Tag: Uitgeverij Wijdemeer

  • Christiaan Kuitwaard: waar stilte zichtbaar wordt

    Hij heeft bij wijze van spreken vanuit de schaduw het vretende licht de ruimte gegeven. Op het moment echter dat dit licht alle donkerte had opgegeten veranderde Christiaan Kuitwaard zijn standpunt en breidde zijn gezichtsveld uit van het kopje op tafel tot het landschap bij Cornwall of de petgaten in De Deelen. Nog altijd is het licht wel de leidende factor en de verstilling het uitgangspunt. Dat is te aanschouwen in de tentoonstelling “Christiaan Kuitwaard – stilteschilder” in Museum JAN. In Amstelveen toont Kuitwaard een representatieve dwarsdoorsnede van zijn oeuvre. Het is derhalve een overzicht van ruim dertig jaren noeste arbeid in het atelier achter zijn huis in Oldeberkoop. Maar ook gaat hij wel het veld in om en plein air de stilte vast te leggen.

    Licht dat stilte schept

    Het licht dat schaduwen maakt van waaruit vormen opdoemen boeit Kuitwaard mateloos. Uit die vlakverdeling bouwt hij in eerste instantie zijn composities op, die schuren tegen de abstractie in de zin van versimpeling van het beeld. Door de werking van schaduw aangestoken door het licht komen voorwerpen aan het licht. Maar ook in de donkerte weet de vorm zich te manifesteren door een schijnsel op te vangen. Die tweestrijd, waarin het licht de duisternis ruimte ontneemt, voltrekt zich in stilte. Dat niet-geluid klinkt door in het werk. De serene stilte schreeuwt zich van de dragers.

    Hoewel de tentoonstelling mensen trekt die zich willen wentelen in de stilte van Kuitwaard en zodoende afleiden van het ervaren ervan, kan ik mij concentreren op de werken omdat deze door vorm en inhoud de aandacht versterkt vasthouden. In iedere compositie kan ik mij laven aan wat de schilder met zijn werk verbeeldt. De stilte in zijn schilderijen straalt rust uit, of het nu de schittering van licht op water is of het rumoer van stammen in het bos, het rinkelen van kopjes of het ruisen van de wind. Alle drukte komt tot rust in de werken van Kuitwaard, zoals de tijd stopt in een schilderij. Het is een moment van contemplatie, alsof zich een vesper in het kunstwerk voltrekt: een verstilde ontmoeting van licht en donker.

    In het getoonde overzicht ziet de beschouwer de schilder groeien in zijn werk. De ingeslagen weg lijkt een beperking te zijn, maar opent juist ongedachte perspectieven. Het licht speelt altijd een rol in de kunst bij elke kunstenaar. Zonder licht is er immers geen beeld en kan het penseel aan de wilgen. Kuitwaard echter gebruikt dat licht niet om de werkelijkheid uit te drukken, maar om een emotie vast te leggen. Ieder schilderij en elke tekening geven een gevoel bij het onderwerp weer. Een moment van ontroering dat de kunstenaar wereldkundig wilde maken. Het is zijn manier van communiceren. Zijn wil om duidelijk te maken dat gewone dingen heel bijzonder zijn. Het zijn de kleine dingen die het hem doen…

    Het kopje en de schotel hebben van zichzelf al een bepaalde stilte in zich. Dat gebruik legt Kuitwaard niet vast, maar juist het nabeeld dat in het netvlies brandt en gezien wordt wanneer ik mijn ogen sluit. Dan opeens verliest het voorwerp de oorspronkelijke betekenis en leeft het dode ding. Water is van zichzelf nooit zo vlak als een spiegel. Er is altijd wel een rimpeling van wind of schittering van zonlicht, schaduw op en in het water. Kortom, water is voortdurend levend en in beweging. Christiaan Kuitwaard echter legt dat rumoer stil, maar behoudt de dynamiek. Het is alsof dat verbeelde water nog steeds kabbelt en klotst. Het is de kracht van de kunstenaar om beweging stil te leggen in versteende stroming; de beschouwer verplaatst de penseeltoets in gedachten.

    Het ritueel van de maandag

    Bij deze tentoonstelling is een derde deel in de reeks white box paintings verschenen. De 277 werken daarin opgenomen, de nummers 392 tot 668, worden integraal in het museum getoond. Uit nood geboren, schrijft curator Gijsbert van der Wal in zijn voorwoord. “Kuitwaard zat vast (…). Als op maandagochtend zijn echtgenote naar haar werk en zijn kinderen naar school waren, moest hij zichzelf weer aan het schilderen zetten en dat kostte weleens moeite – want wat dan precies, en hoe, en waarom eigenlijk.” Om zichzelf te stimuleren en activeren besloot hij op iedere maandag na die specifieke maandag in september 2010 een klein stilleven te maken. Daarvoor bepaalde hij de randvoorwaarden die na verloop van tijd werden opgerekt. Nog altijd echter moet het voorwerp, ook na nummer 668 van 30 oktober 2025, in één dag op papier of doek staan. Het is langzamerhand een ingesleten routine geworden die het schilderen als vanzelf op gang brengt.

    Of zoals Gerbrand Bakker zijn zeer korte verhaal over een op de kop gezet kopje eindigt: “In mijn binnenste roert zich iets, precies zoals Kuitwaard met de white box paintings zijn werkweek in beweging zet.” Bakker is één van de elf schrijvers die hebben bijgedragen aan het boek. Ieder heeft een stilleven gekozen om er iets van te vinden. Het geeft een verrassende kijk op de serie werken. “In deze beker zit niets”, reflecteert Paulien Cornelisse. “Hij is leeg, al zou je kunnen zeggen dat de achtergrond het glas vult. En is de beker er zelf eigenlijk wel? Alleen de weerspiegelingen zijn te zien. Het is een herinnering van een beker die ooit ergens stond, die ooit door iemand helemaal werd leeggedronken.

