Tag: Uitgeverij Opwenteling

  • Mijn kop blijft aan bij de poëzie van Peter van Lier

    In eerste ontmoeting met de titel “kop blijf aan” moest ik van mijzelf denken aan dementie en alzheimer, hot-items bij het ras vergrijzende Nederland. Maar begaf ik mij in de inhoud van de dichtbundel van Peter van Lier met dat opschrift “KOP  BLIJF  AAN”, probeerde ik de tekst tot mij te nemen, begreep ik meer van de keuze voor deze titel. Je moet je kop erbij houden om de hersenspinsels van de dichter te lezen. Om het te begrijpen moet je kop aan blijven. Open staan voor wat je leest. Je zeker niet laten afleiden door prikkels en ruis, het wezen zo eigen.

    De zinnen zijn geen regels, de woorden gaan een eigen weg over de bladspiegel. De strekking van het verhaal, want dat is het toch wat Van Lier in het kort in ieder vers wil zeggen, wordt versterkt met duidingen tussen haakjes. Net alsof het geheel verduidelijkt moet worden, aangedikt. Overbodige informatie? Zeker niet, het tussen haken zetten heeft juist meer gewicht. Zo krijgt die toevoeging expliciet aandacht. Het is een aanvulling op de tekst of beter een commentaar. Het geeft het gedicht een luchtig karakter, de ernst is doorspekt met humor zoals doorregen biefstuk lekker sappig is of gorgonzola heerlijk kruidig.

    Ondoordachte opzet van doordachte tekst

    Op de kaft van de bundel zie ik een wirwar van rechte lijnen in wit op zwart met accenten rood. Een illustratie die veel weg heeft van zenuwprikkels, de communicatie in het lichaam zodat het kan handelen. Wanneer de kop aan blijft en ik me begeef in de bundel ziet mijn brein er zo ongeveer uit, stel ik me voor. Het is eerstens al een zenuwslopende aanblik, tot bloedens toe volg ik met de ogen de lijnen. Wat verbinden deze, welke informatie wordt overgebracht. Het verbeeldt de natuurlijke bronnen die in de bundel beschreven zijn.

    Gaandeweg lees ik me in, in de zin van dat ik de stijl van de dichter begin te begrijpen. Het opschrift dat vetgedrukt boven het vers staat is niet de titel, maar de eerste regel ervan. De regels waaieren vervolgens over de bladspiegel. Een enkel woord krijgt, zich los gemorreld, extra aandacht. Het lijkt een enigszins ondoordachte opzet van een doordachte tekst, maar er valt een vast stramien in de verschillende gedichten te ontdekken. Het past in een format zogezegd. En het is daarin gegoten.

    Van Lier observeert het leven

    Tot zover de technische kant. Het gaat in deze poëzie natuurlijk om de emotie, in welke vorm dat is gegoten blijft bijzaak. Peter van Lier brengt een ode aan alledaagse zaken. Zaken die zo raken ondergesneeuwd door de loop der dingen en verdwijnen in het drijfzand van de tijdgeest. Emotie is de drijfveer, maar wordt in het openbaar nauwelijks beleden. De gedichten tillen op van de metaforen. Handelingen erin genoemd worden gespiegeld zodat ik me er mogelijk in kan herkennen. Wat staat geschreven heeft overigens over het algemeen een andere duiding dan de aanvaarde betekenis. Op die manier worden de dagelijkse zaken uit het normale getrokken om abnormaal te lijken. Maar het zijn gebeurtenissen van 13 in een dozijn. Heel gangbaar, heel neutraal. Maar worden bijzonder in de woorden van de dichter.

    Hij is een filosoof, vriend van de wijsheid, studeerde kennis. Om diepere vragen over het leven, de werkelijkheid en menselijke ervaring te begrijpen en te beantwoorden kijkt hij dus met een andere blik tegen het zijn aan. Die zienswijze en deze denkwijze kan hij niet kwijt in de authentieke dichtkunst en het zuivere rijmschema. Van Lier observeert het wezen. In een stijl die minimaal maar duidelijk in woordbeeld laat zien hoe hij in de wereld staat. Poëzie kortom waarin nauwkeurige waarneming, verwondering en filosofisch denken samenkomen. Het past niet echt in een vakje, maar wil ik het in een hokje wringen dan kan ik schrijven dat de poëzie van Peter van Lier axiomatisch van aard is: zij stelt vast, zonder bewijs, en laat het denken aan mij. En ik moet er wat van denken, iets van vinden. Ik ben geen normale lezer zoals een ieder die zich de bundel van Van Lier eigen maakt. Ik lees met een ondertoon. En wanneer ik dan de juiste toon heb gezet, de vrolijke noot correct aanvoel, dan kan ik mij een mening vormen en over de bundel mijn licht laten schijnen.

    Citaat

    Hij komt naast mij staan en wijst me op de elementen die zijn wereld kleuren en duiden. Op welke manier ik volgens hem de omgeving geschetst in poëzie kan benaderen en bewonderen. Dat is niet die van de rijmelarij, maar van de poëzie met een grote P. De dichter die de werkelijkheid buiten de realiteit beziet en in eigen ervaringstaal omschrijft. Daar kan ik op eigen houtje een weg in vinden, echter Van Lier reikt mij een gids aan zodat ik niet zal verdwalen in taal en betekenis”, citeer ik mijzelf uit een bespreking van een eerder boek van Van Lier. En dat is nog voortdurend steekhoudend, zij het dat hij toen schrijver was en nu dichter is.

    Aha-erlebnis

    Schreef ik al dat de woorden over het papier waaieren, vooral in de paragraaf “met enig houvast” dansen deze letterlijk over de pagina’s. Er lijkt echter geen houvast te zijn totdat ik de spelregels van het spel doorheb en begrijp. Die ‘aha-erlebnis‘ brengt een vrolijke sfeer in. Ik heb niet de oplossing, maar heb wel inzicht. Maar de tekst zoals deze door Peter van Lier is vorm gegeven laat zich niet uitspreken, voorlezen. In mijn verslag van de presentatie van onderhavige bundel merkte ik dat al op: “Poëzie zal niet voorgelezen worden, gedichten moeten gelezen zijn. Bij het voorlezen gaan woorden verloren, gedachten krijgen geen ruimte. (…) Op gelegenheden dat dichters samenkomen en zichzelf met hun werk aan toehoorders presenteren, verdwijnt het mysterie van de poëzie.”

    Ik probeer op deze plek de schrijfwijze te duiden, maar vraag mij tegelijk af of dat zinvol is. Als beschouwer tracht ik een toelichting te geven, in de hoop de inhoud van een besproken boek toegankelijker te maken. Maar moet ik op die stoel gaan zitten om dit mysterie op te lossen? Verdwijnt de magie wanneer het systeem dan blootligt? Deze poëzie is geen rebus. Abstracte kunst laat zich niet uitleggen – zij is er. Dat is voldoende. Dat moet genoeg zijn. De dichter heeft zijn wezen in woorden gelegd. Dat cryptogram kan ik ontrafelen, maar even goed kan elke andere lezer tot een tegengestelde uitleg komen. Aanpassen en inpassen, het gedicht schikt zich naar de eigen gewaarwording, laat zich opnemen in de persoonlijke ervaring. Kunst is emotie, abstractie is gevoel, axiomatisch is een reden.

