Tag: Uitgeverij Noordboek

  • Getuigen à décharge doen een boek open over gevangenisdorp Veenhuizen

    Het lag al een tijd op mijn koffietafel. Wanneer ik meer dan een moment niets te doen dacht te hebben, pakte ik het op en las er een kort verhaal uit. Het bedoelde boek, dat geen standaard koffietafelboek is – het is niet groot maar wel dik, het heeft geen harde cover maar is slap en buigzaam, het is ook niet rijk geïllustreerd maar kan wel een gesprek opstarten of als inspiratie dienen – dat boek is een verzameling verhalen. Verhalen van het Veenhuizen toen het nog een gesloten gevangenisdorp was. Want daar gaat het om.

    Al eerder publiceerde verhalenverzamelaar, ofwel tekstcollectioneur, Clemens van den Brink een trilogie met uit de school geklapte overleveringen. Vooral de bewaarders lieten het achterste van hun tong zien, nadat de deuren open mochten en de vuile was buiten kon hangen. Want lange tijd was Veenhuizen een onneembare veste, een kasteel met hoge muren en een slotgracht waarvan de brug opgehaald bleef. Wat binnen was, kwam niet naar buiten.

    Veenhuizen, bajes, gevangenis

    Daarom is het nu zo interessant bij het van het slot gaan van de poort. De deuren zwaaien open en de verhalen mogen wereldkundig worden. Juist die mysterieuze geslotenheid maakt de openbaring magisch. Het wel en wee dat destijds werd beschouwd als de normale gang van zaken in een gevangenis, zijn nu sensationele en wetenswaardige anekdotes. Voor zijn trilogie bajesverhalen had Van den Brink al legio kluchten en geestigheden bij elkaar gebracht. Vooral uit de mond van menig bewaarder opgetekend, daar bewaarden – ofwel gevangenen – de in Veenhuizen opgedane ervaringen liever voor zichzelf hielden. Maar druppelsgewijs komen deze eveneens los naar aanleiding van de publicaties. Ook kon Van den Brink putten uit zijn eigen beleving als zoon van een bewaker en dus bewoner van het Tweede Gesticht. Met zijn boeken tilt hij meer dan een tip van de sluier op; hij opent de stoffige gordijnen.

    Doorgaande reeks boeken, schier eindeloos

    Veenhuizen bezette een bijzondere plaats in het Nederlandse gevangeniswezen. En nog is het een buitengewone plek, want nog altijd kan men daar in een cel terechtkomen wanneer er een scheve schaats wordt gereden. De tot nu toe in een vijftal boeken verschenen bajesverhalen zijn daarom niet actueel, daar nog steeds geldt: what happens in Veenhuizen stays in Veenhuizen. Maar de tijd verstrijkt, dus nieuws wordt oud en mag in druk verschijnen in nieuwe uitgaven. Daarom is de serie van Van den Brink een doorgaande reeks boeken, schier eindeloos, want de verhalen blijven komen. Gevraagd en ongevraagd. Voortdurend komen er nog niet eerder vertelde verhalen bij. Bewaarders die eerder aarzelden hun verhaal te doen, kloppen nu bij de schrijver aan om dit alsnog recht te zetten.

    Veenhuizen, bajes, gevangenis

    En zal pa Clemens na verloop van tijd zijn pen moeten neerleggen, dan neemt zoon Ivo het over en zal hij Veenhuizen blijven ontsluiten. Al eerder werkte hij samen met zijn vader aan een gelikte uitgave van Bajesverhalen. Kunstmatige intelligentie (AI) werd ingezet om de ruwe verhalen te redigeren. Zo’n eindredacteur is een uitkomst. Het leest mee, verbetert fouten en zet de spelling recht, maar verandert niets aan de toon en de oorspronkelijke stijl. Ook werd AI te hulp geroepen om foto’s te bedenken die recht doen aan de situatie en de tijd: oude verhalen afgewisseld met nieuwe anekdotes. Zo is ook de bundel Uit de Bajes, verschenen bij uitgeverij Noordboek, een gemengde uitgave. Uit de trilogie zijn de meest aansprekende en sensationele verhalen genomen en aangevuld met nieuwe, bijzondere vertellingen.

    Van pauperopvang tot bajesdorp

    Een collectors item is de door Wouter Winter voor het stripblad MaXiX getekend beeldverhaal Bajesverhalen. Een levendige beeldvertaling van een ontsnappingsanekdote. De trilogie bracht Van den Brink in eigen beheer uit, maar de nieuwste uitgave ziet het licht via een uitgeverij. Zo heeft hij ook de distributie uit handen gegeven en kan hij zich, zonder zelf het woord te hoeven verspreiden, wijden aan het interviewen van bewakers en bewaarden om nieuw materiaal te verzamelen voor een zoveelste deel in de serie. Hoewel het vierde deel naadloos aansluit bij de eerdere drie delen – de met AI tot stand gekomen versie valt daarbij uit de toon – wordt in Uit de Bajes eerst de stichting van het dorp Veenhuizen als pauperopvang tot bajesdorp behandeld. Generaal Van den Bosch stond aan de wieg door de Maatschappij van Weldadigheid onder andere hier te vestigen. Het verhaal is bekend. Veenhuizen groeide uit tot een eiland zonder letterlijk los te komen van Nederland. Figuurlijk werd het een eiland, afgesloten om opgesloten foute mensen her op te voeden – bij wijze van spreken.

    Want zo was dat eerst. De landlopers, wezen en bedelaars kwamen in Veenhuizen terecht om hen weer op het rechte pad te helpen. Sommigen kwamen moedwillig terug omdat ze in het pauperdorp gratis onderdak hadden. Later kreeg de gevangenis een strenge bewaking om de zwaarste misdadigers, voor wie op dat moment geen andere plek was, in toom te houden. Het betekende voor de boeven niet alleen gedwongen huisvesting; voor het kosteloze verblijf moesten ze wel iets terugdoen. Zo werd er op het land gewerkt, getuinierd en aan bosbouw gedaan – onder toezicht. Ik kan mij heugen dat ik, wanneer ik langs het dorp reed over de Hoofdweg, meerdere landarbeiders bezig zag in de velden. “Veenhuizen, met louter gevangenen en bewakers, werd bijna geheel zelfvoorzienend en was afgesloten van de buitenwereld tot 1985. De verhalen bleven onder de pet…” lees ik op de achterflap van het boek.

    Veenhuizen, bajes, gevangenis

    De verhalen vertellen niet alleen over het leven achter de poort en tussen de vier muren van de cellen. Veenhuizen is een wereld op zichzelf, met dezelfde ups en downs als in de normale maatschappij. In deze bewaakte samenleving, waarin mensen tegen wil en dank tot elkaar veroordeeld zijn, helpen ze elkaar waar nodig, sporten en spelen samen, discussiëren en maken fysiek ruzie met lotgenoten en bewaarders. Want wanneer je zo bij elkaar op de lip zit, schuurt het weleens en ontvlammen korte lontjes. Sensationele, verfilmingwaardige verhalen zijn die over uitbraken. Gevangenen blijken creatieve geesten in het bedenken van manieren om voortijdig hun straf eenzijdig te beëindigen. De meeste pogingen lopen op niets uit, maar er zijn onvindbare gevangenen van wie nooit enig teken van leven meer is gehoord. Over het algemeen spreken de verhalen van naamloze figuren, of althans personen die ongekend de geschiedenisboeken ingaan. Maar ook bekende criminelen waren te gast in Veenhuizen. En wel BN’ers die eens te diep in het glaasje keken en toch nog achter het stuur kropen. Lichte vergrijpen kregen onderdak voordat ze zwaar werden. Niet alle overtreders van de wet hielden het goede over van hun verblijf in Drenthe. Ze deden Veenhuizen nog eens aan of werden doorverwezen naar zwaarder bewaakte inrichtingen.

