Tag: Thom Mercuur

  • Museum Belvédère 20 jaar: en verder…

    De jongensdroom is geen bedrog

    De kleine Thomas ging de deuren langs met zijn zelfgemaakte kijkdoos. Voor een stuiver mocht je door het gat kijken naar een landschap. Dit was zijn eerste museum. De grote Thom zet een kijkdoos in de bossen van het Friese Oranjewoud. Binnen laat hij zijn smaak in de moderne en hedendaagse kunst zien. Buiten past de natuur in zijn beeld: water, riet en veen, de uitgestrekte bossen. In dat landschap bracht Thom Mercuur zijn jeugd door, daar ging hij stropen, vissen en eieren zoeken. Met die schilders heeft hij affiniteit, daar ligt zijn gevoel, dat is mooi. Mercuur toont de eenvoudige schilder van het platteland, die groot is door de eigenzinnigheid. De provinciaal die zijn gevoel legt in de zichtbare omgeving. Het is de eenvoud in de manier waarop het landschap wordt benaderd.

    Eenvoud spreekt uit het gebouw en de omgeving. Een zwarte doos is geplaatst over het water wat eens het grand canal van een stadhouderlijke buitenplaats was. Platen basaltsteen zijn onregelmatig in de gevel gezet, waardoor er spleten vallen die worden bewoond door vleermuizen en vogels. Het gebouw ligt op de grens van natuur en cultuur, land en water, en sluit een park af dat barokke lijnen uit de zeventiende eeuw volgt. Huize Oranjewoud, het oude hoofdgebouw van dat park, was ooit lustslot en zomerverblijf van verschillende adellijke families. Staatsbosbeheer heeft, om het verdwenen noordelijke deel van de parkaanleg te reconstrueren, de landschapsarchitect Michael van Gessel de opdracht gegeven de vergeten heldere structuur terug te brengen. Om oud en nieuw samen te laten gaan, het museum aan het eind van de zichtas van het landgoed en de stijl van de Franse tuinarchitect Daniël Marrot in ere te herstellen.  Nu ligt er weer een eenvoudig park in formele aanleg met lange lanen en grachten. Gezien vanuit het huis lijkt de Prinsenwijk dwars door het museum te stromen om op te lossen in de oneindigheid van het waterrijke open Friese landschap.

    Elke kamer is een kunstwerk

    De architect Eerde Schippers heft de rechtlijnigheid van het park en het landschap rondom doorgetrokken in zijn ontwerp van het museum. Het langwerpige gebouw, 104 meter lang en 13 meter breed in één bouwlaag, zal in de loop van de tijd door haar omgeving worden opgenomen, wanneer de bomen en struiken zijn volgroeid en de gevels verkleurd. Het museum is vrijwel geheel gesloten, enkel ter hoogte van de kantoorruimten zijn de muren onderbroken door de sfeer van nauwelijks brekende ramen. Het rust op een glazen voet, bij avond lijkt vanwege het licht van binnen het geheel te zweven. Het museumcafé is een open ruimte boven het water van waaruit de bezoeker aan de ene kant over de wijk het woud inkijkt en, wanneer hij zich omdraait, over het water de boerderijen en boswallen ziet.

    De doos is globaal door het café in twee stukken gedeeld. De rechterkant geeft plaats aan de vaste collectie, waarbij de diverse expositiekamers van maat kunnen wisselen door verplaatsbare tussenwanden. Mercuur ziet elke kamer als een kunstwerk, dat voor de bezoeker rust uitstraalt. De lange diagonaal door de ruimte moet de nieuwsgierigheid in de volgende kamer trekken. Links van het café is ruimte voor wisselende tentoonstellingen. De getoonde kunst wordt enkel door kunstlicht beschenen, vanwege de geslotenheid van het gebouw. Er is een klein beetje strijklicht van buiten door het glas op maaihoogte.

    Vormgeving straalt rust uit

    De vormgeving van het gebouw straalt rust uit, zoals Staatsbosbeheer de omgeving wil laten ademen. Er schijnt weinig licht van binnen naar buiten om de dieren in het donker niet al te veel te storen. Bij de aanleg van museum en park is rekening gehouden met de bestaande natuur. Het gebouw is wel af, maar de omgeving zal nog enkele jaren nodig hebben zich te vormen. De natuur is nu nog modderig, de paden soms nog onbegaanbaar. Het heeft de tijd nodig zich in oude glorie te herscheppen.

    Rust en ruimte, eenvoud en eigenheid, dat is wat museum zowel als park willen uitstralen. Voor Thom Mercuur is het een levensmissie, die is uitgekomen. Maar het is niet enkel een vervulling van zijn droom. Begint de kunst van Mercuur bij de schilder Jan Mankes, Boele Bregman geeft hem in de jaren vijftig de opdracht een museum te stichten. De doeken van beide schilders hangen niet bijzonder te zijn tussen al het andere werk in het museum, maar hebben wel een speciale plaats gekregen. Want Mercuur geeft op zijn gevoel de kunst een plek. Hij is galeriehouder, kunsthandelaar, verzamelaar en was conservator van het Coopmanshûs in Franeker en het Fries Museum te Leeuwarden. Zestien jaar geleden begon zijn kruistocht voor het museum voor moderne en hedendaags kunst in Friesland. Eerst met het plan om een buitenmuseum te zijn van het Fries Museum aan de oevers van et Tjeukemeer. Een groots en duur bouwplan werd door architect Aldo van Eijck ontworpen. Maar het provinciebestuur doorkruiste deze plannen en het Fries Museum, verwikkeld in een reorganisatie, had genoeg aan zichzelf. Mercuur vestigt zich in een monumentaal gemaal aan de rand van natuurgebied De Deelen ten noorden van de plaats Heerenveen. Het is een gebied waar de door hem bewonderde kunst uitstekend past. Daar toont hij oud gereedschap uit de veenderij en schilders van het Friese landschap. Maar Thom blijft dromen van een echt museum.

