Tag: prentenboek

  • Willem Ritstier heeft een wens: doe eens lief

    Dat hebben we nodig. Liefde, veel liefde. Niet alleen krijgen, zeker geven. Zeker weten. Zo´n speciaal moment van genegenheid brengt geluk, en we wensen onszelf en de ander een gelukkig nieuwjaar. Dus wat let je: doe eens lief. Het is alleen jammer dat Willem Ritstier mij die spiegel moet voorhouden, mij door pakkende uitspraken en gevatte opmerkingen wijs maakt. Dat ik daar zelf niet op gekomen ben! Aan de andere kant wel fijn dat hij het mij in herinnering brengt, want ik ben het te snel vergeten eens lief te doen. En vanwege Ritstier is daaraan een boekje vol van zijn speelse tekeningen overgebleven. Hij is een meester in het eenvoudig verbeelden van meervoudige waarden. Met vrolijke illustraties wordt de moraal van het verhaal nog voordat het verteld is geduid.

    Om deze duistere dagen voor kerst, en vooral deze maand van dit jaar door te komen – waarin de donkerte steeds zwaarmoediger als een deken over ons valt. Meer dan een handvol liefde naar elkaar gedaan is in dit schijnbaar liefdeloze decennium een welkome gift. De decembermaand is dan bij uitstek de tijd om aan elkaar te denken, bij elkaar stil te staan, elkaar te steunen door liefde te delen. Gewoon platonische liefde, geen liefhebben met (wel)lusten en lasten. “Doe eens lief” schreef Willem Ritstier terecht op de voorkant van zijn boekje met vriendelijke tekeningen.

    De ideale wereld

    Op het grote rode hart op de kaft wuift poes muis een klein hart toe. Poes en muis zijn elkaars gelijke, is poes niet meer dominant aan muis, zitten ze elkaar niet voortdurend dwars of probeert de een de andere te slim af te zijn. Ze leven niet langer als kat en muis, daar kan ik een voorbeeld aan nemen. Door de verbeelde gedachte van Ritstier is poes lief voor muis, er is geen strijd op leven en dood, in de ideale wereld. Zo een wereld als beschreven in het Bijbelboek Openbaringen bijvoorbeeld. Want veel mensen gaan ervan uit dat deze jaren van nu weleens het einde van de oude aarde kunnen betekenen. En dat op de nieuwe aarde de wolf en het lam in vrede samenleven, het luipaard bij de bok ligt, de jonge stier en de leeuw samen grazen. De koe en de beer vrienden worden. De leeuw gras eet als de os. Een baby bij het hol van de adder speelt, een kind zijn hand uitsteekt naar het nest van een slang. En de poes dikke vrienden is met de muis (vrij naar Jesaja 11).

    Juist in deze dagen is het zaak elkaar te omarmen en vast te houden, doe eens lief. Kijk naar die poes, doe als de muis. Er is niet veel voor nodig, Ritstier geeft vele mogelijkheden aan, tekent ze uit. Want niet alleen letterlijk lief doen brengt geluk, er zijn veel meer handelingen en vaardigheden die de zon figuurlijk laten schijnen. De tekenaar illustreert er legio. Zijn boek is dan ook een handleiding, een bijbel voor na de regen. De almanak voor geluk, het notitieboek om zonnestralen in aan te tekenen. Een agenda om iedere dag met een opgeruimd humeur de tijd te vatten. Het staat vol met one-liners die uitbeelding krijgen in single-drawings. Spitsvondige teksten met evenzo scherpzinnige tekeningen.

    Liefde is …

    Bedacht eind jaren 70 van de vorige eeuw de Nieuw-Zeelandse tekenares Kim Casali voor haar verloofde de “Liefde is …”-cartoons, Willem Ritstier zou je als haar Nederlandse equivalent kunnen beschouwen. De korte, herkenbare observaties over liefde en de zachte, romantische kijk op relaties werden wereldwijs populair in vooral kranten. Hoewel de figuurtjes naakt zijn is het mannetje en is het vrouwtje volledig seksueel onschuldig weergegeven. In “Liefde is…” wordt onschuld en puurheid van liefde uitgebeeld. Ritstier voert dieren ten tonele als in een fabel, met menselijke eigenschappen en een duidelijke moraal in de enkele tekening.

    Liefde is …” is universeel en kan door de lezer met een herkenbare ervaring worden aangevuld. “Liefde is … elkaar begrijpen zonder woorden; … toegeven dat hij gelijk heeft … soms; … elkaar ruimte geven; … samen onder één douche passen.” Ritstier geeft de beleving zelf aan, soms welhaast gebiedende wijs als voorschrift, daar is geen woord Frans bij. “Vriendschap kent geen voorwaarden; zoek altijd naar het juiste evenwicht; met alleen vooruit kijken, kom je niet verder; zie geen obstakel, maar een uitdaging.” Hoewel je zou denken dat “doe eens lief” vooral op die ander gericht is, zijn de raadgevingen in het boek meer aan het adres van de lezer zelf. Want wanneer de lezer de aanwijzingen voor zichzelf opvolgt zal hij, zij of het een beter mens worden. Zo is de gedachte. Dat beter straalt dan sowieso af op die ander. ‘Verander de wereld begin bij jezelf’ wordt dan ‘doe eens lief en geef het leven kleur’.

    Kerstkaarten

    De levenswijsheden in het boek zijn verpakt in luchtige voorstellingen. Dat maakt de uitgave laagdrempelig en zal jong en oud aanspreken. Zou je de woorden niet verstaan, de platen spreken boekdelen. Het zachtaardige karakter van de hoofdpersonen lacht zich van de pagina’s. Hoewel poes weleens een traantje wegpinkt omdat het niet altijd volle maan kan zijn, weet hij dat elke morgen een nieuw begin is: het komt goed, hoop doet leven. Dus blijft hij goedmoedig zichzelf, gelooft in zichzelf, haalt diep adem …en lacht. En de lezer grinnikt met hem mee, glimlacht van pagina naar pagina. Vermaakt zich met zijn capriolen op zoek naar geluk. En de muis, de muis heeft plezier, plezier in het samenzijn en de onverwachte vriendschap: liefde duikt op als je het niet verwacht.

    De uitgave “doe eens lief” schept speciale momenten, brengt nieuwe geluiden en nieuwe energie. Eigenlijk zouden alle doemdenkers en ruziemakers dit boek als geschenk in het kerstpakket moeten krijgen. En er is niet alleen het boek zelf: er is ook merchandise die bij de uitgave aansluit. Zo zijn er kerstkaarten om elkaar geluk toe te wensen, om wat liever voor elkaar te zijn. Want een kaartje, dat is zo gestuurd. Misschien kan de aarde zo, in het nieuwe jaar, weer een beetje overvloeien van melk en honing — maar vooral van liefde: met elkaar, voor elkaar, door elkaar.