    Veenhuizen, bajes, gevangenis

    De verhalen uit de bajes zijn overwegend onderhoudend, niet echt dramatisch te noemen. Meer voor aan de keukentafel: vermakelijk en boeiend. Daarom ligt het boek op mijn koffietafel om er zo nu en dan eens door te bladeren en er met een glimlach in te lezen. Hoewel de verhalen, als je goed nagaat, wel triest zijn, blijken ze toch een vermakelijke toon te hebben. De sfeer van oude jongens krentenbrood met een rouwrandje. De best bewaarde, aangrijpende en spannende verhalen over hoe het vroeger in dat Veenhuizen was. Wie zat er en wat gebeurde er? De buitenwereld wilde het zo graag weten. Door zwijgplicht bleven de verhalen van ex-gevangenen en bewakers lang geheim. Maar nu vader en zoon Van den Brink het blik openen, kan de boulevardpers er naar hartenlust in struinen. Want er zijn talloze sappige weetjes uit de boeken te puren, met namen die tot de verbeelding spreken. En nog is de bodem van de put niet bereikt, is de bron niet opgedroogd. Dus ik maak mijn borst alvast nat voor een volgend deel in de serie bajesverhalen. “Voel de spanning. Beleef de historie. Geniet van de humor.” Deze slogan bij de boeken is meer dan waar: bij Clemens van den Brink is het voelen, beleven en genieten. Hij vertelt een spannende geschiedenis van het dorp Veenhuizen op een humoristische manier. Uit de eerste hand, getuigen à décharge.

    Uit de Bajes. Veenhuizen. Verzamelde verhalen vertelt door Clemens van den Brink. Uitgeverij Noordboek, 2025.

    Veenhuizen, bajes, gevangenis
  • Wij zijn niet meer dan wat wij weten van het leven

    In het graafschap Pembrokeshire aan de westkust van Wales wist men in 1866 al dat gezond leven de mens doet bloeien en groeien. En daar poëzie dieper indaalt dan proza rijmde men met die wetenschap “eat an apple on going to bed, and you’ll keep the doctor from earning his bread”. Twintig jaar later zijn deze gevleugelde woorden door Amerikanen verbasterd tot het nu nog bekend in de oren klinkende “an apple a day keeps the doctor away”. Een pront eindrijm blijft hangen. Bij het lezen van de tweede bundel filosofische fabels van Jan Bouwstra maak ik van dat treffende gezegde dan losvast “a fable a day keeps the blues away”, of in goed Nederlands “een fabel per dag en je leeft met een lach”. Want dat is het recept in deze toch wel meer dan enigszins merkwaardige tijd, waarbij het water ons tot de lippen staat en wij naar adem happen. Meer dan een enkeling zal daarbij staan te juichen aan de zijlijn, en deze figuren raad ik daarom ten stelligste aan de bundel ongeopend op de plank te laten liggen. Maar al de anderen, die in zak en as zitten om het gebeuren overzee en dichterbij in de grachtengordel, kunnen even uit de duistere malaise raken met Bouwstra’s fabels.

    Het is voor mij in elk geval een welkom voorschrift, een gewenst precept. Had ik deze beleving al zo met de eerste bundel “De brilslang, de boktor en de andere dieren”, deze tweede bundel doet daar een schep bovenop: “De krekel, het bos en de wereld”. Omdat ik zo in de put scheen te zitten las ik zelfs meerdere fabels per dag om op de been te blijven. En ieder kort verhaal tovert een glimlach rond mijn mond. Ik zie de zon weer achter de wolken in het water schijnen. De fabels zijn een zonnetje in huis, een kwinkslag bij iedere donderslag. De vrolijke noot in een treurige compositie. Ik zou wensen dat zekere personen onder ons het eens zullen lezen om tot andere inzichten te komen, hoewel ik ze hierboven verzocht de bundel in de kast te laten. Dus mezelf tegensprekend zou ik willen dat ze in deze fantasie losjes rond de lippen worden en niet zo’n stijf gezicht opzetten.

    De Fabeltjeskrant

    Verkneukelde ik me vroeger al bij de uil, de vos en de bevers van De Fabeltjeskrant. Een tv-programma voor kinderen dat zeker ook volwassenen aansprak. De levensvragen werden toen al door de vilten dieren laagdrempelig gemaakt, zodat de jonge kijkers antwoorden kregen op vragen waar volwassenen niet over durfden denken. In de fabels van Jan Bouwstra zijn die lastige kwesties tot eenvoudige vraagstukken gemaakt. Niet dat de schrijver oplossingen biedt, maar hij legt de dieren conclusies en uitwegen in de mond. Zij dienen als spreekbuis voor zijn kijk op de wereld. Anderszins zou hij veel kritiek op zijn bord krijgen, nu echter is hij de schaduw van de uil en kan zich verschuilen achter de bomen. De dieren bekijken hun leefomgeving op de open plek in het bos en langs de oever van de vijver met de blik van het kind – een naïef inzicht zogezegd. Maar de krekel, de mier en de neushoorn worden niet als kinderen, maar blijven dieren waarvoor het bos de wereld is.

    De dieren lijken net mensen, met dezelfde mensenwensen en dezelfde mensenstreken, echter behouden het natuurlijke instinct. Daarom kan het zijn dat een gesprekspartner van het ene op het andere moment wordt opgegeten, omdat deze lekker oogt en het de honger stilt. In het bos lopen onnozelaars rond die enkel de eigen lusten najagen. Maar er zijn ook mijmeraars die de loop der dingen proberen te duiden. En er zijn dromers om het moment te beschouwen. Deze diverse bewoners dienen allemaal een doel, namelijk het verklaren van het leven. Wie kunnen beter het zijn relativeren dan de dieren. Of wie kunnen beter als metafoor van de mens worden ingezet dan de pad, de mol en de struisvogel. Jan Bouwstra voert een hele Artis aan dieren op, van kleine kleverige slakjes tot langnek giraf en van het stekelbaarsje tot de olifant.

    Apen en beren, mug en olifant

    De schrijver, dichter en biochemicus is een meester in het beschrijven van sferen. Vrijwel iedere fabel zet in de eerste regel een duidelijke stemming neer. “Het was herfst en de hemel bracht wit licht naar het bos, zonder de glimlach die de zomer er meestal bij schonk.” Oplettend lezend wordt in de bundel het najaar besproken, maar het beoordeelde leven brengt het zonlicht in de sombere dagen. “Aan de hemel dreven wolken over, als sluiers van traagheid die het zonlicht dempten.” Maar ook tuurt de brilslang naar de einder, terwijl de krekel behoefte heeft aan een praatje: “Het gekleurde licht van de ondergaande zon verspreidde zich over de afzonderlijke wolken, die als flarden van het oneindige voor de hemel langsdreven.” Want juist in de schemer, van de dag en van het jaar – van het zijn, verdienen levensvragen antwoorden, krijgt de zinzoektocht een doel.

    De schepsels van Bouwstra relativeren de moeilijkheden zoals alleen dieren dat kunnen doen. De mens ziet apen en beren op de weg en gaat ze het liefst uit de weg. Het dier maakt ook wel van iedere mug een olifant, maar luwt snel de storm in het glas water. De fabel toont in spiegelbeeld de mens. Juist door een dergelijke vertelling kijkt de mens op zijn neus, worden de zwakheden en de imperfectie sarcastisch duidelijk. Waar de filosofie als denkwijze moeilijk verteerbaar kan zijn, omdat de visie lijkt te zweven tussen verstand en gevoel, krijgt deze door de humoristisch getinte fabel een lage drempel.

    Gepokt en gemazeld

    Jan Bouwstra neemt mij aan de hand mee het bos in, de open plek op om me naast de vijver in het gras te vleien en te luisteren naar zijn verhalen. Soms glimlach ik om de in mijn ogen stommiteiten of lach ik om onbedoelde woordgrappen. De uil kijkt me dan vanaf zijn tak gezeten streng aan en heft zijn vleugel tot bezwerende vinger. Het bestaan wordt doorgenomen en dat is niet om te lachen, zo gebaart de vogel. Wel is de reflectie van het menszijn, de spiegel die ons door de fabel wordt voorgehouden, in hoge mate een karikatuur, een schets waarin ik ons bij de neus voel genomen. In de korte verhalen horen wij een echo van onszelf. Het dier staat niet enkel symbool voor de mens, het dier in deze vertellingen is de mens.

    De dieren zijn gepokt en gemazelde filosofen. Met een hoogbegaafd hoofd als van de giraffe, evenwel met laagbegaafde benen, proberen zij de eeuwigheid in woorden te verpakken. Ontdekken ze dat een ziel dat is wat voor jou denkt en voelt en wil. Is het werken een ziekte van het denken. Komt verholen de populistische politiek voorbij en wordt God eens ingeschakeld, want niets menselijks is het dier vreemd. “Wij zijn niet meer dan wat wij weten van het leven”, verdwaalt de brilslang tussen uitspraken, veronderstellingen en aannames, “en het leven is niet meer dan wat het weet van ons.” “Zijnden in het zijnde zijn wij”, vult de uil een leegte met gedachten op daar praten twijfel zou zaaien. De dieren filosoferen over het zijn en denken na over het niet-zijn. Wie zijn wij, vragen ze zich af, waarom zijn wij. Zo sjokken ze rond in hun hoofd. Buurten in de hoofden van anderen om gedachten van anderen te ontmoeten en die met hen mee te nemen. Gedachten die zich mengen om van betekenis te zijn. Voor iemand die er oog voor heeft.