    “Discussie over kunst is zinloos”

    Dan valt zijn oog op het Tjaarda’s Bos in Oranjewoud, met aan de voet van een gerestaureerde betonnen uitkijktoren een door Eerde Schippers ontworpen eenvoudig ogend gebouw. Het restauratiebestuur van de toren, geformeerd uit de plaatselijke Rotary Club, had wel oren naar zijn plannen. Een museum namelijk zou de exploitatie van de toren ten goede komen. Mercuur had zijn bestuur gevonden en ging vol goede moed van start. Toen al had Thom rust en stilte voor ogen.

    Want”, zei hij destijds, “belvédère betekent mooi zien en dat geldt niet alleen voor het uitzicht vanaf de toren, dat zal straks ook het geval zijn in het museum. Het moet een museum van de stilte worden, geheimzinnig en boordevol mystiek.

    Maar staatssecretaris Geke Faber gooit in het jaar 2000 roet in het eten door het plan af te keuren. In de beslotenheid van het – ooit door hotelier Tjaarda aangelegde – bosperceel mocht geen museum verrijzen. Hij had het zijn laatste poging genoemd en leek een illusie armer. Maar doordat veel bruikleengevers steun hadden toegezegd en he bestuur niet meteen wilde afhaken zette Mercuur door. In samenspel met de gemeente Heerenveen en Staatsbosbeheer werd de huidige plek gekozen. Het geheel is volledig op de schop gegaan en heeft als het ware het karakter gekregen van wat ooi het plan was bij het Tjeukemeer: land en water, rust en riet. 

    Degene, die een dwarsdoorsnede van de Friese kunstwereld verwacht hoeft niet naar Museum Belvédère te gaan, want dat is niet wat Mercuur laat zien. Er hangt juist die kunst waarbij hij een bepaald gevoel heeft, een emotie die zich niet laat omschrijven. “Een schilderij dat technisch niet goed is, kan juist mooier zijn dan iets dat wel goed is”, zegt hij daarover. “Het heeft het of het heeft het niet. Gevoel is niet te benoemen. Heel mooi is niet altijd mooi. Daar zijn geen regels voor. Discussie over kunst is zinloos: je vindt het mooi of niet, punt.”

    “Het gaat er niet om hoe je schildert”

    In Friesland is in de vorige eeuw veel kunst gemaakt die te maken heeft met het landschap waarin ze is ontstaan. De mensen komen naar Friesland voor dat platteland en daarom moet die kunst ook te zien zijn in de provincie, vindt Mercuur. “Het Tjeukemeer was een goede plek, maar dit is meer uniek. Hier valt alles op zijn plek. Ik heb het onbewuste bewust gemaakt, want de vorm is ontleend aan de schoenendoos van vroeger. Ik kan niet schilderen, dus laat ik in deze kijkdoos het werk van anderen zien, dat ik mooi vind. De mensen zullen het gevoel zien waarmee het is gemaakt en waarmee ik het heb opgehangen. Friezen als Jan Mankes, Boele Bregman en Gerrit Benner zijn heel diep gegaan. Ik ben niet zo voor de realistische schilderkunst, daar heb ik weinig mee. Het gaat er niet om hoe je schildert, als je je ziel er maar inlegt.

    Mankes heeft een eigen kamer gekregen en Benner, die erg belangrijk was voor de Friese schilderkunst, kreeg er zelfs twee. Thijs Rinsema wordt getoond in samenspel met Kurt Schwitters en Theo van Doesburg in een speciale DaDakamer. Daarnaast gaan de stijlen van Chris Beekman, Vilmos Huszar en Lou Loeber goed samen. Tames Oud is verbonden aan Jean Brusselmans, James Ensor en Floris Jespers. Zo heeft Mercuur naar eigen inzicht en idee lijnen gemaakt en relaties gelegd. De opstelling van de vaste collectie kan wijzigen door te putten uit de bron van bruikleengevers, zij zijn als het ware het depot van het museum. De wisselende tentoonstellingen zullen altijd iets te maken hebben met die vaste collectie.

    Een museum moet de tijd overal op laten inspelen”, zegt Thom. “Bepaalde dingen zijn niet uit dit museum weg te denken, daar zal het ook bekendheid door krijgen. Er kunnen dingen bijkomen, maar nooit ten koste van de fenomenen waar het om draait: Sjoerd de Vries, Willem van Althuis, Jan Snijder, Christiaan Kuitwaard. Een Picasso krijgt ze hier niet weg, want die past niet in de collectie. Het gaat mij erom een beeld te geven van hier en de raakvlakken met elders, stijlgenoten in binnen- en buitenland. Het is een museum waarin de emotie een grote rol speelt. Geen museum van het grote geweld, maar rust en stilte. Dat wil ik vijf jaar leiden en dan waait er een frisse wind, omdat iemand anders – met andere inzichten – de leiding zal overnemen. Maar het moet wel telkens met hetzelfde gevoel worden ingedeeld.”

    Gepubliceerd in Stoockx, vakblad voor makelaars/taxateurs in het hogere marktsegment, uitgave van REG Media (nu Qualis Media), januari/februari 2005. Geïllustreerd met foto’s van Dolph Kessler.

