Tag: tentoonstelling

  • Zolderopruiming aanleiding voor historische reconstructie

    Het begint bij een in onbruik geraakte hooizolder in de Amsterdamse wijk De Pijp, rond 1900. Nadat ik het boek had gelezen, moest ik natuurlijk de tentoonstelling in Museum Belvédère bekijken. Met eigen ogen de ervaring van Theo de Feyter in het huis van de kunstenaars beleven. Niet dat de attributen daar in de presentatie zo’n indruk op mij maken als ze met hem hebben gedaan toen hij ze op de Jan Steenzolder vond. Maar daarmee is het verhaal wel compleet. Is de cirkel rond omdat ik nu die vondsten kan aanraken, kan bepotelen, hoewel dat natuurlijk niet mag in het museum? Met mijn vingers langs de slotjes van de koffers gaan, de glooiingen van Cupido voelen, laatjes openen, documenten doorbladeren. Het wordt daarmee zo helder, zo waar wat De Feyter schrijft en beschrijft: beeld en verbeeld.

    Vinden, onderzoeken, verbeelden

    Het moet euforisch geweest zijn wat Theo de Feyter daar allemaal vond op die zolder. De zolder die door de jaren heen werd bevolkt door kunstenaars van allerlei kunne en van diverse kunde. In de hoogtijdagen was het er een zoete inval van kunstenaars die er, onder het genot van het een en ander, met elkaar spraken. De Feyter is archeoloog en kunstenaar en heeft met dezelfde omzichtige precisie als een archeoloog te werk gaat, de zolder uitgespit en omgeploegd. “Zo vond ik veel mooie en raadselachtige voorwerpen, maar ik wist er voorlopig maar één ding mee te doen: ik stelde er stillevens mee samen die ik ging tekenen”, schrijft De Feyter in Het Huis van de Kunstenaars. In zijn tekeningen vertellen de gevonden voorwerpen het verhaal van de geschiedenis van de zolder en brengen deze als het ware dichterbij. “Ik had het bij die tekeningen kunnen laten – ze legden het verleden van de Jan Steenzolder vast zoals ik het aantrof – maar door het kijken en voelbaar maken van die voorwerpen was als vanzelf een zoektocht begonnen naar de achtergrond en betekenis van de objecten.”

    Met kwast en pincet

    Een oudheidkundige bestudeert het verleden met spullen die mensen hebben achtergelaten. En dat is wat De Feyter normaal doet in de bodem bij opgravingen. Met kwast en pincet wordt de grond grondig onderzocht om fossielen of andere bodemschatten boven water te halen. De kunstenaar De Feyter weet zichzelf tot sporenonderzoeker te maken. Met zaklantaarn op en handschoenen aan onderzoekt hij de zolder centimeter voor centimeter. En wat hij vindt, is boven zijn eigen verwachting. Eerdere bewoners van het appartement dat hij bij woningruil in bezit heeft gekregen, hebben op de zolder waardevolle spullen achtergelaten die toen van onnut schenen te zijn geraakt. Bij een verhuizing onbewust van het bestaan ervan, of anderszins bewust daar laten staan. Voor De Feyter een rijke bron om op zoek te gaan naar het verleden van deze bijzondere plek in de Amsterdamse Pijp. “Hoe meer ik vond en hoe meer ik begreep, des te meer begon de geschiedenis voor me te leven.”

    Een verdwenen wereld geboekstaafd

    De vondsten zijn aanleiding tot diepgaand onderzoek naar de eerdere bewoners. De mensen en hun geschiedenis achter de spullen. Die uitkomsten geven het boek een gelaagdheid doordat De Feyter levensbeschrijvingen geeft van deze mensen, althans van wat hij in de ‘boeken’ daarover kan vinden. Het is een soort verborgen verleden dat zich schuilhoudt in de attributen op deze zolder. Namen uit de geschiedenis duiken op en komen boven drijven. En wanneer dan het ene gevonden is en het andere nog achterblijft, het een aan het licht komt en het ander nog in duisternis is, raakt de onderzoeker gaandeweg fanatiek om alles voor het voetlicht te halen. Iedere nieuwe ontdekking is aanleiding verder te zoeken en dieper in het verleden te graven. De onderste steen van de Jan Steenzolder moet boven en met veel sjorren en trekken – zoeken en vinden – lukt dat ook. “Telkens wanneer ik een nieuwe tekening maak, sleep ik die zichtbare en hoorbare geschiedenis achter me aan, zoals de verzameling conservenblikjes die je vroeger aan je fiets bond bij Luilak. Elke beweging geeft geluid.”

    Van hooizolder tot kunstenaarshuis

    In het gedegen aangepakte onderzoek legt Theo de Feyter de zolder als atelier en gemeenschapsruimte bloot. De mensen die voor hem daar op dat adres hebben gewoond, schuift hij gaandeweg uit het verleden in het heden. Voor hem heeft de ruimte een extra dimensie gekregen: hij bewoont een monumentaal pand wat betreft de voorgeschiedenis – eigenlijk meer een memorabel pand. Voor de lezer van zijn boek krijgt dat verleden een diepere betekenis. Maar niet Jan Steen was de eerste bewoner, al zou men dat door de benaming haast gaan denken. Het pand staat aan de Tweede Jan Steenstraat en dankt daaraan zijn naam. Het is een oud bedrijfsgebouw waar de zolder diende als opslagplaats van hooi voor de stallen beneden. Later werd het gebouw woonhuis en opgedeeld in verschillende appartementen, een herenhuis met kamers en een atelier op de zolder. Op de vliering daar weer boven vond Theo de Feyter de diverse memorabilia in grote hoeveelheden. Brieven, kranten en knipsels, boeken en tijdschriften, fotonegatieven, kunstwerken.

    Deze ontdekking was voor hem inspiratie om de geschiedenis te vorsen. Uit te graven en op te diepen. Ieder object, elk document, draagt een verleden in zich. Dat verleden is voor de nieuwe bewoner dermate interessant gebleken dat hij dit als archeologisch onderzoeker wilde uitgraven en in een document vastleggen. En daaruit is het boek gekomen. Zodat de Jan Steenzolder ook voor anderen de geheimen prijsgeeft.

    Artistiek leven in Amsterdam

    De geschiedenisschrijver is echter ook en vooral kunstenaar. Hij heeft niet alleen in teksten het verleden kenbaar gemaakt, maar tevens heeft hij de gevonden attributen en materialen in beelden gedocumenteerd. Iedere foto, elk document, is aanleiding om de herkomst ervan uit te pluizen. Of om na te gaan wat of wie op de foto staan. Het boek is een geschiedenis, een historisch verantwoord document. De diverse genoemde personen met hun verleden zijn een interessant gegeven, maar meer benieuwd ben ik naar wat Theo daar allemaal gevonden heeft op die zolder. Dat staat tevens beschreven in het boek en kan ik deels bekijken in het museum. Gipsvormen, een olielamp, een hoedenkoffer met bolhoed, twee scheepskisten met tropengarderobe, souvenirs uit Nederlands-Indië, een map met tekeningen.

    Wat gaf De Feyter de aanzet tot het boek, tot het vorsen van de geschiedenis, het verleden van de zolder? Het is natuurlijk van gewicht dat je weet en kunt achterhalen wie voor jou door die deuren hebben gelopen, op de muren hebben getikt en door de ramen hebben gekeken. Het huis ademt daarmee nog meer de sfeer van vroeger.

    Theo de Feyter, Jan Steenzolder, Waanders Uitgevers, Museum Belvédère

    Met kwast en krijt

    Het in beelden documenteren heeft Theo de Feyter eerder gedaan, daar is hij goed in. Fanatiek ook, tot in het maniakale eigenlijk. Hij staat bekend om langlopende kunst- en tekenprojecten, werk in uitgebreide series. Daardoor en daarmee wordt wel een goed beeld gegeven van wat hem bezighoudt. In een realistisch-figuratieve stijl tekent hij de wereld van zich af. Hij doet dat met Het uitzicht om 17.00 uur. Een dagelijkse serie gouaches en tekeningen waarbij De Feyter klokslag vijf uur ’s middags exact dezelfde blik vanuit zijn atelierraam vastlegt. De vaste kijkrichting toont het veranderende daglicht, het weer en objecten op de vensterbank.

    In Mensen en Ruïnes documenteert hij zijn reizen naar Syrië en het Midden-Oosten. Met voortdurend de veldwerkkoffer binnen handbereik. In Hemelsbreed schildert en tekent hij een lijn recht door Amsterdam, waarbij hij de stad van gevel tot gevel overbrugt en vastlegt. Tevens documenteert hij beeldend de verzameling van Thom Mercuur zoals aangetroffen in het Tripgemaal, voordat deze iconische plek in de Friese kunstscene werd leeggeruimd om plaats te maken voor een nieuwe bewoner. En nu dan de historische Amsterdamse zolder, de Jan Steenzolder waar hij nagelaten spullen van eerdere bewoners en kunstenaars vindt.

    Het huis van de kunstenaars. De schilders van de Jan Steenzolder. Theo de Feyter. Waanders Uitgevers, 2026. Tentoonstelling Theo de Feyter – De Jan Steenzolder. Museum Belvédère, Oranje Nassaulaan 70 in Oranjewoud. Van 20 juni tot en met 20 september 2026.

    Theo de Feyter, Jan Steenzolder, Waanders Uitgevers, Museum Belvédère
    Theo de Feyter, Jan Steenzolder, Waanders Uitgevers, Museum Belvédère
  • Heerenveen, vruchtbare bodem voor kunst?

    Volgens directeur Marco van der Werf zit er iets in de grond, in de (Heeren)veengrond, dat mensen met hun gaven daaruit tot bloei kunnen komen. Deze conclusie trekt hij gezien de lange lijst op Wikipedia van bekende personen die van Heerenveen zijn. En dat zijn dan niet enkel sporters – voetballers, schaatsers – maar ook kunstenaars – schilders, schrijvers, musici. Van der Werf typeert Heerenveen als broedplaats voor beeldende kunst, een rijke artistieke voedingsbodem. Bezoekers van ‘zijn’ museum ontdekken deze zomer en herfst hoe kunstenaars uit de gemeente Heerenveen en omgeving uitgroeiden tot namen van nationale en internationale betekenis. Hij zet het Friese Haagje echter nog net niet weg als kunstenaarskolonie zoals Bergen, Laren en Oosterbeek dat zijn. Met ROOTZ toont Museum Heerenveen een zestal kunstenaars die hun wortels in deze plaats hebben.

