Tag: schilderijen

  • De stilte proeven, de emotie smaken

    Bladerend door het boek proef ik de stilte. Ontdek ik de ontbladerde leegte die vol lijkt van ervaring en inspiratie. Het is de magie van de kunstenaar om het niets van de omgeving het iets van mijn emotie te maken. Door licht in het duister te laten schijnen heldert het zware gemoed op. In de stoffelijke gelaagdheid van het werk ligt een mentale verdieping. In zijn schilderijen probeert Rob Regeer de ongrijpbare, serene magie van het landschap vast te houden. De stille kracht van de natuur met mij te delen. Bladzij na bladzij overkomt mij eenzelfde gevoel als dat ik had bij het beschouwen van zijn tentoonstelling in Heerenveen. In de museum galerie betrad ik toentertijd een mysterieus bos, een magisch woud. “Maar is het wel een boomgaard dat ik zie, een veld met oprijzend gewas”, vroeg ik mij destijds af. “Ik kijk in de donkerte van de duisternis, de nachtelijke uren waarin de betovering van het onzichtbare op een hoogtepunt is. Want er is niets te zien achter de stakerige boomstammen, zo zolang het niet wordt aangelicht. Zo zolang er geen lichtpunt is die de omgeving waarneembaar maakt.”

    De stilte proeven is het spektakel smaken

    In het boek “Walk with me” merk ik dezelfde composities op, bekijk ik de zaalfoto’s van de in april 2024 bezochte kunstruimte. Maar er is meer in de uitgave te vinden wanneer ik in gedachten wandel met Regeer en me over zijn schouder kijkend verwonder over de bossen en de bergen, het water en de weide. De stilte is dramatisch aanwezig tussen de verflijnen, het ligt als een deken over de sfeer en als een gordijn voor de compositie. Dat zwijgen van de structuur weerhoudt een objectief kijken, sluit mijn gevoel buiten. Die vredigheid moet me wel overkomen, het werk legt me dat op wanneer ik er oog voor heb. Maar dat schijnbaar onverstoorde karakter is zo breekbaar als één nacht ijs. Het lijkt een stilte voor de storm, een natuurlijke kalmte waarachter een menselijk rumoer schuilt. De stilte proeven is het spektakel smaken. Het is een vreedzaam moment in de tijd, waarvoor het heibel was en waarna de hel losbarst. Welhaast een hof van eden waar geen geween is en geen tandengeknars, maar de hel op aarde is de ergste duisternis. En daarvoor sluit Regeer zijn ogen niet, hij probeert in gedachten de surrealistische schoonheid binnen te halen in de gedachteloze willekeur de aarde naar ’s mensen hand te zetten.

    De uitspraak van Marcel Proust voor in het boek, nog voor de werken mij onder ogen komen, zegt veel over hoe Rob Regeer de bezochte omgeving ervaart: “The real voyage of discovery consist not in seeing new sights, but in looking with new eyes”. De kunstenaar vult dat zelf aan: “ik kijk en ik zoek naar hoe ik de wereld zoals ik die zie kan tonen”. Regeer geeft mij die nieuwe ogen, zet mij een andere bril op de neus, zodat ik geen nieuwe omgeving ontdek maar er met andere ogen naar kijk en het met een ander gevoel ervaar zodat het een nieuw karakter lijkt te hebben: “de natuur is er altijd, het bos, de bomen, of wat daarvoor kan doorgaan. geen bladeren, geen realisme, alleen vormen”. Kijk ik naar de composities denk ik wel een werkelijkheid te zien, echter is het geen realistische echtheid. Het zouden bomen kunnen zijn, het kunnen bergen zijn, het is een boomhut omdat het die vorm heeft. Mogelijk, het is echter de inbeelding, de verbeelding, waarmee de kunstenaar speelt om zijn verhaal te schrijven. Waarmee hij volgens kunstjournalist Mark van der Voort een schaduwwereld ontvouwt. “Hier vechten licht en duisternis hun eeuwige strijd uit. (…) Rob Regeer schildert filmische beelden die op je netvlies blijven branden.”

    De ijle lucht beklemt de sfeer

    De kunstenaar verleidt de kijker in eerste instantie met schoonheid. “Maar het werk is ook een spiegel voor degene die ervoor staat”, vindt hijzelf. “Het is een droomwereld die zich iedereen kan toe-eigenen, maar wel een wereld die prikkelt en vragen oproept.” Rob Regeer maakt niet zomaar ondefinieerbare platen van de realiteit. De kunstenaar wil mijn verbeelding prikkelen door ongerijmde voorstellingen te maken. Mij op een verkeerd been zetten zodat ik ga nadenken over wat ik zie. Mij ga bezinnen op de actualiteit. Hij trekt mij zijn magische wereld in. Daar ervaar ik de schoonheid die niet schijnt te kloppen. De verbeelding krijgt er de ruimte zich te uiten. Het werk ontroert op een onbestemde manier. Het past esthetisch juist, maar achter die luister klinkt een duister geluid. Het gebeelde mysterie is onheilspellend.

    Het Regeerbos lijkt doods transparant, de boomstammen laten licht door of weerkaatsen het. De takken zijn kaal, er is geen blad te bekennen. Het zijn staketten, pilaren in een ecologische kathedraal. De bladen komen later in een ander thema op de proppen, daar dwarrelen kroonbladeren door en voor kreupelhout. Dan wanneer Regeer het licht laat zijn komt er leven in de brouwerij, gaat er een onheilspellend wezen vanuit het zijn. De kunstenaar speelt met het licht in de atmosferische ambiance. Door dat schijnsel ontstaat een beklemmende sfeer, een unheimische stemming. Het meer tussen de bergen kent vele variaties blauwen die de rotsformaties in tegenlicht zwart doen helderen. Het doet me veronderstellen dat er meer moet zijn achter die flanken over het water. Ik zou daar willen wandelen om over de rand te kijken in een iets dat vermoedelijk niets blijkt te zijn. Zo zoals het seriematig silhouet van een berghut, waar het licht – is het de zon – in wisselende weersomstandigheden vanachter schijnt. De ijle lucht beklemt de sfeer, bedwelmd het zicht. In dergelijke series experimenteert Regeer met het beeld, daagt het licht uit en zoekt de waarde van de kleur.

    Het licht is een belangrijke metgezel

    De hutten verraden een teken van leven in de verlaten bossen. Er schijnt licht door de ramen. Wat gebeurt daarbinnen, wordt er teruggekeken wanneer ik tussen de stammen dwaal en gluur. Mijn ogen de kost geef, mijn blik voed. En dan stuit ik op talloze lichtpunten die door de schepper tussen de stammen zijn gestrooid. Die oplichtende punten lijken vuurvliegjes, die het licht van de dag aten om het uit te spuwen in de nacht. Het daglicht klinkt zo door in de nachtelijke duisternis. Echter blijken het bij nader inzien en betere beschouwing geen puntjes te zijn, maar putjes in de compositie. “Wie het werk tot op armlengte nadert”, schreef ik bij de tentoonstelling, “ontdekt dat de schildering eigenlijk een reliëf is. De materie ligt dik op het doek. De stammen verheffen zich waarin de putjes verf zich verlagen. De vuurvliegjes blijken kleine klankschalen. Het licht echoot zo geluidloos door het bomenbos.” Maar dat driedimensionale karakter wordt in het boek niet opgemerkt, daarvoor moet het werk live bezocht en bekeken worden.

    Met Regeer bestijg ik toppen en daal af naar bergweiden. Ik loop met hem op stap voor stap, wandel in zijn landschap dat warm oplicht in een waterkoude rilling. Het licht is een belangrijke metgezel, het wijst als een gids de weg. Hoewel de schilderijen vol van abstract leven zijn, is er geen beweging te bekennen. Aan het slot van het boek nodigt Rob Regeer mij daadwerkelijk uit met hem op pad te gaan. Ik bestudeer zijn reisfoto’s, herinneringen van onderweg. De wandelingen vastgelegd als inspiratie voor in het atelier. En dan bemerk ik dat Regeer deze beelden heeft bevroren door zijn composities. Het zijn dat hij meenam is thuis verstild in gestileerde landschappen. Het is de beweging ontnomen om een dynamische sfeer op te wekken waarin de stilte kan worden geproefd, de emotie gesmaakt.

    Walk With Me. Rob Regeer, schilderijen. Tekst Mark van der Voort, Maarten Moll, Rob Regeer. Uitgave Jan van Hoof Galerie & Van Spijk Art Books, 2025.

  • Ongeloof opzijzetten en overgeven aan de waarheidsfictie

    Het is dat ik de wekker slaapdronken uit de tijd sla en daardoor half uit mijn nachtrust kom, nog niet helemaal wakker, dan wel fris en fruitig ben. Op de grens verkeer tussen droom en werkelijkheid en dat het paspoort vrijwel verlopen is. De douane houdt me tegen, doorzoekt mijn weten, maar stuurt me niet rechtsomkeert. Ik mag terug naar het vaderland – mijn realiteit. Dat de deur op meer dan een kier staat maar nog niet open is, dat de hefboom halverwege het opwaarts bewegen stokt. Ik krijg wel een beeld, maar dat is half af. De werkelijkheid is wazig, nog. Het is een niemandsland, van echt en onecht te onderscheiden.

    Voordat ik me in de ogen wrijf, de slaap afleg om opgewekt uit bed te stappen, word ik beelden gewaar in figuraties zoals Aaron van Erp op papier en doek placht te zetten. Hij schept mij een wereld tussen droom en werkelijkheid, die schemerig is en nooit volmaakt. Meestal is het in zijn gedachten een nachtmerrie waaruit ik ontwaak. Of in elk geval een niet te definiëren ervaring. Geen schone schijn. Geen natte droom. Maar een illusie als metafoor van de werkelijkheid. Geen bedrog derhalve, want de schepping van Van Erp stijgt uit boven de waarheid. Is nog heftiger dan de werkelijkheid en streeft de waarheid voorbij.

    En ik zit beduusd op de rand van mijn bed. De gedroomde beelden schieten door mijn hoofd en langs mijn blik. Omdat ik me in het schemergebied van in slaap zijn en wakker geworden bevind, is de figuratie incompleet maar grotesk volkomen. Tegen een abstract decor van verschoten kleuren spelen zich surrealistische situaties af. Suggestief, waarbij ik denk te weten wat ik zie maar op een verkeerd been ben gezet.