  • Museum Belvédère 20 jaar: het begin

    Thom Mercuur en zijn museum van de stilte

    De contrasten moeten het museum leuk maken. Het is beslist niet alleen een Friese aangelegenheid. Dat zou voor de Friezen ook niet goed zijn. Daar hebben ze te veel niveau voor. Ze zijn het waard om naast de internationale schilders te staan. Ik probeer ze op een plaats te zetten waar ze thuis horen, en dat ze beslist niet minder zijn. Dat probeer ik met het museum te bereiken. Voor mijn gevoel laat ik het neusje van de zalm van de Friese moderne kunst zien.

    Op woensdag 24 november opent het museum Belvédère in Oranjewoud haar deuren. Een museum voor 20e eeuwse en hedendaagse kunst in een historisch gereconstrueerd park. Een jongensdroom komt dan uit. In de jaren 50 bedachten Boele Bregman, Thom Mercuur en Sjoerd de Vries dat het aardig zou zijn een museum te stichten voor 20e eeuwse en hedendaagse kunst. En dat hun werk dan naast tijdgenoten en stijlgenoten zou hangen. Mercuur is er 16 jaren mee bezig geweest om een en ander voor elkaar te krijgen. Tweemaal is het mislukt, maar uiteindelijk heeft het plan vorm gekregen op een unieke plek in de historische bossen van Heerenveen.

    Innerlijke bewogenheid

    Zonder Boele was Belvédère er niet gekomen. Ik was 16 jaar toen hij voor mij de deur naar de kunst opende. Nu kan ik zeggen: nou Boele, het hangt jongen, allemaal. Daar denk ik ook aan terug, want zo praatten wij er vroeger over. We hadden het over politiek, over literatuur, over film, maar vooral over beeldende kunst. Boele heeft mij leren kijken. Wij waren de jongeren en hij was de oudere. Die rol speel ik nu ten opzichte van jonge kunstenaars als Christiaan Kuitwaard, Jan Snijder en Jochem Hamstra. Ik ben altijd gericht op kijken. Het zien is voor mij heel essentieel. En dat zien heeft niets met intelligentie te maken, dat heeft met gevoel te maken. Schilderijen hebben altijd mijn fascinatie gehad. En bij wie het is begonnen? Eigenlijk bij Jan Mankes.

    Het wordt geen museum van het grote geweld, maar van de rust en de stilte. Hij toont vrij ingetogen schilders. En dat de meeste daarvan autodidacten zijn is toeval. 

    Een geweldige man

    Het gaat om de persoon en de innerlijke bewogenheid. Ik heb niets met kunstenaars die hun vaardigheid willen bewijzen. Ik houd van duidelijkheid. De fascinatie van de kunstenaar van wat hem bezig houdt, de innerlijke noodzaak, zijn leven lang. Met die schilders heb ik iets. Door die bril kan ik het alleen maar zien en hang ik ze in het museum. Ik trek lijnen van de Friezen in tijd en stijl naar vakgenoten in binnen- en buitenland. Het gaat om de stilte die het uitstraalt. Ik praat veel met kunstenaars die me aanspreken. Alleen in hen kan ik mij verplaatsen. Van anderen, die ik veelal niet begrijp, sluit ik me af. Ik heb daar niets mee, ik kan daar niets mee. Veel kunst gaat dan ook aan mij voorbij. Kunstenaars die misschien wel heel goed zijn, maar ze sluiten niet aan bij mijn gevoel en passen dus niet in de collectie en spelen daarom geen rol in het Belvédère museum. De beperking die ik mijzelf stel moet de kracht van het museum Belvédère worden. Volledig omschrijven kan ik het niet en wil ik het niet. Wanneer de deuren open gaan kan iedereen het zien. Een trainer heeft de meeste moeite met de lui die op de bank zitten. Zo werkt dat en als je daar niet tegen kunt dan moet je er niet aan beginnen. Daarom vind ik ook dat ik het maar kort moet doen – 4 of 5 jaar. De tijd heeft ook een oordeel. Het museum draagt mijn stempel, maar dat verdwijnt wanneer er een ander komt, die het ook goed doet of misschien wel beter. Een frisse wind erin als ik eruit ga, zo moet het. Het moet dan iemand zijn met een duidelijke visie en die voeling heeft met de collectie.

    Kunst zelf uitgevonden

    Gerrit Benner en Boele Bregman zijn heel interessant. Het zijn tijdgenoten. Boele is de dichter en veel met taal bezig. Benner is de expressionist, hij moest verf zien. Twee fenomenen in eenzelfde tijd na de oorlog, dat moet ik in de ophanging laten zien.En dan natuurlijk de relatie naar buiten de provincie. Dat ontstaat al filosoferend en denkend en slapend en lopend en pratend. Daarnaast zijn er de wisselende tentoonstellingen, die hebben inhoudelijk te maken met de vaste collectie. Er moet een verband in zitten, ik kan geen uitersten aan brengen in de tentoonstelling en in de vaste collectie. De eerste tentoonstelling is van Willem van Althuis. Willem is een geweldige man, zo één die de kunst zelf heeft uitgevonden, in zijn eigen abstracte vorm. En in de jaren ’70 al exposeerde in het Stedelijk Museum te Amsterdam. Van Willem wil ik graag een mooie stille tentoonstelling maken, een tentoonstelling die hij verdiend. Willem’s schildersleven was kort, door de ziekte van Parkinson schildert hij al 15 jaar niet meer. Soms jeuken zijn handen, maar eens zei hij tegen me: ‘alles wat ik te zeggen heb Thom dat heb ik toch al gezegd, waarom zou ik nog verder schilderen’.

