Tag: presentatie

  • Opwenteling presenteerde twee nieuwe dichtbundels: Frisse friese wind

    Poëzie zal niet voorgelezen worden, gedichten moeten gelezen zijn. Bij het voorlezen gaan woorden verloren, gedachten krijgen geen ruimte. Lees je een gedicht jezelf bij voorkeur hardop voor dan zijn regels te beschouwen, momenten te overdenken. Als Maria kan ik deze in mijn hart bewaren, ze ter harte nemen en de betekenis overwegen wanneer ik ze met mij meedraag. Want dan groeit de waarde op vruchtbare bodem. Misschien nog wel het sonnet, de ballade of de elegie. Maar het vrije vers en de visuele poëzie laten zich minder eenvoudig uitspreken. Zelf lezen geeft de idee plek. 

    Op gelegenheden dat dichters samenkomen en zichzelf met hun werk aan toehoorders presenteren, verdwijnt het mysterie van de poëzie. Wordt een gedicht voorgelezen, dan gaat er fysiek altijd wel iets mis. Is de stem te zacht of werkt de microfoon niet, of staat de spreker te dicht bij de microfoon en exploderen bepaalde letters: k, p, t. Ook daalt een gedicht pas in wanneer je het langzaam leest, de zinnen voor je uit bedenkt en nog eens terug haalt en leest. Wordt het voorgedragen dan is de intonatie ongelijk aan mijn voorstelling hoe het zou klinken, de snelheid mis ik en de kracht is voor mij gebroken. Poëzie laat zich niet voorlezen, het nodigt uit gelezen te worden. 

    Dat dacht ik toen de dichters Peter van Lier en Edwin de Groot hun nieuwe bundels presenteerden in de voormalige zuivelfabriek van Marrum. De uitgever stelde het hoge noorden zondag 26 oktober Opwenteling voor. Hij, dat is Arnoud Rigter, blies met anderen in het millennium de in de roerige jaren 60 van de vorige eeuw opgerichte uitgeverij van dwarse poëzie nieuw leven in. Vooral dat werk van die dichters welke niet in de pas lopen vinden er onderdak: gedichten met smoel. Experimenten met op een andere tegendraadse manier van presenteren wordt omarmd, combinaties van beeld en tekst. Opwenteling is een fonds met een eigen (poëtisch) karakter dat de regionale aard overstijgt. Een uitgeverij die niet alleen debutanten uitgeeft, maar staat voor poëzie van bijzondere, experimentele kwaliteit. Rigter sprak over het woeste poëzielandschap van dit moment, een terrein dat teveel gecultiveerd is omgespit en waar nauwelijks nog talent uit wordt opgediept. Hoe wonderlijk dan ook dat plots twee in Friesland wonende dichters hun kop boven het maaiveld uitstaken en afzonderlijk van elkaar dit voorjaar een manuscript instuurden. De gedichten die op het bureau van Rigter terecht kwamen sloten aan bij wat Opwenteling wil zijn. Verhalend en experimenteel, twee uitersten die ter linker en ter rechter zijde, oost en west, het complete veld van woordspelingen bestrijken. 

    Vers van de drukker

    Gezien door de ogen van Edwin’s alterego Timofei Sofer, de blik van een Joodse bosarbeider uit Oost-Siberië. “ALMACHT / de taiga met zijn gaoende muil / de zure honger van de veenmoerassen / / de geur van hars zo dik / als een zwaarlijvige trapezeartiest / / en de sapstroom die de lente kan lezen, hoe / de dieren de winters uitzingen / / de overtuiging van de rivier die ik, als ik het kon / een plekje bij het raam zou geven” 

    En een persoonlijke kijk op de wereld hopend dat de herinnering niet dementerend vervaagd, Peter van Lier heeft de leeftijd dat zijn hoofd hem in de steek kan laten. Wie zijn bundel doorbladert zal zeker weten dat de dichter moeite heeft dit werk voor te dragen. De typografie heeft zin in druk, niet in klank. Maar met enige houvast kan ik hier citeren:  “Een hoog perspectief ziet alles wat beneden het hoofd / / plaatsvindt als grazend vee? We leven in een wereld van / instincten en voorbijgaand verkeer, elke richting levert hoofd- / zakelijk twisten op en riekt uiteindelijk (volg het nieuws maar / na tienen) naar digestie. Welk conflict wordt hier per hoofd / van de bevolking (ook dat van jou!) uitgevochten? Het lichaam / kromt zich (een bemoedigend teken) om laag-bij-de-gronds het hoofd / van heel de sleetse rataplan te ontdoen? Luister goed.”