    De wereld opnieuw verbeeld

    Voor het wekelijkse ritueel kan ieder voorwerp en elk ding in de huishouding worden gebruikt. Alles wat maar zijn blik kruist en waar zijn oog aan blijft haken, kan onderwerp van verbeelding worden. Het voorwerp maakt hij zich eigen, alsof het onder zijn handen opnieuw ontstaat. De serie is zo langzamerhand een kunstwerk op zich geworden, waaronder de kunstenaar zijn handtekening nog niet heeft gezet. Het is niet af en zal dat misschien nooit zijn. Het is dan klaar wanneer de maker uit de tijd gaat. Echter zal het geen punt zijn, maar een komma. Een onvoltooide compositie, als de Symfonie in b-klein, D 759, van Franz Schubert. Ooit aan begonnen maar nooit af hebben kunnen maken.

    De stilte als monument

    In een strak raster gehangen vormen de kleine schilderijen samen een monumentaal tableau, waarin de herhaling niet tot monotonie leidt, maar tot verdieping. De verstilde werken drukken zich rumoerig uit langs de wanden van JAN. De blik schiet alle kanten op en je kunt je nauwelijks concentreren op een enkel werk in de serie, omdat een andere afbeelding alweer de aandacht opeist. Tot rust kom ik bij de afzonderlijke werken uit het oeuvre van Kuitwaard. Zoals het zicht vanuit het atelier over de tuin naar het woonhuis. Geschilderd in elk jaargetijde met een eigen karakter van steeds hetzelfde beeld. Wat zal deze aanblik de schilder rust geven, turend door het raam de natuur van de wilde tuin in. Die contemplatie, dat beschouwend kijken, ligt in ieder werk besloten. In de essentie van het zien, uit de onderzoekende blik wordt een meditatief moment vast gelegd. Vrat het licht zich een weg door de schaduw; Kuitwaard laat de werkelijkheid goed smaken.

    “Christiaan Kuitwaard – Stilteschilder”, tentoonstelling bij Museum JAN, Dorpsstraat 50 te Amstelveen. Van 11 april tot 13 september 2026. “277 WBP, 11 ZKV”, 277 white box paintings & 11 zeer korte verhalen. Uitgeverij Wijdemeer, 2026.

    [zaalfotoos Eddy Wenting]

  • Een vergeten schipbreuk centraal in de kunst

    Nadat wij van de 5, 2 schepen verloren hadden, dreef het Walvisch-spek en de Traan om ons heen, op welker reuk de Beeren in menigte af kwamen, waarvan wij eenige dood schoten, die door het volk van de twee bij ons zijnde schepen, wegens gebrek een leeftogt, werden ingezouten. De zoodanige, die er dadelijk van aten, vonden dit vleesch niet onsmakelijk, maar na verloop van twee dagen, ging hun het vel in den mond en van den tong als mede op andere plaatsen van het ligchaam en van handen en voeten af.” Bij het lezen van deze passage uit het dagboek van de Amelander walvisvaarder Hidde Dirks Kat kreeg Dolph Kessler kippenvel op meerdere plaatsen van het lichaam. Mij lopen de rillingen over de rug wanneer ik het dagboek in bewerkte vorm naar 19e eeuws Nederlands verder doorlees.

    Hidde Dirks Kat, Egbarta Veenhuizen
    De jacht op een walvis. Tekening: Egbarta Veenhuizen (315 x 170 cm. / 2016).

    Het boek waarin dat ‘Dagboek van eener reize ter walvisch- en robben-vangst gedaan in de jaren 1777 en 1778’ staat afgedrukt, vond ik in de vitrine bij de presentatie van Egbarta Veenhuizen in Museum Belvédère. Daar had de kunstenaar tot voor kort een kamer ingericht met werken geïnspireerd op haar verblijf op Groenland. “Tijdens een reis in het voorjaar van 2015 naar Groenland sloten wij (…) dat land in ons hart”, schrijft Kessler. Een plek die tot de verbeelding spreekt, op dit moment eerder hot dan cool. Een half jaar later ontdekte Kessler bij toeval het dagboek van de walvisvaarder. Hij raakte in de ban van Hidde Kat. En ook partner Egbarta Veenhuizen liet zich inspireren door de 18e eeuwse dramatiek.

    Groenland, Egbarta Veenhuizen
    Installatie “Groenland” van Egbarta Veenhuizen in Museum Belvédère.

    Veenhuizen heeft mij gevraagd haar kunstzinnige doen en laten met betrekking tot Groenland, in museum en atelier, filmisch vast te leggen voor een door mij te maken internationale video van het project. Om met huid en haar in de materie op te gaan, leek het mij verstandig het boek dan maar te lezen, dat beschikbaar kwam toen de tentoonstelling werd uitgeruimd. En het blijkt ook mij aan zich te binden. Niet alleen door de spanning van het huiveringwekkende avontuur, ook de gedetailleerde beschrijving van het leven en werken van de ‘wilden’ en de eigen gevoelens en angsten van Kat boeien mateloos.

    Bijgeschaafde tekst

    Het door Wijdemeer in 2018 uitgegeven boek heeft als kern het journaal van de Amelander walvisvaarder Hidde Dirks Kat. Het verhaal is een van de inspiratiebronnen voor Veenhuizen om de bewoners van Groenland en hun historie te betrekken bij en in haar kunst. Tegelijkertijd schiet Dolph Kessler met de fotocamera in de aanslag een grote serie platen van de omgeving aldaar en de bewoners van Groenland. Het dagboek werd onderdeel van een project in het culturele hoofdstadprogramma 2018. De schrijver Kat is dan ook van verschillende kanten tegen het licht gehouden. Het dagboek is literair doorgenomen. Er is onderzocht waarom het pas 40 jaar na de scheepsramp van 1777, in het jaar 1817, wordt uitgebracht. Het past in een tijd dat historisch waargebeurde verhalen hoog worden geacht en dat het verhaal als lering en vermaak voor schoolkinderen kan dienen. De scherpe kanten worden echter van het origineel afgehaald. Het wordt herschreven in de spelling van die tijd en niet in het ouderwetse Nederlands van Kat.

