Tag: tekeningen

  • Werkelijkheid als uitgangspunt

    Waar Jan Snijder vertrekt vanuit de werkelijkheid en haar abstraheert tot gevoel, houdt Sabine Liedtke het zichtbare vast, maar tilt het uit de werkelijkheid naar een geconstrueerde, bijna onwerkelijke wereld. Het zijn de kunstenaars die op dit moment te zien zijn in De Kunsthof te Appingedam. Zij verbeelden niet de werkelijke omgeving; zij bepalen het innerlijk landschap. Het terrein van de emotie geven zij een in hun geest passend beeld. Die beeltenis kan schuren aan de werkelijkheid, maar is nooit de realiteit in zichzelf.

    Trekt Jan Snijder met potlood en papier de wereld in, dan schetst hij het zichtbare. In het atelier werkt hij die verbeelde gedachten uit tot een uitdrukking van zijn indruk van dat moment op die plaats. Voor hem heeft die omgeving een plek omdat hij daar, toen en daar, zijn inspiratie opdeed. Vanuit de werkelijkheid dus. Zodoende boetseert Snijder met potlood en penseel het Friese landschap naar zijn hand. Het is het gevoel dat hij heeft bij hetgeen hij ziet, observeert en ondergaat. Die emotie legt Snijder eerst globaal vast in een schets op die plek in dat land. Later wordt die uitgewerkt. Iedere krijtlijn en elke verfstreek geeft de toon, bepaalt de sfeer.

    Hoewel autodidact zou Jan Snijder een zoon van Museum Belvédère kunnen zijn. Hij beweegt zich in dezelfde geest: het Friese landschap, wind, water en wad, niet als afbeelding maar als abstract uitgangspunt. Daarin kan ik naadloos meegaan wanneer ik zijn manier van kijken overneem alsof het mijn eigen inzicht is. Dat kijken, daar gaat het bij Jan Snijder in eerste instantie om. Hij ziet, neemt waar, heeft daar een idee bij. In klad neemt hij dat mee naar huis om het in het net uit te voeren. Dat gevoel kan door de gedachte echter vertroebelen, in de tijd door de geest worden bijgeschaafd. Dat is juist wat de abstractie doet: het hoeft niet te kloppen met de zichtbare werkelijkheid als het maar parallel loopt aan de emotie.

    Abstractie als herinnering

    Abstracte ingevingen bij werkelijke observaties. Zo overdenkt Snijder de omgeving. Hij gebruikt elementen uit het landschap zonder deze in perspectief te zetten. De onderdelen zijn nauwelijks herkenbaar, maar nog wel is de werkelijkheid eruit af te leiden. De uitsnede is tijdloos, zonder plaatsaanduiding, van overal. Het is niet de essentie van de zichtbaarheid, maar het wezenlijke van de emotie daarbij. Iedere vlek, veeg of lijn stuwt mijn blik een nieuwe richting in. Er is veel te zien en genoeg te beleven in het werk van Jan Snijder. Het inspireert tot opnieuw kijken, nog eens kijken. Stilstaan en terugblikken.

    De details bouwen met elkaar een ondervonden landschap op, niet naar de waarneming in beeld gebracht, maar als het gevoel bij die plek, die plaats. Daarbij hoef ik niets van de werkelijkheid te herkennen. Er kan een herinnering aan een vorm zijn, zodat ik mijn emotie kan zetten tegen die van Snijder. Mijn beleving is de herbeleving van zijn ervaring. Niet door zijn ogen kijk ik naar wat ik zie, maar door zijn geest beleef ik wat ik ervaar in zijn werk.

    Jan Snijder is van de ratio, van het begrip voor het landschap, de natuur. Om daarop grip te krijgen leert hij de kijker zijn werk begrijpen. Niet met uitgesproken dwarse abstractie: in zijn composities is altijd nog de aanleiding tot het beeld te herkennen. Zijn onderzoek kan mijn beoordeling zijn. Hij kijkt voor mij, ik zie hem na.

    Een werkelijkheid die niet werkelijk is

    Ook Sabine Liedtke beleeft het landschap niet emotieloos. Maar haar gevoel beweegt zich als het ware in tegengestelde richting van dat van Snijder. Zij houdt vast aan het zichtbare, vertaalt dit echter niet in een realiteit. Het is wel werkelijk wat ik zie in haar verbeelding, maar die werkelijkheid is als een folly: een zorgvuldig opgebouwd beeld dat herkenbaar is, maar nergens helemaal werkelijk wordt.

    Zoals die beelden van Liedtke zijn te benoemen, laat zij de eindigheid in haar werk doorwerken en zet zij de composities in de eeuwigheid. Het is haar hemel, haar leven na de dood. Uit het nest als kraamkamer vliegt het leven om even later de dood te vinden. Waar het ei het wezen belooft, is de dood nooit ver weg. Schijndood, zacht, kan een wezen zonder leven zijn. De levenloze vogel, dode dingen als afgebroken takjes. Waar ik bij andere, niet met name te noemen kunstenaars, echte takjes als kunst waarneem heeft Sabine Liedtke deze getekend, stuk voor stuk.

    De vogel ligt er mooi bij, de snavel toe en de veren gladgestreken alsof afgelegd door de doodgraver. De dood wordt een gaaf antwoord op het leven. Niet mooier dan het is, maar meer toegankelijk door het lijk af te zonderen, afzonderlijk te laten zien. Dat is wat Sabine Liedtke doet: het onderwerp apart zetten, het van de bestaande context halen en het vervolgens uitzonderlijk in het niets in beeld brengen. Isoleren om beter te kijken, om in te kunnen zoomen op het onderwerp. Het vakkundige ontwerp bestuderen en de gedetailleerde uitwerking aanschouwen.

    Van voorstelling naar denkbeeld

    Echter, in de gemeenschap van de natuur is dan wel het detail te bestuderen; het samenzijn vormt de omgang met elkaar. Bij een hoop takken kun je een afzonderlijke ent oplichten alsof Mikado het spel is. Losse takjes op een rij turven het leven. De natuur schrijft de jaarringen van zich af en weet zodoende hoeveel tijd van zijn er nog is, met het klimaat in gedachten.

    Bij de composities van Liedtke meanderen mijn gedachten tussen voorstelling en denkbeeld, van werkelijkheid naar de opvatting daarover. Mijn idee van leven en dood reflecteert in haar werk. Waar Snijder de werkelijkheid door zijn emotie vervormt, past Liedtke het zijnde aan haar concept van die realiteit aan. De werkelijkheid van Jan Snijder is abstract omdat zij een gevoel verbeeldt, maar de werkelijkheid van Sabine Liedtke zweeft daarboven. Het irrealisme schijnt onwerkelijk, maar is in metafoor de ware werkelijkheid.

    Een eigen weg

    Kortom, het werk van beide kunstenaars is uniek in zichzelf. Zij kunnen wel beïnvloed zijn, gedreven vanuit een andere geest, en zich daardoor hebben laten leiden, maar zij gaan daarmee een eigen weg. Want zowel Jan Snijder als Sabine Liedtke staan in een traditie, zetten sporen in de kunstgeschiedenis. Zij geven een persoonlijke draai aan wat eerder is uitgesproken en afgebeeld. Zij groeien in een eigen stijl en borduren individueel voort op de thema’s landschap en natuur. Hoewel hun werken een realistische basis hebben, draait het uiteindelijk om het gevoel dat zij oproepen.

    Tentoonstelling schilderijen van Jan Snijder en tekeningen van Sabine Liedtke bij De Kunsthof, Blankenstein 2 in Appingedam. Van 15 augustus tot en met 4 oktober 2026.

    Foto’s © Gerbert Jonkman

    De Kunsthof, Sabine Liedtke, Jan Snijder
  • De groeipijnen van Museum Belvédère

    Ga je naar Museum Belvédère, dan kom je voor wind, water en wad. Voor kunst uit het noorden van Nederland die verbindingen legt met gevoelsgenoten in andere Europese windstreken. Reisgenoten door de kunst.

    Belvédère zou het museum van de verstilling zijn, was destijds de opzet. Verstilling betekent echter niet dat het er stil is of dat er geen publiekstrekker in de zalen kan worden tentoongesteld. Mercuur had wel die gedachte, maar Steenbruggen zocht na hem de grenzen op en liet ruimte voor het onverwachte. Toch sta je als bezoeker enigszins vreemd te kijken wanneer de grappenmakers onder de kunstenaars – het stripschap, de cartooneske tekenaars, de karikaturisten – met hun werk een plek krijgen aan de wanden.

    Een vreemde eend?

    Het profiel van Museum Belvédère blijkt echter breed genoeg om met Groeipijn Peter de Wit binnen te halen. Een tekenaar die op het eerste gezicht een vreemde eend lijkt in de bijt van de schilderkunstige traditie van het museum. Maar wie het profiel van Belvédère wat ruimer bekijkt, ziet dat er altijd ruimte is geweest voor kunstenaars die zich tussen schilderen en tekenen bewegen, voor illustratieve en stripachtige beeldtaal en zelfs voor ironie en humor. Te denken valt onder meer aan Joost Swarte, Hans Niemeijer en Martin Jarrie.