    Verweesde sinistere werelden

    In de schilderijen en tekeningen ontvouwt zich een waar slagveld. Is het schilderij nog weleens bevallig van toon, de tekening is genadeloos scherp en meest zwartgallig. Daar spat het bloed figuurlijk en hangt het vlees letterlijk. Droom ik nog even door of is de werkelijkheid echt zo ongenadig niet van deze wereld. Vol ongeloof schuif ik de dag nog even voor me uit. Wil ik de morgenstond nog geen goud in de mond leggen. Liever soezel ik door, nog even met de ogen gesloten. Maar daar doemen dan voor mijn netvlies weer de onprettige types die voornamelijk onaangename interacties met elkaar aangaan op. De beeltenissen van Aaron van Erp zitten in mijn hoofd en dreunen door, zoals een vervelend lied blijft rondzingen heb je het eenmaal gehoord. Zijn figuraties, nauwelijks definieerbare ietsen in onheilspellende handelingen, grijpen mij bij de kladden wanneer ik de uitgave “Suspension of Disbelief” heb door gebladerd. Aaron van Erp doet mij geloven in de waarheid van zijn werk, door mijn ongeloof in zijn manier van tekenen en schilderen opzij te zetten om in de context van de bizarre tonelen te doen geloven.

    De verweesde sinistere werelden waar een stille dreiging rondwaart laten mijn zicht niet los heb ik eenmaal inzicht gekregen. De rauwe waarheid is onverpakt, de realiteit niet mooier gemaakt dan dat deze is. Geen zoete droom, maar een zoute nachtmerrie. Zoals in de nacht de plek en de situatie waarin de handeling zich afspeelt onbekend blijft, althans niet grijpbaar wanneer uit de slaap gewekt: het is maar amper na te vertellen, enkel in de fantasie lijkt het verzonnen. Zo is de geschilderde omgeving even ongrijpbaar en abstract. Het zal een landschap zijn, want vaak is er wel iets van een horizon. Het zal een huiskamer zijn, want vaak is er wel een plint en hangt iets van een tekening aan de muur en staat er een tafel. Het is niet meer of minder een decor, de actie bepaalt iets van een verhaal.

    Van Erp maakt schilderijen waarin hij nog weleens correcties kan doorvoeren, een figuratie die bij nader inzien niet past wegvegen maar het wezen toch laten. Zo zodat de kijker de geschiedenis van het werk voor ogen houdt. In tekeningen kan Van Erp niet op zijn schreden terugkeren. “Tekenen is veel directer”, zegt hij daarover. “De strijd is eerder gestreden en het komt veel sneller op een punt dat er geen weg terug meer is. (…) Je accepteert wat je hebt, of je verscheurt de boel.” Daarom schrik ik bij de tekeningen wakker, terwijl de schilderijen mij nog even laten dagdromen. De schilderijen schijnen kunstzinnige fantasieën, terwijl de tekeningen vertellen waar het op staat; de gewelddadige waarheid.

    Wat wij niet willen zien

    Het werk van Aaron van Erp past een schoonheidsideaal niet, ze beantwoorden niet aan het principe van de esthetica, het zal derhalve niet in de huiskamer boven de bank hangen. Het werk is afstotend en in meerdere gevallen zelfs afstotelijk, omdat het ons een spiegel voorhoudt. Ons fundamenteel gebrek en ons onherstelbaar tekort spiegelt in zijn schilderijen, onze blinde razernij en onstuitbare drift kan niet vergeleken worden met een beest. Want wij hebben een geweten, terwijl het dier uit gaat van instinct. Wij onderscheiden goed en kwaad. Verheerlijken het kwade, omdat het ons verder brengt dan het goede. Dat is wat Van Erp ons schrijnend voorhoudt en ons doet walgen. Niet het werk schrikt af maar onze getoonde onhebbelijkheden staan ons niet aan. De kunst van Aaron van Erp toont scherp wat wij niet willen zien, waarvan wij denken niet te kunnen genieten. Wel ter lering, niet ter vermaak. Maar “Aaron van Erp kent geen symboliek, geen afgemeten interpretatieschema’s, geen propagandaplaatjes en belerende scènes. Geen goed en geen kwaad.” schrijft Henk Visch.

    Want het boek telt enkele interessante bijdragen van kunstcriticus Kees Verbeek, beeldend kunstenaar Henk Visch dus, museumdirecteur Ron Dirven en kunstverzamelaar Henk Pijnenberg. Samen met galeriehouder Jeroen Dijkstra geven zij mij van diverse kanten inzage in denken en werken van Aaron van Erp. Het opent wel mijn inzicht, maar laat dikwijls teveel aan achtergrond zien. Wanneer de voorkant – de zichtbare afbeelding – wordt omschreven, de achterkant – het ten grondslag liggend denkbeeld – is getoond raakt het werk een zeker magie kwijt, de betovering verdwijnt min of meer. Ik zal graag zelf willen weten wat ik zie, terwijl de bijdragen mij toch een zekere richting insturen. De titels van de werken wijzen dan echter een andere koers, dat is weer aangenaam. Die titels geven de werken een vermakelijke draai, geestig als een boer met kiespijn. Zo kan de titel een doekje voor het bloeden zijn, een schone pleister op een stinkende wonde. Ik ben een martelaar, pijnig mijzelf met “Suspension of disbelief” en ik vind het fijn.

    Suspension of Disbelief. Aaron van Erp, schilderijen en tekeningen. Tekstuele bijdragen van Jeroen Dijkstra, Kees Verbeek, Henk Visch, Ron Dirven en Henk Pijnenburg. Uitgave Livingstone Editions & Van Spijk Art Books, 2025.

  • Vette tekeningen met commentaar op de menselijke toestand

    Hij tikte onlangs de 75 aan. Driekwart eeuw oud en nog altijd actief als een jonge hond. En zeker van zijn zaak. Overtuigt van het eigen kunnen. Heeft een uitdrukkelijk eigen stijl en steekt daarmee met kop en schouders boven het maaiveld uit. In een ver verleden opgeleid als kunstenaar aan de Gerrit Rietveldacademie heeft hij die kennis links gelaten en is recht op zijn doel afgegaan. Verdient zo een eigen plek in de kunstgeschiedenis, een eigen genre in de Nederlandse traditie en de vaderlandse canon.

    Het werk van Roland Sohier is een vak apart, want hij laat zich niet in een hokje stoppen. Geeft zijn kijk op de menselijke toestand ondubbelzinnig beeld. Hij schopt daarmee tegen de naakte waarheid aan en blaast meerdere heilige huisjes omver. Dat niet iedereen de noodzaak van zijn onomwonden beelden inziet blijkt uit het feit dat de Facebook-factcheckers meerdere malen zijn tekeningen verwijderen als zijnde ongepast, een aantasting van de goede zeden. Maar Sohier laat zich niet afschrikken en blijft stoïcijns zijn werk plaatsen. Want zijn schilderijen en tekeningen moeten de wereld in, gezien worden, bekeken zijn. Sohier heeft een boodschap en maakt deze boordevol cynisch sarcasme kenbaar.

    Beduimelde kraamkamer

    Hij is op een gezonde manier vervuld van zichzelf. Geeft hoog op van zijn kunnen, want als hij het zelf niet doet wie zal het dan voor hem doen. Alex de Vries? Jeroen Wielaert? Ik? Dus geeft hij in eigen beheer rond iedere jaarwisseling een magazine uit, dat een inkijk geeft in de resultaten van dat afgelopen jaar. Met niets verhullende titels als “Tekeningen die er toe doen”, “Tekeningen waarvan je staat te kijken” en “Tekeningen waar je niet omheen kan”. Najaar 2024 gaf hij een kwartetspel uit, zodat ingewijden en buitenstaanders zijn werk door de vingers krijgen. – “Mag ik van jou van Vette tekeningen, Trouble in Paradise?” – “Die heb ik niet, maar heb jij Tree of life van De Ruimte in voor mij?” – “Ja, kijk.” – “Kwartetteketet!!!

    Sohier weet dat hij goed werk levert, grensverleggend en onalledaags. Daarin blijft de geschiedenis van ontstaan naar resultaat zichtbaar, als een heldere blik in een morsig atelier. Een beduimelde kraamkamer, in de hoop dat schoonheid wint! Van eerste lijn tot laatste vlak volg ik de welsprekendheid van Sohier, de zeggingskracht van gevoel naar uitdrukking. Niet meteen staat wat gedacht is juist op papier. Juist het intact laten van de voorgeschiedenis geeft het werk een attractieve kant. Het is of pleeg ik een opgraving, onderzoek ik als archeoloog de geschiedenis van de tekening. Mislukte delen blijven zichtbaar ondanks dat deze zijn weggegumd. Geknipte details uit ander werk is geplakt zodat een collage ontstaat. Diverse lagen geven daardoor een tastbare verdieping. Contemplatie holt mentaal het zicht uit, reflecteert in gruizige eerlijkheid. “Schilderijen die je gezien moet hebben” en “Schilderijen die iets betekenen” werken over de jaren naar een apotheose in “Vette tekeningen”, de meest recente uitgave.

    Hoge creatieve status

    Deze tekeningen in het laatste magazine zijn niet vet omdat ze met vetkrijt op papier zijn gekalkt, integendeel, maar omdat het te gekke werken zijn, gaaf en leuk. En mij vooral een spiegel voorhouden, de clown uithangen want ik ben de onbenul in deze, de kluns. Sohier bekleedt als de nar een bijzondere sociale plek in de kunst. Als kunstenaar staat hij met zijn schetsmatige en bij tijd en wijle naïeve tekenstijl schijnbaar onderaan de kunstzinnige ladder. Echter kan hij als mens heel goed de maatschappij en de spelers daarin doorgronden en ons kijkers naar zijn werk voor de gek houden. Hij gaat in tegen de heersende opvattingen. Als nar, paljas of hansworst, wordt hij daarvoor niet gestraft anders dan verwijdering van Zuckerbergs speeltje. Als beeldmaker heeft hij daarom juist een hoge creatieve status, want hij is bij machte mij op de lange tenen te staan en mij op de neus te laten kijken. En vooral mij met en door zijn werk figuurlijk eens goed kietelt zodat ik er bijkans zinnebeeldig dood bij neerval.