    Titelblad 1e uitgave dagboek Hidde Dirks Kat, tekening Egbarta Veenhuizen

    De passage op 7 oktober “de Klok 9 uur gingen wy met ons 49 Man weg, twee bleeven in de Sloep leggen, die niet gaan konden, de eerste dag verdronken daar verscheiden van het Volk by ons, ik zelfs raakte 2 maal tussen de Schotsen, en over het Hooft toe nat, maar kreegen my weer, moesten toen met die natte Kleeren loopen…” wordt in het dagboek van 1818: “Sommige onzer, pogende van de eene op de andere schots te komen, geraakten, door de gladheid van het ijs, tusschen de schotsen, in het water, verdronken, en werden tusschen het ijs verpletterd. Ik zelf geraakte tweemaal van het ijs af, doch werd telkens weêr opgehaald en gered door de twee haken, vóór dat het ijs zich weêr toesloot, en moest zoo met mijne natte kleederen al den volgenden tijd gaan, hetwelk mij ongemeen verzwakte.” De taal van het hart wordt overmatig omgeven met dramatiek, alsof het een script geworden is voor een rampenfilm of avontuurlijke opera.

    “Des kreegen wy zo een hoge Zee”

    Het is de meest vergeten schipbreuk uit de vaderlandse geschiedenis. Maar met het opzetten van het project en de verschijning van het boek proberen de samenstellers deze vergissing recht te zetten. Want het is me nogal een geschiedenis. Bij tijd en wijle een dramatisch verhaal met de nodige ontberingen in de diepvrieskou van Groenland. Het avontuur begint naar verhouding zo melodramatisch meeslepend mooi. Monsterde Kat als commandeur voor zijn vaart op een groot aantal schepen aan om een succesvol bedoelde walvisvaart aan te vangen. Maar hadden ze nog in de thuishaven wel in de gaten welke beproeving en ellende de zeelieden te wachten zouden staan aan de overzijde van de Atlantische Oceaan tegen de poolcirkel? Konden ze zich kleden tegen de strenge kou en de snerpende wind? Tweehonderdvijftig jaar geleden was de maatschappij daarop nog niet ingericht. Lezen we nu over de verschrikkingen, dan kunnen wij ons daar nauwelijks een voorstelling bij maken. Maar toch, wanneer je de originele tekst van Kat volgt, is het als een dramatische film waarbij de Hel van ’63 een hittegolf is.

    Schilderij Abraham Storck (1644-1708) Foto zuidkust Groenland: Dolph Kessler

    De originele tekst is dus logischerwijs geweld aangedaan. Het oorspronkelijke manuscript is herschreven naar de tijd dat het is uitgegeven om het makkelijker toegankelijk en leesbaar te maken. De achttiende-eeuwse schrijfwijze is in de nu alweer verouderde moderne spelling gezet. In die tijd werd de taal aangepast en vernieuwd en keek men anders aan tegen werkelijkheden en de realiteit. Maar hoewel er kommer en kwel is weggeschreven, blijft staan dat de reis allesbehalve een pretje moet zijn geweest. “…des kreegen wy zo een hoge Zee, dat wy dagten, dat wy de dag niet weer beleeft zouden hebben, die Schotsen stieten ze geweldig tegen malkanderen, dat het droevig was te hooren.”

    Ongekerstend maar sociaal vaardig

    Eerst, aangekomen bij het ijs, worden er een aantal walvissen gevangen. Maar al snel vergaan er enkele schepen door storm en onweer, door aanvaring met ijsschotsen. Wanneer het schip van Kat als verloren wordt beschouwd en de omgeving overloopt van traan en vet van uitgebeende walvissen, komen ijsberen op bezoek. Natuurlijk is er nauwelijks plek om te schuilen, dus zal de vijand bestreden moeten worden. Het levert welkome proviand op, want de scheepsbeschuiten raken op. Kat schrijft beeldend, ik kan me inleven. Van dag tot dag word ik meer matroos: ik sta op een vrije walvisloze dag aan de reling en kijk over de uitgestrekte ijsvlakte. Sluit ik mijn ogen, dan zie ik welhaast niets anders dan wit ijs en zwart water. Voelt de punt van mijn neus koud aan, dan beginnen mijn bevroren tenen te tintelen. Beeldend beschreven voel ik de ontberingen aan den lijve.

    Het afspekken van een walvis Foto: Groenland in 2015, Dolph Kessler

    Maar er is hoop. Want hoewel er bemanning doodvriest, staat hulp paraat. Wat Kat steevast ‘wilden’ noemt, zijn Inuit – de autochtone inlanders. Ondanks dat deze ongekerstend zijn, hebben ze christelijke hebbelijkheden en zijn sociaal vaardig. Een lang verhaal kort: hoewel het boek bij de uitgever is uitverkocht, valt het vast nog te lezen bij de bibliotheek of is aan te schaffen via de boekhandel. Kat en zijn bemanning — wat er nog van over is — worden gered en belanden in de thuishaven. Ze zijn helden. Twee opvarenden publiceren meteen hun dagboek. Kat echter is zo onder de indruk van zijn wederwaardigheden en houdt het verhaal eerst voor zich. Tientallen jaren later geeft hij toch toestemming zijn ervaringen te boekstaven. Zelf acht hij dit niet dermate noodzakelijk, maar men vindt dat het niet vergeten mag worden. Ameland, want daar slijt Hidde Dirks Kat zijn laatste jaren, is trots op zijn walvisvaarder die na deze rampzalige reis dan maar de koopvaardij ingaat.