    Tegenwoordige tijd

    KOP  BLIJF  AAN” is een bloemlezing uit eerder verschenen bundels. Maar nergens is datering en niets is gedateerd. Of het zal het moment zijn na de pandemie dat mensen weer naar buiten mogen en zich gedragen als koeien in de lente losgelaten uit de stal: “hek open, kudde los” / “Daar staan we dan, onwennig”. Het gedicht leest actueel, de gedichten laten zich modern lezen, van deze tegenwoordige tijd. Zijn wezen, dat van Peter van Lier, lijkt eeuwig – is geen dooddoener. Van onpeilbare waarde om aan vast te houden. En dat is zelfreflectie, want die kop moet aanblijven. Uit die kop komt de idee tot bloei, maar het moet het wel blijven doen.

    In mijn bespreking over het boek “Geachte afwezigen” van Peter van Lier uit 2017 merkte ik al op dat zijn poëzie er is en gewoon mag zijn. Het heette een verweer van de poëzie te zijn, maar de dichter hoeft de gedichten niet te verantwoorden. “Van Lier hoeft zich als dichter niet te verdedigen voor het dichtwerk”, schreef ik. “Het is veeleer een eerbetoon aan het vrije vers, de moderne poëzie. Deze dichtkunst heeft een grond, een groei en een bloei. (…) Ik kan een lange wandeling met de schrijver ervan meedenken, maar soms slaat hij een pad in dat mij welhaast doet verdwalen. Ik raak hem kwijt, tast in het niets buiten de werkelijkheid, maar hij vindt mij terug binnen woorden die zijn zinnen vormen. Waar ik de richting kwijt ben en telkens op een doodlopende weg stuit, neemt hij mij in zijn tekst weer bij de hand en leidt mij bijdehand terug op het juiste pad.”

    KOP  BLIJF  AAN  Peter van Lier, gedichten. Uitgeverij Opwenteling, 2025.

  • De wilde woorden van Annet Zaagsma

    Ze pikt woorden op in de buitenruimte. Flarden van gesprekken. Halve vragen en hele antwoorden. Zinnen die uitdrukking geven, regels die verbeelden. Ach, pikken niet, want dat is ontnemen. Zij gebruikt de woorden die zich in het wild schuil houden, verdekt opgesteld bewegen. Een ieder ander valt het niet op, hoort deze niet. Het ene oor in en het andere uit. Neemt het waar als geroezemoes waaraan geen touw valt vast te knopen. Losse flodders als verknipte snippers, rafelig uit de smurrie van een conversatie. Of die ieder ander beluistert daarin enkel naar de voor hem, haar of hun interessante taal. Te herkennen zinnen, te begrijpen regels.

    Met de woorden die Annet Zaagsma in het wild opvangt, daar haar antenne is gericht op de gewaarwording, maakt zij eigen persoonlijke uitdrukkingen. De woorden gebruikt in haar gebezigde poëzie staan soms denkelijk haaks, maar lopen ook wel parallel aan en langs elkaar. Kunnen naast elkaar bestaan of reageren. Zo vormt zij een beeldend jargon waarbij na aandachtig en meerdere malen lezen het kwartje valt. Niet meteen is de strekking duidelijk, maar daarmee zijn de gedichten geen abstracte woordspelingen. De woorden houden niet altijd de oorspronkelijke betekenis, maar de duiding is wel te herleiden wanneer de lezer cryptisch durft te denken. De realiteit is erin vervormd zal ik opmerken, maar niet verdraaid.

    Wildernis van woorden

    Tussen de regels door kan ik in de kantlijn mijn beeld (be)schrijven. Doodles die niet uit desinteresse in de marge verschijnen, maar mijn voorstelling geven aan de gedachte bij de gelezen uitdrukking. Mijn kantlijnkunst is de kladtekening van de verbeelding. Zo leg ik mijn beschouwing uit waar het woordbeeld de geest ordent tot onuitspreekbare reflecties.

    In de wildernis van woorden kom ik op adem in het wit tussen de strofen. Houd voor even rust en overdenk contemplatief wat gelezen is en hoe dat zich verder laat uitdrukken. Een meditatief moment om de bedoeling in mijn gedachten te laten zinken en vervolgens uit deze inbedding geestelijk herboren weer aan de oppervlakte te komen.

    Dat gevoel kan ik hier niet beschrijven, omschrijven. Zaagsma heeft het immers al voor mij uit geschreven. Aan haar taal kan ik tenslotte geen punt of komma toevoegen, het is al zo duidelijk als dat het er staat. Ik moet alleen de juiste woorden vinden die passen in haar idioom, die voor mij de bedoeling duiden. Die ervaring in haar poëtische beeldverhaal stemt mij tot nadenken en maakt me zwijgzaam om eraan geen woorden vuil te maken. Haar schoonschrift verbetert een klein beetje de wereld. De druppels op de gloeiende plaat zijn onuitspreekbaar op de plek en o zo nodig. Deze kunst van het dichten opent de ogen en verruimt de blik.

    Dubbele laag in betekenis

    De poëzie van Annet Zaagsma kan allerlei onderwerpen aansnijden. Zoals de woorden in het wild worden gevonden, zo dwalen de thema’s ook los rond. Op haar safari kan verkeersinformatie heel wel grond tot inspiratie geven. Of is een catalogisering van lichamelijke signalen bij oplopende spanning door wat dan ook gesloten poëzie met dichterlijke vrijheid. Want vrijheid is niet binnen de lijntjes kleuren, maar een nieuwe tekening maken. Geen rijmelarij, maar het experiment aangaan. Ik diep in die gedachte een boodschappenlijstje uit mijn broekzak op. Daar zie ik echter geen poëtisch beeld voor me verschijnen. Dat klopt en is zo klaar als een klontje, want ik ben niet de poëet die er een dichterlijke draai aan kan geven. Bij mij blijft het lijstje een opsomming van aan te schaffen producten, door de vingers van Zaagsma krijgt het een dubbele laag in betekenis. Ik frommel het papier terug in mijn zak, het zegt niets en heeft geen waarde. Althans wel nu maar zeker niet op een later moment.

    Zaagsma diept woorden uit het woordenboek op en geeft daar een eigen uitdrukking aan. Ze bedenkt geen nieuwe woorden, geen andere betekenissen, maar transformeert in poëtische duiding de bestaande en algemeen aanvaarde formuleringen. Zo zodat ik twee keer moet lezen en dubbel dien te denken om de eigenzinnige verklaring correct te interpreteren. Wel zoals ik het aantref bladerend in die dikke Van Dale, dus woordsoort, woordgeslacht en uitspraak. Zelfs met een verwijzing om een standpunt te visualiseren, een inzicht uit te diepen of juist oppervlakkig te houden. Een voorbeeld:

     doorbraakbloeding / zelfst. naamw. (v.) uitspraak: [‘dorbrak ‘bludɪɳ] / / een doorbraakbloeding komt zo onverwachts als een lawine / in de Amazone. sneeuwschuivers komen te laat, schaamte / is een natuurlijk materiaal. de maan wordt een ongeleid projectiel. / door versoepeling van de ondergoedregel is eeuwig gemengd / dubbel spelen onderdeel van de oplossing. de voor-achterpositie / geeft de grootste kans op succes in toernooiverband.