    De tentoonstelling is daarmee niet zozeer een breuk met het museumprofiel als wel een proef op de som van hoe ver dat profiel kan worden opgerekt. Han Steenbruggen wil het profiel van Belvédère niet als een keurslijf laten werken. Hij wil het brede spectrum laten zien en ruimte geven aan het experiment. Naast Jan Mankes uit de vaste collectie past daarin dus ook Peter de Wit als tijdelijke attractie. De Wit is een geweldige tekenaar met actuele thematiek, zegt Steenbruggen. Maar misschien is hij zelf ook wel een grote fan van Sigmund. Wie weet.

    Bij het bekijken van de tentoonstelling in een van de kamers in de westvleugel kan ik meer dan zo nu en dan een grinnik niet onderdrukken. En soms brengen de tekeningen mij zelfs tot ingehouden lachen, want te veel kabaal is ongepast. De met humor overladen tekeningen breken echter de stilte van het museum. De gedachten bij de cartoons vallen niet geruisloos in woorden op de vloer. Soms is een glimlach het enige geluid.

    Peter de Wit brengt de klare lijn van Joost Swarte terug in dit museum. Swarte was er net voor de lockdown te zien, gecombineerd met Jarrie. Swarte, de geestelijke en zakelijke vader van de klare lijn, waarmee De Wit op een humoristische en speelse manier aan de haal gaat.

    Meer dan Sigmund

    Peter de Wit is natuurlijk vooral bekend van Sigmund, de dagelijkse cartoon in de Volkskrant. Maar stripfanaten kennen hem al veel langer, onder meer van Stampede! en De Familie Fortuin. Zijn tekenwerk beperkt zich dus bepaald niet tot de psychiater met de vileine opmerkingen. Met Doodleuk, een reeks tekeningen over de dood, en nu Groeipijn, over kinderen en hun ouders, laat De Wit opnieuw een andere kant van zijn tekentalent zien. Het zijn zelfstandige reeksen waarin hij zich meer vrijheid veroorlooft dan in de krantencartoon. De onderwerpen verschillen hemelsbreed – de dood tegenover het opgroeien – maar in beide gevallen gebruikt De Wit zijn scherpe blik en gevoel voor humor om iets alledaags van een andere kant te bekijken.

    De tekenaar relativeert de actualiteit met een scherpe pen, gevoed door een puntig inzicht. Hij breekt het serieuze ouderschap open door de kinderen te laten zeggen waar het volgens hen op staat. Hen de hoofdrol te laten spelen. Wie zijn werkelijk de baas in huis? Wie laten van de wereldhuishouding geen spaan heel? De jeugd heeft de toekomst, dat blijkt eens te meer uit de tekeningen van De Wit. Hij staat de ernstige museumbezoeker meermaals op de tenen. Grappig is dat hij voor dit museum een speciaal toegesneden tekening heeft gemaakt. Vader met de kinderen op museumbezoek: “Kunst hoeft niet altijd mooi te zijn, hè. Misschien vonden jullie het wel mysterieus of verontrustend.” De kinderen: “Of gek”, “Of poepie”. Om te lachen.

    Peter de Wit, Groeipijn, Concertobooks, Museum Belvédère

    De tekeningen uit Groeipijn zijn momenteel te zien in Museum Belvédère en ook gebundeld in het gelijknamige boekje. In die bundel vrij werk, verschenen bij Concertobooks, verdedigt Han Steenbruggen op de flap zijn keuze om het werk van Peter de Wit museaal te tonen. “Ik ben een trouwe Volkskrant-lezer. In de ochtendhaast sla ik altijd veel over, maar nooit de dagelijkse strip van Peter de Wit.” Nou ja, nu weten we het. Doordat De Wit met slechts enkele trefzekere lijnen en opvallend open vormen zijn personages definieert, past hij in het profiel van het museum, vindt Steenbruggen. Met minimale middelen duidt hij een scène en weet hij emoties op te roepen. Bijna-niets wordt heel-veel. Dat sluit aan bij menig kunstwerk in de collectie.

    Peter de Wit tekent in Groeipijn met milde humor en een vriendelijke knipoog, meent Steenbruggen. Daardoor ontwapenen de kleine scènes en worden grote olifantenproblemen gereduceerd tot kleine muizenoplossingen. De botsingen tussen jong en oud worden daarmee in perspectief geplaatst en genuanceerd. De Wit ziet de betrekkelijkheid van de struikelblokken in de opvoeding in, de plaats van ouder en kind binnen het gezin. We zijn allemaal jong geweest. Onbevangen tekenen als kind kan Peter de Wit niet meer, daar is hij zich van bewust. “Maar neem van me aan, het plezier en de intensiteit zijn er niet minder om.” Hij laat zijn fantasie los op de strubbelingen van het ouder-zijn en het kind-zijn en deelt ons dat via zijn tekeningen haarfijn mee.

    Peter de Wit, Groeipijn, Concertobooks, Museum Belvédère

    Buiten de lijntjes

    De tekeningen van Peter de Wit kleuren iets buiten de lijntjes van het Belvédère-profiel. Het museum zoekt daarmee de grenzen van zijn karakter op. Het experiment heeft een interessante uitkomst. De wrange, pijnlijke, liefdevolle, ontroerende en grappige tekeningen verbeelden herkenbare situaties. Deze kamerpresentatie in de westvleugel van Museum Belvédère is een verademing tussen alle min of meer ernstige vertoningen. En krijg ik er niet genoeg van, dan zoek ik in de museumwinkel de gebundelde groeipijnen op. Want heb je de tekeningen in het museum gezien, dan kun je ze mee naar huis nemen in boekvorm.

    Groeipijn. Over kinderen en hun ouders. Peter de Wit. Uitgave Concertobooks, 2026. Publicatie bij tentoonstelling in Museum Belvédère te Oranjewoud, van 20 juni tot en met 20 september 2026.

    Peter de Wit, Groeipijn, Concertobooks, Museum Belvédère
  • William-Alexander: twee-eenheid zonder samensmelting

    Eén van de eerste vaardigheden waar een nieuw mens op deze wereld overheen moet stappen is, naast duidelijke taal leren spreken, het op eigen benen leren staan en lopen. Praten om te communiceren, contact leggen. Lopen om zich te verplaatsen, contacten te ontmoeten. De peuter beweegt zichzelf, uit zichzelf en kan daardoor al veel, vindt het zelf. Door de eerste gevoelens en ervaringen op papier te zetten gaat het kind als vanzelf tekenen, want schrijven is nog een brug te ver – dat komt later. Het uiten in beelden is ook zo’n handeling die de basis is van het levensleerproces. Tekenen is de meest basale techniek van kunst maken. Het past bij het begin van de mensheid zoals het hoort bij de start van het leven. Al tekenend, cq. beeldend, raakt de mens vertrouwd met de omgeving. Leert het dingen begrijpen. Meer één met de compositie kun je bijna niet zijn; je bent de tekening, de tekening is jouw handschrift. De afstand tussen maker en maaksel bedraagt niet meer dan enkele centimeters: de lengte van het stukje grafiet, krijt of houtskool dat tussen duim en wijsvinger wordt gehouden. Zo kort genaderd is men verbonden met het beeld dat onder de handen ontstaat.

    Lopen en tekenen als levenshandeling

    Waar lopen een basisbeweging van het menselijk bestaan is, is tekenen een even fundamentele handeling van de creativiteit. Wilma Vissers beoefent beide. Het zit in haar genen, stroomt warm door haar aderen. Al lopend over de paden van het inspirerende Ierse landschap legt zij haar indrukken vast. Ze tekent in de open lucht, en plein air, tijdens de wandelingen. Ze loopt en tekent onderwijl door. Dat kan, je kunt schetsmatig gedachten op papier zetten terwijl je onderweg bent. Die schets kan zelfs al het kunstwerk zijn. Dat het gevoel meteen de juiste vorm heeft gekregen. Hoeveel kunst kan de pelgrim maken op tocht naar een bedevaartsoord. Tijdens wandelingen en voettochten ontstaan ideeën die om uitbeelding smeken.

    Wilma Vissers, Alexandra Huddleston, William-Alexander

    Vissers maakt een abstract beeld van wat haar blik kruist. Maar meer dan dat, want het is de uitkomst van wat haar gevoel ervan vindt. Welke emotie bij de werkelijkheid het tekenen in gang zet. Die emotie draagt het beeld, de ervaring diept de kern uit. Dat zal niet zichtbaar aansluiten bij mijn beleving, maar door beter te kijken en juist in te leven zie ik overeenkomsten met de realiteit. Onderken ik waar de oorsprong van het gemaakte beeld ligt, welke de inspiratiebron is van waaruit de tekening ontspringt. Wilma Vissers laat zich leiden door de landschappen van Ierland. Daar heeft zij een onderkomen om uit te stappen en de ingeving binnen te lopen. Het is een ruig landschap, grillig zoals de Schepper het in den beginne bedoeld moet hebben. Daar tegenaan zet Vissers een ogenschijnlijk ongecompliceerde gedachte. Een idee dat gestroomlijnd is door het gaan. De lijnen die getrokken zijn in het lopen, de vlakken gevuld bij het rusten.

    Twee manieren van kijken

    Alexandra Huddleston loopt met haar mee. Op de wandelingen door de natuur hebben ze het erover. Over wat ze zien en wat dat met hen doet, samen en persoonlijk. En ze spreken over de kunst, over de compositie die het lopen kan dirigeren. Waar Wilma Vissers haar indrukken schetst, maakt Huddleston foto’s van de omgeving. Beide dames leren mij anders kijken naar het landschap. Wilma pakt de essentie van de ervaring en Alexandra legt de kern van het kijken vast. Zet de één de werkelijkheid om in abstracte beelden, de ander plaatst de realiteit in werkelijke beelden. De één hoe het daar voelt, de ander hoe het daar is. Maar wel pikt Huddleston die details waaraan de wandelaar voorbijloopt, die in de haastige stilte niet gezien worden. Zo onder de indruk van het grote geheel worden de afzonderlijke kenmerken overgeslagen. De fotograaf maakt er drieluiken van, verknipte panoramische beelden. Op die manier komt het karakter van het landschap nog beter tot recht.