    En ik lees nog eens een fabel om de dag aan te kunnen. De lichtvoetige schrijfstijl van Jan Bouwstra verlicht mijn levensstijl. Als geleerd esculaap schrijft hij mij het recept voor om het leven aan te kunnen. Als gediplomeerd kwakzalver mengt hij fantasie met filosofie tot fabel, waarbij de fantasie een hoog gehalte van waarheidsvinding heeft. Hij is de chirurgijn die mijn gedachten fileert en mijn hoogmoed scalpeert. Met zijn humor haalt hij de mens van de ivoren toren en plaatst deze tussen de dieren die hun spiegelbeeld in het water van de vijver begroeten.

    De krekel, het bos en de wereld. Jan Bouwstra. Filosofische fabels. Illustraties Angela van der Meulen. Uitgeverij Noordboek, 2025.

  • Takkenhoogte, een bosje kreupelhout van verschillende kanten bekeken

    Natuurlijk was het de bedoeling om over de grenzen van de etskunst te gaan. Te experimenteren met materialen en technieken. Bestond het levenswerk van Han van Hagen uit het fijnzinnig figuratief weergeven van de werkelijkheid, zijn magnum opus blijkt juist het loslaten van de klassieke beperkingen van de etstechniek. Componeerde hij eerder landschappen, dieren en planten vooral met zwarte lijnen en vlakken in aquatint op een witte drager, nu creëert hij het beeld van een enkel takkenbos in bij wijze van spreken alle kleuren van de regenboog op meest getint papier. Het willen weergeven van die struik op alle mogelijke manieren kwam na het zien van het werk van Hercules Segers.

    Al eerder kwam in zijn studietijd het werk van Segers Van Hagen via afbeeldingen in boeken onder ogen. In de jaren 90 van de vorige eeuw was het voor hem een van de redenen om in kleur te gaan drukken. Na enkele jaren van testen en uitproberen keerde Van Hagen op zijn schreden terug en legde zich weer toe op het hem vertrouwde zwart-wit in al zijn grijstinten. De tentoonstelling van het werk van Hercules Segers in het Rijksmuseum in 2016 sloeg als de bliksem bij hem in. Van Hagen kreeg de prenten werkelijk onder ogen en het drong tot hem door wat daarin aan grafische ontdekkingen te bespeuren zijn. “Ik werd erdoor geraakt en dat bezoek gaf mijn loopbaan een opdonder.” Een schok die amper tien jaar later nog hevig door dreunt in zijn werk.

    Over de grenzen van de etskunst

    Han van Hagen wilde ook over de grenzen van de etskunst gaan, zoals Hercules Segers dat in de 17e eeuw had gedaan. Segers maakte verschillende afdrukken van een enkele etsplaat. Van Hagen nam zich voor datzelfde te gaan doen, want Segers experimenteerdrang “leverde een kik en gaf een kick. Daar lag een wereld open. Weg stramien, weg regels en afspraken.” De afdruk is telkens dezelfde, echter is er gewisseld van druktechniek en kleuren, is op en in de gedrukte afbeelding geschilderd, is gebruik gemaakt van een breed assortiment aan dragers van soorten papier tot schilderslinnen en katoen. Het wijkt in sommige composities af van een grafische weergave, de prenten lijken op schilderijen: gedrukte schilderkunst.

    Van Hagen ging over de grenzen van de etskunst en daarmee over zijn eigen toegepaste kader. Zijn er van Hercules Segers slechts 18 tot 22 afdrukken van een en dezelfde plaat bekend, Han van Hagen kwam tot een aantal van bijna 300 stuks. Allemaal variaties op het thema. En de serie kan nog voortduren, want er zijn steeds andere manieren van afwerking en behandeling te bedenken waardoor iedere afzonderlijke afdruk een eigen karakter krijgt. Een groot aantal uit deze serie is op dit moment te zien in Museum Belvédère. En om de grootte van het project niet te onderschatten is er een totale wand van de westvleugel schouder aan schouder behangen met afdrukken. Een installatie die de monumentale maat van Takkenhoogte aangeeft. Door deze manier van presenteren blijven bezoekers langer staan, wijzen elkaar op prenten en maken foto’s. Middels een tekstbord worden ze uitgenodigd tot het kiezen van een prent en te schrijven wat deze afbeelding met hen doet.

    Etsen van Hercules Segers

    Op wat voor manier kan de kunst zó prikkelen dat er een wisselwerking ontstaat tussen kunst en kijker, vroeg Van Hagen zich namelijk af. Kan het zijn dat de beschouwer van zijn werk net zo in de ziel wordt geraakt als hem dat overkwam bij het zien van de etsen van Hercules Segers. ”De vrijheid en de sfeer, die ik voelde in het werk van Segers heeft invloed gehad in mijn eigen etsen”, zegt hij desgevraagd. En er komen reacties op zijn werk. Het verbaast hem hoeveel dat er zijn, inmiddels heeft hij per email al meer dan 60 ontvangen. “Soms niet meer dan een mooie zin, een andere keer ontving ik drie kantjes. In bijna alle reacties laat de schrijver zijn of haar binnenwereld zien. Takkenhoogte is een klankbord geworden van het gemoed.

    Dat brengt mij terug naar mijn beginzin van dit artikel, namelijk dat het de bedoeling van Van Hagen was om over de grenzen van de etskunst te gaan. Dat was het vooropgezette plan: hoever is het etsen uit te smeren in de kunst zodat er nog steeds gesproken kan worden van grafiek. Op hoeveel manieren kan een enkele afbeelding in een serie van afdrukken worden bewerkt. In welke mate kan een aanslag worden gepleegd op de klassieke etstechnieken, hoe onorthodox kan het etsen zijn. Dat voornemen heeft Van Hagen ten volle uitgebuit. Met een niet aflatende behoefte om te experimenteren is er een ruim scala aan afwisseling en verscheidenheid ontstaan.

    Voor iedere emotie een afbeelding

    De serie had als bijkomend verschijnsel, dat Van Hagen gaandeweg merkte dat iedere afdruk een eigen karakter had. Een persoonlijk gevoel aanboorde, een individueel gemoed aansprak. Bij iedere afbeelding bleek een bepaalde stemming te horen. De nuchtere technische zijde werd overstemt door een informele emotionele kant. Zoals afzonderlijke beschouwers een andere beleving kunnen hebben bij hetzelfde kunstwerk, zo is er in de serie Takkenhoogte voor iedere beschouwer een eigen afdruk. Uiteraard kan dat per dag verschillen; kan het vandaag deze zijn, terwijl het gisteren die andere was en het morgen de volgende is. Zo heeft Takkenhoogte al de emoties die er voorhanden zijn in zich. Zijn alle uitkomsten mogelijk, heeft ieder resultaat een verwachting.

    Voor Han van Hagen is dit gegeven geen bijzonderheid, want dat is de bekende kwestie in de kunst. Het is een persoonlijke aangelegenheid, je vindt iets mooi of niet, het probleem van de smaak. In Takkenhoogte is voor iedere emotie een afbeelding, voor elk gevoel een gedrukt vel. De struik, het bosje, blijft telkens hetzelfde – de zakelijke kant. De bewerking geeft voortdurend een andere beschouwing – de emotionele laag. Want dat is het geval, Van Hagen heeft een extra dimensie aan het etsen toegevoegd. Iedere afdruk van dezelfde plaat heeft in nabewerking een of meerdere lagen aan gewaarwording gekregen. Dat kan een positieve sensatie zijn, maar tevens een negatieve prikkel geven.