    Geluk zit in een onverwacht gebaar, dus laten we die verrassende geste doen: zie geen obstakel, maar een uitdaging. Dat is de boodschap die Willem Ritstier voor de wereld heeft. Je kunt niet altijd zen zijn, maar de zin van het leven ben je zelf. En dat straalt uit op de omgeving. Met het prentenboek “doe eens lief” ben ik in het moment en dat geeft rust. Ritstier houdt mij een spiegel voor. In zijn verkapte fabel zie ik mezelf. Krijg ik handvaten om het beter te doen, om lief te doen, eens.

    Doe eens lief. Het kost geen moeite en het geeft een goed gevoel. Willem Ritstier, tekst & tekeningen. Uitgeverij MENLU, 2025.

  • Het begin verklaart in heldere linosneden

    Een fabel schreef Octavie Wolters en ze maakte daarbij de illustraties. Gutste uit linoleum het bos en de dieren. Als alter ego nam zij een haas. Een haas die zich afvraagt waar hij vandaan komt. Dat is een levensvraag die de mens zich weleens stelt. Wolters in elk geval wel. En door een dier als hoofdpersoon te nemen kan de retorische vraag beantwoord zijn. Want wanneer dieren de diepte ingaan, worden grote existentiële kwesties eenvoudig uit de doeken gedaan. Waar de mens blijft steken en de idee vastzet in een vicieuze cirkelgedachte, breekt het dier door de vraag heen en komt op een natuurlijk beredeneerd antwoord. Een antwoord waarvan achteraf bezien gezegd zal worden: ja natuurlijk, dat ik daar niet aan gedacht heb!

    Mijn begin, dat ben jij

    De haas in het prentenboek van Octavie Wolters is gebaseerd op Haassie. Een zachtroze pluchen knuffelhaasje op haar tweede verjaardag gekregen van tante Els. Het markeert het begin van haar leven. “Het stamt uit een tijd waarin ik nog amper mens was, mijn eigen prehistorie“, verklaart Octavie zich nader. Daarom heeft het boek de titel ‘Jij bent mijn begin‘ gekregen. Die haas, daar begon het mee. En die haas vraagt zich af waar zijn begin is, waar hij vandaan komt. Waar alles wat hij om zich heen ziet vandaan komt. “Alles wat leeft komt uit de lente”, zegt moeder haas cryptisch. Want wat weet de kleine haas van de lente, in de winter. Een nieuwe vraag komt bij hem omhoog: waar ligt de lente. Zijn vader wijst hem de weg, want Haassie gaat op zoek. Hij rent mee met de draaiing van de aarde naar waar de zon opkomt. De rivier zal het hem wijzen, zo is gezegd. En overal waar hij komt vraagt hij de dieren of hij al in de lente is. De reis is lang en gaat vanuit de winter door de herfst naar de zomer om uiteindelijk in de lente aan te komen. De fabel draait de klok terug, Haassie komt bij zijn oorsprong. Hij ziet zichzelf in het spiegelende water van de terugtrekkende rivier, want natuurlijk ze zijn bij de bron. De jonge haas kijkt om en overziet het land waarvan hij komt. De rivier stroomt daar breed en diep, haar einde was pas haar begin. In de verte hoort hij zijn moeder roepen en hij rent terug naar waar hij vandaan kwam, vooruit in de tijd. En wat is de moraal van dit verhaal? ‘Ik ben waar ik begonnen ben‘, zei Haassie. Zijn moeder knikte. ‘Mijn begin, dat ben jij.

    Begrijpelijk en geloofwaardig

    Ach, nu vertel ik al het verhaal en verklap het slot. Wat een spoiler om de clou weg te geven! Maar daar kraait vast geen haan naar, daarmee is het hek niet van de dam. Wolters heeft namelijk het verhaal zelf al heel helder geschreven, beter dan mijn flauwe uittreksel. Ze schreef het begrijpelijk voor kinderen, geloofwaardig voor ouderen. Het is een prentenboek voor jong en oud, ontroerend. Ter lering ende vermaeck. Kinderen worden door de platen in het verhaal getrokken nog voor er een letter is (voor)gelezen. Aangenaam is het dat het boek een groot formaat heeft, zodat de meeste aandacht uitgaat van de tekeningen. Want Octavie Wolters is vooral beeldend kunstenaar, waarbij de tekst van ondergeschikt belang is. Het beeld moet de indruk geven, de woorden zijn daarvan de uitdrukking, ter illustratie.

    De zwart-wit lino’s die de fabel in beeld brengt tonen in eenvoud de pracht van de natuur. De natuur, de bron van inspiratie voor Octavie Wolters. Vandaar komt haar kunst, de natuur is haar begin. Het is niet alleen het decor voor haar grafische tekeningen, het vormt tevens het onderwerp. In eenvoudig opgezette illustraties laat ze in een enkele oogopslag zien wat de inhoud is. De tekeningen hebben weinig detail, maar net genoeg finesse om aan te spreken. Omdat er geen kleur is geven arceringen de hazenvacht en het verenpak aan. De tekeningen zijn daarnaast dynamisch opgezet en laten het bewegen in en van de tijd zien. Je zou het de klare lijn kunnen noemen, de stijl waarin Wolters haar verhaal uitdrukt.

    Makkelijk lezen, eenvoudig bekijken

    De tekeningen hebben een heldere uitdrukking, waar kleur de indruk niet stoort. Deze lijken daardoor hard en somber, omdat ze wit en zwart zijn of andersom. Maar de manier waarop Wolters de dieren in hun omgeving zet is zo speels en kleurrijk, dat ik bij het doorkijken van het boek vergeet dat het kleurloos is. De linosneden staan deze beleving geenszins in de weg. En mist het kind toch het geel en het groen, het blauw en het rood, dan kan deze de platen zelf inkleuren. Dan is ‘jij bent mijn begin’ niet alleen een prentenboek, maar kan het ook een kleurboek zijn. De beschouwing is wel dat het een kunstboek is. Maar Wolters zal er denkelijk niets op tegen hebben dat de (kleine) lezer de platen een eigen sfeer geeft.