    Wilma Vissers, Alexandra Huddleston, William-Alexander

    Wilma Vissers en Alexandra Huddleston vormen samen, althans hun werk is onder de noemer gebracht van, een enkele kunstenaar met de fictieve roepnaam William-Alexander. Deze bij de gratie van beide dames bestaande kunstenaar laat zich inspireren door de eilanden en kuststreken van het Atlantische noordoosten. De abstractie en de figuratie verbinden zich in een handzaam boekje. Al eerder werd van dit project een eigen uitgave gemaakt, waarin tekening en fotografie verbanden leggen. Reageert het ene werk in de eerste documentatie op het andere, lijkt William-Alexander een twee-eenheid te zijn. In de tweede uitgave blijken de kunstenaars minder op elkaar te reageren en meer het landschap te laten spreken. Het verbindingsstreepje koppelt de namen, maar zal beter een schuine streep zijn: wel dan niet. Het landschap inspireert, de kunst doet dat niet. Ze gingen samen op, leefden twee weken op één adres en maakten dezelfde wandelingen in hetzelfde landschap: County Donegal, Ireland. Uit die lichamelijke en geestelijke samenwerking is werk ontstaan dat onder geen enkele noemer de wereld in kan, maar dat toch doet. Het is geen kunstenaar die tekenend fotograaf of fotografisch tekenaar is. De twee disciplines gaan niet samen op. Dat maakt het boekje “too” duidelijk.

    Samen, maar niet samengesmolten

    Waar tekenen een fundamentele handeling is, is kijken dat in overtreffende trap. Zonder kijken is er geen beeld, is er geen situatie om vast te leggen. In de fotografie wordt het kijken in een fractie van een seconde bevroren, zo zoals het gezien kan worden. Bij het tekenen is er na het kijken een ogenblik van bezinning om de ervaring vast te leggen, zo zoals het ook gezien kan worden. Lopen, praten, tekenen en kijken. Samen is het William-Alexander. In “too” een verwachte vooruitgang op “tack-tack”, maar geen samensmelting. Ieder voor zich hinkt op twee gedachten. Dat samenvoegen geeft toch een zichtbaar resultaat. Het heeft verbanden, maar losse eindjes worden niet vastgeknoopt. Het blijft een gezamenlijk project van twee individualisten.

    William-Alexander. too  Wilma Vissers, tekeningen & Alexandra Huddleston, fotografie. Uitgave in eigen beheer, 2026.

    Wilma Vissers, Alexandra Huddleston, William-Alexander
  • Rein Dool heeft geen titel nodig om aan te spreken

    Zonder titel toont Rein Dool zijn werken van de laatste twee jaar. En daaruit blijkt dat kunst geen leeftijd heeft. Dat zelfs een ouder kunstenaar nog jeugdige werken maakt. Rein Dool is van 1933. Aan groei in de kunst zit geen slot, het eind is nooit in zicht. De kunstenaar gaat niet met pensioen; er zijn geen geraniums anders dan te verwerken in een stilleven. Het werkbaar leven stopt echter niet, er is geen afronding, geen sprake van een stil leven.

    Kunst bedrijven is een manier van leven. Kunstenaar word je niet, dat ben je. Dat is anders dan bij alle andere vakken die te beoefenen zijn. Er is geen opleiding tot kunstenaar, het doen is de leerschool. Een academie onderwijst technieken, maar inspiratie en gevoel zijn van nature aanwezig. Dat zit in je DNA, dat valt niet te leren.

    De kunstenaar in zijn werk

    Het creëren, het van niets iets maken, zit Rein Dool in het bloed. Hij is er ooit mee begonnen om zichzelf te vinden en is er nooit meer mee gestopt. Want hij heeft zichzelf erin gevonden: ‘Het tekenen gaf me een doel in het leven. Als ik maar kon tekenen, dan was het goed. Ik tekende om mijzelf te worden.’ En ik ontdek hem tussen de verfstreken en potloodlijnen door. Zijn werk — dat is Rein Dool. In ieder werk vindt hij zichzelf opnieuw uit. Dat heeft geen titel als aanwijzing nodig. Het verdient een objectief kijken.

    Dool experimenteert en groeit in zijn kunst. Met de opzet van iedere nieuwe serie verrast hij de beschouwer. Elke volgende reeks geeft een andere kijk op de kunstenaar. Hij wijzigt zijn invalshoek en levert mij een oorspronkelijk perspectief. De prille werken ogen jong en dragen onzichtbaar een inmiddels meer dan negentigjarig leven in zich. Ieder nieuw werk is echter even fris en levendig als dat wat een half leven eerder werd gemaakt.

    Een eerste ontmoeting

    Werk van Rein Dool zag ik eerder in de multidisciplinaire tentoonstelling On the Spot in Museum Belvédère. Dat was in de zomer van 2017, een eerste overweldigende kennismaking. Een selectie tekeningen uit zijn serie Parken zette mij tot lyrische woorden aan en ik schreef een bewogen artikel; een citaat: ‘Niet de suggestie van een koele bries bezorgt de kijker kippenvel of een aangename rilling over de rug, maar de nauwkeurige manier waarop de tekenaar met de emotie speelt. Dat wat hij daar zag staat op papier, maar het geeft een poëtisch gevoel. Het is een dichterlijke vrijheid in tastbare beeltenis uitgevoerd. (…) Het is een park om in weg te dromen. Een beeld om te mijmeren. Laat mij hier maar figuurlijk versterven.’

    Steeds een andere tekentrant

    Er zijn tekenaars die op een bepaald moment een stijl en een manier van werken omarmen en zich daarin vasthoudend blijven uitdrukken. Bij Rein Dool is daarvan geen sprake; hij wisselt voortdurend van tekentrant. Zo ontstaat een veelzijdig oeuvre. Daarbij vraagt hij zich af of iedereen wel ziet dat het allemaal door een en dezelfde kunstenaar is gemaakt.

    Als jonge tekenaar ontdekt Rein Dool zijn talent voor het tekenen naar de werkelijkheid, het wonder dat je dankzij nauwkeurig kijken en beschouwen, en door het oefenen van je hand, alles om je heen kunt weergeven met een potlood. Bekijk je het onderwerp zorgvuldig van alle kanten, zie je volume en diepte, dan begint het onder je handen steeds werkelijker te worden. ‘Zijn oog voor het absurde van het ogenschijnlijk gewone en alledaagse vormt voor Dool een onuitputtelijke bron van inspiratie’, lees ik in een publicatie.

    Van werkelijkheid naar essentie

    Het beelden naar de uiterste werkelijkheid geeft hem het vermogen daarnaast ook de essentie van het beeld te pakken. In zijn werk kan hij door te kijken welhaast fotografisch realistisch zijn, maar juist door die kennis van zaken kan hij dingen weglaten totdat een veelzeggend abstract werk ontstaat. Want het tekenen en schilderen naar de werkelijkheid, dat hij steeds beter beheerst, voelt vaak ook als een inperking van zijn vrijheid. Hij durft de werkelijkheid los te laten en ontdekt hoe weinig er nodig is om een mens te maken. Om de essentie van de mens vast te leggen. Dat houdt verband met zijn anders kunnen kijken, beter kunnen zien en doorzien, zijn oorspronkelijke handschrift en zijn verwondering over de wereld, zijn medemens en zichzelf. Rein Dool is een verrassende tekenaar met soms wonderlijk werk.

    Het doolhoofd

    Hij doolt als het ware door de kunst, maar verdwaalt niet in verschillende stijlen, want alles past hem. Rein Dool grasduint en neemt van iedere techniek iets mee. Zo komt hij niet tot een eenduidige stijl waaraan je de meester onmiddellijk herkent, vandaar zijn retorische vraag of men wel kan zien of het allemaal door dezelfde kunstenaar is gemaakt.

    Naast uiterst realistische tekeningen, zoals de Parken-serie, zet Rein Dool even vrolijk abstracte verbeeldingen op. Zijn werk is echter nooit volledig abstract; er blijft altijd een realistische ingang bestaan. Zo zijn de meest recente tekeningen een stilering van het leven. Een versimpeld beeldmerk. De essentie van het zijn ligt erin vast, zit opgesloten in de gelaagde voorstelling. Kern van iedere tekening in deze serie is de karakterisering van het gelaat. Het tot zijn essentie teruggebrachte menselijke profiel, door dichter Tom van Deel ooit treffend ‘doolhoofd’ gedoopt.

    De doorlopende golvende lijn van voorhoofd, via neus tot kin vormt een grimas. Daarin bevindt zich steeds een alziend oog dat afgetekend contact maakt, dat apert communiceert binnen en buiten het werk. Niet telkens is dat hoofd direct zichtbaar en soms maakt het deel uit van het lijnenspel in de tekening, maar altijd is het ergens aanwezig. Alsof de kunstenaar, als een Alfred Hitchcock, steeds even opduikt in zijn werk en ziet dat alles goed is. Want ook het leven van Rein Dool is een scheppingsverhaal.

