Tag: tekeningen

  • Pier Feddema schetste de spontaniteit van het moment

    Feitelijk is het de meest basale manier van het bedrijven van beeldende kunst: het schetsen. Het tekenen met potlood of krijt. Een snelle indruk maken van wat je ziet. Een rappe afdruk neerzetten, een beeltenis waarop je later kunt doorwerken en waarmee je in een andere techniek een resultaat kunt scheppen. Het is de kraamkamer van het oeuvre van de kunstenaar, de broedplaats waar iets nieuws ontstaat of wordt ontwikkeld. Het gevoel bij een moment, de gewaarwording van de omgeving, het in de vingers krijgen van een situatie. De ogen merken op, de hersenen verwerken en de handen voeren uit. Die actie volgt direct op wat is waargenomen.

    Bij een statisch beeld, zoals een schip of een boerderij, kan een schets meteen concreet worden. Bij beweging van voorbijgangers of dieren moet het beeld sneller op papier; de ervaring moet direct een indruk zijn. Ook een min of meer passief beeld, als een landschap of portret, kan een impressief beeld opleveren: een middel om sfeer en essentie van de gewaarwording weer te geven. Juist die eerste indruk verbeeldt het gevoel bij de gebeurtenis.

    Enkele lijnen en handgebaren

    Aan de manier waarop iets op papier is gezet, tekent zich de emotie af. Niet altijd heeft de kunstenaar sympathie voor het onderwerp; dat valt af te lezen uit de beeldende beschrijving. Op zo’n moment past de tekening niet, werkt het gemoed tegen en wordt de schets een ongeïnteresseerde droedel. Vaak belandt zo’n tekening in de prullenmand, omdat deze niet voldoet aan wat voor ogen staat. Maar wanneer de sensatie er is, kan in enkele lijnen en handgebaren het voorval worden vastgelegd.

    Zo blader ik de schetsen van Pier Feddema door. Voor Utjouwerij DeRyp stelde Elske Schotanus een representatieve dwarsdoorsnede samen uit zijn schetsboeken. De kunstenaar uit Anjum vormde met anderen de kunstenaarsgroep Yn ‘e line: kunstenaars die de kunst in de lijn wilden houden, zoals de man die het turfschip lopend langs het kanaal op koers hield. Met een heldere, strakke lijn weerspiegelde de groep natuur en omgeving in een expressionistische stijl. Dat zorgde in de jaren 50 van de vorige eeuw voor nieuw elan in de Friese kunstwereld.

    Typische indrukken uit het leven zijn zichtbaar in Feddema’s schetsen. Niet alle onderwerpen hebben dezelfde zeggingskracht; sommige maakten minder indruk. Toch passen ze in het geheel, omdat ook deze het beeld van de kunstenaar completeren. Ze zijn niet uitgescheurd of weggegooid. Integendeel, Feddema achtte ze van belang om te bewaren. Het is goed dat de bloemlezer deze verwelkte exemplaren toch heeft opgenomen. Het zijn er slechts enkele, want Feddema is een begenadigd beschouwer, een geoefend kijker die vrijwel ieder moment interessant vindt. Maar de ene dag tekent beter dan de andere.

    Aandacht voor detail en essentie

    Feddema had zijn schetsboek altijd bij zich. Raakte zijn blik iets opmerkelijks, dan pakte hij boek en potlood en zette hij de observatie in trefzekere lijnen op papier. Aan de schets is af te lezen hoeveel gevoel hij bij het voorval had. Soms is het een slordige tekening, bedoeld om iets vast te houden dat weinig indruk maakte. Maar een snelle schets kan juist de emotie scherp weergeven, terwijl de gebeurtenis al voorbij is voordat er iets op papier staat. De momenten volgen elkaar op; snelheid is geboden om de sfeer vast te houden. Toch blijft er aandacht voor detail en essentie. Is er meer tijd, dan nog werkt Feddema in rappe lijnen en vegen. Het voorval, de plaats en de tijd moeten worden vastgelegd.

    Met plezier legde Feddema zijn omgeving vast. Dat laten zijn schetsen zien. Met een open blik keek hij de wereld in. Door zijn tekeningen maakte hij die tot de zijne. Dit werk laat duidelijker zien wie hij als kunstenaar was dan zijn schilderijen doen. Geldt dat niet vaker? Dat de weg naar het resultaat meer blootlegt dan de uitkomst zelf. Een blik in het atelier, tijdens het maakproces, geeft inzicht in de lusten en lasten van de kunstenaar. De moeite om van niets iets te maken. Het vuur van de schepping dat daar ontvlamt. Daarvan getuige zijn is een gotspe, maar ook waardevol.

    Wanneer de kunstenaar er niet meer is, vervalt het directe contact. Er kan niet meer worden meegekeken. De achtergelaten schetsboeken en ontwerpen nemen die plaats in. Ze bieden zicht op de geest van de kunstenaar. Elske Schotanus noemt het “een klein feestje om, bijvoorbeeld tijdens een kunstenaarsbezoek of soms in een galerie, schetsboeken in hun geheel door te bladeren”. Het zal een bijzonder moment zijn geweest om de nagelaten schetsboeken van de in 1983 overleden Feddema te mogen inzien. Ze openen een wereld, gezien door zijn ogen.

    Talent en vaardigheid

    De ontwikkeling die zijn werk ongetwijfeld heeft doorgemaakt is in het boek niet goed te analyseren. Blijkbaar is alles in willekeurige volgorde afgedrukt. Dat is op zich geen probleem want Pier Feddema kon gewoon goed tekenen. Maar hij ging weglaten, naar voren halen, meldt de Pier Feddema Stichting op de website over het ontstaan van  een eigen stijl. De Stichting is in het bezit van de originele schetsboeken die in langdurig bruikleen zijn gegeven aan Museum Dr8888.

    De schets is allang niet meer slechts een voorbewerking. Zoals tekenen niet enkel een voorstudie is voor een eindresultaat. Volgens Schotanus is het het meest eerlijke en directe genre binnen de beeldende kunst. “Meer dan bij andere technieken verraden schetsen aanleg, talent en vaardigheid van de maker.” Zij beschrijft hoe Feddema en plein air zijn onderwerp vastlegde: de hand ‘fladderend’ over het papier, de werkelijkheid in snelle krabbels gevat. Soms blijft het steken in een abstract beeld, een gedachte bij de realiteit. Het aanvoelen van een actie, het gevoel bij een gebeurtenis, kenmerken zijn werk. De snelle schets was zijn handelsmerk. Met meer tijd werkte hij tekeningen uit en voegde kleur toe, maar de spontaniteit van het eerste moment bleef.

    Feddema gebruikte het schetsen om de werkelijkheid te doorgronden. Zijn observaties waren oefeningen om de wereld te leren kennen en voor ons begrijpelijk te maken. Het zijn niet alleen voorstudies, maar studies naar het leven. Veel tekeningen zijn op zichzelf staande eindproducten, met voldoende kwaliteit en zeggingskracht. Zelfs wanneer ze de uitstraling hebben van een ontwerp, functioneren ze als zelfstandig werk. Juist in hun spontaniteit, in enkele lijnen neergezet, ligt hun kracht.

    út de sketsboeken fan Pier Feddema. Samenstelling en tekst Elske Schotanus. Uitgave Pier Feddema Stichting & Utjouwerij DeRyp, 2026.

    Pier Feddema, schetsboeken, utjouwerij DeRyp
  • Het surrealisme van Geer van der Klugt

    Stap ik Galerie Getekend binnen, sta ik meteen weer buiten. Treed ik door de deur, over de drempel, dan loop ik het bos van Geer van der Klugt in. De tekening die een hele muur beslaat, valt niet te ontlopen. In de relatief kleine ruimte komt deze hard binnen, niet alleen qua formaat, maar ook qua stemming. Het bosgezicht is triest in schoonheid. Zojuist lijkt brandmeester te zijn gegeven; de bluswagens zijn weggereden. Het bos staat nog uit te puffen en herstelt zich zichtbaar moeizaam van de eerdere vuurzee. Het bluswater staat het bos nog tot de lippen. Zandpaden zijn door rupsbanden geplaveid. Kale, bladerloze stammen en armetierig fiere dennen houden de schijn op, maar verhullen de afbraak met moeite. De grond is weggespoeld, stenen bedekken de aarde. Kort gezegd: een droevige aanblik van een bomengroep die ooit een bos was. Van der Klugt heeft in pastel, houtskool en gouache een onheilspellend landschap opgezet: een omgeving waarin ik niet graag ben, maar die mij in deze galerie wordt opgedrongen. Het is zaak door de ellende heen te kijken en de schoonheid van de compositie te herkennen.

    Geer van der Klugt, Galerie Getekend

    Wat is er gebeurd in dat verweerde bos

    Draai ik me om en zie ik het andere werk in de ruimte, dan lijkt het bos zich te hebben gerehabiliteerd. Toch klopt het niet helemaal wat ik denk te zien. Er schemert nog steeds afbraak tussen de bomen. Het is geen vrolijk aanzicht; spanning heerst in de lijnen en vlakken die de kunstenaar heeft getrokken en geplaatst. De bosvijver in “CATCH” lijkt door vissers overhaast verlaten. Twee hengels staan nog als reigers te turen in het met riet omzoomde water. Wat is er gebeurd in dat verweerde bos waar het zonlicht de oevers beschijnt en het water zachtjes licht aantikt? Het volgende bosgezicht geeft al zo’n troosteloze indruk. Stammen zijn mager als brandhout. Het hout kreupelt om staande te blijven. Een mist trekt langs de bomen, een nevel die niet is opgekomen, maar vrijgelaten; een ijle waas die eerder aan drijfgassen doet denken dan aan natuur. Vaak doet in Van der Klugts werk iets meer aan niets denken dan dat het werkelijk is wat het lijkt. Feit is dat er een sfeer van mysterie hangt in zijn boslandschappen. De mens, als die al aanwezig was of ooit is geweest, is weggetekend of uitgegumd.