    Aan het slot, na het verhaal, brengt Octavie Wolters haar eigen begin in beeld. Van een foto uit de oude doos is een lino gesneden. Een kind ligt in de armen van de moeder. Een Madonna. Een plaat met een diepere bodem als betekenis. Het lijkt wel een bidprentje. Ter nagedachtenis aan haar jeugd, haar begin. Het kind is Octavie, de vrouw zal haar moeder zijn maar kan ook tante Els zijn waarvan ze de knuffel kreeg die hoofdpersoon van het voorgaande verhaal werd. In de tekst onder de plaat verantwoordt de kunstenaar zich. Het nu oorloos en hologige haasje is haar gevoel van troost en vertrouwen, van liefde en warmte. Met diezelfde liefde en warmte is het verhaal geschreven.

    Het prentenboek laat zich makkelijk lezen en eenvoudig bekijken. De schrijfstijl is helder, de linotechniek duidelijk. Het verhaal is zonneklaar, er zijn geen dubbele bodems of een vervormde betekenis. De vraag van Haassie is evident, of er een antwoord op komt is aan de lezer. Deze puurt eruit wat erin zit. Want het is een puur verhaal, zuiver neergezet door een naïeve haas. Het toont de basis van het bestaan, de grond van het zijn. Beeld bij woord maken de levensvraag aanschouwelijk. De fabel is geen sprookje. Het is geen verzinsel, de waarheid is fantastisch onder woorden gebracht en met beelden uitgedrukt. De boekenkast heeft meer van deze glasheldere uitgaven nodig. Het is een verrijking van taal en teken. Het staat te boek voor kind en jeugd, maar daarmee is het werk van Octavie Wolters tekort gedaan. Het is een boek voor alle leeftijden. Niet alleen leeft de jeugd van tegenwoordig in beelden, voor ouderen wordt het leven meer duidelijk door het in beeld te brengen. Wolters heeft beide technieken in een eigen stijl onder de knie. Zwart op wit.

    Jij bent mijn begin. Octavie Wolters, tekst & illustraties. Alle prenten in het boek zijn linosneden. Uitgeverij Ploegsma, Amsterdam, 2025.

  • Want dieren zijn precies als mensen

    Het is fijn wanneer je niet altijd serieus hoeft te zijn. Dat je naast ernstige sonnetten ook rijmpjes op papier kunt zetten. Dat je niet altijd plechtig hoeft te schrijven, maar ook eens zingend uit de band kunt springen om de treurigheid te verdrijven. Luchtig en lichtvoetig, light verse of zoals Drs.P het noemde: plezierdichten. Rikkert Zuiderveld is een woordkunstenaar die  zich van diverse vormen en stijlen binnen de dichtkunst bedient. Die met ernst kan schrijven, maar daarnaast vrolijk de pen kan hanteren. Hij gaat virtuoos om met het woord, is een meester in de taal. Kan makkelijk liedteksten maken als een psalmdichter, maar tovert ook eenvoudig verzen en vergezichten uit de mouw, en bewerkt het papier creatoef met oneliners, limericks, topos en de haiku. Net zo makkelijk. En in elke vorm omzeilt hij een kwinkslag niet, want ook in ernst is de glimlach dichtbij.

    En dan beeldend kunstenaar Marius van Dokkum, hij ziet de humor in de wereld. Ook al probeert de mens zo ingetogen mogelijk met ernst het zijn te leven. De schilder/tekenaar haalt het leven in zijn creaties als het ware onderuit, zaagt figuurlijk de poten onder de stoel vandaan en zet de hoogmoed beeldend te kijk. Maar ook kan hij heel serieus aan realistische portretten werken en ruimtelijke beelden vormen. Zijn beschouwingen van de wereld zijn werkelijk, hij doet er echter wat zout en peper bij om de eigenwaan enigszins te kruiden, de inbeelding uit te beelden en de opgeblazenheid door te prikken.

    De kip of het ei

    Rikkert en Marius vonden elkaar al eens in het genre diergedichten. Een kijk op de wereld door de ogen van de mens op het dier. Echter eerder het dier dat meent mens te zijn, althans zich zo tracht te gedragen. Een samen optrekken van twee fantasten middels geïllustreerde gedichten of tekeningen met ondertitels, waarin dieren net mensen zijn en mensen zich gedragen als zijn het dieren. In een soort van fabels, fabelachtige poëzie, voer Rikkert diverse gedachte en bedachte dieren ten tonele. “Ik ben geen duif en geen parkiet / geen kraai en geen kanariepiet / en ook een ekster ben ik niet, / ik ben gewoonweg kierewiet.” Stel je dat eens voor, maak daar eens een beeld van. Marius bedacht bij de verzen beeldende illustraties. Tekeningen die de woorden tot leven wekken.

    Illustreerde Van Dokkum bij de eerste samenwerking “Door de wolf geverfd” nog ongekleurd de poëzie van Zuiderveld om de woorden te versterken met uitleggende beelden. In de nieuwe uitgave “de rijmelaarse kat” nemen de vrolijk gekleurde tekeningen een meer prominente plaats in. Zijn de rollen omgedraaid en is het dat de gedichten het tekenwerk illustreren. Wat was er eerder de tekening of het vers, de kip of het ei. Daardoor is het echt een kijkboek geworden meer dan dat het een (voor)leesboek is. Of dat het kind zich kan vinden in de tekening, opgaan in de creatie van de kunstenaar die aansluit bij de fantasie. Het kind kan zelf een verhaal bedenken bij de beelden, waar de volwassene de uitleg in de rijmen krijgt. Maar natuurlijk kan de ouder weer kind zijn en zich verkneukelen aan en in de tekeningen. Het hoeft niet altijd zo serieus te zijn.

    Woord en beeld

    De dieren in de Rijmelaarse Kat bevolken een wonderlijke wereld. In hun doen en laten zijn het net mensen. Meneer De Uil van de Fabeltjeskrant wist dat destijds al goed te duiden zittend op zijn boomtak: “Want dieren zijn precies als mensen, met dezelfde mensen-wensen, en dezelfde mensen-streken.” De wereld bekijkend met een knipoog. Want het schijnt allemaal niet zo ernstig als het lijkt, althans in de westerse wereld. Het is een dolle boel daar in het rijk van de gelaarsde kat, het sprookje dat ook al het menszijn op de hak nam. Echter is het land van de rijmelaarse kat surreëel, de fantasie viert er hoogtij. Marius van Dokkum weet dynamiek te brengen op papier, de tekeningen zijn in het platte vlak volop in beweging. Vooral in de grote complexe platen valt er veel te zien en voldoende op te merken. Het zijn waarlijk kijkplaten met oog voor detail zonder het grote geheel uit zicht te laten.