    Tussen realiteit en abstractie

    Zijn de meeste werken opgebouwd rond constructivistische elementen, zo nu en dan sluipt er een realistisch getekend stilleven de compositie binnen. De geconstrueerde omgeving wordt dan een verstild landschap. De mens die verrukt raakt van huisje-boompje-beestje-werk, gechargeerd gesteld ‘de jongen met de traan’ die hij of zij boven de bank heeft gehangen, zal bij de gedetailleerde realiteit van Dool verzuchten: zie je dat, hij kan het wel. Alsof kunnen tekenen enkel het exact weergeven van de werkelijkheid behelst. Rein Dool heeft daaraan geen boodschap en bezigt beide waarheden. Hij kan eenvoudig vanuit de realiteit opgaan in abstractie om vervolgens terug te vallen op de werkelijkheid. Het is eenvoudigweg hoe hij zich wil uitdrukken.

    Kijken zonder titel

    Het is fijn dat het boek met tekeningen 2024-2025 als opschrift Zonder titel heeft. En dat ook de werken daarin zonder titel gaan. Daardoor wordt het kijken ernaar, het zien ervan, een persoonlijke belevenis. De richting van het beschouwen is namelijk niet vooraf bepaald; die kan ik zelf kiezen en daar mijn gevoel, en dus mijn waarheid, tegenover zetten. Hans Locher, voormalig directeur van het Gemeentemuseum Den Haag, schrijft in zijn voorwoord onder meer over het doolhoofd: ‘Een aanwezigheid die zowel speels als ernstig kan zijn, in rust stevig gepositioneerd maar ook fel dominerend dan wel nerveus gekanteld, zwevend en doorzichtig, vlak langs de onderkant of bovenkant van een voorstelling bijvoorbeeld. (…) Zoek dan ernaar, zou ik zeggen. Vooral ook al zoekend en plotseling vindend kan je opgenomen worden in het visuele avontuur van deze tekeningen, een avontuur dat rondom dit motief nog heel veel meer omvat dat je kan raken.’

    Het is tevens aangenaam dat het voorwoord van Hans Locher de enige tekst in het boek is. Daardoor kan de beschouwer zich volledig onderdompelen in het kijken naar de werken en wordt hij niet gestoord door afleidende omschrijvingen van de kunst of belevenissen met de kunstenaar. Van de diverse werken staan op het naastgelegen titelblad slechts de techniek, het formaat en het jaar van ontstaan vermeld. Verder niets dan het nummer van de pagina.

    Zonder titel is dus een prentenboek, een uitgave als reisgids om de wereld van Rein Dool te ontdekken. Van harte aanbevolen.

    REIN DOOL, zonder titel, tekeningen 2024-2025. Met een voorwoord van Hans Locher. Waanders Uitgevers, Zwolle 2026.

    Rein Dool, zonder titel, tekeningen
    Rein Dool, zonder titel, tekeningen
  • Pier Feddema schetste de spontaniteit van het moment

    Feitelijk is het de meest basale manier van het bedrijven van beeldende kunst: het schetsen. Het tekenen met potlood of krijt. Een snelle indruk maken van wat je ziet. Een rappe afdruk neerzetten, een beeltenis waarop je later kunt doorwerken en waarmee je in een andere techniek een resultaat kunt scheppen. Het is de kraamkamer van het oeuvre van de kunstenaar, de broedplaats waar iets nieuws ontstaat of wordt ontwikkeld. Het gevoel bij een moment, de gewaarwording van de omgeving, het in de vingers krijgen van een situatie. De ogen merken op, de hersenen verwerken en de handen voeren uit. Die actie volgt direct op wat is waargenomen.

    Bij een statisch beeld, zoals een schip of een boerderij, kan een schets meteen concreet worden. Bij beweging van voorbijgangers of dieren moet het beeld sneller op papier; de ervaring moet direct een indruk zijn. Ook een min of meer passief beeld, als een landschap of portret, kan een impressief beeld opleveren: een middel om sfeer en essentie van de gewaarwording weer te geven. Juist die eerste indruk verbeeldt het gevoel bij de gebeurtenis.

    Enkele lijnen en handgebaren

    Aan de manier waarop iets op papier is gezet, tekent zich de emotie af. Niet altijd heeft de kunstenaar sympathie voor het onderwerp; dat valt af te lezen uit de beeldende beschrijving. Op zo’n moment past de tekening niet, werkt het gemoed tegen en wordt de schets een ongeïnteresseerde droedel. Vaak belandt zo’n tekening in de prullenmand, omdat deze niet voldoet aan wat voor ogen staat. Maar wanneer de sensatie er is, kan in enkele lijnen en handgebaren het voorval worden vastgelegd.

    Zo blader ik de schetsen van Pier Feddema door. Voor Utjouwerij DeRyp stelde Elske Schotanus een representatieve dwarsdoorsnede samen uit zijn schetsboeken. De kunstenaar uit Anjum vormde met anderen de kunstenaarsgroep Yn ‘e line: kunstenaars die de kunst in de lijn wilden houden, zoals de man die het turfschip lopend langs het kanaal op koers hield. Met een heldere, strakke lijn weerspiegelde de groep natuur en omgeving in een expressionistische stijl. Dat zorgde in de jaren 50 van de vorige eeuw voor nieuw elan in de Friese kunstwereld.

    Typische indrukken uit het leven zijn zichtbaar in Feddema’s schetsen. Niet alle onderwerpen hebben dezelfde zeggingskracht; sommige maakten minder indruk. Toch passen ze in het geheel, omdat ook deze het beeld van de kunstenaar completeren. Ze zijn niet uitgescheurd of weggegooid. Integendeel, Feddema achtte ze van belang om te bewaren. Het is goed dat de bloemlezer deze verwelkte exemplaren toch heeft opgenomen. Het zijn er slechts enkele, want Feddema is een begenadigd beschouwer, een geoefend kijker die vrijwel ieder moment interessant vindt. Maar de ene dag tekent beter dan de andere.

    Aandacht voor detail en essentie

    Feddema had zijn schetsboek altijd bij zich. Raakte zijn blik iets opmerkelijks, dan pakte hij boek en potlood en zette hij de observatie in trefzekere lijnen op papier. Aan de schets is af te lezen hoeveel gevoel hij bij het voorval had. Soms is het een slordige tekening, bedoeld om iets vast te houden dat weinig indruk maakte. Maar een snelle schets kan juist de emotie scherp weergeven, terwijl de gebeurtenis al voorbij is voordat er iets op papier staat. De momenten volgen elkaar op; snelheid is geboden om de sfeer vast te houden. Toch blijft er aandacht voor detail en essentie. Is er meer tijd, dan nog werkt Feddema in rappe lijnen en vegen. Het voorval, de plaats en de tijd moeten worden vastgelegd.

    Met plezier legde Feddema zijn omgeving vast. Dat laten zijn schetsen zien. Met een open blik keek hij de wereld in. Door zijn tekeningen maakte hij die tot de zijne. Dit werk laat duidelijker zien wie hij als kunstenaar was dan zijn schilderijen doen. Geldt dat niet vaker? Dat de weg naar het resultaat meer blootlegt dan de uitkomst zelf. Een blik in het atelier, tijdens het maakproces, geeft inzicht in de lusten en lasten van de kunstenaar. De moeite om van niets iets te maken. Het vuur van de schepping dat daar ontvlamt. Daarvan getuige zijn is een gotspe, maar ook waardevol.

    Wanneer de kunstenaar er niet meer is, vervalt het directe contact. Er kan niet meer worden meegekeken. De achtergelaten schetsboeken en ontwerpen nemen die plaats in. Ze bieden zicht op de geest van de kunstenaar. Elske Schotanus noemt het “een klein feestje om, bijvoorbeeld tijdens een kunstenaarsbezoek of soms in een galerie, schetsboeken in hun geheel door te bladeren”. Het zal een bijzonder moment zijn geweest om de nagelaten schetsboeken van de in 1983 overleden Feddema te mogen inzien. Ze openen een wereld, gezien door zijn ogen.

    Talent en vaardigheid

    De ontwikkeling die zijn werk ongetwijfeld heeft doorgemaakt is in het boek niet goed te analyseren. Blijkbaar is alles in willekeurige volgorde afgedrukt. Dat is op zich geen probleem want Pier Feddema kon gewoon goed tekenen. Maar hij ging weglaten, naar voren halen, meldt de Pier Feddema Stichting op de website over het ontstaan van  een eigen stijl. De Stichting is in het bezit van de originele schetsboeken die in langdurig bruikleen zijn gegeven aan Museum Dr8888.

    De schets is allang niet meer slechts een voorbewerking. Zoals tekenen niet enkel een voorstudie is voor een eindresultaat. Volgens Schotanus is het het meest eerlijke en directe genre binnen de beeldende kunst. “Meer dan bij andere technieken verraden schetsen aanleg, talent en vaardigheid van de maker.” Zij beschrijft hoe Feddema en plein air zijn onderwerp vastlegde: de hand ‘fladderend’ over het papier, de werkelijkheid in snelle krabbels gevat. Soms blijft het steken in een abstract beeld, een gedachte bij de realiteit. Het aanvoelen van een actie, het gevoel bij een gebeurtenis, kenmerken zijn werk. De snelle schets was zijn handelsmerk. Met meer tijd werkte hij tekeningen uit en voegde kleur toe, maar de spontaniteit van het eerste moment bleef.