    Van buiten naar binnen

    Volgens de summiere handleiding bij de expositie — die ik overigens op de website van de galerie vind, want de werken gaan zonder beschrijving, wat het plezier in kijken ten goede komt — zijn de bosgezichten ouder werk van Van der Klugt. Het recente werk is minder krachtig aanwezig en past qua formaat boven de bank. Het brengt mij van buiten naar binnen en schept een huiselijke sfeer; ik kijk binnen bij de kunstenaar. Dat veronderstel ik, me beseffend dat er ruimte gelaten wordt voor eigen interpretatie en verbeelding. Terwijl de buitenbeelden me een ietwat mistroostige blik op de natuur geven, kan ik onder dak de betrekkelijke gezelligheid beschouwen. Toch is de sfeer ongemakkelijk, om niet te zeggen ingewikkeld. Wat gebeurt daar tussen de vier muren? Het is onduidelijk. En juist daarom is het boeiend: de kijker weet niet wat hij of zij ziet. Eigen verbeelding moet het beeld interpreteren. De gezelligheid is betrekkelijk, omdat er een kille sfeer van onwetendheid hangt. Zodoende staat een groot vraagteken op mijn voorhoofd geschreven. Gelukkig ben ik alleen op een onbewaakt ogenblik in de galerie, dus kan ik dat sein van verwondering snel verdoezelen en net doen alsof mijn neus bloedt.

    Geer van der Klugt, Galerie Getekend

    Ik vraag mij af wat ik zie. Letterlijk valt het te omschrijven, figuurlijk tast ik in het duister. Mijn gevoel zal spreken om de sfeer te pakken. Wat opvalt, is de jas die aan de muur hangt, als een rode draad door de composities. De bewoner is ter plaatse; de jas verraadt zijn aanwezigheid. Maar we zien hem niet, want hij is bezig de tekening te maken. Eigenlijk is de kijker dus zelf de bewoner van het huis, terwijl het bezoek net is vertrokken door de nog openstaande deur. Wie goed kijkt, merkt telkens iets dat niet klopt of dat tegen de regels van de esthetiek is. Iets dat schoonheid in de weg staat. Het kan een lawine zijn die modder het huis in smijt, kogelgaten in de muur, of stoïcijnse hazen die een stoel laten dansen – één, twee, in de maat.

    Kijken om te zien

    De hond kijkt het gelaten aan en ik zit aan een lege tafel, tuur door het raam naar buiten. Opeens krijg ik enorme trek in een kop pruttelkoffie. Dat is wat kunst doet: weet je niet wat je ziet, dan vullen andere zintuigen het beeld aan. In de kribbe in de hal vind ik nog een tweetal tekeningen; daar is ook een bosgezicht dat me enigszins vrolijk stemt. Het zonlicht piekt tussen de strak oprijzende stammen en bereikt met moeite de onbegroeide bosgrond. Er is geen schuilplaats voor een levend wezen. In de kribbe, of eigenlijk een lectuurstandaard om tekeningen langs te bladeren, zit een plaat die afwijkt van de andere getoonde composities. Op de getekende bank ontwaar ik een stel mensen. Aan de muur hangen twee jassen, terwijl aan de geopende deur nog een jas hangt — de bewoner meldt zijn aanwezigheid. De bankhangers doen met elkaar wat ze kunnen in een lege kamer met enkel een eenpersoonsbed en een designachtig bijzettafeltje. Of is het een brancard waarop een laken de derde persoon bedekt? Zitten de mensen triest bij elkaar? De verklaring is voor velerlei uitleg vatbaar. Kijk je om te zien, of zie je om te kijken? Wil je zien wat je ziet, of kijk je zonder te zien? De voorstelling is abstract in werkelijkheid; surrealisme wordt dat genoemd. Geer van der Klugt tekent de wereld surrealistisch van zich af om een onwerkelijke sfeer tastbaar te maken. Je weet niet wat de toekomst zal brengen, daarom maak je het hier en nu vast mee.

    “You don’t know the future”, tekeningen van Geer van der Klugt bij Galerie Getekend. Stationsstraat 6 in Heerenveen. Van 18 januari tot en met 8 maart 2026.

    Geer van der Klugt, Galerie Getekend
  • Zelfportret zonder een gezicht te tonen

    Zij stuurde mij twee handen vol afbeeldingen van haar werken. Of ik daar iets over kon zeggen, of schrijven eigenlijk. Mijn naam was haar genoemd door een bevriende kunstenaar, een beeldhouwer die nu domicilie houdt in Italië. Ik zou er wel wat van vinden, was zijn mening. Concreet had zij mij uitgenodigd haar werk live te zien, maar daarvoor kon ik op mijn manier de tijd niet vinden. Dus nam zij de moeite het werk te fotograferen en mij te mailen. Op het beeldscherm heb ik uiteraard niet de look en feel van een schilderij. Je kunt niet je blik langs de verfstreken laten glijden of zelfs even stoutmoedig met de wijsvinger de structuur betasten – voorzichtig zonder te beschadigen. Want kunst moet je kunnen voelen, aanvoelen, de ruimtelijkheid in het platte vlak onderscheiden en in geval van olieverf op doek de materie kunnen ruiken.

    Marjolein Prins

    Dat is dus uitgesloten bij dit mij gestuurde werk, maar gelukkig componeert de kunstenaar haar werk met behulp van de computer. Het betreft dus digitale kunst, waarvan ik digitaal enkele voorbeelden kreeg om deze te beoordelen. Nu is beoordelen een groot woord; ik wil er iets over schrijven, mijn mening geven – ik ben geen meester die de wijsheid in pacht heeft en zijn oordeel gaat toetsen dan wel het werk keurt op stijl en techniek. Ik noem het een beschouwing – observeren, gadeslaan en overdenken. En vervolgens mijn gevoel bij wat ik heb gezien beschrijven. Ik geef een voorzet en ieder ander mag het doelpunt maken, er het zijne of hare van vinden. Kunst is een kwestie van smaak.

    Intuïtief ontwerpt Prins de compositie

    Marjolein Prins, want over haar werk gaat het hier, spiegelt haar leven in het werk. Zij laat haar zijn reflecteren in de met behulp van Procreate gemaakte composities. Niet werkelijk of letterlijk zoals dat je bijvoorbeeld een zelfportret maakt, maar abstract en figuurlijk in een gestroomlijnde print. De digitale tekeningen lijken veel op de weerglans van de omgeving in een bewerkte plaat metaal. Of een spiegelbeeld in gewelfd glas. Of de spiegeling op in beweging gebracht water. Het beeld vervormt en herschept zichzelf in het dynamische oppervlak. Bij wijze van spreken is de beeltenis in beweging wanneer je langs gaat of je hand in het water steekt.

    Marjolein Prins

    Intuïtief ontwerpt Prins de compositie en bouwt deze verder uit met behulp van het computerprogramma. De software is niet leidend, maar ondersteunt haar een harde werkelijkheid in abstracte tonen te creëren. Deze heeft wel een realistische kern, namelijk haar eigen wezen zoals ik hiervoor al aangaf. Er ontstaat onbewust en niet beredeneerd een individuele vormgeving met een persoonlijk handschrift. Ieder ander zal dit niet zo kunnen maken, want dit is Prins zoals ik het zie. Ieder ander kan een poging wagen door Procreate of een ander digitaal tekenprogramma te gebruiken, maar dan is en blijft het een kopie want dit is de codex van Marjolein Prins. Zij heeft deze manier van uiten bepaald. Het toont aan dat er digitaal mogelijkheden zijn, die weinig onderdoen voor authentieke technieken. Persoonlijk zal ik liever een penseel of potlood hanteren, daar ik het idee heb dan meer betrokken te zijn met wat ik maak. Maar voor anderen zal een digitale pen relateren aan begeestering.

    Rumoerige versimpeling, onstuimig handschrift

    Prins legt het landschap van haar geest vast, maar maakt ook werkelijke landschappen. Deze zijn in lagen opgebouwd en benaderen echtheid. De manier van werken leent zich uitstekend voor het benaderen van water. Niet voor niets wordt die oppervlakte vergeleken met een spiegel. Het kan zo vlak zijn, stil en niet in beweging. Maar wanneer je met een voorwerp of de hand het laat bewegen stroomt de gespiegelde omgeving naar elders en vermaakt en hermaakt zich tot een abstracte vormgeving. Vooral in deze golfbeweging is Prins naar mijn mening op haar best, de rumoerige versimpeling en het onstuimige handschrift past haar beter in vergelijking met de inbreng van oorspronkelijke vormen.