    Dwalen in de gedichten

    Annet Zaagsma is een dichter met diepgang. Naast de frivole lyriek die op een lichtvaardige manier lichamelijke lusten en psychische lasten schetst, kaart zij klimaatproblemen en milieukwesties aan. Zij wordt daarom ook wel een klimaatdichter genoemd en laat haar materiaal ademen. In die adem maakt ze mij met weinig gemarkeerde woorden duidelijk waar het volgens haar op staat. “ bijtsporen / / vingertoppen / verkennen wat slaapt, zwijgend / tussen heuvels ligt / / bewegen langzaam / heen & weer, wekken het beest / een nat spoor, in een / / allengs zwellend zacht ravijn “ Ik krijg het er warm van in mijn onderbuik, dat is wat wilde woorden met iemand doen. “ drijfvuil / / microbolletjes en meer / raadsels in de route van de riolering / de afbraak duurt de eeuwigheid / / bij het proportioneren van dimensies / zeven we het kwaad uit / schatplichtig aan het kleinste / van het kleinste / / je kunt nog zo dik schillen / in elk klokhuis schuilt cyanide / plastic tot in onze vezels “ Jawel, de plastic soep en het PFAS monster, niet uit te roeien.

    Ik kan dwalen in de gedichten maar zal niet verdwalen tussen de regels door, want Zaagsma geeft mij voortdurend reden mijn zicht te verbreden zodat ik terug kan treden op mijn schreden om nieuw de confrontatie met de uit het wild getemde woorden aan te gaan. Zij maakt de jungle begaanbaar hoewel ik soms door de bomen het bos niet meer zie, door de woorden het gedicht niet meer herken. Dan sta ik voor een moment met de mond vol tanden. Krijg ik echter door te verdiepen een vinger achter de duiding dan doorzie ik de reden van ontstaan en bestaan van deze dichtkunst. Zaagsma blaast niet hoog van de toren om haar punt te maken, maar door het licht ironisch sarcasme kruipt ze onder mijn huid en jeukt de boodschap zodat ik deze moet krabben. Met de voorgeschotelde metaforen krijg ik plaatsvervangende schaamte over misstanden die bedekt beschreven zijn. Sluit ik mij geconcentreerd van mijn omgeving af, ben ik voor het moment van lezen het bezit van de dichter. Dan heeft Annet Zaagsma mij in haar macht en kan via de woorden met mij doen wat ze wil. Door de gedichten kan ze mijn gedachten manipuleren en in de richting sturen die zij in gedachte heeft. Bijt ik de zure appel die mijn beeld verzuurt, want in ieder klokhuis schuilt cyanide. Je ziet het niet maar het is er wel. Zo is het met deze dichtkunst, je leest de reden niet maar deze is er wel. In de kern schuilt de waarheid.

    In elk klokhuis schuilt cyanide. Annet Zaagsma. Dichtbundel. Uitgeverij Opwenteling, 2025.

  • Internetbronnen als vaste waarde

    Ergens las ik onlangs dat het openingsgedicht het visitekaartje is van elke dichtbundel, het vers dat een eerste indruk geeft van wat je als lezer te wachten staat. “Daarom zullen dichters het openingsgedicht met scherpte selecteren”, schrijft collega-recensent Ton van ’t Hof en bespreekt meteen slechts het eerste gedicht uit de debuutbundel van Kine Brettschreider, Trekpoptt. Een bundel die ik eerder in het geheel heb besproken en geen knieval heb gemaakt voor of gestruikeld ben over dat eerste gedicht toen. Want al wat na kwam was even interessant als representatief.

    Dat eerste gedicht nu in de bundel “mijn cloud, die de uwe is” van Anouk Smies zal dus hààr paradepaardje zijn. Daarom lees ik het woord voor woord geconcentreerd, en dan doe ik de rest van de bundel eerstens tekort. Het is een goede binnenkomer, “De ondergang zelf”, en zet mij meteen op het juiste spoor. Maar ik merk gaandeweg langs het traject dat de spanning wordt opgebouwd en leidt naar een tussenstation om op adem te komen. Want de bundel heeft vier aandachtspunten, hoofdstukken. Dan kan ik mijn toewijding opladen en de blik in een dwarse richting sturen.

    Anouk Smies, poëzie, dichtbundel, Opwenteling

    Gronden om een zekere ondergang te duiden

    Echter dat eerste gedicht, de deur die opengaat terwijl ik door het sleutelgat al een indruk had gekregen: “ ‘God’s not on our side, because he hates idiots.The Good, The Bad and The Ugly”. Anouk Smies projecteert in de bundel haar rolprent. Een film met een waargebeurd verhaal, genomen van een verdieping in de eindtijd-sekte ‘Wachters van de nacht’, geschriften en videofragmenten van uitvinder en futuroloog Raymond Kurzweil, internetbronnen die verwijzen naar ‘Project West Ford’ en dus in de cloud zitten – die immense wolk van digitale documenten. Allemaal gronden om een zekere ondergang te duiden, maar elke gelijkenis met bestaande personen of gebeurtenissen berust op louter toeval. Behalve GOD, die in de weerklank uit een diepe put DOG is. Het christendom als underdog preekt de passie van de eschaton, het eind der tijden.

    Blijvend bij het eerste gedicht, lees ik daarin het jaar 2000, het millennium waarin alles op digitaal gebied zou vastlopen wat de ondergang van de moderne mens had kunnen betekenen. Maar ook zie ik een Goede Vrijdag, in de middag dat het voorhangsel scheurt en totale duisternis over de velden ligt tot een uur of drie, dan rond een uur later verdwijnt de dramatiek door overvloedig licht. In de koude oorlog valt de bom en implodeert de wereld, een doemscenario. Dichterbij huis is de wolf het coronavirus. De ondergang zelf komt als een dief in de nacht als donderslag bij heldere hemel. Smies omschrijft wat er had kunnen gebeuren. Een profetische tekst? Of een vermoeden hoe het is en kan verlopen. Want die wanorde na de kruisiging is tot een nieuwe orde geworden en verre van vergeten.

    De wereld in negen verzen aan het woord

    Anouk Smies beschrijft verder die ideeën van de eindtijd-gelovigen. De wappies die fake nieuws als overtuiging hebben. Want wat zijn hun redenen om te wachten in de nacht, ervoor zorgend dat hun licht blijft branden zodat ze bij de heiligen kunnen aansluiten wanneer de ondergang daar is. Wat gaat er in hen om, hoe leven zij met die wetenschap. De dichter probeert daar een vinger achter te krijgen. Om daarna mij te brengen bij het weten dat er geen godheid bestaat, maar ook de twijfel hebben dat deze er zeker wel is. Mijn noodlot begrijpen door me de aarde te laten kennen. Het is de wereld die in negen verzen aan het woord is.

    Abnormaal wordt het nieuwe normaal was het devies enige tijd geleden. En of die wonderlijke zonderlinge vreemdheid alledaagse werkelijkheid is geworden zullen wij pas achteraf kunnen herleiden. We blijven niet hangen in het verleden, het leert ons niet de les want we vervallen makkelijk weer in oude gewoonten. Het script van de ondergang is niet verontrustend, maar kan zelfs troostend zijn. God bestaat nog niet, dus bij de dood is het klaar. Op de dag dat Al de ruimte neemt ontwaakt het universum beurt Smies mijn gemoed op. Hier sluipt de digitale omgeving binnen de gedichten en maakt de dichter de titel van de bundel: “LOF / Lieve cloud, / sluipwesp van individuele drift, / mammoetklank van wetenschap, / harde hand zonder onderscheidend vermogen / / Lieve cloud, / pooier van goedertierenheid, ballenbak, / hackertje, cosmetische chirurg van gemis / / Lieve cloud, / waar niemand uit ontwaakt als ik het mocht bepalen / Niet uit mijn cloud, die de uwe is”.