    Waar Rikkert Zuiderveld in taal virtuoos karakters kan neerzetten, zo meesterlijk tekent Marius van Dokkum deze op papier. De dieren hebben allemaal de aard van de werkelijke dierenwereld, maar acteren net iets meer uitvergroot het temperament van de mens. In de tekeningen beleef ik de dierenwereld zoals deze zich in vertaling van de mensenwereld aan de fantasie van Van Dokkum voordoet. In de gedichten herbeleef ik deze beelden in taal. En andersom. Ik lees de verzen, beleef de woorden, en herbeleef deze vrolijke fantasie in beelden, de tekeningen die aan de gedachte vorm geven. Gewone alledaagse voorvallen en gebeurtenissen krijgen woord en beeld: “Een luipaard is geen paard / en hij is ook niet lui. / Hij heeft alleen wel vaak / een slaperige bui.” En dat dan in een letterlijke opvatting uitgebeeld met een wolk in gapende slaap. En er is een apart over dieren die aan sport doen. En mol die verspringt, tennissende konijnen, een varken dat zich schoonspringt, kippen aan het biljart, een wielrennende Klara koe, een zeilende olifant en nog vele splorten meer. Hoe de kangoeroe roeit daarvoor moet zelf maar een “de rijmelaarse kat” aangeschaft worden. “Zwemmen / Alle vissen wilden meedoen, / ook de haring en de schol. / Maar de walvis dook in ’t water, / en toen was het zwembad vol.

    Voorstelling fantaseren

    Door de afbeelding raakt de handeling mijn ogen. Door de gedichten raakt het de taal. Kan ik de gebeurtenis benoemen. Kan ik het begrijpen, gaat de papieren beweging vooraf aan mijn fantasie. Wordt het benoemd nog voor ik er zelf duiding aan kan geven. Dan staat het vast, hoewel het een spel met taal is in combinatie met het getekende. Door het gedicht in relatie te brengen met de afbeelding is de handeling duidelijk. Dat is wel jammer, het maakt de beleving statisch. Ik kan niet zelf een voorstelling fantaseren. Eigenlijk zal ik me als een kind laten voorlezen zonder in het boek te kijken. Dan krijg ik zelf mijn beeld voor ogen en deze kan sterk afwijken van kunstenaars interpretatie. Of ik ben het kind dat plaatjes kijkt en niet kan lezen nog. Echter ben ik de volwassene voor welke beide dingen – het woord en het beeld – zich samenvoegen, zodat ik de fantasie van zowel van Van Dokkum als van Zuiderveld herbeleef. En die fantasie heeft vele uitwassen. Ik kan me voorstellen dat Rikkert weleens schaterlacht bij de taalvondsten die hem invallen. En dat Marius grijnst wanneer hij het potlood grappige lijnen laat tekenen. Het is allemaal niet serieus en met ernst hoeft dat ook niet.

    De rijmelaarse kat. Teksten Rikkert Zuiderveld, illustraties Marius van Dokkum. Uitgave Art Revisited, 2025.

  • Op excursie door het leven met Octavie Wolters

    Octavie Wolters is graag in de natuur. Tussen wollegras, kroontjeskruid en onder bramenstruiken, populieren ligt haar tweede natuur. Daar is zij geaard, op die grond gedijt ze goed. Dat wezen van buitenleven en natuurschoon beschrijft zij liefdevol en gedetailleerd. Zittend aan de keukentafel met haar boek “Dit gaat nooit voorbij” geopend voor me liggend heb ik het idee dat ik met haar in dat veld ben. Want zij is geen bosmens. Octavie Wolters is van de horizon, van de open velden, de akkers. Bossen zijn haar te nauw, dan kan ze niet van zich afkijken en voelt zich opgesloten. In mijn fantasie bij haar verhaal wandel ik met haar, draaft de Friese hond die kan slootjespringen voor ons uit en zwijgt W. W is haar levensgezel die de natuur met haar deelt. Ik ben daarbij, wanneer ik mijn ogen sluit en haar teksten in mij om laat gaan.

    Zij is geen wereldreiziger. Zij houdt van haar kleine, nabije omgeving. Het land dat ze zo goed kent en dat haar iedere dag weer iets nieuws laat zien. Octavie hoeft niet ver te gaan, daar in dat open veld vindt ze haar antwoorden. En haar vragen. “Ik weet nooit wat het doel is van alles, van de mens, de wereld, het leven. Of van mij.” De scholeksters halen hun gevederde schouders op en zeggen: “Dat hoeft je toch ook niet te weten?” En Wolters is het daar mee eens toch: het is goed zo – alles is er, dat is reden genoeg. Ze kan het geluk aanraken. Het gaat als een vogeltje op haar wijsvinger zitten. De essentie van geluk is de vogel, de liefde ervoor. “Dat gaat nooit voorbij”, denkt ze hardop.

    Vereenzelvigen met de gevederde vrienden

    Die gedachte werd de titel van haar nieuwste uitgave, waarin zij spreekt met de vogels die ze treft op haar wandelingen. Ze vraagt zich af hoe vogels tegen de dingen aan kijken. In die fantasie zou het mooi zijn om met hen te kunnen praten. Octavie Wolters praat natuurlijk niet werkelijk met de merel, de kievit en de kokmeeuwen. Maar het woord is gewillig en het beeld volgzaam. Want niet alleen beschrijft Wolters haar gesprek en de omgeving waarin die samenspraak plaats vindt, ze maakt ook een afbeelding van de gesprekspartners. Dit doet zij door de plaat uit te snijden in linoleum en deze vervolgens kleurig af te drukken. Het spreken met de mezen, de zwaluwen en de ekster doet zij in gedachten. Die denkbeelden schrijft ze op en tekent ze uit, zodat het wel lijkt of de vogels net mensen zijn. De bever zwijgt, maar de mus, de kleine zwartkop en de blauwborst voeren het hoogste woord.

    In gedachten spreekt ze feitelijk met zichzelf. Geeft zichzelf weerwoord of diepzinnige antwoorden op gelaagde vragen. Levensbeschouwelijk, bespiegelend, contemplatief. Ze is graag in de natuur, houdt van de vogels. En kan daarom hun verenpak aantrekken. En die jas past haar goed, al is de coupe en de stijl afwijkend. Ze observeert zo dikwijls en dermate intensief, dat ze zich met de gevederde vrienden kan vereenzelvigen. In haar gedachten vindt ze troost bij de vogels, in zichzelf. Het is als bidden. Moeiten en zwarigheden uitspreken en deze als het ware op het bordje van een hogere macht leggen. Bij Octavie Wolters is die macht de natuur, zijn dat de vogels. Bidden is net zo goed praten in jezelf, met een denkbaar persoon in gedachten discussiëren. Die iemand is ergens geloof je, maar zeker weten doe je het niet. Wolters gelooft in de vogels, vertrouwt op de natuur. Legt haar gemoed en gevoel bij hen neer in de fantasie van het verhaal. En ze krijgt antwoord, waar de goede god schijnbaar zwijgt.