    Nationale kunst met Heerenveense wortels

    De zes nog levende kunstenaars in de tentoonstelling zijn slechts een smalle dwarsdoorsnede van de groep die banden heeft met de gemeente Heerenveen. “Er is in eerste instantie gekeken naar dat wat we al in de collectie hadden”, vertelt Van der Werf desgevraagd. “En dat zal zeker geen compleet overzicht zijn van alle aan Heerenveen verbonden kunstenaars. Het idee voor de tentoonstelling was die kunstenaars te laten zien die hier geboren en getogen zijn, en daarna elders de vleugels hebben uitgeslagen. Kunstenaars die nog in Heerenveen wonen passen daar niet bij.” Ook blijkt het kostenplaatje een grotere groep in de weg te staan, daar het verzekerde vervoer van schilderijen hoog en voor een klein museum erg kostbaar is. De kunstenaars Siert Dallinga, Robert Zandvliet, Jan Worst, Jochem Hamstra, Robert Geveke en Rabbo Ploeger vormen het vertrekpunt van een tentoonstelling die lokale wortels verbindt met internationale artistieke ontwikkeling.

    De voedingsbodem en het groeien zijn als metafoor voor de tentoonstelling genomen, met voornamelijk de boom als dragend middelpunt. Het decor waarin de kunstwerken worden getoond is samengesteld uit de diverse stadia van de groei: van wortel tot kroon. Takken hangen aan het plafond, behang van schors, zaden op de grond uitgespreid. De kleuren groen en bruin, de museumzaal is als de habitat van de boom getint. De stamboom van de Heerenveense kunst. Van het begin als aankomend kunstenaar tot aan de kroon op het werk, de internationale erkenning. De presentatie is dan ook niet chronologisch per kunstenaar, maar gebouwd rond diverse algemene thema’s. Dat geeft ruimte om naast de basis tevens nadruk te leggen op de karakteristieken van het Friese landschap. Het museum introduceert dat op de website als volgt: “De tentoonstelling is vormgegeven als een boomstructuur: van ‘wortels’ (jeugd en oorsprong) via de ‘stam’ (ontwikkeling en doorbraak) naar de ‘kroon’ (erkenning en meesterwerken). Deze ruimtelijke opzet maakt de groei van kunstenaars – van lokaal talent tot (inter)nationaal erkend kunstenaar – letterlijk inzichtelijk voor bezoekers.”

    Bestaat de Heerenveense School?

    Wat is het dat de bodem van Heerenveen zo rijk maakt, dat het talent er zo op kan gedijen? Zijn het de noeste veenarbeiders die de grond hebben bewerkt, staat de sociale armoede aan de basis of zijn het de heren van het Veen die zich hebben verrijkt, de Oranjes die tussen de bomen hun heil zochten. Kan dit het Friese licht zijn, waarvan Heerenveen een graantje meepikt. Of zal het de spanning tussen intimiteit en ruimte zijn, tussen dorp en streek, tussen bebouwing en landschap. Is er een overeenkomst te ontdekken tussen de kunstenaars, dat zij zich aan elkaar verbonden weten, niet alleen omdat ze Heerenveen als plek van oorsprong hebben. Kan de kunst van de een worden vergeleken met die van de ander. Of is de voedingsbodem van Heerenveen zo universeel dat die evenzo goed vruchtbaar kan zijn op een willekeurige plaats elders. Kortom, bestaat er een Heerenveense School?

    Museum Heerenveen, ROOTZ

    Enkele decennia geleden heeft kunstenaar Louis le Roy – jazeker, die van de ecokathedraal – de term Heerenveense School gelanceerd. Later is dat nog eens weer opgepakt door de plaatselijke kunstenaarsvereniging Pro Forma. Dat kan betekenen dat er een gemeenschappelijke opleiding is voor kunstenaars die van Heerenveen zijn. Dat er een lesmethode bestaat die het karakter bepaalt van kunst uit Heerenveen. Of dat er een beweging van gelijkgestemde kunstenaars zich hebben verzameld op deze plek, te vergelijken met de Haagse School. Het verzamelgebouw dat ooit dienst deed als MULO en later MAVO en waar nu onder meer Museum Heerenveen onderdak vindt draagt nog de naam Heerenveense School, maar voor de rest is er niets aan gelijkgestemdheid te vinden in het werk van Heerenveense kunstenaars. Toch is het interessant om te zien wat er geworden is van de kunst die hier een oorsprong heeft gevonden en breed wordt gewaardeerd.

    Herinneringen van Heerenveen

    Het is natuurlijk niet beslist noodzakelijk dat de getoonde kunstenaars laten zien waar de stamboom wortelt. Maar voor een instelling als Museum Heerenveen, voortgekomen uit de oudheidkamer en nog altijd de historie van de plaats koesterend, is dat wel mooi meegenomen. Rabbo Ploeger zet de skyline van Heerenveen in maanlicht en gevels aan het Breedpad in opkomende nevel. Het doet denken, maar herinnert niet volledig meer. Siert Dallinga heeft vanuit zijn slaapkamerraam de blik op Tjepkema’s molen die oprijst achter jaren 60 nieuwbouw. Het geheel in zwart-wit als een foto uit de schoenendoos op zolder. Een niet-ingekleurde herinnering. Jochem Hamstra krijgt, wanneer hij de ogen sluit na een dag werken in zijn Groningse atelier, nog de bootjes in de Van Engelenvaart op het netvlies. Hamstra is een schipperskind, de woonboot lag in de Herensloot langs de Polderdijk.

    Museum Belvédère, schenking Judith en Peter Plasman
    Siert Dallinga – Soldaat in bos

    Voor de rest zijn er geen tastbare aandenkens, die het museum in de boeken kan wegschrijven als souvenir. Het maakt wel duidelijk waar de inspiratie voor deze tentoonstelling vandaan komt. Het getoonde werk van de kunstenaars is totaal verschillend van elkaar. Daarin is geen lijn of parallel te herkennen. Het Heerenvener zijn is enkel de reden dat ze op deze manier in Museum Heerenveen zijn gecombineerd. De conservator en het team inrichters hebben van dat krappe gegeven wel een ruime presentatie gemaakt. Daarin passen de abstracten van Robert Zandvliet naast de vervreemdende schijnwereld van Jan Worst en de cartooneske portretten van Robert Geveke.

    Er wordt al gesproken over een vervolg op deze tentoonstelling ROOTZ, want er is natuurlijk veel meer materiaal van en over de Heerenveense kunst. In een ROOTZ 2.0 of zelfs een ROOTZ 3.0 kunnen al die andere kunstenaars die nu overgeslagen zijn een plaats krijgen. Een samenwerking met Museum Belvédère wordt niet uitgesloten, daar dit gebouw wordt uitgebreid en daarom voor een periode zal sluiten. Op voorhand geeft Belvédère al een voorproefje. In de westvleugel wordt namelijk een bijzonder aantrekkelijk schilderij van Siert Dallinga getoond: Soldaat in bos. Het smaakt naar meer, en er is meer, veel meer. Het veen van de heren was vruchtbaar en is dat nog steeds.

    ROOTZ. nationale kunst met Heerenveense wortels bij Museum Heerenveen, Minckelersstraat 11 in Heerenveen. Van 27 juni tot en met 1 november 2026.

    Museum Heerenveen, ROOTZ
  • Harlinger haven ruiken, horen en voelen

    In de haven. Over het water. Zijn blik glijdt naar de einder, kijkt in de verte. Maar daar rusten zijn ogen niet. Hij beschouwt wat anderen aanmerken als horizonvervuiling. Hij ziet wel de schoonheid van wat het eind van de wereld schijnt, maar zijn aandacht verdwijnt niet met de zee. Hij kijkt niet verder dan zijn neus lang is. Hij ziet dat wat er kort voor zijn voeten ligt, op armlengte, minder dan een steenworp afstand. Dat heeft zijn interesse. Daar ligt zijn verhaal. Tussen de meerpalen, op de pieren, in de loodsen. De boeien boeien hem, de meeuwen schreeuwen om zijn aandacht. Er is altijd rumoer, bedrijvigheid, leven. Daar in de haven. Maar nu is het stil, de meeuwen houden de adem in, de branding is vlak als een spiegel. Want terwijl ik dit schrijf, hem daar op het havenhoofd plaats, in de tegenwoordige tijd – is het verleden tijd. Jan Roos vereeuwigde dat wat hem het meest aan het hart lag: het leven in en rond de haven van Harlingen. Kortgeleden moest hij noodgedwongen zelf het leven loslaten. Wat hij achterliet is een oeuvre aan tekeningen en schilderingen waarin de grens tussen land en water het middelpunt vormt. Geen idyllische voorstellingen van zee en strand, maar ruige beelden die in enkele vegen en streken tot stand lijken te zijn gekomen. Het is de romantiek van Harlingen, aan de rafelranden van de stad waar hij werd geboren, opgroeide en stierf.

    Museum Belvédère kreeg zijn afscheidstentoonstelling; door een ernstige ziekte zag hij zijn einde naderen. Het is een waardig afscheid, waarbij ik als museumbezoeker langer stilsta dan normaal. De forse afmetingen van de werken, op museumformaat, komen krachtig binnen, vooral omdat ik weet dat de hand van deze meester nooit meer een compositie zal opzetten. Zijn ogen zijn gesloten, maar door zijn blik zie ik nog steeds en kan ik vrijwel voor altijd de schoonheid van de Harlinger haven ervaren. Een schoonheid die niet mooier is gemaakt dan zij is. Roos heeft de scherpe kanten er niet afgeschuurd, de rommel niet eerst opgeruimd. Zijn stillevens geven de bedrijvigheid van het moment weer. Ik ruik de zee, de smeerolie, de diesellucht. Ik hoor het water klotsen, metaal op ijzer bonken, de wind door netten en langs masten ruisen. Ik hoor de meeuwen schreeuwen en weet dat Jan Roos altijd van deze plek heeft gehouden.

