Tag: REG Media

  • Museum Belvédère 20 jaar: en verder…

    De jongensdroom is geen bedrog

    De kleine Thomas ging de deuren langs met zijn zelfgemaakte kijkdoos. Voor een stuiver mocht je door het gat kijken naar een landschap. Dit was zijn eerste museum. De grote Thom zet een kijkdoos in de bossen van het Friese Oranjewoud. Binnen laat hij zijn smaak in de moderne en hedendaagse kunst zien. Buiten past de natuur in zijn beeld: water, riet en veen, de uitgestrekte bossen. In dat landschap bracht Thom Mercuur zijn jeugd door, daar ging hij stropen, vissen en eieren zoeken. Met die schilders heeft hij affiniteit, daar ligt zijn gevoel, dat is mooi. Mercuur toont de eenvoudige schilder van het platteland, die groot is door de eigenzinnigheid. De provinciaal die zijn gevoel legt in de zichtbare omgeving. Het is de eenvoud in de manier waarop het landschap wordt benaderd.

    Eenvoud spreekt uit het gebouw en de omgeving. Een zwarte doos is geplaatst over het water wat eens het grand canal van een stadhouderlijke buitenplaats was. Platen basaltsteen zijn onregelmatig in de gevel gezet, waardoor er spleten vallen die worden bewoond door vleermuizen en vogels. Het gebouw ligt op de grens van natuur en cultuur, land en water, en sluit een park af dat barokke lijnen uit de zeventiende eeuw volgt. Huize Oranjewoud, het oude hoofdgebouw van dat park, was ooit lustslot en zomerverblijf van verschillende adellijke families. Staatsbosbeheer heeft, om het verdwenen noordelijke deel van de parkaanleg te reconstrueren, de landschapsarchitect Michael van Gessel de opdracht gegeven de vergeten heldere structuur terug te brengen. Om oud en nieuw samen te laten gaan, het museum aan het eind van de zichtas van het landgoed en de stijl van de Franse tuinarchitect Daniël Marrot in ere te herstellen.  Nu ligt er weer een eenvoudig park in formele aanleg met lange lanen en grachten. Gezien vanuit het huis lijkt de Prinsenwijk dwars door het museum te stromen om op te lossen in de oneindigheid van het waterrijke open Friese landschap.

    Elke kamer is een kunstwerk

    De architect Eerde Schippers heft de rechtlijnigheid van het park en het landschap rondom doorgetrokken in zijn ontwerp van het museum. Het langwerpige gebouw, 104 meter lang en 13 meter breed in één bouwlaag, zal in de loop van de tijd door haar omgeving worden opgenomen, wanneer de bomen en struiken zijn volgroeid en de gevels verkleurd. Het museum is vrijwel geheel gesloten, enkel ter hoogte van de kantoorruimten zijn de muren onderbroken door de sfeer van nauwelijks brekende ramen. Het rust op een glazen voet, bij avond lijkt vanwege het licht van binnen het geheel te zweven. Het museumcafé is een open ruimte boven het water van waaruit de bezoeker aan de ene kant over de wijk het woud inkijkt en, wanneer hij zich omdraait, over het water de boerderijen en boswallen ziet.

    De doos is globaal door het café in twee stukken gedeeld. De rechterkant geeft plaats aan de vaste collectie, waarbij de diverse expositiekamers van maat kunnen wisselen door verplaatsbare tussenwanden. Mercuur ziet elke kamer als een kunstwerk, dat voor de bezoeker rust uitstraalt. De lange diagonaal door de ruimte moet de nieuwsgierigheid in de volgende kamer trekken. Links van het café is ruimte voor wisselende tentoonstellingen. De getoonde kunst wordt enkel door kunstlicht beschenen, vanwege de geslotenheid van het gebouw. Er is een klein beetje strijklicht van buiten door het glas op maaihoogte.

    Vormgeving straalt rust uit

    De vormgeving van het gebouw straalt rust uit, zoals Staatsbosbeheer de omgeving wil laten ademen. Er schijnt weinig licht van binnen naar buiten om de dieren in het donker niet al te veel te storen. Bij de aanleg van museum en park is rekening gehouden met de bestaande natuur. Het gebouw is wel af, maar de omgeving zal nog enkele jaren nodig hebben zich te vormen. De natuur is nu nog modderig, de paden soms nog onbegaanbaar. Het heeft de tijd nodig zich in oude glorie te herscheppen.

    Rust en ruimte, eenvoud en eigenheid, dat is wat museum zowel als park willen uitstralen. Voor Thom Mercuur is het een levensmissie, die is uitgekomen. Maar het is niet enkel een vervulling van zijn droom. Begint de kunst van Mercuur bij de schilder Jan Mankes, Boele Bregman geeft hem in de jaren vijftig de opdracht een museum te stichten. De doeken van beide schilders hangen niet bijzonder te zijn tussen al het andere werk in het museum, maar hebben wel een speciale plaats gekregen. Want Mercuur geeft op zijn gevoel de kunst een plek. Hij is galeriehouder, kunsthandelaar, verzamelaar en was conservator van het Coopmanshûs in Franeker en het Fries Museum te Leeuwarden. Zestien jaar geleden begon zijn kruistocht voor het museum voor moderne en hedendaags kunst in Friesland. Eerst met het plan om een buitenmuseum te zijn van het Fries Museum aan de oevers van et Tjeukemeer. Een groots en duur bouwplan werd door architect Aldo van Eijck ontworpen. Maar het provinciebestuur doorkruiste deze plannen en het Fries Museum, verwikkeld in een reorganisatie, had genoeg aan zichzelf. Mercuur vestigt zich in een monumentaal gemaal aan de rand van natuurgebied De Deelen ten noorden van de plaats Heerenveen. Het is een gebied waar de door hem bewonderde kunst uitstekend past. Daar toont hij oud gereedschap uit de veenderij en schilders van het Friese landschap. Maar Thom blijft dromen van een echt museum.