    Druppelstroom op het kaft

    Want het is niet een zacht verkwikkende motregen dat in kleine druppen op mij neerdaalt vanuit een grijs wolkendek. Het is wel een regen in pijpenstelen uit een zwarte lucht dat kletterend roffelt en al het leven dat smacht om water onder het maaiveld laat verdrinken. Het is heftig en voorspelt weinig goeds, wat zal ik aantreffen en kan ik schuilen onder het geboden dak. Wanneer ik de druppelstroom op het kaft goed beschouw, lijkend te bewegen in verschillende gradaties blauw en diverse lettergrootten – verticaal figuurlijk uit de hemel komend, letterlijk van de bovenrand van het voor mij liggende ongeopende boekje, goed beschouwend zijn dit cijferreeksen in willekeurige volgorde. Cijfercombinaties die kunnen staan voor lettertekens, nummering als metafoor voor het gedigitaliseerde leven. Dus dat gedicht op pagina 45 had voor mij beter het eerste gedicht kunnen zijn, dan had ik meteen geweten welk vlees ik in de kuip zou hebben. Dit vers is het pronkjuweel.

    De bundel “mijn cloud, die de uwe is” heeft internetbronnen als vaste waarde. De zoekmachines die verwijzen naar de inspiratie om te dichten. Die gedachten zijn door een ieder te gebruiken, wanneer je maar de juiste zoektermen gebruikt. Die cloud, dat is een persoonlijke verzameling documenten in een kluis waar je een digitale sleutel voor moet hebben om deze te openen. Ieder persoon die toegang heeft bezit een eigen kleine wolk in de grote cumulus. Maar Anouk Smies geeft in haar bundel toegang tot haar verzameling documenten. Maar om deze te begrijpen heb ik wel een sleutel nodig, want ze strooit nogal met metaforen en verwisselde termen voor gangbare uitdrukkingen rond. Het is een geconcentreerd lezen, een aandachtig overwegen na iedere zin. Vat krijgen op de bedoeling is niet zo simpel. De gedachten van deze dichter zijn zo glad als een aal, deze kronkelen over het papier en laten zich minder gemakkelijk (be)grijpen.

    Het valt je in als een zachte motregen

    Het laatste gedicht in de bundel, op pagina 61, daagt uit tot diepgaand onderzoek. Daar staat zeven maal de titel van het boekje in bits en bytes uitgeschreven. Zonder hapering. De handleiding staat een pagina eerder. Zeven maal wordt aangegeven dat ik toegang heb tot het gedachtegoed van Anouk Smies dat ergens in de lucht rondzweeft. Want er is die cumulonimbus, die stapelwolk waarin alle gedachten van elk mens op aarde als ijskristallen hangen opgeslagen. Het kan niet zo zijn dat met het sterven van een individu zijn of haar denkbeelden, inzichten en oordelen als een vingerknip zijn verdwenen. Deze blijven rondzweven en de mensheid na deze kan er naar wens gebruik van maken. De sleutel die nodig is om toegang te krijgen is het talent, de gave, het intellect. Het valt je in als een zachte motregen, maar het kan je ook toevallen als een donderslag bij heldere hemel, ineens is het er; het inzicht. Opeens zie je het licht en waar dat vandaan schijnt weet je niet.

    Het is de analoge wolk, door een hogere macht de wereld gegeven. De digitale wolk is van een andere orde, het is door de mens zelf in de atmosfeer geblazen. Waar die cloud precies hangt en of deze werkelijk wel bestaat is evenzo ongrijpbaar als een godheid hoog op zijn troon gezeten. Het zwerft in de wolken, het is in ICT termen gesproken de cloud. Al in de 17e eeuw is dat binaire schrift uitgevonden, dus is er zoals alom bekend weinig nieuws onder de zon maar gebeurd er meer tussen hemel en aarde dan wij weten en beseffen. Dat schrift doet het goed in het geheugen van de computer. Daarmee kan deze rekenen, en verrekent zich nooit. De mens kan een fout maken, de computer doet dat niet. En gaat het dan eens mis dan komt dit door menselijk falen. Voor de computer bestaat er enkel ja en nee, zwart en wit, 0 en 1. Er is geen grijs gebied, wel een als dan ofwel what if. Wanneer het niet dit is dan is het dat. Of anders.

    Mijn cloud, die de uwe is. Dichtbundel. Anouk Smies. Uitgeverij Opwenteling, 2023.

  • De Ig in Trekpoptt spreekt voor zich

    Van een andere dichter las ik niet lang voor nu over zijn gestrenge vrolijkheid in de villanelle. Een dwangbuis voor woorden opgezet in een nauwgezet en uiterst creatief rijmschema: AbB – abA – abB – abA – abB – abAB, vijf terzines met een afsluitende kwatrijn. Hoe makkelijk wil je het hebben om het moeilijk te doen. De dichter dezes merkt in zijn voorwoord tot en de uitleg op zijn geschreven regels dat de hedendaagse dichtkunst de spreektaal nadert en daarbij de vorm meer en meer loslaat. De poëzie van Kine Brettschreider die dan vandaag aan mij voorligt daarentegen, hoe experimenteel en los van iedere stijl of elk voorschrift dan ook, benadert de spreektaal geenszins. Hoewel buitengewoon actueel omschrijft het de gedachtewereld. Om stil van te worden, de woorden te lezen zonder deze uit te spreken. Ze geluidloos te bepeinzen. Gelezen dienen ze te worden, niet voorgedragen. De verzen van Brettschreider zijn denkbeelden die een persoonlijke voorstelling vergen, geen collectief besef.

    Een taal die geen woordenboek heeft

    Het is de denktaal van de hoofdpersoon genaamd Ig. Het mens dat kort in het leven staat en enkele woorden tot zich mag rekenen, maar wel de omgeving voor zichzelf wil bevatten en verbeelden. Gaandeweg de vertelling, dat uiteenvalt in legio verzen, wordt de vocabulaire breder maar blijft de zelf ontwikkelde Ig-taal gebezigd. Een taal die geen woordenboek heeft, geen vertaling kent. Want deze Ig-figuur beziet de wereld, denkt daar het zijne dan wel het hare van. In zijn woorden, haar gedachten. Het zijne schrijf ik in eerste aanvang, een tweede het hare, maar het kan evengoed onzijdig zijn, niet geslachtelijk. Zo blijft het opgestelde voor een ieder in te vullen, aangepast op de eigen persoon, universeel.

    Kine Brettschreider, poëzie, dichtbundel, Opwenteling

    De Ig van het Germaanse Ich, er wordt wel meer Duits gebezigd tussen de regels door. Of de Ig als verkleining van de voornaam Iggy. Iggy Pop, waardoor ik de titel van de bundel kan plaatsen: TREKPOPTT. Zoals de gedachten van Ig die woorden krijgen om duidingen te geven aan ervaringen, reflecteer ik eenvoudig op de formuleringen. Het lijkt kindertaal bij tijd en wijle. Ervaren onderwerpen hebben uitdrukking nodig. Is de naam van de ervaring of het gevoelen blanco en leeg dan wordt het door Ig naar eigen idee ingevuld. Of het gehoorde wordt verbasterd (twitboek en veestboek). Maar Ig wordt voortdurend beschreven in de derde persoon. Het persoon staat buiten de dichter, maar deze weet overal het fijne van waardoor het is alsof Ig de ik van de dichter is, eerste persoon.