    Feddema gebruikte het schetsen om de werkelijkheid te doorgronden. Zijn observaties waren oefeningen om de wereld te leren kennen en voor ons begrijpelijk te maken. Het zijn niet alleen voorstudies, maar studies naar het leven. Veel tekeningen zijn op zichzelf staande eindproducten, met voldoende kwaliteit en zeggingskracht. Zelfs wanneer ze de uitstraling hebben van een ontwerp, functioneren ze als zelfstandig werk. Juist in hun spontaniteit, in enkele lijnen neergezet, ligt hun kracht.

    út de sketsboeken fan Pier Feddema. Samenstelling en tekst Elske Schotanus. Uitgave Pier Feddema Stichting & Utjouwerij DeRyp, 2026.

    Pier Feddema, schetsboeken, utjouwerij DeRyp
  • Het surrealisme van Geer van der Klugt

    Stap ik Galerie Getekend binnen, sta ik meteen weer buiten. Treed ik door de deur, over de drempel, dan loop ik het bos van Geer van der Klugt in. De tekening die een hele muur beslaat, valt niet te ontlopen. In de relatief kleine ruimte komt deze hard binnen, niet alleen qua formaat, maar ook qua stemming. Het bosgezicht is triest in schoonheid. Zojuist lijkt brandmeester te zijn gegeven; de bluswagens zijn weggereden. Het bos staat nog uit te puffen en herstelt zich zichtbaar moeizaam van de eerdere vuurzee. Het bluswater staat het bos nog tot de lippen. Zandpaden zijn door rupsbanden geplaveid. Kale, bladerloze stammen en armetierig fiere dennen houden de schijn op, maar verhullen de afbraak met moeite. De grond is weggespoeld, stenen bedekken de aarde. Kort gezegd: een droevige aanblik van een bomengroep die ooit een bos was. Van der Klugt heeft in pastel, houtskool en gouache een onheilspellend landschap opgezet: een omgeving waarin ik niet graag ben, maar die mij in deze galerie wordt opgedrongen. Het is zaak door de ellende heen te kijken en de schoonheid van de compositie te herkennen.

    Geer van der Klugt, Galerie Getekend

    Wat is er gebeurd in dat verweerde bos

    Draai ik me om en zie ik het andere werk in de ruimte, dan lijkt het bos zich te hebben gerehabiliteerd. Toch klopt het niet helemaal wat ik denk te zien. Er schemert nog steeds afbraak tussen de bomen. Het is geen vrolijk aanzicht; spanning heerst in de lijnen en vlakken die de kunstenaar heeft getrokken en geplaatst. De bosvijver in “CATCH” lijkt door vissers overhaast verlaten. Twee hengels staan nog als reigers te turen in het met riet omzoomde water. Wat is er gebeurd in dat verweerde bos waar het zonlicht de oevers beschijnt en het water zachtjes licht aantikt? Het volgende bosgezicht geeft al zo’n troosteloze indruk. Stammen zijn mager als brandhout. Het hout kreupelt om staande te blijven. Een mist trekt langs de bomen, een nevel die niet is opgekomen, maar vrijgelaten; een ijle waas die eerder aan drijfgassen doet denken dan aan natuur. Vaak doet in Van der Klugts werk iets meer aan niets denken dan dat het werkelijk is wat het lijkt. Feit is dat er een sfeer van mysterie hangt in zijn boslandschappen. De mens, als die al aanwezig was of ooit is geweest, is weggetekend of uitgegumd.

    Van buiten naar binnen

    Volgens de summiere handleiding bij de expositie — die ik overigens op de website van de galerie vind, want de werken gaan zonder beschrijving, wat het plezier in kijken ten goede komt — zijn de bosgezichten ouder werk van Van der Klugt. Het recente werk is minder krachtig aanwezig en past qua formaat boven de bank. Het brengt mij van buiten naar binnen en schept een huiselijke sfeer; ik kijk binnen bij de kunstenaar. Dat veronderstel ik, me beseffend dat er ruimte gelaten wordt voor eigen interpretatie en verbeelding. Terwijl de buitenbeelden me een ietwat mistroostige blik op de natuur geven, kan ik onder dak de betrekkelijke gezelligheid beschouwen. Toch is de sfeer ongemakkelijk, om niet te zeggen ingewikkeld. Wat gebeurt daar tussen de vier muren? Het is onduidelijk. En juist daarom is het boeiend: de kijker weet niet wat hij of zij ziet. Eigen verbeelding moet het beeld interpreteren. De gezelligheid is betrekkelijk, omdat er een kille sfeer van onwetendheid hangt. Zodoende staat een groot vraagteken op mijn voorhoofd geschreven. Gelukkig ben ik alleen op een onbewaakt ogenblik in de galerie, dus kan ik dat sein van verwondering snel verdoezelen en net doen alsof mijn neus bloedt.

    Geer van der Klugt, Galerie Getekend

    Ik vraag mij af wat ik zie. Letterlijk valt het te omschrijven, figuurlijk tast ik in het duister. Mijn gevoel zal spreken om de sfeer te pakken. Wat opvalt, is de jas die aan de muur hangt, als een rode draad door de composities. De bewoner is ter plaatse; de jas verraadt zijn aanwezigheid. Maar we zien hem niet, want hij is bezig de tekening te maken. Eigenlijk is de kijker dus zelf de bewoner van het huis, terwijl het bezoek net is vertrokken door de nog openstaande deur. Wie goed kijkt, merkt telkens iets dat niet klopt of dat tegen de regels van de esthetiek is. Iets dat schoonheid in de weg staat. Het kan een lawine zijn die modder het huis in smijt, kogelgaten in de muur, of stoïcijnse hazen die een stoel laten dansen – één, twee, in de maat.

    Kijken om te zien

    De hond kijkt het gelaten aan en ik zit aan een lege tafel, tuur door het raam naar buiten. Opeens krijg ik enorme trek in een kop pruttelkoffie. Dat is wat kunst doet: weet je niet wat je ziet, dan vullen andere zintuigen het beeld aan. In de kribbe in de hal vind ik nog een tweetal tekeningen; daar is ook een bosgezicht dat me enigszins vrolijk stemt. Het zonlicht piekt tussen de strak oprijzende stammen en bereikt met moeite de onbegroeide bosgrond. Er is geen schuilplaats voor een levend wezen. In de kribbe, of eigenlijk een lectuurstandaard om tekeningen langs te bladeren, zit een plaat die afwijkt van de andere getoonde composities. Op de getekende bank ontwaar ik een stel mensen. Aan de muur hangen twee jassen, terwijl aan de geopende deur nog een jas hangt — de bewoner meldt zijn aanwezigheid. De bankhangers doen met elkaar wat ze kunnen in een lege kamer met enkel een eenpersoonsbed en een designachtig bijzettafeltje. Of is het een brancard waarop een laken de derde persoon bedekt? Zitten de mensen triest bij elkaar? De verklaring is voor velerlei uitleg vatbaar. Kijk je om te zien, of zie je om te kijken? Wil je zien wat je ziet, of kijk je zonder te zien? De voorstelling is abstract in werkelijkheid; surrealisme wordt dat genoemd. Geer van der Klugt tekent de wereld surrealistisch van zich af om een onwerkelijke sfeer tastbaar te maken. Je weet niet wat de toekomst zal brengen, daarom maak je het hier en nu vast mee.

    “You don’t know the future”, tekeningen van Geer van der Klugt bij Galerie Getekend. Stationsstraat 6 in Heerenveen. Van 18 januari tot en met 8 maart 2026.

    Geer van der Klugt, Galerie Getekend
  • Zelfportret zonder een gezicht te tonen

    Zij stuurde mij twee handen vol afbeeldingen van haar werken. Of ik daar iets over kon zeggen, of schrijven eigenlijk. Mijn naam was haar genoemd door een bevriende kunstenaar, een beeldhouwer die nu domicilie houdt in Italië. Ik zou er wel wat van vinden, was zijn mening. Concreet had zij mij uitgenodigd haar werk live te zien, maar daarvoor kon ik op mijn manier de tijd niet vinden. Dus nam zij de moeite het werk te fotograferen en mij te mailen. Op het beeldscherm heb ik uiteraard niet de look en feel van een schilderij. Je kunt niet je blik langs de verfstreken laten glijden of zelfs even stoutmoedig met de wijsvinger de structuur betasten – voorzichtig zonder te beschadigen. Want kunst moet je kunnen voelen, aanvoelen, de ruimtelijkheid in het platte vlak onderscheiden en in geval van olieverf op doek de materie kunnen ruiken.

    Marjolein Prins

    Dat is dus uitgesloten bij dit mij gestuurde werk, maar gelukkig componeert de kunstenaar haar werk met behulp van de computer. Het betreft dus digitale kunst, waarvan ik digitaal enkele voorbeelden kreeg om deze te beoordelen. Nu is beoordelen een groot woord; ik wil er iets over schrijven, mijn mening geven – ik ben geen meester die de wijsheid in pacht heeft en zijn oordeel gaat toetsen dan wel het werk keurt op stijl en techniek. Ik noem het een beschouwing – observeren, gadeslaan en overdenken. En vervolgens mijn gevoel bij wat ik heb gezien beschrijven. Ik geef een voorzet en ieder ander mag het doelpunt maken, er het zijne of hare van vinden. Kunst is een kwestie van smaak.