    Marjolein Prins

    Het gebruik van fotografie als basis voor een print geeft de plaat diepte, zoals bij de walvis achter borrelend water te zien is. Die luchtbellen passen ook goed in een semi-abstracte vormgeving. Maar wanneer een meer werkelijke uiting als bloemen of een mens een plek krijgen, raakt de kracht uit de tekening en spreekt de compositie minder aan. Dan lijkt het een kunstje en kan de ziel van de maker niet worden gevonden. Hoewel de inheemse dame wel in een passende primitieve stijl is gezet. Vooral dat persoonlijke handschrift geeft het werk van Marjolein Prins een gezicht.

    Dit is op en top persoonlijk haarzelf

    Eén compositie in de mij gestuurde reeks is een uitzondering op de regel. Daarin mengt Prins de werkelijkheid met abstracte elementen op een uitzonderlijke wijze. Op die manier werkt het wel, omdat zij zichzelf in de omgeving zet. Een donker landschap dat veel weg heeft van een zeegezicht met een deinende branding. De wolken erboven golven mee in het ritme van de zeespiegel. De lucht kleurt rood met een helder gele zon, het wezen van een ster licht op. Marjolein zit in het centrum van de afbeelding, in een rolstoel op hellend vlak. Brandy, haar hulphond, zit braaf naast haar op de grond in afwachting van een commando. Ze leunt over links en is met het beest in gesprek. Ze lacht. Dit is op en top persoonlijk haarzelf. De achtergrond is haar wezen, de figuur haar zijn.

    Marjolein Prins

    Kort gezegd en geschreven is Marjolein Prins goed bezig. Haar handicap staat haar op veel fronten in de weg, maar bij het maken van kunst en het creëren van haar schepping is zij zo vrij als een vogel. Ze legt haar wezen in het werk en laat de zwakheid toe. Vooral dat gegeven maakt haar werk speciaal om niet te zeggen uniek. Het spreekt aan, omdat zij haarzelf erin uit, haarzelf erin sluit. Dit is Marjolein Prins. Het is haar zelfportret zonder een gezicht te tonen.

    Beschouwing digitale tentoonstelling tekeningen van Marjolein Prins.

  • Een duik in de onderwaterwereld bij Galerie Getekend

    Waar meestal als drager voor kunststukken is gekozen voor wit of een variatie daarop, hoewel tegenwoordig een aanpassende kleur als steun wordt gebruikt, besloot Galerie Getekend bij eerste inrichting de wanden zwart te maken. En dat is tot nu altijd een terecht stijlvolle keuze gebleken. De kunst op papier aldaar gehangen komt tegen de donkere achtergrond best tot uiting. Het zwart leidt niet af, geeft de kunst juist een eigenzinnig karakter. De werken springen er als het ware uit, komen naar voren, bieden zich aan. Met name bij de huidige expositie is dit zwart een uitkomst. In de uitstalling “Waar Water Leeft” krijgt de geheimzinnige wereld onder het wateroppervlak de aandacht. Het is alsof de bezoeker een frisse duik in de kunst kan nemen, afdalen in de donkerte van de galerie. Figuurlijk de duikbril op, de flippers aan en een zuurstoffles op de rug gebonden. Want enkele momenten snorkelen is niet genoeg. Langer onderduiken is zaak bij deze kunst om het te determineren, ontdekken en onderzoeken.

    Die onderwaterwereld is een verborgen stuk aarde, een immens groot deel van de aardbol dat ongezien levend is. Want de aarde bestaat voor het grootste deel uit water, 70%. Wat er zich onder die waterspiegel afspeelt blijft over het algemeen verborgen voor het blote oog. Is het water helder dan geeft die wereld iets van de geheimen prijs, maar alleen wanneer de bodem in het blikveld valt. Maar meestal is het water troebel en is die bodem amper zichtbaar diep. Dan is enkel het deinende oppervlak te beschouwen en blijft de inhoud ongezien. Dan wanneer wij door dat grensvlak tussen water en lucht breken, het vocht opspat en ons doorlaat, valt wat zich daaronder zoal afspeelt te zien wanneer de waterspiegel weer rustig is. Te bewonderen, want er ligt zodoende een wereld voor ons open.

    Niet de vraag waar maar of water leeft

    Galerie Getekend is met de huidige expositie in dat diepe gesprongen en maakt voor de bezoeker het ongeziene zichtbaar. Sowieso werd dat gedaan in al die tentoonstellingen voor deze, want immers “kunstenaars maken het ongeziene zichtbaar door gevoelens, ideeën, innerlijke werelden en concepten die moeilijk in woorden te vatten zijn om te zetten in tastbare vormen zoals kleuren, lijnen, vormen, geluiden of verhalen, waardoor we de wereld anders gaan zien en ons inleven in andere perspectieven en realiteiten“.

    Die andere perspectieven en realiteiten komen tot leven door de vingers van de tekenaars in “Waar Water Leeft“. Het is echter niet de vraag waar, maar tegenwoordig of water leeft. Door de actuele problemen waarmee de aarde door toedoen van haar bewoners te kampen heeft dreigt er steeds minder levend water te ontstaan. Maar wat er dan nog te zien valt maken Lolkje van der Kooi, Susana Mulas Lastra en Sin-ming Sit zichtbaar. Elk uiteraard op de eigen manier en vanuit een persoonlijk perspectief. Want gaat onder water de een voor kleine dieren, richt de ander zich naar planten en beschouwt een derde micro-organismen.

    Waterlandschappelijke tekeningen

    Het meest in het oog springen bij binnenkomst van de galerie de uitklapboeken van Sin-ming Sit. Collapsible Seascape noemt zij ze. Het ontvouwt kleurig koraal, zeeanemoon en wuivende waterplanten die zich in platte vormen oprichten in de ruimte. Opvouwbare zeegezichten als een pop-up boek. De afbeeldingen springen letterlijk van de pagina op en laten ruimtelijk een verrassend stukje van die wonderlijke wereld zien. Precies dat, waar water leeft.

    Maar het lijkt dat dit water welhaast op sterven na dood is, zo triest en somber geeft Sit deze in waterlandschappelijke tekeningen weer. Wel zoals ze het tegenkomt op haar duiktochten, want ieder jaar en welhaast bij elke duik is zichtbaar dat meer en zee neerwaarts evolueren. Er blijkt uit dat het niet zo best gesteld is met ons ecosysteem onder water. Dat we dat systeem zelf in de war hebben geschopt. Is het een waarschuwing, laat Sit afgetekend zien wat er over is of over blijft wanneer wij niet meer zorgvuldig omgaan met wat we bezitten. Zijn deze door haar geziene en verbeelde onderwaterlandschappen het laatste wat rest voordat er zich een woestijn onder de zeespiegel zal uitstrekken. Er valt weinig waarneembaar licht door het oppervlak, het is er koud en kil.

    In pasteltinten kleurt het water

    Hoe anders is dat bij Susana Mulas Lastra, want waar Sit de omgeving indringend somber weergeeft kleurt Lastra deze juist vrolijk. Haar micro-organismen zijn onwerelds kleurrijk, een hof van eden onder water. Zo zoals de koraalriffen er in betere tijden uit hebben moeten zien. Onder de microscoop ontvouwt zich namelijk een ongekende schoonheid, die pracht lijkt een surrealistische rijkdom. Een te zoete voorstelling van de waarheid beschouwt naast de werkelijkheid van de aquatische wereld gezien door de duikbril van Sit. En dat is geen roze bril in tegenstelling met die van Lastra. In pastel tinten kleurt de sloot, het meer en de diepzee op minuscuul niveau opeens paradijselijk. Te mooi om waar te zijn. Diepzee wormen in levend zand langs een speeltuin voor het koraal.

    Susana Mulas Lastra is de Jentsje Popma van de onderwateromgeving. Wilde Popma het Friese landschap vastleggen zoals het was en nooit meer zou worden, Lastra wil dit doen met de frisse wereld onder water. Maar gezien door de ogen van Sit is daar weinig meer van over, dus richt Lastra zich op de kleine organismen. Zij legt deze welhaast verborgen schoonheid feestelijk vast om het zichtbaar in de toekomst te behouden. Want wanneer de klimaatcrisis nog meer kritiek wordt zullen deze wezens van schaamte verbleken.

    Scherpzinnig gedetailleerd

    Lolkje van der Kooi portretteert kleine zeedieren, die evenwel reusachtig groot zijn in vergelijking met de organismen van Lastra. En naast die kleurenpracht ogen deze stijlvol grijs. Van der Kooi zet deze schepsels op een voetstuk door zeepaardjes, kwallen, slakken, wormen en andere weekdieren en ongewervelden voornaam in te lijsten. In fijne potloodlijnen zet zij de lichamen op en kleurt ze in met pastelkrijt. Zo scherpzinnig gedetailleerd dat deze niet zouden misstaan in een zoölogisch boek, een onderzees herbarium.

    Vooral in een wolk gezet of gehangen krijgt het de idee van een verzameling. Uit de biotoop gevangen en teruggeplaatst in een eigen intieme omgeving. Figuurlijk opgeprikt zoals een collectioneur dat met vlinders en insecten doet. Een installatie van gekaderd leven. Voornamelijk die vorm van presenteren maakt de tekening tot een kunstwerk, omdat deze daarmee een niveau meer krijgt, een dubbele laag. Van der Kooi voegt niets van haarzelf toe aan de plaat, zij respecteert de wezens zoals ze zijn en zich voordoen. De kleine zeedieren zijn in figuratie al kunstig genoeg van en uit zichzelf. Daar kan alleen nog wat lichtval op, over of onder, om de persoonlijkheid te benadrukken.