    Wat opvalt zijn de voor beschaafde kijkers ordinaire handelingen die de figuren uitbeelden. De grensoverschrijdende gedragingen die overigens volledig met instemming van de lijdende voorwerpen plaats vinden. En de dynamiek die daarmee gepaard gaat. De personen in de werken van Sohier zijn voortdurend in beweging. De kunstenaar legt zijn figuren niet stil, bevriest de activiteit niet, maar laat de lichamen worstelen, over mekaar tuimelen. In een enkele tekening beziet Sohier het lichaam van diverse kanten. Daardoor kan het model een teveel aan benen en armen hebben of een overvloed aan billen en borsten. Maar juist dat zicht van meerdere zijden en de kijk op een veelheid aan houdingen maakt het werk zo energiek en temperamentvol.

    Met een lach en een traan

    De clowns rollebollen door de piste. Het naaktmodel laat zich onbeschaamd van alle kanten zien. De Januskop laat zich stapelen tot een totem. In die Januskop benadrukt Sohier dat iets of iemand diverse, vaak tegengestelde, eigenschappen of karakteristieken kan hebben. In die beeldspraak, in dit geval het sprekende beeld, laat hij zien dat niets vaststaat, dat echter alles voor velerlei uitleg vatbaar is. Enerzijds dan wel anderzijds, dit of dat, kiezen of delen. Zijn werk heeft meerdere lagen van verklaring, maar het heeft daarentegen een enkele motivering – het commentaar op het actuele zijn heeft slechts deze unieke lezing. Hoewel de argumentatie omfloerst verbeeldt lijkt, uit meerdere lagen schijnt te bestaan, is de beeldende redenering toch helder en klaar.

    Met een lach en een traan duidt Roland Sohier de wereld, de opgeklopte en aangedikte figuren die de mensheid vormen daarin. Slechts de figuurtekeningen naar naakt model zijn zonder reden gemaakt, niet anders dan om het vrouwelijke lichaam te verheerlijken – een orgie aan schoonheid weer te geven. Sohier schijnt in zijn werken te experimenteren om tot een juiste uitbeelding en een vaste voorstelling te komen. Echter weet hij in de groezelige en smoezelige, de onfrisse en beduimelde tekeningen tot een duurzame en onverzettelijke representatie van het huidige mensdom te komen. Zijn kunst is een cynische reflectie op het bestaan, een ironische kijk op het zijn. Met ieder magazine zet de kunstenaar zich meer af tegen het mensdom waarvan hij tegen wil en dank deel uitmaakt. Vooral in het huidige tijdsgewricht zou jij je doodschamen mens te zijn. Dat is wat Roland Sohier in zijn kunst vaststelt en vastlegt. De tekeningen mogen dan grappig lijken, deze verbeelden tijden die zeker niet vermakelijk zijn.

    Vette tekeningen. Gummen, gummen, gummen, je herpakken en doorgaan. Roland Sohier. Uitgave in eigen beheer, voorjaar 2025.

  • Drift tot schilderen druipt van doeken

    Het schilderij dat gemaakt moet worden. De inspiratie die het verdient een afbeelding te krijgen. Iedere keer wanneer Daniëlle van Broekhoven voor een leeg doek staat, is er de drang dit te vullen. Te bekladden met ervaringen die ze opdeed gaande langs stad en land, over berg en dal, de paden op de lanen in. De beelden die ze tijdens wandelingen opdoet gisten in haar gedachten. De ideeën voor weer een nieuw schilderij borrelen uit dat proces op. Als in een roes gaat ze aan de slag, want de verbeelding moet een afbeelding gaan krijgen.” Zo begon ik in november 2021 mijn beschouwing over de uitgave ‘Layers’: De natuur in verf vertaald en gelaagd. Ik zou dat stuk vrijwel een-op-een hier kunnen overnemen, want het standpunt van Daniëlle van Broekhoven om te schilderen is niet veranderd. Met dezelfde daadkracht gaat zij te werk, dat blijkt uit de kamerpresentatie in Museum Belvédère. Maar overschrijven of herschrijven doet haar werk geen eer aan, dus ik begin opnieuw.

    Het is niet toevallig dat de kunstenaar een schepper is. Want uit niets maakt de kunstenaar iets, zoals de Schepper van een woest en ledige wereld een vruchtbare aarde maakte, een land van melk en honing. Maar is dat niets werkelijk niks, nul, nada. Of schijnt in de donkerte toch een puntje licht al. Zit in het zwart toch een stipje wit. Is in de leegte toch een sprankje hoop. De beeldhouwer legt in de klomp steen een beeltenis bloot. Die figuratie zat altijd al in de ruige hardheid verborgen. Het was er al maar niemand anders dan de kunstenaar zag het. Zo is het beeld dat Daniëlle van Broekhoven op het lege doek vastlegt al aanwezig zonder dat het voordien zichtbaar was. Dat wat zij zag in de natuur, herinneringen en gedachten bij situaties, komt ogenschijnlijk intuïtief op het linnen te staan.

    Expressief en vol levenslust

    Mijn werk toont een weergave van natuur, maar misschien nog meer de actie van het schilderen”, schrijft zij in een magazine dat Van Broekhoven in eigen beheer uitbracht als catalogus bij haar kamerpresentatie in Museum Belvédère. Daar toont zij enkele representatieve composities uit haar oeuvre. Aan de doeken is de drift tot schilderen af te lezen. Het is geen heilig moeten dat scheppen van Daniëlle van Broekhoven, maar veel eerder en meer een gemeend willen. Ze ziet er niet tegenop aan het werk te gaan. Verzint geen andere werkzaamheden, zoals het atelier opruimen en verfpigmenten op volgorde leggen, om de dagelijkse arbeid maar zo lang mogelijk uit te stellen. Zij gaat juist graag en veel aan het werk. Het is een hoger goed waarmee ze bezig is. Ze kan niet anders maar ze wil ook niet anders. Dit is haar leven, haar zijn, haar natuur. En die levenslust straalt ze in en door haar werk af op de beschouwer. Deze wordt er vrolijk van. Weet zich opgenomen in de kleuren en de verflagen.

    Expressief en vol levenslust staan plantaardige figuraties op de schilderijen. In iedere verfstreek klinkt het plezier van de kunstenaar. Door het riet en de oeverplanten ruist de zin in het scheppen, de lol van het creëren. Althans ik denk dat ik naar riet en planten kijk. Deze verfstreken geven de idee van vegetatie, maar de flora is abstract weergegeven. De aanleiding, de inspiratie, ligt in de natuur. Maar wat Van Broekhoven ermee doet heeft, zoals ze zelf opmerkt, minder met de werkelijkheid te maken dan met het werken in een abstracte atmosfeer.

    Waarneembare realiteit en abstracte ervaring

    Ik stel me haar zo voor bezig in het atelier. Het opgespannen linnen wordt op de vloer gelegd. Het is maagdelijk wit, onbevlekt, onaangetast. Er schijnt geen figuratie te zijn nog, geen beeltenis op het doek. Maar Daniëlle kijkt ernaar, sluit haar ogen en stelt zich een herinnering voor. Er verschijnt achter haar oogleden en in gedachten een kleurig beeld. Ze opent de ogen en dat beeld wordt als het ware geprojecteerd op het doek. Ze hoeft het alleen nog maar over te trekken. Zoekt de penselen, kwasten en de verf bij elkaar, sorteert de kleuren en gaat aan het werk.

    Er is geen schets, enkel de gedachte projectie, voordat ze bezig gaat. In het hoofd houdt zich de impressie schuil, deze moet bevrijd en er via handen en armgebaren uit. De gedachte kan al werkend worden aangepast en bijgeschaafd. Ze schildert nat in nat met olieverf en acrylverf. Laag over laag. Ze schuurt delen weg en vult details in. Zo boetseert zij het beeld op doek, ontstaat uit het schijnbare niets een herkenbaar iets. In lengte en breedte een monumentaal werkstuk, in diepte een tastbare abstractie. En van de natuurlijke waarneming blijft weinig over, deze is alleen nog vaag in de achtergrond zichtbaar.

    Deze werken begeven zich tussen waarneembare realiteit en abstracte ervaring. Op die grens kan de aandacht de kant van contemplatief contact opvallen of vervliegt de voeling in het voorbijgaan naar een andere kamer in het museum. Het is nauwelijks voor te stellen dat dit werk een iemand niets doet of een ander persoon koud laat. De expressiviteit die van de impressie uitgaat is bindend. Het kleurgebruik overheerst niet, maar is zo overwogen in balans met de figuratie dat het dwingt tot kijken. En kijk je dan, dan houdt het de blik magnetisch vast.

    Magazine bij presentatie

    Het magazine bij de presentatie toont naast de werken die daar te beschouwen zijn een handvol foto’s. Het zijn platen van momenten van inspiratie. Deze fotografie past welhaast naadloos in het plaatje van wat Van Broekhoven met haar schilderijen wenst te duiden en wil vertellen. In deze foto’s zie je als het ware het schilderij opdoemen. Deze vastgelegde waarnemingen in snapshots zijn terug te vinden in haar kunst. De kunst die invoelbaar is. Waarbij ik het moment ervaar.

    Er is een foto waarop hoogwater sporen heeft achtergelaten tussen beplanting, kiezels heeft aangevoerd en achtergelaten. Voor mij is dit residu een metafoor voor de kunst van Daniëlle van Broekhoven. Haar beeld op doek is een overblijfsel van waarneming. Een bezinksel van de emotie bij de plek, het gevoel van wat de natuur te bieden heeft. En die ontroering brengt zij over op de beschouwer. Ik noem in deze de compositie ‘Pines’ bij name omdat ik het meermalen met witte handschoenen aan heb mogen vatten. In mijn tijd als collectiebeheerder van Museum Belvédère heeft deze instelling het aan de verzameling mogen toevoegen. Het bos met dennen lijkt ondergesneeuwd. Ik krijg het er koud van. Dat is wat kunst met je kan doen. Het werkt op je zintuigen. Maar in die kou is warmte, enkele verftoetsen geel en rood brengen een behaaglijke sfeer waarin ik mijn ogen te goed doe.