    Friesland heeft een aantal belangrijke schilders. Thom ergert zich eraan dat deze nooit in een permanente opstelling op een goede manier getoond zijn. Wel eens incidenteel, maar later is er dan niets van terug te vinden in de permanente collectie. Van Gerrit Benner is nooit een goed retrospectief te zien geweest. 

    Subjectief beeld

    Thom Mercuur is een doener, geen vergadermens. Hij wilde ook geen directeur zijn, maar moet dat nu wel worden. Hij moet de baas zijn, anders gaan anderen zich met de collectie bemoeien. 

    Daar kreeg ik een ontevreden gevoel over. We hebben het hier in Fryslân altijd over cultuur. Daar hoort alles bij, daar hoort het landschap bij, skûtsjesilen en reedride, daar hoort zelfs voetballen bij, maar daar hoort natuurlijk ook de beeldende kunst en de poëzie bij. Dat is een totaal, dan krijgt het kracht. Maar cultuur wordt op incidenteel gesubsidieerd, daardoor mist het kracht en treedt het niet genoeg naar buiten. Ik hoop dat het nu met dit museum anders wordt. Wat ik doe heeft altijd een subjectief beeld, het is mijn idee. Objectief kun je nooit een museum maken, want er is zoveel. Ik sluit me af van video en dat soort dingen, omdat het me niet ligt en ik er geen gevoel bij heb. Het wordt bij mij een olieverf en terpentijn verhaal. Dat is de beperking die ik mezelf stel. Het moet dus een heel geconcentreerde collectie worden. De mensen moeten de liefde voelen waarmee het is uitgezocht en met wie het heeft gemaakt. Daar gaat het mij om. Dat probeer ik over te brengen.

    Naast de pasbenoemde zakelijk directeur Stiena van der Ploeg en een groep enthousiaste vrijwilligers wil ik verantwoording afleggen aan het bestuur van museum Belvédère. Met ons allen gaan we ervoor. En als tentoonstellingenmaker en ideeënman wil ik het museum gezicht geven. Ik maak er geen kermis van, dan wordt het ordinair. Het is heel gemakkelijk om dat te bedenken. Een museum van de stilte dus, naar de geaardheid van de collectie. Wat niet betekent dat het niet veel bezoekers mag trekken. Het gaat mij altijd om een artistieke kwaliteit, daar moet het museum ook in uitblinken. Door een fijnzinnigheid, door het gevoel, door smaak. Dat moet het zijn.

    Gepubliceerd in Friesland Post, november 2004.

  • Museum Belvédère 20 jaar: uit de kinderschoenen

    Uniek project in overgang tussen bos en huizen

    Het uitzicht van Belvédère op de hedendaagse kunst

    Na 16 jaar is Thom Mercuur’s droom realiteit. Op woensdag 24 november wordt Museum Belvédère aan de Oranje Nassaulaan geopend door koningin Beatrix. Het gebouw staat als landgoed afsluitend gebouw aan de rand van Oranjewoud. Het vormt de overgang tussen bos en huizen. In een gereconstrueerd parkachtig landschap houdt het museum de balans tussen oud en nieuw in evenwicht. Staatsbosbeheer heeft door een landschapsarchitect de oude lijnen van het barokke park opnieuw laten zetten. Zo is natuur en cultuur een geheel geworden en maakt deze combinatie tot een uniek project.

    Dat park wordt ook op 24 november ontsloten, maar zal minder toegankelijk zijn nog als het museum. De maanden komen aan waarin de natuur in winterslaap is en dus slechts de omtrekken van het plan zichtbaar zijn. Wanneer het voorjaar aankomt en de flora ontwaakt, zal deze krant zich in het park laten gidsen door SBB om te weten te komen waarom natuur plaats moest maken voor natuur.

    Wanneer de deuren van het museum open gaan is er veel werk verzet door zowel bestuur en directie, als vrijwilligers. In grote aantallen hebben zij zich de afgelopen maanden aangemeld om het museum op poten te zetten en voor nu en in de toekomst staande te houden. Zakelijk directeur Stina van der Ploeg regelt en controleert. Thom Mercuur maakt de tentoonstellingen en verzorgt de vaste collectie. Zo zal dit museum op particulier initiatief zichzelf gaande houden.

    Voor een gemeente is het een uniek gebeuren om zo ver en zo lang mee te denken in een particulier plan”, zegt wethouder Frans Bouwers. “Veel andere gemeenten hadden wellicht met meer aarzeling gereageerd, maar Heerenveen heeft als een soort makelaar alle partijen bij elkaar gekregen voor die plek in Oranjewoud.”

    Zonder de steun van de gemeente Heerenveen, de provincie Fryslân en Rijks- en Europese fondsen via  SNN (Samenwerkingsverband Noord-Nederland) zou het museum niet gerealiseerd zijn. Maar in de exploitatie wordt niet gesubsidieerd. De schilderijen en tekeningen die getoond worden komen voor een groot deel uit privé collecties en zijn in bruikleen aan het museum gegeven. Ook een deel van het bezit van Mercuur is aan de vaste collectie toe gevoegd. Het museum laat  moderne en hedendaagse kunst zien, waarin de Friese kunstenaars de kern van de collectie vormen.

    Belvédère is een versterking en een aanvulling op museum Willem van Haren”, vindt directeur Minette Albers. “We hebben afgesproken regelmatig met elkaar te spreken over de afstemming van het tentoonstellingsbeleid.”