    Hij was er altijd

    Het was zijn atelier, want het liefst toog hij met papier en pen naar de haven om er en plein air de situatie vast te leggen. Er is daar altijd wel iets gaande, voldoende inspiratie om met het verbeelden ervan een leven lang voort te kunnen. Jan Roos heeft de haven van Harlingen raak gedocumenteerd. Ik denk dat de arbeiders van het eerste uur zijn geest nog zien dwalen rond de boeien en de tonnen. Dat de meeuwen zijn schimmige aanwezigheid voelen. Want hij was er altijd. Bij nacht en ontij, in weer en wind. Vooral wanneer het klimaat zich van zijn meest extreme kant liet zien, kon het vuur van de inspiratie hoog oplaaien. In de grote werken op zaal van Museum Belvédère is dat goed voelbaar, welhaast tastbaar. Roos zette het leven op geleefd papier, op uitgeleefd karton. De drager kreeg onder zijn handen een nieuw leven toegemeten. Afgedankt voor dagelijks gebruik, opnieuw gebruikt voor de eeuwigheid.

    Het boek is niet gesloten. Jan mag dan zijn laatste hoofdstuk hebben geschreven, er een punt achter hebben gezet, het verhaal gaat door. Zijn vertelling kan bij iedere tentoonstelling opnieuw verteld worden. Er komen geen woorden van de meester meer bij, maar er zullen telkens weer woorden van beschouwers aan worden toegevoegd. Het beeld is klaar – nog niet af. Wanneer de schilderingen zichtbaar worden, komen verschillende inzichten op. De maker mag uit de tijd zijn, de nalatenschap blijft bij de tijd. In Belvédère nog enkele momenten te zien; het boek blijft daarbij als herinnering. “Gelukkig hebben we de plaatjes nog…”

    Geen catalogus

    De tentoonstelling van Jan Roos in 2026 in Belvédère is zijn vijfentwintigste solo-expositie. Het boek dat erbij verschijnt, biedt het eerste grote overzicht van zijn leven en werk. Een bekroning van een kunstenaarsleven dat, gerekend vanaf de eerste expositie, meer dan vijfenveertig jaar beslaat. Wanneer ik het boek opensla, de catalogus bij de tentoonstelling, komt de haven van Harlingen me figuurlijk tegemoet. Het rumoer en de rotzooi spatten van de opgenomen werken af. Feitelijk is het boek geen catalogus, maar een overzicht van Roos’ oeuvre, een dwarsdoorsnede van zijn werkzame leven. Han Steenbruggen en Dirk van Ginkel, vrienden in en buiten de kunst, omschrijven Jan Roos in beschouwingen over zijn werk en in herinneringen aan de kunstenaar. Ook komt hijzelf door getranscribeerde gesprekken op papier aan het woord. “Wat hij wil meedelen ligt verankerd in zijn werk, die geweldige schilderijen die zich laten begrijpen als een voortdurende emotionele overgave aan zijn onderwerpen en zijn leefomgeving én als een zoektocht naar de kern der dagelijkse dingen, in de wetenschap dat alles met de tijd vervliegt”, kenschetst Steenbruggen Roos.

    Zijn liefde voor water- en havenscènes – van het laden en lossen van vissersschepen, het boeten van netten op de kade, het uitvoeren van herstelwerkzaamheden aan een scheepsromp tot het meeuwenleven op de steigers – begon al op jonge leeftijd en duurde een leven lang. “Mijn leven lang heb ik ook dat eenvoudige leven willen schilderen, en altijd op een directe, eenvoudige manier.” De haven heeft voor hem een magische aantrekkingskracht. Hij vindt het er prachtig: al die hardwerkende mannen, de vonken van de snijbranders, de heen en weer rijdende kranen, de reusachtige stukken metaal waaruit zomaar een schip kan ontstaan, de herrie, de stank. Jan Roos woont letterlijk en figuurlijk in zijn onderwerp. In de haven is Roos een vertrouwde verschijning. Hij loopt bijna dagelijks de werf op, kiest een plek en gaat op de grond zitten tekenen. Voorovergebogen of op de knieën, met de blik gericht op het onderwerp. Hij groet de arbeiders, maar maakt geen praatje en houdt ze niet van hun werk. Iedereen accepteert zijn aanwezigheid. Zij doen hun werk, hij het zijne.

    Havenwerker onder de havenwerkers

    “Veel onderwerpen die Jan Roos tijdens zijn lange schildersloopbaan heeft geschilderd – de werf vlak bij zijn huis en de oude havenhoofden – bestaan niet meer en leven alleen nog voort in foto’s en in zijn schilderijen”, schrijft Han Steenbruggen. “Toch ontbreekt in zijn werken elke vorm van nostalgie. Hij schilderde zijn onderwerpen zonder bijgedachten – emotioneel betrokken, maar zonder erbij stil te staan dat ze eens zouden kunnen verdwijnen. Zijn benadering kenmerkt zich door waarnemen, verwonderen en schilderend opgaan in het moment. En daarbij gaat het niet alleen om zien, maar ook om ruiken, horen en voelen. (…) In die noordelijke havenstad legt hij de menselijke bedrijvigheid vast – als havenwerker onder de havenwerkers – en de alledaagse uitzichten tegen het decor van de zee met haar eeuwig wisselende getijden. Zijn wijze van schilderen kenmerkt zich door een intens beleven, zowel mentaal als fysiek, en hij weet daarmee al die onderwerpen, waarmee hij zo door en door vertrouwd is, te bezielen.”

    “Dokwerkers, lassers, vissers, meeuwen, schroeven, rompen en ankers schilder ik op de grens van de dag en de nacht. Het leven verwijst naar de dood. Ik wil het nooit precies namaken, ik hou het graag een tikkeltje abstract. Wat ik niet mooi vind, laat ik weg. Altijd al gedaan. Het gaat mij meer om het gevoel van hier te zijn dan om het weergeven van de werkelijkheid”, laat Roos Van Ginkel weten. “Het is het mooist om op een scheepswerf of in de haven te zijn als er veel activiteit is. Als de havenmannen druk aan het werk zijn, laden en lossen, reparaties uitvoeren, herrie maken, hun troep overal neergooien, met overal die meeuwen die boven alles uit krijsen. Dat wil ik graag in mijn werk weergeven.”

    Jan Roos – op de scheidslijn van land en zee. Tentoonstelling Museum Belvédère, Oranje Nassaulaan 70, Oranjewoud. 21 februari tot en met 7 juni 2026.

    Jan Roos, Museum Belvédère
  • De werkelijkheid op dubbele afstand bij Lars van Wieren?

    Alledaagse mensen. Van die figuren die we elke dag kunnen tegenkomen en die langs ons gaan. In de winkelstraat, op het dorpsplein, langs de levensweg. Die je eenmaal ziet en dan nooit meer, maar die wel beklijven. In een soort van déjà-vu komen ze terug. Herkenbare personen, maar niet de buurman of buurvrouw. Wel alsof je ze eerder hebt gezien, hebt getroffen. Echter niet in het veld, onderweg of gaandeweg. De bekende gezichten komen van beeldschermen, reclameborden en uit tijdschriften, dagbladen. Ze komen zo vaak voorbij dat ze familiair lijken, vertrouwd zijn. Kennissen, kameraden. Geen vrienden, daarvoor is de afstand tot het bekende en beroemd-zijn te groot. Maar ze zouden wel zo op de koffie kunnen komen of bij een diner kunnen aanschuiven, proosten op het leven tijdens een intiem feestje. Mensen van alle dag, die algemeen bekend zijn, met uitgetekende gezichten.

    Tweedimensionale afbeeldingen

    Hoewel ik veronderstelde buiten de galerie nog zo’n bekend gezicht te hebben gezien, zijn de door Lars van Wieren afgebeelde mensen van een andere tijdruimte, een andere dimensie. Bekend door de droombeelden waarin ze zijn gemaakt en waarmee ze het leven kleurrijker maken. De mensen zijn wel echt, maar de personages waarmee ze worden vereenzelvigd, zijn bedacht. De figuren spelen een rol, figureren in een leven dat niet bestaat. Of althans: dat een bedachte afspiegeling is daarvan. Het zijn wordt erin uitvergroot, is grotesk opgebouwd. Deze wereld is een maakbare omgeving, die vertrouwd aandoet omdat ze zo nauw tegen de waarheid aanschurkt.

    Die gezichten ken ik dus van schilderijen, schermen en andere tweedimensionale afbeeldingen. Het is het herkennen, maar niet het weten. De gelaatstrekken merk ik op, die kan ik thuisbrengen. Maar waar die woning staat, is mij onduidelijk. Ik onderscheid iets, maar identificeer het niet. Dat is dan ook niet het doel van de schilder. Omdat de personen op bestaande mensen moeten lijken, daagt het Van Wieren uit ze te schilderen. De figuren zijn echter niet zichzelf, maar spelen een rol in de beeltenis, die een afwijkend onderwerp van de figuratie kan hebben.

    De wezenlijkheid

    Minder is de werkelijkheid het oogmerk van de kunstenaar, meer om een vreemde fantasie vorm te geven. De aan de herkenning morrelende personages spelen een spel waarvoor geen script bestaat. Ze improviseren een dialoog of zijn in samenspraak met de omgeving. Het decor is een entourage waarin niet verwacht wordt dat ze acteren. De kunstenaar ontmaskert de actie, niet om de handeling, maar om het schilderproces. De affaire is slechts een opstap, een aanleiding om zichzelf en de kijker uit te dagen. De realiteit biedt houvast, maar wordt door de samenstelling van de compositie makkelijk losgelaten.

    De kleurige schilderijen zijn expressief in opzet. De impressies hebben over het algemeen aan de werkelijkheid tegengestelde kleuren. Dit gegeven, en het feit dat er een mate van onderscheid en besef van het zijn – de wezenlijkheid – is, maken de composities tot fascinerende fantasieën. Door die tegenstelling van realisme en surrealisme, waarheid en droombeeld, blijft het enigszins flauwe thema energiek.

    Avontuurlijke voorstelling

    Van Wieren vestigt de aandacht op het rollenspel: dat de mens voor de buitenwereld vrijwel nooit zichzelf is. Dat er altijd een mate van afstand zit tussen de zichtbare figuur en het verborgen personage. Tussen het fysieke zijn en het geestelijke wezen. De werkelijkheid vanuit een ander perspectief zien, is de waarheid van deze kunstenaar. Om de realiteit heen lopen, er eens achter kijken om de voorkant duidelijker te zien. Wie de achtergrond kent, zal de schepping beter begrijpen. Voor de kunstenaar geeft een ander standpunt een scherpere blik op zijn eigen werk. Daarom brengt hij wijzigingen aan in het te verwachten beeld en zet hij de werkelijkheid naar zijn hand. Om voor de kijker de beeltenis boeiend te maken en voor zichzelf avontuurlijk.