    “Discussie over kunst is zinloos”

    Dan valt zijn oog op het Tjaarda’s Bos in Oranjewoud, met aan de voet van een gerestaureerde betonnen uitkijktoren een door Eerde Schippers ontworpen eenvoudig ogend gebouw. Het restauratiebestuur van de toren, geformeerd uit de plaatselijke Rotary Club, had wel oren naar zijn plannen. Een museum namelijk zou de exploitatie van de toren ten goede komen. Mercuur had zijn bestuur gevonden en ging vol goede moed van start. Toen al had Thom rust en stilte voor ogen.

    Want”, zei hij destijds, “belvédère betekent mooi zien en dat geldt niet alleen voor het uitzicht vanaf de toren, dat zal straks ook het geval zijn in het museum. Het moet een museum van de stilte worden, geheimzinnig en boordevol mystiek.

    Maar staatssecretaris Geke Faber gooit in het jaar 2000 roet in het eten door het plan af te keuren. In de beslotenheid van het – ooit door hotelier Tjaarda aangelegde – bosperceel mocht geen museum verrijzen. Hij had het zijn laatste poging genoemd en leek een illusie armer. Maar doordat veel bruikleengevers steun hadden toegezegd en he bestuur niet meteen wilde afhaken zette Mercuur door. In samenspel met de gemeente Heerenveen en Staatsbosbeheer werd de huidige plek gekozen. Het geheel is volledig op de schop gegaan en heeft als het ware het karakter gekregen van wat ooi het plan was bij het Tjeukemeer: land en water, rust en riet. 

    Degene, die een dwarsdoorsnede van de Friese kunstwereld verwacht hoeft niet naar Museum Belvédère te gaan, want dat is niet wat Mercuur laat zien. Er hangt juist die kunst waarbij hij een bepaald gevoel heeft, een emotie die zich niet laat omschrijven. “Een schilderij dat technisch niet goed is, kan juist mooier zijn dan iets dat wel goed is”, zegt hij daarover. “Het heeft het of het heeft het niet. Gevoel is niet te benoemen. Heel mooi is niet altijd mooi. Daar zijn geen regels voor. Discussie over kunst is zinloos: je vindt het mooi of niet, punt.”

    “Het gaat er niet om hoe je schildert”

    In Friesland is in de vorige eeuw veel kunst gemaakt die te maken heeft met het landschap waarin ze is ontstaan. De mensen komen naar Friesland voor dat platteland en daarom moet die kunst ook te zien zijn in de provincie, vindt Mercuur. “Het Tjeukemeer was een goede plek, maar dit is meer uniek. Hier valt alles op zijn plek. Ik heb het onbewuste bewust gemaakt, want de vorm is ontleend aan de schoenendoos van vroeger. Ik kan niet schilderen, dus laat ik in deze kijkdoos het werk van anderen zien, dat ik mooi vind. De mensen zullen het gevoel zien waarmee het is gemaakt en waarmee ik het heb opgehangen. Friezen als Jan Mankes, Boele Bregman en Gerrit Benner zijn heel diep gegaan. Ik ben niet zo voor de realistische schilderkunst, daar heb ik weinig mee. Het gaat er niet om hoe je schildert, als je je ziel er maar inlegt.

    Mankes heeft een eigen kamer gekregen en Benner, die erg belangrijk was voor de Friese schilderkunst, kreeg er zelfs twee. Thijs Rinsema wordt getoond in samenspel met Kurt Schwitters en Theo van Doesburg in een speciale DaDakamer. Daarnaast gaan de stijlen van Chris Beekman, Vilmos Huszar en Lou Loeber goed samen. Tames Oud is verbonden aan Jean Brusselmans, James Ensor en Floris Jespers. Zo heeft Mercuur naar eigen inzicht en idee lijnen gemaakt en relaties gelegd. De opstelling van de vaste collectie kan wijzigen door te putten uit de bron van bruikleengevers, zij zijn als het ware het depot van het museum. De wisselende tentoonstellingen zullen altijd iets te maken hebben met die vaste collectie.

    Een museum moet de tijd overal op laten inspelen”, zegt Thom. “Bepaalde dingen zijn niet uit dit museum weg te denken, daar zal het ook bekendheid door krijgen. Er kunnen dingen bijkomen, maar nooit ten koste van de fenomenen waar het om draait: Sjoerd de Vries, Willem van Althuis, Jan Snijder, Christiaan Kuitwaard. Een Picasso krijgt ze hier niet weg, want die past niet in de collectie. Het gaat mij erom een beeld te geven van hier en de raakvlakken met elders, stijlgenoten in binnen- en buitenland. Het is een museum waarin de emotie een grote rol speelt. Geen museum van het grote geweld, maar rust en stilte. Dat wil ik vijf jaar leiden en dan waait er een frisse wind, omdat iemand anders – met andere inzichten – de leiding zal overnemen. Maar het moet wel telkens met hetzelfde gevoel worden ingedeeld.”

    Gepubliceerd in Stoockx, vakblad voor makelaars/taxateurs in het hogere marktsegment, uitgave van REG Media (nu Qualis Media), januari/februari 2005. Geïllustreerd met foto’s van Dolph Kessler.