    “Sommige dingen gebeuren gewoon”

    Haar verhalen zijn fabels, de vogels krijgen het gemoed van mensen. Geleerde mensen, want ze geven beschouwelijke antwoorden op de vragen van het leven. De vragen in het leven waarmee Octavie worstelt. Ze filosofeert over het zijn, bepeinst het wezen. Probeert een vinger achter het bestaan te krijgen, het aanwezig zijn hier en nu te vatten. Ze verbaast zich over dingen die zomaar gebeuren zonder dat iemand het opmerkt. “Sommige dingen gebeuren gewoon”, zegt de winterkoning. “Soms valt er iets voor zonder dat iemand op de wereld ervan weet”, denkt Wolters. Is het dan wel echt gebeurd wanneer niemand het opgemerkt heeft, filosofeert ze verder. “We kunnen soms alleen maar een verhaal verzinnen.” Dat beaam ik en sla de bladzijde om.

    De verhalen zijn uiterst persoonlijk. Voor de vogels, en door de vertellingen dus ook voor mij, opent zij haar ziel. Ze heeft angsten, net als ieder mens. Wolters is bang dat zonder angst zij ophoud te bestaan. De angst is bij haar gaan horen, is een deel van haar geworden, een onmisbaar orgaan. Lang heeft ze zich vastgeklampt aan hoop, aan een verwachting, aan de gedachte dat alles ergens goed voor is. Ze denkt aan alle paden en wegen in haar hoofd, de herinneringen, toekomstdromen, alles in het hier en nu, waar ze aan werkt of mee bezig is. In het gladde wateroppervlak waarin de wolken voorbijdrijven ziet ze de reflectie van zichzelf. De visjes flitsen door haar heen alsof deze haar gedachten zijn. Het is een wereld van beelden, woorden zijn er niet nodig.

    “Iets kan er tegelijkertijd zijn en niet zijn”

    Het zijn gedachten waarmee een ieder die serieus in het leven staat wel worstelt. ’s Nachts van wakker ligt. Troost zoekt overdag. Het zijn universele levensvragen die antwoorden verdienen, die om raad smeken en een uitweg zoeken. “Troost is er als al het andere al lang vervlogen is”, zeggen de mezen. Haar levensverhaal smeert Octavie Wolters uit over de seizoenen, deelt deze op in de maanden van het jaar. De winter, de lente, de zomer en de herfst, alle hebben een eigen karakter en signatuur. Het gemoed valt zwaar wanneer de blaadjes vallen bijvoorbeeld. In september denkt ze aan haar kindje dat er zo hartverscheurend niet meer is maar daardoor een nieuw soort aanwezigheid vormt. “Iets kan er tegelijkertijd zijn en niet zijn.” Gemis is nooit weg, vindt ze. Maar de pijn van de leegte kan wel gevuld worden. Ware woorden, de mees had het niet beter kunnen bedenken.

    Dit gaat nooit voorbij’ is een prentenboek voor volwassenen, maar in de platen kunnen kinderen zich ook heel goed vinden. De vertellingen verhalen over levensvragen en het vinden van troost in de kleine wonderen van de natuur. Die vragen zijn te groot voor kinderen, wel lijken me de beschrijvingen van de omgeving aan te sluiten bij hun beleving. Volwassenen zullen bij de platen, portretten van vogels in weelderige flora, zelf een verhaal voor kinderen kunnen fantaseren. Deze platen hebben een klare lijn zonder veel omhaal van vlak en kleur. Duidelijk en essentieel, helder het karakter van de vogel in zijn habitat verbeeldend. Daarbij improviseren de verbeeldingskracht en het voorstellingsvermogen als vanzelf een verhaal. “De zon schijnt en de lucht voelt ineens warmer vandaag, al is het een wat schijnheilige warmte met een ondertoon van tochtige vrieskou. (…) De randen van de dagen worden langzaam zachter, het licht dimt, het lawaai verstomt.” De ekster vliegt op, maakt een rondje om de boomkruin en krast me gedag.

    Dit gaat nooit voorbij. Octavie Wolters, tekst en illustraties. Uitgeverij Ploegsma, 2024.

  • Kon Daan nog maar even bij opa zijn, in de wolken

    Hoe breng je de dood in het leven van een kind. Als dat al moet, wanneer er een dierbaar iemand overlijdt. In een leven dat nog maar zojuist begonnen is, bij wijze van spreken. Een zijn dat nog een heel leven voor zich heeft. Normaal gesproken. Hoe kun je het kind bewust laten worden dat het leven eindig is. Ook dat van dit kind. De dood past daar niet bij, bij dat leven dat nog in wording is. Sluit niet aan bij de belevingswereld, nog. Hoe laat je ze beseffen dat geliefden er op een gegeven moment niet meer tastbaar zijn. Niet meer aan te raken zijn. Dat het lichaam wordt weggestopt en niet meer zichtbaar is.

    Hoe vertel je dat. Dat het kind niet meer op schoot kan zitten bij opa. Dat oma geen verhaaltjes meer zal lezen voor het slapen gaan. Of dat papa je niet meer van school haalt. Mama er niet langer voor je is om veilig bij te schuilen. Hoe kun je het sterven invoeren in de gedachtewereld van het kind. Natuurlijk gezien hoeft een kind zich met de dood niet bezig te houden. Het vermaakt zich nog met het leven te beleven, het wezen te leren kennen. Er zijn nog veel geheimen die ontrafelt moeten worden. Alles op zijn tijd.

    Dood is afscheid nemen

    Maar de droom kan plots een nachtmerrie worden. Voor de volwassene nauwelijks te begrijpen of te aanvaarden. Voor het kind al even onbegrijpelijk en niet te bevatten. Hoe leer je een kind te leven met eindigheid, gebrokenheid, kwetsbaarheid. Vertel je eerlijk hoe het zit, dat de waarheid harder is dan de hardste steen. Of wind je er doekjes om, zodat het verhaal in de beleving begrijpelijk is. Zachter dan de knuffelbeer.

    Dood is afscheid nemen, ook voor een kind. Veelal kan het kind daar makkelijk mee omgaan, is het voor hem en haar acceptabel. Stapt het over de werkelijkheid en is zelfs in staat de volwassene op een naïeve manier te troosten. Wel komt het gegeven later geheimzinnig terug in droombeelden. Verwerkt het kind daarmee de dood op de eigen simpele manier. Dat moet wel om het aan te kunnen nemen als onderdeel van het leven. Om te geloven dat de dood bij het leven hoort, ook al ben je nog zo jong en is het einde nog zo ver weg.