    Hidde Dirks Kat, Groenland, walvisvaart

    De koude rillingen

    Het boek is een volledig naslagwerk met daarin een kaart, waardoor de tocht over zee per mijl en aan land per kilometer kan worden gevolgd. Het dagboek van de Amelander walvisvaarder staat derhalve centraal, maar de uitgave is extra bijzonder gemaakt door er interessante teksten aan toe te voegen. Zo wordt de bewerkte versie die in 1817 is uitgegeven onder de loep genomen. Wat deed het veranderen, waarom waren de wijzigingen noodzakelijk, is het script zorgzaam aangepast? Kat blijkt niet alleen de tocht van dag tot dag te beschrijven om zo de unieke historie in de geschiedenis te plaatsen, ook is hij een opmerkzaam mens en bekijkt nauwgezet de behuizing en vervoermiddelen van de Inuit. De walvisvaart krijgt aandacht en Groenland in de tijd van de walvisjacht. Het levensverhaal van de man en het Ameland van Hidde Dirks Kat worden in afzonderlijke hoofdstukken beschreven. En er wordt gedetailleerd gekeken naar het feit of Kat een held te noemen is.

    Fotograaf Dolph Kessler omschrijft wat hem en zijn partner Egbarta Veenhuizen raakte op dat grote ijs. Maar eerst was daar het dagboek dat dit grote ijs beschreef en Kessler de koude rillingen over de rug deed lopen en waarvan hij bijzonder warm werd van binnen. De diagnose: koorts. Koortsachtig ging het paar op zoek naar de sporen van Kat. Veenhuizen met een schetsboek, Kessler met de fotocamera. In de ban van het landschap werd het een project voor Kunstmaand Ameland 2015 en later onderdeel van Culturele Hoofdstad 2018. En nog steeds reist Veenhuizen met haar Groenlandinstallatie langs musea en denkt erover bij de al bestaande figuren nieuwe te maken en te laten aansluiten bij het verhaal.

    Het dagboek van de Amelander walvisvaarder Hidde Dirks Kat. De meest vergeten schipbreuk uit de vaderlandse geschiedenis 1777-1778. Diverse schrijvers. Tekeningen Egbarta Veenhuizen. Fotografie Dolph Kessler. Uitgeverij Wijdemeer, eerste druk januari 2018.

    Hidde Dirks Kat, Groenland, walvisvaart
  • Het werk van Gerrit Terpstra heeft de tijd mee

    Het is als een Wunderkammer dat boek van Gerrit Terpstra, waarin hij een lans breekt voor het ding in de kunst. Niet alleen steekt hij zijn gedachten in gevonden voorwerpen, maar zet hij zijn ideeën over de dingen ook in taal om – gevonden woorden. Zijn materiaal om de inspiratie te vertalen is beeld en woord. Schilderijen, tekeningen, objecten, installaties, teksten en verhalen. In de uitgave “Fan dingen ensa” geeft hij het kennelijk waardeloze ding een plaats in de kunst, zijn kunst. Niet enkel als getekend beeld of in assemblage, tevens als geschreven uitdrukking. Maar ook Gerrits gedachten zijn een Wunderkammer, een kunst- en rariteitenkabinet. In zijn hoofd probeert hij de chaos te ordenen, het resultaat is zijn levenswerk, zijn oeuvre in de kunst. Om mij over te verwonderen.

    Jan de Waard leidt het boek in en duidt dat het Gerrit Terpstra gaat om gewone en alledaagse dingen, onaanzienlijke voorwerpen die na gebruik meestal in het niet verdwijnen. Alles begint bij de dingen. Zonder dingen gaat het niet. De dingen waar het Terpstra om gaat dragen een verleden, hebben de tijd in zich. De tijd die maakt en vergaat. En juist dat vindt de kunstenaar er zo interessant aan. Dat element van tijd wil hij vastleggen in zijn objecten, niet laten vergaan in zijn taal en teken. “Beeld transformeert in taal en taal transformeert weer verder naar beeld”, schrijft De Waard. “Hiermee ontwikkelt zijn werk steeds verder, en tegelijk is deze reeks van vertalingen het onderwerp van zijn werk.” Dat werk kent de constanten verschijnen, verdwijnen en opnieuw verschijnen als punten op een cirkel. In het middelpunt daarvan werkt Terpstra, waarbij constructie, deconstructie en reconstructie de stralen zijn. Zijn oeuvre is de dwarsdoorsnede, het diagonaal van de dingen.

    Een beschrijven van het geschiede

    Een gesprek met de kunstenaar belicht zijn relatie met de tijd. Je leest hem kennen, maar meer nog kijk je hem in zijn werk. Daarin groeit zijn wezen, het zijn. Mijn bewustzijn heeft daaraan moeten wennen. Want schreef ik in 1991, staande in de toenmalige Heerenveense Kunstruimte en nog niet zo gepokt en gemazeld in kijken en beleven, onder de kop ‘Het verhaal van Gerrit Terpstra heeft open einde’: “Deze ‘tiidskippenromte’ lijkt een uitstalling van vondsten. Het grijpt terug op een rijk verleden. Een geschiedenis waarin de mens evenzeer is geïnteresseerd als in de toekomst. Een verzameling gedachtegangen door Gerrit Terpstra in beeld gebracht, als een profeet met weldoortimmerde voorspellingen. Een beschrijven van het geschiede. De bouwwerken op de geroeste plateaus hebben de vorm van schepen. De stander, waarmee ze een geheel vormen, houdt de vaartuigen uit het water. Niet zozeer als letterlijke middelen om zich over water te verplaatsen, maar meer om het verhaal in de tijd ruimte en plaats te geven. Ieder scheepje is geladen met een vergankelijke vracht. In de ruimtelijke compositie zijn symbolen verwerkt van menselijke en stoffelijke zaken. Elementen die worden geofferd op een altaar van lood, glas, hout of papier. (…) Deze inspiratie dwingt de ‘romte’ op aan de toeschouwer die in devotie de knieën buigt en in spiegeling de geschilderde evenbeelden ontdekt.”