    Voor de uitgave die als catalogus min of meer bij de tentoonstelling hoort vroeg Van Hagen hem bekende en bevriende collegae in de kunst en daaraan gerelateerd een prent te kiezen en op te schrijven wat deze prent bij hen teweeg brengt. Evenals hij later zal doen aan de bezoekers in de tentoonstelling, zoals hierboven beschreven. De teksten die in het boek zijn opgenomen, dus de emoties die het werk oproept, gaan over verlies, troost, vreugde. Er wordt een gebeurtenis uit het verleden herbeleefd, herinneringen kleuren het beschouwen. Ook nodigen prenten uit tot het uiten in andere kunstvormen, zoals een poëtische beleving of een muzikale interpretatie, “Het resultaat stemt mij blij”, laar Han van Hagen weten. “Kunst doet waarvoor het bestemd is, zij zet aan tot ervaren, denken of leidt  tot ontroering, een binnenwereld wordt bereikt.”

    Takkenhoogte. Tentoonstelling prenten van Han van Hagen bij Museum Belvédère in Heerenveen-Oranjewoud tot 22 juni 2025. Uitgave Takkenhoogte, Geïnspireerd door Hercules Segers. Han van Hagen. Uitgeverij Noordboek, 2025.

  • Beeldspraak van brilslang en boktor, olifant en neushoorn

    De dieren die Jan Bouwstra laat acteren in filosofische fabels zijn precies als mensen. Met dezelfde mensen-wensen en dezelfde mensen-streken. Maar het Grote Dierenbos uit de Fabeltjeskrant is een poppenhuis vergeleken met het landgoed waarop de brilslang, de boktor en de andere dieren elkaar bevragen over leven en zijn. De lezende mens zou willen zo diepzinnig te kunnen mijmeren als de neushoorn en de olifant of de krekel en de egel dat doen. In de korte verhalen van schrijver, dichter en biochemicus Bouwstra verlaagt hij de hoge drempel van zware filosofische kwesties op een lichtvoetige wijze. Door de dieren uit zijn rijk beschouwend voor het voetlicht te zetten, maakt hij de wijsbegeerte tot een lust voor het begrip. Het gedachtegoed en de levensvisie van de muis en de kikker of de pad en de uil zijn het meer waar mijn denken en doen in spiegelen. Stille wateren, diepe gronden.

    Verzonnen verhaal met een moraal

    Een fabel is een verzonnen verhaal met een moraal waarin dieren de hoofdrol spelen. Maar deze korte verhalen van Bouwstra, amper meer dan twee bladzijden lang, schijnen helemaal niet denkbeeldig of onwerkelijk. Deze belichten wezenlijke gebeurtenissen, enkel zijn de hoofdpersonen geen mensen maar dieren. Ze hebben de animale eigenschappen die de schepping hen heeft ingeprent, en de karakteristieken die hen door de mensen zijn toegedicht. Daarin zijn ze zelf gaan geloven en hebben deze rangorde als van nature aangenomen. De sluwe vos, de wijze uil, de pad die de leiding neemt. Terwijl Bouwstra hen menselijke kenmerken toeschrijft of eigenlijk kwaliteiten die een mens als ik wel zou willen hebben. De dieren denken kinderlijk na over volwassen onderwerpen als liefde, schoonheid, macht, vriendschap, tijd en taal. Ze benaderen deze naïef en onbevangen, maar worden dan weer wel door wijze dieren terecht gewezen, worden levensvragen beantwoord. Want er zijn altijd betweters en beterweters, in welke samenleving dan ook.

    Hof van Eden houdt zich schuil

    Er wordt in de fabels van Bouwstra vaak en veel nagedacht bij zonsondergang of in het schemerlicht van de nieuwe dag. Op momenten dat het verstand wegdrijft, de sfeer zich opent voor een bezinning op het bestaan. De schrijver weet die ogenblikken poëtische stemmingen toe te dichten. ‘Die ochtend werd het licht in dauw verpakt tot kleine diamantjes die even schitterden in het mos om daarna te verdwijnen. (…) Het was vroeg in de ochtend, de dag twijfelde over wat zij worden wilde, totdat de zon door de wolken heen brandde en het bos begroette met haar stralen. (…) Het ruisen van de bomen werd gesponnen in de stilte van een blauwe hemelkoepel, die ver boven alles uitreikte. (…) Het was ochtend en de nevels losten op, terwijl de uren van de dag werden uitgegoten over een bos waarin de dieren ontwaakten.

    In dat bos van de dieren lijkt de Hof van Eden zich schuil te houden, maar net na het moment van de zondeval. De dieren weten nog niet dat er is gesnoept van de appel, dat de mens in een oogwenk weet van goed en kwaad. In een bliksemflits interpreteert de mens voortaan subjectief ethische waarden, beseft wat leven is en dat er iedere dag een nieuwe keuze is tussen twee kwaden. De dieren zijn nog in gedachten bij dat tijdpunt van de ongerepte schepping, zo zoals de wereld bedoelt is of was. Maar toch sijpelt al het dierlijke in het menszijn door en andersom. Bij de diepe gedachten, het lessen van de dorst naar kennis van het bestaan, moet het lichaam gevoed worden. Dus kan een rups waarmee een gesprek is gevoerd of een muis die een retorische vraag heeft gesteld zomaar pardoes worden opgepeuzeld door de merel of de uil, de pad of de brilslang. Niets dierlijks is de beesten vreemd.

    Met zichzelf in tweespraak

    Jan Bouwstra schrijft om een landschap te scheppen in zijn hoofd, waarin hij ronddoolt en geniet van de verschieten die verschijnen. En waarin diverse dieren vertellen waar hij zelf mee rondloopt. Hij is zijn dieren. ‘Ik alleen kan leven in het landschap dat ik creëer van mijn gedachten’, laat hij de uil plechtig zeggen, ‘ik volg de route die mijn dromen mij wijzen door dat landschap heen. Ik bedenk niet waar ik naartoe ga, ik volg alleen de weg.’ Het is alsof ik hem, de schrijver van de fabels, zelf de worden hoor formuleren. “In fabels meng ik metaforen”, schrijft Bouwstra in zijn voorwoord, “filosofische gedachten, fantasievolle invallen en humor tot miniatuurtjes die boven mij uitstijgen, alsof ze geschreven zijn door iemand die ik niet ken.” In die kleine formaat teksten kan hij zich verplaatsen in de gedachten van de dieren. Kan hij met zichzelf in tweespraak zijn, een dialoog voeren terwijl hijzelf het antwoord weet of denkt te weten op prangende levensvragen. Hijzelf is de reis en elke dag is hij het uitzicht van zijn ziel. Maar niet iedereen kan zo anders kijken of hoort wat de reisgenoot zegt. Het verhaal gaat soms het ene oor in en het andere uit, ofwel is het alsof de woorden om je heen zwerven zonder een weg naar binnen te vinden. Wat is de zin van het leven, wat is het nut van bestaan. De hele diergaarde vraagt zich dat af en de helft denkt het te weten.

    Tijd is niet van ons, wij zijn van de tijd

    Dromen is schuilen in jezelf, houdt Bouwstra in de hoedanigheid van luiaard mij voor. Hij schrijft woorden die behoefte voelen om betekenis te zijn. Terwijl ik ze lees besef ik mij dat deze in een moment verblijven dat nooit terug komt, een ogenblik waarin vervolgens een nieuw zijn plaatsneemt. Of, zoals de mier bij de dageraad opmerkt, dit uur heeft nooit eerder bestaan. ‘Elke seconde krijgen wij iets wat daarna weer weg is en nooit terugkomt.’ Wat later zegt de mier, die even wijs uit de hoek komt als de uil: ‘De tijd is niet van ons, maar wij zijn van de tijd.’ En nog enkele oneliners die tot de verbeelding spreken zijn in monden van verschillende dieren gelegd: Met twijfelen begint het onderzoek naar of iets waar is. / Het leven is niet te begrijpen als je eraan deelneemt. / Het denken maakt alles expres ingewikkeld omdat het denken daarvan leeft. / Jij bestaat alleen uit indrukken die anderen van jou hebben. / Kunst is een afdruk in de tijd van de beschaving.

    Jan Bouwstra verzamelt woorden en schud ze uit op papier. Wanneer ik ze lees krijgen ze daarmee pas betekenis. Vormen deze beelden in mijn gedachten. Het klopt dus, het is waar dat de fabeldieren bang zijn dat ze alleen een verhaal zijn. Alleen een gelezen leven zijn, dat ze gewoon werden bedacht. Dat zij niet zelf speler maar het spel zijn. Dat er iemand anders in ze is die hen speelt. ‘Wij zijn onderworpen aan iemand waarvan wij denken dat wij het zijn. Waardoor wij naar elkaar toe worden bewogen zonder te weten waarom. Of van elkaar af.’ Sommige vragen verdienen geen antwoord. Diverse antwoorden hebben geen vraag. Of zoals de brilslang opmerkt: ‘Ik ontdekte ineens dat ik niet de gedachte van iemand anders ben, ik ben de gedachte van mijzelf!’ ‘En anderen hoeven dat niet te snappen, want als iedereen begrijpt wie jij bent, dan ben jij niet bijzonder meer’, voegt de mier daaraan toe.