    Kinderen beleven met en door beelden

    Dat Flappie het konijn op een morgen stijf in het hok ligt. Dat Pietje de kanarie van zijn stokje valt. Dat Cody de hond er ooit niet meer zal zijn om te knuffelen. Dat komt als een donderslag bij heldere hemel, een bliksemflits in een donkere bui. Het splijt het opgeruimde leven, het breekt het zijn. En voor een ogenblik is het kind van slag. Is het lieve konijn, de vrolijke vogel en maatje hond er niet meer. In vergelijking daarmee is het sterven van opa, of oma, wel erg ingrijpend. Dat raakt ten diepste aan het jonge leven.

    Met behulp van een prentenboek bijvoorbeeld kan de dood bij het leven inzichtelijk worden gemaakt. Kan het einde op een speelse manier in de belevingswereld worden aangemeld en ingepast. Want kinderen beleven met en door beelden. Woorden zijn dan nog vaak meer moeilijk te begrijpen. Die woorden, daarin blijft het wel altijd de beleving van de volwassene. De ouder vertelt een verhaal dat aansluit op het zijn van het kind. Gezien vanuit het perspectief van de ouder wordt het kind wegwijs gemaakt in de doolhof van het leven. En om de juiste paden te vinden en niet te verdwalen zal die volwassene moeten afdalen tot op het niveau van het kind. Niet veel ouderen is dat gegeven.

    Zware boodschap luchtig brengen

    Elly Zuiderveld kan het. Zij heeft de gave door de ogen van het kind te kijken. Op het niveau van het kind af te dalen, door de knieën te gaan. Eigenlijk is zij altijd kind gebleven. Althans heeft ze onthouden hoe kinderen denken en ervaren. Hoe zij dacht toen ze zelf kind was. Die wetenschap praat haar talent niet de grond in, laat haar enthousiasme niet vallen, maar geeft onomwonden aan dat zij in staat is kind met de kinderen te zijn en te blijven. Op die manier kan zij een zware boodschap luchtig brengen. Dat bewijzen haar liedjes voor kinderen, waar volwassenen evenwel ook iets aan hebben.

    Het boek Wolkenwei vertelt op een speelse manier hoe Daan omgaat met de dood van zijn opa. Door de eindrijm is de tekst eenvoudig tot lied te verwerken. Andre van der Weide heeft dat gedaan. Het liedje kan via een QR-code op de kaft van het boek worden opgezocht. Bij de tekst en de muziek is een filmpje gemaakt die de tekeningen van het boek animeren. Met het boek in de hand en bij het lied de bladzijden omslaand kan de tekst makkelijk worden meegezongen.

    Net als die woorden sluiten de beelden van Michel de Boer aan op de beleving van het kind. Het zijn eenvoudige en kleurrijke platen. Daarin volgt de jonge lezer, of de oudere voorlezer, de jongen Daan die graag wolken tekent. Om inspiratie op te doen voor zijn tekeningen gaat hij in het gras liggen en kijkt naar de lucht. Aan de hemel ziet hij de waterdamp zich in vele bochten wringen. De stapelende nevels vormen figuren. Mensen en dieren. Deze dansen langs de hemel. Daan is op zijn van opa gekregen fiets naar de wolkenwei gegaan. Door de bomen van het bos ziet hij in gedachten opa met hem mee rijden. Tot hij op een open plek komt en er de wolkenwei ervaart. Liggend in het gras van de weide kijkt hij naar boven, naar de lucht. De wolken spelen een spel. Vormen figuren, die weer verdwijnen en andere gedaanten laten ontstaan. Op een speelse manier komt de dood zo binnen in de belevingswereld van het kind. Want opa verschijnt ook in de wolken en vertelt Daan woordloos dat hij op een plek is waar het goed is. Daan hoeft zich geen zorgen te maken.

    Dat Daan opa terug ziet. Weliswaar als wolk

    Het is een kleurrijk verzorgd verhaal. De tekeningen trekken de oudere lezer en daarmee de jonge luisteraar als vanzelf de vertelling in. De platen beslaan de hele zetspiegel zonder kaders. De kleine Daan is een vrolijke jongen, waar ieder kind zich aan kan spiegelen. Zelfs de meisjes, want het is een universeel verhaal. Het heeft een dubbele bodem. Het toont dat dit leven op aarde niet eindig is. Dat er nog iets is na dit leven. Dat Daan opa terug ziet. Weliswaar als wolk. Maar hij is daar in de hemel. Zoals meer mensen en dieren die er niet meer zijn aan de hemel lijken te staan. In de wolken zijn. Het verhaal gaat daarom in eerste instantie over gemis en verdriet, maar eindigt met een vette sprank hoop.

    Dansen de vrolijke beelden eenvoudig voor ogen, het lied ligt makkelijk in het gehoor. Tekst en muziek vormen een vrolijke eenheid. Het enthousiasme werkt aanstekelijk. Zoals alle liedteksten van Elly Zuiderveld vrijwel meteen kunnen worden meegezongen. Het maakt van het zware onderwerp lichte kost. Haalt de voeten van de vloer en laat het kind, maar ook de ouder, zweven naar een verre einder. En de wolken varen op het ritme mee. Laten zich vormen in de gedachtewereld. Op die simpele manier laat opa weten dat hij in de hemel is. Door het figuur in de lucht is hij nog even bij Daan. Totdat de wind een andere vorm in de wolk blaast. De buurvrouw die is weg gegaan, een hondje, een beer en een sierlijke zwaan. Daan zou ook wel een wolk willen zijn, dan kan hij nog even bij opa op schoot zitten.

    wolkenwei. Elly Zuiderveld (tekst) en Michel de Boer (tekeningen). [Andre van der Weide (muziek)]. Uitgave Buddy Books, 2023.

