeer de platen zo min mogelijk aan te raken, bang ervoor dat de tekening los van de pagina zal komen. De manier van drukken heeft de afbeelding even levendig gehouden als het origineel dat is. Bij iedere tekening is een korte uitleg geschreven. Over welke boom het is, hoe het interieur van de plek van handeling er uit ziet en er bij ligt, het karakter van de bewoner en andere zaken die op dat moment en voor het uitzicht van belang zijn. De gedichten van enkele in Amsterdam woonachtige dichters, die tevens hun boom door Nijkamp lieten portretteren, meten het houten wezen een poëtisch karakter aan. Natuurlijk zijn de platen de kern van het project en het boek, maar de beschrijving en de poëzie maken het onderwerp meer persoonlijk en houdt de indruk levendig. Deze snijden hout.

    Amsterdam 3hoog achter, 52 boomportretten. Jet Nijkamp, tekst en tekeningen. Poëzie van Rozalie Hirs, Co Woudsma, Jos van Hest, Sanja Percela, Tsead Bruinja. Eigen uitgave via crowdfunding bij Voordekunst. Met bijdragen van Stichting Amsterdam 750 en het Jaap Harten Fonds. Uitgeverij Xstuks, 2025.