    Hoewel Van Wieren verwacht afstand te hebben gecreëerd in zijn werken – gezien de titel van de tentoonstelling Double the distance zelfs een grote verwijdering – ontwaar ik toch een vertrouwde omgeving. Wel met een werkelijkheid die tegen de waarheid aanschurkt, maar die zo echt schijnt dat dit nauwelijks opvalt. De historische figuren zijn uit de tijd, maar Van Wieren brengt ze terug in herinnering. “De voorstellingen en figuren lijken uit een andere tijd te komen en wekken de illusie van een droomachtig tijdsbesef, waarin aandacht en concentratie zich losmaken van het heden”, lees ik thuis op het infoblad – op afstand van de tentoonstelling zelf, maar in het bezit van de foto’s die ik er maakte. En zo is het, als het daar geschreven staat: verhalend.

    Double the distance. Schilderijen van Lars van Wieren bij Afslag BLV, Minckelersstraat 11 in Heerenveen. Van 8 maart tot en met 17 mei 2026.

  • Roland Sohier ontknoopt als Maria de verwarring

    …gelukkig hebben we de foto’s nog. Was het een slotscène? Waren wij toeschouwer van de apotheose, het hoogtepunt, de ontknoping van wat de kunst van Roland Sohier voor de mensheid betekent? Het resultaat van een leven lang aanschoppen tegen de menselijke toestand? Heeft de kunstenaar zich door de jaren heen met zijn werk in teveel bochten gedraaid, zodat de kunst complex, chaotisch en verwarrend is geworden, letterlijk in de knoop geraakt? Dat een laatste expositie de ingewikkelde gewaarwording moest ontwarren. “Ontknopen is geen daad van kracht, maar van aandacht: het vraagt tijd, geduld en de bereidheid om niet meteen te begrijpen,” lees ik op de website van Galerie Larik, waar de fysieke ontknoping plaatsvond.

    Die expositie daar is nu gedaan, maar gelukkig heb ik de foto’s nog. En het is fijn dat ik het schetsboekje behorend bij de tentoonstelling door de kunstenaar kreeg toegestuurd. Want het moment mag dan voorbij zijn, de essentie is met boekje en foto’s bewaard gebleven. De knoop is daar in allerlei vormen nog aanwezig. De vraag blijft of de expositie werkelijk een ontknoping was, of dat dit voorzichtig trekken aan de uiteinden een stevige ruk in de juiste richting teweeg heeft gebracht. En blijft Sohier ageren, want de knoop beseft niet meteen dat hij is ontwart; dan blijft de verwarring.

    Een knoop in het aardse bestaan

    Op zijn website schrijft kunstenaar Roland Sohier dat hij zijn licht laat schijnen over ‘de menselijke toestand’. Zonder letterlijk te willen zijn, levert dat werk op dat getuigt van dreigend ongemak en onrust in deze tijden van verwarring. Die vita activa van de mens heeft dus de voortdurende, niet aflatende aandacht van Sohier. Het maakt zijn arbeiden, werken en handelen interessant. Op een cartooneske manier neemt hij de hoogmoed op de hak. Al diverse onderwerpen passeerden bij hem de revue, een parade die de show meermaals en op diverse plekken stal. Zijn belachelijke tekeningen en absurde schilderijen leggen een knoop in het aardse bestaan. De spanning die zijn composities in gang zetten, legt een knoop in mijn maag. Wat zie ik, en wat moet ik ermee? Ondanks de weerzin die zijn werk wel oproept door de uitgesproken aversie voor de menselijke arrogantie, blijven het vette tekeningen die iets betekenen en die ik daarom gezien moet hebben.

    Een leven lang tegen de pedanterie van het zijn schoppen, knopen maken en ontwarren, en toch geen ontknoping – alleen steeds nieuwe manieren om in de knoop te raken. Sohier is een nestor in de kunst die zijn sporen heeft verdiend. Maar hij is nog lang niet opgebrand en heeft nog voldoende stof voor beelden. De situatie in de wereld noopt hem telkens met jeugdige brutaliteit het zijn dat hem minder aanstaat, pootje te lichten. Ondanks dat hij in de groei van zijn oeuvre een duidelijk eigen stijl heeft ontwikkeld, weet hij steeds weer opnieuw te verrassen. De ontknoping zet geen punt achter zijn carrière, maar opent een deur die een ander heeft dichtgedaan.

    De menselijke toestand strikken

    Het schetsboekje, dat voor mij als herinnering aan de tentoonstelling op tafel ligt, heeft een zwarte kaft zonder opdruk, zonder verwijzing of aanduiding van herkomst. Zo onpersoonlijk als een naamloze agenda. De titel, de drager van bedoeling en intentie, is van minder belang. Het schrift kan rubriekloos in mijn bibliotheek verdwijnen. Het gaat om de inhoud; het gaat over knopen. Het toont allerlei knopen, van schootsteek tot vissersknoop, van paardenknoop tot wurgsteek, en van dubbele paalsteek tot molenaarsknoop. Het geeft voorbeelden, zodat ik zelf een Gordiaanse knoop kan leggen, een Windsor-knoop in mijn stropdas kan draaien, of mijzelf kan opknopen. Het legt verbanden tussen knopen uit diverse windstreken om de wereld en de menselijke toestand te strikken en samen te vlechten, en zo strak aan te trekken alsof het een Shibari-harnas betreft.

    Ook neemt Sohier een loopje met de knoop, zoals hij het zijn niet serieus neemt. Want de knoop kent veel betekenissen in diverse hoedanigheden. Er kan iets mee worden gesloten, het kan een verbinding zijn. Het kan een triggerpoint zijn, een nodium, een vertex. Het kan een snelheid aanduiden, een punt in de goederenstroom, en het kan een achternaam zijn. Is het een metafoor en neemt het plaats in een uitdrukking, dan staat het symbool voor een toestand: in je oren knopen, de eindjes aan elkaar knopen. Sohier geeft beeld aan nietsigheden die van levensbelang zijn voor het reilen en zeilen. De knoop geeft vastigheid, legt een verband en vervlecht de wereld.

    Met kunst knopen ontwarren

    Het schetsboekje is eveneens een herinnering voor de kunstenaar zelf, om nog eens na te gaan hoe hij tot dit thema is gekomen, wat er door zijn hoofd is gegaan en waar hij door bevlogen inspiratie uitdrukking aan heeft gegeven. Het is geen catalogus bij de tentoonstelling, maar het heeft wel dezelfde zwartgallige inslag. Galerie Larik namelijk was door Sohier veranderd in een donkere grot door vellen papier zwart te bewerken en als behang aan de muren te plakken. Aan dat gegeven geeft hij verantwoording achterin het boekje, want hij zag licht aan het eind van de tunnel. De begrafenis van paus Franciscus was voor hem de trigger tot verbeelden. In die processie kwam een wonderdadig genadebeeld naar voren met als titel “Maria die de knopen ontwart”. Het symboliseert haar vermogen om tussen God en de mensen te komen, en de complexiteit en moeilijkheden van ons leven te ontknopen.

    Niet dat Roland zich Maria meent, maar hij zag in deze toewijding wel een actueel thema. In het licht van de huidige situatie in de wereld probeert hij met zijn kunst knopen te ontwarren. De Maria zie ik in de tekening terug in het schrift, en bespeur ik in schildering op foto’s van het gebeuren. Er valt veel te ontwarren, maar sommige dingen krijgen geen oplossing. De metro in Washington en in Kuala Lumpur blijft een chaotische plattegrond. En ik probeer, net als vroeger, een kop en schotel tussen mijn handen te knopen, de eagle pose voor de spiegel na het douchen aan te nemen. Ik begrijp niets van de indian rope trick, maar heb dan ook geen slangenbezweerdersfluit. Gelukkig heb ik het schetsboekje nog, dan kan ik de verschillende knopen er eens op naslaan. Knopen die gezien moeten zijn, omdat ze iets betekenen.

    De Ontknoping. Moleskine schetsboekje van Roland Sohier. Met gedicht van Astrid Lampe en titelpagina door Johan Lubbers. Uitgebracht in eigen beheer, winter 2025.

    Roland Sohier, Galerie Larik, De Ontknoping

  • Drents Museum groot in Microkosmos

    De mens heeft altijd gejaagd en verzameld, nog vóór hij begreep waarom. Wat ooit noodzaak was, werd later verlangen. Ooit joeg de mens op dieren en verzamelde hij wat de natuur bood; later verschoof de jacht naar objecten en werd verzamelen een manier van kijken. Van overleven naar bezitten, van noodzaak naar betekenis. In jagen als actieve gerichtheid en verzamelen als behoud en ordening verenigt de moderne mens beide in de figuur van de collectioneur – een houding die haar vroegste, tastbare vorm vindt in de Wunderkammer. Een dergelijk kunst- en rariteitenkabinet is een wereld in het klein, een microkosmos. Een aantal eeuwen geleden had iedere zichzelf respecterende, meer dan gemiddeld vermogende familie een dergelijke verzameling. Die werd aangelegd tijdens reizen naar vooral het Oosten en de binnenlanden van Afrika. Maar ook in Europa was genoeg te ontdekken om als rariteit te verzamelen. Echter na de 19e eeuw raakte de wonderkamer enigszins uit de gratie en ontstonden uit dergelijke bonte verzamelingen oudheidkamers en musea.

    Drents Museum, Microkosmos, Wunderkammer, rariteitenkabinet

    Het Drents Museum, ooit ontstaan om archeologische en historische vondsten te bewaren en te tonen, besteedt aandacht aan het fenomeen Wunderkammer in een soort van afscheidstentoonstelling voor de scheidende museumdirecteur Harry Tupan. Kunsthistoricus Tupan is een verzamelaar en heeft in zijn museumtijd de collectie op alle deelgebieden fors uitgebreid: “Een levenslange zoektocht naar schoonheid en verwondering. (…) Ik doe heel veel vanuit mijn gevoel”. Als hartstochtelijk en gepassioneerd collectioneur met een fijne neus voor bijzondere voorwerpen en kunstobjecten zit je in een museum uiteraard op een droomplek. Er is een ruimte tot je beschikking waar al het verworven materiaal kan worden opgeslagen en, belangrijker, aan publiek kan worden getoond. Hoewel de inhoud van een Wunderkammer vroeger alleen geopend werd voor familie en vrienden, tegenwoordig is een museum laagdrempelig en voor iedereen toegankelijk.