    De brilslang, de boktor en de andere dieren. Filosofische fabels. Jan Bouwstra. Met illustraties van Angela van der Meulen. Uitgeverij Noordboek, 2024.

  • Het boekje open over Hollands meest verstilde schilder

    Elke gelijkenis met bestaande personen of gebeurtenissen berust op louter toeval”. Dat staat niet in het colofon van ‘Feest! In de dierenwereld van Jan Mankes’. Want alle genoemde personen in het verhaal bestaan en elke gebeurtenis is losjes gebaseerd op de waarheid. Het gefantaseerde relaas rond de kunstschilder Mankes is geschreven en geïllustreerd in de eerste plaats voor kinderen. Ze kunnen het zelf lezen of zich laten voorlezen. Maar ook ouders leren door het verhaal te lezen de schilder van tederheid beter kennen. Auteur Astrid Kuiper heeft een speelse manier van schrijven, even fijngevoelig als haar hoofdpersoon dat was. Haar poëtische verhaal wordt in het boek vrolijk verbeeld door de tekeningen van Monique Beijer. Deze tekenaar op haar beurt zet dieren in hun omgeving passend in de sfeer van de vertelling. In de platen kun je de verbeelding van de tekst sprekend ontdekken. Sprookjesachtig beschreven, teer getekend.

    Poëtisch zingende toon

    De voorstelling is een gedroomde werkelijkheid. Nadat schilder Jan zijn werk van die dag als schepper Mankes heeft goed bevonden valt hij op de bank tevreden in slaap. Zijn fantasie gaat dan met zijn denken aan de haal, zoals iedere droom met de waarheid een loopje neemt. Vanaf dat moment gaat de tekst in het boek over in een poëtisch zingende toon, iedere regel heeft spontaan of gezocht eindrijm. Voor kinderen meeslepend om naar te luisteren, voor ouderen weleens hinderlijk bij het (voor)lezen. De melodieuze wijs doet niet af aan de inhoud en strekking van het verhaal. Slapende Jan droomt van een gondelvaart. Hij zal het fenomeen zelf niet gekend hebben. Het vond plaats in zijn geboortejaar in Amsterdam op Prinsessedag. Het zal later plaats hebben op de plek waar Jan in Beneden Knijpe heeft gewoond. In de voor de veenderij gegraven sloot voor het huis van zijn grootouders, later dat van zijn ouders en hijzelf, kwam ieder jaar een rij versierde en verlichte boten langs. Dat begint in 1932, twee jaar na Jan’s te vroege overlijden. Hij heeft dus een vooruitziende blik, droomt in de toekomst als het ware. Maar, o nee, het is een naar waarheid geschreven fantasieverhaal. Het is niet waar maar het had waar kunnen zijn. De waarheid is ingepast in de fantasie. En het past!

    In het verhaal willen de door Jan geportretteerde dieren iets aan hem terug doen. Doordat Mankes hen heeft geschilderd en daarmee gepersonifieerd, heeft hij hen de eeuwigheid gegeven. Door zijn schilderijen betekenen de geit, de haan, de kraai, het muisje en al die andere dieren iets, hebben ze en zijn ze van waarde. Astrid Kuiper situeert hen op een boot, die vooraf gaat aan een lint van versierde pramen in de gondelvaart. Ooit woonde ik op een steenworp afstand van de plek waar Jan Mankes heeft gewoond. Maar in een andere tijd, toen de sloot nog door het dorp lag en er sprake was van een brugjeskant. Destijds heb ik die gondelvaart meegemaakt. Als kleine jongen, ik was amper 10, stond ik op de walkant te kijken naar de pramen die in een lange rij werden voortgetrokken door een door een tractor gemotoriseerd schip. Kuiper beschrijft dit onderdeel van het dorpsfeest zoals het is geweest. Ik weet het, ik was erbij. De tegenwoordige allegorische optocht op wagens, die is gestart nadat de vaart is gedempt en plaats maakte voor een karakterloze straat, is een flauw aftreksel van deze lumineuze praamvaart.

    Nostalgische sfeer

    Het feestverhaal van Astrid Kuiper en Monique Beijer brengt die nostalgische sfeer van het dorpsfeest terug van toen in het heden. Hoewel ieder jaar in de maand oktober het dorp bol staat van de activiteiten ter meerdere eer en glorie van de saamhorigheid, de mienskip in onzuiver Nederlands, staat dit in de schaduw van wat er eerder plaats had. In het verhaal worden plekken genoemd die bij Knypsters bekend in de oren klinken, maar toch niet te vinden zijn in het dorp. Maar het draait in het boek dan ook niet in de eerste plaats om de gondelvaart of bestaande plekken, het is een verhaal aan deze elementen opgehangen om de dierenwereld van Jan Mankes meer aandacht te geven. Jan droomt zich die hele wereld bij elkaar, laat de dieren praten zodat het net mensen zijn. Jan droomt zich een fabel met zijn eigen afbeeldingen.

    Het zijn paard en kraai, konijn en geit, de nieuwsgierige haan, egels en muizen, puttertjes en lijsters die in het verhaal een rol spelen, zoals deze ook onderwerp zijn in Mankes werk. De vertelling bouwt met het paard Age als dirigent fijn toe naar een geweldig slotakkoord. Het cadeau voor de kunstenaar met strik. Hij staat dromerig bij het raam, een uil op zijn hand. Jan dreigt in gedachten verzonken de boot te missen, maar dan barst het levende schilderij uit de voegen en brandt een orkeststuk door de stille nacht. Maar eerst zijn er nog allerlei problemen, die het feest in de weg staan en om de fantasie te stimuleren, de vaart erin te houden. Maar zoals een goed sprookje betaamt loopt alles tot een goed einde. En eindigt het verhaal onverwacht ongerijmd in dialoog met Jan die door zijn vrouw Annie wordt gewekt, het was alles een droom. Hij is niet langs de vaart, niet in Beneden Knijpe, hij is in Eerbeek, thuis. Voordat ze naar de fanfare gaan gluurt Jan door de deur naar Beint op de kinderkamer. ‘Door het raam ziet hij een prachtig avondlandschap met maan’.

    Daarmee is het verhaal gedaan, de fantasie terug in de werkelijkheid. Maar het verhaal van Jan Mankes gaat verder. Er volgt nog een korte biografie met hoogtepunten en om meer te weten over de schilder en zijn werk een rijtje boektitels. Want het kan bijna niet anders dan dat de (voor)lezer na het (voor)lezen geïnteresseerd is geraakt in het werk van Jan Mankes. In zijn leven en zijn bijzondere kijk op de omgeving en de natuur. Dat je wilt zien hoe Mankes al de dieren die in het feestverhaal voorkomen door hem zijn geschilderd. Dat kan in de boeken, mooier is ze te bekijken in de musea. Het boek is een best uithangbord voor de dorpsfolklore en de dierenschilderijen van Jan Mankes. Het verlaagt voor kind en ouder de drempel. Kuiper en Beijer hebben op een originele manier het boekje open gedaan over Hollands meest verstilde schilder.

    Feest! In de dierenwereld van Jan Mankes. Tekst Astrid Kuiper. Tekeningen Monique Beijer. Uitgeverij Noordboek, 2024.

  • Het verhaal van kunstenaar en voddenboer Jopie

    Ik ben begonnen met schilderen, net zoals ik begonnen ben met ademhalen. Het is gewoon een drang, van binnenuit, net als eten en drinken.” Voor Jopie Huisman is beelden leven, zichzelf uitdrukken in verf of met potlood is een eerste levensbehoefte. Natuurlijk zat in de handel in vodden en oud ijzer ook een deel van zijn bestaan, maar naast eten en drinken en ademhalen was de kunst van vitaal belang. Zijn verhaal is opgetekend en neergeschreven in het boek “JOPIE HUISMAN Schilder van het mededogen”. Als samensteller van deze rijk geïllustreerde uitgave wil Eelke Lok er niet zijn naam aan verbinden, want het is het verhaal van Jopie Huisman. Wat Lok anderzijds natuurlijk wel doet door deze opmerking op het eerst blad te vermelden, onder een gekopieerde opdracht van Jopie. Ere wie ere toekomt.