    Tot slot eindig ik door mijn eigen woorden van toen te citeren: “De compositie is een botanische rijkdom. Vooral wild als een vroege scheppingsdag, niet gecultiveerd en ontgonnen door de geëvolueerde mens. Het is er woest binnen de kaders, maar nooit ledig en altijd in evenwicht. Een lust voor het oog, zo moet het paradijs er hebben uitgezien, ooit eens. Het is een imaginair beeld, een onwerkelijk voorkomen. Daniëlle combineert gedachten tot een bedacht geheel. Maar het kan best wel zo bestaan.”

    Van nature. Kamerpresentatie schilderijen Daniëlle van Broekhoven bij Museum Belvédère, Oranje Nassaulaan 12 in Heerenveen-Oranjewoud. Van 25 januari tot 30 maart 2025.

  • Op het balkon komt de binnenruimte buiten

    Het is een sport, wanneer ik met de hond een blokje om ga, terloops vluchtig bij anderen door het raam naar binnen te kijken. Te gluren naar de buren. Langs lopen, niet voor me uitkijken maar langs de neus weg zijdelings de blik wenden. Zonder dat deze kruist met die van de mens daar achter de geraniums. Om te zien hoe de ander leeft, wat er in de kamer staat, de bank waar op gezeten wordt, op welk net de televisie staat. Vooral in de avond wanneer de ruimte verlicht is kan het schouwspel daar binnen de aandacht trekken. Echter kunstschilder Jannes Koetsier is niet zo een voyeur als ik dat ben. Hij kijkt wel naar de ramen, maar zijn blik reikt niet verder dan het balkon. Wat daar gebeurd heeft zijn inspiratie. Daarmee lijkt zijn belevenis plat, een eendimensionale ervaring. Wat er achter de ramen is blijft vaag en onbereikbaar.

    In zijn serie “Balkon met .. ” is de begaanbare uitbouw aan het gebouw zijn model. Daarvan maakt hij als het ware een stilleven. Beschouwt de actie in de buitenlucht en legt deze intiem vast. Het balkon is de drager van de gebeurtenis. Op die drie vierkante meter, op het schilderij gereduceerd tot poppenhuisverhoudingen, rangschikt Koetsier het onderwerp. In een losse schildertoets en trefzekere verfstreek, de verf wordt gezien en is nadrukkelijk aanwezig, beleven zijn figuranten hun vrije tijd. Zij spelen het spel van de schilder mee zonder zich daarvan bewust te zijn. Ze worden dubbel bekeken. Eerst door de kunstenaar en later door de beschouwer van het schilderij.

    Het meest alledaagse bijzonder

    Jannes Koetsier heeft een deel van zijn serie balkons gevat in een onder eigen beheer uitgebracht boekwerk. Dat geschrift laat zich bekijken als is het een expositie. Het gaat zonder begeleidende en uitleggende tekst, het is een zaak van kijken, bewonderen en verwonderen. Slechts zoals in de tentoonstelling dat ook het geval is heeft iedere compositie een tekstbordje met titel, jaar van ontstaan en afmeting van de compositie. Door het grote formaat van het boek komen de kleine schilderijen goed tot hun recht, want vele daarvan zijn daardoor op ware grote afgebeeld. Aan het slot zijn nog enkele foto’s toegevoegd om te tonen hoe Koetsier ter plekke in de buitenlucht werkt, en een overzicht van een tentoonstelling in het Gorcums Museum.

    Koetsier laat zich betoveren door wat hij ziet. Hij maakt in het schilderij het meest alledaagse bijzonder met uitgesproken kleuren en een duidelijke toets. De handeling, het tafereel, laat zich bekijken. Als een stilleven vastgezet in de tijd. Een stedelijk landschap, althans een detail daaruit. Dat Koetsier dit onderdeel van zijn oeuvre maakt doet het ertoe, is de alledaagse gebeurtenis bijzonder. De kunstenaar tilt het uit de dag, snijdt het los uit het grote geheel. Daarop gaat hij los en laat mij ernaar kijken. Ik, de voyeur, die graag naar binnen kijkt bij anderen.

    Semi afgesloten binnenruimte

    Met het balkon schotelt Jannes Koetsier mij een gebakje voor, waarop ik zelf de kers moet zetten. Zelf doorzien wat daar nu eigenlijk gebeurt, waarom het zo bijzonder is buiten dat het een onderwerp voor een schilderij is. Wat beweegt de kunstenaar om juist dit balkon en deze plek te verheffen in de tijd. Vast te leggen en daarmee te vereeuwigen voor nu en later. Juist door deze plek, die er voor de buitenstaander minder toe doet maar voor de bewoner het contact met de buitenwereld is, te nemen als model is het een meer bijzondere plaats geworden. Daar gebeurt het, daar laat de bewoner zich zien. Daar zwaait hij naar mij en door hem spreekt de kunstenaar tot mij.

    Het balkon is een semi afgesloten binnenruimte. Daarop en daarmee laat de bewoner iets van zichzelf zien. Het is wel een openbare ruimte maar tevens een eigen persoonlijke plek. Vooral bij mooi weer komt binnen naar buiten. Wordt het balkon een eldorado, want de eigenaar heeft meestentijds geen tuin. Dus wordt de besloten plek vol gezet met planten en zithoeken, snuisterijen en hebbedingen. Slechts wanneer het geld er rolt of tegen de plinten klotst is het balkon een prestige object, een armatuur aan het huis. Daarop laat de bewoner zich nauwelijks en liever niet zien. Dergelijke balkons vormen echter geen onderwerp voor Koetsier.

    En plein air

    Waar de balkons in zijn werk gesitueerd zijn wordt niet altijd evengoed duidelijk. Is echter van geen belang, wel is zichtbaar dat deze meestentijds langs flatgebouwen hangen. Maar het adres is onbekend. Het is niet waar, het is hoe. Aan het balkon herkent men de bewoner. Laat me zien hoe je balkon is en ik weet wie jij bent. Maar het gaat Koetsier niet om de inhoud, niet om de mens. Het gaat hem om het plaatje, het stilleven. In de traditie daarvan is dit een speelse variant. Bijna een vanitas, want was is komt niet terug, het is was in de tijd, kneedbaar en breekbaar, het vergaat, ijdelheid. Dat moment van dit zijn legt de schilder vast, die tel van wezen bevriest hij in zijn werk.

    De schilder werkt voor deze serie en plein air. Dat wil zeggen dat hij zijn veldezel buiten neer zet, een klein doek er op zet en zich er toe zet. Hij vindt in de buitenlucht een geschikt standpunt, kiest het meest verrassende en inspirerende blikveld waarin de focus op een enkel balkon of een groep uitbouwsels ligt. Uit de voortgang van de tijd kiest hij een compositie. Nat in nat als een snelle schets van het moment. Impressief met een scherp oog. Een spiedende blik, een glurende kijk. Ook is het balkon als onderwerp wel bijzaak wanneer het oog valt op mannequins in zwemkleding, verhullend de aandacht trekkend. Dan is het balkon de aanleiding maar zijn de dames de afleiding. De snelheid van observeren maakt niet duidelijk wat precies op die balkons gebeurd. Vaak verhullen parasols ook wel de gebeurtenis.

    Vrolijke serie schilderijen

    In iedere vormgeving ziet Koetsier een monumentaal moment. Dat schept een grote diversiteit in de serie. Want zoals geen mens gelijk is lijkt nauwelijks elk balkon op de ander. Ieder individu geeft er een eigen invulling aan. Zelfs de bescheiden balkons van Oosterpark krijgen door het penseel een persoonlijkheid. Veelal worden de balkons niet en face bekeken, maar van onder af in kikkersperspectief. Steeds is er de onderkant van de betonplaat zichtbaar, want natuurlijk bevindt de plek zich boven ooghoogte.

    Het is een vrolijke serie schilderijen, het plezier in schilderen straalt van de doeken af. Koetsier beschouwt het onderwerp creatief op een recreatief moment. En is de plek dan verlaten of niet in gebruik dan zorgt de lichtval en de kleurbehandeling wel voor een aangenaam uitzicht. Natuurlijk staat het balkon model, maar is de mens als zodanig daarop dat niet. Wel komt het gevoel dat de mens uitdrukt in de indruk naar voren. Doet deze zijn of haar ding dan wordt de schilderende voyeur niet opgemerkt. Dat ene moment dat Koetsier beschouwt blijft dus niet vast liggen in de tijd. Hij moet dat ogenblik vasthouden op zijn netvlies om het zo natuurgetrouw mogelijk, maar wel in de eigen schilderstijl, vast te leggen.

    Huis-tuin-keuken balkons

    Er zijn balkons in allerlei soorten, maar weinig in verschillende maten. Het zijn intieme en exclusief begrensde vierkante meters. Niet langer dan het appartement breed is, soms zelfs minder ruim. De hekjes zijn wel van diverse makelij. Flats hebben een betonnen fabrieksmatige omheining. Slechts zelden heeft de schilder daarvoor belangstelling, want daarachter blijft veel onzichtbaar verborgen. Zijn focus is op de balkons met spijlen. Deze zijn transparant, de gebeurtenis is zichtbaar.

    Verder zijn het de huis-tuin-keuken balkons die de aandacht hebben. Slechts een enkele keer valt zijn blik op monumentale uitbouwen met gepleisterde omheining. En veelal is de afmeting beperkt tot de breedte van twee openslaande deuren. Deze past mooi in de verhouding van de compositie, blijft handzaam binnen het kader. En alles wat door het leven is getekend heeft een verhaal, daarom spreken mij het “Versleten balkon” en “Frans balkon” erg aan. Niet alleen het balkon is versleten, het schilderij daarvan gemaakt draagt ook de sporen van vergankelijkheid. Op een treffende manier heeft Koetsier de tijd stil gezet, terwijl de voortgang ervan zichtbaar blijft. Het is een statisch werk dat kalm in beweging is.

    Er zijn balkons met parasols in diverse kleuren, iedere bewoner kiest een eigen voor zichzelf aansprekende tint. En die bewoner doet verschillende dingen en activiteiten op het balkon: lezen, muziek luisteren, roken, de was ophangen, bloemen schikken en gewoon alleen maar zitten. Ik bekijk mensen, een stel, oma, een man. Er is een balkon met troep en er staat een hond op de uitkijk. Er gebeurt van alles wat. Het zijn balkons met …

    Balkon met… Jannes Koetsier, schilderijen. Uitgave in eigen beheer, 2025.