    Cabinet of curiosities

    Het rariteitenkabinet is de voorloper van het museum. In die wereld waarin objecten en attributen van overal en nergens, die weinig overeenkomsten met elkaar schijnen te hebben, zijn samengebracht draait het vooral om verwondering – steeds opnieuw keert dat woord terug, schoonheid en het zonderling bijzondere van de vertoning. Het Drents Museum heeft in het bestaan meerdere van dergelijke eigenaardige tentoonstellingen georganiseerd. Het museum beschouwt deze Microkosmos als één groot kunstwerk waarin traditionele objecten uit de Wunderkammer praktijk samengevoegd worden met wonderlijke hedendaagse kunstwerken. Want het cabinet of curiosities staat weer volop in de belangstelling. Meer dan de gangbare tentoonstellingen van beeldende kunst is de verwonderkamer een belevenis op zich, daarom niet verwonderlijk dat moderne jagers en verzamelaars, hedendaagse kunstenaars, er heil in zien het onder de aandacht te brengen.

    Drents Museum, Microkosmos, Wunderkammer, rariteitenkabinet

    In het museum kan de bezoeker zich vergapen aan de opstellingen en uitstallingen, waarin de objecten zich merkwaardig genoeg natuurlijk tot elkaar verhouden. Onder de titel Microkosmos is het museum als een zoekplaat om al die schoonheid te ontdekken. De verrassend vormgegeven catalogus kan daarbij een reisgids zijn. Achtergronden van de bijzondere verzamelstukken worden gegeven, verzamelaars komen aan het woord, kunstenaars geven uitleg over hun werk en de geschiedenis van de Wunderkammer wordt belicht. De uitgave is een waar verzamelobject en een welkom naslagwerk wanneer de kabinetten van de tentoonstelling straks zijn uitgeruimd. Het Drents Museum, altijd op zoek naar de verwondering, heeft onder leiding van Harry Tupan meerdere van dergelijke bijzondere tentoonstellingen georganiseerd, en daarbij meerdere passende catalogi uitgegeven als rariteiten in de boekenkast, zoals Viva la Frida!

    Historische verzamelingen

    In de begeleidende publicatie wordt dat instinct expliciet benoemd: “Noem het menselijk instinct, noem het een drang of soms een verslaving, het zit in de menselijke natuur om te bewaren. Om te overleven, te herinneren, uit persoonlijke fascinatie of als middel om jezelf mee te presenteren naar de buitenwereld.” Lees ik als inleiding op een hoofdstuk in het boek. “Deze individuele bewaardrang was het startpunt van verzamelingen en uitzonderlijke ‘collecties’. Als instellingen gaan verzamelen, wordt er nieuwe invulling gegeven aan die drijfveer. Kennis vergaren, onderzoeken en vergelijken, maar ook financiële motieven spelen een rol.” Niet alleen het rariteitenkabinet en later het historisch museum is een middel om de wereld te ontdekken, ook in het kunstmuseum kan een tot dan onbekende nieuwe wereld worden aangetroffen. De objecten hebben een verhaal, een boodschap die nu kritisch benadert zal worden. De historische verzamelingen zijn in het verleden niet altijd op een manier verworven die een schoonheidsprijs verdient. Verzamelen is immers onlosmakelijk verbonden met commercie en handel. Maar het is geschiedenis en toont hoe men destijds de wereld bekeek en zich dacht de schoonheid ervan te mogen toeëigenen. De medaille heeft twee zijden. Er is de verwondering over de verzameling en over de manier van verwerven. De verzamelaars van toen hebben heel wat uit te leggen en excuses te maken.

    Drents Museum, Microkosmos, Wunderkammer, rariteitenkabinet

    Het boek beschrijft en de tentoonstelling toont een keur aan verzamelingen, waarbij Tupan hoopt “dat monden van mensen gaan openvallen doordat we het onbekende naar binnen hebben gehaald”. Microkosmos laat natuurlijk objecten en kunstwerken van anderen zien, maar deze wereld in een Wunderkammer is toch vooral de omgeving waarin Harry Tupan graag verkeert. Er is in de uitgave dan ook ruim aandacht voor Tupan, die na ruim 45 jaar verbonden te zijn geweest aan het Drents Museum in september 2025 met pensioen is gegaan. Daarnaast komen verzamelaars aan het woord die hem fascineren als mens, hoe ze eruit zien, zoals ze zich gedragen en zoals ze doen. Dat weerspiegelt zich in hun collecties vindt Tupan. “Eigenlijk is die collectie hun spiegel, ze zijn het.” Ze hebben de behoefte om hun wereld te ordenen en betekenis te geven aan dingen, gedreven door verwondering en nieuwsgierigheid.

    Bewondering en verbazing

    Verder komt uiteraard het verzamelen zelf aan bod, de opbouw en inrichting van de rariteitenkabinetten door de eeuwen heen. Daarin spiegelt zich tevens de eigenaar, en reflecteert de wereld en de maatschappij in de tijd dat de Wunderkammer is ontstaan. Iedere uitstalling heeft een eigen historische waarde, de persoonlijke beleving van degene die het heeft samengesteld. Vooral het vervreemdende en het exotische trok en trekt nog altijd de aandacht. Het is fascinerend te zien wat men zoal belangrijk vond om te verzamelen.

    Drents Museum, Microkosmos, Wunderkammer, rariteitenkabinet

    Behalve het oproepen van bewondering en verbazing droegen de rariteitenkabinetten ook bij aan kennisvermeerdering en praktische toepassing. Het waren niet slechts bonte collecties bijeengebracht van over verre grenzen, maar deze bevatten tevens talloze meestal merkwaardige verhaallijnen. Het schijnt dat alles wat bij wijze van spreken los en vast zat werd verzameld. Van de kleinste schelp tot de grootste krokodil en alles wat daar als artificialia en naturalia tussen zit. De inhoud van een dergelijk kabinet, dat inderdaad begint als kast met laden en bij uitbreiding van de collectie uitgroeit tot een volgestopte ruimte, is een verzameling objecten die niets met elkaar te maken lijken te hebben. Echter zijn de voorwerpen met zorg uitgekozen: voor wat ze waard zijn, voor de herinnering die ze bij zich dragen, of wat ze voor de toekomst of het verleden betekenen. Voor de verzamelaar heeft het een persoonlijke betekenis. De buitenstaander kan zich er kostelijk mee vermaken.

    Kunstenaar is ontdekkingsreiziger

    De Wunderkammer staat opnieuw in de belangstelling en hedendaagse kunstenaars houden zich er op een moderne manier mee bezig. De klassieke Wunderkammer gaat over exclusiviteit, tegenwoordig juist over inclusiviteit. Pronkte men eertijds met zeldzame voorwerpen, nu worden kunstobjecten gemaakt van alledaagse materialen. Zo verschuift de aandacht maar blijft de verwondering het toverwoord. Het weerspiegelt een diepgewortelde menselijke fascinatie voor verzamelen, ordenen en bewaren. Het is niet slechts een etalage van exotische curiosa, maar een kritisch podium waarin vragen over duurzaamheid, kennis en macht worden gesteld. Een spiegel van de tijd waarin we leven. De kunstenaar is ontdekkingsreiziger en vindt andere manieren om met bestaande materialen nieuwe verhalen te vertellen. De Wunderkammer is volwassen geworden. De jagers en verzamelaars uit het verleden zijn in het heden nog altijd op zoek naar rariteiten om collecties aan te leggen. De wereld verwondert zich.

    Microkosmos, de wereld in een Wunderkammer. Publicatie ter gelegenheid van de gelijknamige tentoonstelling in het Drents Museum. Van 7 september 2025 tot en met 1 maart 2026. Waanders Uitgevers / Drents Museum, 2025.

    Drents Museum, Microkosmos, Wunderkammer, rariteitenkabinet
    Drents Museum, Microkosmos, Wunderkammer, rariteitenkabinet
  • Griendenvangst-serie hoogtepunt oeuvre Joensen-Mikines

    Om een andere reden was ik in Museum Belvédère. Maar omdat ik er toch was liep ik nog snel door de hoofdtentoonstelling in de oostvleugel. Een korte blik kon nog net voor sluitingstijd op die dinsdagmiddag. Door de landschappen en zee-schilderijen welke ik op mijn ronde zag kreeg ik een eilandgevoel, maar niet meer dan dat. Gecomponeerd met impressionistische tonen laten ze welhaast expressionistisch het licht en de ruimte van in dit geval de Faeröer Eilanden zien. Ze linken losjes aan het werk van Noord-Nederlandse landschapschilders die in de collectie van dit museum zijn vertegenwoordigd. Maar waar mijn oog op viel en wat mijn blik onwillekeurig vasthield waren de dynamische indrukken van de traditionele griendenvangst. Laat ik de andere schilderijen in het oeuvre aan mij voorbij gaan, deze bloederige en wonderbaarlijke visvangst zal beschreven zijn.

    Always the sea

    Waar hebben we het over. Ik bezocht op de valreep de eerste solotentoonstelling in Nederland van Sámal Joensen-Mikines. Met als titel “Always the sea” is de zee een belangrijke inspiratiebron voor deze op de Faeröer Eilanden geboren schilder. Hij is zonder twijfel de kunstenaar die de Faeröer op de kaart van de moderne schilderkunst heeft gezet. Naast de zee als onderwerp waren tevens bijzondere en gangbare momenten op de eilanden een bron en de stille landschappen die de ruigheid van de omgeving tot in de kleinste penseelstreek vastleggen. Wat door al deze werken heen voelbaar is, is een constante spanning tussen mens en natuur, tussen kwetsbaarheid en kracht, tussen ritueel en persoonlijke ervaring. Zijn schilderijen zijn nooit alleen maar illustratief of gedocumenteerd; ze zijn reflecties op het leven zelf, op de stilte en het geweld, op de schoonheid en het onverbiddelijke karakter van een eilandgemeenschap die haar lot deelt met de zee en de wind.

    Naast de landschappen en zeegezichten, waar de ruime stilte de boventoon voert, spat de rumoerige levendigheid van de griendenvangst-serie af, waarop ik in de tentoonstelling stuitte. Het zette meteen mijn beschouwing op scherp. Het bloed spettert in het rond, de composities kleuren rood. Het is een dynamisch spel van lijven en lichamen, dier en mens in een strijd op leven en dood. De vissen worden in het nauw gedreven en kunnen geen kant op, ze worden bij bosjes afgeslacht.

    Hoewel het een traditionele visvangst betreft is het bij de beesten af. Het openbare abattoir, de natuurlijke slachtplaats, is expressief door Mikines afgebeeld, verbeeld. Je ruikt als het ware angstzweet, hoort gegil door bloedvergieten, voelt geweld en proeft sfeer. Waar Mikines in het verstilde werk impressionistisch overtuigt, zet hij in deze serie expressionistisch krachtig zijn handtekening.