    Nu herbeleef ik die gedachte weer. De dingen van gisteren zijn de Dingen van vandaag. Met eenzelfde inhoud, maar in een andere vorm. Terpstra is gegroeid in zijn verhaal en weet het steeds beter onder beelden te brengen. Het boeit Terpstra terug te grijpen op werk dat eerder gemaakt is en daar opnieuw betekenis aan te geven. Om de tijd te herbeleven, het verleden in een andere vorm terug te halen naar het heden.

    Diepe denkers en verdiepte kunstenaars

    Uit een opstel, geschreven in het kader van de tweedegraadsstudie tekenen-handvaardigheid voor het vak kunstgeschiedenis, is het deel ‘het ding’ in het boek opgenomen. Daarin weidt Terpstra onder de noemers beleven en herbeleven uitvoerig uit over hoe het ding op zich als voorwerp in de loop der jaren een volwaardige plaats wist te verwerven in de kunst. Door toedoen van diverse kunstenaars werd het ding ingebracht en veranderde de zienswijze op en van kunst. Na het ding als individu te omschrijven, een gebruiksvoorwerp dat toepassing krijgt in een museum, stelt hij het in relatie tot natuur en cultuur. In een persoonlijke beschouwing benadert Terpstra het onderwerp op een filosofische manier, gaat in op de geschiedenis en de veranderende kijk op het onvoorstelbaar gewone. Door toedoen van diepe denkers en verdiepte kunstenaars heeft het ding waarde gekregen, heeft het beeld een functie. Is het ding tijd geworden. Nadat alle ins en outs zijn besproken brengt Terpstra het ding in zijn beeldend werk in, geeft het zin. Het opstel geeft een inkijk in zijn zienswijze, zijn benadering van dingen enzo.

    Zijn verhaal over een man die op zijn looppad een boerderij betreedt is al even mysterieus als vele van zijn composities en objecten dat zijn. Terpstra heeft het talent om de lezer in het verhaal te trekken, de gave om de kijker aan zijn werk te binden. Er gebeurt steeds om een hoekje iets wat niet te verwachten was. De laatjes in zijn kasten verbergen onvoorziene zaken. Bij Terpstra kun je de kunst opentrekken om nieuwe oude dingen te ontdekken. Niet alleen de objecten bewijzen dat driedimensionaal, ook in het vlak van de schildering en tekening, het grafiek, huist verwondering.

    Het Ding

    Gerrit Terpstra heeft een bijzondere manier van creëren en componeren. Je wordt in de creatie, het object, getrokken. De compositie, het schilderij, intrigeert zo dat het de aandacht vast houdt. Het is een mysterie, het heeft een magische aantrekkingskracht. Dat is wat het is in de fysieke ruimte. In het boek zijn het vooral de teksten die intrigeren, meer nog dan de verzamelde dingen. Die dingen kan ik zelf om me heen vinden, ze liggen verloren in mijn zijn. Maar in handen van Gerrit Terpstra en door zijn vingers aangeraakt krijgen die dingen meerwaarde. De magie zit in de vormgeving, de manier waarop het ding een plaats krijgt in de compositie. Ligt het verloren in de bak met nietsigheden of op een hoop oud vuil geveegd langs de weg, Terpstra ziet er de waarde van in en zet het op een voetstuk. Zo wordt het ding tot kunst en zie ik de nietsigheid opeens ietsigheid worden. Het verlorene is gevonden, de schepping herschapen. Terpstra’s schatkamer herbergt veel van die dingen die klaar liggen om te reïncarneren. Om een nieuw leven te beginnen.

    Hij gebruikt het losgelopen verloren materiaal als onderdeel van zijn kunststukken, zoals de stroperige materie uit een verftube deel uitmaakt van een schilderij. Het takje is belangrijk in het geheel van de installatie, de verfspat maakt het kunstwerk af. Het detail is belangrijk voor de opbouw en uitwerking van de compositie. Terpstra maakt het ding persoonlijk, geeft het waarde in het zijn. Het is blijkbaar iets. Het ding stelt weer iets voor. Het heeft een naam en mag met een hoofdletter worden geschreven, het Ding. Terpstra heeft een verhaal, het ding heeft een verhaal. Dat verhaal wordt zichtbaar in het zijn, in het wezen, dat het er is en mag zijn. Dat het bruikbaar was in de mensenwereld, materiaal dat tot nut was om het zijn leefbaar te maken. Maar dat nut heeft het verloren en is afgedankt, bedankt. Het bewees een dienst in de natuur, maar werd afgehaakt als het vallend blad in de herfst. Het was er, het deed er toe. Dat zijn is voorbij, dat leven is gedaan. Terpstra brengt andere inhoud in, het ding heeft nieuwe waarde. Het wordt hergebruikt. Je loopt eraan voorbij, Gerrit niet. Hij kijkt beter en ziet scherp. Hij heeft een verhaal en vertelt dat met wat het leven verloren heeft. Niet eens zozeer verloren, maar meer weg gedaan, afgevoerd. Dat wat eens was is weer nu. Gisteren wordt vandaag om morgen te glanzen.