    Autobiografie

    In zijn laatste fase van leven kijkt Huisman terug op zijn bestaan, maakt een korte autobiografie dat als vertelling in het boek is opgenomen. Jopie heeft het idee dat hij langzaam aan het verdwijnen is, en wil denkelijk naast zijn omvangrijke oeuvre aan kunstwerken nog kwijt wat hem heeft bewogen. Het nagelaten werk, de tekeningen en schilderijen, is zijn leven. Daarin staat zijn kijk op het eigen en ieder anders bestaan uitgetekend en afgeschilderd. Wie de figuratie bekijkt leest deze mens. En omdat Jopie Huisman in zijn werk zo dicht bij zichzelf is gebleven spreekt het aan, en blijft het appelleren aan het gevoel. Dit is wat hij is, wie hij was en zoals hij zal blijven. “Empathisch en autodidact. Zelfbewust en bescheiden”, somt Eelke Lok in het voorwoord de eigenschappen van de man op. “Rustig in gezelschap, maar spraakzaam in het gesprek. Onpeilbaar en kwetsbaar. (…) Ogenschijnlijk nonchalant, maar perfectionistisch in z’n kunst. Trots op zijn wortels, maar werelds in zijn denken.

    Verhalenverteller

    De verhalenverteller vol humor en filosofische wijsheden heeft in zijn werk een tijdloze levensvisie nagelaten. Zijn beeltenissen zijn voor wat betreft emotie en compassie van alle tijden. Deze spreken in al hun kwetsbaarheid generatie op generatie onmiskenbaar aan. Het Jopie Huisman Museum in Workum kent ieder jaar weer een grote toeloop aan kijkers en bewonderaars. De vodden van Huisman zijn geen hype gebleken, maar hebben een eeuwig leven gekregen. Op het moment dat de man achter die geschilderde oude meuk in bevlogen bewoordingen zijn bestaan omschreef, leek het alsof het werk niet zonder dit verhaal kon bestaan en weg zou kwijnen wanneer de schilder het zelf niet meer zou kunnen verhalen. Niets blijkt minder waar. De verhalen leven door in het werk. Huisman had de bijzondere gave om het woord om te zetten in beeld.

    Bij de horizon hield de wereld op

    Jopie was de jongste in het gezin. Hij kijkt met genoegen terug op zijn opvoeding. Hij had een gelukkige jeugd. Een humoristische vader met een hart van goud, een rasechte verhalenverteller, een harde werker. Een eenvoudige en nederige moeder, zeer gelovig en dankbaar voor alles wat ze bezat. “Mijn moeder was een vrome vrouw. (…) Ze zat boordevol met natuurlijke liefde. Van haar heb ik geleerd: alles wat niet de liefde als basis heeft, is niet echt.” De middelen van bestaan in het gezin Huisman waren minimaal, maar er werd nooit geklaagd. Als kind zwierf Jopie met anderen door de natuur rond Workum. Huisman beschrijft deze omgeving zoals deze toen was en wij er nu met weemoed op terugkijken. Een land vol weidevogels, slootjes waaruit je kon drinken, een rijke diversiteit aan planten en bloemen. “Ik heb het gevoel alsof ik het paradijs beschrijf en dat was het ook voor ons. Bij de horizon hield de wereld op; daarbuiten waren alleen Karl May, Jules Verne en Robinson Crusoë en de zon, de maan en de sterren.”

    “Dat ik kan schilderen is een gave”

    Hij benoemt zijn leven eveneens als opgetogen en voldaan. Hoewel hij wel tegenslagen heeft gekend. In de oorlog werd hij van straat gepikt en op transport gezet naar Duitsland. Het lot spaarde hem en hij kon ‘onder begeleiding van een engel’ vluchten. Toen zijn eerste huwelijk stuk liep viel Huisman in een zwart gat. Van de hemel kwam hij in de hel. De voorwerpen uit de vodden die hij jarenlang had bewaard getuigden van een schrijnende armoede. “Voor mij waren dat de meest waardevolle dingen die ik bezat; daar kon ik mijn gevoel bij kwijt.” In die nederige en vernederde spullen zag hij zijn eigen toestand weerspiegeld. Hij ging ze schilderen en ze hielpen hem uit het dal omhoog te krabbelen. De compassie en het mededogen waarmee Huisman zijn onderwerpen tegemoet trad geven het werk nu nog een diepzinnige inhoud. Een teneur die de boodschap van de schepper blijft verkondigen.

    Dat ik kan schilderen is een gave, een gift, iets dat ik heb gekregen. Daar kun je niet trots op zijn of het een succes noemen, want dan ontken je de betekenis van het woord ‘gave’. Ik ben er wel heel blij mee en het maakt me dankbaar.” Juist doordat Jopie Huisman in zijn werken vooral zichzelf bleef en zijn ziel en zaligheid erin heeft gelegd, spreken deze nog steeds aan. In het boek zijn de kunstwerken onderverdeeld in levensfases. Jopie-kenner en expositiesamensteller Annemieke Schors heeft het werk in chronologische volgorde gezet en van een karakteristieke tekst voorzien. Daardoor is de groei van de kunstenaar door zijn kunst nauwgezet te volgen. Naast het werk dat hem vooral bekendheid gaf, zijn er zoveel meer  andere werken die tot de verbeelding spreken en op het gevoel spelen.

    Huisman weet zich in diverse stijlen te uiten. Tekent evenzo vakkundig als dat hij schildert. Vooral fijnzinnig en gedetailleerd. Maar hij kan ook met een grote dosis humor illustratief op een cartooneske wijze zijn omgeving tegemoet treden. Dan schuurt hij tegen het werk van James Ensor. En ik zie ook gelijkenis met het werk van Bram Vermeulen. Zou Bram van Jopie geweten hebben, zoals Freek hem kende? Ondanks dat Huisman de wereld grotesk kon plaatsen wist hij deze ook met teder gevoel weer te geven. Vooral de benadering van hem na aan het hart liggende mensen, zoals zijn moeder en zijn kinderen, krijgen in zijn werk een ‘voorkeursbehandeling’. In de portretten van heit Ypke die naast elkaar zijn afgedrukt komt de scherpzinnigheid en het humoristische karakter van Jopie naar voren. In de eerste kop zijn alle rimpels en plooien te vinden, is het zware leven van de man geschreven in zijn huid. Het andere portret is meer een illustratie, als een karakterschets is zijn vader neergezet met de nadruk op de handen en het baaien hemd.

    Scherpzinnig en humoristisch karakter

    Jopie Huisman heeft een scherp oog. Hij kan om het onderwerp kijken en ziet het wezen. Het zijn van de door hem afgebeelde mens, de natuur van de omgeving en het aard van de versleten voorwerpen. Doordat hij zich sterk aangetrokken voelt tot de zelfkant van het leven, de mensen die niet gezien worden, spreekt hij in zijn werken ruimschoots tot de verbeelding. In zijn tekeningen en schilderijen geeft hij de voorwerpen, de kleding, de schoenen een tweede zin in het bestaan. De mensen krijgen een eeuwig leven toegemeten, ze zijn niet vergeten. “Je bent alles kwijt. Het enige dat je nog echt bezit, is je verdriet. Je voelt je met al je kleine zekerheden in de asla geschoven.

    Op het eind, wanneer Huisman inmiddels een bekende Nederlander is geworden en een grote schare bewonderaars heeft, bereidt hij zich voor op een verdwijnen naar een hoger elders. Zijn onderwerpkeuze verandert en hij tekent meer dan hij schildert. Hij grijpt terug op zijn begintijd en maakt een kleine mistige wereld. Vervallen en afgetakelde schuurtjes en vissershuisjes. De charme en nostalgie van het geleefde leven. De afgetrapte voetbalschoenen van Abe. “Ik maak steeds kleinere dingen, want ik ben zelf aan het verdwijnen.” In 2000, zijn sterfjaar, tekent hij een zelfportret gezeten achter de ezel. We zien Jopie op de rug, werkend aan wat op een dorpsgezicht lijkt. Hij lost als het ware op in het beeld. Zijn bestaan in de achtergrond is al verdwenen, hij gaat er zelf achteraan. Een karakteristiek beeld, zoals al zijn werken aarden naar zijn leven.