    Het verborgene komt boven water

    Wat Van der Kooi doet is een natuurkundig verantwoorde tekening maken van de waterwezens. De Schepper heeft daar al voldoende mee geëxperimenteerd, daar hoeft de kunstenaar geen schepje bovenop te doen. Wel is het kader waarin de doordachte schepping is opgesloten met zorg gekozen. De wezens zijn al eeuwen bestaande zeedieren, die meteen bij de eerste gedachte al vrijwel af bleken en nauwelijks behoefden te evolueren.

    Met “Waar Water Leeft” kan de bezoeker tot kort in het nieuwe jaar de gedachte wereld onder water beleven. Niet fysiek duik je daar onder de diepzee in of waad je snorkelend door sloot en plas, maar wordt wel een tip van de waterspiegel opgelicht om een blik te werpen naar wat zich daar in die wonderlijke wereld voordoet. Het verborgene komt er boven water, de duisternis wordt uitgelicht.

    Waar Water Leeft. Werken van Sin-ming Sit, Susana Mulas Lastra en Lolkje van der Kooi bij Galerie Getekend, Stationsstraat 6 in Heerenveen. Van 9 november 2025 tot en met 4 januari 2026.

  • Willem Ritstier heeft een wens: doe eens lief

    Dat hebben we nodig. Liefde, veel liefde. Niet alleen krijgen, zeker geven. Zeker weten. Zo´n speciaal moment van genegenheid brengt geluk, en we wensen onszelf en de ander een gelukkig nieuwjaar. Dus wat let je: doe eens lief. Het is alleen jammer dat Willem Ritstier mij die spiegel moet voorhouden, mij door pakkende uitspraken en gevatte opmerkingen wijs maakt. Dat ik daar zelf niet op gekomen ben! Aan de andere kant wel fijn dat hij het mij in herinnering brengt, want ik ben het te snel vergeten eens lief te doen. En vanwege Ritstier is daaraan een boekje vol van zijn speelse tekeningen overgebleven. Hij is een meester in het eenvoudig verbeelden van meervoudige waarden. Met vrolijke illustraties wordt de moraal van het verhaal nog voordat het verteld is geduid.

    Om deze duistere dagen voor kerst, en vooral deze maand van dit jaar door te komen – waarin de donkerte steeds zwaarmoediger als een deken over ons valt. Meer dan een handvol liefde naar elkaar gedaan is in dit schijnbaar liefdeloze decennium een welkome gift. De decembermaand is dan bij uitstek de tijd om aan elkaar te denken, bij elkaar stil te staan, elkaar te steunen door liefde te delen. Gewoon platonische liefde, geen liefhebben met (wel)lusten en lasten. “Doe eens lief” schreef Willem Ritstier terecht op de voorkant van zijn boekje met vriendelijke tekeningen.

    De ideale wereld

    Op het grote rode hart op de kaft wuift poes muis een klein hart toe. Poes en muis zijn elkaars gelijke, is poes niet meer dominant aan muis, zitten ze elkaar niet voortdurend dwars of probeert de een de andere te slim af te zijn. Ze leven niet langer als kat en muis, daar kan ik een voorbeeld aan nemen. Door de verbeelde gedachte van Ritstier is poes lief voor muis, er is geen strijd op leven en dood, in de ideale wereld. Zo een wereld als beschreven in het Bijbelboek Openbaringen bijvoorbeeld. Want veel mensen gaan ervan uit dat deze jaren van nu weleens het einde van de oude aarde kunnen betekenen. En dat op de nieuwe aarde de wolf en het lam in vrede samenleven, het luipaard bij de bok ligt, de jonge stier en de leeuw samen grazen. De koe en de beer vrienden worden. De leeuw gras eet als de os. Een baby bij het hol van de adder speelt, een kind zijn hand uitsteekt naar het nest van een slang. En de poes dikke vrienden is met de muis (vrij naar Jesaja 11).

    Juist in deze dagen is het zaak elkaar te omarmen en vast te houden, doe eens lief. Kijk naar die poes, doe als de muis. Er is niet veel voor nodig, Ritstier geeft vele mogelijkheden aan, tekent ze uit. Want niet alleen letterlijk lief doen brengt geluk, er zijn veel meer handelingen en vaardigheden die de zon figuurlijk laten schijnen. De tekenaar illustreert er legio. Zijn boek is dan ook een handleiding, een bijbel voor na de regen. De almanak voor geluk, het notitieboek om zonnestralen in aan te tekenen. Een agenda om iedere dag met een opgeruimd humeur de tijd te vatten. Het staat vol met one-liners die uitbeelding krijgen in single-drawings. Spitsvondige teksten met evenzo scherpzinnige tekeningen.

    Liefde is …

    Bedacht eind jaren 70 van de vorige eeuw de Nieuw-Zeelandse tekenares Kim Casali voor haar verloofde de “Liefde is …”-cartoons, Willem Ritstier zou je als haar Nederlandse equivalent kunnen beschouwen. De korte, herkenbare observaties over liefde en de zachte, romantische kijk op relaties werden wereldwijs populair in vooral kranten. Hoewel de figuurtjes naakt zijn is het mannetje en is het vrouwtje volledig seksueel onschuldig weergegeven. In “Liefde is…” wordt onschuld en puurheid van liefde uitgebeeld. Ritstier voert dieren ten tonele als in een fabel, met menselijke eigenschappen en een duidelijke moraal in de enkele tekening.

    Liefde is …” is universeel en kan door de lezer met een herkenbare ervaring worden aangevuld. “Liefde is … elkaar begrijpen zonder woorden; … toegeven dat hij gelijk heeft … soms; … elkaar ruimte geven; … samen onder één douche passen.” Ritstier geeft de beleving zelf aan, soms welhaast gebiedende wijs als voorschrift, daar is geen woord Frans bij. “Vriendschap kent geen voorwaarden; zoek altijd naar het juiste evenwicht; met alleen vooruit kijken, kom je niet verder; zie geen obstakel, maar een uitdaging.” Hoewel je zou denken dat “doe eens lief” vooral op die ander gericht is, zijn de raadgevingen in het boek meer aan het adres van de lezer zelf. Want wanneer de lezer de aanwijzingen voor zichzelf opvolgt zal hij, zij of het een beter mens worden. Zo is de gedachte. Dat beter straalt dan sowieso af op die ander. ‘Verander de wereld begin bij jezelf’ wordt dan ‘doe eens lief en geef het leven kleur’.

    Kerstkaarten

    De levenswijsheden in het boek zijn verpakt in luchtige voorstellingen. Dat maakt de uitgave laagdrempelig en zal jong en oud aanspreken. Zou je de woorden niet verstaan, de platen spreken boekdelen. Het zachtaardige karakter van de hoofdpersonen lacht zich van de pagina’s. Hoewel poes weleens een traantje wegpinkt omdat het niet altijd volle maan kan zijn, weet hij dat elke morgen een nieuw begin is: het komt goed, hoop doet leven. Dus blijft hij goedmoedig zichzelf, gelooft in zichzelf, haalt diep adem …en lacht. En de lezer grinnikt met hem mee, glimlacht van pagina naar pagina. Vermaakt zich met zijn capriolen op zoek naar geluk. En de muis, de muis heeft plezier, plezier in het samenzijn en de onverwachte vriendschap: liefde duikt op als je het niet verwacht.

    De uitgave “doe eens lief” schept speciale momenten, brengt nieuwe geluiden en nieuwe energie. Eigenlijk zouden alle doemdenkers en ruziemakers dit boek als geschenk in het kerstpakket moeten krijgen. En er is niet alleen het boek zelf: er is ook merchandise die bij de uitgave aansluit. Zo zijn er kerstkaarten om elkaar geluk toe te wensen, om wat liever voor elkaar te zijn. Want een kaartje, dat is zo gestuurd. Misschien kan de aarde zo, in het nieuwe jaar, weer een beetje overvloeien van melk en honing — maar vooral van liefde: met elkaar, voor elkaar, door elkaar.

    Geluk zit in een onverwacht gebaar, dus laten we die verrassende geste doen: zie geen obstakel, maar een uitdaging. Dat is de boodschap die Willem Ritstier voor de wereld heeft. Je kunt niet altijd zen zijn, maar de zin van het leven ben je zelf. En dat straalt uit op de omgeving. Met het prentenboek “doe eens lief” ben ik in het moment en dat geeft rust. Ritstier houdt mij een spiegel voor. In zijn verkapte fabel zie ik mezelf. Krijg ik handvaten om het beter te doen, om lief te doen, eens.

    Doe eens lief. Het kost geen moeite en het geeft een goed gevoel. Willem Ritstier, tekst & tekeningen. Uitgeverij MENLU, 2025.

  • Ongeloof opzijzetten en overgeven aan de waarheidsfictie

    Het is dat ik de wekker slaapdronken uit de tijd sla en daardoor half uit mijn nachtrust kom, nog niet helemaal wakker, dan wel fris en fruitig ben. Op de grens verkeer tussen droom en werkelijkheid en dat het paspoort vrijwel verlopen is. De douane houdt me tegen, doorzoekt mijn weten, maar stuurt me niet rechtsomkeert. Ik mag terug naar het vaderland – mijn realiteit. Dat de deur op meer dan een kier staat maar nog niet open is, dat de hefboom halverwege het opwaarts bewegen stokt. Ik krijg wel een beeld, maar dat is half af. De werkelijkheid is wazig, nog. Het is een niemandsland, van echt en onecht te onderscheiden.