    Intuïtief ontwerpt Prins de compositie

    Marjolein Prins, want over haar werk gaat het hier, spiegelt haar leven in het werk. Zij laat haar zijn reflecteren in de met behulp van Procreate gemaakte composities. Niet werkelijk of letterlijk zoals dat je bijvoorbeeld een zelfportret maakt, maar abstract en figuurlijk in een gestroomlijnde print. De digitale tekeningen lijken veel op de weerglans van de omgeving in een bewerkte plaat metaal. Of een spiegelbeeld in gewelfd glas. Of de spiegeling op in beweging gebracht water. Het beeld vervormt en herschept zichzelf in het dynamische oppervlak. Bij wijze van spreken is de beeltenis in beweging wanneer je langs gaat of je hand in het water steekt.

    Marjolein Prins

    Intuïtief ontwerpt Prins de compositie en bouwt deze verder uit met behulp van het computerprogramma. De software is niet leidend, maar ondersteunt haar een harde werkelijkheid in abstracte tonen te creëren. Deze heeft wel een realistische kern, namelijk haar eigen wezen zoals ik hiervoor al aangaf. Er ontstaat onbewust en niet beredeneerd een individuele vormgeving met een persoonlijk handschrift. Ieder ander zal dit niet zo kunnen maken, want dit is Prins zoals ik het zie. Ieder ander kan een poging wagen door Procreate of een ander digitaal tekenprogramma te gebruiken, maar dan is en blijft het een kopie want dit is de codex van Marjolein Prins. Zij heeft deze manier van uiten bepaald. Het toont aan dat er digitaal mogelijkheden zijn, die weinig onderdoen voor authentieke technieken. Persoonlijk zal ik liever een penseel of potlood hanteren, daar ik het idee heb dan meer betrokken te zijn met wat ik maak. Maar voor anderen zal een digitale pen relateren aan begeestering.

    Rumoerige versimpeling, onstuimig handschrift

    Prins legt het landschap van haar geest vast, maar maakt ook werkelijke landschappen. Deze zijn in lagen opgebouwd en benaderen echtheid. De manier van werken leent zich uitstekend voor het benaderen van water. Niet voor niets wordt die oppervlakte vergeleken met een spiegel. Het kan zo vlak zijn, stil en niet in beweging. Maar wanneer je met een voorwerp of de hand het laat bewegen stroomt de gespiegelde omgeving naar elders en vermaakt en hermaakt zich tot een abstracte vormgeving. Vooral in deze golfbeweging is Prins naar mijn mening op haar best, de rumoerige versimpeling en het onstuimige handschrift past haar beter in vergelijking met de inbreng van oorspronkelijke vormen.

    Marjolein Prins

    Het gebruik van fotografie als basis voor een print geeft de plaat diepte, zoals bij de walvis achter borrelend water te zien is. Die luchtbellen passen ook goed in een semi-abstracte vormgeving. Maar wanneer een meer werkelijke uiting als bloemen of een mens een plek krijgen, raakt de kracht uit de tekening en spreekt de compositie minder aan. Dan lijkt het een kunstje en kan de ziel van de maker niet worden gevonden. Hoewel de inheemse dame wel in een passende primitieve stijl is gezet. Vooral dat persoonlijke handschrift geeft het werk van Marjolein Prins een gezicht.

    Dit is op en top persoonlijk haarzelf

    Eén compositie in de mij gestuurde reeks is een uitzondering op de regel. Daarin mengt Prins de werkelijkheid met abstracte elementen op een uitzonderlijke wijze. Op die manier werkt het wel, omdat zij zichzelf in de omgeving zet. Een donker landschap dat veel weg heeft van een zeegezicht met een deinende branding. De wolken erboven golven mee in het ritme van de zeespiegel. De lucht kleurt rood met een helder gele zon, het wezen van een ster licht op. Marjolein zit in het centrum van de afbeelding, in een rolstoel op hellend vlak. Brandy, haar hulphond, zit braaf naast haar op de grond in afwachting van een commando. Ze leunt over links en is met het beest in gesprek. Ze lacht. Dit is op en top persoonlijk haarzelf. De achtergrond is haar wezen, de figuur haar zijn.

    Marjolein Prins

    Kort gezegd en geschreven is Marjolein Prins goed bezig. Haar handicap staat haar op veel fronten in de weg, maar bij het maken van kunst en het creëren van haar schepping is zij zo vrij als een vogel. Ze legt haar wezen in het werk en laat de zwakheid toe. Vooral dat gegeven maakt haar werk speciaal om niet te zeggen uniek. Het spreekt aan, omdat zij haarzelf erin uit, haarzelf erin sluit. Dit is Marjolein Prins. Het is haar zelfportret zonder een gezicht te tonen.

    Beschouwing digitale tentoonstelling tekeningen van Marjolein Prins.

  • Een duik in de onderwaterwereld bij Galerie Getekend

    Waar meestal als drager voor kunststukken is gekozen voor wit of een variatie daarop, hoewel tegenwoordig een aanpassende kleur als steun wordt gebruikt, besloot Galerie Getekend bij eerste inrichting de wanden zwart te maken. En dat is tot nu altijd een terecht stijlvolle keuze gebleken. De kunst op papier aldaar gehangen komt tegen de donkere achtergrond best tot uiting. Het zwart leidt niet af, geeft de kunst juist een eigenzinnig karakter. De werken springen er als het ware uit, komen naar voren, bieden zich aan. Met name bij de huidige expositie is dit zwart een uitkomst. In de uitstalling “Waar Water Leeft” krijgt de geheimzinnige wereld onder het wateroppervlak de aandacht. Het is alsof de bezoeker een frisse duik in de kunst kan nemen, afdalen in de donkerte van de galerie. Figuurlijk de duikbril op, de flippers aan en een zuurstoffles op de rug gebonden. Want enkele momenten snorkelen is niet genoeg. Langer onderduiken is zaak bij deze kunst om het te determineren, ontdekken en onderzoeken.

    Die onderwaterwereld is een verborgen stuk aarde, een immens groot deel van de aardbol dat ongezien levend is. Want de aarde bestaat voor het grootste deel uit water, 70%. Wat er zich onder die waterspiegel afspeelt blijft over het algemeen verborgen voor het blote oog. Is het water helder dan geeft die wereld iets van de geheimen prijs, maar alleen wanneer de bodem in het blikveld valt. Maar meestal is het water troebel en is die bodem amper zichtbaar diep. Dan is enkel het deinende oppervlak te beschouwen en blijft de inhoud ongezien. Dan wanneer wij door dat grensvlak tussen water en lucht breken, het vocht opspat en ons doorlaat, valt wat zich daaronder zoal afspeelt te zien wanneer de waterspiegel weer rustig is. Te bewonderen, want er ligt zodoende een wereld voor ons open.

    Niet de vraag waar maar of water leeft

    Galerie Getekend is met de huidige expositie in dat diepe gesprongen en maakt voor de bezoeker het ongeziene zichtbaar. Sowieso werd dat gedaan in al die tentoonstellingen voor deze, want immers “kunstenaars maken het ongeziene zichtbaar door gevoelens, ideeën, innerlijke werelden en concepten die moeilijk in woorden te vatten zijn om te zetten in tastbare vormen zoals kleuren, lijnen, vormen, geluiden of verhalen, waardoor we de wereld anders gaan zien en ons inleven in andere perspectieven en realiteiten“.

    Die andere perspectieven en realiteiten komen tot leven door de vingers van de tekenaars in “Waar Water Leeft“. Het is echter niet de vraag waar, maar tegenwoordig of water leeft. Door de actuele problemen waarmee de aarde door toedoen van haar bewoners te kampen heeft dreigt er steeds minder levend water te ontstaan. Maar wat er dan nog te zien valt maken Lolkje van der Kooi, Susana Mulas Lastra en Sin-ming Sit zichtbaar. Elk uiteraard op de eigen manier en vanuit een persoonlijk perspectief. Want gaat onder water de een voor kleine dieren, richt de ander zich naar planten en beschouwt een derde micro-organismen.

    Waterlandschappelijke tekeningen

    Het meest in het oog springen bij binnenkomst van de galerie de uitklapboeken van Sin-ming Sit. Collapsible Seascape noemt zij ze. Het ontvouwt kleurig koraal, zeeanemoon en wuivende waterplanten die zich in platte vormen oprichten in de ruimte. Opvouwbare zeegezichten als een pop-up boek. De afbeeldingen springen letterlijk van de pagina op en laten ruimtelijk een verrassend stukje van die wonderlijke wereld zien. Precies dat, waar water leeft.

    Maar het lijkt dat dit water welhaast op sterven na dood is, zo triest en somber geeft Sit deze in waterlandschappelijke tekeningen weer. Wel zoals ze het tegenkomt op haar duiktochten, want ieder jaar en welhaast bij elke duik is zichtbaar dat meer en zee neerwaarts evolueren. Er blijkt uit dat het niet zo best gesteld is met ons ecosysteem onder water. Dat we dat systeem zelf in de war hebben geschopt. Is het een waarschuwing, laat Sit afgetekend zien wat er over is of over blijft wanneer wij niet meer zorgvuldig omgaan met wat we bezitten. Zijn deze door haar geziene en verbeelde onderwaterlandschappen het laatste wat rest voordat er zich een woestijn onder de zeespiegel zal uitstrekken. Er valt weinig waarneembaar licht door het oppervlak, het is er koud en kil.