  • Kunst om van te watertanden

    Het is te mooi om waar te zijn. En dat is het ook. Het water kan me in de mond lopen, ware het niet dat de hamburger en het bakje patat met mayonaise dermate groot van formaat zijn dat het onwaarschijnlijk is dat ze echt zijn. En wat te denken van het vet gebakken spiegelei dat tegen de wand geplakt is. De fles ketchup, het peper en zoutstel en het glas half leeg gedronken sinaasappelsap zijn zo mooi in verf verbeeldt dat het niet waar kan zijn dat het echt is. Maar toch zou ik het zo kunnen pakken om mijn eitje te zouten en het sap te drinken, zo waar heeft Tjalf Sparnaay het voor de eeuwigheid vastgelegd. In de traditie van het zeventiende eeuws stilleven gemengd met de vernieuwende popart maakt hij wereldvreemd maar o zo helder megarealisme schurend tegen het Amerikaanse hyperrealisme.

    De kunst van Tjalf Sparnaay was in het voorjaar van 2024 te zien bij Museum JAN in Amstelveen. Voor deze tentoonstelling werden een groot aantal werken van zijn hand samengebracht zodat sprake was van een overzichtelijke dwarsdoorsnede uit zijn oeuvre. De catalogus daarbij laat een deel van deze werken zien aangevuld met een levensbeschrijving en een toelichting op de schilderstijl. In gesprek met Karin van Lieverloo is de kunstenaar openhartig over zijn leven en werk. Vooral bekend en geroemd om zijn geschilderd voedsel, maakte hij in zijn werkbare leven meer dan spiegeleieren en broodjes hamburger.

    Tijd om anders te schilderen

    Met een scherp oog weet hij ieder detail van een door hem gekozen object te observeren en vast te leggen. “The Bigger Picture” was de titel van de tentoonstelling en is dit eveneens van het boek. “Het grote plaatje” slaat niet op de afmetingen van de meeste van Sparnaay’s werken, die vrijwel altijd immens zijn. Het grote plaatje ziet Tjalf wanneer hij terugkijkt op de jaren die achter hem liggen en waarin hij zijn stijl en techniek heeft geperfectioneerd en waarmee hij in de kunstwereld hoge ogen heeft gegooid.

    De grote tentoonstelling in Amstelveen markeert het 70e levensjaar van Tjalf Sparnaay. Het is een terugblik op wat hij voordien heeft gemaakt. Maar de kunstenaar zelf is niet zo van het terugkijken, hij wil vooruit zien en hoopt dat deze markering hem aanzet en inspireert om nieuw werk te maken met eventueel een ander kenmerk en divers inzicht. “Wie weet is het tijd om anders te gaan schilderen”, zegt hij daarover. “Misschien ga ik me focussen op het schilderen van de natuur.” Hij verlangt ernaar zijn talent opnieuw uit te dagen. “Misschien komt er helemaal niks uit, maar dan heb ik dat geleerd. Ik heb mezelf beloofd dat ik na mijn zeventigste alleen nog maar schilder wat ik leuk vind. Mijn hele leven lang heb ik gewerkt voor precies deze vrijheid.

    Magisch realisme en surrealisme

    Dat is begonnen met het olieverfdoosje dat Sparnaay als jongen van twaalf kreeg. Drie jaar later schilderde hij een impressionistisch landschap, een boerderijtje met wat bomen in de stijl van de Haagse School. Tjalf wist het toen al zeker: “Ik wil kunstschilder worden”. Hij heeft woord gehouden. Het vak heeft hij zichzelf aangeleerd, het tekenen en schilderen zelf eigen gemaakt. Hij is autodidact en nooit officieel geschoold. Met zichzelf als leermeester heeft hij voldoende gekeken naar anderen en gelezen over kunstenaars om zelf aan de slag te gaan. Hij voedde zich als het ware met hetgeen door de kunstgeschiedenis op zijn bord kwam, wat de voorgangers hem serveerden. En daar gaf hij een eigen draai aan, peperde en zoutte het op zijn manier en leverde een gerecht af dat smaakt.

    In eerste instantie is hij geraakt door het werk van magisch realisten en surrealisten. Hij is in zijn vroege werk schatplichtig aan bijvoorbeeld Carel Willink en Salvador Dali inspireert hem. Sparnaay schildert verstilde landschappen en onmogelijke architecturen. Ook dan is de structuur en stoffering al weergaloos echt en gedetailleerd, maar zijn te vertellen verhaal daarin zweeft boven de realiteit. Tjalf Sparnaay is in aanleg een fotograaf, dit talent gebruikt hij bij het schilderen. Fotografie is de onderliggende techniek om de stillevens niet van echt te laten onderscheiden. Daar wordt in de kunstscene weleens neerbuigend naar gekeken. Sparnaay: “Dat men nog altijd denkt dat ik dit allemaal uit mijn hoofd schilder. Vermeer had zelfs al een camera obscura als hulpmiddel om dat wat hij zag op doek te krijgen. Waar de foto ophoudt, begint mijn werk. Want natuurlijk moet je het fotografische beeld heel snel verlaten om een spannende voorstelling te maken.”

    Schijn bedriegt

    Het fotorealisme trekt hem naar New York. Daar is men enthousiast over zijn werk, maar er is een kanttekening. Hem werd geraden de ketchupflessen uit zijn werk te laten, “want dat kunnen we zelf ook wel. Maar die vaatwasser en die eieren: dat is je Hollandse schildersziel, daarin ben je uniek. Als je daar in de buurt blijft, dan is het hartstikke spannend en ga je iets toevoegen aan de schilderkunst. Want zoals jij om je heen kijkt, zoals jij eten schildert, dat doet niemand in de hele wereld.” En dat staat als een paal boven water wanneer ik door de catalogus blader. Het is weergaloos wat ik zie, net echt. Maar schijn bedriegt, want de flessen ketchup, de blikjes cola, de gebakken eieren, de al dan niet in plastic gepakte etenswaar, de bossen tulpen en de aangemaakte sla zijn zo plat als een dubbeltje: een verflaag op een linnen drager. Niets meer of minder, maar wel met een bijna onmogelijke precisie weergegeven, de illusie van de derde dimensie, zo zodat ik de luchtbel op de eidooier kan doorprikken, zo de ansichtkaart ‘Holland’ uit het rek kan pakken.

    Niet meteen staat iedereen te juichen bij het werk van Tjalf Sparnaay, maar wanneer hij de portretten van etenswaar tot mega grote schilderijen gaat opblazen komen langzaam maar zeker de handen op elkaar. Tegenwoordig heeft hij groot respons in binnen- en buitenland. Zijn levensdoel kunstschilder te zijn lijkt meer dan bereikt, maar hij wil verder. Veel van zijn werken kunnen gezien worden als aanklachten op de consumptiemaatschappij, als protest tegen de zee van plastic die het laat ontstaan. Maar hij laat ook doodgewoon gewone onderwerpen zien, waarachter het onderwerp en waaronder de verfhuid geen adder zit. De stillevens van zijn hand tonen geen haute cuisine maar laten het voedsel van de straat zien. De snelle hap, geen culinaire hoogstandjes. En de schillen en klokhuizen wanneer er gegeten is. Mede daardoor is het werk zo benaderbaar, het kenmerkt het leven, het ware zijn.

    Schilderijen met voedsel

    De schilderijen met voedsel zijn het meest bekende werk van Tjalf Sparnaay, maar het boek bewijst dat hij veel meer deed en doet dan dat. Het is een helder overzicht van wat deze Hollandse meester allemaal kan. Het bewijst dat je jezelf het niet eenvoudige vak van schilderen eigen kunt maken, wanneer jouw het juiste talent is gegeven. Sparnaay heeft dat talent en buit het tot de laatste kruimel uit. Het is een lust ernaar te kijken, het te beleven. En dus niet alleen het spiegelei wat hem de roem bracht, maar ook de eerdere werken die het mysterie van een hoger bewustzijn hebben slaan aan. De verlaten bouwwerken met dreigende luchten, de spiegeling in de benzinetank van een motor en de koplamp van een fiets, de in leer gestoken vrouwfiguur, de herenhuizen langs de gracht, de etalages, de kroket in de automatiek. Het normale leven krijgt uit het penseel van Sparnaay een abnormale uitstraling, een onwezenlijke inborst. Om van te watertanden.

    The Bigger Picture. Tjalf Sparnaay, schilderijen. Teksten Karin van Lieverloo, Simon McKeowin, Marieke Uldriks. Publicatie verschenen ter gelegenheid van de tentoonstelling in Museum JAN, Amstelveen van 16 februari tot en met 16 juni 2024. Uitgave Waanders Uitgevers Zwolle, 2024.

  • Het varken om te reflecteren op leven en welzijn

    Het meest schrijnende voorbeeld in de uitgave “Een dier / een mens” van hoe wij omgaan met de voor grootschalige consumptie in aanmerking komende dieren is wel de varkens die menselijke karaktertrekken krijgen aangemeten: Het vrolijke varken – Ironie voor kinderen (en volwassenen). En dan natuurlijk vooral deze die een lach op het gezicht brengen: varkens op de motor, een big als baby, parende varkens en zuipende biggen. Het is een serie van kleine olieverfschilderijen die Jaap de Ruig maakte naar aanleiding van kinderspeelgoed en sierbeeldjes. Het zet ook de sfeer van het boek, de tendens van zijn kunst.

    Het boek “An animal / a human being” van Jaap de Ruig geeft een samenvatting van zijn oeuvre in de kunst. Feitelijk een portfolio bij zijn CV, om eens mee te leuren langs de deuren van musea, galeries en andere tentoonstellingsruimten. Om zelf een overzicht te hebben van wat eens gemaakt is, de arbeid vastgelegd als een fotoboek met beschrijving. Het is een levend document, want het werk gaat door – er is nog voldoende om over te verhalen, aan te klagen, tegenaan te schoppen. De Ruig brengt onderhoudende maar gelaagde kunst, beelden die naast boeiend te zijn aan het denken zetten. In veelal confronterende afbeeldingen en ironische animaties houdt hij mij een spiegel voor en reflecteren mijn negatieve gedachten positief.