  • Het neusje van de zalm stinkt als een bunzing

    Van beren wordt gedacht dat zij één van de beste ruikers op aarde zijn. En de wolf is een kampioen onder de ruikers. Zijn reukvermogen is wel duizend keer sterker dan dat van de mens. Wist je dat spreeuwen geschikt nestmateriaal kunnen herkennen aan de geur? En dat de duif zijn neus gebruikt als navigatiesysteem? Slangen hebben twee neusgaten, deze gebruiken ze enkel om door te ademen. Ruiken doen ze met behulp van hun tong. Het zijn  weetjes die Anneke Groen uit de natuur heeft gespeurd. Zij heeft het in leesbare tekst geschreven zonder er Jip-en-Janneketaal van te maken, dus ouderen zullen zich er ook in kunnen vinden. Met de tekeningen van Stef den Ridder is het Grote Neuzenboek afgemaakt tot prentenboek voor kinderen van 4 tot 12 jaar. Het stond in 2018 op de leeslijst van de Nederlandse Kinderjury. Het boek verscheen een jaar eerder bij KNNV Uitgeverij, maar is nog altijd actueel en uitstekend materiaal voor de biologieles.

    image

    Het verspreide aroma in de neus

    Wist je dat elke hondenneus net zo uniek is als onze vingerafdrukken? En dat de hond met een vochtige neus beter kan ruiken. Wist je dat de poes kopjes geeft om mij als zijn bezit te verklaren? Dat zelfs ratten en bijen als speurdieren worden ingezet. Geuren zijn belangrijk voor dieren. Ze kunnen er vooral mee communiceren. Om de geur te ruiken, te onderscheiden of er gevaar is, of er voedsel ligt, of dat het dier op verboden terrein loopt, is het zaak het verspreide aroma in de neus te krijgen. Meer dan de mens heeft het dier een goed ontwikkeld reukorgaan. Dat is in de meeste gevallen van levensbelang. De noodzaak om als mens door geuren te overleven is door de eeuwen uit ons systeem geëvolueerd. We ruiken nog wel of wat gekookt is lekker zal smaken en de geur van wijn doet de smaak eer aan. Maar wij maskeren onze lichaamsgeur met parfum en deodorant, terwijl de stank van zweet voor de meeste dieren juist aantrekkelijk is. Om een partner te vinden bijvoorbeeld of de plek in de rangorde te kennen.

    Bij diverse diersoorten heeft de neus een verschillende functie. Is het reukorgaan ontwikkeld naar gelang het voor dat specifieke dier doelmatig en werkzaam is. Het Neuzenboek beschrijft dit alles haarfijn. Er staan weetjes en feitjes in die het kind en de volwassene anders laat kijken naar de dierenwereld om hen heen en verder weg. Het is een uiterst leerzaam boek, vooral ook door de tekeningen van Stef den Ridder. Er wordt wel geschreven dat een omhaal van woorden minder zegt dan een duidelijke tekening dat doet. In het geval van het Neuzenboek is dat zeker waar. In dit geval vult de tekst de illustraties aan, is door de tekeningen het geur- en ruikgedrag van de afgebeelde dieren zichtbaar. De dieren zijn gedetailleerd realistisch afgebeeld om meer dan uitleg aan de tekst alleen te geven. Den Ridder heeft zijn ogen goed de kost gegeven waar Groen haar oor te luisteren heeft gelegd zonder haar neus op te halen.

    image

    Het gedrag dat door de neus wordt bepaald

    Het Neuzenboek is een boek over dieren waar de mensen veel van kunnen leren. Sowieso kunnen mensen van dieren leren. Dieren handelen naar wat hun instinct hen ingeeft, zij volgen de natuurdrift. Mensen kunnen daar een voorbeeld aan nemen. Dieren zijn geen beesten en doen alleen wat noodzakelijk is om te overleven. Mensen daarentegen… Het gedrag dat door de neus wordt bepaald is voor de mens herkenbaar. Hoewel de evolutie anders heeft bepaald en de geur voor de mens minder een noodzaak is, kunnen wij dagelijkse handelingen wel terug leiden naar wat het dier met en door de neus doet. Het is een hulpmiddel in het dagelijks dierenleven en kan door de mens aangewend worden waar zijn of haar reukorgaan tekort schiet.

    Het Grote Neuzenboek is een leerboek om de natuur en de bewoners daarvan beter te begrijpen. Het opent de dierenwereld. Voor mij. Ik wist niet dat de mol in stereo kan ruiken. Dat het konikpaard en de huiskat water kunnen ruiken. Aan het ruiken is het verspreiden van geuren gerelateerd. Door geuren kunnen dieren speuren. Kunnen ze met soortgenoten communiceren. Aangeven dat ze willen paren. Hun territorium afbakenen. Maar ook kunnen ze in gevaar een geur afgeven die afschrikt. Op diverse manieren is dus de neus als een soortement van antenne in te zetten. Door geuren uit de omgeving op te vangen kunnen dieren overleven. Zowel gewervelde dieren als vogels en insecten, en vissen. Zelfs de zeenaaktslak onderzoekt met zijn tentakels geurdeeltjes in het water om te weten of er voedsel in de buurt is, of er een partner rondzwemt of juist een vijand.

    image

    Het deksel op de neus

    Dat overleven is vooral gericht op het vinden van voedsel en op voortplanten. In die overlevingsdrang is het van belang dat vijanden uit de buurt worden gehouden. Deze kunnen alleen maar roet in het eten gooien bij de voedselvoorziening en in het zoeken naar een juiste partner om de soort in stand te houden. Ook kan een vijand jouw als voedsel zien wanneer je als dwergspitsmuis tegenover een adder komt te staan. Dus is het van belang als lager dier in de voedselketen de hogere vijand van meters afstand te kunnen ruiken. Een goede neus is dus belangrijk.

    Om het Grote Neuzenboek te maken hebben Stef den Ridder en Anneke Groen hun neuzen gestoken in de dierenwereld. Ze hebben geroken en gespeurd naar geuren. Het was voor deze natuurvorsers een waar geurfestijn dat zeker niet aan hun neuzen voorbij is gegaan. Aan alle dieren zit een luchtje ontdekten ze, en onderzochten waar al die luchtjes voor worden gebruikt. En dat iedere geur een doel dient, hoe smaakvol of hoe smerig ook. Je moet er dan wel een neus voor hebben, anders krijg je het deksel op de neus en wordt je makkelijk bij de neus genomen. De mens heeft een minder goed ontwikkelt reukorgaan, maar kan nog wel geuren verspreiden of opvangen. Voor de mens is de neus niet meer zo belangrijk, maar geuren kunnen ook de mens nog wel steeds verleiden.

    image

    Omdat Stef en Anneke verder hebben gekeken dan hun neus lang is laten ze de lezer van hun boek met de neus in de boter vallen. Door al deze weetjes, ditjes en datjes op te schrijven en uit te tekenen drukken ze mij met de neus op de feiten. En zelfs in het boek lees en kijk ik niet alleen, gebruik ik niet alleen mijn ogen maar ook mijn neus. Er is een geurvoorbeeld van castoreum in het boek gedrukt. Met deze geur bakent de bever zijn territorium af. Het ruikt niet echt lekker kan ik je vertellen. Het lijkt op een combinatie van de geur van schoensmeerolie en een ziekenhuisgeur. Om over je nek te gaan, vooral wanneer je weet waar de bever dit geil aanmaakt: een klier bij de anus. Toch wordt dit vettige spul ingezet als verleidingsmiddel, het is grondstof voor dure parfums. Ook versterkt het de smaak van vanille-ijs. Ik wist het niet. Nu wel.