    Gewaarwording van Ig is mijn weten en kennen

    De lezer kan zich in de verwrongen taal en de manke woorden vereenzelvigen, maar moet er wel enige moeite voor doen. Naarmate ik, de lezer dus, dan verder in de bundel lees, aandachtig de taal van Ig’s gedachten meer de mijne wordt, word ik tot die hoofdpersoon. Heb ik aan een half woord genoeg. Ben ik Ig. Zie ik door zijn/haar woorden mijn eigen spreektaal. Trekt het, de dichter aan mijn touwtjes van het leven. Maak ik mee wat Ig ervoer en beschreef. Het dagboek van Ig is mijn reisboek, de gewaarwording van Ig is mijn weten en kennen. De wereld van Ig ligt open voor mij, daarin kan ik met de routebeschrijving die TREKPOPTT is mijn weg vinden.

    Het gedrukte handschrift van Brettschreider is niet eenvoudig te lezen, laat staan in eerste instantie te ontrafelen of ontwarren. Daardoor, door dat mysterieuze karakter, intrigeert de tekst. Boeit het en maakt nieuwsgierig naar wat komen gaat. Sla ik de pagina’s belangstellend om. In haar poëzie is dan wel geen rijm te vinden, zoals misschien wel te doen gebruikelijk denk je maar niet heus. Het is een ongerijmd de woorden in zinnen en regels doen reidansen over het papier, een rondedans van A tot Z. Van “as Ig twee winterbomen ziett” tot “Ig wilt gewoon een nette wagen”. Ik doorleef in de bundel het zijn van Ig. Want eenmaal de betekenis doorziend gaan de collageachtige verzen leven en geven de samenstellingen geheimen prijs.

    Kine Brettschreider, poëzie, dichtbundel, Opwenteling

    Dichterlijke vrijheid heeft geen verklaring nodig

    Dan ergens halverwege – zo ongeveer op bladzijde 43 in Igs werkkamer aangekomen denk ik – ben ik Ig, zie ik mezelf als Ig, beschouw ik de wereld door Igs blik, ben ik Igs ogen. Verwonder en bewonder het leven zoals Ig dat voor mij doet en deed, verwoordt en verwoordde. In de huid van Ig word ik echter wel tot de marionet die ik niet wil zijn. Kine Brettschreider trekt aan mijn touwtjes, door haar woorden te doorzien word ik de pias, de harlekijn. Zij laat mij kijken zoals beschreven, stuurt mijn gedachten in tegengestelde richting.

    De dichter geeft tot slot enkele aanwijzingen voor zangers en sprekers. Al zal ik niet uit haar bundel declameren, hardop citeren, zal de voorgestelde ademoefening toch hout snijden. De keelklanken en neuzelige woorden komen dan getoonzet uit mijn mond. Denk ik. Wie verstand heeft van deze dichtvorm, kenner is van deze schrijftaal zoals gebezigd door Brettschreider, zal mij uit-lachen of in elk geval onbeschaamd grijn-zen om mijn miskennis en onkunde, achterlijke ezelachtigheid, deze poëzie proberen te duiden. Want deze dichterlijke vrijheid heeft geen verklaring nodig, iedere toelichting of uiteenzetting gaat mank zoals de kinderlijke denktaal van Ig wel gehandicapt is. Het werkt als een abstract schilderij dat voor zichzelf moet spreken, uit zichzelf de betekenis kan duidelijk maken. Echte kunst heeft geen verklarende woorden nodig. Het staat er, het is er, het spreekt voor zich.

    TREKPOPTT. Kine Brettschreider. Uitgeverij Opwenteling, 2022

  • Gedachten ruimen om me te bezinnen op de poëzie van Annet Zaagsma

    Bij de titel krijg ik al zo het vermoeden, je leest de nieuwe bundel van dichter Annet Zaagsma niet zomaar door en uit. “Opgelet. Het materiaal moet ademen”, ofwel denk eraan de geest moet lucht hebben. Om de kracht van de woorden, de sterkte van de zinnen en de bedoeling van de verzen te doorzien, moet ik me stil en ongestoord op de letters concentreren. Woord voor woord dien ik de gedichten te wegen op inhoud en betekenis. Ik lees daarom de poëzie luid op aan mezelf voor, want stil in gedachten de regels opnemen is voor een terecht doorzien weinig zinvol. De woorden vervliegen in het laatste geval, dringen niet door zoals wanneer ik mijn eigen stem spreken hoor.

    Annet Zaagsma, Opwenteling

    Mijn eigen stem die de woorden weegt, de juiste toon aanslaat, stil is bij lege regels. Pauzeer om daar dan het voorgaande te overwegen, te overdenken dat wat komen gaat op de volle regels vooruit. Zo als het stiltegebed in de vespers van de kloostergetijden. Voor momenten gedachten ruimen om te bezinnen, reflecteren, mijmeren. De regel zonder woorden is een rustpunt, een meditatief moment. De blik op oneindig, het verstand op nul, als het ware. Maar de blik echter overdenkt starend het opgeroepen beeld, terwijl het verstand tuurt in de verste verte van het zijn. Diep in mij.

    Opletten is het leidende woord

    Lees ik de gedichten hardop voor dan krijgen deze grond en word ik minder snel van de pagina afgeleid door interrumperende verstoringen. Opletten is het leidende woord. Het materiaal, de poëzie, moet ademen wil het voor mij gaan leven. En leeft het dan, is het er, dan zie ik beelden uit de woorden opstijgen. Krijgt het geschreven woord een gebeeldhouwde taal. Huiver ik bij het gewicht van de woorden die in zinnen de toekomst waarzeggen of vergane herinneringen oproepen.

    Annet Zaagsma, Opwenteling

    De gedichten van Annet Zaagsma zijn als surrealistische schilderijen. Ik moet verder kijken dan mijn neus lang is. Dieper door de lagen wroeten. Laag voor laag de poëzie determineren. De anatomie van het vers doorgronden, en niet enkel er een platonische verhouding mee krijgen. Doorleven veel meer dan doorlezen. Het werk van Zaagsma vraagt concentratie en inlevingsvermogen. Maar wanneer je de stijl dan begrijpt, de gang van zaken doorziet, zijn de beschreven beelden tastbaar, is de opgewekte kracht voelbaar.

    Het is geen abstracte realiteit

    Een schilderij van Dali, Ernst of Arp zal ik niet meteen begrijpen. Het verdient empathie voordat ik doorzie, begrijp en beleef. Maar de poëzie van Zaagsma staat niet boven de werkelijkheid, het verlangt wel dat ik mijn visuele verbeeldingskracht losmaak van mijn verstand waardoor mijn onderbewustzijn de tijd kan oprekken en de ruimte kan vinden aan de grenzen van het gedichte verhaal. De gedichten staan middenin de werkelijkheid, ordenen de omringende ruimte. In eerste instantie die van de dichter zelf al schrijvende. In de tweede plaats die van mij terwijl ik lees en opneem.

    Annet Zaagsma, Opwenteling

    Het is geen abstracte realiteit. Zaagsma omschrijft luid en duidelijk waar het op staat. Ze heeft echter een andere inrichting van de werkelijkheid, zij schikt de woorden zo dat er een nieuwe waarheid ontstaat. En doorzie ik de feiten van het zijn, dan is er een aha-erlebnis – een ervaring van o-ja, zo zit dat. Bijna een déjà vu, wat Zaagsma schrijft schijn ik in mijn beleving te hebben opgeslagen, als een herinnering aangemaakt. Of een voorspellende gedachte.