    Voordat ik me in de ogen wrijf, de slaap afleg om opgewekt uit bed te stappen, word ik beelden gewaar in figuraties zoals Aaron van Erp op papier en doek placht te zetten. Hij schept mij een wereld tussen droom en werkelijkheid, die schemerig is en nooit volmaakt. Meestal is het in zijn gedachten een nachtmerrie waaruit ik ontwaak. Of in elk geval een niet te definiëren ervaring. Geen schone schijn. Geen natte droom. Maar een illusie als metafoor van de werkelijkheid. Geen bedrog derhalve, want de schepping van Van Erp stijgt uit boven de waarheid. Is nog heftiger dan de werkelijkheid en streeft de waarheid voorbij.

    En ik zit beduusd op de rand van mijn bed. De gedroomde beelden schieten door mijn hoofd en langs mijn blik. Omdat ik me in het schemergebied van in slaap zijn en wakker geworden bevind, is de figuratie incompleet maar grotesk volkomen. Tegen een abstract decor van verschoten kleuren spelen zich surrealistische situaties af. Suggestief, waarbij ik denk te weten wat ik zie maar op een verkeerd been ben gezet.

    Verweesde sinistere werelden

    In de schilderijen en tekeningen ontvouwt zich een waar slagveld. Is het schilderij nog weleens bevallig van toon, de tekening is genadeloos scherp en meest zwartgallig. Daar spat het bloed figuurlijk en hangt het vlees letterlijk. Droom ik nog even door of is de werkelijkheid echt zo ongenadig niet van deze wereld. Vol ongeloof schuif ik de dag nog even voor me uit. Wil ik de morgenstond nog geen goud in de mond leggen. Liever soezel ik door, nog even met de ogen gesloten. Maar daar doemen dan voor mijn netvlies weer de onprettige types die voornamelijk onaangename interacties met elkaar aangaan op. De beeltenissen van Aaron van Erp zitten in mijn hoofd en dreunen door, zoals een vervelend lied blijft rondzingen heb je het eenmaal gehoord. Zijn figuraties, nauwelijks definieerbare ietsen in onheilspellende handelingen, grijpen mij bij de kladden wanneer ik de uitgave “Suspension of Disbelief” heb door gebladerd. Aaron van Erp doet mij geloven in de waarheid van zijn werk, door mijn ongeloof in zijn manier van tekenen en schilderen opzij te zetten om in de context van de bizarre tonelen te doen geloven.

    De verweesde sinistere werelden waar een stille dreiging rondwaart laten mijn zicht niet los heb ik eenmaal inzicht gekregen. De rauwe waarheid is onverpakt, de realiteit niet mooier gemaakt dan dat deze is. Geen zoete droom, maar een zoute nachtmerrie. Zoals in de nacht de plek en de situatie waarin de handeling zich afspeelt onbekend blijft, althans niet grijpbaar wanneer uit de slaap gewekt: het is maar amper na te vertellen, enkel in de fantasie lijkt het verzonnen. Zo is de geschilderde omgeving even ongrijpbaar en abstract. Het zal een landschap zijn, want vaak is er wel iets van een horizon. Het zal een huiskamer zijn, want vaak is er wel een plint en hangt iets van een tekening aan de muur en staat er een tafel. Het is niet meer of minder een decor, de actie bepaalt iets van een verhaal.

    Van Erp maakt schilderijen waarin hij nog weleens correcties kan doorvoeren, een figuratie die bij nader inzien niet past wegvegen maar het wezen toch laten. Zo zodat de kijker de geschiedenis van het werk voor ogen houdt. In tekeningen kan Van Erp niet op zijn schreden terugkeren. “Tekenen is veel directer”, zegt hij daarover. “De strijd is eerder gestreden en het komt veel sneller op een punt dat er geen weg terug meer is. (…) Je accepteert wat je hebt, of je verscheurt de boel.” Daarom schrik ik bij de tekeningen wakker, terwijl de schilderijen mij nog even laten dagdromen. De schilderijen schijnen kunstzinnige fantasieën, terwijl de tekeningen vertellen waar het op staat; de gewelddadige waarheid.

    Wat wij niet willen zien

    Het werk van Aaron van Erp past een schoonheidsideaal niet, ze beantwoorden niet aan het principe van de esthetica, het zal derhalve niet in de huiskamer boven de bank hangen. Het werk is afstotend en in meerdere gevallen zelfs afstotelijk, omdat het ons een spiegel voorhoudt. Ons fundamenteel gebrek en ons onherstelbaar tekort spiegelt in zijn schilderijen, onze blinde razernij en onstuitbare drift kan niet vergeleken worden met een beest. Want wij hebben een geweten, terwijl het dier uit gaat van instinct. Wij onderscheiden goed en kwaad. Verheerlijken het kwade, omdat het ons verder brengt dan het goede. Dat is wat Van Erp ons schrijnend voorhoudt en ons doet walgen. Niet het werk schrikt af maar onze getoonde onhebbelijkheden staan ons niet aan. De kunst van Aaron van Erp toont scherp wat wij niet willen zien, waarvan wij denken niet te kunnen genieten. Wel ter lering, niet ter vermaak. Maar “Aaron van Erp kent geen symboliek, geen afgemeten interpretatieschema’s, geen propagandaplaatjes en belerende scènes. Geen goed en geen kwaad.” schrijft Henk Visch.

    Want het boek telt enkele interessante bijdragen van kunstcriticus Kees Verbeek, beeldend kunstenaar Henk Visch dus, museumdirecteur Ron Dirven en kunstverzamelaar Henk Pijnenberg. Samen met galeriehouder Jeroen Dijkstra geven zij mij van diverse kanten inzage in denken en werken van Aaron van Erp. Het opent wel mijn inzicht, maar laat dikwijls teveel aan achtergrond zien. Wanneer de voorkant – de zichtbare afbeelding – wordt omschreven, de achterkant – het ten grondslag liggend denkbeeld – is getoond raakt het werk een zeker magie kwijt, de betovering verdwijnt min of meer. Ik zal graag zelf willen weten wat ik zie, terwijl de bijdragen mij toch een zekere richting insturen. De titels van de werken wijzen dan echter een andere koers, dat is weer aangenaam. Die titels geven de werken een vermakelijke draai, geestig als een boer met kiespijn. Zo kan de titel een doekje voor het bloeden zijn, een schone pleister op een stinkende wonde. Ik ben een martelaar, pijnig mijzelf met “Suspension of disbelief” en ik vind het fijn.

    Suspension of Disbelief. Aaron van Erp, schilderijen en tekeningen. Tekstuele bijdragen van Jeroen Dijkstra, Kees Verbeek, Henk Visch, Ron Dirven en Henk Pijnenburg. Uitgave Livingstone Editions & Van Spijk Art Books, 2025.

  • De vogels en nesten van Sabine Liedtke

    De kraai associeer ik met uit de tijd zijn. Verbind ik met de eeuwige stilte. Is voor mij de metafoor van het niets na iets. Geen symbool van de dood, maar wel de schaduw van het leven. De zwarte kraai is de doodgraver van het zijn. De lijkbidder die de kist met stoffelijk overschot ten grave draagt. In de gedolven kuil laat afdalen, zand erover. De kraai met zijn dikke snavel lijkt een lugubere vogel daarom. Een soort die geen geziene gast is. Bij de jaarlijkse vogeltelling zie je hem het liefst over het hoofd, turf je zijn aanwezigheid in de achtertuin maar liever niet. Maar de zwarte kraai, hoewel zijn gezang niet anders is dan een fel-krassende toon, is toch een mooie statige vogel om te zien gezien zijn lijf en leden.

    Even plechtstatig als de man strak in pak getooid met hoge hoed waarvan de kraai het toonbeeld is. Parmantig stapt de vogel langs de hof en over het schelpenpad, zo voornaam met rechte rug en geheven hoofd als de grafdelver dat is. Er is niet een vogel zo deftig als de kraai, statig zich de eigen zwarte kracht beseffend. De zwarte kraai in rokkostuum heeft concurrentie van de pinguïn, maar heeft meer statuur dan deze loopvogel in ijzig kostuum. De kraai is een vogel van formaat, heeft karakter en spreekt tot de verbeelding.

    Met die verbeelding gaat Sabine Liedtke aan de haal of op de loop, ofwel is het haar inspiratie om te scheppen. Zij vormt zich een beeld in meervoud, een zwerm keramieken kraaien die als soldaten in het gelid staan. Met rechte rug en gesteven boord. Zo heeft Liedtke een troep vogels gevormd, die in getal op een tableau geformeerd indruk maken en tot de verbeelding spreken. Al eerder zijn de voor dood liggende vogelfiguren tentoongesteld in Museum Belvédère, netjes in rijen van tien neergelegd. Nu zijn ze daar weer binnen gevlogen en hangt er een ensemble van kleine figuren op rij naast elkaar. En in relatie gebracht met “de kraai op berkenboom” van Jan Mankes. Want met de verlengde tentoonstelling van deze verstilde schilder is het gevleugelde werk van Liedtke in samenspraak.