    “Er is ruimte voor dit museum”

    Het museum draagt mijn stempel”, zegt Thom Mercuur. “Mijn opvolger zal wel  uit een andere generatie komen met mogelijk andere inzichten. Wat ik doe heeft een subjectief beeld, het is mijn idee. Objectief kun je geen museum maken. Dit is een olieverf en terpentijn museum. Dat is de beperking die ik mezelf stel. Een geconcentreerde collectie. De mensen moeten de liefde voelen waarmee het is uitgezocht en met wie het heeft gemaakt.”

    Ik heb eigen ervaring en kennis van de verschillende andere facetten van het museumbedrijf”, zegt Stina van der Ploeg. “Dat is een goede aanvulling op de inhoudelijke kennis van zaken die Thom meebrengt. Het is belangrijk dat deze podia voor moderne en hedendaagse kunst er zijn in Friesland. Dat je niet voor alles naar de Randstad hoeft. Er is ruimte voor dit museum. Het heeft uitstraling. Op het hele museumbestand in Friesland is het een goede aanvulling. Er is geen museum specifiek voor moderne hedendaagse kunst. Er is wel eens een tentoonstelling met moderne kunst, maar het is niet structureel in de collectie terug te vinden.”

    Geboren is Stina niet van hier, wel getogen. Ze studeerde kunstgeschiedenis en werkte bij een uitgeverij als redacteur. Daarna was ze beleidsmedewerker kunst en cultuur bij de gemeente Hengelo en in Leeuwarden. Hiervoor was zij interim-hoofd bureau collecties van het Rijksmuseum in Amsterdam.

    Nu ben ik zakelijk directeur van museum Belvédère. Het is geen kant en klare organisatie, maar van de grond af nieuw. Dat is voor iedereen spannend en voor mij een enorme uitdaging. Er is al veel werk verricht en er is aan beeldvorming gedaan. Ik zal dat beeld verder versterken en uitdragen.

    “We kunnen niet alles laten zien”

    Ik spreek met kunstenaars waar ik wat mee heb”, laat Thom weten. “Van de anderen sluit ik me af, daar kan ik niets mee. Veel kunst gaat aan mij voorbij. Ik zou  me alleen bezig houden met autodidacten. Dat slaat nergens op, want wat kan het mij interesseren of iemand wel of niet op de academie heeft gezeten. Maar het toeval wil dat. Puur daarom.

    Het wordt geen museum van het grote geweld. Er moet een innerlijke bewogenheid zijn. Het gaat om de stilte die het uitstraalt. Er moet een emotie in zitten.” Mercuur vindt niet dat zijn idee zich laat omschrijven. Het zal te zien zijn wanneer het museum open gaat. “De schilder heeft een fascinatie, die hem zijn leven lang bezig houdt. Ik vind het leuk om relaties aan te brengen. Er zullen veel mensen in het museum komen, die daaraan voorbij gaan. Maar je doet het altijd voor die enkeling. Naast de vaste collectie zijn er de wisselende tentoonstellingen, die hebben inhoudelijk altijd iets te maken met de vaste collectie. Er moet een verband inzitten, ik kan geen uitersten aan brengen tussen de tentoonstelling en de vaste collectie.

    We kunnen niet alles laten zien”, vult Van der Ploeg aan. “De collectie van de bruikleengevers is vrij groot. De vaste collectie kan daardoor wisselen, want er is blijvend te putten uit die bruiklenen.

    Een breed bedrijf

    Het zijn niet alleen Friese schilders. Dat zou niet goed zijn, daar hebben de Friezen te veel niveau voor. Ze zijn het waard om naast de andere internationale schilders, waarmee ze raakvlakken hebben, te hangen. Mercuur probeert ze op die plaats te zetten waar ze thuis horen, omdat ze beslist niet minder zijn.

    Waar Thom vooral de inhoudelijke kant doet”, zegt Van der Ploeg, “doe ik de financiële en de personele zaken, de pr en marketing. Thom zorgt voor het inhoudelijke deel van de publicaties en gezamenlijk werven we fondsen of subsidies. Er is een museumwinkel en een restaurant. De bibliotheekcollectie is door Thom samengesteld, waarvoor samen met de vrijwilligers een systeem wordt opgezet. De kunstcollectie wordt beheerd en digitaal geregistreerd. Een heel pakket voorzieningen om de collectie te kunnen ontsluiten. Het museum is een breed bedrijf. Dit is een unieke omgeving met een prachtig pand. Wanneer de stofwolken straks zijn opgetrokken en de natuur weer tot leven komt, dan staat daar een mooi gebouw wat zich zal vullen met kunstwerken.

    Een artistieke kwaliteit

    Het museum heeft een enthousiast en betrokken bestuur, vindt Thom. “We weten van elkaar wat we niet kunnen. Dat is belangrijker dan te weten wat we wel kunnen. Ik hoef niet uit te leggen wat ik doe. Ze weten dat ik geen tentoonstellingen louter als publiekstrekker maak. Dat wordt een ordinaire toestand. Het gaat mij om een artistieke kwaliteit, daar moet het museum in uitblinken. Door fijnzinnigheid, door gevoel, door smaak. Dat moet het zijn.”

    Nu het steeds concreter wordt is er al veel aandacht voor het museum”, ondervindt Stina. “Op dit moment verkoopt het zichzelf. Het wordt goed gevolgd, de mensen zijn heel enthousiast. Er zijn al vragen voor bezoeken, voor rondleidingen van grotere groepen en bedrijven. We zijn bezig met arrangementen en buigen ons over cultuureducatie.

    Het museum is gemakkelijk bereikbaar. Langs de plek waar Jan Mankes woonde, terwijl even verderop Boele Bregman begraven ligt, het museum hoort hier thuis. Voor zijn gevoel laat Thom het neusje van de Friese kunst zien. Er kunnen echter maar een beperkt aantal werken van iedere schilder hangen.