    Vreselijk vleselijk verhaal

    Dieren zijn een vast gegeven in het werk van Jaap de Ruig. Hij maakt abstracte fabels die uiterst werkelijk aandoen. Het dier krijgt menselijke trekken, terwijl de mens zich gedraagt als een beest ten opzichte van dat dier. De mens kan beestachtig zijn, terwijl het dier dat nooit is. Eerst zijn de meest wilde dieren buitenshuis en tussen de kieren en in de gaten binnenshuis onderwerp van aandacht, later richt de kunstenaars zijn blik op de landbouwhuisdieren. Hij observeert deze in hun habitat, en brengt die leefwereld binnen in de omgeving van de stad. De moderne mens, niet plattelands, is de koe en het varken vergeten als levend dier. Zij zien enkel nog de riblap en het biefstuk op het bord liggen, smakelijk en geurig bereidt door de chef-kok met michelinster.

    Jaap de Ruig is fotograaf. Later omarmt hij de beeldende kunst en kort daarna is de film ontdekt om zijn vreselijk vleselijk verhaal te kunnen verbeelden. “Ik hou van video”, schrijft hij in een essay in de staart van het boek. “Het is beeld en geluid en woord. Het is fantasie en realisme. (…) Het is als vuur, zowel nuttig als gevaarlijk. Het kan koesteren en ontluisteren, het kan democratisch of onderdrukkend zijn, een machtsmiddel in handen van zowel actiegroepen als overheden.” Eerst legt hij de wereld om zich heen in binnen- en buitenland vast, als documentatie van interessante taferelen en bijzondere mensen. In de statische platen is ruimte voor de dynamiek van het alledaagse. Die bevroren beweging ruilt hij echter graag in voor de geschilderde analyse en geïnstalleerde reflectie. Om daarna de confrontatie te zoeken in het letterlijk bewegende beeld met het dier als hoofdrolspeler en figurant, meest als lijdend voorwerp. De beschuldiging wordt wel in bedekte termen weergegeven, in een esthetisch waardevolle omgeving of een bizar aandoend tafereel. Maar meestal is de tenlastelegging overduidelijk en in strijd met onze goede zeden. De Ruig wil confronteren, het gevecht aangaan, de mens in het hart raken, om zo het besef te laten indalen dat het zo niet verder kan en langer gaan. Hij legt de vinger op de zere plek na eerst het korstje er vanaf te hebben gekrabd. Hij maakt stinkende wonden, maar is geen zachte heelmeester.

    Plaatsvervangende schaamte

    Jaap de Ruig is een reiziger, daadwerkelijk in de wereld om van diverse plekken de dagelijkse werkelijkheid naar hier te halen. Hij zwerft door het leven en documenteert het zijn. Met zijn partner zoekt hij het contemplatieve avontuur. Leven in en van de natuur, bij wijze van spreken aan de basis van het bestaan. Daar is de ontmoeting met het dier om de donkere kanten van het bestaan te onderzoeken. Lijden, dood en de strijd tussen mens en natuur en tussen mensen onderling tekenen vooral op de plek zelf en na thuiskomst verbeelden deze zijn inspiraties en composities. Om een punt te maken vervormt hij de realiteit tot meest groteske scènes. Afstotend wanneer hij een kadaver opgraaft of gestorven dieren cremeert boven een vuurton. Het slachten en bereiden van een muskusrat. De handelingen zonder toeschouwers legt hij vast op video. “Afkeer voel ik niet, integendeel, ik schrik ervan, zo vertrouwd is het”, schrijft hij in een dagboek. De schone as en verkoolde botjes gaan in glazen flesjes. De rat wordt smakelijk gegeten. Naast iedere foto van een dode muis, in totaal 144 die in Amsterdamse woningen overlast bezorgden, is een reageerbuis gehangen waar de as van datzelfde dier inzit. Dan zal de lezer van het boek vast met een vies gezicht de blik afwenden of zich met plaatsvervangende schaamte afvragen hoe een mens zoiets smerigs kan bedenken en tot kunst verheffen.

    De Ruig bedenkt verrassende composities met de dierenwereld als inspiratie. Bijvoorbeeld de 160 zinnen die de handelingen op een boerenbedrijf beschrijven, de spinnenwebbollen waarin rag en dode spinnen en vliegen zijn gerold, de spinnenwebbenwand met spinnen in hun web als huisdieren die verzorgd en uitgemest moeten worden, een menselijk wezen dat een eindeloze strijd op leven en dood voert met een kever. Enkele voorbeelden in de schier eindeloze reeks van kunstzinnig spottende opwellingen die Jaap de Ruig tot de buitengewoon zeldzame beeldbouwer maakt die hij is.

    Meer dan een aanklacht

      De kunstenaar komt op creatieve vondsten, maar ziet ook artistieke aanknopingspunten in eigen leven en dat van anderen. Vooral het zijn van nomadische groepen mensen in buitenlanden spreken hem aan. De andere manier van kijken naar het dier. In coronatijd is zijn eigen lichaam onderwerp van onderzoek. Door dit lijf in beeld te manipuleren geeft hij een andere betekenis en gedraagt zich meer dierlijk. Het varken geeft De Ruig een individueel welhaast menselijk gezicht. In de moderne veehouderij worden de dieren genummerd, maar de kunstenaar geeft hen persoonlijke identiteit terug waardoor ze uniek zijn. Dat is schone schijn en stimuleert anders kijken en denken. Het kan openbaar gemaakt, gezien worden, in tegenstelling tot slachttaferelen en -geluiden van varkens, het orkestrale requiem laat zich enkel in een kijkdoos vertonen. Zo prikkelt de kunstenaar de zintuigen. Is er emotie in afkeer, kan de mens tot tranen toe worden bewogen. Denk je het eens in, stel je het eens voor. Kijk naar de poes op je schoot, aai de hond naast je op de bank en denk aan de varkens die als ratten in de val eindigen aan vleeshaken.

      Het is niet alleen de alleseter die in het boek te kijk wordt gezet, de omnivoor die geen oog heeft voor de hem en haar omringende schepping en er naar believen en wellust mee omgaat. Het boek is meer dan een aanklacht. “Een dier / een mens” is de zienswijze van de kunstenaar die met de kunst als middel een ommekeer in denken en doen teweeg wil brengen. Dat kan in schurende bitterheid, maar ook met beschouwende schoonheid. De natuur gaat de eigen gang en is onverschillig in tijden van crisis. De flora en fauna acteert op een hoger plan dan de homo sapiens, het intelligente primaat, dat doet. De mens is zo dom als het achtereind van een varken, terwijl dat varken zo slim is als een vos in schaapskleren. Met de cognitieve vaardigheden als van een hond of een dolfijn zouden wij onze relatie met hen moeten heroverwegen. Jaap de Ruig doet een poging daartoe en schaart bigmans meteen onder al die andere dieren die zuchten onder de hegemonie en zelfverzonnen suprematie van de rechtopstaande en tweevoetig zich voortbewegende mensachtigen.

      Een dier / een mens – An animal / a human being. Jaap de Ruig. Uitgeverij Caprae, 2024.

    • Faces in the crowd, het masker van de mens

      In Afslag BLV is het geen aapjes kijken. Het is meer dan dat. De aapjes kijken naar mij. Ik kijk niet op iets toe wat ik beschouw als een curiosum, een merkwaardige ervaring, maar het is wel een bijzondere belevenis. Bij binnenkomst voel ik niet meteen betrokkenheid, pas minuten later heb ik het vermogen mij in te leven in het gegeven. Ik ken dan wel geen enkele van de door Robert Geveke geportretteerde voorbijgangers, maar dat is niet zo verwonderlijk. O ja, ik zie Hannie Schaft, want de zwartwit foto van de verzetsvrouw is weer erg actueel. Maar voor de rest zijn de koppen als de gezichten op een datingsite, waardoor ik ongeïnteresseerd naar links veeg of erlangs scroll. Aapjes kijken. Passanten in de massa, zonder uitdrukking. Voor een moment aandacht, voor een tel niet ongezien.

      Het is een kleurige variatie aan gezichten. In zichzelf verzonken blikken. Ze kijken langs of dwars door mij heen. Vooral dat laatste maakt mij ongedurig. Rusteloos loop ik door de ruimte, gejaagd doordat ik steeds blikken in mijn rug voel. De expositie maakt me paranoia. Ik voel me bekeken, terwijl ik hier ben om te kijken. De kunstenaar bestudeert in zijn werk het gedrag en de mimiek van de figuren, ieder afzonderlijk, elk op een eigen manier. Van de onpersoonlijke objecten in het grote geheel van een groep mensen maakt hij persoonlijke figuren. Het draait niet om herkenning, het is geen individu. Het gaat om de vorm en het kleurgebruik. De realiteit is tot een abstract beeld gemaakt.

      Figuren als figuranten

      Het groepsportret van wat een muziekband lijkt bijvoorbeeld, vier harige jongens die apathisch en onverschillig in de lens kijken, is een karakteristiek. In hun koele oogopslag zetten zij zich letterlijk van de wereld af. Sterren die weten wat ze willen en doen wat ze kunnen. En zo kijken meerdere enigszins verwezen ogen vanaf het portret de ruimte in. De maskers gaan niet af voor de schilder, hoewel hij wel tot de persoon probeert door te dringen. Het diepste wezen durft hij bloot te leggen, maar kan geen vinger achter het zijn krijgen. In de portretten van Geveke is de typering van weinig belang. Het is de houding en de oogopslag die herinneren aan een gevoel. Deze stralen een emotie uit, meest doordringend met een blik als van een arend.

      Omdat het kenmerk van de zonderling minder voorop staat, daarom zijn figuren wel als figuranten afgebeeld. Hebben geen blik waaruit een wezen kan worden gepuurd. Enkel de stand van het lichaam geeft informatie, het gelaat heeft wel enkel neus en mond – de ogen ontbreken. De ogen, die meestal de vensters tot de ziel zijn. Deze figuren zijn gebeeldhouwd uit de werkelijkheid. Deze gestalten zijn, hoewel gefantaseerd realistische figuren, abstract onpersoonlijke beelden. Ze geven geen krimp en zijn zo hard en onbewogen als waren ze van steen. Achter deze façade echter schuilt een gevoelige geest, een harde bolster met een blanke pit. Door het materiaalgebruik, de zachte pastel vlakt de hardheid van het wezen af, ogen de portretten bedachtzaam en zijn ze zich van de vergankelijkheid van het leven bewust. Ondanks de haast en het rumoer van vandaag de dag trekken zij zich terug in zichzelf en vat Geveke juist dit moment, geeft ze pas op de plaats. Eigenlijk een contemplatieve benadering. In zijn overpeinzing achter de tekentafel bespiegelt hij het zijn.