    Leporello

    Tot slot is in de kaft van het boek een leporello gestoken. Het toont het vernietigen van een draadstaalfiguur. Een installatie opgetrokken uit fijnmazig draadgaas staat figuur voor het leven. Het verbeeldt de tijd en de vergankelijkheid. De mens verliest alles wat hem lief is – huisje, boompje, beestje – en legt uiteindelijk zelf het loodje. Wat rest is een hoopje niets. Want alles is ijdel, nutteloos, leeg. Stoei ik met letters om zinnige zinnen te maken, de woorden zo te rangschikken om een leesbaar verhaal te schrijven. Gerrit Terpstra evenwel heeft zijn tekst in beelden al gevonden om zin te geven aan zijn filosofie over tijd. Het mag de tijd hebben.

    Fan dingen ensa. Gerrit Terpstra. Teksten Jan de Waard, Gerrit Terpstra, Michel Tournier. Uitgave Wijdemeer Dokkum i.s.m. Mooi Rood Pers, 2025.

  • Natuurgebied De Deelen weergegeven in veertig schilderijen

    Om de emotie te doorvoelen die Sjoerd de Vries en Jan Snijder aan de petgaten en langs de rietkragen ervoeren, trok Han Steenbruggen natuurgebied De Deelen in. De plek kort ten noorden van de plaats Heerenveen kent de museumdirecteur tot dan van schilderijen, van een kort bezoek waarbij hij nauwelijks verder kwam dan de dijk en van een boek dat Thom Mercuur in het jaar 2000 samenstelde en uitbracht. Verder was Steenbruggen niet gekomen met het gebied, maar hij wilde toch verder kijken dan dat zijn zicht vanaf de weg kon reiken. Vooral toen Bruno van Dijck en Christiaan Kuitwaard het voornemen hadden om een week en plein air te werken langs de boorden van De Deelen. Voor de sfeer die De Vries en Snijder opriepen in hun werk koos Steenbruggen echter het verkeerde seizoen. Hij was er in het voorjaar, net als Van Dijck en Kuitwaard er in mei 2023 waren. Om de stemming van gele rietkragen en diep zwart water te vatten bleek de herfst het juiste jaargetijde. Het moment dat de natuur zichzelf afbreekt om opnieuw te kunnen beginnen. Zich te ruste legt om in winterslaap te gaan en uitgerust en lentegroen een volgend jaar aan te vangen. Het strijklicht van de lage zon door de maanden waarin de r zit geeft het waterrijke landschap een bijzondere kleur. Tinten die op andere momenten nauwelijks worden gehaald, of het zal de schemer zijn, het ogenblik dat de dag door de nacht breekt en andersom.

    Over zijn beleving op verschillende momenten in het natuurgebied schreef Han Steenbruggen een drietal essays voor het boek met schilderijen van De Deelen. Een veertigtal kunstwerken van Van Dijck en Kuitwaard, plus nog enkele sfeerfoto´s van het gebied en de kunstenaars aan het werk. Deze foto´s in zwartwit om de kleur over te laten en aandacht te geven aan het schilderwerk. Het is bijzonder te ervaren hoe twee kunstenaars op dezelfde plek tot diverse vertalingen van de werkelijkheid komen. Op de eigen manier met enige invloed van de ander heeft het duo boeiende sfeerbeelden gemaakt. Wanneer ik in dezelfde maand van het voorjaar het gebied bezoek zoals zij deden, kan ik hun versies van het landschap zo geografisch en naadloos daarin plaatsen. In latere maanden heeft de natuur zich geïnnoveerd tot een betere versie van zichzelf of de uitvoering juist zo bewerkt dat het amper in de eigen schaduw kan staan. Maar ieder moment heeft schoonheid en stemming. ‘De eeuwigheid duurt ieder ogenblik’, citeer ik Steenbruggen die een schilder die ook dichter was aanhaalt.

    De blik kleeft aan het struikgewas

    Op de plek zelf hebben de kunstenaars in de open lucht gewerkt en geschapen. Van Dijck heeft dan thuis in het atelier nog schetsen uitgewerkt waarbij de herinnering aan het verblijf in het gebied bruikbaar was. Kuitwaard heeft later nog De Deelen op diverse momenten bezocht, maar voor Van Dijck bleek het minder waardevol om vanuit België voortdurend naar het noorden te reizen. Hij had genoeg aan tekeningen en zijn geheugen. Van Dijck heeft dus de natuur gevat vrijwel aan het begin van de cyclus van haar jaarlijkse bestaan. Het gebied schudt zich de kou van de winter af en straalt omfloerst de zomer tegemoet. Er is veel ontluikend groen dat zich fluisterend spiegelt in het water. De omgeving is vooral landschappelijk en horizontaal bekeken, maar deze vlakheid verdiept zich en vindt grond in stil water. Er is geen leven nog van vogels en insecten. De kunstenaar heeft geen oog voor langstrekkende snelle bewegingen. De blik kleeft aan het struikgewas en het kabbelende water. De verfhuid wordt wel bewerkt met de achterkant van het penseel of het zwart van houtskool. Het trekt lijnen door de sfeer, geeft contour aan het gevoel.

    Subtiele verfvegen

    Kuitwaard geeft dan het licht meer ruimte in zijn werk. Het stille water spiegelt de tonen van het voorjaar. Leliebladeren liggen als een school vogels op dat water. Hoewel dit liquide oppervlak zich monumentaal in het portret uitspreidt, het egaal en ongerimpeld over de drager ligt, is de verfhuid kalm in beweging. Kuitwaard weet met subtiele verfvegen dynamiek te brengen in de stille gelatenheid. Het is niet een opvliegende gans die gakkend de stilte doorbreekt, maar de wind die het water doet golven in de vroege ochtend. Vooral dat tijdstip van de dag maakt de stemming, bouwt de sfeer. In latere uren is die magie in werkelijkheid verdwenen, maar voegen de schilders deze in abstractie aan hun werk toe. Kuitwaard is er niet alleen in die maand mei, maar ook nog in september en november. In februari weet hij ook eenzelfde bezieling van het landschap te bereiken. Duidelijk niet in de hardvochtige en te zonlichte zomermaanden. De tijd waarin de mens tot leven komt, maar de natuur in stemming omslaat. Het hoogtepunt van de dag is ook niet het middaguur, wanneer de zon op het hoogste punt staat. Een dag is als een jaar, met eenzelfde afwisseling van seizoenen. De uiterste sfeer is er in de vroege morgen en het begin van de avond, in het voorjaar en het najaar. Bij uitspruiten en afsterven.