    Hoeveel dat er precies zijn is een gevoelskwestie. Bij het inrichten ben ik alleen in een leeg gebouw, en heb al die kunstwerken om me heen. Dan dient zich ineens iets aan. Dat is altijd zo. Er komt altijd iets uit de hemel vallen. Daar is die hemel ook altijd voor geweest. Zelfs twee dagen voor de opening komt er nog een schilderij binnen, waarvan ik denk: tjongejonge, had ik dat maar eerder gehad!

    Vertrouwen in identiteit

    In 1998 benadert Thom Mercuur het stichtingsbestuur van de uitzichttoren Belvédère. Hij wil een museum voor moderne en hedendaagse Friese kunst in Tjaarda’s Bos zetten. Dat spreekt het bestuur aan, omdat daarmee de mogelijkheid er is de combinatie toren en museum goed te exploiteren. Het plan wordt echter in 2000 door de staatssecretaris weggestemd, omdat het niet past in de ecologische structuur. Hans Wezenaar en Jaap van den Kerkhoff staan op het punt de handdoek in de ring te gooien, maar willen toch nog een keer Oranjewoud in en iedere mogelijkheid bekijken. Nog steeds zien ze iets in het plan en de gedachte die erachter zit. Het terrein achter landgoed Oranjewoud blijkt de geëigende plek.

    Museumbestuur voorzitter Hans Wezenaar is van mening dat kunstliefhebbers en ondernemers best samen kunnen gaan.

    Wij houden het zakelijke, het commerciële en het haalbare in de gaten. Terwijl de kunstman het creatieve deel ziet. We hebben elkaar goed leren kennen en respect gekregen voor de visie die Thom met betrekking tot de realisatie van dit unieke museum heeft. Wij, als “cultuurbarbaren” wat de schilderkunst betreft, kenden de kunstwereld niet maar vinden die uitermate interessant. In het bedrijfsleven heb je ook lang niet van alles verstand, maar je luistert naar argumenten waarom men iets doet. De argumenten om dit museum in te richten zijn goed. Wij denken altijd in heel simpele formules, de kunstmensen hebben vaak een andere benadering. We luisteren naar elkaar en laten Thom vrij in de identiteit van het museum. Daar hebben wij alle vertrouwen in. Thom heeft een heel speciale gevoelsmatige benadering, daarmee krijgt een tentoonstelling extra inhoud. In iedere tentoonstelling zit een emotioneel element, wat het meer dan alleen maar een commerciële benadering geeft. Thom is heel belangrijk. De collega directeur Stina van der Ploeg en een grote groep vrijwilligers, mensen die zich inspannen om dat museum goed te laten werken, zijn net zo belangrijk. De totale identiteit, in onze terminologie de marketing van dit museum, is niet Thom. We maken daar gebruik van. De mensen die met deze materie bekend zijn geven daar een invulling aan die aanvullend is op de kennis van Thom. Hij is een belangrijke initiatiefnemer, hij bepaalt de creatieve kant van het geheel. Maar het museum heeft een breder platform dan één persoon.

    Uniek geheel

    Belvédère is het enige Nederlandse museum dat is gespitst op regionale kunstenaars. Die identiteit is de basis van het museum. Dat is de kern, daarnaast zijn er verbindingen met stijlverwanten. Dat is een heel sterke identiteit, die is verbonden met stilte en natuur. Dat wordt buiten in het museumpark gerealiseerd. Die combinatie maakt het uniek. Het geeft een extra dimensie. Natuurliefhebbers kunnen zich in Oranjewoud prachtig vermaken en zullen belangstelling hebben voor de kunst. Mensen die voor de kunst komen zullen het geweldig vinden buiten van het fantastische gereconstrueerde Oranjewoud te genieten. Het is nu kaal, maar daar moeten we doorheen kijken. Als het straks klaar is, het begint te groeien, komt er echt een uniek geheel naar voren. Staatsbosbeheer heeft het over 111 soorten paddestoelen, over verschillende vogels en vleermuizen. Wanneer je die mensen hoort spreken wordt je erg enthousiast. Wij hebben net zoveel moeite met het kappen van al die bomen als vele bewoners van Oranjewoud en Heerenveen. Maar wanneer je iets bijzonders in de toekomst wilt hebben, dan was deze kap en deze reconstructie noodzakelijk. Het is een prestigeproject van Staatsbosbeheer, die er bekendheid aan geeft in de communicatie. Door deze twee facetten samen te nemen wordt de uitstraling naar buiten toe in belangrijke mate bepaald.

    Voordat een museum draait moet alles bestuurlijk goed georganiseerd zijn. Het bestuur van de stichting Museum Belvédère exploiteert het museum . Onder de stichting Museum Belvédère Oranjewoud valt  het onroerend goed. De stichting Vrienden van Museum Belvédère zorgt financieel voor de private ondersteuning.

    Het is een stuk cultuur in Heerenveen dat een prachtige aanvulling is op de sport en andere activiteiten. Daarom wordt de link van Sportstad naar Belvédère gelegd. Dat betekent een wederzijdse kruisbestuiving. Het museum is een levenswens van Thom. Hij zit nu in een periode dat het er op aan gaat komen. Nu is er de vertaalslag. Dat maakt hem nerveus en dat is logisch. Iedere artiest is vlak voor het opkomen nerveus. Anders werkt het niet.”

    Archiefstuk: Heerenveense Courant november 2004.