      Woorden aan idee bij het zichtbare

      Wanneer Robert Geveke gaat zitten en kijken, observeren en beschouwen, komt hij tot geschetste portretten. Dan documenteert hij de mens in elke vorm en iedere hoedanigheid. Ik stel me hem zo voor dan op een stoel zittend op het terras achter een kop dampende koffie. Het schetsboek in de hand, in dit geval met gekleurde bladen, en het potlood of de pen in de aanslag om meteen toe te slaan wanneer zich een onbenullig moment voordoet om te vereeuwigen en zodoende belangrijk te maken. Het schetsmatige karakter van een snelle gewaarwording staat een gedetailleerde verwerking echter niet in de weg. De tekeningen zijn kronkels of droedels, schetsen in de marge van het leven. Reële werkelijkheden krijgen een arrangement in de werkelijkheid van zijn eigen verhaal, de vertelling van Robert Geveke. Hij geeft woorden aan zijn idee bij het zichtbare. De letters zijn de lijnen, de woorden de vlakken in de tekening. Wie de taal kan lezen doorziet de beeltenis, die meer is dan een illustratie.

      Geïnstalleerd in een wolk van gekleurde vellen aan een wand van Afslag BLV geeft het een getinte realiteit weer. Beschouw ik de veelvormigheid van de massa. Zie ik ook hier weer niet het individu als eenling, maar bekijk de levendigheid van de lichamelijke expressie. Mensen die zich verschuilen achter de onpersoonlijke mimiek, omdat ze niet herkent willen worden maar zich toch op plekken begeven waarop ze kunnen worden geïdentificeerd. De expositie “Maquillage” is als de opgemaakte mens op TikTok, Facebook of X. Het figuur wil figurant zijn, maar toch met kop en schouders boven het maaiveld uitsteken. Onopvallend opvallend. Kwetsbaar in wezen, lichtgeraakt van binnen, maar hard in zijn, ongevoelig van buiten. Aapjes kijken, dat is wat het is.

      Maquillage. Expositie tekeningen en schilderijen van Robert Geveke bij Afslag BLV, Minckelersstraat 11 in Heerenveen. Te zien van 8 december 2024 tot 16 februari 2025.

    • Landschappen van Yves Beaumont leven in de geest

      Natuurlijk is het licht in het zuiden niet significant anders dan in het noorden. Waar wij op de wereld dan ook zijn, overal schijnt over ons dezelfde zon. Wij ervaren het echter elders anders, interpreteren het hier op een andere manier, het laat ons daar verschillend inspireren, de verbeelding gaat ermee aan de haal. Belgen bijvoorbeeld hebben een ander gevoel bij het zonlicht dan laat ik zeggen Friezen. Staat die zon daar dan wel hier hoog aan de hemel is het schijnsel hoegenaamd levendig gelijk. Spelen de stralen een eender spel, maar worden deze anders gebroken in de atmosfeer. Dus staat de zon laag in de vroege morgen of bij de late winter, dan heeft de beleving een verschillende uitwerking. Natuurwetenschappelijk snijdt deze gedachte natuurlijk geen hout, het blijft wel zo dat de zuiderling het licht op het meest mysterieuze moment van de dag en in de minst heldere periode van het jaar anders meemaakt dan pak ’m beet een 376 kilometer meer noordelijk.

      Kunstenaar Yves Beaumont woont in het pittoreske Oostende aan de zee, maar laat de blik in zijn werk meest dwalen over land. De schilder kan mij in Friesland, tussen meren en bossen, middels schilderijen deelgenoot maken van zijn ervaring zoals dat met licht schijnt te zijn. En die beleving is imponerend, om niet te zeggen overdonderend anders dan mijn ondervinding. Het laat mij niet koud, hoewel meestentijds de kleur eruit is geschilderd. Het voelt zachter en warmer aan dan normaal gesproken mijn ervaring is. Die sfeer van de overgang van donker naar licht, de schemer, brengt Beaumont scherp in gesluierde beelden. Het is zijn core business mij te boeien met zijn fantasie.

      De ziel van het licht

      Yves Beaumont schaart zich in de lijn van de landschapschilders. Maar niet op de klassieke manier is hij schilder van het landschap. Zijn velden zijn geen realiteit, hij laat niet zien wat is maar zoals de waarheid aanvoelt, zoals hij deze ervaart. Hij schept zichzelf een mooie wereld. Dat ligt in zijn naam verscholen, om mij er getuige van te laten zijn. In zijn welhaast abstract gepenseelde omgeving herken ik bossen, de wouden van de Ardennen. Bij hem naast de deur, terwijl ik het moet doen met het minder weelderige Oranjewoud of het meer tot de verbeelding sprekende Drents-Friese Woud. Met hem deel ik de liefde voor bossen, waar tussen de boomtoppen door het licht in stralen valt.

      Zijn lichtwaarneming piekt echter niet helder tussen boomkruinen door. Het is een nevelig schijnsel, een mistig besef. Niet de zomer of het heetst dus het lichtst van de dag inspireert Beaumont. Het is de ziel van het licht dat hem tot werken zet. De essentie van straling, schijnsel zonder overbodige helderheid. Het werk stemt daardoor zachtmoedig triest. Dat lijkt een paradox, een schijnbaar lichtelijke tegenstrijdigheid. Het omschrijft echter de emotie die mij overkomt bij titels als ‘The afterglow’, ‘Towards evening’ en ‘Hometown landscape at sunset’. Niet alleen richt de schilder zijn blik dan op het land en de bossen, ook kijkt hij omhoog naar de wolken en richting het water van de zee. Hij woont tenslotte in het centrum van die driehoek aan belevingen.

      Sfeer scheppen in verlatenheid

      In het onlangs nieuw bij Artha Books verschenen boek ‘Anthology’ geeft Beaumont mij een inkijk in zijn oeuvre van de afgelopen tijd. Een bloemlezing over de periode van 2017 tot 2024. In 2016 was er het boek ‘Omzwervingen’ dat de schilderijen tot dat jaar toonde, als een soort rustpunt – een pauzemoment. Nu is het dus andermaal tijd voor een pas op de plaats, een cesuur zoals Jan Van Herreweghe dat noemt in zijn proloog. Niet dat Yves Beaumont nu een sabbatical invoegt. Welnee, hij werkt gestaag door aan zijn composities. Echter kijkt hij terug op wat is, daarop kan verder gewerkt worden. De grond is bewerkt en omgespit, gecultiveerd, daarop kunnen zijn belevingen van het landschap groeien. Andere inzichten in nieuwe variaties zullen bloeien. “Hij kijkt goed, grondig en langzaam”, meent Eric Rinckhout in een essay. “Hij heeft een goed oog ontwikkeld, in alle betekenissen, voor de natuur en voor het beeld. En hij kent de traditie.

      Als derde in het trio van schrijvers, uitleggers van het werk van Beaumont, vindt Luk Lambrecht de moed van schilders wonderbaarlijk om de strijd aan te gaan met het lege doek. Om sfeer te scheppen in verlatenheid. “Slechts gewapend met wat tubes of potten verf, borstels en dragers of het nu papier, canvas of een houten paneel betreft, bij machte blijven (zij) de ziel uit de realiteit te schilderen en daarmee een publiek in de visuele en mentale ban te houden.” Met een minimum aan motieven weet Beaumont dan een maximum aan sfeer te scheppen op de onbevlekte huid. Het vlak is uitgestorven; de schilder maakt het ongevulde veld bewoonbaar voor de geest door met wat modder aan een kwastje een figuratie te scheppen.

      Op het scherpst van de snede

      Ooit, een kleine 10 jaar geleden – dus tijdens de periode van ‘Omzwervingen’, het eerste boek – schreef ik over de kunst van Yves als over dromerige landschappen die zijn gevat in de nevel van de gedachte. “Door de ogen toe te knijpen komt het in olieverf dan wel acryl op doek gepenseelde gevoel helder in beeld. Het lijkt een simpele vormgeving, maar de zuivere blik merkt een grote schakering aan tinten in de schemer van het land en het licht van de lucht. Telkens bevindt zich het geschilderde op het scherpst van de snede tussen werkelijkheid en abstracte vormgeving. Het zichtbare landschap is de afgetekende inspiratie, maar hoe dit zich aan de schilder toont blijft mysterieus. Is ook niet belangrijk, van betekenis is dat de kijker letterlijk kan wegdromen in de beeltenis.” Deze beschouwing kan ik vrijwel een-op-een over het werk van de afgelopen tijd leggen, het werk dat ik ontdek in ‘Anthology’. Niet dat Beaumont een thema met variaties maakt op een ordinaire herhalende manier. Zijn thema is wel het landschap, maar elke variatie heeft een eigen wezen. Is het landschap in het algemeen als figuratie onpersoonlijk, het landschap van Beaumont heeft een persoonlijkheid, is individueel verbonden aan de schepper ervan. Iedere variatie is geen herhaling, maar afwisseling van beleving. Vooral de perceptie van licht.

      De bron waaruit hij put

      De composities zijn rustgevend; een meditatieve stilte zindert in de dromerige atmosfeer”, citeer ik mezelf. “Het landschap zoals Yves Beaumont deze bedenkt bij de realiteit, bestaat niet maar leeft in zijn geest. Hij maakt de gedachte zichtbaar, deze is echter nergens anders te vinden dan op deze doeken. Zijn dichterlijke vrijheid duidt een landschap in de schemerige overgang van dag naar nacht en terug.” Daar zit de emotie, in die lucht. De aarde daaronder is slechts de kapstok voor dat gevoel, om het beeld tastbaar te maken en grijpbaar te houden. Maar het licht is niet anders zoals ik hierboven al veronderstelde. Yves ervaart het over de grens anders dan ik hier op mijn plek. Natuurlijk is het niet de werkelijke wereld die hij uitdrukt, maar dit is wel de inspiratie. De bron waaruit hij put. Zijn landschap is een afgeleide van de werkelijkheid. Het is de beleving die hij een vorm geeft. Het nabeeld op het netvlies wanneer de ogen worden gesloten. Het oog ziet het landschap, de geest slaat een beeld op en de gedachte herinnert zich een vorm. Die herinnering geeft Beaumont opnieuw een beeld, een vorm die dus herinnert aan de werkelijkheid. Dat landschap is niet te vinden anders dan in de geest van Beaumont en op zijn schilderijen.