    In pasteltinten kleurt het water

    Hoe anders is dat bij Susana Mulas Lastra, want waar Sit de omgeving indringend somber weergeeft kleurt Lastra deze juist vrolijk. Haar micro-organismen zijn onwerelds kleurrijk, een hof van eden onder water. Zo zoals de koraalriffen er in betere tijden uit hebben moeten zien. Onder de microscoop ontvouwt zich namelijk een ongekende schoonheid, die pracht lijkt een surrealistische rijkdom. Een te zoete voorstelling van de waarheid beschouwt naast de werkelijkheid van de aquatische wereld gezien door de duikbril van Sit. En dat is geen roze bril in tegenstelling met die van Lastra. In pastel tinten kleurt de sloot, het meer en de diepzee op minuscuul niveau opeens paradijselijk. Te mooi om waar te zijn. Diepzee wormen in levend zand langs een speeltuin voor het koraal.

    Susana Mulas Lastra is de Jentsje Popma van de onderwateromgeving. Wilde Popma het Friese landschap vastleggen zoals het was en nooit meer zou worden, Lastra wil dit doen met de frisse wereld onder water. Maar gezien door de ogen van Sit is daar weinig meer van over, dus richt Lastra zich op de kleine organismen. Zij legt deze welhaast verborgen schoonheid feestelijk vast om het zichtbaar in de toekomst te behouden. Want wanneer de klimaatcrisis nog meer kritiek wordt zullen deze wezens van schaamte verbleken.

    Scherpzinnig gedetailleerd

    Lolkje van der Kooi portretteert kleine zeedieren, die evenwel reusachtig groot zijn in vergelijking met de organismen van Lastra. En naast die kleurenpracht ogen deze stijlvol grijs. Van der Kooi zet deze schepsels op een voetstuk door zeepaardjes, kwallen, slakken, wormen en andere weekdieren en ongewervelden voornaam in te lijsten. In fijne potloodlijnen zet zij de lichamen op en kleurt ze in met pastelkrijt. Zo scherpzinnig gedetailleerd dat deze niet zouden misstaan in een zoölogisch boek, een onderzees herbarium.

    Vooral in een wolk gezet of gehangen krijgt het de idee van een verzameling. Uit de biotoop gevangen en teruggeplaatst in een eigen intieme omgeving. Figuurlijk opgeprikt zoals een collectioneur dat met vlinders en insecten doet. Een installatie van gekaderd leven. Voornamelijk die vorm van presenteren maakt de tekening tot een kunstwerk, omdat deze daarmee een niveau meer krijgt, een dubbele laag. Van der Kooi voegt niets van haarzelf toe aan de plaat, zij respecteert de wezens zoals ze zijn en zich voordoen. De kleine zeedieren zijn in figuratie al kunstig genoeg van en uit zichzelf. Daar kan alleen nog wat lichtval op, over of onder, om de persoonlijkheid te benadrukken.

    Het verborgene komt boven water

    Wat Van der Kooi doet is een natuurkundig verantwoorde tekening maken van de waterwezens. De Schepper heeft daar al voldoende mee geëxperimenteerd, daar hoeft de kunstenaar geen schepje bovenop te doen. Wel is het kader waarin de doordachte schepping is opgesloten met zorg gekozen. De wezens zijn al eeuwen bestaande zeedieren, die meteen bij de eerste gedachte al vrijwel af bleken en nauwelijks behoefden te evolueren.

    Met “Waar Water Leeft” kan de bezoeker tot kort in het nieuwe jaar de gedachte wereld onder water beleven. Niet fysiek duik je daar onder de diepzee in of waad je snorkelend door sloot en plas, maar wordt wel een tip van de waterspiegel opgelicht om een blik te werpen naar wat zich daar in die wonderlijke wereld voordoet. Het verborgene komt er boven water, de duisternis wordt uitgelicht.

    Waar Water Leeft. Werken van Sin-ming Sit, Susana Mulas Lastra en Lolkje van der Kooi bij Galerie Getekend, Stationsstraat 6 in Heerenveen. Van 9 november 2025 tot en met 4 januari 2026.

  • Willem Ritstier heeft een wens: doe eens lief

    Dat hebben we nodig. Liefde, veel liefde. Niet alleen krijgen, zeker geven. Zeker weten. Zo´n speciaal moment van genegenheid brengt geluk, en we wensen onszelf en de ander een gelukkig nieuwjaar. Dus wat let je: doe eens lief. Het is alleen jammer dat Willem Ritstier mij die spiegel moet voorhouden, mij door pakkende uitspraken en gevatte opmerkingen wijs maakt. Dat ik daar zelf niet op gekomen ben! Aan de andere kant wel fijn dat hij het mij in herinnering brengt, want ik ben het te snel vergeten eens lief te doen. En vanwege Ritstier is daaraan een boekje vol van zijn speelse tekeningen overgebleven. Hij is een meester in het eenvoudig verbeelden van meervoudige waarden. Met vrolijke illustraties wordt de moraal van het verhaal nog voordat het verteld is geduid.

    Om deze duistere dagen voor kerst, en vooral deze maand van dit jaar door te komen – waarin de donkerte steeds zwaarmoediger als een deken over ons valt. Meer dan een handvol liefde naar elkaar gedaan is in dit schijnbaar liefdeloze decennium een welkome gift. De decembermaand is dan bij uitstek de tijd om aan elkaar te denken, bij elkaar stil te staan, elkaar te steunen door liefde te delen. Gewoon platonische liefde, geen liefhebben met (wel)lusten en lasten. “Doe eens lief” schreef Willem Ritstier terecht op de voorkant van zijn boekje met vriendelijke tekeningen.

    De ideale wereld

    Op het grote rode hart op de kaft wuift poes muis een klein hart toe. Poes en muis zijn elkaars gelijke, is poes niet meer dominant aan muis, zitten ze elkaar niet voortdurend dwars of probeert de een de andere te slim af te zijn. Ze leven niet langer als kat en muis, daar kan ik een voorbeeld aan nemen. Door de verbeelde gedachte van Ritstier is poes lief voor muis, er is geen strijd op leven en dood, in de ideale wereld. Zo een wereld als beschreven in het Bijbelboek Openbaringen bijvoorbeeld. Want veel mensen gaan ervan uit dat deze jaren van nu weleens het einde van de oude aarde kunnen betekenen. En dat op de nieuwe aarde de wolf en het lam in vrede samenleven, het luipaard bij de bok ligt, de jonge stier en de leeuw samen grazen. De koe en de beer vrienden worden. De leeuw gras eet als de os. Een baby bij het hol van de adder speelt, een kind zijn hand uitsteekt naar het nest van een slang. En de poes dikke vrienden is met de muis (vrij naar Jesaja 11).

    Juist in deze dagen is het zaak elkaar te omarmen en vast te houden, doe eens lief. Kijk naar die poes, doe als de muis. Er is niet veel voor nodig, Ritstier geeft vele mogelijkheden aan, tekent ze uit. Want niet alleen letterlijk lief doen brengt geluk, er zijn veel meer handelingen en vaardigheden die de zon figuurlijk laten schijnen. De tekenaar illustreert er legio. Zijn boek is dan ook een handleiding, een bijbel voor na de regen. De almanak voor geluk, het notitieboek om zonnestralen in aan te tekenen. Een agenda om iedere dag met een opgeruimd humeur de tijd te vatten. Het staat vol met one-liners die uitbeelding krijgen in single-drawings. Spitsvondige teksten met evenzo scherpzinnige tekeningen.

    Liefde is …

    Bedacht eind jaren 70 van de vorige eeuw de Nieuw-Zeelandse tekenares Kim Casali voor haar verloofde de “Liefde is …”-cartoons, Willem Ritstier zou je als haar Nederlandse equivalent kunnen beschouwen. De korte, herkenbare observaties over liefde en de zachte, romantische kijk op relaties werden wereldwijs populair in vooral kranten. Hoewel de figuurtjes naakt zijn is het mannetje en is het vrouwtje volledig seksueel onschuldig weergegeven. In “Liefde is…” wordt onschuld en puurheid van liefde uitgebeeld. Ritstier voert dieren ten tonele als in een fabel, met menselijke eigenschappen en een duidelijke moraal in de enkele tekening.

    Liefde is …” is universeel en kan door de lezer met een herkenbare ervaring worden aangevuld. “Liefde is … elkaar begrijpen zonder woorden; … toegeven dat hij gelijk heeft … soms; … elkaar ruimte geven; … samen onder één douche passen.” Ritstier geeft de beleving zelf aan, soms welhaast gebiedende wijs als voorschrift, daar is geen woord Frans bij. “Vriendschap kent geen voorwaarden; zoek altijd naar het juiste evenwicht; met alleen vooruit kijken, kom je niet verder; zie geen obstakel, maar een uitdaging.” Hoewel je zou denken dat “doe eens lief” vooral op die ander gericht is, zijn de raadgevingen in het boek meer aan het adres van de lezer zelf. Want wanneer de lezer de aanwijzingen voor zichzelf opvolgt zal hij, zij of het een beter mens worden. Zo is de gedachte. Dat beter straalt dan sowieso af op die ander. ‘Verander de wereld begin bij jezelf’ wordt dan ‘doe eens lief en geef het leven kleur’.