  • Museum Belvédère 20 jaar: in de kinderschoenen

    Wordt Thom Mercuur’s droom werkelijkheid?

    Museum en doolhof bij belvédere in Tjaarda’s Bos: een unieke drie-eenheid

    Het is mijn laatste poging. Wanneer dit project verzandt, probeer ik het niet opnieuw. Dat kan ik ook niet maken tegenover de particuliere bruikleengevers.” Thom Mercuur wil een museum voor moderne kunst in Oranjewoud. Het eerdere idee om een dergelijk museum aan de oevers van het Tjeukemeer te laten ontstaan ging roemrijk ten onder. Maar Mercuur is een doorzetter en probeert het opnieuw in het Tjaarda’s Bos aan de voet van de vorig jaar gerestaureerde uitkijktoren. Belvédère, museum voor 20ste eeuwse kunst. “Want”, zegt Mercuur, “belvédere betekent mooi zien en dat geldt niet alleen voor het uitzicht vanaf de toren, dat zal straks ook het geval zijn in het museum. Het moet een museum van de stilte worden, geheimzinnig en boordevol mystiek.

    Was de opzet aan het Tjeukemeer groots en duur, met een bouwplan van top-architect Aldo van Eyck – nu wordt het een sober en relatief goedkoop gebouw geboren uit de pen van de mindere god Eerde Schippers. Maar de inhoud blijft nog telkens kwalitatief gezien van een hoog gehalte. Is het de Nederlandse musea eigen om het nationale produkt opzij te schuiven en de internationale kunstenaar meer te roemen, Mercuur is daarentegen meer dan trots op de schilders van eigen Friese bodem. Zelfs zo trots dat de vaste collectie van Belvédère zal bestaan uit werk van onder meer Jan Mankes, Gerrit Benner, Sjoerd de Vries, Willem van Althuis, Tames Oud, Tinus van Doorn en Thijs Rinsema. Aan vriend Boele Bregman zal in het bijzonder veel aandacht worden besteed, hoogstwaarschijnlijk krijgt hij een eigen zaal toegemeten.

    Werk van Friese kunstenaars

    Het uitstallen van Friese kunst alleen geeft echter een te eng draagvlak. Daarom wil initiatiefnemer Mercuur de zaak breder maken door vanuit de basiscollectie lijnen te trekken naar medestanders en stijlovereenkomsten. De Friese kunstenaars hebben zich nooit verenigd in een bepaalde groep, maar zaten en zitten ook niet alleen te werken op een terp. Er zijn voldoende relaties te leggen met nationale en internationale kunstenaars, die met eenzelfde manier van werken bezig zijn en waren. De mogelijkheden om zo een boeiende collectie aan te leggen lijken onuitputtelijk. Vertrekpunt voor de exposities blijft steeds het werk van die Friese kunstenaars. De collectie zal, ondanks dat deze vast is, blijven wisselen. Er is zoveel voorradig en er kan een scala aan werk in bruikleen genomen worden, dat de tentoonstelling in september van een ander gehalte kan zijn dan deze in januari was. Zo blijft Belvédère springlevend en kan Thom Mercuur emotioneel met de kunst bezig zijn. “Het nieuwe museum voor 20ste eeuwse kunst wordt in eerste opzet een museum waar mijn stempel op drukt. Er zal werk hangen dat ik mooi vindt.”, vertelt de oud-conservator van het Coopmanshûs te Franeker en het Fries Museum te Leeuwarden, en eigenaar van het Tripgemaal Museum te Gersloot. “Ik sta open voor nieuwe stromingen, maar niet alles spreekt mij aan. Vanuit de vastgestelde museumformule kan ik bijvoorbeeld het werk van Gerrit Benner combineren met dat van leden van kunstenaarsvereniging De Ploeg en is de sociaal bewogen Boele Bregman te relateren met Bart van der Lek en Chris Beekman. Er zijn lijnen te trekken vanuit de constructieve kunst naar het socialisme. Het sociaal-realisme van De Stijl komt dan in beeld. Johan van Hel, voor mij één van de beste schilders in Nederland. Herman Kruyder, waarvan alleen werk in particuliere collecties is weggestopt en daarom nooit in een museum te zien zal zijn. Met een Picasso kan ik niets, maar een Mondriaan sluit uitstekend aan bij deze formule.

    Een persoonlijk museum

    Doordat Thom Mercuur voor het Tjeukemeer-project al verscheidene particuliere bruikleengevers had benaderd, is de vaste collectie nog morgen op te halen. Zo zullen er tenminste 8 schilderijen van Jan Mankes te zien zijn, terwijl deze schilder op andere plaatsen in Friesland niet of nauwelijks vertegenwoordigd is. Geen profeet is geëerd in eigen land. Daarnaast zal Mercuur de warmte moeten vinden om werk in bruikleen te krijgen, zodat deze Mankes’ galerij nog is uit te breiden. Verder komt veel werk uit de eigen collectie van Mercuur.