    De dichters lezen enkele voorbeelden uit de vers van de drukker verschenen bundels. Gastdichter Annet Zaagsma leest bijna onhoorbaar gedachte woorden voor die de terminologie van het woordenboek hebben. Ik zal ze met een lampje moeten zoeken in de dikke Van Dale, maar niet kunnen vinden. Deze staan naast anderen in de laatst uitgekomen bundel van Zaagsma. “tepelnijd / zelfst, naamw. (m.) uitspraak: [‘tepǝlnɛit] / / tepelnijd (ingetrokken) komt in de beste dromen voor. / het gepigmenteerde & knopvormige uitsteeksel dient te allen tijde / voor het blote oog onzichtbaar te zijn in het zichtbare spectrum. / een superkracht wordt verondersteld. speelt een belangrijke rol / in de pauze van door mannen gedomineerde sporten. / het internet staat vol met slechte recensies. / / niet te verwarren met: tafeleend” En daar heb je het al, in het gesproken woord komt de kracht van wat poëzie kan zijn nauwelijks tot niet over. Een enkele kwinkslag in de al te serieus bedoelde verzen verdwijnen in de fluistering die door de haperende microfoon maar niet worden versterkt. 

    Talige samenkomst

    Een op en top Friese dichter, door Edwin de Groot in het programma geschoven – omdat hij het met hem erover had tijdens fietstochten en hem daarom op dit voetstuk plaatste en hem daarbij het eerste exemplaar van zijn bundel overhandigde – declameerde zijn uitgesproken sterk getaalde werk. De Friese taal die meer krachttermen kent dan welk dialect dan ook geeft het gesproken woord ballen. Het gespierde woord spreekt zelfs de slechte verstaander aan. Lubbert Jan de Vries las niet voor maar sprak uit, met bladgedicht als geheugensteun. Door zijn hele ziel en zaligheid achter het rebelse gedicht te zetten bleven de zinnen langer hangen. De gebalde vuist van de Friese taal kan beluisterd worden zonder gelezen te zijn. 

    Het was een talige samenkomst die werd opgeluisterd door de gitaarklanken van Jetze de Vries, want muziek kan wel worden voorgespeeld. Je behoeft niet zelf te kunnen spelen, de kunst is te (be)luisteren. Het kan behang zijn, terwijl tekst aandacht verdient. De muzikale intermezzo’s dienden als de witte regels in een gedicht. Even op adem komen. Overdenken wat is gezegd en voorbereiden op wat komen gaat. De stilte in een vesper. Momenten van bezinning. Maar de klanken waren verre van contemplatief, ze vertaalden als het ware de woorden die voor en na werden en zouden worden gesproken.

    De eerste exemplaren van zijn bundel gaf Peter van Lier aan twee oudgedienden in het dichtersveld waaraan hij veel heeft gehad in de 20 jaar dat hij in het Friese land doorbrengt. De van oorsprong Brabander streek in 2004 hier neer, net achter de Waddendijk, om er samen met zijn relatie Machteld van Buren het Friese kunstlandschap te verrijken. Martin Reints sprak zijn waardering uit en las vervolgens voor uit eigen werk. Eeltsje Hettinga besprak het werk van Van Lier en bracht het mysterie van de poëzie voor het voetlicht. Hij las niet voor maar interpreteerde a la prima vista de woorden uit de bundel. Vooral het eerste gedicht had zijn bijzondere aandacht, dat hij vakkundig overbracht op de luisteraars die het luisteren na een programma vol woorden wel moe waren. Waar aandacht verslapt zou de voordrachtskunstenaar de teugels moeten laten vieren, een stap terug en er het zwijgen toe doen. 

    Het was achteraf gezien echter een prettige middag daar in Marrum. De poëzie had de aandacht en velen wisten na afloop de gang naar de tafel van Opwenteling te vinden, om er een al dan niet gesigneerd exemplaar van de vers van de pers gekomen bundels aan te schaffen. Ik zal mij op een later moment buigen over de inhoud van de mij toegeschoven recensie-exemplaren van de bundels, om een steekhoudende beschouwing op mijn blog te plaatsen. Nog even een hapje en een sapje tegen kostprijs genomen, een praatje gemaakt en overleg gepleegd. Niet alleen oor en mond kwamen ruim aan bod, ook het oog werd gelaafd. Drie immens uitvergrote waterfoto’s van Dolph Kessler overspoelden de ruimte. Wave. Hoog opspattende golven van een zee ver van de Friese meren trokken de aandacht wanneer de concentratie op het gesproken woord enigszins werd beneveld. Achter het geïmproviseerde podium hing aan de gescheurde muur het drieluik “What does your soul look like” van Machteld van Buren. Kunst ontstaan in deze ruimte voor deze ruimte, even voor nu. 

    Presentatie dichtbundels van Edwin de Groot en Peter van Lier in de voormalige zuivelfabriek te Marrum. De dato zondag 26 oktober 2025.

  • Het persoonlijke accent van Han Steenbruggen bij Belvédère

    Naast de minder tot de verbeelding sprekende organisatorische werkzaamheden lijkt het inrichten van tentoonstellingen voor een directeur/conservator van een museum me een prachtige opdracht. Natuurlijk moet de politiek op gezette tijden worden bespeeld om subsidie los te krijgen, dat is belangrijk. Maar voor het reilen en zeilen van voor de museumbezoekers interessante uitstallingen is de manier van presenteren toch de essentie van het werk. Ook het bezoeken van kunstenaars in hun werksfeer is een fraaie taak, het uitzoeken van kunst in het atelier om in het museum te tonen. Dan let je op mogelijke overeenkomsten, leg je relaties met werken die al in de collectie zitten. Of laat een kunstenaar zien die spoort met en aan de doelstelling van het museum. Maar ook komt er werk op het pad die zo tegengesteld is aan wat normaal wordt getoond, maar wel uitstekend past binnen de muren en de gestelde kaders.