    JOPIE HUISMAN Schilder van het mededogen. Samenstelling Eelke Lok. Teksten Jopie Huisman, Annemieke Schors, Eelke Lok. Uitgeverij Noordboek in samenwerking met het Jopie Huisman Museum, 2024.

  • Het evangelie naar Johannes Hendrikus: de Bijbel van Zelle

    Hij wilde preker zijn, maar kwam tot bloei als spreker. Johannes Hendrikus Zelle werd dominee, maar voelde zich thuis in de rol van evangelist en veldprediker. Geen stem uit de hoge, maar een innerlijke drang om het Woord te verkondigen. Hij stond echter maar kort voor een gemeente, want de mens Zelle paste niet in een keurslijf. Hij liet in het pastoraat waardevolle steken vallen en handelde en wandelde buiten het normale leven, waarvoor men hem negatief bekritiseerde. Dominee Zelle was een eenling, een zonderling, en werd een legende. Zijn doen en laten, maar vooral het zijn van predikant en hoe dat heeft doorgewerkt in het dagelijks leven, bleek voedingsbodem voor een theaterstuk en een lijvige biografie. Want was zijn hele leven niet één tragische komedie?

    Recalcitrant en tegendraads

    Het drama Zelle werd karikaturaal op de planken gezet door Freark Smink onder de vlag van het Friese theatergezelschap Tryater. Hij trok er in de provincie volle zalen mee, want de eigenzinnige dominee blijft nog altijd synoniem voor recalcitrant en tegendraads. Zijn donderpreken vanaf de kansel uitgesproken zijn roemrucht. Hij sprak op de man af de mens aan, persoonlijk. Bevindelijk en christocentrisch. Psalmen zong hij luidkeels boven de kerkmensen uit. Wat hij echter op zondag vanaf de preekstoel verkondigde bleek niet te stroken met hoe hij door de week zijn bestaan indeelde. Hij kon spreken als Brugman, maar was als dominee geen herder en zorgde slecht voor zijn schapen.

    Ooit was ik in de zaal van het Heerenveense Posthuis getuige van het theaterstuk Zelle. Acteur Freark Smink en muzikant Hoite Pruiksma zetten de figuur Zelle meeslepend op de planken. Het was een voorstelling in de Friese taal, want Zelle is van Leeuwarden en Tryater van Fryslân. Het stuk is na het Friese succes nog vertaald en buiten de provincie in de rest van Nederland opgevoerd. En ook daar trok het volle zalen, want ook buiten Friesland is Zelle een bekende naam. En niet alleen om zijn illustere verre nicht Mata Hari: Margaretha Geertruida Zelle. Na de voorstelling kocht ik de dvd om thuis nog eens geobsedeerd te raken van deze bijzondere persoonlijkheid. Mede daardoor was ik meer dan geïnteresseerd in de biografie geschreven door Bearn Bilker. Hoewel Zelle op de planken enigszins koppig en hardvochtig overkomt, weinig begrip lijkt te hebben voor het welzijn van moeder terwijl het zijn taak is haar te verzorgen, leer ik in het boek een andere kant van deze mens kennen. Hij is recht door zee, kent geen gulden middenweg: je wordt alleen behouden door je leven lang het goede te kiezen, de smalle weg. Maar Zelle preekte geen hel en verdoemenis. Bij Zelle was hoop.

    Een tussenweg is er niet

    Bearn Bilker werd zo geraakt door deze wonderlijke redenaar dat hij in de kerkelijke en publieke archieven dook en met talloze getuigen en familieleden sprak om een levendige levensbeschrijving op te kunnen stellen. De biografie “Een tussenweg is er niet” is de bijbel van Zelle geworden, het evangelie naar Johannes Hendrikus, daar zijn denkbeelden en persoonlijke interpretatie van en over het Woord er in staan opgetekend. Hij liet geen dagboeken of notities na. De echte motieven voor zijn doen en laten zullen we niet te weten komen, volgens Bilker. Doordat een kerkenraad gewoon was en is van de kerkelijke vergaderingen welhaast woordelijk verslag te leggen, kon de biograaf de notulen als voedingsbodem gebruiken voor zijn levensbeschrijving van Zelle. In het boek worden deze verslagen dan ook breed uitgemeten en schuift de lezer als het ware bij aan de vergadertafel in de kerkenraadszaal. Ook zijn teksten van preken werden integraal in het boek opgenomen, zodat ik Zelle bij wijze van spreken kan horen redeneren. Eerstens gaat Bilker gedetailleerd in op het debacle Rockanje, de gemeente waar Zelle werd beroepen, in een keurslijf gedwongen en uiteindelijk met vervroegd pensioen ging. Hij werd niet geschorst of afgezet, dit zou inhouden dat hij beroepbaar bleef, dus in een andere gemeente opnieuw tegen dezelfde muren aan zou lopen. Als emeritus predikant was het hem vrij overal in de lande te preken, iets wat hem na aan het hart lag.

    Donderpreken en schoensmeer

    Dominee Zelle is vooral de geschiedenis in gegaan als de man van de donderpreken, de man met het met schoensmeer zwart geverfde haar, de man die in de zee of het meer zwom, slordig gekleed ging en op zijn centen zat. Maar dit zijn alle vooroordelen, aannames en vermoedens. Een verhaal heeft altijd een kern van waarheid, waar rook is is vuur. Bearn Bilker gaat in zijn biografie dieper op de man Zelle in dan de oppervlakkige legende dat doet. Er blijkt meer mens achter het norse uiterlijk te zitten en de lezer kan makkelijk medelijden krijgen met deze tegendraadse man. Want hij zat zichzelf voortdurend in de weg, hoewel hij daar zelf geen notie van had.

    Zelle ging eigenzinnig en zelfingenomen zijn eigen gang, had zijn eigen manier van leven dat afweek van wat als normaal te boek stond. De verhalen over zijn levenswijze en zijn omgang met vrouwen, zijn manier van spreken en zijn vele politieke toespraken pasten evenwel niet bij de waardigheid van de rol van dominee. Niet geschikt voor het ambt was het zijn roeping de mensen de blijde boodschap te verkondigen. Om geld in de la te krijgen trok hij het land door voor spreekbeurten en ging alom voor in kerkdiensten. Geld, voor dominee Zelle de mammon – de afgod, was voor de mens Zelle een belangrijke voorwaarde in het leven. Hij was gierig waardoor hij na zijn overlijden een grote som geld naliet. De kachel ging niet aan thuis, de tuin werd niet onderhouden, er stond karig eten op tafel. Wel zorgde Zelle ervoor dat hij tijdens preekbeurten, wel 4 of 5 op een zondag, onderdak kreeg waar een goed maal op tafel stond.

    Zonder mitsen en maren

    Zelle was Zelle, anders dan anderen, en dat liet hij keer op keer blijken. Een gewoon gesprek kon men niet met hem voeren, hij had geen gave te communiceren. Argumenten uitwisselen was er bij hem niet bij, laat staan dat hij begrip kon opbrengen voor kritiek op zijn gedrag, houding, levensstijl of persoon. Het imponeren wat Zelle eigen was gebeurde doorgaans onbewust. De ideale profeet voor simpele zielen, wordt journalist Pieter de Groot in het boek geciteerd. De mensen accepteerden alles van hem en lieten hem zijn gang gaan, want hij trok volle kerken. Waar hij voorging daar wilden de mensen bij zijn, ze wilden dominee Zelle meemaken. Er was altijd wel wat te beleven.

    Dominee Zelle wist grote groepen aan zich te binden en te boeien. Verkondigde geen zaken waar hij zelf niet achter stond of die men graag van hem zou willen horen. Hij had een eenvoudig mens- en wereldbeeld, doorgaans zwart-wit, en had geen antwoorden op de gecompliceerde vraagstukken van zijn tijd. Hij sprak eenvoudig en duidelijk zonder nuanceringen, zonder mitsen en maren. Zelle stierf in het harnas. Niet op de kansel – zijn toneel, maar achter zijn bureau op zolder in de week na zijn laatste zondagse preek. Het fenomeen Zelle leeft voort in de beeldende biografie van Bearn Bilker. Hij zal zodoende niet snel worden vergeten, ook niet wanneer de mensen die hem hebben gezien en gehoord niet meer onder ons zijn.

    Een tussenweg is er niet. Biografie dominee J.H. Zelle (1907-1983). Bearn Bilker. Uitgeverij Noordboek, 2024.