    Griendenvangst

    Waar gaat het over. De griendenvangst is een traditie op de Faeröer voor de eilandbewoners om te overleven. Het ritueel begint vaak onopvallend, met een melding langs de kust en een lichte onrust in het dorp. Op zee vormt zich een langzame beweging: boten die geen haast hebben, maar doelgericht varen. In het water tekenen zich de donkere lichamen af, grienden die dicht bij elkaar blijven, zoals ze dat altijd doen. Hun vertrouwen in de groep wordt hun leidraad richting land. De baai opent zich als een natuurlijke kom. Het water wordt stiller, ondieper, en de zee lijkt haar ruimte langzaam prijs te geven.

    Wat daar gebeurt is geen jacht in de gebruikelijke zin, maar een handeling die zwaar leunt op gewoonte en collectief geheugen. Mensen werken samen, zwijgzaam, met een ernst die verraadt dat dit meer is dan voedsel alleen. Wanneer het voorbij is, keert de rust terug. De zee sluit zich weer, de baai draagt de sporen nog even met zich mee. Het vlees wordt verdeeld, zonder handel of winst, van hand tot hand. Voor sommigen is het een noodzakelijk ritueel, voor anderen een hard en pijnlijk schouwspel. Zo blijft de griendenvangst bestaan: als een plek waar traditie, natuur en morele twijfel elkaar raken.

    Het geweld van de jacht

    In deze serie komt alles samen wat Mikines drijft tot schilderen: de gemeenschap, die zich buigt onder de wetten van overleven; de kwetsbaarheid van leven; en de brute kracht van de natuur. De mensen verdwijnen in de massa. De grienden verdwijnen mee, lossen op in een abstracte verbeelding die werkelijkheid is. De kleuren in deze serie dragen de emotie op een bijna fysieke manier. Het bloedrode water contrasteert scherp met het loodgrijs van de zee en het donkerblauw van de lucht. Het dwingt mij om stil te staan bij het gewicht van de gebeurtenis die is afgebeeld. Het geweld van de jacht wordt niet verheerlijkt, niet geromantiseerd. Mikines’ penseelstreek, ruw en soms onverwacht in felheid, versterkt een gevoel van afkeer en tegelijk heeft het een bepaalde schoonheid. Het magnetiseert mijn blik, steeds moet ik terug kijken, telkens houdt het mijn aandacht. Ik zal nog eens terug gaan, weer zien. Nog eens de tentoonstelling bezoeken. Zolang het kan.

    Wat Mikines’ werk zo aantrekkelijk maakt, is de manier waarop hij het individuele en het collectieve tegelijk laat zien. Zijn mensen zijn geen helden, de grienden geen symbolen; alles is onderdeel van een groter geheel, alles staat met elkaar in verbinding. Het is geen verhaal, geen verslag, geen beschrijving van een ritueel; het is een ervaring die ik meeneem, me laat voelen wat het betekent te leven in een wereld waarin de natuur groter is dan de mens, en waarin traditie en overleven onlosmakelijk verbonden zijn. Dan kijk ik nog even om de hoek naar de stille baai, het verstilde landschap. En zie ik de schilder model staan voor zijn inspiratie. Voel ik zijn fascinatie voor dat water, voor dit land, voor deze natuur. Begrijpelijk.

    Sámal Joensen-Mikines, Always the sea. Tentoonstelling Museum Belvédère, Oranje Nassaulaan 12 in Heerenveen-Oranjewoud. Tot 8 februari 2026.

  • De Deelen volgens Kuitwaard en Van Dijck

    Dacht ik in het boek het silhouet van Sjoerd de Vries in een werk van Christiaan Kuitwaard te ontdekken (Zie “Natuurgebied De Deelen weergegeven in veertig schilderijen). Een schaduw mijmerend de moerasbosjes en petgaten beschouwend. In de tentoonstelling op dit moment bij Museum Belvédère waart de geest van wijlen Sjoerd inderdaad voelbaar door Christiaans schilderijen en daarbij de werken van Bruno van Dijck. Het boek was er eerder dan de tentoonstelling. Echter met het bezoeken, bezien en bewerken van de inspiratie, bron van bezieling, is het allemaal begonnen. Nadat Kuitwaard en Van Dijck elkaar tijdens een eerdere presentatie in Belvédère ontmoetten en het klikte qua leven en werken. De overeenkomst komt tot uiting op de omslag van het boek met geschilderde impressies van het natuurgebied. De werken lopen naadloos in elkaar over, dragen eenzelfde karakter en bezitten een eendere sfeer.

    Die uitgave is een handzaam in harde kaft gevat boekje, niet groter in afmeting dan de werken zelf. De inhoud besprak ik een half jaar geleden en was bijzonder benieuwd naar de latere presentatie in het museum. Om de werken in het echt te zien, de verf te kunnen ruiken, de penseeltoets en krijtstreep te kunnen aanvoelen, de sfeer te proeven, het gevoel te krijgen die de mannen in De Deelen hadden. Want ze zijn ter plaatse gegaan om de stemming te ervaren die Sjoerd dus voor hen had, en Evert en Jelle en Willem hadden. En de bron waaruit nu nog Jan Snijder put. Niet dat ik de karakteristieke rietkragen zal ontdekken, die Sjoerd bij leven en welzijn in boekomslagen heeft gekrast. Of de paling opmerk waarvan Evert het vel gebruikte om te beelden. Ik zie niet de dauw over de velden, de nevel tussen de struiken, de witte wieven van Willem. Ieder mens, en in dit geval elke kunstenaar, die het gebied in trekt heeft daarvan een andere beleving.

    Broeders in de kunst

    Voor de tekst in het boek ging Han Steenbruggen naar het natuurgebied dat hij voordien enkel kende van het werk van de Deelenschilders en het boek dat Thom Mercuur ooit samenstelde over De Deelen. Hij dompelde zich in het licht van voorjaar en najaar, dat strijklicht dat de vegetatie welhaast van onderen belicht alsof het spelers op een toneel zijn, voor het voetlicht. Vooral dat vroege en late schijnsel is in dit gebied belangrijk. Het maakt en breekt de sfeer. Meest in dageraad en schemer, lente en herfst, tekent de natuur het leven langs de rietkragen en tussen de struiken. Is het boek nog opgedeeld naar kunstenaar, in de tentoonstelling worden de werken in relatie tot elkaar getoond. Vallen de overeenkomsten en tegenstellingen in benadering van de werkelijkheid beter op. Het een kan in het ander schuiven, maar valt er niet als blauwdruk overheen.

    De broeders in de kunst Bruno en Christiaan waren daar in De Deelen in het voorjaar van 2023 voor een week, deden en plein air inspiratie op langs boorden, in velden en op plassen. Bruno nam zijn bevindingen mee naar het atelier in Zoersel bij Antwerpen, maar Christiaan ging vanuit zijn werkplek in Oldeberkoop nog vaker terug op andere tijdstippen van het jaar en momenten van de dag. Want mei bleek toch niet de geëigende maand te zijn om de stemming van gele rietkragen en diep zwart water te vatten. Daarvoor was de herfst het juiste jaargetijde. Het moment dat de natuur zichzelf afbreekt om opnieuw te kunnen beginnen. Zich te ruste legt om in winterslaap te gaan en uitgerust en lentegroen een volgend jaar aan te vangen. Het strijklicht van de lage zon door de maanden waarin de r zit geeft het waterrijke landschap een bijzondere kleur en uniek karakter. Tinten die op andere momenten nauwelijks worden gehaald, of het zal de schemer zijn, het ogenblik dat de dag door de nacht breekt en andersom.

    Vertalingen van de werkelijkheid

    Over zijn beleving op verschillende momenten in het natuurgebied schreef Han Steenbruggen een drietal essays voor het boek met schilderijen van De Deelen. De publicatie, simpelweg als “De Deelen” betiteld, bevat een veertigtal kunstwerken van Van Dijck en Kuitwaard, plus nog enkele sfeerfoto´s van het gebied en de kunstenaars aan het werk. De tentoonstelling is een ruime keuze uit deze serie. In beelden vatten de schilders de werkelijkheid samen, in teksten recapituleert de schrijver zijn bevindingen. In de tentoonstelling zijn die beeldende bewoordingen niet verwerkt, de catalogus dient als leidraad en richtsnoer. Wegwijzer om het gebied eens te bezoeken en de plekken die de kunstenaars visueel beschrijven te ontdekken.

    Het is bijzonder te ervaren hoe twee kunstenaars op dezelfde plek tot diverse vertalingen van de werkelijkheid komen. En toch zo goed op elkaar inspelen en aansluiten. In de eigen stijl en op de persoonlijke manier met enige invloed van de ander heeft het duo boeiende sfeerbeelden gemaakt. De omgeving is vooral landschappelijk en horizontaal bekeken, maar deze vlakheid verdiept zich en vindt grond in stil water. Er is geen leven nog van vogels en insecten. De kunstenaars hebben geen oog voor langstrekkende snelle bewegingen van opvliegende ganzen en zoemende bijen. De blik kleeft aan het struikgewas en het kabbelende water. De tijd is op het meest sprekende en karakteristieke moment stil gezet, bevroren en geportretteerd. De verfhuid is wel bewerkt met de achterkant van het penseel of het zwart van houtskool om beweging te suggereren. Het trekt lijnen door de sfeer, geeft contour aan het gevoel.

    Kalm in beweging

    Kuitwaard geeft dan het licht ruimte in zijn werk, waar Van Dijck zich richt op beweging. Het stille water spiegelt de tonen van het voorjaar. Leliebladeren liggen als een school vogels op dat water. Hoewel dit liquide oppervlak zich monumentaal in het portret uitspreidt, het egaal en ongerimpeld over de drager ligt, is de verfhuid kalm in beweging. Met subtiele verfvegen weten de schilders dynamiek te brengen in de stille gelatenheid. Het is niet een opvliegende gans die gakkend de stilte doorbreekt, maar de wind die het water doet golven in de vroege ochtend. Vooral dat tijdstip van de dag maakt de stemming, bouwt de sfeer. In latere uren is die magie in werkelijkheid verdwenen, maar voegen de schilders deze in abstractie aan hun werk toe.