    Jonas Snijder, Museum Belvédère
    Jonas Snijder – Dongeradelen en Ferweradelen

    Van nabij mocht ik een en ander ervaren en meemaken als collectiebeheerder en projectmanager van Museum Belvédère. Bij de nieuwe inrichting van bijvoorbeeld een kabinet worden werken uit de collectie aan elkaar gekoppeld, geschakeld, verbonden, samengebracht tot een compositorisch klinkend geheel. Dat is een proces van zoeken, kijken, uitzetten en ophangen. Wat past, en welk werk valt buiten de relatie. Het kan dat in je hoofd bepaalde dingen heel goed samengaan, je ziet de relatie zo voor ogen en neemt de werken blindelings uit het depot. Maar wanneer het dan langs de wanden staat en hangt blijkt het opeens minder daadkrachtig en nauwelijks treffend. Dan is het handig wanneer je kunt putten uit de portfolio van eens bezochte kunstenaars, omdat je toen en daar in die ateliers ook al in gedachten verbanden hebt gelegd.

    Koppelen en schakelen

    Het kabinet dat Han Steenbruggen in de westvleugel van Museum Belvédère heeft ingericht met werk van onder meer Sjoerd de Vries, Jonas Snijder en Jan Snijder is zo’n voorbeeld van koppelen en schakelen. Hoewel enigszins aan elkaar verschillend sluiten de landschap elementen van deze kunstenaars naadloos op elkaar aan in sfeer en uitstraling. De “Dongeradelen en Ferweradelen”, een samengestelde collage in een zogenaamde wolk – pastel op papier, van Jonas Snijder. Het correspondeert met de “Deelen”, gemengde techniek in gelaagd karton, van Sjoerd de Vries. De omgeving is er anders, maar de stemming waarin het staat opgetekend klopt met elkaar. Beide kunstenaars laten hun gedachten over het landschap gaan op locatie, wanneer ze daar zijn tussen de weilanden en langs de rietkragen. Ze werken naar de waarneming, en plein-air of in het atelier. Een verbinding wordt gelegd tussen ervaring en weergave. Wat zij in de geest hebben opgeslagen krijgt beeld en beeltenis op papier.

    Jan Snijder, Museum Belvédère
    Jan Snijder – Strânljocht

    L’Hourdel” en “Strânljocht”, eitempera op doek, van Jan Snijder sluit daar in stemming op aan. De kleine haven aan de Somme en het schemerige licht op het strand zijn abstracte vertalingen van de subjectieve waarneming op die plek. ­Het is een persoonlijk terugkijken naar die plaats, de herinnering aan en van die omgeving. Verder zie ik een even stemmige verbeelding van de haven van Harlingen. Liesbeth Meerding schilderde het met olieverf op paneel. De zichtbare werkelijkheid is haar uitgangspunt, maar daaraan houdt ze niet vast. Ze brengt sfeer en suggestie in los geschilderde werken. Het straalt van de drager, in gedachten hoor ik het water klotsen tegen de boeg van het schip. Zo een beeld roept zij op, het vertalen van de realiteit in een niet bestaande maar wel tastbare werkelijkheid. Het is wat de hiervoor genoemde kunstenaars ook doen, ieder op de eigen wijze en in de persoonlijke stijl. Het loslaten van de werkelijkheid om er een individuele invulling aan te geven. Die eigenheid schept een vertrouwd beeld waarmee ik verder kan, een voorstelling waartegen ik mijn interpretatie kan zetten.

    Ids Willemsma, Museum Belvédère
    Ids Willemsma – Wynwek

    Het kabinet wordt vervolmaakt met een installatie van Ids Willemsma. Zijn “Wynwek” of Windwak – kruiend ijs van gesmeed ijzer is onlangs toegevoegd aan de collectie van het museum. Het schijnen tegen elkaar geschoven en aaneen geplakte ijzers van oude schaatsen. De losse elementen schuiven tegen elkaar, stuwen en duwen. Er ontstaat een golfbeweging, een verhoogde structuur. Een abstracte vertaling van een natuurverschijnsel. Een eigen uitwerking van de realiteit. Gezien, opgeslagen en in beeld gebracht.

    Zo werken de kunstenaars in dit kabinet naar de realiteit, maar maken er hun eigen wereld van. Steenbruggen zag de overeenkomsten, kon relaties leggen en maakte er deze persoonlijke scène van. Je ziet er de hand van de meester in, wanneer je een frequent bezoeker van dit museum bent. De manier van opstellen en inrichten heeft een signering in persona.

    Kabinetpresentatie bij Museum Belvédère, Oranje Nassaulaan 12 in Heerenveen/Oranjewoud. Tot en met 26 september 2021.

    Han Steenbruggen, Job Hansen, Museum Belvédère
    Han Steenbruggen in presentatie Job Hansen, 28 september – 19 november 2008