  • Het Museum Belvédère in mijn boekenkast

    Met het boek “verzamelde werken” laat Museum Belvédère zien wat deze in huis heeft. Geeft inzicht in zijn verzamelbeleid en toont in meer dan 300 afbeeldingen en een volledige lijst van kunstobjecten een collectie met een geheel eigen signatuur. En met die lijvige catalogus in de kast kan ik zo weer het depot inlopen, zoals ik destijds deed als collectiebeheerder van dat museum. Voor mij is het een feest van herkenning, daar ik vele van de werken letterlijk door mijn handen heb gehad bij het inrichten van tentoonstellingen. Iedere bezoeker die zich het boek heeft aangeschaft kan al bladerend achter de schermen kijken, in het heilige der heiligen zeg maar. Daar waar weinig mensen een blik mogen werpen en een kijkje kunnen nemen, staan met het boek de deuren van deze opslag figuurlijk wagenwijd open.

    Vele van de opgeslagen werken zullen nauwelijks van de stellingen van het depot komen, vooral omdat dit veelal eenlingen zijn die welhaast nergens aan relateren, waarmee de conservator geen verbinding kan leggen om een evenwichtige presentatie op te bouwen. De collectie van Belvédère is een verzameling namelijk met oneindig veel verbindende lijnen die per tentoonstelling gekoppeld kunnen worden. Vanuit bijna ieder kunstwerk is wel een verbinding te maken met een of meerdere composities elders in de schappen. Of een relatie te leggen met werk buiten het museum wat dan in bruikleen wordt genomen voor de duur van een tentoonstelling. Maar enkele blijven toch achter gesloten deuren, terwijl het wel belangrijke stukken zijn. Met “verzamelde werken” van Museum Belvédère heb ik dus het museum in huis, opgeslagen in de boekenkast.

    Museum Belvédère, collectieboek

    Dwarsdoorsnede omvangrijke verzameling

    Op dit moment toont Belvédère een dwarsdoorsnede van die inmiddels voor een relatief klein museum omvangrijke verzameling. Werk van de kunstenaars die de kern van de collectie vormen krijgen daarin extra aandacht. Om die werken heen is verzameld en wordt nog steeds verzameld. De pit heeft een dikke schil gekregen in de loop van het bestaan van het museum, nu bijna 20 jaar. Begonnen als verzameling bruiklenen is het nu een uitgebreide museumcollectie. Het collectieboek zoals het er nu uitziet is echter een momentopname. Over enige tijd zal er een nieuwe uitgave moeten komen of kunnen aan deze katernen worden toegevoegd.

    De Friese kunstverzamelaar, kunsthandelaar, galeriehouder en curator Thom Mercuur stond aan de wieg van Museum Belvédère. Het was zijn verzameling waarvoor hij een passend onderkomen zocht. Hij spande zich daarom jarenlang in om ergens in Friesland een museum voor hedendaagse kunst te stichten. Een plek waarin zijn collectie kon worden getoond, en waarmee verbindingen gelegd zouden kunnen worden met dat wat er in de kunst rondom gebeurd. Uiteindelijk werd het de plaats waar het museum nu staat, op de rand van de bebouwde kom van Heerenveen in de lommerrijke omgeving van de bossen van Oranjewoud. Een stille karaktervolle plek uitkijkend op nieuw aangelegd water waar ooit vroeger een min of meer natuurlijk meer lag. Het museum werd ook een plek van rust, het museum van stilte waarin vooral de interpretaties op het Friese landschap een plek hebben gekregen. Een plek van wind, water en wad – eb en vloed.

    Museum Belvédère, collectieboek

    Acht Friese kunstenaars

    Het museum is een kijkdoos, een lang gerekt gebouw met zichtlijnen. Waarin het de bedoeling was om iedere kunstenaar binnen de verzameling van toen een kabinet te geven. Zo zag Mercuur dat voor zich, dat op huiskamerformaat de kunst kon worden bekeken. Het zijn uiteindelijk twaalf aparte ruimten geworden, die in de westvleugel plaats kunnen bieden aan het tonen van de vaste collectie. Zo was dat in de beginjaren toen Mercuur nog directeur was, bij het aantreden van Han Steenbruggen heeft deze een herschikking gedaan en wordt de vaste collectie ook elders in het gebouw getoond terwijl de kabinetten plaats kunnen bieden aan bruiklenen en gastkunstenaars.

    Van de acht kunstenaars ‘van het eerste uur’ wordt nu werk getoond dat zichtbaar is in acht kamers. Met de verplaatsbare wanden in de oostvleugel namelijk kan worden gespeeld met de indeling van de zaal. Deze kan bij iedere tentoonstelling een ander aanzicht hebben, maar op dit moment is het de verdeling zoals Mercuur dat in de beginne voor zich heeft gezien. Onder de noemer “Acht Friese kunstenaars” toont Museum Belvédère karakteristiek werk van deze kunstenaars.

    De mist op de nevelende horizon van Willem van Althuis, die op een half uur afstand lopen van het museum atelier hield. Het draadstaal en de golfplaten als dragers van de abstracte landschappen van Harmen Abma. De imaginaire landschappen van Jan Snijder, waarin het water stroomt en de atmosfeer trilt en die veelal de Wadden als inspiratiebron hebben. Het monumentale Friese land in de vertaling van Gerrit Benner, expressief emotioneel met beide benen in de klei verzot op de hoge luchten. De rietkragen van het natuurgebied De Deelen door Sjoerd de Vries gekerfd in karton van boekbanden. Zijn poëtische weeklaagsters gaan zichtbaar door merg en been. Van Jan Mankes, op een steenworp afstand van het museum gewoond hebbende, worden de bekende werken uit eigen collectie getoond; dieren, landschappen en mensen. Het werk van Jan Mankes is wel de kurk waarop het museum drijft. Maar ook het Friese kubisme van Boele Bregman is een belangrijk onderdeel in de verzameling. Mercuur, De Vries en Bregman hebben in de jaren 50 van de vorige eeuw het plan opgevat een museum in te richten. Waarvan Thom directeur zou zijn en waarin Sjoerd en Boele, en daarnaast al hun schildervrienden, hun werk konden laten zien.

    Museum Belvédère, collectieboek

    Waarnemen, beleven en denken

    Als laatste is van de constructivistische schilderijen en meubels van Thijs Rinsema een stijlkamer ingericht. Tijdens mijn bezoek aan de tentoonstelling verzuchtte een bezoekster wat die Rietveld daar deed. Een vreemde eend in de bijt, die overbekende leunstoel naar model van de bekende ontwerper? Net als het sculptuur van Tony Cragg misplaatst lijkt te zijn in deze opstelling. Maar het past naadloos aan de werken. Het heeft evenveel speelse creativiteit. Het is een toonbeeld van de verbindingen die gelegd kunnen worden.

    Heeft de tentoonstelling een indeling naar kunstenaar, het boek is opgedeeld in hoofdstukken naar thema’s. In combinaties die in tentoonstellingen zijn beproefd en in combinaties die nog niet eerder zijn toegepast. Aldus is het een tentoonstelling op papier  waardoor naar hartenlust gebladerd kan worden. En openen, volgens Han Steenbruggen in zijn voorwoord, de afgebeelde kunstwerken hun eigen werkelijkheid en nemen de toeschouwer mee in het waarnemen, beleven en denken van hun makers. De huidige directeur gaat in op het ontstaan van het museum en legt het verzamelbeleid en de manier van presenteren van de collectie uit. “Met de verzameling kunstwerken die Thom Mercuur in de oprichtingsfase bijeen bracht als inhoudelijk geweten, heeft Museum Belvédère in de jaren die volgden zijn grenzen verlegd.” Het zou een kunstcollectie zijn die een afspiegeling is van de moderne en eigentijdse kunst in het noorden van Nederland, die in relatie tot kunst van elders permanent wordt getoond. “Nu de belangrijkste modernisten uit Noord-Nederland met één of meerdere werken vertegenwoordigd zijn in de verzameling van Museum Belvédère, mag het collectieboek verschijnen, (…) als verantwoording van zo’n 25 jaar museaal verzamelen.”

    Museum Belvédère, verzamelde werken. Bezorgd door Nico Gijsbers en Han Steenbruggen. Uitgave Museum Belvédère in samenwerking met Uitgeverij Noordboek, 2022.

    Tentoonstelling “8 Friese kunstenaars” bij Museum Belvédère, Oranje Nassaulaan 12 in Heerrenveen – Oranjewoud. Tot en met 4 juni 2023.

    Museum Belvédère, collectieboek