    Naast de permanent ten toon te stellen vaste collectie, zullen er jaarlijks 5 wisselende exposities worden georganiseerd. Over de inhoud daarvan staan nog geen vast omlijnde plannen op papier. “Een expositie als van bijvoorbeeld Jochem Hamstra of Jan Roos in Theater Romein te Leeuwarden, kan dan in dit museum worden gemaakt. Dergelijke goede jonge kunstenaars van eigen bodem, met mogelijk weer een blik terug op de vaste collectie, passen in de formule. Het zijn niet alleen de Friese kunstenaars waaraan in dit Friese museum aandacht wordt besteed. Een kunstenaar krijgt een tentoonstelling omdat hij bijzonder is, niet om zijn Friese achtergrond. Het museum had op een willekeurige andere plaats in Nederland of waar dan ook op de aardbol kunnen komen te staan. Datgene wat de streek heeft voortgebracht dient getoond te worden, voor mij is die streek Friesland. Ook een Klaas Gubbels, waarvoor ik al diverse exposities heb georganiseerd, sluit aan op deze zienswijze. Zo zal het een persoonlijk museum worden, dat mijn smaak vertegenwoordigd. Daarom wil ik het ook maar 5 jaar runnen en het dan aan een ander overlaten. Ik ben een voorstander van het werken in termijnen, anders raak je te veel verbonden met de zaak. Directeur word ik niet van het nieuwe museum, er is een stichting in het leven geroepen. Ik wil wel veel doen, maar ik kan onmogelijk alles tillen.

    Een gepotdekselde laarzendoos

    Belvédère, museum voor 20ste eeuwse kunst, wordt in een schets van architect Eerde Schippers een 65 meter lang eenvoudig ogend gebouw. Met een breedte van 12,5 meter en de in verhouding geringe hoogte heeft het geheel het aanzien van een laarzendoos. Het bouwsel komt in de lengterichting van het strook bos te staan met de voorzijde gericht naar de Bieruma Oostingweg. Pal voor de entree komt op een bed van grind een kunstwerk van Ids Willemsma te staan. De lange wanden zonder ramen van het museum worden aan de buitenzijde gepotdekseld, de horizontaal aan te brengen planken worden dakpansgewijs over elkaar gezet. Het bouwwerk krijgt daardoor de sfeer van een oude boerenschuur. De planken krijgen het intense rood als van de eerste cementsteenhuizen op landgoed de Eese, de kleur die past in het complementaire groen van het bos. Het museum zal een unieke drieëenheid vormen met de uitkijktoren en het doolhof. Want deze verloren gewaande speeltuinattractie zal in een iets gewijzigde vorm in het Tjaarda’s Bos worden herplant. Op de oorspronkelijke plaats, bij Hotel Tjaarda en nu verworden tot een kaalgeschoren voetbalveld, waren de afmetingen hoegenaamd vierkant. Bij de Belvédère zullen de paden in de hof meer langgerekt zijn, maar vastgehouden wordt wel zoveel mogelijk aan de bestaande tekening en plattegrond. In het midden komt als vanouds een gebouwtje met lachspiegels. Verder wordt het geheel gecompleteerd met de bestaande ponybaan en het theehuis “Oebele”. Het oude wandelpad vanaf de Marijke Muoiwei zal in ere worden hersteld. Zo is het Tjaarda’s Bos in de toekomst aantrekkelijk voor het hele gezin. Vader en moeder gaan het museum in, kijken naar kunst en drinken wat. De kinderen kunnen de toren beklimmen, zich een weg uit de doolhof zoeken en een ritje op de pony maken. Bij het theehuis is er voor iedereen een versnapering. Althans wanneer de grootse plannen tot uitvoering gebracht kunnen worden. Aan Thom Mercuur zal dat niet liggen. “Ik vond de situering aan het Tjeukemeer destijds zeer goed voor een museum voor moderne kunst en ben van mening dat dat in de bossen van Oranjewoud weer het geval is. Het museum alleen is echter te elitair en heeft geen overlevingskans, het moet hier in dit bos en dan in samenspraak met de andere attracties. Het enige voorbeeld in de lande van een dergelijke opzet is het Kröller-Möller museum op de Hoge Veluwe.

    Culturele verrijking

    De iets naar binnen geschoven glazen gevel herbergt een ruime entree met informatiebalie en boeken- en reproduktieverkoop. De permanente collectie wordt getoond in het voorste gedeelte van het museum, dan volgt een flexibel in te delen ruimte voor de wisselende exposities. Achter de diverse expositiezalen bevindt zich een multifunctionele ruimte met een buffet of klein restaurant. In deze ruimte kunnen milieuorganisaties tentoonstellingen inrichten onder auspiciën van Mercuur. In het reataurant of op het terras kan de bezoeker zich te goed doen aan milieuvriendelijke produkten.

    De stichting Belvédère, verantwoordelijk voor de restauratie van de betonnen uitkijktoren, staat vierkant achter de plannen van Mercuur. En ook mevrouw Gerda Graafsma, eigenaresse van het Tjaarda’s Bos, wil alle medewerking verlenen aan dit project. Stichtingsvoorzitter Hans Wezenaar hierover: “Al tijdens het plannen en uitwerken van de restauratie hadden wij het idee dat er meer dan alleen die belvédère in dat bos moest zijn. Onze gedachten gingen toen al uit naar zoiets als een museum of een beeldenroute. Besloten is om ieder individueel initiatief daartoe te ondersteunen.” Het museum is er echter nog niet, want eerst moeten er nog de nodige vergunningen van de gemeente Heerenveen komen. De plek heeft geen bestemming als bouwterrein, dus er dient een bijzondere toestemming voor te komen. Daarna moet het project met behulp van sponsors financieel rond gemaakt worden. De stichtingskosten zijn begroot op ruim anderhalf miljoen gulden. In Belvédère kunnen 3 mensen werken op vrijwillige basis. Men rekent op een jaarlijks bezoekersaantal van 25.000 mensen. Volgens Wezenaar is dit voor Heerenveen een unieke kans om ook haar culturele kant op te vijzelen. “Voor de hele provincie zal het een bijzondere culturele verrijking betekenen. Ik hoop daarom dat dit project gerealiseerd zal kunnen worden.

    Archiefstuk: Heerenveense Courant juli 1994.