    Het is echter een opgelegde verbinding, een ietwat vergezocht verband. De overeenkomst is de kraai, maar verder gaat de gemeenschap enigszins mank. Sabine Liedtke heeft een totaal ander vermogen tot uitdrukken in vergelijking met Jan Mankes. Maar het is mooi dat het werk op deze manier een plek heeft langs de wanden van dit intieme museum. Hoewel de dood ook een thema was voor de melancholieke Mankes. Hij koos voor dieren die qua karakter pasten bij zijn eigen gevoel voor rust, ingetogenheid en mystiek. Uilen en kraaien bijvoorbeeld, kunnen stil zijn en lijken de omgeving te observeren, komen daarom geregeld terug in zijn werk.

    Parmantig ego

    Dood is het levenloze lijf een makkelijker model dan het springlevende lichaam. Voor dood ligt het stil een wezen te zijn, ofwel was het dat in levende lijve. Het vliegt niet op, want het leven is vervlogen. Het ligt daar roerloos om model te staan voor een kunstwerk. Zo’n houding kan in de gedachte van de kunstenaar zich vervormen naar een fladderend figuur waar de adem van de geest weer in is geblazen. Want juist de kunstenaar heeft een groot voorstellingsvermogen. Maar terug naar het werk van Liedtke. Zij laat de dode materie leven, laat het stomme spreken, is de schepper van iets uit niets. Zo mooi gaaf en zacht kan een wezen zonder leven nog zijn.

    Niet enkel de kraai is onderwerp, andere vogels met eenzelfde parmantig ego komen uit haar vingers. In tekeningen die de gevleugelde vrienden tot in detail kenmerken. Schetsen die vragen stellen, want telkens geeft een onwerkelijke toevoeging een vervreemdend effect. Beseft de toeschouwer eigenlijk niet waar deze naar kijkt. Is de dood geen antwoord op de vraag van het leven. Dat is wat Sabine Liedtke doet, het onderwerp apart zetten. Het uit de bestaande context halen en dan afzonderlijk in het niets in beeld brengen. Isoleren om beter te kijken, in te kunnen zoomen op het onderwerp. Het vakkundige ontwerp bestuderen en de gedetailleerde uitwerking aanschouwen. In de tentoonstelling kan de bezoeker datzelfde doen, want er is een schaal met daarin verlaten nesten gelegd; leeg geleefde kraamkamers.

    Door de manier waarop de kunstenaar de tekeningen heeft samengesteld, opgebouwd door het repetitief tekenen van lijnen en stippen – monnikenwerk kun je dat noemen, ontstaat er tijd om na te denken en gedachten de vrije loop te laten wanneer het resultaat in beschouwing wordt genomen. De tijd is erin opgerekt. Liedtke werkt nauwkeurig op detail. Alle onderdelen van nest en vogel worden tot op het kleinste onderdeel uitgetekend. Ze volgt de lijnen van de takjes en veertjes, brengt de rondingen aan en laat iedere nerf in elk blad zien, elk donsje van de veren. De architectonische constructie van takkenwerk en verenkleed is door haar meer dan fotografisch echt in beeld gebracht, maar wel voortdurend in zwart potlood op ruw geschept papier.

    Tot in finesse uitgewerkt

    De ijsvogel is sterk uitvergroot tot een monumentale alcedo atthis. Na het leven denkt het te vliegen naar de einder, slaat bijna onzichtbaar de vleugels uit. Maar het blijft liggen waar het is, roerloos, ingelijst en gepint tegen de wand van het museum. De winterkoning evenzo, want het is de troglodytes troglodytes om het even. Zoals in de naam van de vogel herhaalt Liedtke ook vormen uit de natuur. En overigens wat is er in een naam, want de vogel heeft niets met ijs en de koning niks met winter. De herkomst van naamgeving is een studie op zich. Dat winterkoninkje, want het is een kleine vogel maar groot door de kunst van Liedtke, voelt zich zichtbaar voornaam terwijl het niet weet wat het overkomt. Ze wil verdwijnen, uit beeld gaan, de stripbeweging in gele banen stuurt het naar het kader. Zo brengt Liedtke verrassende details in die ontregelend uitwerken. Die de tekening meer interessant maakt, hoewel de verfijnde belijning al erg in het oog springt.

    De schaduw van de zwarte kraai ligt naast de vogel en is even donker als deze dat zelf is. De tekening van het beest is tot in finesse uitgewerkt, maar het evenbeeld geeft de tint van het verenpak aan: zwart. De reflectie of beter de omkering leidt een eigen verbeelding, het is het antwoord op de vraag. En wanneer Sabine Liedtke dan losgaat, omdat zij even zat is van stippen en lijnen. Gek wordt van de precisie bij wijze van spreken en dus slechts in snel handgebaar een vogel neerzet omdat de essentie ertoe doet. Dan doet mij deze compositie sterk denken aan de beeldtaal van Tjibbe Hooghiemstra of Arno Kramer. Maar dan meteen verfoei ik die gedachte bij en van mezelf, want iedere kunstenaar spreekt zichzelf op de eigen manier uit. Is uniek in zichzelf. Kan wel beïnvloedt zijn, gedreven vanuit een andere geest en zich daardoor laat leiden, maar gaat daarmee een eigen weg. Hoewel haar werken een realistische basis hebben, draait het uiteindelijk om het gevoel dat ze oproepen.

    Tentoonstelling tekeningen van Sabine Liedtke: NEST. Bij Museum Belvédère, Oranje Nassaulaan 12 in Heerenveen-Oranjewoud. Van zaterdag 28 juni tot en met zondag 21 september 2025.

  • Amsterdamse bomen gezien vanuit driehoog achter

    De boom spreekt tot de verbeelding, maar als wezen is het geen illusie – kan echter wel de fantasie prikkelen. Zoals hij dit deed bij kunstenaar Jet Nijkamp, een werkbaar leven lang – en nog aldoor. Vooral het knoestige stokoude exemplaar, die evenveel stamboom bovengronds als ondergronds heeft. Deze kan boeken vol verhalen vullen met ervaringen door de jaren dan wel eeuwen heen. Bomen worden oud, erg oud. Helaas spreekt de boom onze taal niet dus de verhalen verwaaien in de voorjaarswind, vervliegen met de afvallende herfstbladeren. Spraken wij booms dan zouden wij hem beter begrijpen. Met dat begrip op zak leggen wij dan minder vaak de bijl aan de wortel voor eigen gewin.

    De boom vertelt de geschiedenis van een omgeving in de jaarringen, in de noesten, in de tot in haarvaten vertakte kruin. Indien nodig overleeft hij dat milieu op sloffen als hij deze al had, dus op eigen kracht, eenvoudig. Echter is de mens zijn (on)natuurlijke vijand, die naar eigen willen en weten wikt en beschikt over het lot van hout en groen. De mens heeft de boom nodig om de aarde te laten overleven, is zich daar amper van bewust of steekt de kop in het zand tegen beter weten in. De boom kan heel goed zonder de mens leven, is juist beter af zonder die verwoestende tweevoeters om zich heen.

    Persoonlijkheid geven

    Buiten stadse omgevingen staan bomen in overvloed. Waar ik kijk op mijn woonadres, zie ik wel een of meerdere exemplaren met hun kruin naar mij wuiven. Het bos is niet ver weg. In de stad lijkt de boom dan een bijzonderheid, hoewel van bovenaf gezien de bebouwing wordt omzoomd door groen. In vogelvlucht lijkt de stad een groene oase, zo zal het idealiter zijn. Takken overschaduwen huizen, vooral in de zomer wanneer de bomen vol in blad staan. En met name in de stad is de boom een noodzakelijk goed. De mens voelt zich beter met een boom in het zicht. De stad leeft op met bomen in binnentuinen. Niet altijd vanaf de straat zichtbaar, heimelijk groen, voor bewoners van belang. Jet Nijkamp woont in de stad en licht met haar boek “amsterdam3hoogachter” een tip van de sluier op, geeft zicht op dat verborgen groen, die verscholen bomen.

    Jet Nijkamp heeft iets met bomen, het is haar levenswerk, haar kunstproject. Niet om ze te knuffelen of tot hen in wonderlijke taal te spreken. Maar om hen als levend wezen een persoonlijkheid te geven, ze te personifiëren en te portretteren. Want het werk van Jet Nijkamp gaat voor een bijzonder deel over bomen en hoe mensen zich tot bomen verhouden. Haar bomen verwijzen naar menselijke gestalten en lichamen, spreken groei en vergankelijkheid aan en prikkelen onze verlangens en fantasie. Dat is onder meer de reden dat de boom als grondvorm dient voor mythen, legenden en sprookjes. Bomen archiveren hun omgeving in jaarringen. Geliefden maken van boombasten een levend archief door er hun namen in te kerven.

    Bomenstad met bomenbeleid

    Door de lockdown in coronapandemie is het project ‘amsterdam3hoog’ ontstaan. Om reden dat Jet Nijkamp de straat niet op mocht, kon ze vanaf een balkon of vanuit een kamervenster de blik richten op de stadsnatuur. Ze tekende karakteristieke bomen in het Amsterdamse. Bomen die een bijzondere plek innemen in de stad en in het leven van de bewoners. In eerste instantie tekende ze op de eigen bovenverdieping de voor haar zichtbare bomen. Het was op dat moment het enige contact met de buitenruimte. Later toen de teugels vierden ging ze op bezoek bij vriendinnen om daar de uitzichten te tekenen. Het project is een registratie ofwel een documentatie geworden van de leefbaarheid in een stad als Amsterdam. De hoofdstad van Nederland is van oudsher een bomenstad met een bomenbeleid, en dient als voorbeeld voor andere steden. Bij de stadsplanning in de 17e eeuw werd rekening gehouden met de aanplant van bomen. Worden in steden bomen overwegend weggedrukt in parken, Amsterdam toont groen langs de grachten, op straat en in binnentuinen. Bomen dragen bij aan de verkoeling van de stad en aan de luchtzuivering, zijn dus van levensbelang voor de leefomgeving.