    Kerstkaarten

    De levenswijsheden in het boek zijn verpakt in luchtige voorstellingen. Dat maakt de uitgave laagdrempelig en zal jong en oud aanspreken. Zou je de woorden niet verstaan, de platen spreken boekdelen. Het zachtaardige karakter van de hoofdpersonen lacht zich van de pagina’s. Hoewel poes weleens een traantje wegpinkt omdat het niet altijd volle maan kan zijn, weet hij dat elke morgen een nieuw begin is: het komt goed, hoop doet leven. Dus blijft hij goedmoedig zichzelf, gelooft in zichzelf, haalt diep adem …en lacht. En de lezer grinnikt met hem mee, glimlacht van pagina naar pagina. Vermaakt zich met zijn capriolen op zoek naar geluk. En de muis, de muis heeft plezier, plezier in het samenzijn en de onverwachte vriendschap: liefde duikt op als je het niet verwacht.

    De uitgave “doe eens lief” schept speciale momenten, brengt nieuwe geluiden en nieuwe energie. Eigenlijk zouden alle doemdenkers en ruziemakers dit boek als geschenk in het kerstpakket moeten krijgen. En er is niet alleen het boek zelf: er is ook merchandise die bij de uitgave aansluit. Zo zijn er kerstkaarten om elkaar geluk toe te wensen, om wat liever voor elkaar te zijn. Want een kaartje, dat is zo gestuurd. Misschien kan de aarde zo, in het nieuwe jaar, weer een beetje overvloeien van melk en honing — maar vooral van liefde: met elkaar, voor elkaar, door elkaar.

    Geluk zit in een onverwacht gebaar, dus laten we die verrassende geste doen: zie geen obstakel, maar een uitdaging. Dat is de boodschap die Willem Ritstier voor de wereld heeft. Je kunt niet altijd zen zijn, maar de zin van het leven ben je zelf. En dat straalt uit op de omgeving. Met het prentenboek “doe eens lief” ben ik in het moment en dat geeft rust. Ritstier houdt mij een spiegel voor. In zijn verkapte fabel zie ik mezelf. Krijg ik handvaten om het beter te doen, om lief te doen, eens.

    Doe eens lief. Het kost geen moeite en het geeft een goed gevoel. Willem Ritstier, tekst & tekeningen. Uitgeverij MENLU, 2025.

  • Ongeloof opzijzetten en overgeven aan de waarheidsfictie

    Het is dat ik de wekker slaapdronken uit de tijd sla en daardoor half uit mijn nachtrust kom, nog niet helemaal wakker, dan wel fris en fruitig ben. Op de grens verkeer tussen droom en werkelijkheid en dat het paspoort vrijwel verlopen is. De douane houdt me tegen, doorzoekt mijn weten, maar stuurt me niet rechtsomkeert. Ik mag terug naar het vaderland – mijn realiteit. Dat de deur op meer dan een kier staat maar nog niet open is, dat de hefboom halverwege het opwaarts bewegen stokt. Ik krijg wel een beeld, maar dat is half af. De werkelijkheid is wazig, nog. Het is een niemandsland, van echt en onecht te onderscheiden.

    Voordat ik me in de ogen wrijf, de slaap afleg om opgewekt uit bed te stappen, word ik beelden gewaar in figuraties zoals Aaron van Erp op papier en doek placht te zetten. Hij schept mij een wereld tussen droom en werkelijkheid, die schemerig is en nooit volmaakt. Meestal is het in zijn gedachten een nachtmerrie waaruit ik ontwaak. Of in elk geval een niet te definiëren ervaring. Geen schone schijn. Geen natte droom. Maar een illusie als metafoor van de werkelijkheid. Geen bedrog derhalve, want de schepping van Van Erp stijgt uit boven de waarheid. Is nog heftiger dan de werkelijkheid en streeft de waarheid voorbij.

    En ik zit beduusd op de rand van mijn bed. De gedroomde beelden schieten door mijn hoofd en langs mijn blik. Omdat ik me in het schemergebied van in slaap zijn en wakker geworden bevind, is de figuratie incompleet maar grotesk volkomen. Tegen een abstract decor van verschoten kleuren spelen zich surrealistische situaties af. Suggestief, waarbij ik denk te weten wat ik zie maar op een verkeerd been ben gezet.

    Verweesde sinistere werelden

    In de schilderijen en tekeningen ontvouwt zich een waar slagveld. Is het schilderij nog weleens bevallig van toon, de tekening is genadeloos scherp en meest zwartgallig. Daar spat het bloed figuurlijk en hangt het vlees letterlijk. Droom ik nog even door of is de werkelijkheid echt zo ongenadig niet van deze wereld. Vol ongeloof schuif ik de dag nog even voor me uit. Wil ik de morgenstond nog geen goud in de mond leggen. Liever soezel ik door, nog even met de ogen gesloten. Maar daar doemen dan voor mijn netvlies weer de onprettige types die voornamelijk onaangename interacties met elkaar aangaan op. De beeltenissen van Aaron van Erp zitten in mijn hoofd en dreunen door, zoals een vervelend lied blijft rondzingen heb je het eenmaal gehoord. Zijn figuraties, nauwelijks definieerbare ietsen in onheilspellende handelingen, grijpen mij bij de kladden wanneer ik de uitgave “Suspension of Disbelief” heb door gebladerd. Aaron van Erp doet mij geloven in de waarheid van zijn werk, door mijn ongeloof in zijn manier van tekenen en schilderen opzij te zetten om in de context van de bizarre tonelen te doen geloven.

    De verweesde sinistere werelden waar een stille dreiging rondwaart laten mijn zicht niet los heb ik eenmaal inzicht gekregen. De rauwe waarheid is onverpakt, de realiteit niet mooier gemaakt dan dat deze is. Geen zoete droom, maar een zoute nachtmerrie. Zoals in de nacht de plek en de situatie waarin de handeling zich afspeelt onbekend blijft, althans niet grijpbaar wanneer uit de slaap gewekt: het is maar amper na te vertellen, enkel in de fantasie lijkt het verzonnen. Zo is de geschilderde omgeving even ongrijpbaar en abstract. Het zal een landschap zijn, want vaak is er wel iets van een horizon. Het zal een huiskamer zijn, want vaak is er wel een plint en hangt iets van een tekening aan de muur en staat er een tafel. Het is niet meer of minder een decor, de actie bepaalt iets van een verhaal.

    Van Erp maakt schilderijen waarin hij nog weleens correcties kan doorvoeren, een figuratie die bij nader inzien niet past wegvegen maar het wezen toch laten. Zo zodat de kijker de geschiedenis van het werk voor ogen houdt. In tekeningen kan Van Erp niet op zijn schreden terugkeren. “Tekenen is veel directer”, zegt hij daarover. “De strijd is eerder gestreden en het komt veel sneller op een punt dat er geen weg terug meer is. (…) Je accepteert wat je hebt, of je verscheurt de boel.” Daarom schrik ik bij de tekeningen wakker, terwijl de schilderijen mij nog even laten dagdromen. De schilderijen schijnen kunstzinnige fantasieën, terwijl de tekeningen vertellen waar het op staat; de gewelddadige waarheid.

    Wat wij niet willen zien

    Het werk van Aaron van Erp past een schoonheidsideaal niet, ze beantwoorden niet aan het principe van de esthetica, het zal derhalve niet in de huiskamer boven de bank hangen. Het werk is afstotend en in meerdere gevallen zelfs afstotelijk, omdat het ons een spiegel voorhoudt. Ons fundamenteel gebrek en ons onherstelbaar tekort spiegelt in zijn schilderijen, onze blinde razernij en onstuitbare drift kan niet vergeleken worden met een beest. Want wij hebben een geweten, terwijl het dier uit gaat van instinct. Wij onderscheiden goed en kwaad. Verheerlijken het kwade, omdat het ons verder brengt dan het goede. Dat is wat Van Erp ons schrijnend voorhoudt en ons doet walgen. Niet het werk schrikt af maar onze getoonde onhebbelijkheden staan ons niet aan. De kunst van Aaron van Erp toont scherp wat wij niet willen zien, waarvan wij denken niet te kunnen genieten. Wel ter lering, niet ter vermaak. Maar “Aaron van Erp kent geen symboliek, geen afgemeten interpretatieschema’s, geen propagandaplaatjes en belerende scènes. Geen goed en geen kwaad.” schrijft Henk Visch.

    Want het boek telt enkele interessante bijdragen van kunstcriticus Kees Verbeek, beeldend kunstenaar Henk Visch dus, museumdirecteur Ron Dirven en kunstverzamelaar Henk Pijnenberg. Samen met galeriehouder Jeroen Dijkstra geven zij mij van diverse kanten inzage in denken en werken van Aaron van Erp. Het opent wel mijn inzicht, maar laat dikwijls teveel aan achtergrond zien. Wanneer de voorkant – de zichtbare afbeelding – wordt omschreven, de achterkant – het ten grondslag liggend denkbeeld – is getoond raakt het werk een zeker magie kwijt, de betovering verdwijnt min of meer. Ik zal graag zelf willen weten wat ik zie, terwijl de bijdragen mij toch een zekere richting insturen. De titels van de werken wijzen dan echter een andere koers, dat is weer aangenaam. Die titels geven de werken een vermakelijke draai, geestig als een boer met kiespijn. Zo kan de titel een doekje voor het bloeden zijn, een schone pleister op een stinkende wonde. Ik ben een martelaar, pijnig mijzelf met “Suspension of disbelief” en ik vind het fijn.

    Suspension of Disbelief. Aaron van Erp, schilderijen en tekeningen. Tekstuele bijdragen van Jeroen Dijkstra, Kees Verbeek, Henk Visch, Ron Dirven en Henk Pijnenburg. Uitgave Livingstone Editions & Van Spijk Art Books, 2025.