    De mannen zijn er niet tijdens de hardvochtige en te zonlichte zomermaanden. De tijd waarin de mens tot leven komt, maar de natuur in stemming omslaat. Het hoogtepunt van de dag is ook niet het middaguur, wanneer de zon op het hoogste punt staat en elk contrast vervaagt. Een dag is als een jaar, met eenzelfde afwisseling van seizoenen. De uiterste sfeer is er in de vroege morgen en het begin van de avond, in het voorjaar en het najaar. Bij uitspruiten en afsterven. De bloei is daarentegen hoewel in schoonheid op het toppunt het minst tot de verbeelding sprekend.

    Sereen landschap

    De kunstenaars geven vooral de stilte van en in dit gebied een plek. In de schilderijen ritselen bladeren en rimpelt water. Terwijl op de achtergrond het verkeer over de snelweg raast is serene rust en welkome eenzaamheid in deze natuur ter plaatse te ervaren. Wie De Deelen bezoekt of heeft bezocht zal dit beamen. Dit vredig zwijgen van de ooit door mensenhanden gemaakte omgeving is te doorvoelen in de schilderijen van Bruno van Dijck en Christiaan Kuitwaard. Zij portretteren een gebied waar de natuur weer bezit van heeft genomen nadat de mens het heeft verlaten. De petgaten herinneren nog vaag aan de modderige landarbeid van turfstekers. De natuur heeft teruggenomen wat het eerder is ontnomen.

    Waar Kuitwaard de rust figureert en de kalmte vorm geeft in een sereen landschap, daar vat Van Dijck het moment op detail en bemerkt het wateroppervlak een zojuist opgevlogen eend. Die beweging valt nog af te lezen in de geschilderde impressies, hoewel de sfeer alweer rust ademt. Kuitwaard is een bedaarde schilder die gelaten en beheerst de omgeving met zijn penseel beschouwt. Van Dijck heeft een wildere toets, berustend expressief. De composities zijn spontaan overdacht, immers de schetsen van ter plaatse gemaakte inbeeldingen zijn de grondslag voor de uitwerking. In de verftoets moet later de eerder ervaren sfeer opnieuw worden opgeroepen. De tijd heeft het beeld getekend, de herinnering kan andere gedachten de ruimte geven. Daarom geeft Van Dijck in zijn werk de abstracte emotie een plek, waar Kuitwaard de realiteit vorm geeft. Zo sluit het werk op elkaar aan. Is het ene complementair aan het andere. Richt de Vlaming zich op het detail, waar de Fries het grote geheel ziet. “De Deelen” is een geschilderd document van een bijzonder landschap.

    De Deelen. Christiaan Kuitwaard & Bruno van Dijck. Schilderijen van een natuurgebied. Tentoonstelling bij Museum Belvédère, Oranje Nassaulaan 12 in Heerenveen – Oranjewoud. Van 28 juni tot en met 21 september 2025.

  • Soulmates: het gevoel van thuiskomen

    Intussen is duidelijk dat particuliere verzamelaars een essentiële schakel zijn in de kunstsector”, schrijft Henri Swagemakers in het boek dat zijn collectie fotografie als onderwerp heeft. Het boek is de catalogus bij een tentoonstelling van deze deelcollectie in Stedelijk Museum Breda: Soulmates. Er kan worden gesteld dat zonder verzamelaars musea nauwelijks bestaansrecht hebben. Musea zelf hebben amper financiële middelen om het hoofd qua uitbreiding van de aangelegde verzameling te kunnen bekostigen. Men is aangewezen op fondsen, sponsoren èn verzamelaars. Niet alleen particulieren verzamelen, ook bedrijven en instellingen als banken leggen een kunstcollectie aan. Ook worden er musea gesticht om een verzameling onderdak te bieden, daarvan bestaan in Nederland diverse voorbeelden. Swagemakers zegt over de verzamelaar als schakel: “Voor galeries om te verkopen, voor kunstenaars om geld voor hun werk te ontvangen en bekendheid te verkrijgen, voor musea als bron van bruiklenen voor tentoonstellingen en om al dan niet door schenkingen en legaten hun collecties te versterken.

    Kunstbeleving een visueel gebeuren

    Op de planning van musea worden het tonen van verzamelingen meermaals ingevoegd. Dat is een goede zaak, zodat onderdelen van de collecties niet ongezien in kluizen verdwijnen. Dat de kunst kan bekeken worden en zichtbaar blijft, want de kunstenaars hebben hun werk voor het licht gemaakt – niet voor de duisternis van het depot. Het is een kwestie die meerdere malen op het bordje bij Swagemakers terecht komt: “Vind je het niet jammer dat niemand anders het door jou gekochte werk nog te zien krijgt?” Maar hij dient van repliek door te stellen dat musea per jaar 4 procent van hun bezit tonen. Het kan zelfs zo zijn dat sommige stukken nooit meer worden geselecteerd om publiekelijk te laten zien, omdat deze in geen enkele opstelling passen. Swagemakers vindt het overigens een vreemde vraag, die nooit gesteld wordt aan een rekeninghouder met een groot financieel bezit: “Vind je het niet jammer dat je zo veel geld hebt waar je niets mee doet?” Geld hoeft niet gedeeld te worden met derden, kunst kennelijk wel.

    Voor oud-advocaat Henri Swagemakers is kunstbeleving in de eerste plaats een visueel gebeuren. Het zien optimaliseert de beleving, het hebben maakt die ervaring mogelijk. Hij is een liefhebber die zich graag omgeeft met kunst en daar de financiële middelen voor heeft. Hij koopt voornamelijk werk van jonge kunstenaars die nog niet in de belangstelling staan, nog niet bekend zijn als zodanig. Het voordeel daarvan is dat deze nog niet aan de prijs zijn, en hij helpt door de aankoop de kunstenaars op weg. Veelal blijkt later dat zijn aanschaf een goede keuze was, omdat het werk in waarde is vermeerderd en de kunstenaar naam heeft gemaakt. Echter van een belegging is bij Swagemakers geen sprake, hij koopt kunst omdat hij een liefhebber is. Wat in zijn collectie komt blijft daar, hij verkoopt nauwelijks door. “Het verwerven van kunst is vooral emotie”, vindt hij. “De beslissing iets te kopen maakt het spannend. Het werk moet me iets doen, het mag mooi of bizar zijn of wat dan ook. Het werk moet een gevoel oproepen, daar gaat het om.

    Swagemakers Collection

    De werken in ‘Soulmates’ roepen een gevoel op, niet enkel bij Swagemakers als bezitter maar ook bij mij als toeschouwer. De fotografie in de Swagemakers Collection heeft voornamelijk het menselijk figuur als onderwerp. De verschijning van de mens op de gevoelige plaat is daarin een rode draad. De scenes zijn samengesteld in de studio of op een plek in de buitenruimte waar het kunstfoto’s betreft. Maar ook zijn er gedocumenteerde platen bij die onderweg zijn geschoten in binnen- en buitenland, waarbij het toeval door de lens is gestuurd. In het analoge tijdperk kunnen afdrukken tijdens het proces of achteraf geretoucheerd worden, dit betreft dus het klassieke handwerk. Bij de digitale fotografie worden foto’s bewerkt op de computer en daarna geprint, tot op de pixel precies kan gewerkt en aangepast worden. Als het ware wordt de fotograaf een schilder en is de werkelijkheid getransformeerd tot fantasie. Hoe de uitwerking van AI ofwel kunstmatige intelligentie op de kunstfotografie zal zijn valt af te wachten. De kunstenaar vindt wel weer een weg daarin en zal het naar zijn of haar hand kunnen zetten, hoewel het computersysteem menselijke vaardigheden nabootst: aanleren, redeneren, anticiperen en plannen om zichzelf automatisch bij te sturen.

    Conservator Marjolein van de Ven is trots een selectie van de bijzondere fotoverzameling in Stedelijk Museum Breda te kunnen tonen. Zij verhaalt in haar voorwoord in het boek over haar bezoek aan Swagemakers en op welke manier de verzameling van schilderijen en tekeningen tot stand is gekomen. De nadruk kwam pas later op de fotografie te liggen, wanneer kunstenaars dit medium steeds vaker in hun werk gebruiken. Daarnaar gaat in eerste instantie de interesse van Swagemakers uit, maar al snel komen ook de traditionele fotografen bij hem in beeld. “Intussen is het medium niet meer weg te denken en omvat zijn collectie fotografisch werk in uiteenlopende stijlen en technieken van circa zeventig kunstenaars”. De grenzen vervagen tussen genres. Met name eigent de mode-industrie zich steeds meer de beelden van de kunst en de kunstfotografie toe.

    Bijzondere fotoverzameling

    In het boek bladerend maak ik een reis door de collectie van Henri Swagemakers. Ben ik onderweg langs de weg van de werkelijkheid die zich aldus voordoet en zoals gezegd kunstzinnig is gecomponeerd. Door een eigenzinnig standpunt in die realiteit te kiezen kan dat zijn worden vervormd tot een beeld dat boven de waarheid zweeft. Dat ik mijn fantasie moet focussen om de voorstelling te begrijpen. Achter de zichtbare echtheid schuilt dikwijls een verborgen verbeelding. De werkelijkheid speelt een spel op het wereldtoneel, het theater van de inbeelding. De fotograaf stelt scherp op het visioen in de coulissen om daar zijn of haar verhaal mee te doen. Wat ik zie is niet het oogmerk, maar wat ik voel is het objectief. De fotograaf probeert mijn emotie te kietelen om wat ik ervaar anders te beleven, mijn hongerende ogen de kost te geven en mijn dorstige blik te laven.

    Kunstwerken zijn als soulmates

    Ook de opkomst van digitale media en de kneedbaarheid van de fotografie door de snelle technologische ontwikkelingen gaat niet aan Swagemakers voorbij”, schrijft Van de Ven en  noemt enkele voorbeelden daarvan op. Deze maken zichtbaar dat de verzamelaar “volgt wat er in de kunstscene gebeurt en met zijn aankopen inspeelt op de ontwikkelingen waar hij affiniteit bij voelt. (…) Tijdens het maken van keuzes vertrouwt hij sterk op zijn intuïtie.” Met elk werk voelt Swagemakers een sterke verwantschap of aantrekkingskracht en in elk werk herkent hij iets van zichzelf. De kunstwerken zijn als soulmates, het voelt voor de verzamelaar als thuiskomen, samenkomen in de ziel. “De werken uit mijn collectie zijn in de loop der jaren door mij als het ware ontdekt en daarna uitgekozen”, voegt Swagemakers toe. “Zo heb ik (…) bereikt dat ik me kan omgeven met kunstwerken die ik fantastisch vind.