      In de vrije natuur kan ik een déjà vu hebben, een idee dat ik daar eerder was op die plek. Maar ik had een compositie van Beaumont in gedachten en had het idee het in realiteit te ervaren. Het is niet het landschap of de vorm die een landschap lijkt dat voor de schilder van belang is. Hij schildert het licht dat het duister doorbreekt. Hij toont de ziel van zijn gedachte. Niet de essentie van het landschap, want dat is de horizon. Die einder laat hij niet zien, want zijn blik is eindeloos. Een enkele keer stapt hij uit dit beeld en toont een ondergaande zon die een horizon nodig heeft om erachter te verdwijnen. Dan heeft het licht kleur om verlicht ten onder te gaan.

      Anthology. Bloemlezing werken van 2017 tot 2024. Yves Beaumont, schilderijen. Teksten Jan Van Herreweghe, Luk Lambrecht, Eric Rinckhout. Uitgave ARTHA, art & heritage books, 2024.

    • Natuurgebied De Deelen weergegeven in veertig schilderijen

      Om de emotie te doorvoelen die Sjoerd de Vries en Jan Snijder aan de petgaten en langs de rietkragen ervoeren, trok Han Steenbruggen natuurgebied De Deelen in. De plek kort ten noorden van de plaats Heerenveen kent de museumdirecteur tot dan van schilderijen, van een kort bezoek waarbij hij nauwelijks verder kwam dan de dijk en van een boek dat Thom Mercuur in het jaar 2000 samenstelde en uitbracht. Verder was Steenbruggen niet gekomen met het gebied, maar hij wilde toch verder kijken dan dat zijn zicht vanaf de weg kon reiken. Vooral toen Bruno van Dijck en Christiaan Kuitwaard het voornemen hadden om een week en plein air te werken langs de boorden van De Deelen. Voor de sfeer die De Vries en Snijder opriepen in hun werk koos Steenbruggen echter het verkeerde seizoen. Hij was er in het voorjaar, net als Van Dijck en Kuitwaard er in mei 2023 waren. Om de stemming van gele rietkragen en diep zwart water te vatten bleek de herfst het juiste jaargetijde. Het moment dat de natuur zichzelf afbreekt om opnieuw te kunnen beginnen. Zich te ruste legt om in winterslaap te gaan en uitgerust en lentegroen een volgend jaar aan te vangen. Het strijklicht van de lage zon door de maanden waarin de r zit geeft het waterrijke landschap een bijzondere kleur. Tinten die op andere momenten nauwelijks worden gehaald, of het zal de schemer zijn, het ogenblik dat de dag door de nacht breekt en andersom.

      Over zijn beleving op verschillende momenten in het natuurgebied schreef Han Steenbruggen een drietal essays voor het boek met schilderijen van De Deelen. Een veertigtal kunstwerken van Van Dijck en Kuitwaard, plus nog enkele sfeerfoto´s van het gebied en de kunstenaars aan het werk. Deze foto´s in zwartwit om de kleur over te laten en aandacht te geven aan het schilderwerk. Het is bijzonder te ervaren hoe twee kunstenaars op dezelfde plek tot diverse vertalingen van de werkelijkheid komen. Op de eigen manier met enige invloed van de ander heeft het duo boeiende sfeerbeelden gemaakt. Wanneer ik in dezelfde maand van het voorjaar het gebied bezoek zoals zij deden, kan ik hun versies van het landschap zo geografisch en naadloos daarin plaatsen. In latere maanden heeft de natuur zich geïnnoveerd tot een betere versie van zichzelf of de uitvoering juist zo bewerkt dat het amper in de eigen schaduw kan staan. Maar ieder moment heeft schoonheid en stemming. ‘De eeuwigheid duurt ieder ogenblik’, citeer ik Steenbruggen die een schilder die ook dichter was aanhaalt.

      De blik kleeft aan het struikgewas

      Op de plek zelf hebben de kunstenaars in de open lucht gewerkt en geschapen. Van Dijck heeft dan thuis in het atelier nog schetsen uitgewerkt waarbij de herinnering aan het verblijf in het gebied bruikbaar was. Kuitwaard heeft later nog De Deelen op diverse momenten bezocht, maar voor Van Dijck bleek het minder waardevol om vanuit België voortdurend naar het noorden te reizen. Hij had genoeg aan tekeningen en zijn geheugen. Van Dijck heeft dus de natuur gevat vrijwel aan het begin van de cyclus van haar jaarlijkse bestaan. Het gebied schudt zich de kou van de winter af en straalt omfloerst de zomer tegemoet. Er is veel ontluikend groen dat zich fluisterend spiegelt in het water. De omgeving is vooral landschappelijk en horizontaal bekeken, maar deze vlakheid verdiept zich en vindt grond in stil water. Er is geen leven nog van vogels en insecten. De kunstenaar heeft geen oog voor langstrekkende snelle bewegingen. De blik kleeft aan het struikgewas en het kabbelende water. De verfhuid wordt wel bewerkt met de achterkant van het penseel of het zwart van houtskool. Het trekt lijnen door de sfeer, geeft contour aan het gevoel.

      Subtiele verfvegen

      Kuitwaard geeft dan het licht meer ruimte in zijn werk. Het stille water spiegelt de tonen van het voorjaar. Leliebladeren liggen als een school vogels op dat water. Hoewel dit liquide oppervlak zich monumentaal in het portret uitspreidt, het egaal en ongerimpeld over de drager ligt, is de verfhuid kalm in beweging. Kuitwaard weet met subtiele verfvegen dynamiek te brengen in de stille gelatenheid. Het is niet een opvliegende gans die gakkend de stilte doorbreekt, maar de wind die het water doet golven in de vroege ochtend. Vooral dat tijdstip van de dag maakt de stemming, bouwt de sfeer. In latere uren is die magie in werkelijkheid verdwenen, maar voegen de schilders deze in abstractie aan hun werk toe. Kuitwaard is er niet alleen in die maand mei, maar ook nog in september en november. In februari weet hij ook eenzelfde bezieling van het landschap te bereiken. Duidelijk niet in de hardvochtige en te zonlichte zomermaanden. De tijd waarin de mens tot leven komt, maar de natuur in stemming omslaat. Het hoogtepunt van de dag is ook niet het middaguur, wanneer de zon op het hoogste punt staat. Een dag is als een jaar, met eenzelfde afwisseling van seizoenen. De uiterste sfeer is er in de vroege morgen en het begin van de avond, in het voorjaar en het najaar. Bij uitspruiten en afsterven.

      De natuur heeft teruggenomen

      Han Steenbruggen weet in zijn korte verhalen de tendentie van de schilders te schetsen. “Kuitwaard blijkt gevoelig voor milde tonen van strijklicht en schaduwvelden”, schrijft hij. “Zijn atmosferische impressies zijn als dagdromen. Ze koesteren de diepere geheimen van het landschap, zijn vervuld van lichte melancholie, maar dragen nooit de sporen van een zwaar gemoed.” Van Dijck kent een onrustiger natuur vindt Steenbruggen. Hij schildert met lossere toetsen en vegen die structuur vinden dankzij lijnen of krassen. In zijn schilderijen ritselen bladeren en rimpelt water. Maar beide kunstenaars geven vooral de stilte van en in dit gebied een plek. Terwijl op de achtergrond het verkeer over de snelweg raast is serene rust en welkome eenzaamheid in deze natuur ter plaatse te ervaren. Wie De Deelen bezoekt of heeft bezocht zal dit beamen. Dit vredig zwijgen van de ooit door mensenhanden gemaakte omgeving is te doorvoelen in de schilderijen van Bruno van Dijck en Christiaan Kuitwaard. Zij portretteren een gebied waar de natuur weer bezit van heeft genomen nadat de mens het heeft verlaten. De petgaten herinneren nog vaag aan de modderige landarbeid van turfstekers. De natuur heeft teruggenomen wat het eerder is ontnomen. De mens zorgde voor afbraak, de natuur voor herstel. Die gesteldheid is daar nu te vinden, deze toestand is realiteit en zal gewaarborgd moeten worden voor de toekomst. Dus komt de mens weer om de hoek kijken om de natuur een hand te helpen. Zo werken we samen aan een betere wereld.

      Die betere wereld weten Van Dijck en Kuitwaard, en voor hen De Vries en Snijder, nu al vast te leggen. Zij bieden een blik vooruit, behouden de sfeer en fixeren de emotie bij het gebied. Steenbruggen probeert dat in woorden te doen door te proeven van het landschap. Zich erin te begeven, de geest die de kunstenaars in hun werk legden ter plekke aan te voelen. Met een scherp mes kerfde Sjoerd de Vries rietkragen in karton, Jan Snijder veegt het vermoeden van wind en de meewarige stilte in elk schilderij. Steenbruggen spreekt met de boswachter over de toekomst van het gebied. Het boek De Deelen is zo een almanak voor wie het gebied daadwerkelijk intrekt. Een wegwijzer om deze natuur te doorgronden. En zie ik daar het silhouet van Sjoerd de Vries in Kuitwaards’ compositie 22.11.2023? Ik zal het onderzoeken wanneer Museum Belvédère de schilderijen in de zomer van 2025 zal tonen. Dan kan de echte sfeer worden gepakt die het duo in het natuurgebied heeft ervaren. Want het boek, hoewel met een uitstekende vormgeving waarin de werken goed tot uiting komen, is als catalogus best geslaagd maar blijft toch surrogaat voor het bekijken van de ‘echte’ schilderijen. Ik verheug me op de tentoonstelling.

      De Deelen. Het natuurgebied in 40 schilderijen van Bruno van Dijck & Christiaan Kuitwaard en 3 teksten van Han Steenbruggen. Uitgeverij Wijdemeer, 2024.