    Zaagsma als reisleider door de taal

    Zij beschrijft en maakt voor mij de illusie van wildernis waarin ik droom te leven, terwijl ik als stadsmens de natuur juist als onkruid uitdrijf. Maar planten zijn goed voor ons zo betoogt zij. De dichter heeft groene vingers. Daarom leeft zij zich voor mij in het groene geluk in. Het karakter van buitenleven dat zich binnenshuis kan afspelen wordt in detail beschreven. Van de koe op het hakblok in de keuken tot de plagende oorwurm die tinnitus graaft in mijn hoofd. Ergens in de bundel lees ik dat de plant geen hart heeft en leeft zonder hersens, maar wel in dezelfde atomen als de mens uiteen valt. Een ontdekking; Zaagsma als reisleider door de taal, ik volg en ben drager van letters tot woorden. Zo staar ik op de tekst en mijmert Zaagsma door over zandbij en libanonceder. De natuur is haar muze, maar ook de actualiteit inspireert. Bootvluchtelingen, plasticsoep, aangespoelde consumptie artikelen. Wij zetten de wereld naar onze hand, althans dat is het proberen waard, en roepen vrolijk ‘na ons de zondvloed’. Dus is het advies “zorg dat de boot klaarligt”.

    Annet Zaagsma, Opwenteling

    En kijkt ze dan naar zichzelf om mijn materiaal te laten ademen, dan komen symbolen als in vanitas uit de beeldende kunst voorbij. Verwerkt in een rijk stilleven komt onopgemerkt de leegheid aan het oppervlak, staat de dood aan de deur. Zover wil ik met het werk van Annet Zaagsma niet gaan, maar de representatie van onbedachte ongeordende ruimten in mijn brein geeft zij beeld in haar poëzie. Die zinnebeelden moet ik eerst doorzien om de strekking ervan te begrijpen. En wendingen in betekenis en inhoud naar een voorbereid plot kunnen mij op een verkeerd been zetten, dat kan. Ook spring ik weleens figuurlijk opzij voor een addertje onder het gras.

    Puzzelen op het gedicht

    Het zijn wel als voorschriften of handleidingen geschreven overdenkingen, die gedichten in “Opgelet”. Het programma van het concert des levens. Zaagsma heeft de partituur en slaat als dirigent de maat, zolang ik me maar aan haar notenschrift houd. En dan in galop verder, een sierlijke draf op de koop toe. Je leest weer en nog eens, en meer serieus, aandachtig. Zoals het stijlfiguur van een cryptogram eerst moet indalen voordat de betekenis van de omschrijving ontrafeld kan worden. Zo puzzel ik op het gedicht van Annet Zaagsma, totdat me alles opeens duidelijk wordt. Het is er ineens, als in een flits, de inspiratie om te doorzien.

    Annet Zaagsma, Opwenteling

    correct halthouden is niet hetzelfde als vierkant staan / eerst moet aan alle voorwaarden worden voldaan / daarna kan men correct halthouden / nageeflijk, zonder holle rug / / zowel de voor- als achterbenen naast elkaar zetten / niet te ver, dus onder massa / zodat ze het lichaam kunnen dragen / / sommigen blijven drijven terwijl ze inhouden / terwijl het zinloos is / twee hulpen tegelijk te geven

    Opgelet. Het materiaal moet ademen. Annet Zaagsma. Gedichtenbundel. Uitgeverij Opwenteling, 2022.

    Annet Zaagsma, Opwenteling
  • Poëzie om de drempel van de wetenschap te slechten

    Wetenschap is soms pure poëzie. Zowel wetenschappers als dichters jagen een droom na die onbereikbaar lijkt. Maar die ze uit alle macht toch proberen te realiseren. De meeste van deze wetenschappers en van die dichters zijn zo met zichzelf en met hun droom bezig, dat ze die maar nauwelijks meer aan anderen kunnen uitleggen. Ze hebben een eigen taal en leven in een eigen wereld. Hoewel de wetenschap zich met harde gegevens bezighoudt komen hun ideeën dicht bij kunst en literatuur. En daar de poëzie emotionele en abstracte informatie afgeeft lijkt hun resultaat verre te staan van de wetenschap. Maar niets is minder waar, want beide stromingen kunnen elkaar de hand reiken en gaan goed samen – hand in hand als kameraden.

    Drie prijswinnaars

    De Vereniging voor Wetenschapsjournalistiek en -communicatie Nederland, kortweg VWN, organiseerde bij haar 35 jarig bestaan een wetenschapsgedichtenwedstrijd. Op deze manier dacht de vereniging wetenschap op een luchtige manier over het voetlicht te krijgen. Er was veel respons op de oproep gedichten in te sturen, waarmee men bewezen zag dat veel mensen er de lol van inzagen om het belang en de schoonheid van wetenschappelijk onderzoek op een speelse manier te delen. Uit de stapel inzendingen werden door een jury drie prijswinnaars gekozen en kregen twee gedichten een eervolle vermelding. De winnaars van de wedstrijd plus een selectie uit alle andere gedichten is terecht gekomen in een speciale uitgave met “misschien wel de beste nieuwe wetenschapspoëzie: De beste, mooiste, origineelste, grappigste en meest ontroerende inzendingen van een wedstrijd zijn verzameld, aangevuld met werk van erkende dichters”.

    VWN, gedichtenwedstrijd, uitgeverij Opwenteling, wetenschapspoëzie

    Op de omslag, ontworpen door wetenschapscommunicator Lucas Keijning, is het brein in actie. Zenuwen zenden een taal die door het oog gezien wordt als oplichtende sterren in een blauwe hemel. De tentakels van de zenuwen maken een kluwen als de takken en het doorgeschoten gras in het struikgewas. Ik kan me voorstellen dat de wetenschap in de hersenactiviteit het ontstaan van een gedicht kan onderscheppen. Uit het voorwoord van Govert Schilling wordt duidelijk dat wetenschap en poëzie al eeuwen lang samen op gaan. Want ontdekkingen werden vaak in versvorm vereeuwigd. En van de andere kant stelt de poëzie de wetenschap op schrift in kwatrijn, rondeel en haiku.

    Focus op het detail

    Wetenschappers en dichters vinden elkaar, daar beiden met de geest een abstract beeld herkenbaar willen omschrijven. Veelal is het vaktaal, een formulering die onleesbaar lijkt voor de buitenstaander. Maar gelezen en doorzien wordt wanneer de zenuwen zijn geprikkeld, de taal is begrepen door aandacht en een focus op het detail. Want zoals de wetenschapper diep tot op het bot van een voorwerp gaat, zo zal de dichter ondoorgrondelijk het onderwerp uitgraven. De beschouwer van formule en gedicht gaat mee die diepte in om het werk op waarde te schatten.