    Stefs Grote Neuzenboek. Neuzen, ruiken en geuren in de dierenwereld. Tekeningen Stef den Ridder. Teksten Anneke Groen. KNNV Uitgeverij, 2017.

  • Prentenboek met en over de kleine Piet Mondriaan

    Sylvia Weve schetst een vrolijk huisgezin in het prentenboek “kleine piet”. De tekeningen ondersteunen niet alleen de tekst van Bette Westera, maar leggen deze tevens uit. De illustraties zijn ondermeer losjes geïnspireerd op de beroemde geometrisch-abstracte schilderijen van Piet Mondriaan. De tekst vindt ook vrijmoedig de oorsprong in de biografie van de kunstenaar. Natuurlijk weet de schrijfster niet precies wat er daar in het jaar 1877 is voorgevallen in de huiskamer van meester Mondriaan. Maar voor een vertelling die voorgelezen kan worden aan of gelezen wordt door een kind is dat van minder belang. Westera gaat mee in de fantasie van het kind, de kleine Piet.

    Kleine Piet zit in de eerste klas van de lagere school. De lokalen bevinden zich onder zijn woonhuis, ofwel de meester woont boven de school. Vader Mondriaan is de bovenmeester, het hoofd der christelijke nationale school aan de Kortegracht te Amersfoort. Daar is tegenwoordig het Mondriaanhuis gevestigd, een museum dat het geboortehuis van Piet Mondriaan belicht en in wisselende exposities de hedendaagse kunst in relatie brengt met die van haar naamgever. Het Mondriaanhuis is de opdrachtgever van Westera en Weve om een geïllustreerd verhaal te hangen aan Piet Mondriaan, juist in het jaar dat het 150 jaar geleden is dat hij aan de Kortegracht 11 geboren is.

    Piet Mondriaan, Bette Westera, Sylvia Weve, Mondriaanhuis Amersfoort, prentenboek

    Wel, kleine Piet, leerling van zijn vader in meerdere opzichten. “Boven is papa papa, beneden is hij de meester.” In de gezellige huiskamer, waarbij de situatie wordt omschreven waardoor de lezer het kan dateren – kleine broer Willem slaapt en broertje Louis ligt als baby in de wieg. Grote zus Christien, Stientje in het boek, krijgt breiles van moeder, mama. Piet oefent op de letter L, netjes tussen de lijntjes. Verderop in de kamer werkt papa aan een schoolplaat. Vader is een all-round meester, hij kan naast taal en rekenen heel goed tekenen. Een gave die hij doorgeeft aan zijn later beroemde zoon Piet. De situatie in de huiskamer is door Sylvia Weve netjes tussen de lijnen van een Mondriaanschilderij gezet.

    En krijgt de kinderlijke fantasie vorm. De letters in schoonschrift met krullen worden dartele figuurtjes, lachende en dansende gezichten, doordat de lussen zich niets aantrekken van de lijntjes waar ze tussen horen. Daar ligt de voedingsbodem al voor de bloei van de experimenterende modernist. In het boek zetten de lussen en krullen van de letter L zich door in de steken van het breipatroon. De steken van moeders sok staan netjes op een rij, terwijl de lussen in de broddellap van dochter Stientje metaforisch alle kanten op dansen.

    Piet Mondriaan, Bette Westera, Sylvia Weve, Mondriaanhuis Amersfoort, prentenboek

    In de klas hangt papa’s de avond ervoor getekende schoolplaat, een paardenkastanje vol in blad en een ruwe bolster waaraan Piet zich in gedachten nog heeft geprikt. Papa tekent naar de natuur. Westera neemt het woord voor kleine Piet. Naar de natuur, “zo heet dat als je tekeningen heel goed lukken. De vissen en de kikkers in papa’s sloot en plas zijn net echt. Zo hoort het ook, zegt papa.” En zo doet kleine Piet het, die na de lagere school en een vervolgopleiding tekenleraar wordt aan diezelfde school van papa.

    De vissenkoppen die kleine Piet voor papa haalt als lesmateriaal bij het tekenen zetten hem aan tot fantaseren. “Wat zouden de ogen zien als ze niet dood waren?” Hij sluit zijn ogen en ziet de sloot waarin de vissen zwommen voor iemand ze ving. Hij hoort de kikkers kwaken en voelt de wind langs zijn blote benen strijken. Het riet ruist en het gras geurt. En de tekening van Weve verbeeldt die tekst van Westera fantasievol. Maar de tekening die Piet van de vissen maakt is niet welke papa voor ogen heeft. Dus moet hij wanneer de andere kinderen al naar huis zijn opnieuw beginnen aan het stilleven met dode vis. “Goed kijken, daar begint het mee.”

    Piet Mondriaan, Bette Westera, Sylvia Weve, Mondriaanhuis Amersfoort, prentenboek

    Piet gooit na afloop de koppen vanaf de brug in de stadsgracht en droomt over later wanneer hij zittend zijn benen boven het troebele water laat bungelen. Als hij groot is wil hij alleen nog maar “levende dingen schilderen, vissen met lenige lijven en dwarse koppen (…) Rode wolken, gele hemels en blauw bloeiende appelbomen.”

    Wij weten wat er van geworden is, van die vissen en die wolken, van die hemels en die appelbomen. Het is een mooi verhaal, prachtig geïllustreerd. Het werpt een ander beeld op de strenge kunstenaar met zijn vakkundige hokjesgeest. Daar waar de kunstenaar is geboren, daar waar zijn kunst is uitgevonden, daar vertelt Bette Westera haar verhaal van de kleine Piet. Het boek is getiteld “kleine piet”, met als ondertitel “grote meester”. Die grote meester is eerst nog papa, maar wordt later Piet zelf. En op het omslag staat kleine Piet bij zijn bloeiende appelboom kijkend in een gracht vol vissen.

    kleine piet, grote meester. Tekst Bette Westera, illustraties Sylvia Weve. Prentenboek uitgebracht ter ere van het 150e geboortejaar van Piet Mondriaan. Uitgave Mondriaanhuis Amersfoort, 2022.

    Piet Mondriaan, Bette Westera, Sylvia Weve, Mondriaanhuis Amersfoort, prentenboek