    Het boek toont naast enkele zaaloverzichten van de tentoonstelling op een aantal bladzijden nog thumbnails van andere werken uit de collectie, waar onder meer het Schuilnest van M.C. Escher en het Zelfportret van Jan Mankes het meest opvallend zijn. En nog een aanbeveling tot slot: “Ik hoop dat elke lezer van deze publicatie, maar vooral ook elke bezoeker van de tentoonstelling zich de ogen uitkijkt en geniet zoals ik geniet van het resultaat van mijn gesprokkel!” Want kunst hoort niet in mappen opgeborgen en achter gesloten deuren in depots te schuilen, kunst moet gezien en beleefd worden. Met “Soulmates” doet Stedelijk Museum Breda een verwoede poging en draagt Swagemakers daartoe een steen bij. Kijken dus! En genieten!

    Soulmates – Swagemakers Collection. Tekst Marjolein van de Ven, Henri Swagemakers. Catalogus bij tentoonstelling fotografie in Stedelijk Museum Breda (t/m 16 maart 2025). Uitgave VanSpijk [photo] Artbooks, 2024.

  • Verdwalen in monumentale tekenkunst bij Museum MORE

    Hantsjes op ‘e rêch”, zei ik tegen mijn zoontje van 6 wanneer wij een warenhuis of museum bezochten. Hij was een jonge onderzoeker en keek het liefst met zijn handen. “Handjes op de rug”. Kijken met de ogen, niet met de handen. Dat is sowieso een voorwaarde bij kunst in een museum, of werken op een andere plek tijdens een tentoonstelling. Hoewel ik net als mijn zoon toen, hij is nu 37 en houdt zijn handen thuis, soms wel graag wil voelen. Vooral langs de rondingen van een beeldhouwwerk. Maar ook de huid van een schilderij. Om te weten op welke manier iets tot stand is gekomen. Om de structuur van de inspiratie te ondergaan, de emotie van het scheppen te doorvoelen. Meer te kennen dan alleen het beeld te zien. Een vinger achter de oorzaak te krijgen, het waarom van het bestaan van het kunstwerk te bevatten. Het devies is echter alleen kijken, aanraken niet. En kan ik mijn aandrift niet bedwingen en beweegt mijn vinger naar het werk, dan hoor ik “hântsjes op ‘e rêch!”. Ofwel wijst mij een suppoost terecht: “meneer, wilt u niet aan de werken komen”.

    In de tentoonstelling “Size Matters” in Museum MORE is het zeker af te raden de monumentale tekeningen aan te raken. Al zou ik ze wel willen bevoelen om te onderzoeken waarmee ik te maken heb. De tekeningen zijn zo groot dat deze mijn blik in zich opnemen. Bezit nemen van mijn ervaring. De afgebeelde ruimte kan ik bijna fysiek betreden en er met de ogen in rondlopen. Bij sommige installaties is dit ook daadwerkelijk mogelijk en wordt ik geconfronteerd met evenbeelden, nabeelden en oerbeelden. De werken nemen compromisloos de ruimte in en eisen mijn aandacht op. Van tekeningen op meterslang papier of doek tot video-animatie en ruimtevullende installaties. Doordat ik door de grootte onderdeel wordt van het kunstwerk, het mij opneemt als speler in het geheel, zal ik mijn omgeving willen gaan aanraken. De huid van de getekende mensen, de bast van planten, de structuur van gebouwen, de pels van dieren. De museale afmetingen, het gedetailleerde karakter, de massale afbeeldingen – deze komen hard binnen, veelal mede door het onderwerp dat ze aansnijden.

    Geen snelle ontwerpen op schetspapier

    Het maken van een tekening is al langer een autonome kunstvorm. Was het tekenen eerder een schetsen voordat het resultaat, de schildering bijvoorbeeld, in beeld werd gebracht; tegenwoordig is het een volwaardige op zichzelf staande uiting. Het materiaal leent zich ertoe om groot formaat dragers te ‘beschrijven’. Met potlood en krijt kunnen fragmenten en onderdelen tot in finesse worden uitgelicht. De tekening is geen schets, maar een tot op de kleinste bouwsteen uitgewerkte afbeelding. Doordat er zo fijn gewerkt kan worden heeft de tekening wel de uitstraling van een fotografisch beeld. En dat zal ik dan willen voelen, het doorgronden, er kennis van nemen.

    Geen snelle ontwerpen op schetspapier om de grootte, breedte en hoogte van het voornemen, de begeestering in de vingers te krijgen. Maar op de vierkante centimeter miniem en beduidend uitgewerkte inspiraties. Met actuele onderwerpen die op deze manier sterk aanspreken. Voor een deel is de fotografie aanleiding, vormen foto’s het startpunt om een thema te peilen en te ontrafelen. Kunnen bestaande indrukken onderdeel zijn van een fantastische en futuristische uitdrukking. Het is kunst om in te verdwalen, om jezelf in te verliezen.

    Potlood en krijt basis handmatig werken

    De catalogus bij de tentoonstelling geeft inzicht in de achtergronden van de werken en de inspiraties van de makers ervan. Het laat op handzaam formaat de monumentale werken zien. Voor de echte beleving is het zaak de tentoonstelling in het museum te bezoeken. Dan kan ik effectief en wezenlijk onderdeel uitmaken van de werken. Kan ik mij er tussen begeven en me erdoor laten overweldigen. Deze kunst, tot en met 2 februari 2025 getoond in de zalen van Museum MORE, geeft een bijzondere ervaring wanneer het live wordt meegemaakt. Door in de ruimten te zijn overkomt mij de ruimte van de tekening. En krijg ik oog voor de uitzonderlijke aard van dit fenomeen in de kunst.

    Was de tekenkunst eerder intiem, niet met de bedoeling openbaar te maken maar op te bergen in ladekasten, een medium dat de beschouwer het dichtst bij de kunstenaar brengt. Tegenwoordig zijn in de tekeningen nog aldoor de persoonlijke gedachten en het handschrift er het meest in vergelijking met andere uitingen in te herkennen. Dat wist het grote formaat waarop gewerkt is niet uit. Nog altijd is het potlood en het krijt de basis om handmatig te werken. En zelfs wordt de materie wel met de vingers tot een beeltenis gevormd. In de tekening zit de kunstenaar, omdat er niets tussen hem/haar en de drager staat. “Een tekening is de meest directe vertaling van het hoofd via de hand”, schrijft cultuurjournalist Edo Dijksterhuis in zijn essay in de catalogus. “Een tekening kan de essentie van de gedachte waarop hij is gebaseerd benaderen maar nooit helemaal omvatten. (…) Kunstenaars blijven vooral kunst maken omdat ze telkens net niet te pakken krijgen wat hen voor ogen staat. En die worsteling is in geen medium zo zichtbaar als in tekenkunst. Een tekening laat zich lezen als een logboek van handelingen.” Dat logboek wil ik lezen, met de vingers langs de regels gaan, het schrift aanvoelen. De handelingen meten en doorzien.

    Dichter bij de finesses van de tekening

    Een groep van 28 kunstenaars uit binnen- en buitenland hebben de samenstellers van de tentoonstelling aangetrokken om hun werken te laten zien. In de catalogus lichten artistiek directeur Maite van Dijk en senior conservator Marieke Jooren het idee om een grote tentoonstelling te maken over hedendaagse monumentale tekenkunst toe. De kunstenaars zelf laten zich citeren omtrent hun liefde voor tekenen. “Wat ik zie, wordt pas echt wanneer de lijn van mijn pen het heeft verkend; alles wat ik tegenkom wordt gevat in de lijnen die ik teken”, is opgetekend uit een gesprek met Anne Muntges. “Het werken op groot formaat brengt me dichter bij de finesses van de tekening.” Andere tekenaars voelen ook dat het is alsof ze binnen een zelfgeschapen wereld stappen en daarin meteen elk detail kunnen doorgronden. Door zo dicht op het werk te zitten kan de essentie van het onderwerp worden verkent en onthult. “Een groot formaat heeft als voordeel dat je objecten op ware grootte kunt tekenen”, vindt Levi van Veluw. “Het lijkt alsof je door een venster kijkt naar een andere dimensie. (…) In een tekening is alles mogelijk, er zijn geen natuurwetten. Het grote formaat helpt om de illusie van het getekende tafereel te verwezenlijken.

    Fysieke ‘opponent’

    Niet alleen maar wel veelal werken de kunstenaars zonder toevoeging van kleuren in hun werken. Door zwarten en grijzen op de witte drager aan te brengen krijgt de tekening een vervreemdend karakter. Dan is er geen afleiding door kleur. Het staat buiten de werkelijkheid, maar maakt er toch onderdeel van uit. Worden kleuren aan de tekening toegevoegd komt het beeld terug in de realiteit, maar spiegelt zich in een surrealiteit. Wat ik zie lijkt werkelijkheid, maar is fantasie – een gedachte met de waarheid als basis. De grens tussen werkelijkheid en verbeelding vervaagt. Raquel Maulwurf: “Ik teken met houtskool, één van de oudste kunstenaarsmaterialen. Dankzij verkoold (dus vernietigd) hout kan ik hele werelden tot leven brengen: creatie uit destructie. De reductie tot zwart-wit stript het beeld van overbodige franje.

    De tekening wordt door de grootte een fysieke ‘opponent’ voor zowel de maker als de beschouwer”, dwaal ik in de microscopische verwondering van Hans de Wit. “Lichaam en geest raken overrompeld.” Het op afstand kunnen overzien van het geheel en het van dichtbij ervaren van motieven, detaillering en structuren zijn in zijn werk essentieel, “net als de tegenstrijdige gevoelens van bijvoorbeeld aantrekking en afkeer. Hierbij speelt ook het manipuleren van de natuurlijke schaal van de motieven een rol.” Die manipulatie van de blik, het oog om te dolen, zie ik terug in de meeste van de andere werken. Het is een bijzondere ervaring de monumentale tekenkunst live bij Museum MORE en later thuis via de catalogus “Size Matters” te bekijken. In de tentoonstelling houd ik krampachtig mijn handen op de rug en laat mijn blik verdwalen in de getekende verhalen.

    Size Matters. Monumentale tekenkunst nu. Monumental drawing now. Voorwoord Maite van Dijk. Teksten Marieke Jooren, Edo Dijksterhuis. Uitgave WBOOKS Zwolle in samenwerking met Museum MORE Gorssel, 2024.