    VWN, gedichtenwedstrijd, uitgeverij Opwenteling, wetenschapspoëzie

    Het is een lekker dikke bundel wetenschapspoëzie geworden, die verre van een droge stof behandeld. Eigenlijk is het de catalogus van de wedstrijd, een afspiegeling van de ingezonden gedichten aan de ene kant en de wetenschap daar tegenover. In het beschikbare materiaal waren helaas niet alle poëzievormen en elke tak van wetenschap vertegenwoordigd, zodat de selectie gaten niet kon dichten en er witte vlekken overblijven. Maar de honderdtwintig pagina’s bevatten toch een interessante greep. Niet in een vloek en een zucht uit te lezen. Gedichten drukken de neus op de feiten. Hebben dubbele bodems om over na te denken. Hebben de lachers op de hand of benen serieus de materie uit. Een zestal hoofdstukken zetten gedichten met eenzelfde strekking bij elkaar. De samenstellers hebben geen willekeurige volgorde gemaakt, maar relaties gelegd, overeenkomsten gezocht. “Daarmee lijken de individueel geschreven werken soms met elkaar te spreken, op elkaar te reageren, elkaar uit te dagen of te beantwoorden.”

    Ritmisch verspreiden

    Is er in het begin nog letterlijk sprake van poëtisch onderzoek in de wetenschap, later verwatert dit en lijkt de dichter op een afstand de geleerdheid te beschouwen. Dan wordt de emotie ook tot wetenschap en is de religie bekeken als kennis. De bundel slokt me op. Ik raak gebiologeerd door deze vorm van dichten. De wetenschap wordt er minder stoffig van en de poëzie gaat meer analyserend te werk. Er is weinig experiment, de dichters houden zich aan strakke schema’s. Soms is er een verhaal in dichtvorm; zinnen die over de regels zich ritmisch verspreiden. Ook lees ik wel rijm. En korte aforismen waarin de gedachte slechts enkele woorden nodig heeft om te spreken. De woorden relativeren, de gedichten laten de betrekkelijkheid inzien van het verheven benul.

    VWN, gedichtenwedstrijd, uitgeverij Opwenteling, wetenschapspoëzie

    De titel van de bundel is gesneden van het prijswinnende gedicht “alles is mogelijk”. In die eerste prijs wordt de schedel gelicht en het brein van een afstand beschouwd. In de woorden vind ik het beeld van het omslag terug. Het is alsof je naar de hemel staart, waarin sterren als vlekjes oplichten. Kijk, daar gaat weer een boodschap en hier vonkt een idee terug. De kennis vliegt van hot naar haar, heen en weer, maar maakt een mooie ronde baan langs het firmament. Het is geen sinecure om uit de grote stapel inzendingen een juist, best en meest in het thema passend gedicht te trekken. Een gedicht dat het verdient het erepodium te bezetten. Ieder ander zou misschien een tegengestelde keus hebben gemaakt.

    Wetenschap tastbaar gemaakt

    Elk gedicht dat de bundel “En dat was kennis, zeg je dan” heeft gehaald slecht de drempel tot het gebouw waarin de wereld wetenschappelijk wordt onderzocht. Op een luchtige manier wordt het stof van de meetinstrumenten geblazen. Met een grijns worden methodologische regels omver gelachen. Maar er is ook ruimte voor een traan bij een afscheid. Plaats voor het dier wanneer de natuur wetenschap is. De bundel behandelt dan wel niet elke wetenschappelijke tak, maar toch kom ik ver in het doorzien van materiële en immateriële objecten en concepten. Feiten, hypothesen, theorie en wetten worden als grootheden in deze poëzie van hun sokkel gehaald en begrijpelijk uitgelegd. De wetenschap wordt tastbaar gemaakt. Variabelen en gemiddelden komen lyrisch en episch in vallend ritme en schuin rijm.

    En dat was kennis, zeg je dan. Misschien wel de beste nieuwe wetenschapspoëzie. VWN gedichtenwedstrijd. Uitgeverij Opwenteling, 2022.

  • Ik ben de maan, Rudolf, aangenaam

    Van een afstand denk ik het aan te zien. Zoals het lezen van een boek is, er fysiek geen deel van uit te maken. Het aanhoren van een verhaal, zonder als figuur een bouwsteen te zijn. Lezen en horen wat de hoofdpersoon zoal wel doet en niet laat. In monoloog wanneer hij of zij in zichzelf is, de persoon in de omgeving wordt beschreven. De dialoog in de ontmoeting met anderen, de figuren lijdend voorwerp zijn. Maar altijd staat het buiten mij. Meevoelen kan ik, mijn gedachten kunnen overeenkomen met de idee van de schrijver. Situaties werken als déjà vu, dat kan. Voorvallen invoelen.

    Deze keer sta ik niet van een afstand te kijken. Wil ik dat wel, kom ik niet verder dan de kaft en blijft het boek gesloten op tafel liggen. Meteen op de eerste pagina van “O Rudolf” namelijk vraagt de auteur mij om actief deel te nemen aan het verhaal, in het boek. Wanneer ik het dus opensla ben ik het verhaal. Had ik het maar dicht gelaten? Het is intrigerend, arglistig door Ineke van Doorn in beeldtekst uitgewerkt. Zij laat het verhaal tot leven komen in haar tekeningen. Maar ook de tekst blaast al adem in het figuur. Die tekst is in een speels lettertype uitgeschreven, als gezette letters in een oud boek. Er is gestoeid met diverse groottes, cursieven en vette aanzettingen. Verlangend naar een glyph, een teken dat met één of twee pennenstreken te noteren is. Een beeldmerk. Van Doorn schets en tekent, arceert en vult de bladzijden tot een levendig verhaal waarbij de tekst in deze weergave onderdeel van het plaatwerk is.

    Beeldvorming

    Het personage Rudolf is een bestaand persoon. Wanneer ik het boek eerstens opensla en de teksten en beelden beschouw, ga ik ervan uit dat het een vertelsel is. Een verzonnen verhaal. Maar, zoals dat meestal is met zich serieus achtende literatuur, dien je de woorden vaker en overdacht te lezen om de diepere laag aan te boren. “Achter de pilaren loert het zwart. Iets anders neemt het roer over. Is wroeten in het loodzware, de zin van mijn leven?” En nog eens weer overlezen, en weer. “Ik wil dieper, dieper de nacht in.” De illustraties helpen bij de beeldvorming. Eerst raak ik van de wijs, volg ik de getrokken lijn niet. Ga ik dan nieuwsgierig geworden op zoek naar de waarheid, de echtheid, dan blijkt de hoofdpersoon een historisch figuur. Of hij dit of dat zo en aldus heeft beleefd is daarbij van minder belang. Het mysterie rond geschiedenis en persoon mag realiteit blijven.

    Ineke van Doorn

    De schrijver vraagt mij de maan te willen zijn, zij doet of ze de zon is. Door haar verhaal beschijnt ze mij. Eerst als nieuwe maan. Maar hoe verder ik vorder door de bladzijden in het boek, hoe meer ik begrijp, was ik tot eerste kwartier en volle maan. En ja, daarna zou ik weer krimpen tot laatste kwartier en asgrauwe maan. Maar die cyclus voltrekt zich in dit geval niet, wanneer ik het verhaal doorzie blijf ik in het volle licht van de zon. Blijf ik onder de aandacht van Ineke van Doorn, houd ze mijn concentratie op Rudolf en zijn levensverhaal scherp.

    De zon is dus de ik figuur, de historicus die de geschiedenis heeft bedacht. Ik ben de maan, de lezer die zich laat meevoeren in feit en voorval. Althans dat is de opdracht van de ik, aannemende dat dit de schrijver is. Het gaat over haar vader, die ik dus ben. Die vader is schijnbaar de alchemistische keizer, die leefde ergens in de middeleeuwen. Een raadselachtige vertelling waarbij ik op de eerste pagina al op een verkeerd been sta. Ik schrijf vraagtekens tussen de regels door. Maar blijf bij de les en doorzie gaandeweg de vertelling, denk ik.