    De natuur heeft teruggenomen

    Han Steenbruggen weet in zijn korte verhalen de tendentie van de schilders te schetsen. “Kuitwaard blijkt gevoelig voor milde tonen van strijklicht en schaduwvelden”, schrijft hij. “Zijn atmosferische impressies zijn als dagdromen. Ze koesteren de diepere geheimen van het landschap, zijn vervuld van lichte melancholie, maar dragen nooit de sporen van een zwaar gemoed.” Van Dijck kent een onrustiger natuur vindt Steenbruggen. Hij schildert met lossere toetsen en vegen die structuur vinden dankzij lijnen of krassen. In zijn schilderijen ritselen bladeren en rimpelt water. Maar beide kunstenaars geven vooral de stilte van en in dit gebied een plek. Terwijl op de achtergrond het verkeer over de snelweg raast is serene rust en welkome eenzaamheid in deze natuur ter plaatse te ervaren. Wie De Deelen bezoekt of heeft bezocht zal dit beamen. Dit vredig zwijgen van de ooit door mensenhanden gemaakte omgeving is te doorvoelen in de schilderijen van Bruno van Dijck en Christiaan Kuitwaard. Zij portretteren een gebied waar de natuur weer bezit van heeft genomen nadat de mens het heeft verlaten. De petgaten herinneren nog vaag aan de modderige landarbeid van turfstekers. De natuur heeft teruggenomen wat het eerder is ontnomen. De mens zorgde voor afbraak, de natuur voor herstel. Die gesteldheid is daar nu te vinden, deze toestand is realiteit en zal gewaarborgd moeten worden voor de toekomst. Dus komt de mens weer om de hoek kijken om de natuur een hand te helpen. Zo werken we samen aan een betere wereld.

    Die betere wereld weten Van Dijck en Kuitwaard, en voor hen De Vries en Snijder, nu al vast te leggen. Zij bieden een blik vooruit, behouden de sfeer en fixeren de emotie bij het gebied. Steenbruggen probeert dat in woorden te doen door te proeven van het landschap. Zich erin te begeven, de geest die de kunstenaars in hun werk legden ter plekke aan te voelen. Met een scherp mes kerfde Sjoerd de Vries rietkragen in karton, Jan Snijder veegt het vermoeden van wind en de meewarige stilte in elk schilderij. Steenbruggen spreekt met de boswachter over de toekomst van het gebied. Het boek De Deelen is zo een almanak voor wie het gebied daadwerkelijk intrekt. Een wegwijzer om deze natuur te doorgronden. En zie ik daar het silhouet van Sjoerd de Vries in Kuitwaards’ compositie 22.11.2023? Ik zal het onderzoeken wanneer Museum Belvédère de schilderijen in de zomer van 2025 zal tonen. Dan kan de echte sfeer worden gepakt die het duo in het natuurgebied heeft ervaren. Want het boek, hoewel met een uitstekende vormgeving waarin de werken goed tot uiting komen, is als catalogus best geslaagd maar blijft toch surrogaat voor het bekijken van de ‘echte’ schilderijen. Ik verheug me op de tentoonstelling.

    De Deelen. Het natuurgebied in 40 schilderijen van Bruno van Dijck & Christiaan Kuitwaard en 3 teksten van Han Steenbruggen. Uitgeverij Wijdemeer, 2024.

  • Jan Kleefstra laat me moeiteloos inleven in zijn dichterlijk ervaren

    Dichter Jan Kleefstra eindigt zijn nieuwe poëtische bundel ‘Laat het bos maar uithuilen’ in een prozaïsche epiloog met de woorden “een sfeer te schetsen van het gebied waarin de verzen zijn verkregen”. Dat maakt indruk, op mij. Want de gedichten zijn dus niet uit zijn gedachten ontsproten, zo leest het. Maar de omgeving, de streek, het landschap waar hij in ­­Kleefstra proeft figuurlijk de stemming. Tussen de bergen, in de dalen. Langs de beken, over de paden. De vogels in hun zang, de wind in de zachte bries. Ze zetten hem alle aan om de geest te laten dwalen. Weg te dromen in het licht dat strijkt langs rotsen en de schaduw die valt door gebladerde bomen op de spiegel van het water. In woorden dwaalt Jan Kleefstra beeldend door dat gebied. Wanneer ik niet oppas verdwaal ik in zijn gedachten die tot verzen werden.

    Over bergen en langs dalen

    In de omgeving die Jan Kleefstra beschrijft ben ik nooit geweest. Zuid-Frankrijk, het Unesco Werelderfgoed Causses et Cevennes. Een prachtig gebied lees ik tussen de regels door. Eigenlijk kom ik zelf nauwelijks over de landsgrenzen. Soms voel ik me als die boerenzoon in de Peelcyclus van Toon Kortooms. De jongen die nooit van het erf komt, hoogstens in het achterland van de boerderij kikkervisjes vangt in de sloot en languit liggend in het hoge gras de vogels ziet vliegen. Mijn vrouw zegt dan weleens gekscherend wanneer we een vakantie gaan bespreken: zullen we een rondje Akkrum doen? Alsof we nooit verder komen dan dat. Ooit in een verleden heb ik tijdens een hete zomervakantie een beperkte streek in Zuid-Frankrijk mogen doorkruisen. Verder moet ik het doen met me inleven in de gedichten van Kleefstra. En dat gaat wonderwel goed. Hij leidt mij over bergen en langs dalen, de paden op de laden in. “Een bevlieging is wat anders dan een storm.”