    Met het project ‘amsterdam3hoogachter’ heeft Jet Nijkamp een tijdsbeeld afgeleverd. Een geschreven en getekend document van stadsgroen gezien uit het spreekwoordelijke achterhuis. Het beeldt geen armoede uit, maar juist een weelde aan leven. Het leven met bomen in Amsterdam heeft zij hiermee in beeld gebracht. Het zong al vrij snel rond dat ze bezig was met het tekenen van bomen vanuit woningen. Zonder hierop aan te dringen werd Jet door bewoners binnen gevraagd om hun boom buiten te tekenen. Zo is de serie niet alleen de registratie van stadsgroen geworden, maar is tevens de vastlegging van de betekenis van de bijzondere boom voor de individuele mens. De boom krijgt een persoonlijkheid door het pastelkrijt van Jet Nijkamp. De boom is een individu met een verhaal vertelt door de eigenaar ervan, ofwel de bezitter van dit uitzicht.

    Levendige afbeelding

    Niet alleen is de uitgave een kunstboek, tevens worden de bomen erin bij naam genoemd. Het portret heeft een titel en een plaatsbepaling. Dus is het ook nog een bomenboek, een naslagwerk om de natuur in de stad te ontdekken. Om de beplanting in de binnentuinen van Amsterdam te herkennen en te benoemen. De boom is in het boek niet slechts een boom, maar een esdoorn, een zomereik, een plataan of een populier. Zelfs treft men er paardenkastanjes aan en de laurierkers of een krulwilg. Er zijn veel soorten en er is voldoende variëteit te onderscheiden. Aangeplant, gezaaid, maar ook zo aan komen waaien. Als het iepenzaad op de wind, de lentesneeuw tussen de stoeptegels.

    In de uitgave is bij het ontwerp steeds het krijtige karakter van de pasteltekeningen in gedachten gehouden. Automatisch blader ik daardoor voorzichtig door het boek en probeer de platen zo min mogelijk aan te raken, bang ervoor dat de tekening los van de pagina zal komen. De manier van drukken heeft de afbeelding even levendig gehouden als het origineel dat is. Bij iedere tekening is een korte uitleg geschreven. Over welke boom het is, hoe het interieur van de plek van handeling er uit ziet en er bij ligt, het karakter van de bewoner en andere zaken die op dat moment en voor het uitzicht van belang zijn. De gedichten van enkele in Amsterdam woonachtige dichters, die tevens hun boom door Nijkamp lieten portretteren, meten het houten wezen een poëtisch karakter aan. Natuurlijk zijn de platen de kern van het project en het boek, maar de beschrijving en de poëzie maken het onderwerp meer persoonlijk en houdt de indruk levendig. Deze snijden hout.

    Amsterdam 3hoog achter, 52 boomportretten. Jet Nijkamp, tekst en tekeningen. Poëzie van Rozalie Hirs, Co Woudsma, Jos van Hest, Sanja Percela, Tsead Bruinja. Eigen uitgave via crowdfunding bij Voordekunst. Met bijdragen van Stichting Amsterdam 750 en het Jaap Harten Fonds. Uitgeverij Xstuks, 2025.

  • Jan van der Kooi is zichzelf wanneer niemand kijkt

    Het schijnt zo eenvoudig te maken. Het zelfportret. Want je hebt jezelf toch altijd bij je. En stil model zitten is makkelijk, want geconcentreerd kijk je naar jezelf dus onbeweeglijk in de houding ben je sowieso. Het lijkt niet moeilijk. Een landschap tekenen. Het ligt er statisch bij. De enkele windvlaag die de boomtoppen vriendelijk doet zwaaien, de troep vogels die rumoerig overvliegt, het storende gezoem van een bij op zoek naar honing – je hoeft dat allemaal niet te registreren en vast te leggen in krijt op papier. Zo gemakkelijk is dat echter allemaal niet, schijn bedriegt. Tekenaar Jan van der Kooi weet dat en onderkent dit. Het model is onder handbereik, maar blikt iedere dag anders, elk moment heeft een eigen oogopslag.

    Een kop tekenen is geen sinecure. Men gebruikt zichzelf wel om de portretkunst te oefenen. Om het kleurgebruik van huid en haar in de vingers te krijgen. Glimmertje in de ogen, stand van de neus, glanzende lippen – het maakt en breekt de herkenning. Je hebt jezelf zoals geschreven bij de hand, dus dat maakt je bijdehand om te schetsen met potlood en verf. De plaatsing van ogen, neus en mond kan naar verhouding correct ingepast worden. Maar om daaraan een stemming te geven of een karakter in te brengen is minder ordelijk te doen. De gelaatkunde in de beeldende kunst is van een andere orde. Het is een kunst op zich om de persoonlijkheid in een portret te brengen, de ruimte in het vlak te krijgen.

    Iedere lijn

    Iedere lijn in Van der Koois zelfportret heeft een functie, is doelbewust gezet. Elke stip of veeg is belangrijk als onderdeel van het geheel. Evenzo geldt dit voor het landschap, dat eigenlijk een portret is van de omgeving. Het schijnen allemaal beelden of beeltenissen van eenzelfde karakter; het portret Van der Kooi, het landschap De Veenhoop. In het geval van het zelfportret klopt dat. Bij het landschap valt dit tevens te rijmen, hoewel wanneer je hier of daar kijkt en dus van standpunt verandert en zichtlijn wijzigt de indruk anders is.

    Iedere dag heeft de eigen zorgen en deze tekenen zich af in de uitdrukking van het gelaat. Eigenlijk toont Van der Kooi in het portret een getekende autobiografie. Uit de koppen straalt zijn levensverhaal. Het is een serie in zijn oeuvre, voor iedere week een portret. Zo zie ik hem door de tijd gaan, het zijn leven. In de rimpels lees ik zijn geschiedenis zoals de tijd uit de jaarringen van een boom gepuurd kan worden.

    Geen dood getekende afbeeldingen

    Jan van der Kooi toont in Museum Belvédère veel van die zelfportretten en een veelvoud aan landschappen. Onder de titel “Wie ben je als niemand kijkt”. En inderdaad kijkt er niemand wanneer hij zichzelf vastlegt in het atelier. Turend in de spiegel naar Jan. Wie is hij dan, op dat moment. Niemand ziet hem zwoegen op zijn eigen karakter. Volgens mij is hij daar zichzelf, is hij daar Jan die Van der Kooi vastlegt. En dan, wanneer deze tekeningen een tentoonstelling krijgen en worden gezien, waar kijk ik dan naar, wie zie ik dan. Ik zie Jan, hemzelf, dat is hij. En hij kijkt me wel vorsend aan, zijn getekende blik doorboort mijn gedachten. Het is alsof hij mij doorziet, mij oogt wie ik ben. Terugkijkt vanaf het papier. Hij zag zichzelf, maar in het museum ziet hij mij. Priemende blik, gefronste wenkbrauwen. Veelal met de bril op de punt van de neus beschouwt hij mij, kijkt over het montuur en bepaald mijn blik. Hij biologeert mijn wezen, waar hij eerst zich concentreerde op het eigen zijn. Die onderzoekende oogopslag speurde naar het wezen achter zichzelf, het bestaan in de plooien van het eigen gezicht. En nu deze portretten de ruimte vinden staren ze vanaf de wand naar mij en al die andere bezoekers.

    De werken van Van der Kooi zijn geen dood getekende afbeeldingen. Geen tot in de poriën en tot in de grassprieten vastgelegde werkelijkheden. Hoewel deze realistische portretten en landschappen herkenbaar en plaatsbaar zijn, heeft Van der Kooi er een abstract wezen ingebracht. Als de Schepper er leven ingeblazen. Het zijn geen plaatjes maar levende voorstellingen. Met veel beweging in de lijnvoering is het alsof het portret een knipoog geeft, alsof er opeens een wolf uit het struikgewas kan opduiken. Ik hoor hem grinniken, Jan, zich verkneukelend over al dat aapjes kijken en die verbaasde en bewonderende blikken. Ik hoor de vogels fluiten boven de velden, de zuchtende wind die de bladeren laat ruisen. Van der Kooi heeft de ziel van het wezen geraakt. Zijn wezen en dat van het landschap.