    Je-vorm

    De afstand van zij de zon en ik de maan is de verwijdering van die ster op het toneel en ik als toeschouwer in de zaal. Naar mate het spel voortduurt, zich voltrekt en afspeelt, wordt de kloof gedicht en straalt de vervreemding vertrouwen uit. Want meteen ben ik dus die hoofdpersoon in het verhaal, de vader waar Ineke van Doorn over vertelt. Ik ben die Rudolf. Het verhaal is in de je-vorm geschreven. Dus ik voel me aangesproken en trek zijn met kant versierde jas aan, zet zijn met edelstenen versierde muts op, kruip in zijn huid. Praag is mijn  geboortestad ooit toen en daar sterf ik in de volgende zin. Zo kent mijn leven al op de tweede pagina een afgebakende periode.

    Ineke van Doorn

    Je grootvader was ook keizer, je vader, stierf aan hartaanvallen en nierkolieken, je moeder baarde zestien kinderen, je oom zal trouwen met je zusje.” Ik ken mijn plek. “Je gaat niet naar de bruiloft.” Van Doorn bepaalt wie ik als lezer ben en welke rol ik speel. Mijn handel en wandel is door haar uitgezet. Maar ieder ander die de beeldtekstbundel leest heeft eenzelfde ervaring, realiseer ik mij. Rudolf is daarmee universeel, door iedereen persoonlijk naar wens in te vullen. Het verhaal blijft dan wel hetzelfde, de beleving is van een andere aard. Maar ik moet uitgaan van mezelf, ik heb geen ander persoon dan ikzelf bij me en binnen handbereik. Me, myself and I. Rudolf.

    Volksverhaaltje

    Het is een mysterieus verhaal dat zich afspeelt in een duister verleden, een vertelling opgelicht en verhelderd door de erbij geplaatste tekeningen. Mijn burcht  is omgeven door drie grachten en een hek. Buiten de poort dwalen reuzen, narren en dwergen. Alchemisten zoeken ingang om mij een les te leren. Ik heb een grote liefde genaamd Isabella, zij geeft mij raad en daad, en stuurt en leidt mij. Ik wil goud maken, de hemel op aarde brengen, de nieuwe mens vormen en deze Frederik noemen. Daarvoor plaats ik de sterren in de juiste stand. Ben ik Galileo Galilei, Isaac Newton of Eise Eisinga in mijn kabinet, een alchemistisch keizer op de troon of bezie ik mijn verleden in de macrokosmos? Ik pieker tot de sterren als in het zonnestelsel om mijn krakende hoofd draaien. Ik ben Rudolf II en ik ken Johann Kepler, de astronoom. Ik leef in mijn eigen tijd en beleef de uren als in een sprookje. Maar ik ben echt, geen verzinsel, nauwelijks de hoofdrol van een volksverhaaltje. Zo lees ik echter het verhaal van Ineke van Doorn wel, als een vertelsel. Een dubbel laags droombeeld. Een fantasie met meerdere bodems. “Het is goed om alles in een nieuw licht te plaatsen.” Ik hoef op deze plaats echter het verhaal niet te duiden, geen betekenis te achterhalen. Voor iedere Rudolf zal de waarheid in een ander midden liggen.

    Ineke van Doorn

    Verschillende personen willen ondertussen het verhaal binnengaan, maar niet elkeen krijgt de sleutel van het maankastje. Daar zou ik in verscholen willen zitten om de zaak aan te kijken, van een afstandje. Maar, ik ben Rudolf en verzamel klokken om de tijd gevangen te houden. Dat bedenk ik zelf als lezer om mijn eigen ik plek te geven. Dat feit licht ik uit de bladzijden van het boek op, maar weet niet of het waarheid is. Mijn blik vernauwd waar die van Rudolf zich verbreed. Ik voel de waanzin die hem bekruipt, de onzin die zijn gedachten insluipt. Hij is een geestig mens. Ik? Want ik ben Rudolf meent Ineke.

    Geen beeldroman

    In die woorden heeft hij, heb ik, een nieuw mens gemaakt. Niet naar het rangschikken van de sterrenstand, maar samen met zijn/mijn geliefde. Dit resultaat, deze dochter is dol op chocolade en taart. Ze heeft een hartje van goud, want dat wilde ik ook maken, goud. Ze is mijn steen der wijsheid waarnaar ik als Rudolf op zoek was. Rudolf en ik, ik en Rudolf, wie is nu eigenlijk wie. Neem ik afstand of wordt ik hoofdpersoon. “Hoe is het om de zon van leven te zijn?

    Ineke van Doorn

    De uitgave “O Rudolf” is geen beeldroman, maar een verbeeld verdicht verhaal. Maker Ineke van Doorn is daarin tekstschrijver en beeldtekenaar, waarbij het beeld een eigen leven heeft naast de tekst. Het één is geen illustratie van het ander en het ander is geen commentaar op het één. Beide ambachten, kunsten zo u wilt, vertellen het verhaal van Rudolf op een eigen manier. Beeld sluit niet naadloos aan op de tekst, maar als lezer zie je wel het verhaal zich vormen door het boek bladerend. Zelf een beeld maken van hoe Rudolf lijkt of de andere personen schijnen te zijn is niet mogelijk. Van Doorn tekent ze mij voor, schetst persoon en omgeving. Het is afbeelden en beschrijven, deze twee-eenheid waardoor ik speels in en door het verhaal wordt getrokken, als vanzelf.

    Illustratrice Ineke van Doorn is voor het beeldverhaal geïnspireerd door een fotoboek van de stad Praag lees ik op haar website artstories-ineke.com. Een album “met zwart-wit foto’s uit de jaren 50. De stad, met boven op de berg de burcht van Rudolf II. Aan de voet van die berg ligt het gouden straatje waar ooit de alchemisten woonden.” In die sfeer en met die stemming, dat gevoel, is de belevenis geschreven en gelezen. De foto’s in het album ken ik niet, maar ik kan me een beeld vormen bij de sensatie die de kunstenaar voelde toen ze de platen zag. Als vanzelf kreeg het verhaal vorm en begon die tijd van toen voor haar te leven. Het beeld van de jaren 50 werd moeiteloos in de renaissance vertelling geplaatst. De klassieke oudheid haalt ze terug, het sprookje wordt wedergeboren in haar parabel.

    Ineke van Doorn

    Ik kan het lezen als een onderhoudende vertelling met vermakelijke plaatjes, maar ik kan het ook zien als een spiegel die me wordt voorgehouden. Het is dan nog even zoeken naar het spiegelbeeld, maar de hang naar een ontdekking, een uitvinding, goud, wijsheid, de nieuwe mens is van alle tijden. Ook nu nog tegenwoordig wordt een hoger goed nagestreefd, dat meestal een luchtkasteel blijkt, een fata morgana. Het streven leidt tot een krankzinnig wereldbeeld. “Het dier moet mijn demonen verslinden!” Het kan alleen terug in balans komen door een natuurlijke invulling: de nieuwe mens is de kei van een dochter met een hartje van goud. Drie vliegen in één klap.

    O Rudolf, alchemistisch keizer. Ineke van Doorn, tekst en beeld. Uitgave: WOEZ, het beeldtekstplatform van Uitgeverij Opwenteling. 2022.

    Ineke van Doorn