    Jan Kleefstra, dichtbundel, Lucien Tinga

    Ik kan me moeiteloos inleven in zijn ervaren in de natuur. Me voorstellen hoe imposant de omgeving daar is. Zonder het met open blik te zien, maar me naar binnen te keren en de ogen te sluiten. Meegaan in zijn cadans van schrijven. Ongewone woorden zijn gebruikt om het gewone te omschrijven. Mijn gedachten zweven. Dan moet ik wel zijn mijmeringen nog wel eens weer lezen, aandachtig in me opnemen – de zinnen natrekken, de woorden wegen, de letters overwegen. Voordat ik mee kan op zijn reis. En wanneer ik dan eenmaal plaats neem in het rijtuig en op stoom kom, vlieg ik over boomtoppen, scheer ik langs bergflanken. Het is een heerlijk lezen. Een dromend genieten. Over zijn schouder kijkend geniet ik mee. Maar laat ik niet al te euforisch zijn, want dat natuurlijke erfgoed brokkelt af en het erodeert. Juist door die invloed van de mens die er zo graag in wil recreëren. Gebruik maken, misbruik maken. De bundel heet niet voor niets ‘Laat het bos maar uithuilen’, want wat kan het bos anders? De eeuwenoude natuur moet het hart luchten, de emotie uiten om opnieuw te beginnen in een volgend jaar.

    Veelzeggend overvloedig

    Ik zit op de drukknop van Kleefstra’s pen, want ik haal het nog niet tot de schrijvende punt. Daarvoor moet ik meer lichtvoetig zweven over het toetsenbord. De verzen hebben mijn verbeeldingskracht nodig. In gedachten moet ik anders kijken. Om de woorden heen zien, om de sfeer te herkennen. En doorzie ik, dan kijk ik beter. Lees meer aandachtig, dan reiken de woorden dieper. Zie ik de zin. Herken ik de stemming door de regels. Merk ik ook de illustraties op, de tekeningen van Lucien Tinga. Die prachtig eenvoudig zijn, maar toch zo veelzeggend overvloedig. Met vlakken in ongemengde tinten bouwt het beeld zich op. Overlappen elkaar wel, maar zijn niet transparant. Een veredelt soort schets, een snelle vertaling van het geziene in de omgeving. Het heeft niet meer lijn en vlak nodig, het kan met deze eenvoud toe. In tegenstelling tot de verzen, die rijk zijn aan geestelijke lijnen en vlakken en voor een veld aan interpretatie openstaan. De tekeningen zijn duidelijk in een enkele oogopslag, de verzen hebben meer diepgang nodig.

    Jan Kleefstra, dichtbundel, Lucien Tinga

    Dus laat ik me zweven door de regels, weeg de woorden om zinnen te vinden. Mijn ingang. Zijn synoniemen, andere woorden voor eenzelfde uitleg. Op pagina 42 drukt Kleefstra mij op het hart vooral het dromen niet te vergeten. Maar dat kan ik ook helemaal niet in de gedichten in deze bundel, het dromen vergeten. Ze laten me als vanzelf bij het lezen wegdromen tussen de bomen die de eeuwen doorstonden. Het lest mijn dorst, stilt mijn honger. Want ik zie het zo duidelijk voor me wanneer ik lees “Een open plek / met een beuk in het midden / me links daarvan neergelegd / om alvast het zwijgen / uit mijn hoofd te leren / de dans komt later wel / wat ik van de wolken zie / het toegeknepen duister / net genoeg om nacht te heten”. Dan vergeet ik nog de vele lege regels te noteren, de ruimte waarin het zwijgen ertoe doet. Ik de gelezen woorden kan overdenken en me voorbereiden op de volgende uitgeschreven beelden. De verzen dwingen langzaam te lezen, overdacht zoals ze zijn geschreven. “Nooit eerder hoorde ik mist / tussen het riet kruipen /   /   / zich als wezen vastklampen / aan het verlangen naar een trager leven /   /   / omdat verwantschap met de boom / naar oneindigheid neigt /   /   / de onbewoonde plekken / waar het om de stilte draait”. Ik trek een koningsmantel aan en heers over mijn dwalen, of beter trek ik een rouwmantel aan en fladder alsof ik honderden meters boven de prooi al wist dat het licht me zou verraden, maar liever trek ik een meeuwenmantel aan en waan me sterker dan de wind die spoorslags het strand op draaft. De woorden van Jan Kleefstra maak ik me de mijne, ik eigen ze me toe om de stemming te proeven, de sfeer  aan te voelen.

    De foto’s in het slot van de bundel, aan het eind van de verzen en na de epiloog, daarin kan ik vluchten maar minder dromerig als in de tekeningen. In de rotspartijen, het heuvellandschap en de bossen zie ik de gelezen woorden terug. Volgens Kleefstra niet meer of minder de weerslag van de dagelijkse wandelingen om als anekdotisch reisverhaal te dienen voor de thuisblijvers. Zodat ook zij kunnen meevoelen in de overweldigende schoonheid. Zich mee te laten voeren op de tinten van de natuur. De sfeer te schetsen van het gebied waarin de verzen zijn verkregen.

    Gedichtenbundel “Laat het bos maar uithuilen”. Poëzie van Jan Kleefstra met illustraties door LucienTinga. Uitgeverij Wijdemeer, 2021.

    Jan Kleefstra, dichtbundel, Wijdemeer