    Langs de boorden van de Veenhoop

    Van der Kooi werkt in traditionele tekentechnieken en heeft een geheel eigen stijl ontwikkeld die het midden houdt tussen realisme en expressionisme”, lees ik op het tekstbord bij de tentoonstelling. Het zijn derhalve geen oppervlakkige werken die ik beschouw, tonen niet sec een gelijkenis, maar boren een diepere laag aan. Die laag waarin de meester zich fijn voelt wanneer niemand kijkt. Hij is alleen in het atelier, eenzaam met zichzelf bezig. Observeert het ego en reflecteert het ik. Toont niet hoe mensen hem zien, de buitenkant. Maar laat de ervaring zijn, het gevoel, de binnenkant. En daarna wordt het in de openbaarheid gegooid, krijgt het beeld in een tentoonstelling. Want het moet gezien worden, onder de mensen komen. En dan kunnen de bezoekers er iets van vinden. Dan is echter de maker er niet bij, deze houdt zich afzijdig. Door de tekening gaat hij figuurlijk in gesprek met degene die naar de tekening kijkt. Kijkt hem aan van achter of over zijn bril, observeert mij, kijkt door mij heen als het ware. Kijkt zo streng en scherp alsof hij bezig is van mij een portret te maken. Dat ik het model ben. En dan loop ik langs de boorden van De Veenhoop, op de oevers van de Headamsleat. Want ik raak in verlegenheid van die priemende blik, die mij achtervolgt en scherper doorziet als dat ik naar mijzelf kijk. Want wie ben ik als Jan van der Kooi kijkt. In die natuur vind ik de schepper terug. De tekenaar die de omgeving schetst. In de gelaagdheid is hij abstract aanwezig, zijn geest waart door het veld omdat het beeld heeft gekregen zoals hij het zag, zoals hij het heeft beleefd.

    Naar de geest van de klassieke meesters, in de lijn van de kunstgeschiedenis, tekent Jan van der Kooi de zelfportretten. Schetst hij het landschap. Zoals de opdrachtgever verlangt dat een portret naar waarheid de geportretteerde eer en recht aan moet doen, zo heeft de kunstenaar de vrije hand om zichzelf te tekenen. Het portret dient te beantwoorden aan uiterlijke schijn, de schoonheid zal afstralen van het evenbeeld. Echter wanneer de tekenaar of schilder zichzelf als model neemt kan hij of zij voorbij gaan aan de esthetiek en beelden naar de waarheid achter het zichtbare. Dan komt de ware aard naar boven.

    Wie ben je als niemand kijkt. Kamerpresentaties getekende zelfportretten en landschappen van De Veenhoop. Jan van der Kooi. Museum Belvédère, van 25 januari tot 22 juni 2025.

  • Vette tekeningen met commentaar op de menselijke toestand

    Hij tikte onlangs de 75 aan. Driekwart eeuw oud en nog altijd actief als een jonge hond. En zeker van zijn zaak. Overtuigt van het eigen kunnen. Heeft een uitdrukkelijk eigen stijl en steekt daarmee met kop en schouders boven het maaiveld uit. In een ver verleden opgeleid als kunstenaar aan de Gerrit Rietveldacademie heeft hij die kennis links gelaten en is recht op zijn doel afgegaan. Verdient zo een eigen plek in de kunstgeschiedenis, een eigen genre in de Nederlandse traditie en de vaderlandse canon.

    Het werk van Roland Sohier is een vak apart, want hij laat zich niet in een hokje stoppen. Geeft zijn kijk op de menselijke toestand ondubbelzinnig beeld. Hij schopt daarmee tegen de naakte waarheid aan en blaast meerdere heilige huisjes omver. Dat niet iedereen de noodzaak van zijn onomwonden beelden inziet blijkt uit het feit dat de Facebook-factcheckers meerdere malen zijn tekeningen verwijderen als zijnde ongepast, een aantasting van de goede zeden. Maar Sohier laat zich niet afschrikken en blijft stoïcijns zijn werk plaatsen. Want zijn schilderijen en tekeningen moeten de wereld in, gezien worden, bekeken zijn. Sohier heeft een boodschap en maakt deze boordevol cynisch sarcasme kenbaar.

    Beduimelde kraamkamer

    Hij is op een gezonde manier vervuld van zichzelf. Geeft hoog op van zijn kunnen, want als hij het zelf niet doet wie zal het dan voor hem doen. Alex de Vries? Jeroen Wielaert? Ik? Dus geeft hij in eigen beheer rond iedere jaarwisseling een magazine uit, dat een inkijk geeft in de resultaten van dat afgelopen jaar. Met niets verhullende titels als “Tekeningen die er toe doen”, “Tekeningen waarvan je staat te kijken” en “Tekeningen waar je niet omheen kan”. Najaar 2024 gaf hij een kwartetspel uit, zodat ingewijden en buitenstaanders zijn werk door de vingers krijgen. – “Mag ik van jou van Vette tekeningen, Trouble in Paradise?” – “Die heb ik niet, maar heb jij Tree of life van De Ruimte in voor mij?” – “Ja, kijk.” – “Kwartetteketet!!!

    Sohier weet dat hij goed werk levert, grensverleggend en onalledaags. Daarin blijft de geschiedenis van ontstaan naar resultaat zichtbaar, als een heldere blik in een morsig atelier. Een beduimelde kraamkamer, in de hoop dat schoonheid wint! Van eerste lijn tot laatste vlak volg ik de welsprekendheid van Sohier, de zeggingskracht van gevoel naar uitdrukking. Niet meteen staat wat gedacht is juist op papier. Juist het intact laten van de voorgeschiedenis geeft het werk een attractieve kant. Het is of pleeg ik een opgraving, onderzoek ik als archeoloog de geschiedenis van de tekening. Mislukte delen blijven zichtbaar ondanks dat deze zijn weggegumd. Geknipte details uit ander werk is geplakt zodat een collage ontstaat. Diverse lagen geven daardoor een tastbare verdieping. Contemplatie holt mentaal het zicht uit, reflecteert in gruizige eerlijkheid. “Schilderijen die je gezien moet hebben” en “Schilderijen die iets betekenen” werken over de jaren naar een apotheose in “Vette tekeningen”, de meest recente uitgave.

    Hoge creatieve status

    Deze tekeningen in het laatste magazine zijn niet vet omdat ze met vetkrijt op papier zijn gekalkt, integendeel, maar omdat het te gekke werken zijn, gaaf en leuk. En mij vooral een spiegel voorhouden, de clown uithangen want ik ben de onbenul in deze, de kluns. Sohier bekleedt als de nar een bijzondere sociale plek in de kunst. Als kunstenaar staat hij met zijn schetsmatige en bij tijd en wijle naïeve tekenstijl schijnbaar onderaan de kunstzinnige ladder. Echter kan hij als mens heel goed de maatschappij en de spelers daarin doorgronden en ons kijkers naar zijn werk voor de gek houden. Hij gaat in tegen de heersende opvattingen. Als nar, paljas of hansworst, wordt hij daarvoor niet gestraft anders dan verwijdering van Zuckerbergs speeltje. Als beeldmaker heeft hij daarom juist een hoge creatieve status, want hij is bij machte mij op de lange tenen te staan en mij op de neus te laten kijken. En vooral mij met en door zijn werk figuurlijk eens goed kietelt zodat ik er bijkans zinnebeeldig dood bij neerval.

    Wat opvalt zijn de voor beschaafde kijkers ordinaire handelingen die de figuren uitbeelden. De grensoverschrijdende gedragingen die overigens volledig met instemming van de lijdende voorwerpen plaats vinden. En de dynamiek die daarmee gepaard gaat. De personen in de werken van Sohier zijn voortdurend in beweging. De kunstenaar legt zijn figuren niet stil, bevriest de activiteit niet, maar laat de lichamen worstelen, over mekaar tuimelen. In een enkele tekening beziet Sohier het lichaam van diverse kanten. Daardoor kan het model een teveel aan benen en armen hebben of een overvloed aan billen en borsten. Maar juist dat zicht van meerdere zijden en de kijk op een veelheid aan houdingen maakt het werk zo energiek en temperamentvol.

    Met een lach en een traan

    De clowns rollebollen door de piste. Het naaktmodel laat zich onbeschaamd van alle kanten zien. De Januskop laat zich stapelen tot een totem. In die Januskop benadrukt Sohier dat iets of iemand diverse, vaak tegengestelde, eigenschappen of karakteristieken kan hebben. In die beeldspraak, in dit geval het sprekende beeld, laat hij zien dat niets vaststaat, dat echter alles voor velerlei uitleg vatbaar is. Enerzijds dan wel anderzijds, dit of dat, kiezen of delen. Zijn werk heeft meerdere lagen van verklaring, maar het heeft daarentegen een enkele motivering – het commentaar op het actuele zijn heeft slechts deze unieke lezing. Hoewel de argumentatie omfloerst verbeeldt lijkt, uit meerdere lagen schijnt te bestaan, is de beeldende redenering toch helder en klaar.

    Met een lach en een traan duidt Roland Sohier de wereld, de opgeklopte en aangedikte figuren die de mensheid vormen daarin. Slechts de figuurtekeningen naar naakt model zijn zonder reden gemaakt, niet anders dan om het vrouwelijke lichaam te verheerlijken – een orgie aan schoonheid weer te geven. Sohier schijnt in zijn werken te experimenteren om tot een juiste uitbeelding en een vaste voorstelling te komen. Echter weet hij in de groezelige en smoezelige, de onfrisse en beduimelde tekeningen tot een duurzame en onverzettelijke representatie van het huidige mensdom te komen. Zijn kunst is een cynische reflectie op het bestaan, een ironische kijk op het zijn. Met ieder magazine zet de kunstenaar zich meer af tegen het mensdom waarvan hij tegen wil en dank deel uitmaakt. Vooral in het huidige tijdsgewricht zou jij je doodschamen mens te zijn. Dat is wat Roland Sohier in zijn kunst vaststelt en vastlegt. De tekeningen mogen dan grappig lijken, deze verbeelden tijden die zeker niet vermakelijk zijn.

    Vette tekeningen. Gummen, gummen, gummen, je herpakken en doorgaan. Roland Sohier. Uitgave in eigen beheer, voorjaar 2025.